Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk 5...

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Antwoorden hoofdstuk 1... 2 Antwoorden hoofdstuk 2... 6 Antwoorden hoofdstuk 3... 10 Antwoorden hoofdstuk 4... 13 Antwoorden hoofdstuk 5..."

Transcriptie

1 Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk Antwoorden hoofdstuk

2 Antwoorden hoofdstuk 1 1. Bij een conjuncturele ontwikkeling gaat het om een tijdelijk fenomeen; vaak als gevolg van tijdelijke fluctuaties in de economie en de hieraan gerelateerde korte termijn reacties van consumenten en producenten. De economische malaise van 2003, 2004 en 2005 heeft bijvoorbeeld de autoverkopen sterk onder druk gezet. Mensen hebben de aanschaf van een nieuwe auto uitgesteld. Dit wordt gezien als een conjuncturele ontwikkeling. Tegelijkertijd vinden er ook structurele veranderingen plaats in de sector. Zo zal de Europese regelgeving de vrijheid voor dealers sterk vergroten. Het gevolg is dat het hele systeem van dealers die nauwelijks vrijheid hadden en alleen maar het eigen merk mochten verkopen gaat veranderen. Dit zal leiden tot een structurele verandering in het distributiesysteem. 2. De groei van de productie (inkomen) per hoofd van de bevolking 3. Een bedrijfstak zijn ondernemingen die dezelfde bewerkingen uitvoeren op dezelfde hoogte in de bedrijfskolom. Een bedrijfskolom geeft aan welke productiefasen een product doorloopt voordat het bij de klant is. Er zijn meerdere bewegingen binnen de bedrijfskolom mogelijk. Indien een bedrijf in meerdere bedrijfskolommen actief is noemen we parallellisatie. Een voorbeeld is een bank die ook reizen gaat verkopen. Het omgekeerde verschijnsel noemen we specialisatie. Een bedrijf dat oorspronkelijk opereert in verschillende bedrijfskolommen specialiseert zich op een activiteit in één bedrijfskolom. Een voorbeeld is een bankinstelling die de afdeling Reizen afstoot of Philips die zich richt op enkele kernactiviteiten en daarom enkele divisies afstoot. Er zijn ook strategieën waarbij er sprake is van bewegingen binnen de- zelfde bedrijfskolom. Van integratie is sprake wanneer een bedrijf activiteiten begint in een andere schakel van de bedrijfskolom. In dat geval oefent een bedrijf activiteiten uit die behoren tot verschillende fasen uit een bedrijfskolom. Shell is bijvoorbeeld een bedrijf dat zelf oliewinning verzorgt, die transporteert (Shell tankers), raffineert en verhandelt en uiteindelijk via de pompen ook direct levert aan de klant. Integratie kan op twee manieren plaatsvinden. Een bedrijf kan een voorgaande schakel overnemen. Albert Heijn gaat bijvoorbeeld zelf koffie branden of jam produceren. We spreken dan van achterwaartse integratie. Er wordt een voorgaande schakel uit de bedrijfskolom overgenomen. Het kan ook voorkomen dat een bedrijf een volgende schakel in de bedrijfskolom overneemt. Een voorbeeld is een groothandel in levensmiddelen die eigen winkels begint. Differentiatie is het tegenovergestelde van integratie. In dat geval stoot een bedrijf activiteiten in een bepaalde fase van de bedrijfskolom af. Een voorbeeld is een rederij die het transport van ruwe olie voor Shell gaat verzorgen. Overigens hoeft het langer orden van de bedrijfskolom niet te betekenen dat de waarde van de productie ook groter wordt. In dat geval betekent dat de productie (en dus het inkomen dat gevormd wordt in de bedrijfskolom) door meer geledingen verdeeld moet worden. 4. De essentie van de economische kringloop is dat vergroting van de productie zorgt voor de creatie van een inkomen dat precies groot genoeg is om deze productie te kopen. Of het inkomen volledig wordt uitgegeven aan de geproduceerde goederen en diensten hangt af van de hoogte van de lekken (spaarlek, belastinglek en importlek) en de injecties (investeringen, overheidsuitgaven en export). 5. Nominale ontwikkeling is de ontwikkeling in euro s. Bij de reële ontwikkeling (bijvoorbeeld het reëel inkomen), wordt het nominale nationale inkomen gecorrigeerd voor inflatie. 6. De veranderingen in het groeipercentage van de productie van jaar tot jaar in een land 2

3 7. De hoeveelheid en kwaliteit van arbeid en kapitaal. Voorbeelden met betrekking tot arbeid zijn de hoeveelheid gewerkte uren en de arbeidsproductiviteit. 8. De potentiële productie is het houdbare niveau van de productie dat bereikt kan worden, gegeven de productiestructuur, de stand van de technologie en de beschikbare productiefactoren (arbeid en kapitaal). 9. Een harde landing is een scherpe vermindering van de economische groei. Een zachte landing van de economie betekent een vertraging van het economisch groeitempo, maar geen economische inkrimping (negatieve groei) oftewel recessie. 10. Meestal spreken we van een recessie als er een zwakke conjunctuur bestaat. Dit houdt in dat de groei van het bruto binnenlands product onder het gemiddelde van een reeks van jaren ligt (de trend). Volgens de wat strengere definitie van het Centraal Planbureau bestaat een recessie als twee achtereenvolgende kwartalen een daling van het bruto binnenlands product laten zien. 11. Bedrijven die: Aan het begin van de bedrijfskolom zitten; dus ver afstaan van de consument Producten of diensten verkopen met een hoge inkomenselasticiteit Relatief kapitaalintensief produceren 12. Toeleveranciers staan relatief ver af van de consument waardoor voorraadeffecten sterker gaan optreden. 13. De inkomenselasticiteit is de vermenigvuldigingsfactor die aangeeft in welke mate de uitgaven voor een bepaald product reageren op een inkomensverandering. In formulevorm: Indien de waarde van de inkomenselasticiteit groter dan 1 is, is er sprake van een (sterk) positief verband: de consument gaat (veel) méér van het product kopen als het inkomen stijgt. Dat zie je vooral bij luxe goederen en diensten zoals auto s, meubelen en verre reizen. 14. Door op te schuiven naar de consument (DSM verkocht bijvoorbeeld de bulkchemie en investeerde in de fijnchemie), door merkloyaliteit te creëren bij de consument (reclame en opbouw van sterke merken) en door risicospreiding waardoor de omzet niet afhangt van enkele producten of markten. 15. Numico: de babyvoeding van Numico zal conjunctuurgevoeliger zijn dan haar klinische voeding. Binnen Air-France KLM zal de passagiersdivisie conjunctuurgevoeliger zijn dan de vrachtdivisie. Binnen Hewlett Packard zal de hardware divisie conjunctuurgevoeliger zijn dan de after-sales dienstenafdeling. Binnen Akzo Nobel zal de pharma divisie minder conjunctuurgevoelig zijn dan de chemische divisie. 16. De voorgenomen bestedingen in de economie (de effectieve vraag), bestaande uit particuliere consumptie, particuliere investeringen, overheidsbestedingen en export. Het belang van deze determinanten verschilt van land tot land. In de Nederlandse en Belgische context is bijvoorbeeld de export een zeer belangrijk deel van de totale vraag, terwijl in de Verenigde Staten de binnenlandse consument de kurk is waarop de totale vraag drijft. 3

4 17. De dienstensector is de laatste jaren steeds belangrijker geworden. Deze dienstensector is relatief lokaal gericht en minder afhankelijk van de Duitse markt. Verder kan het zo zijn dat weliswaar in Duitsland de economie krimpt, maar dat de Duitse regio s waar Nederland juist veel handel mee drijft: Nordrhein Westfalen, Niedersachsen, Rheinland Pfalz (en Hessen) het economisch gezien relatief goed doen. 18. Totale vraag bestaat uit C,I,G,X (-M) 19. Deflatoir budgettair beleid betekent dat de economie afgeremd wordt door wijzigingen in de overheidsuitgaven- en inkomsten. De overheidsuitgaven worden verminderd en/of de belastinginkomsten nemen toe. Hierdoor blijft er minder geld in de economische kringloop voor de bestedingen. De nadruk ligt bij een deflatoir begrotingsbeleid op het creëren van prijsstabiliteit en tegengaan van oververhitting. In het algemeen wordt een deflatoir begrotingsbeleid geassocieerd met een overschot op de overheidsbegroting. 20. In een hoogconjunctuur zal op een gegeven moment de potentiële productie in zicht komen. Dat betekent dat het totale aanbod in het vraag-aanbod model steiler zal gaan lopen; het aanbod kan zich immers niet meer snel en robuust reageren op prijssignalen. Zie onder andere figuur 2.5 op pagina Een lek betekent dat het ontvangen inkomen niet wordt uitgegeven aan in het binnenland geproduceerde goederen en diensten. We hebben drie lekken: S, T en M. Een impuls of injectie is een vraagcomponent waardoor het geld in de kringloop aanzwelt. Ze bestaat uit I, G en X. 22. Inkomensevenwicht is die situatie waarbij de ondernemers precies het bedrag terugkrijgen dat zij aan productiefactoren hebben uitgegeven; het is de waarde van het nationaal product (= nationaal inkomen) waarbij de besteders hun wens vervuld zien. Dat betekent dat de economische kringloop in evenwicht is; er is geen opzwelling of inkrimping van de economische kringloop. De injecties zijn gelijk aan de lekken. De 45 gradenlijn geeft die combinaties weer waarbij de bestedingen gelijk zijn aan het (nationale) inkomen. Het inkomensevenwicht zal dus in ieder geval op deze 45 gradenlijn moeten liggen. 23. De steilheid wordt bepaald door de marginale spaarquote, belastingquote en importquote, dus de som van de lekken. 24. Inkomensevenwicht betekent dat de bestedingen gelijk zijn aan het inkomen. Dit heeft geen relatie met de maximaal haalbare productiecapaciteit (potentiële productie). Inkomensevenwicht zegt dus niets over de mate waarin de beschikbare productiecapaciteit wordt benut. Bestedingsevenwicht refereert aan die situatie waarbij de potentiële productie wordt bereikt; het maximale hoeveelheid goederen en diensten die in een bepaalde periode kan worden voortgebracht als alle productiefactoren (kapitaal, arbeid, natuur en ondernemersschap) volledig zijn ingeschakeld. 25. Overbesteding is die situatie waarbij de vraag groter is dan met de gegeven capaciteit kan worden geproduceerd. Er doen zich allerlei spanningsverschijnselen voor: fabrikanten kunnen niet meer op tijd leveren, vacatures kunnen niet opgevuld worden, er is schaarste aan grondstoffen. De prijzen van de productiefactoren gaan omhoog: de lonen stijgen, de prijzen van grondstoffen lopen op, krediet wordt duurder. Uiteindelijk worden deze prijsstijgingen doorberekend in de prijzen van de eindproducten: er ontstaat demand-pull inflatie (bestedingsinflatie). Bijonderbesteding is de situatie anders. 4

5 hier willen de besteders juist minder kopen dan met de gegeven capaciteit kan worden geproduceerd. Er treedt onderbesteding of conjunctuurwerkloosheid op. Zie grafiek op pagina De Klassieken gaan uit van de wet van Say en een perfect werkend prijsmechanisme. Dat betekent dat een grotere productie ook weer wordt afgezet en dat de lekken in de economie precies even groot zullen zijn als de impulsen. Het inkomensevenwicht ligt dan op het niveau van de potentiële productie. Van een langdurige situatie van onderbesteding kan dan geen sprake zijn. 27. De fluctuerende interest (rente) zorgt ervoor dat de besparingen in de economie (aanbod van kapitaal) en de investeringen (vraag naar kapitaal) aan elkaar gelijk zijn. Zie bijvoorbeeld grafiek 1.14 op pagina De keynesianen geloven niet in een automatisch herstel waarbij de som van de lekken door het prijsmechanisme gelijk is aan de som van de impulsen. Hierdoor blijft er geld braak liggen in de economische kringloop en ontstaat onderbesteding. Deze onderbesteding op de goederenmarkt vertaalt zich in een daling van de vraag naar arbeid op de arbeidsmarkt en dus tot onevenwichtigheidswerkeloosheid. 5

6 Antwoorden hoofdstuk 2 1. Budgettair (of begrotings) beleid is het uitgaven en inkomstenbeleid van de overheid; G en T in de in hoofdstuk een toegelichte economische kringloop. 2. Indien de collectieve uitgaven groter zijn dan de collectieve lasten ontstaat een financieringstekort. Dit tekort moet worden gefinancierd waardoor er (extra) vraag naar kapitaal ontstaat op de kapitaalmarkt. Een hogere rente kan hiervan het gevolg zijn. Daarnaast kan een te hoog financieringstekort een flexibel begrotingsbeleid frustreren omdat een groot deel van de collectieve uitgaven opgaat aan het betalen van de rente over de opgelopen staatsschuld. 3. In een recessie moet de overheid een impuls geven met een inflatoir begrotingsbeleid (G groter dan T). In een hoogconjunctuur moet de overheid de economie afremmen via een deflatoir begrotingsbeleid (T groter dan G). Het is een keynesiaans beleid waarbij de totale vraag in de economie via de overheidsbegroting wordt beïnvloed. Problemen om dit anticyclische beleid uit te voeren zijn: Het is moeilijk precies te bepalen waar je zit op de conjunctuurgolf Overheidsmaatregelen kosten tijd Veel van de collectieve uitgaven en lasten liggen vast en zijn niet flexibel in te zetten voor een anticyclisch begrotingsbeleid De reactie van de consumenten en producenten kan anders uitpakken dan was ingeschat 4. Inflatoir beleid waarbij de overheid extra vraag creëert is niet eenvoudig te bewerkstelligen. De problemen van het anti cyclische beleid spelen ook hier en hoewel het politiek wat eenvoudiger zal liggen dan deflatoir begrotingsbeleid zal ook dit tijd kosten. Vooral de reactie van de consument is onzeker: je kunt een paard wel naar een vijver brengen om het te laten drinken, maar je kunt het niet dwingen te drinken. Zo is het ook met de consument. 5. Het Stabiliteits- en Groeipact is in 1997 tot stand gekomen met als doel de stabiliteit van de Euro, te garanderen. De gedachte was en is dat als in veel landen de tekorten uit de hand lopen, dat leidt tot opdrijving van de rente en tot een verzwakking van de munt door hogere inflatie. Belangrijk in het stabiliteitspact zijn de afspraken m.b.t. het begrotingstekort. De begrotingsafspraak houdt concreet in dat het begrotingstekort niet meer dan 3 procent van het BBP mag bedragen. Deze discipline is vooral in tijden van recessie soms moeilijk te accepteren door overheden. Duitsland en Frankrijk hebben in 2003 de 3%-regels overtreden. 6. De hoogte van de multiplier wordt bepaald door de steilheid van de W-curve; dus de som van de lekken in de economische kringloop. 7. De netto investeringen hangen niet af van het niveau van de productie, maar van de groei in de productie. Dat betekent dat een toename van de verkopen zich direct vertaalt in een toename van de netto investeringen. Tegelijkertijd echter zal een groeivertraging de netto investeringen tot (bijna) nul laten reduceren. 8. Het multiplicator-accelerator principe is gevisualiseerd op pagina 70. Het gaat in deze analyse om het zichzelfversterkend proces waarbij de productie (inkomen) versterkt reageert op een impuls )zoals toename van de investeringen), terwijl deze impuls versterkt reageert op een 6

7 verandering van het inkomen. Dit hoeft niet alleen betrekking te hebben op de groeifase, maar het proces kan ook negatief inwerken op de economie. 9. De politieke conjunctuurgolf wordt in het algemeen geassocieerd met de Amerikaanse situatie waarbij electorale overwegingen een conjunctuurgolf veroorzaken. Amerikaanse presidenten plegen de eerste twee jaren van hun ambtstermijn een afremmend beleid te voeren ter bestrijding van de inflatie. In de laatste twee jaren wordt een expansief beleid gevoerd om de werkloosheid te verminderen. De populariteit van een president is sterk afhankelijk van de werkloosheid. Empirisch onderzoek levert het bewijs van deze golfbeweging in de Verenigde Staten. Ook in Nederland is onderzoek gedaan naar de politieke conjunctuurcyclus, maar van een politieke conjunctuurgolf is hier geen sprake. 10. De grafische afleiding is te vinden op pagina 77. Op de verticale as staat het prijspeil aangegeven. Dat is dus afwijkend ten opzichte van de 45 gradenlijn analyse waarbij we juist uitgaan van een stabiel prijspeil. De verklaring waarom we in dit onderdeel de totale vraag en het totale aanbod op deze manier hebben aangegeven is omdat we op deze wijze een directe koppeling kunnen maken naar inflatie. 11. Op pagina 79 is demand-pull inflatie en cost-push inflatie grafisch weergegeven. Bij demand pull inflatie verschuift de totale vraag naar rechts vanwege een stijging van de consumptie, investeringen, overheidsuitgaven of een versterkte netto vraag uit het buitenland. Bij cost-push inflatie verschuift het totale aanbod naar links vanwege hogere productiekosten per eenheid product. 12. Zie de uiteenzetting op pagina 84 en figuur 2.9. De totale vraag verschuift weliswaar naar rechts, maar dat hoeft niet te leiden tot inflatie. Enerzijds kan het aanbod naar rechts verschuiven vanwege lagere productiekosten (figuur links). Anderzijds kan het aanbod zo vlak liggen (vaak in een laagconjunctuur) dat zeer flexibel kan worden gereageerd op een toename van de vraag. Ook nu blijven inflatoire problemen uit (rechts). 13. Cost push inflatie ontstaat door onder andere dure olie, dalende euro, hogere looneisen, daling van de arbeidsproductiviteit. 14. De bezettingsgraad bepaalt de steilheid van de totale aanbodcurve. Hoe dichter een economie aanzit tegen haar productiecapaciteit, hoe steiler de totale aanbodcurve en hoe sterker de inflatoire druk. Is er sprake van een laagconjunctuur, dan zal de aanbodkant relatief makkelijk kunnen reageren op een toename van de vraag en blijft de sterke inflatoire impuls uit (zie ook vraag 12). 15. De Phillips-curve beschrijft de afruil tussen twee belangrijke overheidsdoelstellingen: (lage) inflatie en (lage) werkloosheid op korte termijn. Indien een overheid de werkloosheid aan wil pakken door stimulerend beleid uit te voeren zal dit ten koste gaan van prijsstabiliteit. Tracht men prijsstabiliteit te creëren dan zal dat negatieve gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt. Beide doelstellingen zijn op korte termijn niet tegelijkertijd te bereiken. 16. Deflatie is een algehele daling van het prijsniveau. Prijzen dalen structureel over de gehele linie. Belangrijkste probleem is dat consumenten uitstelgedrag vertonen; consumenten geven geen geld uit, maar sparen liever. Dit leidt tot een conjuncturele inzinking. 7

8 17. De index van het consumentenvertrouwen bepaalt in sterke mate de consumptieve uitgaven en deze particuliere consumptie is een belangrijke determinant van de totale vraag in een economie. Er moet vertrouwen zijn bij de consument anders wordt er niet geconsumeerd. Er zit een time-lag tussen de vertrouwensindex en de consumptieve uitgaven van maanden.vooral duurzame consumptiegoederen zoals meubelen en auto s ondervinden last van een laag consumentenvertrouwen. 18. Er worden allerlei leading indiactors gebruikt. In het onderstaande overzicht zijn de leading indicators aangegeven die het CPB hanteert. 19. Inverse rentestructuur ontstaat door twee bewegingen. Enerzijds de verhoging van de korte rente door de centrale bank. Anderzijds door de verwachtingen omtrent inflatie op de wat langere termijn. Deze lage inflatieverwachting leidt tot een lagere risico opslag op de lange rente waardoor deze lange rente gaat dalen.in figuur 2.13 is de rentestructuur aangegeven. 20. Door de afvlakking van de yieldcurve of een dalende yieldcurve ontstaat een beeld dat de monetaire autoriteiten een (korte termijn) beleid voeren dat gericht is op afremming van de 8

9 economie. Tegelijkertijd wordt de verwachting omtrent inflatie bijgesteld. In het algemeen zal in een hoogconjunctuur de inflatie relatief hoog zijn. Ziet men echter een dalende lange rente dan wordt dat gezien als een signaal van onderbesteding. 9

10 Antwoorden hoofdstuk 3 1. De economische structuur kan in beeld worden gebracht door te kijken naar de verdeling van werkgelegenheid en productiewaarde over de verschillende sectoren en bedrijfstakken. Binnen deze sectoren en bedrijfstakken kan verder worden gekeken naar onder andere de mate van openheid en de productiviteitsontwikkeling. 2. Afhankelijk van het aggregatieniveau. De grootste wekgever in de marktsector was in 2002 de binnenlandse handel. Daarna volgen de zakelijke dienstverlening en de industrie. De zorgsector is de grootste werkgever binnen de collectieve sector. We kunnen echter deze verdeling in sectoren desaggreren tot bedrijfstakken en branches. Ook kan worden gekeken naar de verdeling tussen MKB en het grotere bedrijfsleven. Het MKB nam in 2003 bijna 56% van de totale werkgelegenheid in het bedrijfsleven voor haar rekening. 3. Het belang van het MKB te meten via onder andere: aantal startende ondernemingen, het gebruik van ICT, groei in productiviteit, aandeel en groei in export, werkgelegenheid en productiewaarde. Hieronder zijn wat cijfers van 2004 voor het MKB aangegeven. Kengetallen van MKB Nederland Aantal bedrijven: Aandeel mkb: 99% Werknemers totaal (excl. overheid): Werknemers in mkb: Omzet totaal bedrijfsleven: Omzet mkb: 4.8 miljoen 2.8 miljoen 875 miljard 450 miljard 10

11 4. Hoewel het MKB relatief weinig exporteert, zie je wel grote verschillen. Meer dan 80% van de MKB export vindt plaats bij slechts vier sectoren: industrie, groothandel, dienstverlening en transport/communicatie. Met betrekking tot de hoogte van de productiviteit zijn er ook grote verschillen te onderkennen. Zo is de productiviteit binnen de detailhandel en horeca relatief laag, terwijl deze juist hoog is in bijvoorbeeld transport en communicatie. Enkele MKB sectoren zijn kleinschalig en arbeidsintensief, terwijl andere sectoren en bedrijfstakken in het MKB juist relatief grootschalig produceren en juist een relatief hoge kapitaalintensiteit hebben. 5. Voor het MKB zijn vooral de intermediaire leveringen en investeringen belangrijk. Ook de consumptie is een belangrijke afzetgroep. Export staat met 18% van de omzet op de derde plaats. De exportoriëntatie is beduidend lager dan het grootbedrijf. Natuurlijk komt dat door de kleinschaligheid van het MKB en hieraan gerelateerd de observatie dat de Nederlandse markt vaak groot genoeg is. Indien er wordt geëxporteerd is er een sterke concentratie op de buurlanden Duitsland en België. Meer dan 60% van de MKB export gaat naar deze twee landen. Voor het grootbedrijf ligt dit percentage op ruim onder de 40%. 6. Determinanten van de arbeidsproductiviteit zijn de mate van kapitaalintensiteit, de kwaliteit van de arbeid, de onderzoeksinspanningen en de aard van de technologie en de intensiteit van de concurrentie. In de detailhandel en horeca zijn deze determinanten relatief laag. Ook zijn er verschillen in arbeidsproductiviteit tussen bedrijven in dezelfde sector. Arbeidsmobiliteit en het aantal jaren dat het bedrijf functioneert blijken invloed te hebben op de hoogte en groei van de arbeidsproductiviteit. 7. Verhoging van de productiviteit in een bedrijf is mogelijk door bijvoorbeeld aandacht te geven aan training en opleiding. Ook zou arbeidsduurverkorting tot verhoging van de productiviteit kunnen leiden. Verlaging van regeldruk en minder betutteling heeft ook een positief effect op productiviteit. In het algemeen kan de arbeidsproductiviteit op macroniveau verhoogd worden door diepte-investeringen. Dus niet meer van hetzelfde (breedte-investering), maar door bijvoorbeeld in automatisering en ICT te investeren. De eenheid product per werknemer is door dergelijke investeringen de laatste jaren fors gestegen. Vooral in de industrie en landbouw, maar ook in de automatisering en telecommunicatie. Productiviteit wordt niet verhoogd door meer uren te werken. De huidige discussie over de verlenging van de nominale werkweek, die nu ligt tussen de 36 en 40 uren, zal niet bijdragen aan de productiviteitsverbetering. Het simpelweg verlengen van de werkweek voegt slechts uren toe, uren waarin men doorgaans niet productiever wordt. De arbeidsproductiviteit per uur moet omhoog gebracht worden door slimmer te werken. Dat betekent dat er bij eenzelfde input (tijd en inspanning) een grotere bijdrage kan worden geleverd aan het verwezenlijken van de (bedrijfs)doelen, en dus de concurrentiepositie van een organisatie Loonniveau in combinatie met de arbeidsproductiviteit is essentieel voor de internationale concurrentiekracht van een land. Zie voor deze relatie paragraaf vanaf pagina 114. Loonmatiging is een constante factor in het Nederlandse beleidsdebat over werkgelegenheid sinds het akkoord van Wassenaar in Er is grote consensus over het nut van loonmatiging in termen van bestrijding van de werkloosheid. Toch meent een aantal economen dat loonmatiging ook een structurele vertraging van de arbeidsproductiviteit veroorzaakt, bijvoorbeeld doordat marginale bedrijven met lage winsten en weinig innovatie kunnen blijven voortbestaan. Volgens deze economen is de nadruk op loonmatiging kortzichtig. Zij bepleiten juist een loongolf om de 11

12 arbeidsproductiviteit te verhogen. Op korte termijn zal de arbeidsproductiviteit stijgen. Dit komt doordat bedrijven gaan besparen op de duurdere arbeid door in het productieproces arbeid te vervangen door kapitaal en door het accent te leggen op arbeidsbesparende innovaties in plaats van kapitaalbesparende. Mensen worden vervangen door machines. 9. De ruimte die de werkgever heeft om aan de looneisen van de werknemer tegemoet te komen zonder dat de loonkosten sneller toenemen dan de omzet. Deze loonruimte bestaat uit twee delen: stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie. 10. Zie het overzicht van tabel 3.10 op pagina 114. Het is de nominale loonstijging, gecorrigeerd voor het inflatieniveau. 11. De AIQ is de totale loonsom die ontvangen wordt door werknemers en zelfstandigen, gedeeld door de totale waarde van de productie in bedrijven. Het is belangrijk op te merken dat in de noemer de waarde van de productie wordt aangegeven (arbeidsproductiviteit en prijs). Lonen per eenheid product is de loonsom gedeeld door de arbeidsproductiviteit. Prijzen worden in deze analyse dus niet meegenomen. 12. Publicatie en discussie van de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning (eerste fase), publicatie en discussie van de arbeidsvoorwaardennota (tweede fase). De derde fase bestaat uit de onderhandelingen op bedrijfstak- en ondernemingsniveau. 13. Decentralisatie betekent dat je rekening kunt houden met sectorale kenmerken. Een sterke rendementsontwikkeling in een bepaalde sector kan zich dan vertalen in hogere lonen, terwijl in slecht renderende bedrijfstakken loonmatiging wordt doorgevoerd. Flexibiliteit is dan dus meer mogelijk. Tegelijkertijd moet er natuurlijk wel een sociaal aanvaardbaar minimum zijn en moeten ook centraal (raam)afspraken worden gemaakt over vakantiedagen en opleidingen. 14. Ja, dat is mogelijk. In dat geval wordt meer aan lonen betaald dan dat er aan opbrengsten binnen komt. Natuurlijk zal dit niet gedurende een lange tijd kunnen; er wordt immers dan verlies gemaakt. De teller van de AIQ kan sterk stijgen door de looneisen die werknemers stellen. De noemer kan dalen omdat de omzet sterk terug loopt door een economische malaise of doordat de omzet in bijvoorbeeld dollars wordt verdiend en de dollar ten opzichte van de euro sterk in waarde daalt. 15. Hoge AIQ komt voor in de landbouw, bancaire sector, horeca en handel. 16. Zie de figuren op pagina 125. Bij onevenwichtigheidswerkeloosheid gaat het om de starheid van het loonniveau in combinatie met een teruglopende vraag naar arbeid. Bij evenwichtswerkeloosheid gaat het om het verschil tussen de aanbodcurve van arbeid en de N- curve die de beroepsbevolking aangeeft. Deze evenwichtswerkeloosheid kan op elk niveau van het loon ontstaan; zelfs als het loon op het evenwichtsniveau ligt. 17. Verlaging van het loon zou een korte termijn oplossing zijn. Het gevaar is echter dat de verlaging van het loon en de hieraan gerelateerde vermindering van de koopkracht tot een verdere daling van de totale vraag (effectieve vraag) zal leiden. Deze daling van de totale vraag uit zich dan op de arbeidsmarkt in een (verdere) daling van de vraag naar arbeid. Indien de lonen niet volledig flexibel zijn zal dan ook nu gedurende een korte of langere tijd onevenwichtigheidswerkeloosheid optreden. 12

13 Antwoorden hoofdstuk 4 1. Volgens de klassieken moet de overheid zich van elke beïnvloeding van het economische proces onthouden. De werking van het prijsmechanisme moet ongestoord kunnen werken. Hierdoor ontstaat een stabiliserend proces waarbij de verschillende deelmarkten van de economie automatisch in evenwicht komen en van structurele onderbesteding geen sprake zal zijn. In de meer moderne varianten van de klassieke gedachtegang zoals de rationele verwachtingen theorie wordt overheidsbeïnvloeding als inefficiënt gezien omdat de partijen in de economische kringloop rationale overwegingen meenemen zodat dat het effect van overheidsingrijpen wordt geneutraliseerd. Volgens de keynesianen zal het economische proces zoals we dat hebben beschreven met behulp van de economische kringloop niet automatisch naar een optimale situatie tenderen; onderbesteding kan voorkomen en langdurig van aard zijn. Daarom is een actieve overheid nodig die met een anticyclisch begrotingsbeleid probeert sturing te geven aan de economische ontwikkeling op korte termijn. 2. Economen gaan ervan uit dat de markt in beginsel efficiënter werkt dan de overheid. Toch bestaat een aantal goede redenen waarom bepaalde taken niet aan de markt kunnen worden overgelaten. We spreken dan van markfalen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij buiten de markt om werkende (externe) effecten zoals milieuproblemen. Voorbeelden van marktwerking: Privatisering van vuilophaal diensten Outsourcen van bepaalde gemeentelijke diensten openbaar vervoer elektriciteitsvoorziening en de gassector de zorgsector en de sociale zekerheid de nieuwe mededingingswet die een eind moet maken aan Nederland als kartelparadijs. 3. Flexibilisering van de economie en institutionele vernieuwing is belangrijk omdat hierdoor het groeipotentieel van de economie wordt vergroot. In de Miljoenennota 2005 geeft het kabinet aan verder te gaan met vergroting van het groeipotentieel van de Nederlandse economie en het wegnemen van belemmeringen voor de benutting van dit potentieel. Het is van groot belang dat verdere stappen worden gezet om productiviteit en participatie te verhogen, zeker ook in het licht van de uitdagingen waarmee onze economie wordt geconfronteerd. Naast de tendens van individualisering en internationalisering gaat het dan om de benutting van de grote mogelijkheden van de informatieen communicatietechnologie, de effecten van de vergrijzing op de economie, de eisen die deelname aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) stelt aan de flexibiliteit van de economie en de relatie tussen economie en milieu. Duidelijk is dat de toekomstige welvaartsontwikkeling vooral zal afhangen van het vermogen van bedrijven om te vernieuwen en flexibel in te spelen op de snel veranderende omgeving. 4. Openstelling van de overheidsopdrachten, de versterking van de bevoegdheden van de mededingingsautoriteiten, de liberalisering van de telecommunicatie- en elektriciteitsmarkten, de grotere toegankelijkheid van spoorwegnetten voor goederenvervoer. Voorbeelden van flexibilisering op de arbeidsmarkt zijn: Mensen kunnen in deeltijd werken. Ze sparen verlof en gaan er dan een hal jaar tussenuit of ze sparen om voor hun 65e te kunnen stoppen met werken. Mensen doen een deel van hun werk thuis om de kinderen te kunnen opvangen en de files te vermijden. 13

14 5. In 1994 is de overheid gestart met een grote operatie waarbij verschillende markten moeten worden doorgelicht op Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, de zgn. MDW-operatie. De bedoeling hiervan is om marktwerking te stimuleren, te dereguleren en de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren. Binnen deze operatie zijn sinds 1994 in totaal 69 projecten ter hand genomen, die zich uitstrekken over een breed palet van onderwerpen die de samenleving raken. Enkele voorbeelden hiervan zijn de herziening van de regels voor advocaten, de verruiming van de Winkeltijdenwet, de aanpassing van de taxiwetgeving, de bevordering van de concurrentie op de benzinemarkt en de bevordering van de vraagsturing in de AWBZ. De MDW operatie is ook ingezet om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verminderen. Voorbeelden zijn: - de herziening van de Arbowet heeft volgens berekeningen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geleid tot een vermindering van de administratieve lasten met tenminste 120 miljoen op jaarbasis; - het afschaffen van de titelbescherming en het domeinmonopolie van makelaars heeft geleid tot een trendbreuk in de toetreding van nieuwe makelaars. Waar dit aantal tot 2001 (toen het MDWproject werd afgerond) jarenlang daalde, is er sindsdien sprake van een toename. 6. De oude Wet Economische mededinging ( uit1956) was een misbruikwetgeving; de minister van Economische Zaken kon pas ingrijpen als hij kon aantonen dat een kartel of economische machtspositie in strijd is met het algemeen belang. Wel was het mogelijk bepaalde vormen generiek onverbindend te verklaren. Zo werd in 1964 de collectieve verticale prijsbinding en de individuele verticale prijsbinding voor bepaalde artikelen verboden. De misbruikwetgeving staat tegenover de verbodswetgeving die in de VS al sinds 1890 en ook in de landen om ons heen en in het Europese mededingingsbeleid wordt gehanteerd. Binnen het kader van de verbodswetgeving zijn kartel afspraken in principe verboden. Vanaf 1998 geldt in Nederland in navolging van het EU-beleid een verbodswetgeving, die is vervat in de Nieuwe mededingingswet en de oprichting van de NMA. 7. Technologische ontwikkelingen in de telecommunicatiesector, aangespoord door toenemende concurrentie, hebben geleid tot vele nieuwe producten (mobiele telefonie, voice mail) en prijsdalingen. Een gemiddelde consument is jaarlijks tachtig gulden goedkoper uit voor zijn abonnement en lokale en interlokale gesprekken. Er zijn echter ook wel enkele nadelen van liberalisering te noemen: Milieubelang kan ondersneeuwen vanwege de externe effecten Onderhoud van de infrastructuur kan onder druk komen te staan; wie betaalt? Er kunnen natuurlijke monopolies ontstaan 8. Zie het overzicht op pagina 144. Het aandeel van de Staat in KPN lag eind 2002 nog op 31 procent. In september 2003 is het belang van de Staat in KPN teruggebracht met ca 12% naar 19,3%. Deze verkoop leverde 2,0 miljard op. In januari 2005 werd het staatsbelang teruggebracht tot 14%. 9. De volgende beweegredenen kunnen voor het aangaan of aanhouden van een deelneming worden onderscheiden: 14

15 - Verzelfstandiging met als doel privatisering. Het onderbrengen van bestaande activiteiten in een NV of BV. De periode tussen verzelfstandiging en verkoop wordt gebruikt voor bedrijfsmatig inrichten van de onderneming. - Projectontwikkeling. Om redenen van doelmatigheid kunnen grote (infrastructurele) projecten worden ondergebracht in een kapitaalvennootschap. Een recent voorbeeld hiervan is de NV Westerscheldetunnel. - Initiëren van marktactiviteiten. Bepaalde economische ontwikkelingen lijken niet van de grond te komen zonder dat de Rijksoverheid een eerste, doorgaans bescheiden aanzet geeft. Twinning gaf een belangrijke impuls aan de investeringen in informatie- en communicatietechnologie. De regionale ontwikkelingsmaatschappijen hebben een bredere initiërende functie. - Uitvoering van beleid. In het verleden is de Staat verschillende deelnemingen aangegaan om specifiek beleid uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn De Nederlandsche Bank en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden. Deze organisaties zijn qua positie en karakter meer te vergelijken met zbo s dan met andere deelnemingen. - Defensie en andere vormen van staatsveiligheid. Ook deze belangen vormden voorheen een overweging om tot deelneming over te gaan. De deelnemingen in Thales (voorheen HSA) en Eurometaal zijn hiervan een overblijfsel. - Steunoperaties. De Staat heeft in het verleden verscheidene malen een rol gespeeld bij de instandhouding van bestaande bedrijven (DAF, Fokker, KSG). Hierbij speelden zowel handhaving van werkgelegenheid als continuïteit van de activiteiten een rol. Tegenwoordig worden de mogelijkheden om bedrijven of bedrijfstakken te ondersteunen sterk beperkt door Europese regelgeving. - Beheer van netwerken. Wanneer verschillende marktpartijen gebruik maken van dezelfde infrastructuur met een duurzaam monopoloïde karakter, kan het aanbeveling verdienen deze structuur bij een onafhankelijke partij onder te brengen. 10. De NMa ziet toe op naleving van de Mededingingswet. De kern van de Mededingingswet bestaat uit drie bepalingen, overeenkomend met de taken van de NMa: Kartelverbod Ondernemers mogen geen afspraken maken die de concurrentie beperken. Zo mogen concurrenten onderling niet afspreken welke prijzen zij rekenen of onderling hun verkoopgebied verdelen. De NMa ziet erop toe dat dit niet gebeurt. Misbruik van economische machtspositie Ondernemingen met een zeer sterke positie op de markt (een economische machtspositie) mogen van die positie geen misbruik maken. Bijvoorbeeld door gelijksoortige afnemers anders te behandelen of door het stellen van excessieve tarieven. Als er misbruik wordt gemaakt, treedt de NMa op. Het hebben van een economische machtspositie is geen probleem onder de Mededingingswet. Misbruik daarvan wel. Als een onderneming een economische machtspositie heeft, mag deze onderneming niet andere 'uitbuiten' of 'uitsluiten'. Een onderneming met een economische machtspositie mag derhalve niet: Koppelverkoop plegen. Dat wil zeggen producten die niets met elkaar te maken hebben als pakket verkopen. Nieuwkomers op de markt op een oneerlijke manier 'eruit werken', bijvoorbeeld door producten onder kostprijs aan te bieden. Excessieve prijzen voor haar producten vragen. De derde taak is het toezicht op fusies en overnames Indien ondernemingen willen fuseren moeten zij dat voornemen melden bij de NMa. De NMa controleert of er door deze samensmelting geen onderneming ontstaat met 15

16 een te sterke positie op de markt. Als dit niet het geval is krijgen de ondernemingen van de NMa groen licht en mogen ze fuseren. Ontstaat er wel een economische machtspositie dan kan de NMa voorwaarden opleggen of de fusie zelfs verbieden. 11. De onderstaande tekst komt van de NMa website: Een onderneming heeft een economische machtspositie als deze over een zo'n sterke positie beschikt dat het bedrijf zich onafhankelijk van zijn concurrenten en afnemers kan gedragen. De ondermening kan bijvoorbeeld de prijzen bepalen zonder rekening te houden met anderen. Er zijn diverse factoren die samen bepalen of een onderneming een economische machtspositie heeft. Een van deze factoren is het marktaandeel. Als de onderneming een marktaandeel heeft van meer dan 40% kan dat een indicatie zijn dat er sprake is van een machtspositie. Echter, het is niet alleen op basis van marktaandeel te zeggen of een onderneming een machtspositie heeft. Zelfs als een onderneming de enige aanbieder is op een markt kan het nog zo zijn dat zij geen machtspositie heeft. De onderneming kan namelijk concurrentiedruk voelen als andere bedrijven eenvoudig op de markt kunnen toetreden en kunnen concurreren. De enige aanbieder moet hier dan rekening mee houden. Zij kan zich niet onafhankelijk van deze (potentiële) concurrenten gedragen en heeft geen economische machtspositie. Om te bepalen of er sprake is van een economische machtspositie moet eerst de relevante markt afgebakend worden. Vervolgens moet worden nagegaan of de onderneming(en) in kwestie op deze relevante markt een economische machtspositie innemen. De belangrijkste factoren hierbij zijn: marktaandeel van de onderneming(en) in kwestie marktaandelen van de concurrenten andere omstandigheden die een voorsprong kunnen geven op de concurrenten zoals financiële reserves, technologische kennis, verticale integratie toetredingsbelemmeringen tot de markt Het verbod op misbruik van een economische machtspositie is er om de afnemers (de consumenten) te beschermen. 12. De Europese concentratiecontrole is van toepassing als bepaalde omzetdrempels zijn overschreden. Verder moet het gaan om bedrijven die tezamen een miljardenomzet halen. Worden deze drempels overschreden dan is uitsluitend het Europese recht van toepassing. 13. Bij een horizontale fusie zijn ondernemingen betrokken die binnen eenzelfde bedrijfstak opereren. Verticale fusie: hierbij zijn ondernemingen betrokken binnen dezelfde productieketen (bedrijfskolom). Artikel 6 van de Nederlandse mededingingswet verbiedt afspraken tussen ondernemingen die de mededinging verstoren. Artikel zes maakt geen onderscheid tussen horizontale overeenkomsten (tussen concurrenten) en verticale (tussen een leverancier en een afnemer van een product). In de praktijk zien we echter wel verschillen. In het algemeen worden horizontale fusies zwaarder beoordeeld dan verticale fusies. Dat komt omdat bij verticale fusies samenwerking tussen toeleverancier en uitbesteder vaak leidt tot efficiëntiewinst en innovatief gedrag dat uiteindelijk gunstig is voor de consument. 14. De NMa kan naar aanleiding van een klacht, maar ook op eigen initiatief een onderzoek instellen naar vermoedens van overtredingen van de Mededingingswet. Bij dit onderzoek wordt informatie verzameld door bijvoorbeeld de analyse van de markt, vragen aan betrokkenen en andere marktdeelnemers. De NMa is ook bevoegd om bedrijven te bezoeken en medewerkers 16

17 van bedrijven vragen te stellen. Van de bevindingen van een onderzoek wordt een rapport opgemaakt. Dit rapport wordt aan de belanghebbende partijen verstrekt, waarna zij de gelegenheid hebben op een hoorzitting hun argumenten in te brengen. Op basis van de bevindingen uit het rapport en de hoorzitting stelt de NMa een besluit vast. Dit besluit kan ook een sanctie, bijvoorbeeld in de vorm van een boete, bevatten. Ten aanzien van onderzoeken naar klachten moet de NMa uiterlijk binnen zes maanden na de ontvangst van de klacht een besluit nemen, maar bij zeer ingewikkelde of omstreden onderwerpen kan de termijn worden verlengd. de NMa heeft bij eigen onderzoeken (eventueel naar meldingen van consumenten of concurrenten) geen termijnen waarbinnen een onderzoek moet worden afgerond. De stappen in het onderzoeksproces zijn: 1. Het verzamelen van bewijs Hoewel tipgevers of klagers zelf vaak snel het vermoeden hebben dat er sprake is van oneerlijke handelspraktijken door ondernemingen, blijken in de praktijk de gedragingen van de ondernemingen en de gevolgen voor de mededinging erg ingewikkeld te zijn. Zo kan bijvoorbeeld een constatering dat er door een onderneming met een economische machtspositie hoge prijzen worden gerekend zijn niet genoeg zijn om haar ook voor een overtreding van de Mededingingswet te veroordelen. De NMa zal moeten bewijzen dat er sprake is van een excessieve prijs. 2. De rechten van de ondernemingen De ondernemingen waartegen onderzoeken lopen hebben rechten om zich te verdedigen. Hoewel ondernemingen moeten meewerken aan onderzoeken van de NMa, hoeven medewerkers van de onderneming niet aan hun eigen veroordeling mee te. Ondernemingen hebben ook het recht om in de procedure gehoord te worden, zodat zij zich tegen de aantijgingen kunnen. De NMa dient op haar beurt een besluit te motiveren en rekening te houden met de andere beginselen van behoorlijk bestuur. 3. Bezwaar en beroep De ondernemingen kunnen binnen zes weken nadat het besluit door de NMa genomen is in bezwaar gaan bij de NMa. Ook in de bezwaarprocedure hebben de ondernemingen het recht te worden gehoord en het recht op inzage, terwijl de NMa weer een motiveringsplicht heeft. 15. De kern van het poldermodel is de overlegeconomie waarbij werknemersorganisaties, werkgeversorganisaties en de overheid regelmatig overleg is over sociaal-economische zaken. Voorbeelden zijn de SER waarin vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en onafhankelijke deskundigen zitting hebben en de Stichting van de Arbeid die wordt gevormd door werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties. Het poldermodel kan ook beschreven worden door in te gaan op het sociaal-economische beleid. Het bestaat ondermeer uit loonmatiging, lastenverlichting, beheersing van collectieve uitgaven en deregulering op de arbeids- en productmarkt. Zie voor een overzicht paragraaf 4.4 vanaf pagina In 1982 kwamen de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties in de Stichting van de Arbeid het Akkoord van Wassenaar overeen. De werknemersorganisaties toonden zich bereid tot loonmatiging, in ruil voor arbeidstijdverkorting als gevolg van de diepe economische recessie met oplopende werkloosheid. 17

18 17. Een belangrijk punt van kritiek op de overlegeconomie en het poldermodel is het democratische tekort; namens wie spreken de sociale partners (en andere belangenorganisaties) eigenlijk en is het democratisch verantwoord om zoveel gewicht aan hun stem toe te kennen? Tegenwoordig is minder dan 35% van de werknemers lid van een vakbond. De werkgeversorganisaties op hun beurt komen nogal ambtelijk over en lijken weinig op het bedrijfsleven. Een andere kritische noot is dat noodzakelijke ingrepen lang worden uitgesteld. De overlegcultuur en het streven naar consensus maken het moeilijk om snel ingrijpende maatregelen te nemen. Daar staat tegenover dat éénmaal bereikte compromissen wel op draagvlak kunnen rekenen. 18. Structuurbeleid is gericht op liberalisering, deregulering en flexibilisering van de aanbodkant van de economie. In het algemeen kunnen overheidsinstrumenten in twee groepen worden verdeeld: instrumenten die worden gebruikt bij de stabilisatie van de conjunctuur en instrumenten die gebruikt worden voor beïnvloeding van de structuur van de economie. Het Conjunctuurbeleid is erop gericht, om de conjunctuur zoveel mogelijk te stabiliseren. Instrumenten die daarbij gebruikt worden, zijn de collectieve uitgaven en collectieve lasten (met name de belastingen). Het Structuurbeleid is gericht op de aanbodkant. Instrumenten hiervan zijn onder andere het concurrentiebeleid, het technologie- en innovatiebeleid en het dereguleringsbeleid. 18

19 Antwoorden hoofdstuk 5 1. Import (goederen die Nederland binnen komen) en export (goederen die Nederland uit gaan) zijn belangrijke factoren van de Nederlandse economie. Een belangrijk deel van het inkomen wordt gevormd door export en veel werkgelegenheid is gekoppeld aan internationale handel. In België wordt bijvoorbeeld 70% van het BNP bepaald door de export van goederen en diensten. Een groot deel van de conjunctuur in landen als Nederland, België en Ierland wordt bepaald door ontwikkelingen in het buitenland zoals de groei in Duitsland en de economische ontwikkeling binnen de EU. Internationale handel is voor een land als België van uitzonderlijk belang. Mijn land is één van de belangrijkste handelsnaties in de wereld. Ook internationale investeringen zijn belangrijk voor deze landen. In België beloopt de totale omvang van directe buitenlandse investeringen ruim de helft van ons BNP. Bijna een half miljoen Belgen hebben er hun baan aan te danken. 2. Exportquote is de waarde van de export gedeeld door het BBP. Handelsquote of handelsintegratie refereert aan export en import. Het is de export en import als percentage van het BBP. Om te bepalen of bilaterale handelsstromen relatief intensief zijn kan gebruik worden gemaakt van de handelsintensiteit. Verschillende berekeningen zijn mogelijk, maar we hebben hieronder gebruik gemaakt van onderstaande formules. Een waarde van boven de één betekent dat de bilaterale handelsrelatie intensiever is dan je zou verwachten op basis van economische grootte van beide landen of regio s, terwijl een waarde kleiner dan één een relatief lage handelsintensiteit betekent. Zoals te zien is in de formules, kan deze handelsintensiteit vanuit de export-en importkant worden berekend. investeringen worden bepaald. 3. Wederuitvoer is de invoer die weer direct, zonder verdere bewerking, wordt uitgevoerd. De wederuitvoer bestaat uit goederen die Nederland noch als herkomst noch als bestemming hebben, maar wel door Nederland heen worden vervoerd en daarbij (tijdelijk) eigendom worden van een in Nederland gevestigde onderneming. De wederuitvoer moet worden onderscheiden van de doorvoer, waarvan sprake is als goederen, die via Nederland worden vervoerd, niet (tijdelijk) eigendom worden van een Nederlandse ingezetene. De Rotterdamse haven speelt als distributiecentrum hierbij een belangrijke rol. De sterke stijging van het aandeel van de wederuitvoer wordt als symptomatisch voor de kwetsbare Nederlandse exportpositie gezien: Nederland wordt wel geportretteerd als Europa s dozenschuiver. Van 19

20 oudsher is de wederuitvoer belangrijk voor de Nederlandse economie. Zie onder andere het onderstaande citaat uit De Vries e.a. (1995). Tussen 1990 en 2004 is het aandeel van de wederuitvoer in de Nederlandse goederenuitvoer gestegen van ruim 19% naar 48 procent. Volgens het Centraal Planbureau wordt de sterke groei van de wederuitvoer in de afgelopen tien jaar verklaard door de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor Europese distributiecentra van (buitenlandse) multinationals in combinatie met het wegvallen van de binnengrenzen in de EU in De samenstelling van de Nederlandse wederuitvoer wijkt sterk af van die van de uitvoer van binnenlands geproduceerde goederen. De wederuitvoer bestaat voor 55 procent uit elektrotechnische producten, textiel, kleding en leder, die slechts 5 procent van de in Nederland geproduceerde uitvoer uitmaken. Deze cijfers suggereren dat er geen sterke band bestaat tussen productie en distributie. Blijkbaar is Nederland goed in staat producten in te voeren en te distribueren over Europa zonder dat het is gespecialiseerd in de productie van die goederen. Kennis van het productieproces lijkt derhalve geen noodzakelijke voorwaarde te zijn voor de handel in bepaalde producten. Om een indruk te krijgen of de Nederlandse economie waarde toevoegt en dus inkomen genereert aan de wederuitvoer kan gekeken worden naar de marge op de wederuitvoer. Deze is gelijk aan het verschil tussen de prijs waarvoor de wederuitgevoerde producten worden verkocht en de prijs waarvoor zij zijn ingekocht. Hoewel de toegevoegde waarde van de wederuitvoer relatief klein is gaat het toch om een niet te verwaarlozen en bovendien groeiend deel van het binnenlands product. 4. Zie de opsomming op pagina 181: Afname van transport- en communicatiekosten Ontwikkeling nieuwe technologieën Deregulering- en liberaliseringbeleid van overheden Convergentie van consumentenbehoeften 20

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Gezinnen. Overheid. Bedrijven. Buitenland

Gezinnen. Overheid. Bedrijven. Buitenland Hoofdstuk 2 Basisinzichten Opgave 1 NBP fk 990 S = 120 Gezinnen Bg = 50 C = 820 Overheid NBPov = 90 Indir. Bel. = 70 Cov = 50 Iov = 10 NBPb = 900 Bedrijven I = 110 X = 910 M = 930 Buitenland B NBPfk Bg

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Misbruik van een economische machtspositie

Misbruik van een economische machtspositie Mededingingswet Misbruik van een economische machtspositie Nederlandse Mededingingsautoriteit Mededingingswet Misbruik van een economische machtspositie De Mededingingswet stelt regels ten aanzien van:

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Vraag 1 Bin. Munt/Buit. munt Hoeveelheid buitenlandse munt Beschouw bovenstaande grafiek met op de Y-as de hoeveelheid binnenlandse

Nadere informatie

Samenvatting. (Summary in Dutch)

Samenvatting. (Summary in Dutch) (Summary in Dutch) Inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil. De jaren 70 en 80 van de vorige eeuw waren periodes van relatief hoge inflatiecijfers in West-Europa, terwijl lage inflatie en deflatie

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel Na de snelle daling van de bedrijfswinsten door de kredietcrisis, is er recentelijk weer sprake van winstherstel. De crisis heeft echter geen gat geslagen in de grote financiële buffers van bedrijven.

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Inleiding We hebben gezien uit welke componenten het nationaal product en het nationaal inkomen bestaat.

Inleiding We hebben gezien uit welke componenten het nationaal product en het nationaal inkomen bestaat. Bestedingsevenwicht - 1 van 15 MACRO-ECONOMISCH BESTEDINGSEVENWICHT Welke factoren bepalen de grootte van het nationaal inkomen? Inleiding We hebben gezien uit welke componenten het nationaal product en

Nadere informatie

Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt

Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt 157 Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt M. A. Allers* Samenvatting De afgelopen 25 jaar is de Nederlandse economie vooral gegroeid doordat meer mensen zijn gaan werken. Deze extensieve economische

Nadere informatie

Exportprestaties van het industriële MKB in 2003

Exportprestaties van het industriële MKB in 2003 M200410 Exportprestaties van het industriële MKB in 2003 Exportthermometer Jolanda Hessels Kees Bakker Zoetermeer, november 2004 Exportprestaties van het industriële MKB in 2003 In 2003 laat de export

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

: Macro-economie voor Bedrijfseconomie

: Macro-economie voor Bedrijfseconomie TENTAMEN inclusief antwoorden Vaknaam : Macro-economie voor Bedrijfseconomie Vakcode : 330091 Datum tentamen : donderdag 16 mei 2013 Duur tentamen : 3 uur Docent : Dr. B.J.A.M. van Groezen ANR : 649627

Nadere informatie

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein De Verenigde Staten gaan meestal voorop bij het herstel van de wereldeconomie. Maar terwijl een gerenommeerd onderzoeksburo recent verklaarde dat de Amerikaanse

Nadere informatie

Eindexamen economie havo 2011 - I

Eindexamen economie havo 2011 - I Opgave 1 AWBZ-zorgen Havo-leerling Dick besluit voor economie een profielwerkstuk te maken over de stijgende uitgaven van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Hieronder staan drie delen van

Nadere informatie

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1 Inhoud Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1 1 Omgevingsfactoren 3 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen 3 1.2 De economische wetenschap 4 1.3 Produceren, productiefactoren 5 1.4 Participanten en omgevingsfactoren

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Valutamarkt. fransetman.nl

Valutamarkt. fransetman.nl euro in dollar wisselkoers Wisselkoers (ontstaat op valutamarkt) Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt Waardoor kan de vraag naar en het aanbod van veranderen? De wisselkoers van de euro in

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Bankzaken 1 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste verklaring: De inflatie van 1,6% is een gemiddelde waarin de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2009 tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.30 uur economie 1,2 Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

M201012. Algemeen beeld van het MKB in de marktsector in 2010 en 2011

M201012. Algemeen beeld van het MKB in de marktsector in 2010 en 2011 M201012 Algemeen beeld van het MKB in de marktsector in 2010 en 2011 drs. K.L. Bangma drs. D. Snel Zoetermeer, juli 2010 Economisch herstel MKB blijft achter bij grootbedrijf Ondanks het toegenomen optimisme

Nadere informatie

Rollenspel centraal akkoord (2x)

Rollenspel centraal akkoord (2x) Rollenspel centraal akkoord (2x) 1 Algemeen Een zestal leerlingen spelen tijdens dit rollenspel het onderhandelingsproces voor een centraal akkoord na. Zij moeten hierbij rekening houden met een gegeven

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen I en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 2 juni 3.3 6.3 uur 2 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel

Nadere informatie

1 De economische kringloop

1 De economische kringloop 1 De economische kringloop Wat is Marco-economonie? Studie van het verband tussen Gezinnen Bedrijven Overheid Buitenland Welke soorten economische vraagstukken hebben we? Productie Werkloosheid Inflatie

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl)

Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen; het examen bestaat

Nadere informatie

Inhoud. deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie

Inhoud. deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie V Inhoud deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie 1 Omgevingsfactoren 2 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen 2 1.2 De economische wetenschap 4 1.3 Produceren, productiefactoren 4 1.4 Participanten en omgevingsfactoren

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU?

Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU? Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU? Als gevolg van de wereldwijde economische en financiële crisis heeft de EU met een laag investeringsniveau te kampen. Alleen met gezamenlijke gecoördineerde

Nadere informatie

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd 2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd Mensen moeten steeds de keuze maken tussen werken en vrije tijd: 1. Werken * Je ontvangt loon in ruil voor je arbeid; * Langer werken geeft meer loon (en dus kun

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I Opgave 1 Nijvere Europeanen Een onderzoeksbureau heeft berekend dat de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in de Europese Unie (EU) gemiddeld lager is dan in de Verenigde Staten van Amerika (VS). In

Nadere informatie

De Wet Werk en Zekerheid in economisch grillige tijden

De Wet Werk en Zekerheid in economisch grillige tijden WHITEPAPER SEPTEMBER 2014 De Wet Werk en Zekerheid in economisch grillige tijden Goed nieuws: de economische crisis lijkt voorbij te zijn. Het Centraal Planbureau 1 meldde in maart van dit jaar dat de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Opgave 1 Arbeidsmarkt in beweging De overheid wil de sociale zekerheid betaalbaar houden door de verhouding tussen het aantal inactieven en het aantal actieven, de i/a-ratio, te verlagen. De overheid wil

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 18 juni 13.30-16.30 uur 20 03 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

MINISTERIE VAN HANDEL EN INDUSTRIE

MINISTERIE VAN HANDEL EN INDUSTRIE MINISTERIE VAN HANDEL EN INDUSTRIE VRAGEN OVER MEDEDINGING CONTACT INFORMATIE: Telefoon: 402080 of 402339 tst. 1080 Fax: 404834 E-mail: juridischezaken@yahoo.com Paramaribo, december 2011 Ministerie van

Nadere informatie

Samenvatting. Zorgt het openstellen van de detailhandelssector voor buitenlandse concurrentie in een verbetering van de productiviteit?

Samenvatting. Zorgt het openstellen van de detailhandelssector voor buitenlandse concurrentie in een verbetering van de productiviteit? Samenvatting Dit proefschrift bestudeert de relatie tussen beleidshervormingen en productiviteitsgroei. Het beargumenteert dat het onderkennen van de diversiteit van bedrijven aan de basis ligt voor het

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1

Examen VWO. economie 1 economie 1 Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 30 mei 13.30 16.30 uur 20 05 Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen; het examen bestaat uit 30 vragen. Voor

Nadere informatie

Samenvatting. Kort overzicht. Kartels

Samenvatting. Kort overzicht. Kartels Samenvatting Kort overzicht Dit proefschrift gaat over de economische theorie van kartels. Er is sprake van een kartel wanneer een aantal bedrijven, expliciet of stilzwijgend, afspreekt om de prijs te

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen VWO 2007 tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.30 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 25 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 54 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2011 tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

Verboden woord Lesvoorbereiding kaartjes kaartjes achterkant Spelregels Afronding

Verboden woord Lesvoorbereiding kaartjes kaartjes achterkant Spelregels Afronding Verboden woord Lesvoorbereiding Maak de kaartjes (print eerst het (word)document kaartjes op dik papier en vervolgens het (powerpoint)document kaartjes achterkant op de achterzijde. U kunt ook gebruik

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 400 Nota over de toestand van s Rijks Financiën Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Kiezen Theorieles 1 1 Schriftelijke toets

Kiezen Theorieles 1 1 Schriftelijke toets A. LEER EN TOETSPLAN Onderwerp: Kiezen Kerndoel(en): 40 De leerling leert betekenisvolle vragen te stellen over maatschappelijke kwesties 46 De leerling leert in de eigen omgeving effecten te herkennen

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. HET GROTE ONDERNEMERSSPEL 1 B 2 A 3 maximumscore 2 Voorbeeld van een juiste berekening: Loonkosten in twee jaar:

Nadere informatie

2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland

2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland 2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland 02 Krimp mondiale economie in 2009 Aziatische landen als eerste uit het dal Economie eurozone krimpt nog sterker dan wereldeconomie Krimp in 2009

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 29 mei 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat uit 31 vragen.

Nadere informatie