W NORM IS DE ONZE NIETÏ DE SEKSE-GELIJKHEIDSNORM ALS HOE HET EUROPESE HOF DE TRADITIONELE STAND HOUDT DOOR DE ZIJ-INGANG NAAR NIEMANDSLAND?

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "W NORM IS DE ONZE NIETÏ DE SEKSE-GELIJKHEIDSNORM ALS HOE HET EUROPESE HOF DE TRADITIONELE STAND HOUDT DOOR DE ZIJ-INGANG NAAR NIEMANDSLAND?"

Transcriptie

1 MAART/APRIL 2000 W NORM IS DE ONZE NIETÏ DE SEKSE-GELIJKHEIDSNORM ALS AFWEERMECHANISME TEGEN VREEMDE INVLOEDEN MOEDERSCHAPSIDEOLOGIEËN IN HET EUROPESE GELIJKE BEHANDELINGSRECHT HOE HET EUROPESE HOF DE TRADITIONELE MOEDERSCHAPSIDEOLOGIE REPRODUCEERT EN IN STAND HOUDT DOOR DE ZIJ-INGANG NAAR NIEMANDSLAND? HET WETSVOORSTEL 'ADOPTIE DOOR PERSONEN VAN HETZELFDE GESLACHT 5 NADER BESCHOUWD

2 I I -ARGANG 16, MAART/APRIL 2000, NUMMER 2 Verschijnt zes maal per jaar Redactie: Jolande uit Beijerse, Els van Blokland, Marjolein van den Brink, Ellen-Rose Kambel, Jet Tigchelaar, Albertine Veldman, Mies Westerveld. Medewerksters: Margriet Adema, Susanne Burri, Eva Cremers, Karin van Elderen, Nora Holtrust, Ineke de Hondt, Gerdie Ketelaars, Renée Kool, Katinka Lünnemann, Liesbeth Lijnzaad, Mies Monster, Louise Mulder, Linda Senden, Sarah van Walsum, Ria Wolleswinkel. Redactiesecretariaat: Marjan Wijers - redactiesecretaris Postbus EC Amsterdam tel fax Website : Nemesis: Nemesis is een uitgave van Kluwer. De Stichting Nemesis maakt deel uit van het Clara-Wichmann Instituut, het Wetenschappelijk Instituut Vrouwen en Recht. Abonnementen: ƒ 150,- per jaar inclusief opbergband, losse nummers ƒ 32,50, opbergbanden ƒ 34,50. Abonnementen-administratie: Kluwer Afdeling Klantcontacten, Postbus 23, 7400 GA Deventer, tel Automatische bestellijn Fax Abonnementen kunnen schriftelijk tot uiterlijk 1 december van het lopende abonnementsjaar worden opgezegd. Bij niet tijdig opzeggen wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Reprorecht: Het overnemen, evenals het vermenigvuldigen van artikelen en illustraties is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming van de redactie. Aanbevolen citeerwijze: Nemesis 2000 nr. l,p.... REDACTIONEEL 27 Uw norm is de onze niet! Over gelijkheid, cultuur en gender Jet Tigchelaar ARTIKELEN 30 Moederschapsideologieën in het Europees recht De gelijke-behandelingsjurisprudentie van het Europese Hof nader bekeken Clare McGlynn 41 Door de zij-ingang naar niemandsland? Commentaar op het wetsvoorstel 'adoptie door personen van hetzelfde geslacht' Frieda van Vliet A A N H A N G I G E ZAKEN 51 Monitoring van het emancipatieproces De hoge verwachtingen van de Emancipatiemonitor nader bezien Saskia Keuzenkamp 55 Het gat tussen internationale mensenrechten en de toepassing op nationaal niveau Verslag van een conferentie Jenny E. Goldschmidt 58 Eenhoofdig gezag na scheiding Commentaar bij de uitspraak van de Hoge Raad 10 september 1999 Carla van Wamelen R E C H T U I T H E T H A R T 64 Tienermoeders Sarah van Walsum AKTUALITEITENKATERN Rechtspraak Nr 1139 Rb Amsterdam 14 april 1999, m.nt. Anky Kloosterman Nr 1147 Schadefonds Geweldsmisdrijven, Hof 's-gravenhage 4 maart 1999, m.nt. Margreet de Boer Nr 1153 CRvB 12 augustus 1999, m.nt. Malva Driessen Nr 1154 Lisv 24 augustus 1999, m.nt. Marlies Vegter Wetgeving Tussentijdse evaluatie Koppelingswet, notitie van het CWI, E-Quality en KZV Iraanse asielzoekers en de positie van vrouwen in Iran Besnijdenis van Nederlandse meisjes in Somalië Opvang van mishandelde en illegale vrouwen Aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties Omslagontwerp en lay-out: DAVstudio Fenna Westerdiep,BNO Amsterdam. 27 Literatuur Samenstelling Tanja Kraft van Ermel Advertentie-exploitatie: Bureau Van Vliet b.v., Postbus 20248, 7302 HE Apeldoorn, tel , fax Helaas ontbreekt in dit nummer de geplande Kroniek vrouwelijke vluchtelingen. De redactie is op zoek naar een nieuwe auteur om deze rubriek te verzorgen. Groep uitgevers voo^ v&k en wetenschap ISSN And thou, who never yet ofhuman wrong heft the unbalanced scale, Great Nemesis! (Byron) Childe Harold's Pilgrimage, Canto IV

3 I REDACTIONEEL J E T Tl G C H E L A A R Over gelijkheid, cultuur en gender Uw norm is de onze niet! Bij de wijze waarop het argument van sekse-gelijkheid wordt ingezet in het debat over de 'Nederlandse' versus de 'islamitische' (rechtscultuur vallen grote vraagtekens te zetten. Het risico bestaat dat de positie van vrouwen verwordt tot de inzet van een soort stammentwist, waarbij de gelijkheidsnorm als afweermechanisme wordt gehanteerd tegen invloeden uit andere culturen. Dit is niet in het belang van de betrokken vrouwen. Gelukkig zijn er Nederlandse rechters die op een andere manier te werk gaan. Verfrissend is ook hoe de betrokken vrouwen zelf zoeken naar een gemeenschappelijke ruimte voor vrouwenrechten én culturele rechten. Het is een eerste stap in de richting van gelijkheid als richtinggevend en ruimtescheppend beginsel voor de verbetering van de rechtspositie van vrouwen. Waarom bekruipt mij soms een gevoel van onbehagen als ik in beschouwingen over de openheid van het Nederlandse recht voor invloeden uit 'andere' (rechts)culturen, vrijwel steeds de opvatting tegenkom dat deze openheid haar grens bereikt, als die 'andere' normen en waarden in strijd zijn met de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (o.a. Brugman 1999, Cliteur 1999)? Kan dat gevoel van onbehagen worden verklaard door een bij mij blijkbaar onbewust en naïef sluimerend multiculturalisme, waartegen deze 'oer'-nederlandse heren en dames zich verzetten? Of komt dat ongemakkelijke gevoel ergens anders vandaan? Er is toch niets tegen het verdedigen van seksegelijkheid? En als men oog heeft voor gelijkheid, dan moet dat toch worden toegejuicht? Toch laat dit zich niet wegredeneren. Dat komt omdat dit gevoel van onbehagen samenhangt met de wijze waarop seksegelijkheid wordt ingezet. Gelijkheid wordt niet gehanteerd als argument vóór de verbetering van de rechtspositie van Nederlandse of buitenlandse vrouwen (daar houden deze schrijvers zich doorgaans niet mee bezig), maar wordt uitsluitend als argument gebruikt om de invloed van, meestal, islamitische rechtsopvattingen te weren. Daar klinkt dan soms een zelfgenoegzame en paternalistische ondertoon in door: moslimmannen of islamitische staten worden voorgehouden dat 'wij' in Nederland zo niet met onze vrouwen en dochters omgaan; onze moeders worden gemakshalve vergeten. Daarbij heeft men het doorgaans over vormen van direct sekse-onderscheid in de sfeer van familie en huwelijk. Er wordt bijvoorbeeld gewezen op de ontoelaatbaarheid van ontvoeringen van dochters om gearrangeerde huwelijken te bewerkstelligen en op de niet te rechtvaardigen voorrechten van islamitische mannen om polygame huwelijken aan te gaan en om teveel geworden echtgenoten te verstoten. Het is niet toevallig dat juist deze voorbeelden steeds weer opnieuw worden genoemd: het familierecht regelt bij uitstek de seksuele relaties tussen mannen en vrouwen. Terwijl in het Nederlandse familierecht het daarvoor dwingende kader van het huwelijk in snel tempo wordt losgelaten, is deze in de verschillende varianten van het islamitische familierecht nog volop aanwezig. Bovendien is in het Nederlands familierecht direct sekse-onderscheid vrijwel verdwenen, terwijl het islamitische familierecht daar in sterke mate van uit gaat. Het is juist deze zichtbaarheid van gelijkheid en verschil die een culturele lading krijgt. Verhaar (1999) stelt terecht dat vrouwen vaak vanwege zichtbare aspecten, zoals kleding en gedrag, fungeren als bewakers van de nationale en culturele identiteit en traditie. Daardoor wordt onvoldoende onderkend dat het Nederlandse familierecht vormen van indirect sekse-onderscheid kent en dat er onder het mom van gelijkheid sprake is van een dominante mannelijke standaard (Lünneman, Loenen en Veldman (red.) 1999). Dit inzicht in het verhullende van de 'eigen cultuur' gaat waarschijnlijk het begrip van vele Nederlanders te boven. Het is dan ook al weer dertig jaar geleden dat de Nederlandse echtscheidingswetgeving werd 'gemoderniseerd'. Echtscheiding werd tegen de wil van de andere echtgenoot mogelijk, maar een goede regeling van de sociaal-economische positie van gescheiden vrouwen bleef - mede vanwege diffuse gelijkheidsargumentaties - achterwege (Tigchelaar 1999). Volgens tegenstanders werd hierdoor verstoting mogelijk en werd echtscheiding een grondrecht voor man nr 2 27

4 I UW NORM IS DE ONZE NIET! JET Tl G CH ELAAR nen (Kisch 1970, Boekwinkel 1970). Dat vrouwen uit zelfrespect de meeste echtscheidingen aanvragen, doet niet af aan de illusie van gelijkheid, in het geval formele gelijkheid niet gepaard gaat met sociaal-economische gelijkheid. Ik wil hiermee niet zeggen dat er geen kritische stellingname wenselijk is, maar dat deze zich niet alleen dient uit te strekken tot een andere cultuur; ook de ontwikkelingen in de eigen (rechts)cultuur dienen kritisch te worden gevolgd. Anders verwordt de positie van vrouwen tot inzet van een stammentwist, waarbij enerzijds gewezen wordt op de absolute handhaving van mensenrechten, fundamentele rechtsbeginselen en de Nederlandse openbare orde en anderzijds wordt vastgehouden aan de onveranderlijkheid van religieus-cultureel recht. Het risico bestaat dat binnen de 'stammen' de machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen en, nog fundamenteler, de invulling van de menselijke waardigheid, niet nader wordt bevraagd. Het kan gelukkig ook anders. De gelijkheidsnorm wordt niet steeds als afweermechanisme gehanteerd tegen invloeden uit andere culturen. Sommige Nederlandse rechters onderkennen dat het soms beter is om de (ongelijke) positie van vrouwen te verbeteren door culturele normen creatief te interpreteren. Een goed voorbeeld hiervan is de benadering van het Marokkaanse echtscheidingsrecht. Marokkaanse vrouwen worden geconfronteerd met het probleem dat Marokko vanwege politiek-religieuze redenen een echtscheiding alleen volgens het nationaal-islamitische recht, uitgesproken door een islamitische rechter, accepteert. Marokkaanse vrouwen in Nederland kunnen op grond van de verbondenheid met Nederland gemakkelijk een echtscheiding volgens Nederlands recht verkrijgen. Zij willen echter vaak ook om religieuze redenen volgens Marokkaans recht scheiden, of om te voorkomen dat tijdens een verblijf in Marokko hun kinderen worden afgepakt (wegens voogdij van hun (ex-)man) of dat zij zelf worden opgepakt (bijvoorbeeld als zij hertrouwd zijn, wegens bigamie). Marokkaanse mannen kunnen op grond van het Marokkaanse echtscheidingsrecht via een eenvoudige procedure en zonder opgave van redenen hun vrouw verstoten. Vrouwen kunnen moeilijker scheiden. Zij zijn aangewezen op een zwaardere procedure en moeten diverse gronden aanvoeren, zoals verlating, het gedurende eenjaar niet nakomen door de man van zijn onderhoudsplicht of het verzaken van zijn echtelijke plichten. Nederlandse rechters wijzen het Marokkaanse echtscheidingsrecht niet af op grond van de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen (Rutten 1998). Zij proberen daarentegen het Marokkaanse echtscheidingsrecht in het belang van Marokkaanse vrouwen toe te passen. Zo compenseren sommige rechters de ongelijke positie van Marokkaanse vrouwen door, na een echtscheiding volgens Nederlands recht, de vordering toe te wijzen die de man veroordeelt tot een verstoting (Buskens 1999). Deze rechters trotseren met dit indirecte verstotingsrecht van de vrouw twee juridische problemen: de kwestie dat de vrouw geen belang heeft bij een dergelijke vordering omdat het huwelijk volgens Nederlands recht al is ontbonden en daarnaast de kwestie dat een in Nederland voltrokken (consulaire) verstoting in strijd met de Nederlandse openbare orde wordt geacht. De pragmatische rechterlijke aanpak kan wellicht worden gezien als een stapsgewijze vorming van een Nederlandse variant van het islamitische familierecht. Het scheppen van een Nederlands-islamitisch familierecht als aanvullend recht wordt bepleit door een deel van de Marokkaanse moslimvrouwen in Nederland, die waarde hechten aan hun religieuze identiteit zonder hun genderidentiteit te negeren. De ontwikkeling van een islamitisch familierecht in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel onderkent de dynamiek van cultuur en gender. Zij biedt echter vooralsnog geen praktische oplossing in geval van een bezoek van Marokkaanse vrouwen aan Marokko. De vorming van een Nederlands-islamitisch familierecht is bovendien geen eenvoudige opgave. Zo maakt zowel het bestaan van verschillende islamitische rechtsscholen als de scheiding van kerk en staat in Nederland, de rechtsvorming van Nederlands-islamitisch recht een heikele zaak (Buskens 1999). Niettemin is het een verfrissende gedachte om binnen de context van mensenrechten een ruimte te zoeken voor islamitische waarden en om binnen de verschillende varianten van islamitisch recht ruimte te vinden voor een interpretatie die meer recht doet aan vrouwen. Deze benadering van culturele rechten en vrouwenrechten beperkt zich niet tot het stellen van grenzen, maar verkent ook een gemeenschappelijke ruimte. Het is zaak dat deze verkenning niet alleen door Nederlandse en islamitische rechtsgeleerden gebeurt, maar ook door de betrokken mannen en vrouwen. Rechtsgeleerden weten immers niet steeds raad met de verhouding cultuur en gender. Een voorbeeld hiervan vormt de rechtszaak (Hoge Raad 16 oktober 1999, RN 2000, 1117, met noot Van den Eeckhout), waarin het verzoek werd afgewezen van een Nederlandse vrouw van Pakistaanse afkomst om nietigverklaring van haar op twintigjarige leeftijd in Pakistan geformaliseerde huwelijk met een Pakistaanse man. De vrouw voerde onder meer aan, dat haar vader gedreigd had haar naar Pakistan te sturen om haar daar alsnog uit te huwelijken. Toen haar echtgenoot naar Nederland zou komen, is zij uit haar ouderlijk huis naar een Blijf van mijn lijf-huis gevlucht. Uit laatstgenoemde omstandigheid, in samenhang met het feit dat de vrouw vanaf haar zesde jaar in Nederland woont en een HBO-opleiding volgt, leidt het hof af dat zij in staat was voldoende weerstand te bieden tegen de druk die op haar was uitgeoefend. De Hoge Raad vindt de gedachtegang van het hof dat het huwelijk niet onder invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten 'niet onbegrijpelijk'. Deze redenering komt op mij volstrekt ontoereikend over (zie ook de uitgebreidere beschouwing van Van den Eeckhout). Het lijkt uit te gaan van de discutabele gedachte dat vrouwen, die in Nederland zijn opgegroeid en een hoger opleidingsniveau hebben, niet gedwongen kunnen worden tot het aangaan van een huwelijk. Aan deze Nederlands-culturele invulling van gender bij het aangaan van een huwelijk wordt zelfs vastgehouden als er aanwijzingen zijn van fysieke dwang. De 'keuze' van deze 'geëmancipeerde Nederlandse' vrouwen om naar een vrouwenopvanghuis te 28 NEMESIS

5 UW NORM IS DE ONZE NIET! JET Tl G CHELAAR gaan, wordt gezien als bevestiging van hun weerbaarheid. De Nederlands-culturele gendernorm gaat echter nog verder. Zij laat geen ruimte meer voor erkenning van de dwang die kan uitgaan van een andere (Pakistaans-)culturele gendernorm, namelijk dat een huwelijk voor vrouwen zo belangrijk wordt geacht dat zij desnoods ontvoerd en tegen haar wil uitgehuwelijkt mogen worden. Door de Nederlands-culturele gendernorm verdwijnt de bescherming tegen gedwongen huwelijken voor zowel autochtone als allochtone Nederlandse vrouwen. Vrouwen met een buitenlandse achtergrond die protesteren tegen een gedwongen huwelijk kunnen hierdoor in de vervreemdende situatie belanden, waarin volgens de ene culturele gendernorm dwang wordt ontkend waardoor zij worden uitgeleverd aan de andere culturele gendernorm, die dwang toestaat. Bij gebrek aan culturele bescherming tegen het gedwongen aangaan van het huwelijk, rest vrouwen slechts de Nederlandse manier om van een huwelijk af te komen, namelijk via echtscheiding. Hoe levensgevaarlijk echtscheiding voor een vrouw soms kan zijn, blijkt uit de moord op Kezban Vural door haar Turkse ex-man. In verband met het strafproces dat eind vorig jaar voor de Rechtbank in Dordrecht diende en naar aanleiding van een schietpartij in Veghel werd in de media de vraag opgeworpen of de (sub)culturele achtergrond van eerwraak als strafverminderende omstandigheid zou mogen worden aangemerkt. Hierbij werd eenzijdig gewezen op de dwang die van culturele normen binnen een hechte gemeenschap kan uitgaan op een mannelijke dader om geweld toe te passen om zijn (familie-)eer te redden. Deze benadering gaat uit van een 'mannelijke' visie op eer. Er wordt begrip gevraagd voor geweld van mannen met een beroep op de neutraliserende term 'cultuur', terwijl het gaat om een ernstige inbreuk op mensen- en vooral vrouwenrechten ter handhaving van normen over eerbaar gedrag van vrouwen. De kwestie van eerwraak laat volgens mij zien dat de openheid van het Nederlandse recht voor andere gendergeladen culturele invloeden zijn grenzen kent. Ben ik hiermee teruggekomen op de dynamiek van cultuur en gender? Het is opnieuw verfrissend om te vernemen hoe de betrokken vrouwen hierover denken. Zij onderschrijven de Nederlandse begrenzing teneinde een gemeenschappelijke ruimte voor vrouwenrechten en culturele rechten te verkennen. Enkele Turkse vrouwen wijzen erop dat strafvermindering het onderdrukkende karakter van de gendergeladen invulling van eer bevestigt, vrouwen in de 'wurggreep van de angst' houdt, hen 'tot een bezit maakt van de familie' en 'haar leven waardeloos maakt' (Lange 1999; Secil Arda 1999). Opvallend hierbij is dat de Turkse vrouwen de strikte religieusculturele normen over zedelijk gedrag van vrouwen niet ter discussie stellen, hoewel de vrijere normen voor mannen wel kritiek krijgen. Hun scherpe veroordeling betreft echter (de dreiging met) het gewelddadig afdwingen van de erecodes voor vrouwen. Binnen de strafrechtelijke afkeuring van de daad van eerwraak zoeken deze vrouwen ruimte voor een culturele invulling van eer, die zich niet tegen vrouwen keert. Eén die respect voor de seksuele integriteit van vrouwen vraagt en een eigen (individuele) visie op eer bespreekbaar maakt. Gelijkheid van mannen en vrouwen zal onbehaaglijke gevoelens op blijven roepen als zij op beperkte wijze wordt ingezet als 'uitsluitende' norm. Gelijkheid als richtinggevend en ruimtescheppend beginsel voor de verbetering van de rechtspositie van vrouwen is niet eenvoudig. Zij vraagt meer, maar belooft ook meer. Jet Tigchelaar Literatuur A. Boekwinkel, Over de zegeningen van een opgedrongen scheiding, WPNR 1970, nrs J. Brugman, Het raadsel van de multicultuur, Essays over Islam en Integratie, Meulenhof Amsterdam 1998 L. Buskens, Islamitische recht en familiebetrekkingen in Marokko, Bulaaq Amsterdam 1999 P.B. Cliteur, De filosofie van mensenrechten, Ars Aequi Libri Nijmegen 1999 NJ.H. Huls, H.D. Stout (red.), Recht in een multiculturele samenleving, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle 1993 I. Kisch, 'Alimentaire notities', NJB 1970, p Y. Lange, 'Turken bezinnen zich op eerwraak', NRC Handelsblad, 15 december 1999 K. D. Lünneman, M.L.P. Loenen en A.G. Veldman (red.), De onzichtbare standaard van het recht. In- en uitsluiting van vrouwen, etnische minderheden en homoseksuelen in het familierecht, arbeidsrecht en strafrecht, Gouda Quint Deventer 1999 Marokkaanse Vrouwen Vereniging Nederland, Conferentiestukken 'De Mudawwana', 26 november 1999 L. Mulder, 'Recht voor één is geen recht voor allen. Emancipatierechten voor zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen', Nemesis 1997 nr. l,p S. Rutten, 'Islamitisch familierecht in de Nederlandse rechtsorde: ruimte voor multiculturaliteit?', in: K. Noordam, R. van Oordt, en C. Cörüz, (red.), Mensen, rechten en islam, Beschouwingen over grondrechten, Bulaaq Amsterdam 1998, p Z. Secil Arda, 'Eerwraak is niet acceptabel', NRC Handelsblad, 11 december 1999 J. Tigchelaar, Gescheiden zorgen, Zorg en autonomie in hetpolitiekjuridisch debat over het alimentatierecht, Boom Juridische uitgevers, Den Haag 1999 V. van den Eeckhout, Annotatie bij RN nr. 1117, Hoge Raad 16 oktober 1999, Actualiteitenkatern Nemesis 2000 nr. 1, p S. van Walsum, 'Het machtskarakter van het cultuurdebat, Oriëntalisme in de rechtszaal', in: Nemesis 1992 nr. 2, p O. Verhaar, 'Multiculturaliteit of rechten voor vrouwen? De discussie over de islamitische hoofddoek herzien', in: Themanummer 'Islam en filosofie', Krisis, Tijdschrift voor filosofie 1999, nr. 74, p Y. Yesilgöz, Allah, Satan en het recht, Communicatie met Turkse verdachten, Gouda Quint bv Arnhem nr 1 29

6 I ARTIKEL CLARE MCGLYNN University of Newcastle upon Tyne. De gelijkebehandelingsjurisprudentie van het Europese Hof nader bekeken Moederschapsideologieën in het Europees recht De gelijke-behandelingsjurisprudentie van het Europese Hof versterkt en reproduceert de traditionele vooronderstellingen die de achterstelling van vrouwen in stand houden. Aan de basis hiervan ligt een 'dominante moederschapsideologie', die voortkomt uit theorieën over moeder-kindbinding van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Dit leidt ertoe dat de traditionele gezinsopvattingen en verhoudingen bestendigd worden. Om werkelijk gelijke rechten voor vrouwen te bevorderen dient deze moederschapsideologie plaats te maken voor nieuwe visies op ouderschap en de rollen van vrouwen en mannen. Voorwaarde hiervoor is dat de ideologische vooronderstellingen waarop de huidige jurisprudentie van het Europese Hof is gegrond worden geïdentificeerd en herzien. In 1986 stelde Lucinda Finley dat 'vooronderstellingen en stereotypen over de emotionele en fysieke effecten van zwangerschap en moederschap, over de geëigende rol van vrouwen in de samenleving, gebaseerd op het fysieke feit van zwangerschap, en over de reacties van vrouwen daarop meer dan welke andere factoren ook hebben bijgedragen aan de discriminatie van vrouwen op de werkvloer. 1 In dit artikel wordt beschreven hoe deze vooronderstellingen en stereotypen, die een 'dominante moederschapsideologie' constitueren, de gelijke behandelingsjurisprudentie van het Hof nog steeds aan banden leggen en daarmee de mogelijkheid om door middel van rechtspraak op dit terrein werkelijke verbeteringen te bereiken in het leven van vrouwen. 2 Aan de hand van een aantal uitspraken - van midden jaren 80 tot heden - wordt beargumenteerd dat het Hof heeft bijgedragen aan de reproductie en dus legitimering van een specifieke visie op de rol van vrouwen in de samenleving en op de werkvloer. Daardoor wordt het onmogelijk het Hof te zien als bewaker van vrouwengelijkheid, maar 'opereert het als een blok aan het been van het (seksegelijkheids-) systeem'. 3 Geconcludeerd moet worden dat zelfs in aanleg goede ontwikkelingen, zoals de Richtlijn Ouderschapsverlof, weinig effect zullen hebben, zolang we de ideologische vooroordelen waarop het bestaande recht berust niet identificeren en herzien. Waarom ideologie? Het analytisch kader voor deze studie is dat van de 'dominante moederschapsideologie'. Alvorens nader te onderzoeken wat onder deze term verstaan kan worden is het belangrijk na te gaan waarom 'ideologie' nog steeds een bruikbaar concept is. 4 Dit artikel werd onder de titel 'Ideologies of Motherhood in European Community Sex Equality Law' eerder gepubliceerd in European Law Journal, vol. 6(1), maart 2000, p Met dank aan Bruce Carolan, Tammy Hervey, Erika Szyszczak en Ian Ward voor hun kritische opmerkingen en suggesties bij de totstandkoming van dit artikel en Ann Sinclair voor haar waardevolle assistentie bij het onderzoek. Eerdere versies van deze studie werden gepresenteerd op de Socio-Legal Studies Association Annual Conference in 1999 en de Society of Public Teachers of Law EC Section Conference over 'The Limits to EC Social Policy'. Mijn dank gaat tevens uit naar de deelnemers aan deze conferenties voor hun nuttig commentaar. 1. Lucinda M. Finley. 'Transcending Equality Theory: a way out of the maternity and workplace debate', Columbia Law Review 1986, 86, p Zie over de achtergestelde positie van vrouwen in de EU ook: Angela Glasner, 'Gender and Europe: Cultural and Structural Impediments to Change', in Social Europe, Joe Bailey (red.) (2e ed., 1998, Longman). 3. Evelyn Ellis, 'Recent Developments in European Community Sex Equality Law', Common Market Law Review 1998, 35, p Zie verder Susan Boyd, 'Is there an Ideology of Motherhood in (Post)Modern Child Custody Law?', Social andlegal Studies 1996, 5, p. 495, die suggereert dat de 'moederschapsideologie als een soort conceptueel gereedschap nog steeds doorklinkt' en Eileen Fegan, "Tdeology" after "Discourse": A Reconceptualization for Feminist Analyses of Law', Journal of Law and Society 1998, 23, p NEMESIS

7 MOEDERSCHAPSIDEOLOGIEËN CLARE MCGLÏNN Bij de analyse van rechtspraak is het ideologieconcept een waardevol instrument omdat hiermee kan worden verduidelijkt hoe in de praktijk van het recht heersende gezinsopvattingen in stand blijven en zich voortzetten. De dominante 'ideologie' reproduceert immers stereotypen en normen met betrekking tot vrouwen, mannen en het gezin, die wellicht niet de realiteit weerspiegelen maar die de discussie inkaderen en zodoende een maatstaf vormen waaraan de legitimiteit van individuele aanspraken wordt getoetst. Door middel van een ideologische analyse kan worden onderzocht 'hoe sommige, historisch gegroeide ideeën en overtuigingen over de aard en de rol van vrouwen in de samenleving als essentiële gegevenheden worden voorgesteld in dienst van dominante belangen' en hoe ze door het recht en het juridisch systeem worden gereproduceerd. 5 Hoewel er kritiek is op het gebruik van 'ideologie' als organiserend concept vanwege het mogelijk determinisme en 'ideologie' veelal vervangen wordt door een discours-analyse, blijft het een nuttig instrument voor wat Caroline Ramazanolgu noemt het onderzoek naar de sociale en institutionele 'dominantie over vrouwen op ideeën-niveau'. 6 Ideologie wordt hier op dezelfde manier gebruikt, namelijk als een manier om helder te krijgen hoe een 'stelsel van ideeën', in dit geval met betrekking tot moederschap, zulke dramatische 'materiële gevolgen' voor vrouwen kan hebben. 7 Het ideologieconcept maakt duidelijk dat wanneer een stelsel van ideeën eenmaal is ingebed in een specifiek discours, zoals bijvoorbeeld dat van de juridische argumentatie, het bijzonder moeilijk wordt om het eruit te wrikken. 8 Dat wil niet zeggen dat een ideologie onwrikbaar is, maar wel dat het moeilijker kan zijn de ideologie te veranderen. Juist aan de dominante ideologie worden ieders acties getoetst. 5. Eileen Fegan, 'Fathers' Foetuses and Abortion Decision-Making: The Reproduction of Matemal Ideology in Canadian Judicial Discourse', Social andlegal Studies 1996, 5, p Caroline Ramazanolgu, Feminism and the Contradictions of Oppression, Routledge 1989, p , geciteerd in Fegan, ibid., p. 76 (cursivering in het origineel). 7. Fegan, op.cit. nt. 4, Zie verder Susan Boyd, 'Some Postmodernist Challenges to Feminist Analyses of Law, Family and State: Ideology and Discourse in Child Custody Law', Canadian Journal Family Law 1991,10, p Zie verder Boyd op.cit. nt. 4 en Zoals het 'zwarte moederschap', geanalyseerd door Noord-Amerikaanse schrijvers: zie Marlee Kline, 'Race Racism and Legal Theory', HarvardWomen' s Law Journal 1989,12, p. 115, bediscussieerd in Boyd, op.cit. nt. 8, p. 94 en Patricia Hill Collins, 'Shifting the Centre: Race, Class and Feminist Theorizing about Motherhood' in Bovenstaande opvatting van ideologie is ontwikkeld door de postmodernisten, die benadrukken dat ook de competitieve en soms conflicterende discoursen in beschouwing moeten worden genomen. 9 Om aan te geven dat er verschillende 'moederschapsideologieën' mogelijk zijn, wordt hier nadrukkelijk de term 'dominante' moederschapsideologie gebruikt. 10 Het gaat er daarbij niet om dat er slechts één moederschapsideologie is, maar dat het de dominante moederschapsideologie is waarvan de praktijk van het Hof van Justitie doortrokken is. Het is belangrijk het idee van de dominantie van een ideologie vast te houden. Immers, juist aan de dominante ideologie worden ieders acties getoetst, met uiteenlopende gevolgen voor de handelingsvrijheid van vrouwen. 11 Tenslotte wordt het concept van de dominante moederschapsideologie gebruikt omdat het gebruik ervan voor veel mensen als 'waar klinkt' in de zin van dat het een 'kern van waarheid' kan bevatten. 12 Bedoeld wordt dat taalgebruik dat refereert aan 'traditionele' gezinsvormen en vooronderstellingen over zorg gemeengoed zijn binnen het EG-debat, evenals binnen het maatschappelijk debat van vele westerse staten. Waar het om gaat is te laten zien dat deze 'common sense' aannames niet alleen maar gezichtspunten zijn die een 'element van waarheid' bevatten - hoewel ze voor sommige mensen waar kunnen zijn - maar een stelsel van ideeën vormen dat een dominante rol aanneemt, zodanig dat ze tot een algemene norm worden verheven die voorschrijft wat de rol van vrouwen hoort te zijn, om deze vervolgens in te bedden in juridische redeneringen, daarbij de mogelijkheden en verwachtingen van vrouwen inperkend. Ideologie en moederschap Anne Oakley vatte in de jaren zeventig het begrip 'dominante moederschapsideologie' bondig samen als het geloof dat 'alle vrouwen moeders moeten zijn, dat alle vrouwen hun kinderen nodig hebben en dat alle kinderen hun moeders nodig hebben'. 13 In haar algemeenheid construeert deze ideologie een normatief model van vrouwen en moederschap, waarvan de basis ligt in de aangenomen natuurlijke, universele en onveranderlijke aard van de moederrol, samen met het veronderstelde bestaan van een sterk moederinstinct in alle vrouwen. 14 Dit leidt tot de aanname dat het moederschap de gebruikelijke en geëigende rol is voor vrouwen en de juiste - en feitelijke - ambitie van iedere 'normale' vrouw. 15 Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de moeder-kindrelatie exclusief gemaakt wordt, en als cruciaal wordt beschouwd voor het emotionele en lichamelijke welzijn van het kind. Als gevolg hiervan wordt de zorg voor het kind primair de verantwoordelijkheid van de vrouw, en wanneer vrouwen betaald werk gaan verrichten, moet dat werk in de Evelyn Nakano Glenn e.a. (red.), Mothering: Ideology, Experience andagency, Routledge 1994, p Boyd, op.cit. nt. 8, p Boyd, op.cit. nt. 8, p Ann Oakley, Woman's Work: The Housewife, Past and Present, Pantheon Books 1974, p Zie Evelyn Nakano Glenn, 'Social Constructions of Mothering: A Thematic Overview', in Nakano Glenn, op.cit. nt. 10, p Dit leidt op haar beurt direct tot het bevragen van beslissingen van vrouwen over moederschap, en in het bijzonder over abortus (wat koste wat kost voorkomen moet worden) en bevalling (de vrouw weet het niet altijd het beste). Deze ideologie is met name in Engeland en Noord-Amerika bijzonder prominent aanwezig in besluiten over het 'recht' van vrouwen op abortus. Zie Frances Olsen, 'UnravellingCompromise', HarvardLaw Review 1989, 105, p en Fegan, op.cit. nt nr 2 31

8 MOEDERSCHAPS IDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN tweede plaats komen, na de verantwoordelijkheden binnenshuis. 16 De nadruk komt dan te liggen op dat deel van de dominante ideologie dat 'de verantwoordelijkheid van de biologische moeder voor het opvoeden van haar eigen kinderen, met name in de eerste jaren' voorop stelt. 17 Het is de moeite waard om deze nadruk op de rol van de moeder als primaire verzorgster nader te beschouwen omdat deze doorspeelt in de argumentatie achter de jurisprudentie van het Hof. De dominantie van de moeder-kindrelatie en het belang dat eraan wordt gehecht, is in grote mate terug te voeren op de psychologische en psychoanalytische theorievorming van direct na de Tweede Wereldoorlog. Onderzoekers definieerden theorieën over kind-moeder'hechting' en moeder-kind'binding' als essentiële biologische processen, vergelijkbaar met hetgeen in dieren werd gezien. 18 In wezen beoogden deze onderzoeken aan te tonen dat moeders een biologisch gebaseerde behoefte hebben om direct na de geboorte fysiek dichtbij hun baby te zijn. De hechting van de baby aan de moeder was, zo stelden zij, instinctief en vormde de 'primaire sociale band' die de basis vormde voor alle toekomstige sociale relaties. 19 Moeders, die de eerste dagen na de bevalling een uitgebreider contact hadden met hun baby, zouden een sterkere moeder-kindbinding vertonen, dan moeders uit een controlegroep. 20 Bovendien werd het 'moederlijk gedrag' van vrouwen die een minder intensief contact met de baby hadden als 'gebrekkig' gekwalificeerd en werd gesteld dat dit een averechts effect zou hebben op de toekomstige ontwikkeling van het kind. De kinderen zouden verschrikkelijke pathologische gevolgen ondervinden van de ondoeltreffende hechting of binding, variërend van een achtergebleven ontwikkeling tot emotionele onvolwassenheid en jeugddelinquentie. 21 Sommige studies stelden zelfs dat het onvermogen zich in de eerste uren na de geboorte te binden de hoofdoorzaak was van kindermishandeling of -verwaarlozing. 22 Als gevolg daarvan werd beweerd dat een situatie waarbij de moeder fulltime werkt, op gelijk niveau stond met de 'dood van een ouder, gevangenschap van een ouder, oorlog, hongersnood' enzovoort als oorzaak van instorting van het gezin. 23 Vrijwel onmiddellijk na publicatie werden de fundamenten van deze onderzoeken door de kritiek onderuitgehaald. 24 Critici wierpen tegen dat de conclusies discutabel waren omdat de problemen die werden toegeschreven aan het inadequaat of helemaal niet tot stand komen van hechting en binding ook heel andere oorzaken konden hebben; niet in de laatste plaats de ervaringen die geleid hadden tot de scheiding van moeder en kind, meer dan de scheiding zelf. Bovendien bleken de criteria op grond waarvan de onderzoekers het 'falen van binding' constateerden, gebaseerd te zijn op dubieuze uitgangspunten. 25 Zo werd bijvoorbeeld aangenomen dat de aanwezigheid van een actieve vader wees op een gebrek aan binding tussen moeder en kind, hetgeen ook zou gelden voor een moeder die vlak na de geboorte regelmatig het huis verliet. 26 De bindingstheorieën leven nog steeds voort in de - populaire - cultuur, in het beleid, het politiek debat en het juridisch discours. Ondanks deze kritiek werden de hechtings- en bindingstheorieën ondersteund door organisaties als de World Health Organisation en hadden zij veel invloed op de verandering van bestaande praktijken. 27 Ook ondervonden ze brede instemming en ondersteuning van de kant van verschillende en uiteenlopende groepen, van conservatieve gezins-activisten tot feministen. Sommige feministen verwelkomden deze theorieën vanwege de ogenschijnlijke macht- en controlemogelijkheden die zij aan vrouwen toekenden, in het bijzonder op het gebied van de gezondheidszorg rondom geboorte en zorg voor kinderen. Bovendien 16. Jayne Buxton betoogt bij voorbeeld dat de 'maternalbond' tussen moeder en kind niet noodzakelijkerwijs fulltime zorg door de moeder vereist, maar dat slechts parttime werk aanvaardbaar is. Ending the Mother War - Starting the Workplace Revolution, MacMillan Deze verschuiving in de moederschapsideologie van fulltime zorger tot verantwoordelijke werknemer, wordt beschreven als de ontwikkeling van het 'supermoeder'-fenomeen door Susan Boyd, op.cit. nt. 4, p Betsy Wearing, The Ideology of Motherhood: A Study ofsydney Suburban Mothers, Allen & Unwin 1984, p Hoewel de ideëen van 'hechting' en 'binding' twee onderscheiden theorieën zijn, met een verschillende 'wetenschappelijke' basis, zijn ze hier samengevoegd en meestal aangeduid door de term 'bindingstheorieën' aangezien hun voorschriften over moedergedrag vergelijkbaar zijn. Verder ben ik van mening dat het niet de gedetailleerde wetenschappelijke bevindingen zijn die in het juridisch discours worden vertaald, maar de gepopulariseerde versies van dergelijke theorieën, die in het algemeen 'binding' en 'hechting' samenvoegen. Zie voor meer informatie Diane Eyer, Mother Infant Bonding-A Scientific Fiction, Yale University Press John Bowlby, 'The Nature of the Child's Tie to his Mother', International Journal of Psycho-Analysis 1958, 38, p. 350 en Eyer, ibid, p M. Klaus en J. Kennell, Maternal-Infant Bonding: the Impact of Early Separation or Loss on Family Development, Mosby Eyer, op.cit. nt. 18, p M. Lynch, J. Roberts en M. Gordon. 'Child abuse: early warning in the maternity hospital', Developmental Medicine and ChildNeurology 1976, 18, p. 759, besproken in Eyer, op.cit. nt. 18, p John Bowlby, Maternal Care and Mental Health, World Health Organisation 1985, p. 73, besproken in Eyer, op.cit. nt. 18, p S. Pinneau, 'The infantile disorders of hospitalism and anaclitic depression', Psychological Bulletin 1995, 52, p. 429 en M. Rutter, 'The Qualities of Mothering: Maternal deprivation reassessed' (Jason Aronson 1972), beide besproken in Eyer, op.cit. nt. 18, p Zie Peter de Chateau, 'The Influence of Early Contact on Maternal and Infant Behaviour in Primiparae', Birth and the Family Journal 1976, 3, p. 149, besproken in Eyer, op.cit. nt. 18, p Latere studies lieten zien dat de onderzoekers 75 variabelen hadden opgesteld in een poging de activiteiten van de moeders met en zonder uitgebreid contact met hun kinderen te meten. Bij de meerderheid bleken geen verschillen in gedrag. 27. Veel van deze veranderingen waren positief; zij maakten vele gebruiken kind- en oudervriendelijk. Toch waren niet alle veranderingen gunstig: zie hierover Aminatta Foma, Mother of All Myths - How Society Moulds and Constrains Mothers, Harper Collins 1998, p. 58. Zie ook Eyer, op.cit. nt. 18, p. 61, over sociaal werkers en gezondheidswerkers die de hoofdthema's van dit werk overnamen en toepasten in hun praktijk. 32 NEMESIS

9 MOEDERSCHAPS IDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN werden ze gezien als waarde verlenend aan tot dan toe gemarginaliseerde 'vrouwenbezigheden', namelijk het verzorgen van kinderen. Deze ideeën leven nog steeds voort in de - populaire - cultuur, in het beleid, het politiek debat en het juridisch discours. 28 En, doordat ze in handboeken over kinderverzorging voortdurend worden herhaald, blijft deze popularisering doorgaan. 29 Het was niet zo dat deze ideeën aan een onwillig publiek werden opgedrongen, maar niettemin werkten ze als dwingende voorschriften voor het gedrag van moeders, met de daarbij behorende gevolgen voor de vaders en voor het gezinsleven. Het is dan ook geen toeval dat dit soort theorieën een helder omschreven traditionele ideologie van moederschap en gezin bestendigen. 30 Misschien verklaart dit ook waarom ze zo snel werden overgenomen: ze waren geruisloos in te voegen in al latent aanwezige ideeën over vrouwen en moederschap. En zodra eenmaal het vernis van objectieve, neutraal-wetenschappelijke feiten was aangebracht, werd de verspreiding van deze mythen onderdeel van het populaire, juridische en wetenschappelijke discours, en daarmee gerechtvaardigd in de ogen van de verkondigers ervan. Het resultaat is dat er nog maar één geïdealiseerde visie op het moederschap overblijft: het 'exclusieve, gebonden, fulltime moederschap'. 31 In deze dominante moederschapsideologie worden bepaalde biologische feiten van de vrouwelijke voortplanting verheven tot 'eeuwige waarheden'over vrouwen, die de ondergeschikte positie van vrouwen binnen de genderbepaalde rolverdeling in het huishouden in stand houden. 32 Dit leidt tot beperking van de keuzemogelijkheden van vrouwen, waarbij tegelijk hun ongelijkwaardigheid gerechtvaardigd wordt. 33 Op deze manier bevestigt het veronderstelde belang van het moederinstinct en de exclusiviteit van de moederkindrelatie de traditionele vooronderstellingen over de gescheiden sferen van de seksen. De primaire verantwoordelijkheid van vrouwen ligt in het huis(houden), haar identificatie is met de privé-sfeer; terwijl voor 28. Zie Buxton voor een schat aan voorbeelden, op.cit. nt. 16, p. 17, 37; Forna, ibid met name H Hoewel niet duidelijk is in welke mate deze theorieën, voor het eerst ontwikkeld en gepropageerd in de Anglo-Amerikaanse literatuur, invloed hadden in de rest van Europa, is bekend dat Bowlby's werk voor een groot publiek toegankelijk werd gemaakt door zijn boek Child Care and the Growth oflove, dat de behoefte van een jong kind aan de moeder als eeuwig aanwezig gezelschap benadrukt, waarvan duizenden exemplaren werden verkocht en wat in verschillende talen werd vertaald. Zie Eyer, op.cit. nt. 18, H.6 en Forna, op.cit. nt. 27, p. 72. Ook van het boek van Benjamin Spock, Baby and Child, waarin de deugden van binding en hechting werden bejubeld, werden wereldwijd 40 miljoen exemplaren verkocht: B. Spock, The Common Sense Book of Baby and Childcare, Duell, Sloan and Pearce, In Engeland wordt in populaire kinderhandboeken nog steeds gebruik gemaakt van dergelijke gegevens, bv. in Penelope Leach's boek Children First, waarin zij Bowlby citeert om haar kritiek op het gebruik van kinderopvang en het werken door vrouwen te onderbouwen: Penelope Leach, Children First, Knopf 1994, p. 84. Zie ook Eyer op.cit. nt. 18, p Eyer heeft betoogd dat de onderzoekers van moeder-kindbinding 'beïnvloed waren door een alles doordringende moederschapsideologie', op.cit. nt. 18, p Forna, op.cit. nt. 27, p Zie verder Finley op.cit. nt. l,p mannen dat de werkvloer en het openbare leven zijn. De dominante ideologie van moederschap is dan ook nauw verbonden met normatieve opvattingen over 'het gezin': het legitimeert de bestaande arbeidsverdeling naar sekse en de specifiek voor vaders aangewezen rollen (kostwinner, beschermer en autoriteit). 34 Het doel van dit betoog is niet om ter discussie te stellen dat deze ideeën worden aangehangen door een groot aantal mensen. Waar het om gaat is dat ze op zo'n manier worden gebruikt in dominante discoursen, zoals het EG-recht, dat ze de norm gaan vertegenwoordigen, waarmee hun uitwerking en verdere reproductie door het recht wordt gelegitimeerd. Het is evenmin mijn bedoeling om de behoefte aan ouder-kind binding te kleineren. Sandra Fredman toont overtuigend aan dat er binnen de Europese samenleving nog steeds 'onvoldoende erkenning (is) voor de waarde van kinderen en van actief ouderschap', 35 Het cruciale punt is echter de noodzaak om ouderschap, en niet alleen moederschap, te waarderen. Mijn kritiek richt zich dan ook op het exclusief maken van de moeder-kindrelatie, met uitsluiting van de rol van de vader, en de conclusies die getrokken worden uit dit zogenaamd wetenschappelijk vereiste van moeder-kindcontact met betrekking tot de organisatie van de zorg voor kinderen en het gezin. Het is tenslotte niet mijn bedoeling te beweren dat de dominante moederschapsideologie onveranderbaar zou zijn of dat zij alle aannames over moederschap vertegenwoordigt; moederschapsideologieën zijn historisch en cultureel bepaald. 36 Dit doet echter niets af aan het feit dat, zoals ik hieronder zal toelichten, de dominante moederschapsideologie de basis vormt van de jurisprudentie van het Hof. De dominante moederschapsideologie en gelijke behandeling binnen het EG-recht De vraag die hier aan de orde is, is in welke mate de dominante moederschapsideologie van invloed is op de jurisprudentie van het Hof op het gebied van gelijke behandeling. 37 Beargumenteerd zal worden dat het 33. Fegan, op.cit. nt. 5 p en Boyd, op.cit. nt. 8, p Carol Smart, The Ties that Bind Law, Marriage and the reproduction of Patriarchal Relations, Routledge & Paul Kegan 1984, p. xii. 35. Sandra Fredman, Women and the Law, Oxford University Press 1997, p Zie voor een discussie over de veranderende aard en historische bepaaldheid van moederschapsideologieën Boyd, op.cit. nt. 4 en Carol Smart, 'Deconstructing Motherhood', in Elizabeth Bortolaia Silva (red) Good Enough Mothering? Feminist perspectives on Lone Motherhood, Routledge 1996, p Bij het beoordelen van een wettelijk systeem dat vijftien landen, ieder met hun eigen culturele erfgoed, omspant is het van belang gespitst te zijn op generalisaties van algemene ideeën en ideologieën. Zonder de diversiteit die inherent is aan de lidstaten van de EG tekort te willen doen, lijkt mij dat er sprake is van een bepaalde mate van overeenstemming in de houding ten opzichte van moederschap en gezin. Een aantal onderzoeken heeft deze 'breedverbreide gemeenschappelijkheid' aangetoond (Glasner, op.cit. nt. 2, p 77). Zie ook Jane Millar en Andrea Warman, Family Obligations in Europe, Routledge 1996; Jane Lewis (red), Women and Social Polides in Europe, Edward Elgar 1993; W Dumon (red), Family Policy in EEC Countries, EG-Commissie 1990; W. Dumon (red) Changing Family Policies in the Member States of the European Union, EG- Commission 1994; R. Blanpain (red), Harmonization of Working 2000 nr 2 33

10 I MOEDERSCH APS IDEOLOGIEËN CURE MCGLYNN Hof in een serie uitspraken, met name op het gebied van zwangerschaps- en bevallings- of zorgverlof, een specifieke visie op moederschap en zwangerschap reproduceert, en daarmee legitimeert, die grotendeels gebaseerd is op de hierboven beschreven dominante moederschapsideologie. De benadering van het Hof heeft zich ontwikkeld op basis van wat we kunnen omschrijven als het principe van 'bescherming van vrouwen'. Op het niveau van wet- en regelgeving neemt dit principe de vorm aan van een uitzondering op het algemene principe van gelijke behandeling van vrouwen en mannen, zoals gewaarborgd in de Richtlijn Gelijke Behandeling van de EG. 38 Dit paternalistische 'bescherming'principe prevaleert boven de bevordering van gelijke behandeling daar waar 'de bescherming van vrouwen, met name met betrekking tot zwangerschap en moederschap' (cursivering van mij) is vereist. 39 Als gevolg hiervan hoeft het gelijke behandelingsprincipe niet te worden toegepast in zoverre als vrouwen geacht worden 'bescherming'(waarvan trouwens geen definitie wordt gegeven) nodig te hebben. Dit principe van 'bescherming van vrouwen' is fundamenteel in de benadering van het Hof: het heeft zich ontwikkeld van de geconstateerde behoefte om 'zwangerschap en moederschap' te 'beschermen', zoals geformuleerd in de gelijke-behandelingsrichtlijn, tot de bescherming van de dominante moederschapsideologie. De keuze voor het begrip 'bescherming' en de taal die daarbij hoort is cruciaal. 40 De 'bescherming'retoriek past in een denkpatroon dat alle vrouwen ziet als delicate wezens die vaderlijke controle en toezicht nodig hebben. Zoals Joanne Conaghan opmerkte, het bevestigt het idee van vrouwen als 'het zwakke geslacht', een idee dat 'gediend heeft tot legitimatie van hun onderdrukking door de geschiedenis heen [en] dat nauw verwant is aan het idee dat zwangerschap aan vrouwen een speciale kwetsbaarheid geeft.' 41 De Commissie v Italië, 1983 Een helder voorbeeld van de opvattingen van het Hof vormt Commissie v Italië. 42 In deze zaak stond de Italiaanse wetgeving, waarin verlof wordt toegekend aan vrouwen, en niet aan mannen, bij adoptie van een kind jonger dan zes jaar, ter discussie. De Commissie stelde dat de wet in strijd was met de Richtlijn Gelijke Behandeling omdat mannen hierdoor werden gediscrimineerd. Zij konden immers geen gebruik maken van het recht op adoptieverlof. De Italiaanse regering stelde Life and Family Life, Kluwer Mijn stelling is, nogmaals, niet, dat de dominante moederschapsideologie de realiteit van iedere lidstaat reflecteert, maar dat het een disciplinerende uitwerking heeft op alle vrouwen en mannen, zij het op verschillende manieren en op verschillende tijdstippen. 38. Council Directive 76/207, [1976] OJL 39/ Ibid art. 2(3). 40. Taalgebruik is cruciaal voor de ontwikkeling en voortzetting van ideologieën en in dit geval de moederschapsideologie. Zie verder Fegan, op.cit. nt. 4, p. 77 en John B. Thompson, Studies in the Theory ofldeology, Polity Press 1984, p Joanne Conaghan, 'Pregnancy and the Workplace: a question of strategy?', Journal oflaw and Society 1993, 20, 71, p Deze benadering is ook evident in het 'Pregnancy and Maternity Directive' van de EG (96/34, [1996] OJL 145/4) waarvan het doel is de 'veidat deze regeling ontworpen was om 'de adoptiefmoeder dezelfde positie te geven als de natuurlijke moeder, om er zeker van te zijn dat de eerste dezelfde mogelijkheden zou hebben - in haar eigen belang en in het belang van het kind - om de emotionele banden te creëren die in het vroegste deel van een kinderleven (...) een doorslaggevende rol spelen.' 43 Het doel van deze wetgeving was dus om zoveel mogelijk de situatie na te bootsen die 'normaal' is voor natuurlijke ouders, namelijk dat de moeder verlof neemt. Dit brengt scherp in beeld hoe de verlofperiode een manifestatie is van de overtuiging dat het de taak van de moeder is te zorgen voor het kind, of het nu geadopteerd is of dat het een eigen (pasgeboren) kind betreft. De 'doorslaggevende' rol van de moeder (en niet van de vader) wordt benadrukt, terwijl in één adem door wordt geïmpliceerd dat zonder de aanwezigheid van de moeder de emotionele ontwikkeling van het kind schade oploopt. Het Hof werd hier geconfronteerd met wetgeving die zich baseerde op een traditioneel concept van moederschap en was daarmee in de gelegenheid zich uit te spreken over de vraag of het nastreven van een dergelijke visie middels wetgeving wel in overeenstemming was met het EG-gelijke behandelingsrecht. De conclusie van het Hof luidde dat de Italiaanse wetgeving niet in strijd was met het EG-recht. Sterker nog, dat de Italiaanse regering door een 'legitieme bezorgdheid' was gedreven, die met recht had geleid tot de introductie van wetgeving, gericht op de integratie van adoptief en natuurlijke kinderen in het gezin, vooral tijdens de 'zeer delicate beginperiode'. 44 Vervolgens stelde het Hof dat in deze omstandigheden het verschil in behandeling van vrouwen en mannen 'niet als discriminatie kan worden aangemerkt' in de zin van de Richtlijn Gelijke Behandeling. 45 Het Hof onderschreef hiermee de basisgedachte van het hierboven beschreven bindingsonderzoek, nl. dat het eerste contact tussen moeder en kind cruciaal is voor de toekomstige ontwikkeling van het kind. Opvallender nog is het feit dat, terwijl het bindingsonderzoek betrekking had op het biologisch moederschap, deze opvattingen nu worden toegepast op alle moeders, biologisch of niet. De grondslag van deze uitspraak is het geloof dat ongelijke behandeling van vrouwen op grond van moederschap (en niet op grond van het biologische vermogen tot zwangerschap) geen onwettige vorm van discriminatie oplevert. Hierdoor bekrachtigt het Hof een op sekse gebaseerde arbeidsligheid en gezondheid van zwangere werkneemsters te bevorderen'. Dit werd noodzakelijk geacht vanwege de 'kwetsbaarheid van zwangere werkneemsters' en het daaruitvolgende risico voor hun fysieke en mentale staat' (preambule). Ik erken dat de Richtlijn nooit zou zijn aangenomen als het niet onder de gezondheids- en veiligheidsrichtlijnen van het Verdrag van Rome had gevallen, waardoor aanname op basis van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen mogelijk was en op die manier een veto van de UK kon worden vermeden. Dit doet echter niets af aan de discussie met betrekking tot het basisconcept van de Richtlijn, noch aan de impliciete strekking ervan. 42. Zaak 163/82 Commissie v Italië, [1983] ECR Schriftelijke toelichting aan het Hof, ibid, p Op.cit. nt. 42, para Op.cit. nt. 42, para NEMESIS

11 MOEDERSCH APS IDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN deling, waarin de zorg voor kinderen altijd de verantwoordelijkheid van de moeder is en waarin iedere opvatting dat de vader wellicht ook een legitieme behoefte heeft aan een verlofperiode, ontkend wordt. Zo wordt het vaderschap, bij implicatie, teruggebracht tot de kostwinnersrol, waarbij ervan uit gegaan wordt dat de primaire betrokkenheid en identificatie van een man op het vlak van betaald werk ligt, eerder dan op het gebied van zorg voor de kinderen. 46 Hofmann 1984 Het Hof verdedigde en verbreedde zijn standpunt in de inmiddels berucht geworden Hofmann-zaak. 41 In Hofmann moest het Hof zich uitspreken over Duitse wetgeving die erin voorzag dat alleen vrouwen een periode van moederschapsverlof op konden nemen vanaf acht weken na de bevalling. De vader van een pasgeboren baby, de heer Hofmann, stelde dat de mogelijkheid tot verlof was ingesteld vanuit het oogpunt van zorg voor het kind en dat de regeling daarom zou moeten gelden voor zowel vrouwen als mannen. 48 In haar reactie rechtvaardigde de Duitse regering haar beleid op grond van de stelling dat het 'wenselijke gevolgen had in de sfeer van gezinsbeleid, in zoverre het de moeder de mogelijkheid verschafte zich aan haar kind te wijden', vrij van 'verplichtingen' aan de werkgever. 49 Hier zien we opnieuw het exclusief maken van een bepaald gezinsmodel, waarin de moeder primair verantwoordelijk is voor de zorg voor de kinderen en waarin betaalde arbeid geacht wordt niet verenigbaar te zijn met het moederschap. In de nadruk op de 'toewijding' weerklinkt misschien ook de echo van de bindings- en hechtingstheorieën, die 'goed' moederschap vereisen. De 'beschermings'retoriekpast in een denkpatroon dat alle vrouwen ziet als delicate wezens die vaderlijke controle en toezicht nodig hebben. Dit exclusief maken van een bepaald gezinsmodel en bepaalde vormen van 'moederen' zijn ideologische 46. Zie Richard Collier over traditionele vaderschapsopvattingen en het aandeel daarvan bij de beperking van de mogelijkheden voor vrouwen: '"Feminising" the Workplace? Law, the "Good parent" and the "Problem of men'", in Anne Morris en Therese O'Donnell (red), Feminist Perspectives on Employment Law, Cavendish 1999, p Zaak 184/83 Hofmann v Barme Ersatzkasse, [1984] ECR Hoewel dit oordeel veel commentaar uitlokte en nog steeds uitlokt, wordt het hier gedetailleerd bekeken, gezien de relatie tussen de uitspraak en de bindingstheorieën en vanwege de betekenis van die uitspraak voor de fundering van latere jurisprudentie door het Hof. 48. Deze zienswijze werd ondersteund door het feit dat de tweede verlofperiode werd ingetrokken wanneer het kind kwam te overlijden. 49. Geschreven observaties aan het Hof, op.cit. nt. 47, p Tamara Hervey en Jo Shaw, 'Women, Work and Care: women's dual role and doublé burden in EC sex equality law', Journal of voorkeuren die het Hof onderschrijft door de Duitse wetgeving te bevestigen. Het Hof vervolgde met wat Hervey en Shaw terecht omschrijven als 'de archetypische uitdrukking van de voortzetting van de "gescheiden sferen"-ideologie in het EG-recht' 50, namelijk dat het EG-recht niet was bedoeld om vragen op te lossen met betrekking tot de 'organisatie van het gezin' of om 'de verdeling van verantwoordelijkheden tussen ouders te veranderen'. 51 Deze schijnbare neutraliteit ten opzichte van het gezin suggereert dat het EG-recht buiten de seksespecifieke verdeling van huishoudelijke arbeid binnen het gezin staat, daarmee zichzelf ontheffend van elke verantwoordelijkheid voor de 'sociale organisatie' van het gezinsleven. 52 Het EG-recht speelt echter zonder twijfel wel degelijk een rol bij het in stand houden van traditionele familiebanden en - verantwoordelijkheden. 53 Het 'gezin' is geen neutrale of zuiver beschrijvende term, maar een 'ideologisch en economisch geheel' dat door de notie van de 'privacy van het gezin' van kritiek wordt afgeschermd. 54 Door zich hiervan afzijdig te houden legitimeert het Hof, en daardoor ook het EG-recht, de status quo. Het Hof bekrachtigde een beleid dat er mede voor zorgt dat vrouwen primair verantwoordelijk zijn, en moeten blijven, voor de zorg voor de kinderen. Advocaat-Generaal Darmon ging nog een stap verder door aan te voeren dat het verlof alleen voor moeders nodig was vanwege de vele lasten die na de bevalling op een vrouw drukken; niet alleen het 'hervatten van haar betaalde werk', maar ook het 'bijhouden van het huishouden', 55 Dit argument gaat verder dan het alleen maar 'beschermen' van vrouwen die zwanger of pas bevallen zijn; het conserveert een moederschapsideologie die de uitvoering van en de verantwoordelijkheid voor specifieke taken in het huis(houden) inhoudt. Met andere woorden: evenals in Commissie v Italië is ook hier geen sprake van ongeoorloofde discriminatie zolang de ter discussie staande voorziening in overeenstemming is met de dominante moederschapsideologie. Na de zogenaamde neutrale positie van de EG met betrekking tot het gezinsleven te hebben verwoord, maakt het Hof vervolgens zijn partijdigheid duidelijk in zijn uiteenzetting van de veronderstelde redenen achter de door het EG-recht verschafte 'bescherming' van vrouwen in relatie tot zwangerschap en moederschap. Het Hof geeft als eerste reden om moeder- European Social Policy 1998, 8, p Op.cit. nt. 47, para 24. Een formule die in veel opvolgende zaken gehanteerd is. Zie bv, C-345/89 Stoeckel [1991] ECR , para Deze schijnbare neutraliteit echoot na in C-170/84 Bilka-Kaufaus [1986] ECR 1607 para 43, waarin het Hof stelt dat werkgevers, en ook het EG-recht, geen rekening hoeven te houden met de 'moeilijkheden waar mensen met gezinsverantwoordelijkheden mee te kampen hebben' bij het vaststellen van de voorwaarden voor aanspraken op werknemerspensioen. 53. Zie verder: Linda Hantrais en Marie-Therese Letablier, Families and Family Politics in Europe, Logman 1996; Peter Moss, 'Reconciling Employment and Family Responsibilities: A European Perspective', in Suzan Lewis en Jeremy Lewsi (red) The Work-Family Challenge, Sage 1996, p Smart, op.cit. nt. 34, p Op.cit. nt. 47, para nr 2 35

12 I MOEDERSCHAPS IDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN schapsverlof toe te staan 'bescherming' en het waarborgen dat de 'biologische conditie van de vrouw tijdens de zwangerschap en daarna' weer terug keert tot het 'normale niveau'. 56 Een tweede overweging die het moederschapsverlof in de zaak Hofmann ondersteunt is, aldus het Hof, dat het 'legitiem is de speciale relatie tussen een vrouw en haar kind te beschermen' gedurende de periode die volgt op zwangerschap en bevalling. 57 Deze formulering roept onvermijdelijk de in diskrediet geraakte theorieën over moeder-kind-binding in herinnering, waarin de binding van moeder en kind als een cruciale factor wordt gezien voor de toekomstige gezonde ontwikkeling van het kind, en bevestigt het idee dat de verplichtingen van vrouwen voor de kinderen te zorgen 'natuurlijk' en onveranderlijk' zijn. 58 Ziehier de 'speciale bescherming' van een specifieke opvatting van moederschap, een opvatting die de, op bindings-onderzoeken gebaseerde, aanname bestendigt dat vrouwen 'omdat zij degenen zijn die kinderen dragen en krijgen, ook automatisch de sekse zijn die verantwoordelijk is voor hun opvoeding'. 59 Het Hof onderstreepte het belang van de' speciale relatie' tussen moeder en kind door te stellen dat het moederschapsverlof voorkomt dat deze relatie 'verstoord wordt door de vele lasten die zouden voortvloeien uit de combinatie van werk en moederschap. 60 Dit suggereert opnieuw dat moederschap en werknemerschap niet te combineren zouden zijn. De heer Hofmann had betoogd dat moeders, door vaders toe te staan gebruik te maken van de betreffende regeling, zouden worden verlicht van deze 'last'. Desondanks stelde het Hof dat het verlof van de moeder beschermd moest worden omdat zij alleen onderworpen is aan de 'onwenselijke druk om te vroeg weer aan het werk te gaan'. 61 Deze stelling toont duidelijk de partijdigheid en de ideologie van het Hof. Er wordt een normatieve voorstelling geschetst van een werkomgeving waarin alleen vrouwen vrij nemen om voor kinderen te zorgen. Het mag dan zo zijn dat op dit moment hoofdzakelijk vrouwen afwezig zijn van hun werk omdat ze voor kinderen moeten zorgen, maar dat mag niet gebruikt worden als argument om mannen diezelfde mogelijkheid te onthouden. Evenmin volgt hieruit dat dit de manier is waarop zorg behoort te worden georganiseerd. Indien vaders een afdwingbaar recht zouden hebben om (betaald) verlof te nemen tijdens en na de geboorte van een kind en als het voor vaders normaal zou zijn hierop een beroep te doen, dan zouden zowel vrouwen als mannen geconfronteerd worden met de 'lasten' en de 'druk' om weer aan het werk te gaan. Sterker nog, als vaders gebruik zouden maken van hun recht op verlof, zou de druk op vrouwen om weer aan het werk te gaan wellicht niet 'onwenselijk' of 'vroegtijdig' zijn. Het Hof moedigt vrouwen aan 'op zijn minst de eerste maanden thuis te blijven bij hun kinderen', terwijl mannen doorgaan met hun ononderbroken carrières. Dit leidt onvermijdelijk tot een grotere nadruk op de carrière van de vader, terwijl die van de moeder onvermijdelijk vertraging oploopt. 62 In Hofmann zien we derhalve hoe het Hof het primaat geeft aan de rol van de moeder door te stellen dat de 'bescherming' van 'zwangerschap en moederschap' 63 een legitieme doelstelling is van de lidstaat en van het EG-beleid. Zo wordt de dominante moederschapsideologie, waarin moeder en kind geacht worden een zeer nauwe relatie te hebben en waarbij het kind constante en individuele zorg en aandacht van uitsluitend de moeder dient te krijgen, gereproduceerd. 64 De zorg voor de kinderen vertegenwoordigt de primaire sociale verantwoordelijkheid van de moeder tijdens de eerste levensjaren van het kind, een rol die 'beschermd' wordt door het EG-recht. Dit veronderstelt duidelijk dat de moeder een bevoorrechte rol heeft ten opzichte van de vader. Er is geen wens om vaders te beschermen (of aan te moedigen), of om de speciale relatie van de vaders en kinderen te beschermen. 65 Het Hof heeft hiermee in Commissie v Italië en in Hofmann een duidelijke visie op de moederrol uitgesproken en daarmee op de rol van de vader - een visie die een juridische onderbouwing van de dominante moederschapsideologie betekent. 66 De reproductie van een ideologie: het Hof van Justitie in de jaren 90 Bovenstaande uitspraken dateren uit het midden van de jaren 80 en men zou kunnen veronderstellen dat de onderliggende ideologie inmiddels plaats heeft gemaakt voor meer progressieve opvattingen over gezinsverantwoordelijkheden en de positie van vrouwen op het werk. 67 Het Hof gebruikt echter nog steeds de in bovengenoemde zaken gehanteerde argumentatie. Meer recent ontwikkelde het zelfs een breder prin- 56. Op.cit. nt. 47, para Op.cit. nt. 47, para Fredman op.cit. nt. 35, p Christopher Bovis en Christine Cnossen, 'Sterotyped Assumptions versus Sex Equality: A Socio-Legal Analysis of the Equality Laws in the European Union', International Journal ofcomparative Labour Law and Industrial Relations 1996, 7, p Op.cit. nt. 47, para Op.cit. nt. 47, para Sandra Fredman, 'European Community DiscriminationLaw: A Critique', Industrial Law Journal 1991, 21, p Op.cit. nt. 47, para Zie verder J. Windebank, 'To what extent can social policy challenge the dominant ideology of mothering', Journal of European Social Policy 1996, 6, p Zoals tegenwoordig wel gebruikelijk is in zaken betreffende ouderlijke macht, waar het belang van de vader in termen van het emotioneel welzijn van het gezin en de kinderen vaak wordt benadrukt (al verloopt dit niet altijd zonder problemen). Zie Carol Smart, 'The Legal and Moral Ordering of Child Custody' Journal of Law and Society 1991, 18, p Hoewel Christopher Docksey stelt dat Hofmann heeft geleid tot veranderingen in de Duitse wetgeving ('The Principle of Equality between Women and Men as a Fundamental Right Under Community Law', Industrial Law Journal 1991, 20, p ) gaat het erom, dat dergelijke veranderingen werden teweeggebracht ondanks en niet dankzij het oordeel van het Hof. 67. De 'tender-years-doctrine' van ouderlijke macht is bijvoorbeeld op grote schaal in onbruik geraakt. Zie Susan Boyd, 'From Gender Specificity to Gender Neutrality? Ideologies in Canadian Child Custody Law', in Carol Smart en Selma Sevenhuijsen (red), Child Custody and the Politics of Gender, Routledge 1989, p en Carol Smart die verwijst naar de van te voren vaststaande 'suprematie' van de moederliefde die nu een gepasseerd station is in de ouderlijke macht: op.cit. nt. 65, p NEMESIS

13 MOEDERSCHAPS IDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN cipe, namelijk dat van de 'bescherming van vrouwen binnen het gezinsleven'. Bescherming van de 'specifieke relatie tussen een vrouw en haar kind' Alvorens deze recente ontwikkeling in de benadering van het Hof te beschouwen, is het zinvol eerst na te gaan op welke manier de ideologische standpunten uit Commissie v Italië en Hofmann in de daaropvolgende zaken zijn bekrachtigd. Wat we zien is dat het Hof in een aantal uitspraken zijn standpunten herhaalt, waarbij het zijn ideologie versterkt, zo niet verklaart. Deze schijnbare neutraliteit suggereert dat het EG-recht buiten de seksespecifieke arbeidsverdeling binnen het gezin staat. In Hofmann rechtvaardigde het Hof de toekenning van verlof in verband met de zorg voor kinderen uitsluitend met het argument dat een dergelijk verlof essentieel was ter bescherming van de gezondheid van de moeder en de 'specifieke relatie tussen moeder en kind'. Het Hof werd geconfronteerd met het dilemma dat het toestaan van voorrechten aan vrouwen in strijd is met het principe van gelijke behandeling en alleen rechtmatig is wanneer het valt onder één van de uitzonderingen, zoals die zijn neergelegd in de Gelijke Behandelings Richtlijn. Relevant is in dit geval de daarin geformuleerde uitzondering 'bescherming van vrouwen, met name met betrekking tot zwangerschap en moederschap'. 68 Dientengevolge moest het Hof op die grond het toekennen van verlof aan uitsluitend vrouwen rechtvaardigen. Daarbij vond het blijkbaar in het 'argument van gezondheidszorg' onvoldoende rechtvaardiging, naar alle waarschijnlijkheid omdat het verlof was ingesteld vanuit het oogpunt van zorg voor het kind. Het was echter niet de bedoeling van het Hof om een algemene verlofregeling te verdedigen, maar een verlofregeling uitsluitend voor vrouwen. De noodzaak voor ouders, ongeacht hun sekse, om tijd vrij te maken voor de zorg voor een zeer jong kind, kon derhalve niet als argument dienen. Daarom was het noodzakelijk de moeder-kindrelatie exclusief te maken. Om dit te kunnen onderbouwen werd in de motivatie verwezen naar de 'specifieke relatie' tussen moeder en kind. Daarmee viel het Hof terug op verouderde en niet meer toereikende concepten van moederschap, gebaseerd op de dominante ideologie en ongeloofwaardige en achterhaalde bindingstheorieën. In volgende zaken zag het Hof zich geconfronteerd met vragen die de reikwijdte van het begrip 'bescherming' van zwangere vrouwen ter discussie stelden. Dientengevolge moest het de toekenning van beschermende rechten verder rechtvaardigen. Het doorslaggevende verschil tussen Hofmann en deze latere zaken is dat Hofmann betrekking had op de rechten van ouders, waarop beide seksen recht konden laten gelden, terwijl de latere zaken uitsluitend betrekking hadden op zwangerschaps- en moederschapsverlof. In dergelijke zaken was het voldoende geweest te verwijzen naar de uniekheid van zwangerschap en naar de behoefte aan gezondheidszorg van zwangere en pas bevallen vrouwen. Desondanks koos het Hof ervoor de Hofmannformule te herhalen, namelijk dat moederschapsverlof, en niet ouderschapsverlof, essentieel is voor de 'bescherming van de specifieke relatie tussen een vrouw en haar kind'. Letterlijke herhalingen van de Hofmannargumentatie zijn te vinden in Stoeckel 69, Habermann- Beltermann 70, Webb v EMO 71, Brown v Rentokil 72, Thibault 73 en Boyle In geen van deze zaken wordt een nadere toelichting gegeven op de formule. Niet gemotiveerd wordt waarom dit essentieel is, waarom deze 'specifieke relatie' relevant is voor de rechtvaardiging van toekenning van moederschapsverlof of waarom de noodzaak zich met het kind te binden uitsluitend zou zijn voorbehouden aan moeders. Gezegd kan worden dat de uitkomst van sommige van bovengenoemde zaken in het algemeen in het voordeel van vrouwen werkt, in die zin dat zij discriminatie op grond van zwangerschap verbiedt. De prijs echter voor dit positieve resultaat is de continuering van achterhaalde noties over zorg voor kinderen en ouderschap, die de dominante moederschapsideologie bevestigen en daardoor schade toebrengen aan de mogelijkheden van vrouwen in de toekomst. Het is nadrukkelijk niet mijn bedoeling zwangere vrouwen geen rechten toe te staan die een uitzondering maken op het formele gelijke-behandelingsprincipe. 76 Aan zwangerschap gerelateerde rechten zouden echter niet moeten worden gerechtvaardigd door een beroep op ideologieën over moederschap. Zoals Evelyn Ellis stelt, het Hof maakt wat al te gemakkelijk de stap van de behoefte om zwangere en pas bevallen vrouwen te beschermen, naar 'bescherming' van het moederschap, waarbij het de voorkeursbehandeling voor zwangere en net bevallen vrouwen legitimeert met achterhaalde noties over de rolverdeling van ouders binnen het ge- 68. Art. 2(3). 69. Op.cit. nt. 51, para Zaak C-421/92 Habermann-Beltermann [1994] ECR , para Zaak C-32/93 Webb v EMO Air Cargo Ltd. [1994] ECR , para Zaak C-394/96 Brown v Rentokil Ltd. [1998] 2 CMLR 1049, para Zaak C-136/95 Caisse Nationale D'Assurance Vieillesse des Travailleurs Salaries (CNAVTS) v Thibault [1998] ECR , para Zaak C-411/96, Boyle v Equal Opportunities Commission nyr, para Het is uiteraard inherent aan de methode van het Hof om principiële standpunten in vergelijkbare zaken letterlijk te vertalen. Maar dit ontslaat het Hof niet van de verantwoordelijkheid voor de conclusies die worden getrokken uit het herhalen van bepaalde sleutelredeneringen, vooral niet wanneer zoals hier het gebruik van dezelfde frasering in verschillende omstandigheden zo aanmerkelijk is. 76. Een dergelijke zienswijze, in sommige discussies gekarakteriseerd als het 'sameness' principe, wordt vaak beschouwd als conflicterend met de behoefte 'specifieke' rechten aan vrouwen toe te kennen. Zie verder Gillian More, '"Equal Treatment" of the Sexes in European Community Law: What does "Equal" mean?' Feminist LegalStudies 1993, l,p. 45 enfinley op.cit. nt. l,p nr 2 37

14 I MOEDERSCHAPSIDEOLOGIEËN CLARE MCGLÏNN zin'. 77 Tegelijkertijd lijkt het Hof voortplanting en moederschap op één hoop te gooien, alsof beide op dezelfde manier biologisch gedetermineerd zijn. 78 Vrouwen moeten rechten hebben in relatie tot zwangerschap, maar rechten in relatie tot ouderschap zouden voor vrouwen zowel als mannen beschikbaar moeten zijn. Bescherming van vrouwen binnen het gezinsleven In bovenstaande zaken herhaalde het Hof voornamelijk de Hofmann-jurisprudentie. Aan de hand van zijn recente uitspraak in Hill and Stapleton zien we echter hoe de filosofie van het Hof zich verder uitbreidt. 79 In deze zaak claimden twee parttime werkende vrouwen die samen een baan deelden dat zij indirect werden gediscrimineerd op grond van sekse aangezien hen per uur minder werd betaald dan fulltime werknemers. Het Hof bevestigde dat de twee vrouwen in een achtergestelde positie verkeerden en stelde dat, aangezien 99% van de parttime werkenden vrouw is, dit een prima facie geval was van indirecte discriminatie. Dit gezegd hebbende, gaat vervolgens het grootste deel van de uitspraak over de mogelijke rechtvaardigingsgronden voor deze discriminatoire behandeling, variërend van angst voor hogere loonkosten tot de suggestie dat gelijke betaling van parttime - en fulltime werkers in een situatie als die van Hill discriminatie in het voordeel van vrouwen zou opleveren. Het Hof verwierp zeer beslist elk van de voorgestelde rechtvaardigingsgronden. 80 Juist in de verwerping echter van deze rechtvaardigingsgronden substantieerde het Hof de aan zijn jurisprudentie ten grondslag liggende ideologie. Zo stelde het Hof dat het doel van het gemeenschapsrecht was om 'verantwoordelijkheid voor het gezin te bemoedigen en zo mogelijk werkomstandigheden daarop af te stemmen.' 81 Voorts werd aangevoerd dat het EGbeleid tot doel heeft de 'bescherming van vrouwen binnen het gezinsleven en in de loop van hun professionele activiteiten' te waarborgen. 82 Deze opmerkingen herbevestigen de dominante moederschapsideologie. Het 'beschermings'principe heeft zich uitgebreid van de bescherming van vrouwen in relatie tot zwangerschap en bevalling, tot de bescherming van vrouwen binnen het 'gezinsleven'. In verschillende opzichten betekent dit een meer expliciete weergave van de ideologie zoals verwoord in Hofmann en in Commissie v Italië. Eerder werd beargumenteerd dat het vertrouwen van het Hof op de dominante moederschapsideologie impliciet kon worden afgeleid uit zijn oordelen, ondanks de beweerde neutraliteit. In Hill neemt het Hof afstand van zijn vroegere stelling dat het EGbeleid niet is ontworpen om de 'organisatie van het gezin' te veranderen en bevestigt het dat een expliciete doelstelling van het EG-recht inderdaad is 'vrouwen binnen het gezinsleven te beschermen'. 77. Evelyn Ellis, European Community sexequality Law, Clarendon Press 1998, 2e ed., p Op.cit. nt. 50, p Zaak C-243/95, Hill and Stapleton v The Revenu Commissioners and the Department offinance [1998] 3 CMLR Ibid paras 43 en 44. Zie ook Clare Mc Glynn en Catharine Farrelly, 'Equal Pay and the "Protection of Women in Family Life'", European Law Review 1999, 24, p De cruciale vraag is dan wat onder dat 'gezinsleven', dat beschermd dient te worden, moet worden verstaan. Beargumenteerd kan worden dat de opvatting over 'gezinsleven' van het Hof gebaseerd is op de dominante moederschapsideologie. Het Hof gaat er impliciet van uit dat het beleid er op is gericht arbeidsvoorwaarden zodanig aan te passen, dat zij op de bestaande gezinsverantwoordelijkheden afgestemd zijn, en niet dat gezinsverantwoordelijkheden veranderd moeten worden om vrouwen te emanciperen. Het Hof neemt dus een statische positie in met betrekking tot gezinsverantwoordelijkheid en probeert arbeidsvoorwaarden zodanig aan te passen dat zij tegemoet komen aan de realiteit. Dit suggereert een organisatie van arbeid waarbinnen traditionele mannelijke manieren van werken blijven voortbestaan en waarbinnen aanpassingen alleen maar gedaan worden om vrouwen in staat te stellen aan hun gezinsverplichtingen te voldoen. Hoewel dit een verlate erkenning zou zijn voor de behoefte aan tenminste enige verandering is het een beperkte visie. Veranderingen in de werkomstandigheden zijn inderdaad van cruciaal belang, maar dat geldt voor vrouwen zowel als voor mannen. Daarnaast zijn ook veranderingen nodig in de verdeling van de huiselijke verantwoordelijkheden van vrouwen en mannen, waarbij mannen een groter deel van de gezinsverplichtingen op zich nemen. Als alleen de arbeidsomstandigheden veranderen, terwijl vrouwen de dubbele last van zorg en arbeid houden, zal de vooruitgang in hun leven slechts klein zijn, in plaats van de radicale emancipatie en substantiële gelijkheid die nu wordt nagestreefd. De notie van 'bescherming', zoals het Hof die uitwerkt, met de nadruk op het behoud en de instandhouding van de bestaande normen en op de rol van de vrouw, wekt de suggestie dat men zeker wil stellen dat vrouwen hun bestaande verantwoordelijkheden behouden. Er zijn een paar aanpassingen gedaan richting de veranderende werkpatronen van vrouwen. Het Hof maakt zich er sterk voor te verzekeren dat de gezinsverantwoordelijkheden van vrouwen gehandhaafd kunnen worden in het licht van hun 'professionele verantwoordelijkheden', maar dit lijkt meer een schoorvoetende erkenning van de, wellicht economische, noodzaak tot (parttime) participatie van vrouwen op de betaalde arbeidsmarkt. 83 Het Hof gaat verder met te stellen dat het EG-beleid er ook op is gericht, de rol van mannen binnen het gezin te beschermen. 84 Daarmee lijkt het een notie van gelijkheid tussen vrouwen en mannen aan te hangen: de rol van vrouwen binnen het gezinsleven wordt beschermd, dus ook de rol van mannen. Het is echter belangrijk om verder te kijken dan deze ogenschijnlijke gelijkheid. 85 Hierboven is beargumenteerd dat het Hof de bescherming van een specifieke opvatting van gezinsleven veilig wil stellen; een opvatting die zich 81. Op.cit. nt. 79, para Ibid. 83. Dit zou ook de evolutie kunnen zijn in de moederschapsideologie waar Susan Boyd aan refereert als zij het heeft over de ontwikkeling van het 'supermoeder'-fenomeen, op.cit. nt Op.cit. nt. 79 para Een belangrijk element van iedere ideologie is dat het de manier waarop er aan onderwerpen wordt gerefereerd al inkadert. Studies 38 NEMESIS

15 I MOEDERSCHAPSIDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN houdt aan de dominante moederschapsideologie. Het logisch gevolg van deze ideologie is een voorgeschreven rol voor mannen en vaders: mannen zijn primair kostwinner en vaders zijn niet direct betrokken bij de dagelijkse verzorging van de kinderen, aangezien dat de verantwoordelijkheid van de moeder is. De argumentatie van het Hof impliceert een 'traditionele'rol voor mannen, met name in relatie tot het gezin, die het spiegelbeeld vormt van de dominante moederschapsideologie. Dat wijst op het behoud van de bestaande grenzen aan de betrokkenheid van mannen bij het gezin. 86 Als vaders gebruik zouden maken van hun recht op verlof, is de druk op vrouwen om weer aan het werk te gaan wellicht niet 'onwenselijk' of 'vroegtijdig'. Dat het Hof een dergelijke traditionele visie op het gezinsleven wenst te beschermen, wordt ook duidelijk bij beschouwing van de manier waarop het Hof het begrip 'gezin' construeert op andere gebieden van het EG-recht. Zo bestaat, volgens de jurisprudentie van het Hof op het gebied van vrij verkeer van personen, een 'gezin' uit heteroseksuele partners die uitsluitend via het huwelijk de status van 'gezin' verkrijgen. 87 Op dezelfde manier als via het huwelijk de gezinsstatus wordt verkregen, heft echtscheiding deze weer op. 88 Dit patroon in de jurisprudentie van het Hof bracht Isabella Moebius en Erika Szyszczak tot de stelling dat het vrij verkeer van personenrecht gebaseerd is op het concept van de mannelijke werknemer en op 'het gezinsmodel van de mannelijke kostwinner'. 89 Blijkbaar heeft het EG-recht op het gebied van vrij verkeer van werknemers tot doel die gezinsmodellen te bevoorrechten en aan te moedigen die voorzien in een 'infrastructuur voor mannelijke mobiliteit' 90, met andere woorden, de aanwezigheid van een fulltime echtgenote. Dit 'traditionele' concept van het 'gezin' wordt tevens ondersteund door de weigering van het Hof om het bereik van de Richtlijn Gelijke Behandeling uit te breiden tot discriminatie op grond van seksuele voorkeur. Als argument hanteerde het Hof dat er gebrek aan consensus is onder de lidstaten over de vraag of 'stabiele relaties tussen personen van hetzelfde geslacht als gelijkwaardig mogen worden beschouwd aan stabiele relaties tussen personen van verschillend geslacht'. 91 Het Hof vervolgde met te vermelden dat lidstaten aan dit standpunt vasthielden 'met als doel bescherming van het gezin'. 92 Het is duidelijk dat partnerschapsrelaties tussen twee personen van hetzelfde geslacht niet worden geacht een 'gezin' te vormen. 93 Tenslotte legitimeert de jurisprudentie van het Hof de traditionele taakverdeling binnen het huishouden ook op die terreinen waar gelijke-behandelingswetgeving direct raakt aan de relatie tussen informele zorg en arbeid, met name de sociale-zekerheidswetgeving. 94 Zoals Kirsten Scheiwe stelt, heeft het Hof vaak getracht 'de status quo van gender-relaties te legitimeren, waarvan de fundamentele basis gevormd wordt door de verdeling van werk en macht binnen het gezin'. 95 Het Hof heeft in zijn uitspraken een specifiek concept van 'gezinsleven'exclusief gemaakt - een concept waarin de dominante moederschapsideologie duidelijk weerklinkt. Wanneer het Hof dan ook in HUI stelt dat het de rollen van vrouwen en mannen in 'het gezinsleven' wil 'beschermen', is het duidelijk dat het de traditionele rollen van vrouwen en mannen wenst te behouden. Uiteindelijk is het EG-recht niet gericht op verandering of emancipatie van vrouwen en mannen, maar op het 'beschermen' van de bestaande aan hen toegeschreven rollen. Het Hof heeft de gezinsarena betreden en vecht voor een specifiek concept van gezin en moederschap, dat de dominante moederschapsideologie belichaamt. Conclusie Eén van de doelstellingen van dit artikel is het creëren van een beter inzicht in de ideologie die ten grondslag ligt aan de jurisprudentie van het Hof op het gebied van gelijke behandeling. In het bijzonder heb ik betoogd dat de jurisprudentie van het Hof de dominante moederschapsideologie reproduceert en derhalve legitimeert. Deze ideologie is gebaseerd op onterechte voornaar ouderlijke macht bijvoorbeeld hebben laten zien dat ondanks het recente gebruik van gendemeutrale taal bij besluitvorming omtrent het 'beste belang van het kind' het recht nog steeds wordt geïnformeerd door aannames over de passende rol van vrouwen en mannen zowel thuis als op de werkplek: Boyd op.cit. nt. 8, p Mogelijk was dit niet de opzet van het Hof. Toch moet dat in het licht van de formulering en gezien voorgaande uitspraken van het Hof niet zomaar worden aangenomen. Als het Hof wil laten zien dat het afstand neemt van haar eerdere jurisprudentie, moet dit veel explicieter worden gesteld. 87. Zie C-59/85 Netherlands v Reed [1986] ECR Zie ook Louise Ackers, Shifting Spaces - women, citizenship and migration within the European Union, Policy 1998, vooral H Uit 267/83 Diatta v Land Berlin [1985] ECR 567 kan worden afgeleid dat de rechten van de echtgenoot van een migrantenwerknemer bij scheiding komen te vervallen. 89. Isabella Moebius en Erika Szyszczak, Of Raising Pigs and Children, in voorbereiding. 90. Kirsten Scheiwe, 'EC Law's Unequal Treatment of the Family: The Case law of the European Court of Justice on Rules Prohibiting Discrimination on Grounds of Sex and Nationality', Social and Legal Studies 1994, 3, p C-249/96, Gram v South West Trains [1998] IRLR 165, para 35. Opgemerkt moet worden dat dit 'gebrek aan consensus' het Hof er niet van weerhield de Richtlijn Gelijke Behandeling uit te breiden met discriminatie op grond van transseksualiteit. Zie C-13/94 P v S and Cornwall County Council [1996] ECR Grant, ibid, para Zie ook T0264/97 D andsweden v Council , nyp, para 26, waarin het Gerecht van Eerste Aanleg stelde dat het toekennen van uitkeringen aan 'echtgenoten' van EG-officials alleen geldt voor getrouwde paren omdat 'Met gemeenschapsopvattingen van huwelijk en partnerschap (...) exclusief bedoeld wordt een relatie die is gebaseerd op het burgerlijk huwelijk in de traditionele terminologie' (onofficiële vertaling). 94. Zie verder Hervey en Shaw op.cit. nt Op.cit. nt. 90, p nr 2 39

16 I MOEDERSCH APS IDEOLOGIEËN CLARE MCGLYNN onderstellingen, die vrouwen belemmeren de activiteiten te ontplooien die het beste bij hen en bij hun relaties passen. Het is ook een ideologie die dominant blijft, ondanks de veranderingen in de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en in de relaties van vrouwen met mannen en kinderen. Het onderkennen van deze dominantie is essentieel. Pas dan begrijpen we waarom, ondanks decennia van anti-discriminatiewetgeving, er zo weinig veranderd is in de culturele opvattingen over de rollen en verwachtingen van vrouwen en mannen. Het laat ook zien dat, hoewel het recht alleen nooit alle vormen van vrouwendiscriminatie zal kunnen opheffen, het recht zoals dat nu geïnterpreteerd wordt, beperkt is in haar mogelijkheden vanwege de ideologie die eraan ten grondslag ligt. Het EG-gelijkebehandelingsrecht zou tot doel moeten hebben een diversiteit van ouderschaps- en professionele rollen van vrouwen en mannen aan te moedigen, en niet de 'bescherming' en legitimatie van de bestaande rollen. Het zou de dominante moederschapsideologie moeten verwerpen en de beschikbare interpretatieruimte gebruiken om een meer progressieve en bevrijdende benadering van de relaties van vrouwen en mannen met kinderen te ontwikkelen. 96 In plaats van vrouwendiscriminatie op te heffen, versterkt de jurisprudentie van het Hof juist de traditionele vooronderstellingen die vrouwen tegenwerken en die bijdragen aan hun voortdurende achterstelling. Wat dit betreft loopt de jurisprudentie van het Hof achter bij de voorzichtige beweging in de goede richting die de Europese wetgever heeft gezet met de Richtlijn Ouderschapsverlof. 97 Voor de toekenning van het recht op (onbetaald) verlof aan moeders en aan vaders, is de Richtlijn van belang omdat het een grotere participatie van mannen in de zorg voor kinderen nastreeft door ouderschapsrechten gelijkelijk aan vrouwen en mannen toe te kennen. Er zal echter weinig veranderen wanneer verlof onbetaald blijft en wanneer het Hof de interpretatie en toepassing van het EG-gelijke-behandelingsrecht in het algemeen, en mogelijk de Richtlijn in de toekomst, blijft baseren op de dominante moederschapsideologie. 98 Zolang we de ideologische kaders waarop het huidige recht is gegrond niet identificeren en herscheppen, en zolang het Hof niet bereid is de dominante moederschapsideologie los te laten, is er weinig hoop dat we kunnen voorkomen dat deze ideologie onze discussies bepaalt en onze toekomst beperkt. 96. Het Hof van Justitie heeft zichzelf een hoge graad van interpretatievrijheid 'toegemeten' bij zijn 'purposive' interpretatietechniek. Zie over de behoefte aan meer 'institutionele verbeeldingskracht) van het Hof op het gebied van seksegelijkheid, op.cit. nt. 50, p. 4 en ook Advocaat-Generaal Tesauro's Opinion in P v S, op.cit. nt. 91, para 9, waarin hij stelt dat het EG-recht gelijke tred moet houden met 'vooruitgang in de samenleving' en met 'sociale verandering', omdat het anders 'het risico loopt achterhaalde gezichtspunten uit te dragen'. 97. Council Directive 96/34 [1996] OJL 145/4. De Richtlijn voorziet in drie maanden onbetaald verlof voor moeders en vaders bij geboorte of adoptie van een kind. 98. Hieraan moet worden toegevoegd dat de Richtlijn alleen in Ierland, Luxemburg en de UK enige impact zal hebben, aangezien in alle andere lidstaten al een verder reikende voorziening is voor ouderschapsverlof. Zie Millar en Warman, op.cit. nt. 37, p NEMESIS

17 ARTIKEL FRIEDA VAN VLIET Juriste, specialisatie afstammings- en adoptierecht Commentaar op het wetsvoorstel 'adoptie door personen van hetzelfde geslacht' Door de zij-ingang naar niemandsland? Het nieuwe wetsvoorstel 'adoptie door personen van hetzelfde geslacht' maakt adoptie voor sociale ouders van gelijke sekse mogelijk. De regering is hiermee op haar eerdere schreden teruggekeerd en dat verdient lof. Veel kritiek is er echter op de nieuwe voorwaarde dat het adoptieverzoek slechts mag worden toegewezen indien vaststaat dat het kind niets meer van zijn oorspronkelijke ouder(s) te verwachten heeft. Hierdoor dreigen sommige kinderen in een juridisch niemandsland terecht te komen. Daarnaast wordt vastgehouden aan de uitsluiting van lesbische mee-moeders en hun kinderen van het afstammingsrecht. De argumenten die de regering hiervoor aanvoert hebben een wankele basis. Bovendien zou dit wel eens strijd kunnen opleveren met het grondrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Op 8 juli 1999 verscheen het wetsvoorstel Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (adoptie door personen van hetzelfde geslacht). 1 Aanleiding voor de totstandkoming ervan was de motie van de Tweede Kamer inzake Leefvormen 2 tot invoering van de mogelijkheid van adoptie door deze paren. Voordat de motie werd uitgewerkt in een wetsvoorstel, werd aan de Commissie Kortmann opdracht gegeven advies uit te brengen over de inhoud van mogelijke wetsvoorstellen. 3 Het rapport van de Commissie Kortmann werd op 28 oktober 1997 aangeboden aan de toenmalige Staatssecretaris Schmitz van Justitie. 4 Het wetsvoorstel dat vervolgens werd voorbereid, werd op 1 december 1998 ter advisering voorgelegd aan de Raad van State. 5 In zijn advies van 23 maart 1999 uitte de Raad zijn bezwaren tegen het wetsvoorstel en gaf hij het kabinet in overweging het wetsvoorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden. 6 Het kabinet negeerde het advies van de Raad van State en diende het wetsvoorstel op 8 juli 1999 in bij de Tweede Kamer. 7 De vaste commissie voor Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek, bracht op 23 december 1999 haar verslag uit. 8 Door de mogelijkheid van adoptie open te stellen voor sociale ouders in een leefvorm van gelijke sekse, wordt de kring van personen aan wie het adoptierecht wordt toegekend uitgebreid. Als het adoptievoorstel wet in formele zin is, kan niet alleen het kind van de alleenstaande sociale ouder en het kind in de heteroseksuele leefvorm worden geadopteerd, zoals naar huidig recht het geval is, maar ook het kind dat in een gelijkgeslachtelijke leefvorm opgroeit. Voor wat betreft de laatstgenoemde leefvorm kan worden gedacht aan: - het kind dat na (echt)scheiding van de ouders opgroeit bij de moeder en haar vrouwelijke partner; - het kind dat na (echt)scheiding van de ouders opgroeit bij de vader en zijn mannelijke partner; - het kind dat binnen de relatie van een (gehuwd) lesbisch paar wordt geboren; - het kind dat door een draagmoeder wordt gebaard ten behoeve van het gezin van een homoseksueel paar; - het kind dat als pleegkind door ouders van gelijk geslacht wordt verzorgd en opgevoed. In het voorliggende wetsvoorstel gaat het niet alleen om de toekenning van het adoptierecht aan personen van gelijk geslacht. De regering verdedigt in dit voor- 1. TK , Tegelijkertijd verscheen het wetsvoorstel openstelling huwelijk voor personen van gelijk geslacht, TK , Het laatstgenoemde wetsvoorstel wordt in dit commentaar slechts meegenomen voor zover het de afstammingsrechtelijke gevolgen van het huwelijk betreft. 2. TK , , nrs. 14 en Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 25 juni 1996, nr /96/6. 4. Zie voor een commentaar op dit rapport: 'Van achterdeur naar zij-ingang', F. van Vliet, Nemesis 1998, nr Kabinetsmissive van 1 december 1998, nr TK , B. 7. TK , nrs. 1,2 en TK , , nr nr 2 41

18 I DOOR DE ZIJ-INGANG NAAR NIEMANDSLAND? FRIEDA VAN VLIET stel tevens waarom zij het juridisch ouderschap voor de sociale ouder in een relatie van gelijk geslacht door middel van het adoptierecht en niet (tevens) door middel van het afstammingsrecht wil regelen. Verder is in het wetsvoorstel een nieuwe voorwaarde voor de toewijzing van het adoptieverzoek opgenomen. Als het wetsvoorstel wet is kan een kind alleen door de sociale ouder(s) worden geadopteerd als vaststaat dat het van de oorspronkelijke ouder(s) niets meer te verwachten heeft. Dit betekent een aanmerkelijke verzwaring voor een ieder die in de toekomst een kind wil adopteren. Tenslotte kondigt de regering in het wetsvoorstel alvast aan op welke wijze de toekomstige aankleding van het gezamenlijk gezag soelaas kan bieden voor sociale ouders die hun adoptieverzoek zien afgewezen door de rechter. In het navolgende zullen het adoptie-wetsvoorstel en de argumenten die de regering voor de verschillende onderdelen ervan aanvoert de revue passeren en van commentaar worden voorzien. Daartoe zal eerst de keuze van de regering, om het juridisch ouderschap van sociale ouders in een gelijkgeslachtelijke leefvorm door middel van het adoptierecht en niet (tevens) door middel van het afstammingsrecht te regelen, aan de orde komen. Daarna zal de nieuwe voorwaarde voor de toewijzing van het adoptieverzoek worden becommentarieerd. In dit kader gaat het achtereenvolgens om de werkingssfeer van de nieuwe voorwaarde, de toetsing van de voorwaarde door de rechter, de legitimiteit van de voorwaarde in relatie tot het EVRM en tenslotte over de gevolgen van de voorwaarde voor het kind waar het gaat om de voorlichting over zijn biologische ouder(s) en om zijn band met die ouder(s). Hierbij zal speciale aandacht worden besteed aan interlandelijke adoptie. Tenslotte zal de voorgenomen aankleding van het gezamenlijke gezag, als alternatief voor adoptie, op zijn merites worden beschouwd. Bij dit alles worden de reacties van de Raad van State en van de vaste commissie voor Justitie voorzover relevant meegenomen. De keuze voor het toekennen van het adoptierecht In het thans geldende adoptierecht, dat pas op 1 januari 1998 van kracht werd, is de adoptie van een kind door de sociale ouder in een leefvorm van gelijke sekse nog uitgesloten. 9 Het is een compliment waard dat de wetgever zijn eerdere argumenten die tot uitsluiting van de adoptie van kinderen in de gelijkgeslachtelijke leefvorm leidden, heeft herzien en de adoptie van deze kinderen mogelijk wil maken. Bij de totstandkoming van het thans geldende adoptierecht verdedigde de wetgever nog de stelling, dat adoptie een vorm van afstamming is. Omdat ook in het afstammingsrecht de aansluiting bij de natuurlijke afstamming niet werd verlaten, meende men dit ook in het adoptierecht niet te moeten doen. Derhalve werd toen het stellen van de voorwaarde dat het twee personen van verschillend geslacht moest betreffen, gerechtvaardigd geacht 10, hetgeen tot de uitsluiting van adoptie in de leefvorm van gelijk geslacht leidde. Van diverse zijden werd er toentertijd al op gewezen dat adoptie een juridische constructie van afstamming is, die met biologisch ouderschap (natuurlijke afstamming) niets van doen heeft. Zonder slag of stoot geeft de wetgever in het voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van het adoptierecht haar argumentatie van de aansluiting bij de natuurlijke afstamming op. Het onderscheidend criterium kon kennelijk de toets van de rechtvaardiging van het onderscheid niet langer doorstaan. Adoptie wordt thans een abstractie van de afstamming genoemd, waarbij het niet om biologisch ouderschap gaat. Ook het kind dat bij twee ouders van gelijk geslacht opgroeit heeft in de visie van de wetgever recht op bescherming. Omdat deze ouders volgens de regering nooit beiden de biologische ouders van het kind kunnen zijn 11, wordt gekozen voor aanpassing van het adoptierecht en niet van het afstammingsrecht. 12 Er ligt derhalve een wetsvoorstel voor het wijzigen van het adoptierecht. Voor het afstammingsrecht is geen wijziging voorzien. Daar blijft ook in de toekomst alles bij het oude. Ook het kind dat bij twee ouders van gelijk geslacht opgroeit heeft volgens de wetgever recht op bescherming. Voor welke categorieën is de keuze van de regering, om het juridisch ouderschap voor de sociale ouder in de gelijkgeslachtelijke leefvorm enkel door middel van het adoptierecht en niet door middel van het afstammingsrecht te regelen, relevant? Van de in de inleiding genoemde categorieën van kinderen die bij ouders van gelijk geslacht opgroeien, zouden alleen de kinderen die binnen de relatie van een lesbisch paar geboren worden, in aanmerking komen om door middel van de regels van het afstammingsrecht in familierechtelijke betrekking tot de beide moeders te komen staan. Hun situatie is namelijk vergelijkbaar met die van kinderen die binnen de relatie van een (gehuwd) heteroseksueel paar worden geboren en waar de mannelijke partner van de moeder niet de verwekker is van het kind. In deze situatie wordt het juridisch ouderschap door het afstammingsrecht geregeld. Het afstammingsrecht wijst namelijk de man, die ten tijde van de geboorte van het kind de echtgenoot is van de moeder, aan als de juridische vader van het kind. Dit wordt ook wel het afstammingsrechtelijk gevolg van het huwelijk genoemd. Verder regelt het afstammingsrecht voor kinderen in de heteroseksuele leefvorm dat de man, die niet (met de moeder) gehuwd is, het kind kan erkennen. De regering heeft wel overwogen of de sociale ouder, 9. TK , , wet van 24 december 1997 Stb TK , , MvT, p Behalve in het geval van transseksuele ouders. Die zijn dan echter tevens biologisch ouder en passen niet in de categorie sociale ouders, waarvoor de adoptie thans wordt geregeld. Twijfelachtig wordt het echter als de ene vrouw de eiceldonor is, en de bevruchte eicel in de baarmoeder van haar partner wordt geplaatst die het kind vervolgens baart. De vrouw die het kind baart is van rechtswege de juridische moeder. De positie van de eiceldonor heeft in het afstammingsrecht (nog) geen plaats gekregen. 12. TK , , MvT, p NEMESIS

19 I DOOR DE ZIJ-INGANG NAAR NIEMANDSLAND? FRIEDA VAN VLIET die de vrouwelijke partner van de moeder is ten tijde van de geboorte van het kind, het juridische ouderschap op gelijke wijze zou moeten kunnen verkrijgen als de mannelijke partner van de moeder. Dit zou dan betekenen dat het afstammingsrecht zodanig moet worden aangepast, dat de afstammingsrechtelijke gevolgen van het huwelijk ook voor een lesbisch gehuwd paar gelden. Tevens zou aan de vrouwelijke partner van de moeder de mogelijkheid moeten worden geboden om het kind te erkennen. De regering verwerpt echter de openstelling van het afstammingsrecht voor de sociale moeder in de lesbische relatie. Het gaat volgens haar te ver om aan te nemen dat een kind dat wordt geboren binnen het huwelijk van twee vrouwen 13 in juridisch opzicht afstamt van beide vrouwen. Het vermoeden van biologisch ouderschap kan hier niet worden aangenomen. Daarmee zou de werkelijkheid geweld worden aangedaan en zou de afstand tussen werkelijkheid en recht te groot worden. 14 Daarom zal het kind dat binnen het huwelijk van twee vrouwen wordt geboren niet automatisch in juridische zin afstammen van deze vrouwen, als in de toekomst het huwelijk voor paren van gelijk geslacht mogelijk is. Of anders gezegd: de afstammingsrechtelijke gevolgen van het huwelijk gelden niet in geval van het huwelijk van twee vrouwen. Wil het kind in familierechtelijke betrekkingen tot de sociale moeder komen te staan, dan kan dit volgens de huidige wetsvoorstellen slechts door middel van de adoptie gebeuren. Over de mogelijkheid van erkenning door de sociale moeder wordt door de wetgever niet gerept. Het is de vraag of het verschil in behandeling tussen kinderen die in de relatie van een lesbisch paar worden geboren en kinderen die in de relatie van een man en een vrouw worden geboren, wel objectief te rechtvaardigen is. Een en ander zal in het navolgende worden bezien. Voor de kinderen, genoemd in de andere categorieën, namelijk het kind dat door een draagmoeder wordt afgestaan, het stiefkind van de sociale ouder en het pleegkind van de sociale ouders, kunnen de regels van het afstammingsrecht niet van toepassing zijn om de sociale ouder tot juridisch ouder te laten worden. De genoemde kinderen worden namelijk niet binnen de gelijkgeslachtelijke relatie geboren. Zij zijn wat dit betreft gelijk aan de kinderen in een dergelijke heteroseksuele combinatie, die ook alleen door adoptie in familierechtelijke betrekkingen tot de sociale ouder kunnen komen te staan. Het afstammingsrecht en sociale ouders Er is in juridisch opzicht geen verschil tussen het ouderschap dat door het afstammingsrecht ontstaat en het ouderschap dat door adoptie ontstaat. In beide gevallen ontstaan familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de ouders en tussen het kind en de familieleden van de ouders. Ook gelden de rechtsgevolgen die aan deze betrekkingen zijn vastgeknoopt op dezelfde manier. De ouders die op de ene of op de andere manier het juridisch ouderschap hebben verkregen zijn 'ouder' in de zin van de wet en hebben op gelijke wijze de rechten en plichten die in wettelijke regelingen op verschillende rechtsgebieden worden geregeld. In beide gevallen zijn de juridische ouders de afstammingsouders van het kind. In het licht hiervan is het dan ook niet verwonderlijk dat het enerzijds vasthouden aan het vermoeden van biologisch ouderschap voor het ontstaan van juridisch ouderschap binnen het afstammingsrecht en het anderzijds loslaten van dit vermoeden voor het ontstaan van juridisch ouderschap binnen het adoptierecht, van verschillende zijden kritiek ondervindt. De regering verwerpt de openstelling van het afstammingsrecht voor de sociale moeder in de lesbische relatie. De Raad van State betoogt in zijn advies over het adoptie-wetsvoorstel onder andere dat hier een ingrijpende wijziging van het afstammingsrecht wordt beoogd, die niet aansluit bij de ontwikkelingen op dat rechtsgebied die geleid hebben tot de herziening ervan in De Raad wijst er in dit verband op dat in het nieuwe afstammingsrecht juist aan de biologische band tussen de ouders en kind een groter belang is toegekend dan aan de juridische die gebaseerd is op een fictie van ouderschap. 15 Volgens de Raad is het adoptierecht een onderdeel van het afstammingsrecht, omdat in het afstammingsrecht 16 wordt geregeld dat degene die adopteert de juridische ouder van het kind is. Door adoptie ontstaan immers familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en degenen die adopteren. Waarschijnlijk wil de Raad met dit betoog beweren dat indien voor het afstammingsrecht de grondslag van het vermoeden van biologisch ouderschap wordt gehanteerd, dit ook voor het adoptierecht moet gelden. De regering blijkt het betoog van de Raad ook aldus op te vatten. Zij zwakt het vermoeden van biologisch ouderschap voor het afstammingsrecht af door te antwoorden, dat dit vermoeden in veel mindere mate geldt voor de in het afstammingsrecht opgenomen regeling van de erkenning. 'In de wet wordt immers niet tot uitdrukking gebracht dat de erkenner vermoed wordt de verwekker van het kind te zijn. Ook de niet-verwekker kan een kind erkennen', aldus de regering. 17 Het antwoord van de regering waarmee het argument van de Raad van State terzijde wordt geschoven, brengt mijns inziens de rechtvaardiging van de uitsluiting van gelijkgeslachtelijke leefvormen binnen het afstammingsrecht aan het wankelen. Het vermoeden van biologisch ouderschap blijkt niet alleen te steunen op het 'wat niet weet wat niet deert-principe', maar tevens op de tekst van de wet, waarin dit vermoeden al dan niet tot uitdrukking wordt gebracht. Als het vermoeden van biologisch ouderschap in veel 13. Een kind kan niet binnen het huwelijk van twee mannen worden geboren, omdat de draagmoeder van rechtswege de juridische moeder is van het kind. 14. TK , , MvT, p. 4 en TK , , B, p Art. 198 en 199 Boek 1 BW. 17. TK , , B, p nr 2 43

20 I DOOR DE ZIJ-INGANG NAAR NIEMANDSLAND? FRIEDA VAN VLIET mindere mate geldt voor de erkenning van een kind, dan kan dit instituut, net zoals de adoptie, worden beschouwd als een juridische constructie van ouderschap. Waarom zou de vrouwelijke partner van de moeder hiervan dan uitgesloten blijven? Verder is het de vraag of het vermoeden van biologisch ouderschap voor de andere vormen van ontstaan van juridisch vaderschap in het afstammingsrecht als zo evident kan worden beschouwd, dat dit een gerechtvaardigde grondslag voor de systematiek van dit recht kan zijn. Het gaat dan om het juridisch vaderschap als afstammingsrechtelijk gevolg van het huwelijk en om de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Ook bij het vermoeden van biologisch ouderschap van de mannelijke partner binnen huwelijk kunnen vraagtekens worden gezet. De wet brengt namelijk evenmin als bij de erkenning tot uitdrukking dat de echtgenoot van de moeder vermoed wordt de verwekker van het kind te zijn dat binnen zijn huwelijk met de moeder wordt geboren. Analoog aan de redenering van de regering inzake de erkenning, kan ook hier op grond van de tekst van de wet worden aangenomen dat ook de niet-verwekker binnen huwelijk dus (automatisch) de juridisch vader van het kind is. Het logische gevolg hiervan is dat het vermoeden van een biologisch ouderschap ook bij de afstammingsrechtelijke gevolgen van het huwelijk in veel mindere mate geldt dan de regering zou willen zien. 18 Verder wordt in het afstammingsrecht zelfs uitdrukkelijk geregeld dat de man, die instemt met de verwekking van het kind door een ander dan hemzelf, c.q. met het zaad van iemand anders dan hemzelf, geacht wordt het juridisch vaderschap op zich te nemen. Als hij dat niet vrijwillig doet kan hij daar door middel van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap toe gedwongen worden. 19 Als hij binnen huwelijk automatisch juridisch vader is geworden kan hij zijn vaderschap niet ontkennen. 20 Er valt nauwelijks een mooier voorbeeld te bedenken dan de wet hier zelf geeft voor het feit dat het vermoeden van biologisch ouderschap in het afstammingsrecht een wankele basis heeft. De wettekst legt de vinger op de feitelijk gelijke situaties van de sociale ouder die de mannelijke partner van de moeder is en de sociale ouder die de vrouwelijke partner van de moeder is en de ongelijke behandeling die hen in juridisch opzicht ten deel valt. Beiden hebben namelijk toestemming gegeven voor de verwekking van het kind door een ander dan henzelf bij hun vrouwelijke partner. De mannelijke partner krijgt echter het juridisch ouderschap door middel van de afstammingsrechtelijke regels op een presenteerblaadje aangeboden, de vrouwelijke partner wordt daarvan thans en voor de toekomst uitgesloten. Kan de aard van de argumentatie van de regering, waarmee zij het ontstaan van het juridisch ouderschap voor de gelijkgeslachtelijke leefvorm binnen het afstammingsrecht uitsluit, in juridische zin gerechtvaardigd worden geacht? Waar enerzijds het vermoeden van biologisch ouderschap wordt afgezwakt ter verdediging van het ene wetsvoorstel (adoptie), kan hetzelfde argument niet worden versterkt voor een afwijzing in het andere wetsvoorstel (afstammingsrechtelijke gevolgen van het gelijkgeslachtelijke huwelijk). Mijn antwoord op de bovengenoemde vraag luidt dan ook evident ontkennend. 21 De regering onderkent weliswaar dat het juridisch ouderschap, dat door het afstammingsrecht tot stand komt, niet altijd samenvalt met het biologisch ouderschap van de partner van de moeder. Zij meent echter dat dit in het merendeel van de gevallen wel zo is, hetgeen vermoedelijk moet rechtvaardigen waarom sociale vaders gelijk worden behandeld aan biologische vaders in het afstammingsrecht. Vasthouden aan het vermoeden van afstamming als grondslag van juridisch ouderschap is langzamerhand ongeloofwaardig. In kader van het voorliggende wetsvoorstel gaat het echter niet om de vergelijking van de biologische vader met de sociale vader, maar om uitsluiting van de sociale moeder. In het licht van art. 1 Grondwet, de art. 8 jo. 14 EVRM en van het Internationale Vrouwenverdrag 22 dienen niet de biologische en sociale ouders binnen het afstammingsrecht met elkaar te worden vergeleken, maar de sociale ouder in een heteroseksuele relatie, die zonder rechterlijke tussenkomst (automatisch) ouder is, met de sociale ouder in een relatie van ouders van gelijke sekse, die het nadeel heeft van de uitsluiting van het automatische ontstaan van het ouderschap. Het onthouden van de afstammingsrechtelijke gevolgen aan het huwelijk van twee vrouwen, evenals het onthouden van het recht op erkenning van een kind aan de vrouwelijke partner van de moeder, brengt ongerechtvaardigde verschillen teweeg. Omdat het juridisch ouderschap voor de vrouwelijke partner alleen door adoptie kan ontstaan, moet de gang naar de rechter worden ondernomen; dat is een dure grap. Ook gelden er wachttermijnen voordat het verzoek om adoptie kan worden ingediend en bestaan er onzekerheden inzake de toewijzing van het adoptieverzoek. Verder moet worden voldaan aan de eis dat de sociale moeder ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek met de moeder heeft samengeleefd. Met deze verzwaringen voor het verkrijgen van het juridisch ouderschap worden de mannelijke partners van de moeder niet geconfronteerd, omdat zij in het kader van het afstammingsrecht zonder noemenswaardige kosten, zonder 18. Zie in dit verband ook: 'Wie zegt dat je vader écht je vader is?', De Volkskrant van 25 januari 2000, Dag in dag uit, p. 19. Uit een Engels onderzoek blijkt dat eén op de zeven kinderen niet is verwekt door hun vermeende vader. 19. Zie art. 199 sub d., jo art. 200 lid 3, jo art. 207 lid 1 Boek 1 BW. 20. Zie art. 200 lid 2 en lid Vgl. Elsbeth Boor, 'Openstelling homohuwelijk en adoptie door personen van hetzelfde geslacht', Nemesis 2000 nr. 1, p. 21 ev. 22. Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV), New York, 18 december 1979, waarbij Nederland sinds 22 augustus 1991 partij is. 44 NEMESIS

Reacties op de Beleidsverkenning modernisering regelingen verlof en arbeidstijden

Reacties op de Beleidsverkenning modernisering regelingen verlof en arbeidstijden Reacties op de Beleidsverkenning modernisering regelingen verlof en arbeidstijden Op de Beleidsverkenning modernisering regelingen verlof en arbeidstijden hebben de volgende organisaties - op verzoek of

Nadere informatie

Adoptie van kinderen door paren van gelijk geslacht

Adoptie van kinderen door paren van gelijk geslacht Advies Adoptie van kinderen door paren van gelijk geslacht Commissie Justitie, Kamer van Volksvertegenwoordigers Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde adoptie door koppels van

Nadere informatie

Toelichting op de opzet en inhoud van de bundel 1 Katharina Boele-Woelki & Susanne Burri

Toelichting op de opzet en inhoud van de bundel 1 Katharina Boele-Woelki & Susanne Burri Auteurs en referenten ix Toelichting op de opzet en inhoud van de bundel 1 Katharina Boele-Woelki & Susanne Burri Regulering van ouderschap na scheiding: Nieuw recht en nieuwe mentalité de gouvernement?

Nadere informatie

Gehoord de gerechten adviseert de Raad u als volgt. 1

Gehoord de gerechten adviseert de Raad u als volgt. 1 De Minister van Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Afdeling Ontwikkeling bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag Correspondentieadres Postbus 90613 2509 LP Den Haag datum 2 maart 2010 doorkiesnummer

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2013 480 Wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner

Nadere informatie

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr.

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. Brandt ) [De man] te [woonplaats], hierna: de man, advocaat: mr. C.A. Lucardie te s-gravenhage.

Nadere informatie

De betekenis van publieke belangen voor het personen- en familierecht: de erkenning van polygame huwelijken. Katharina Boele-Woelki

De betekenis van publieke belangen voor het personen- en familierecht: de erkenning van polygame huwelijken. Katharina Boele-Woelki De betekenis van publieke belangen voor het personen- en familierecht: de erkenning van polygame huwelijken Katharina Boele-Woelki De Irakese tolk Terugtrekking van Deense troepen uit Irak Irakese tolk

Nadere informatie

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID PREAMBULE Erkennende dat ondanks de bestaande verschillen in de nationale familierechten er evenwel een toenemende convergentie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 26 732 Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) Nr. 98 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 16/09/2013

Datum van inontvangstneming : 16/09/2013 Datum van inontvangstneming : 16/09/2013 Vertaling C-442/13-1 Zaak C-442/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 6 augustus 2013 Verwijzende rechter: Oberster Gerichtshof (Oostenrijk)

Nadere informatie

Families onder druk. Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen. Drs. Ibrahim Yerden. Probleemstelling

Families onder druk. Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen. Drs. Ibrahim Yerden. Probleemstelling Families onder druk Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen Drs. Ibrahim Yerden Probleemstelling Hoe gaan Marokkaanse en Turkse gezinsleden, zowel slachtoffers als plegers om met huiselijk

Nadere informatie

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. Ontwerpaanbeveling voor de tweede lezing Astrid Lulling (PE439.879v01-00)

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. Ontwerpaanbeveling voor de tweede lezing Astrid Lulling (PE439.879v01-00) EUROPEES PARLEMENT 2009-2014 Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid 2008/0192(COD) 12.4.2010 AMENDEMENTEN 15-34 Ontwerpaanbeveling voor de tweede lezing Astrid Lulling (PE439.879v01-00) Beginsel

Nadere informatie

EUROPEES PARLEMENT. Recht en Criminaliteit in cyberspace

EUROPEES PARLEMENT. Recht en Criminaliteit in cyberspace EUROPEES PARLEMENT TIJDELIJKE COMMISSIE ECHELON-INTERCEPTIESYSTEEM SECRETARIAAT MEDEDELING TEN BEHOEVE VAN DE LEDEN De leden treffen als aanhangsel een document aan met de titel Recht en Criminaliteit

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting SAMENVATTING

Nederlandse samenvatting SAMENVATTING SAMENVATTING 1. Doelstellingen van het onderzoek Dit onderzoek heeft tot doel om twee belangrijke wetten uit het Nederlandse familierecht te evalueren, de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd

Nadere informatie

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam T 020 535 2637 Advies Luchtaanvallen IS(IS) Datum 24 september 2014 Opgemaakt door Prof. dr. P.A. Nollkaemper

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 353 Wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam

Nadere informatie

Eindexamen filosofie vwo 2011 - I

Eindexamen filosofie vwo 2011 - I Opgave 2 Religieus recht 7 maximumscore 2 een beargumenteerd standpunt over de vraag of religieuze wetgeving en rechtspraak voor bepaalde bevolkingsgroepen tot cultuurrelativisme leidt 1 een uitleg van

Nadere informatie

Bestaande lacunes en toekomstperspectieven in het Europees internationaal privaatrecht: naar een wetboek van internationaal privaatrecht?

Bestaande lacunes en toekomstperspectieven in het Europees internationaal privaatrecht: naar een wetboek van internationaal privaatrecht? DIRECTORAAT-GENERAAL INTERN BELEID BELEIDSONDERSTEUNENDE AFDELING C: RECHTEN VAN DE BURGER EN CONSTITUTIONELE ZAKEN JURIDISCHE ZAKEN Bestaande lacunes en toekomstperspectieven in het Europees internationaal

Nadere informatie

A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.

A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Rolnummer 2287 Arrest nr. 163/2001 van 19 december 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof,

Nadere informatie

Eindexamen filosofie vwo 2010 - II

Eindexamen filosofie vwo 2010 - II Opgave 2 Religie in een wetenschappelijk universum 6 maximumscore 4 twee redenen om gevoel niet te volgen met betrekking tot ethiek voor Kant: a) rationaliteit van de categorische imperatief en b) afzien

Nadere informatie

Aanpak Eergerelateerd Geweld. Jenny Van Eyma. 1. Eer

Aanpak Eergerelateerd Geweld. Jenny Van Eyma. 1. Eer Aanpak Eergerelateerd Geweld Jenny Van Eyma 1. Eer 1 Betekenis eer afhankelijk van o.a.: De tijdgeest: verschil vroeger, nu, toekomst Generatie (leeftijd) Sekse Klasse / SES Interpretatie en waardering

Nadere informatie

Date de réception : 01/03/2012

Date de réception : 01/03/2012 Date de réception : 01/03/2012 Vertaling C-44/12-1 Zaak C-44/12 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 30 januari 2012 Verwijzende rechter: Court of Session, Scotland (Verenigd Koninkrijk)

Nadere informatie

Op 18 november 2009 heeft het raadslid Flos (VVD) onderstaande motie ingediend:

Op 18 november 2009 heeft het raadslid Flos (VVD) onderstaande motie ingediend: Reactie van het College van B en W op de motie inzake Aanpak Discriminatie Amsterdam (openstellen functies voor iedereen bij ingehuurde organisaties) van het raadslid Flos (VVD) van 18 november 2009. Op

Nadere informatie

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ~ 2500 GC Den Haag

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ~ 2500 GC Den Haag Parkstraat 83 Den Haag Correspondentie: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ~ 2500 GC Den Haag ~ Telefoon Fax algemeen (070) (070) 361 93361 009310 Fax rechtspraak (070) 361 9315 Aan de

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting 169 Nederlandse samenvatting Het vakgebied internationale bedrijfskunde houdt zich bezig met de vraagstukken en de analyse van problemen op organisatieniveau die voortkomen uit grensoverschrijdende activiteiten.

Nadere informatie

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan Rotterdam Institute of Private Law Accepted Paper Series De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan A.J.M. Nuytinck Published in WPNR, 2008,

Nadere informatie

Huwelijk en samenwonen, echtscheiding en hertrouwen, gemengde relaties

Huwelijk en samenwonen, echtscheiding en hertrouwen, gemengde relaties Huwelijk en samenwonen, echtscheiding en hertrouwen, gemengde relaties Een beleidsplan van de kerkenraad van de Vrije Evangelische Gemeente te Oldebroek Inleiding Het huwelijk staat in onze tijd onder

Nadere informatie

maatschappijwetenschappen (pilot)

maatschappijwetenschappen (pilot) Examen HAVO 2014 tijdvak 2 dinsdag 17 juni 13.30-16.30 uur maatschappijwetenschappen (pilot) Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 24 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 65 punten

Nadere informatie

Het conceptwetsvoorstel lesbisch ouderschap onder de loep

Het conceptwetsvoorstel lesbisch ouderschap onder de loep Het conceptwetsvoorstel lesbisch ouderschap onder de loep Machteld Vonk Inleiding Eindelijk is het zover: de regering is gekomen met een conceptwetsvoorstel om het ouderschap van lesbische paren te regelen.

Nadere informatie

INTERNATIONALE KINDERONTVOERING STAND VAN ZAKEN, VERZET VAN HET KIND?

INTERNATIONALE KINDERONTVOERING STAND VAN ZAKEN, VERZET VAN HET KIND? INTERNATIONALE KINDERONTVOERING STAND VAN ZAKEN, VERZET VAN HET KIND? Ius Commune Conference Amsterdam Workshop Family Law 29 november 2012 Geeske Ruitenberg Opbouw > Toepasselijk recht > Cijfers: wie

Nadere informatie

JPF 2012/161 Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, 96504/FA RK ; 96507/FA RK ; LJN BW7709. ( mr. Haerkens-Wouters )

JPF 2012/161 Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, 96504/FA RK ; 96507/FA RK ; LJN BW7709. ( mr. Haerkens-Wouters ) JPF 2012/161 Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, 96504/FA RK 12-7108; 96507/FA RK 12-71111; LJN BW7709. ( mr. Haerkens-Wouters ) [Verzoekster] te [adres verzoekster], verzoekster, advocaat: mr. M. Huisman

Nadere informatie

Datum Gemeentelijke opvang illegalen 1 juli 2014 Ons kenmerk 2014/0162/LK/LvdH/IS

Datum Gemeentelijke opvang illegalen 1 juli 2014 Ons kenmerk 2014/0162/LK/LvdH/IS Zijne Excellentie mr. F. Teeven Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EX DEN HAAG Onderwerp Datum Gemeentelijke opvang illegalen 1 juli 2014 Ons kenmerk 2014/0162/LK/LvdH/IS Zeer

Nadere informatie

Versie 2008 9 Erkenning van je rechten en hoe kan je ze verdedigen?

Versie 2008 9 Erkenning van je rechten en hoe kan je ze verdedigen? Versie 2008 9 Erkenning van je rechten en hoe kan je ze verdedigen? Verantwoordelijke Uitgever: Daniël Samyn, Dienst Beroepsopleiding, departement Onderwijs en Vorming, Koning Albert-II laan 15, 1210 Brussel

Nadere informatie

Wat is gezag? De ouder Gezag en erfrecht Wie heeft het gezag? de NOTARIS en. Gezag. en voogdij

Wat is gezag? De ouder Gezag en erfrecht Wie heeft het gezag? de NOTARIS en. Gezag. en voogdij Wat is gezag? De ouder Gezag en erfrecht Wie heeft het gezag? de NOTARIS en Gezag en voogdij Inhoud Wat is gezag? 2 De ouder 3 Gezag en erfrecht 3 Wie heeft het gezag? 4 Huwelijk 4 Man en vrouw 4 Vrouw

Nadere informatie

Datum 16 december 2014 Onderwerp Nader rapport inzake het voorstel van wet Scheiden zonder rechter

Datum 16 december 2014 Onderwerp Nader rapport inzake het voorstel van wet Scheiden zonder rechter Aan de Koning Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj Registratienummer 593039 Onderwerp Nader rapport inzake het voorstel van wet Scheiden zonder rechter

Nadere informatie

Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt

Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt s op de arbeidsmarkt Moniek Coumans De arbeidsdeelname van alleenstaande moeders is lager dan die van moeders met een partner. Dit verschil hangt voor een belangrijk deel samen met een oververtegenwoordiging

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 200 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2008 Nr. 11 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4

Nadere informatie

Tijd rijp voor verplichte scheidingsbemiddeling

Tijd rijp voor verplichte scheidingsbemiddeling Tijd rijp voor verplichte scheidingsbemiddeling Nieuwsbrief NGR 14.03.03 De Nederlandse Gezinsraad (NGR) constateert dat er een breed maatschappelijk draagvlak is voor verplichte scheidingsbemiddeling.

Nadere informatie

Het recht van de ouders vindt zijn begrenzing in het welzijn van de kinderen

Het recht van de ouders vindt zijn begrenzing in het welzijn van de kinderen Het recht van de ouders vindt zijn begrenzing in het welzijn van de kinderen door J. J. L. ten Brink Inleiding 'toen kwam opeens die vrouw... die wou mij hebben... die sloeg mama in haar gezicht... die

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201103602/1/V3. Datum uitspraak: 11 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 10 SEPTEMBER 2007 S.07.0003.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.07.0003.F A. T., Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK.

Nadere informatie

gelet op artikel 63, eerste alinea punt 3 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 63, eerste alinea punt 3 van het EG-Verdrag, P5_TA(2002)0591 Verblijfstitel met een korte geldigheidsduur * Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de verblijfstitel met een korte

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 27 JUNI 2012 P.12.0873.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.0873.F I. P. D. V., II. III. IV. P. D. V., P. D. V., P. D. V., V. P. D. V., Mrs. Cédric Vergauwen en Olivia Venet, advocaten bij de

Nadere informatie

INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND. Artikel 1 Definitie van het kind Ieder mens jonger dan achttien jaar is een kind.

INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND. Artikel 1 Definitie van het kind Ieder mens jonger dan achttien jaar is een kind. INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND Artikel 1 Definitie van het kind Ieder mens jonger dan achttien jaar is een kind. Artikel 2 Non-discriminatie Alle rechten gelden voor alle kinderen,

Nadere informatie

Gezagsdragers hebben (anders dan pleegouders) de plicht te voorzien in het levensonderhoud van het kind waarover zij het gezag uitoefenen.

Gezagsdragers hebben (anders dan pleegouders) de plicht te voorzien in het levensonderhoud van het kind waarover zij het gezag uitoefenen. GEZAG EN VOOGDIJ WAT IS GEZAG? De wet geeft als omschrijving van gezag: de plicht en het recht om een minderjarig kind (dat is een kind jonger dan 18 jaar) te verzorgen en op te voeden. Wat betekent dit

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 032 Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders

Nadere informatie

MEMORIE VAN TOELICHTING

MEMORIE VAN TOELICHTING Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het ontstaan van het moederschap van rechtswege van en de mogelijkheid van erkenning door de vrouwelijke partner van de moeder MEMORIE VAN

Nadere informatie

Seksuele gezondheid Uitdagingen voor migranten organisaties

Seksuele gezondheid Uitdagingen voor migranten organisaties Seksuele gezondheid Uitdagingen voor migranten organisaties Bijeenkomst bevordering seksuele gezondheid Noord Nederland en de rol van de zelforganisaties Drachten 15-3-2010 Bram Tuk Pharos, kennis en adviescentrum

Nadere informatie

Filosofie en actualiteit. Zevende avond

Filosofie en actualiteit. Zevende avond Filosofie en actualiteit Zevende avond Over gelijkheid Emancipatie Gelijke behandeling Beloningen Mensenrechten Confucius Racisme Vrouw zijn Crisis Emancipatie Pauline Kleingeld: huwelijk is primair vrijwillige

Nadere informatie

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 ... No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering

Nadere informatie

Hof van Justitie verklaart de richtlijn betreffende gegevensbewaring ongeldig

Hof van Justitie verklaart de richtlijn betreffende gegevensbewaring ongeldig Hof van Justitie van de Europese Unie PERSCOMMUNIQUÉ nr. 54/14 Luxemburg, 8 april 2014 Pers en Voorlichting Arrest in gevoegde de zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a. Hof

Nadere informatie

Reactienota en eindconclusie inzake de visie op de lokaal-bestuurlijke inrichting van Zuidoost-Fryslân en de Friese Waddeneilanden

Reactienota en eindconclusie inzake de visie op de lokaal-bestuurlijke inrichting van Zuidoost-Fryslân en de Friese Waddeneilanden Reactienota en eindconclusie inzake de visie op de lokaal-bestuurlijke inrichting van Zuidoost-Fryslân en de Friese Waddeneilanden 1. Inleiding Op 11 april 2012 hebben wij onze visie op de lokaal-bestuurlijke

Nadere informatie

32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken 32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid Nr. 5 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 26 april 2012 Mede namens de Staatssecretaris

Nadere informatie

MEDEDELING AAN DE LEDEN

MEDEDELING AAN DE LEDEN EUROPEES PARLEMENT 2009-2014 Commissie verzoekschriften 31.1.2014 MEDEDELING AAN DE LEDEN Betreft: Verzoekschrift 0256/2011, ingediend door Harry Nduka (Nigeriaanse nationaliteit), over zijn recht om in

Nadere informatie

GRONDWET EN GELIJKHEID

GRONDWET EN GELIJKHEID Factsheet Grondwet voor Europa GRONDWET EN GELIJKHEID April 2005 Platform Artikel 13 Factsheet Grondwet en Gelijkheid Deze factsheet bevat informatie over de gevolgen van de invoering van de Grondwet voor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 31 015 Kindermishandeling Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den

Nadere informatie

Vrouwelijke genitale verminking en gendergebonden geweld

Vrouwelijke genitale verminking en gendergebonden geweld Vrouwelijke genitale verminking en gendergebonden geweld Hieronder vindt u de praatplaten die u zelf kunt afdrukken. Druk het document recto-verso af (afdrukken vanaf pagina 2 - omdraaien langs korte zijde)

Nadere informatie

PARITAIRE PARLEMENTAIRE VERGADERING ACS- EU

PARITAIRE PARLEMENTAIRE VERGADERING ACS- EU PARITAIRE PARLEMENTAIRE VERGADERING ACS- EU Commissie politieke zaken 5.3.2009 AP/100.506/AM1-24 AMENDEMENTEN 1-24 Ontwerpverslag (AP/100.460) Co-rapporteurs: Ruth Magau (Zuid-Afrika) en Filip Kaczmarek

Nadere informatie

Embargo tot 18 okt. 2012, 12.30 uur

Embargo tot 18 okt. 2012, 12.30 uur Embargo tot 18 okt. 2012, 12.30 uur Toespraak van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen mr. Corinne Dettmeijer-Vermeulen Ter gelegenheid van de aanbieding van het rapport

Nadere informatie

Is een klas een veilige omgeving?

Is een klas een veilige omgeving? Is een klas een veilige omgeving? De klas als een vreemde sociale structuur Binnen de discussie dat een school een sociaal veilige omgeving en klimaat voor leerlingen moet bieden, zouden we eerst de vraag

Nadere informatie

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE VERMOGENSRECHTELIJKE RELATIES TUSSEN ECHTGENOTEN

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE VERMOGENSRECHTELIJKE RELATIES TUSSEN ECHTGENOTEN BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE VERMOGENSRECHTELIJKE RELATIES TUSSEN ECHTGENOTEN PREAMBULE Erkennende dat ondanks de bestaande verschillen in de nationale familierechten er evenwel een

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 201107210/1/V1. Datum uitspraak: 21 juni 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 28 867 Wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen) Nr. 12 DERDE NOTA

Nadere informatie

Examen VWO. Nederlands. tijdvak 1 woensdag 16 mei 9.00-12.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen VWO. Nederlands. tijdvak 1 woensdag 16 mei 9.00-12.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen VWO 2007 tijdvak 1 woensdag 16 mei 9.00-12.00 uur Nederlands Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 20 vragen en een samenvattingsopdracht. Voor dit examen zijn maximaal 50 punten

Nadere informatie

maatschappijwetenschappen (pilot) Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen.

maatschappijwetenschappen (pilot) Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen. Examen HAVO 2014 tijdvak 1 donderdag 22 mei 9.00-12.00 uur maatschappijwetenschappen (pilot) Bij dit examen hoort een bijlage. Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift

Nadere informatie

OP ZOEK NAAR SAMENHANG Europese ontwikkelingen in de aanpak van geweld tegen vrouwen

OP ZOEK NAAR SAMENHANG Europese ontwikkelingen in de aanpak van geweld tegen vrouwen INTERVICT International Victimology Institute Tilburg OP ZOEK NAAR SAMENHANG Europese ontwikkelingen in de aanpak van geweld tegen vrouwen Prof. Dr. Renée Römkens /Tilburg University r.romkens@tilburguniversity.edu

Nadere informatie

COMMENTAAR OP HET WETSVOORSTEL BEVORDERING VAN MEDIATION IN HET BURGERLIJK RECHT VAN 25 APRIL 2013

COMMENTAAR OP HET WETSVOORSTEL BEVORDERING VAN MEDIATION IN HET BURGERLIJK RECHT VAN 25 APRIL 2013 COMMENTAAR OP HET WETSVOORSTEL BEVORDERING VAN MEDIATION IN HET BURGERLIJK RECHT VAN 25 APRIL 2013 9 MEI 2013 Herengracht 551 Contactpersoon: 1017 BW Amsterdam Ellen Soerjatin T 020 530 5200 E ellen.soerjatin@steklaw.com

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den

Nadere informatie

Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed

Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel

Nadere informatie

Minderjarigheid in het recht

Minderjarigheid in het recht Minderjarigheid in het recht Minderjarigen zijn personen onder de 18 jaar, tenzij voor hun 18e levensjaar huwelijk, geregistreerd partnerschap (GP) of meerderjarigverklaring van moeder van 16/17 jr Twee

Nadere informatie

Verdrag over de rechten van het kind

Verdrag over de rechten van het kind Verdrag over de rechten van het kind Een verdrag is een afspraak tussen landen. Op 20 november 1989 is in New York het Verdrag over de Rechten van het Kind gesloten. Dit Verdrag is een afspraak tussen

Nadere informatie

Actualiteiten arbeidsrecht. 14 november 2011 Stephanie Profijt Astrid Riemslag

Actualiteiten arbeidsrecht. 14 november 2011 Stephanie Profijt Astrid Riemslag Actualiteiten arbeidsrecht 14 november 2011 Stephanie Profijt Astrid Riemslag Wet Arbeid en Zorg: Ouderschapsverlof Dwingend recht Absoluut recht Voorwaarden: 1. er moet sprake zijn van een werknemer die

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011. Rapportnummer: 2011/233

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011. Rapportnummer: 2011/233 Rapport Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011 Rapportnummer: 2011/233 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de directeur van Bureau Jeugdzorg

Nadere informatie

2. In het arrest van 20 september 2001 heeft het Hof uitspraak gedaan over twee prejudiciële vragen die respectievelijk betrekking hadden op:

2. In het arrest van 20 september 2001 heeft het Hof uitspraak gedaan over twee prejudiciële vragen die respectievelijk betrekking hadden op: Conseil UE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 11 juni 2002 (26.06) (OR. fr) PUBLIC 9893/02 Interinstitutioneel dossier: 2001/0111 (COD) LIMITE 211 MI 108 JAI 133 SOC 309 CODEC 752 BIJDRAGE VAN DE IDISCHE

Nadere informatie

Vraag 4 Wat vind jij de meest geschikte houding? Vergelijk je antwoord met dat van je medestudenten. Typ het antwoord in in het antwoordformulier.

Vraag 4 Wat vind jij de meest geschikte houding? Vergelijk je antwoord met dat van je medestudenten. Typ het antwoord in in het antwoordformulier. Open vragen bij Casus Marco Vraag 1 Bekijk scène 1 nogmaals. Wat was jouw eerste reactie op het gedrag van Marco in het gesprek met de medewerker van Bureau HALT? Wat roept zijn gedrag op aan gedachten,

Nadere informatie

MEMORANDUM ALGEMENE VOORWAARDEN. 1 Inleiding

MEMORANDUM ALGEMENE VOORWAARDEN. 1 Inleiding MEMORANDUM ALGEMENE VOORWAARDEN 1 Inleiding 1.1 In Nederland wordt in de praktijk door ondernemingen veel gebruik gemaakt van algemene voorwaarden ( AV ). Hoewel het gebruik van AV over het algemeen als

Nadere informatie

!f0.lgemeen ~EHEERSCÇ:OMITE

!f0.lgemeen ~EHEERSCÇ:OMITE !f0.lgemeen ~EHEERSCÇ:OMITE VOOR HET SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN Opgericht bij de wet van 30 december 1992 Jan Jacobsplein, 6 1 000 Brussel Tei.:025464340 Fax :02 546 21 53 ABC ADVIES 2010/04 Brussel,

Nadere informatie

ECHTSCHEIDINGEN KENNEN GEEN GRENZEN (regels van internationaal privaat recht)

ECHTSCHEIDINGEN KENNEN GEEN GRENZEN (regels van internationaal privaat recht) ECHTSCHEIDINGEN KENNEN GEEN GRENZEN (regels van internationaal privaat recht) Steeds meer worden we in de rechtspraktijk geconfronteerd met internationale echtscheidingen op basis van de volgende elementen:

Nadere informatie

ADVIES NR. 118 VAN 13 FEBRUARI 2009 VAN HET BUREAU VAN DE RAAD VAN DE GELIJKE KANSEN VOOR MANNEN EN VROUWEN MET BETREKKING TOT HET VOORSTEL TOT

ADVIES NR. 118 VAN 13 FEBRUARI 2009 VAN HET BUREAU VAN DE RAAD VAN DE GELIJKE KANSEN VOOR MANNEN EN VROUWEN MET BETREKKING TOT HET VOORSTEL TOT ADVIES NR. 118 VAN 13 FEBRUARI 2009 VAN HET BUREAU VAN DE RAAD VAN DE GELIJKE KANSEN VOOR MANNEN EN VROUWEN MET BETREKKING TOT HET VOORSTEL TOT HERZIENING VAN DE RICHTLIJN 86/613/EEG BETREFFENDE DE TOEPASSING

Nadere informatie

Het gezin van morgen. Rood of blauw?

Het gezin van morgen. Rood of blauw? Het gezin van morgen. Rood of blauw? OUTLINE Lessen voor de 21 ste eeuw Maandag 16 november 2015 Koen Matthys & Sofie Vanassche Family and Population Studies Structuur Historische aanloop Van standaardgezin

Nadere informatie

de Rechtspraak Raad voor de rechtspraak Ministerie van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 ER DEN HAAG

de Rechtspraak Raad voor de rechtspraak Ministerie van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 ER DEN HAAG Ministerie van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 ER DEN HAAG Directie Strategie en Ontwikkeling bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag correspondentieadres Postbus 90613 2509

Nadere informatie

Opvoeden in andere culturen

Opvoeden in andere culturen Opvoeden in andere culturen Bevorderen en versterken: competenties vergroten Een betere leven DVD 1 Bevolkingsgroepen aantal Allochtoon3.287.706 Autochtoon13.198.081 Europese Unie (exclusief autochtoon)877.552

Nadere informatie

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

E-QUALITY KENNISCENTRUM VOOR EMANCIPATIE, GEZIN EN DIVERSITEIT. Vaderschap 2.0 Opvoedingsondersteuning voor vaders van nu

E-QUALITY KENNISCENTRUM VOOR EMANCIPATIE, GEZIN EN DIVERSITEIT. Vaderschap 2.0 Opvoedingsondersteuning voor vaders van nu E-QUALITY KENNISCENTRUM VOOR EMANCIPATIE, GEZIN EN DIVERSITEIT Vaderschap 2.0 Opvoedingsondersteuning voor vaders van nu Vaderschap 2.0 E-Quality 55 UIT DE PRAKTIJK 3.3 Interview met Arno Janssen en Caroline

Nadere informatie

MOEDERSCHAPSVERLOF GEBOORTEVERLOF OUDERSCHAPSVERLOF ADOPTIEVERLOF

MOEDERSCHAPSVERLOF GEBOORTEVERLOF OUDERSCHAPSVERLOF ADOPTIEVERLOF MOEDERSCHAPSVERLOF GEBOORTEVERLOF OUDERSCHAPSVERLOF ADOPTIEVERLOF WETTELIJKE BASIS i Arbeidswet van 16 maart 1971. Wet van 13 april 2011 tot wijziging, wat betreft de meeouders, van de wetgeving inzake

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 22 700 Leefvormen Nr. 23 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal s-gravenhage, 6 februari

Nadere informatie

B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf

B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf 7 Klemmende redenen van humanitaire aard Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.50

Nadere informatie

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden Permanente commissie Secretariaat van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, telefoon 31 (30) 297 42 14/43 28 telefax 31 (30) 296 00 50 e-mail cie.meijers@forum.nl postbus 201, 3500 AE Utrecht/Nederland

Nadere informatie

LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN

LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN Inleiding De laatste tijd is er veel publiciteit geweest rond scholen die hun leerlingen verboden gezichtsbedekkende kleding of een hoofddoek te dragen. Uit de discussies die

Nadere informatie

Universiteit Opleiding Cursus Beschrijving Link. Vaardigheidsonderwijs 2e jaar

Universiteit Opleiding Cursus Beschrijving Link. Vaardigheidsonderwijs 2e jaar Overzicht bachelorcursussen Dit overzicht geeft een groot aantal bachelorcursussen weer die aandacht besteden cultuur en/of gender op het gebied van gezondheidszorg. Het overzicht betreft cursussen uit

Nadere informatie

Lijst met publicaties van P.P.J. van der Meij

Lijst met publicaties van P.P.J. van der Meij Lijst met publicaties van P.P.J. van der Meij 2001 Annotaties bij: o Rechtbank Amsterdam 13 juni 1995, RR 366. o Hof Leeuwarden 7 april 1997, RR 430. o Rechtbank Rotterdam 8 april 1998, RR 471. o Hof Den

Nadere informatie

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl) Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl) Examen VWO Vragenboekje Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 19 mei 9.00 12.00 uur 20 03 Voor dit examen zijn

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Haar, Beryl Philine ter Title: Open method of coordination. An analysis of its

Nadere informatie

VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND (IRVK)

VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND (IRVK) VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND (IRVK) Artikel 3 IRVK 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk

Nadere informatie

Examen HAVO. Nederlands

Examen HAVO. Nederlands Nederlands Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Dinsdag 20 juni 13.30 16.30 uur 20 06 Vragenboekje Voor dit examen zijn maximaal 47 punten te behalen; het examen bestaat uit 22 vragen

Nadere informatie

Samenvatting. Aanleiding voor het onderzoek

Samenvatting. Aanleiding voor het onderzoek Samenvatting Aanleiding voor het onderzoek Het nationale bestuursrecht is van oudsher verbonden met het territorialiteitsbeginsel. Volgens dat beginsel is een autoriteit alleen bevoegd op het grondgebied

Nadere informatie