Samenvatting Economie Lesbrief de Arbeidsmarkt

Save this PDF as:
Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Samenvatting Economie Lesbrief de Arbeidsmarkt"

Transcriptie

1 Samenvatting Economie Lesbrief de Arbeidsmarkt Samenvatting door een scholier 2109 woorden 16 jaar geleden 7,3 23 keer beoordeeld Vak Economie Hoofdstuk 1: De arbeidsmarkt op 1.2 Het aanbod van arbeid Het aanbod van arbeid bestaat uit alle mensen tussen de 15 en 65 die willen, kunnen en mogen werken (beroepsbevolking). De beroepsbevolking bestaat uit de werklozen, de werknemers en de zelfstandigen. Totale bevolking Jonger dan 1515 tot ers Beroepsbevolking niet-beroepsbevolking Werkzaam Werkloos Zelfstandigen Werknemers Het deelnemingspercentage of participatiegraad is het aantal % van de beroepsbevolking wat ook echt werkt. Deelnemingspercentage= Beroepsbevolking x 100 Beroepsgeschikte bevolking De beroepsbevolking in Nederland blijft stijgen door de demografische groei en de maatschappelijke opvattingen. Als er in een tijd een goede economie is, is er het aanzuigeffect: de arbeidsmarkt zuigt aanbod van arbeid aan. In tijden van economische teruggang krijg je het ontmoedigingseffect: het aanbod van arbeid loopt terug. Ook de wet speelt in op het arbeidsaanbod door de leerplicht. Tenslotte beïnvloedt de organisatie van het arbeidsproces ook het arbeidsaanbod. 1.3 De vraag naar arbeid De totale vraag naar arbeid bestaat uit de werknemers, de zelfstandigen en de openstaande vacatures. De vraag naar arbeid wordt beïnvloedt door de stand van de techniek. Aan de ene kant kan de kapitaalintensiviteit van een bedrijf stijgen zodat er minder arbeiders nodig zijn. Aan de andere kant zijn er ook weer mensen nodig die de nieuwe goederen en diensten produceren. Ook de loonkosten beïnvloeden de vraag naar arbeid, stijgt deze dan daalt de vraag naar arbeid. 1.4 De arbeidsmarkt Een concrete markt is een markt waar vragers en aanbieders elkaar echt ontmoeten. Een abstracte markt Pagina 1 van 6

2 omvat het geheel zonder dat er een plaats is waar de vragers en aanbieders elkaar ontmoeten. De werkgelegenheid bestaat uit alle werknemers en zelfstandigen. Met een arbeidsjaar wordt en werknemer bedoelt met een volledige baan. Loon komt tot stand op de arbeidsmarkt. Bij een krappe arbeidsmarkt is er sprake van een grotere vraag naar arbeid dan het aanbod. Bij een ruime arbeidsmarkt is dat andersom. Er is niet 1 grote arbeidsmarkt maar er zijn verschillende deelmarkten. 1.5 Arbeidsmarkt in de praktijk Naast opleiding zijn ook andere dingen belangrijk voor je carrière. Zo is er volgens sommige discriminatie op de arbeidsmarkt Hoofdstuk 2: Loondienst of zelfstandig 2.1 De ene baas is de andere niet Als je een bedrijf wilt beginnen moet je een rechtsvorm kiezen. Er zijn 4: 1. De eenmanszaak: Je moet zelf voorgenoeg startvermogen zorgen en je bent met ook privé aansprakelijk. Een voordeel is dat alle winst voor jezelf is. Een eenmanszaak kan wel 1000 werknemers in loondienst hebben. 2. De vennootschap onder firma (VOF): Hierbij zijn meerdere eigenaren en hebben ze allemaal een eigen inleg. Ook leden van een VOF zijn met hun privé aansprakelijk ook kan alle schuld op 1 lid worden verhaald. Ook kun je meer lenen bij de bank. 3. De besloten vennootschap (BV) en de naamloze vennootschap (NV): Er is een scheiding tussen de leiding en de eigenaren. De eigenaren zijn niet met hun privé-vermogen aansprakelijk. De aandeelhouders zijn de eigenaren van een BV en NV. Een aandeel is ene eigendomsbewijs van een bedrijf. Als aandeelhouder ontvang je een deel van de winst:het dividend. Bij een BV staan de aandelen op naam, en zijn in handen van 1 of enkele directeuren-grootaandeelhouders(dga s). Zij hebben ook de dagelijkse leiding over het bedrijf. Als het bedrijf failliet gaat zijn zij alleen het ingelegde geld kwijt. Bij een NV staan de aandelen niet op naam en zijn vrij verhandelbaar. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd voor de Raad van Commissarissen die de Raad van Bestuur controleert (directeuren). 2.2 De arbeidsovereenkomst Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer. In een individuele arbeidsovereenkomst worden het loon en de arbeidstijd vastgesteld. Voor het overige wordt verwezen naar het Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO).In een CAO worden afspraken gemaakt voor groepen werknemers en werkgevers in dezelfde bedrijfstak, dat omvat alle bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort productie. Namens de werknemers onderhandelen de vakbonden die noemen we ook wel werknemersbonden of vakverenigingen. Namens de werkgevers onderhandelen de werkgeversbonden. De organisatiegraad van de werkgevers is bijna 100% terwijl dat van de werknemers veel lager ligt. Toch geldt een CAO voor alle werknemers in een bedrijfstak. Tot de primaire arbeidsvoorwaarden rekenen we het loon en de normale arbeidstijd, de secundaire arbeidsvoorwaarden zijn vakantieregelingen, de duur van de pauze enz. Pagina 2 van 6

3 2.3 Het centraal akkoord De Rijksbegroting is een overzicht van inkomsten en uitgaven van de overheid. De miljoenennota is een soort samenvatting hiervan. De overheid heeft veel invloed op de koopkracht door de belasting. Als de rijksbegroting bekend is gaan de vakcentrales en de werkgeverscentrales om de tafel zitten voor de arbeidsvoorwaarden. De vertegenwoordigers van de centrales overleggen samen in de Stichting van de Arbeid dit noemen we ook wel centraal overleg, dat wordt gevoerd door de centrales van werkgevers- en werknemersorganisaties. In plaats van werkgevers en werknemers gebruiken we vaak de term sociale partners. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan een CAO Algemeen Verbindend Verklaren (AVV) zodat het voor alle bedrijven geldt dus ook voor de werkgevers die niet aangesloten zijn bij een werkgeversbond. Hoofdstuk 3: De strijd om de poen. 3.1 Loon in de ogen van de werknemers. Voor een werknemer is loon het inkomen en voor de werkgever een kostenpost. Een loonstijging die bedoeld is om het effect van de inflatie (algemene stijging van het algemene prijspeil) teniet te doen noemen we prijscompensatie. Zou deze er niet zijn dan zou de koopkracht dalen. De stijging van de arbeidsproductiviteit is o.a. te wijten aan de mechanisering (machines) en automatisering(computers, robots, e.d.) een andere reden is de arbeidsverdeling en specialisatie. Een andere oorzaak is scholing daardoor kunnen werknemers meer produceren per tijdseenheid. Een loonstijging die uitgaat van het apt is een initiële loonstijging. Bij een initiële loonstijging kijkt men naar het landelijke gemiddelde omdat in quartaire sectoren de mogelijkheden om de apt te vergroten zeer klein zijn. De prijscompensatie houdt de koopkracht op pijl maar stijgt niet daarvoor is de initiële loonstijging. Er is ook nog incidentele loonstijging zoals promotie. Prijscompensatie en initiële loonstijging worden afgesproken in een CAO. De verkorting van de werkweek is een vorm van arbeidstijdverkorting (ATV). Als je ATV krijgt krijg je meestal geen loonsverhoging in geld maar in vrije tijd uitbetaald. Loonstijging Prijscompensatie Initiële loonstijging ATV 3.2 Loon in de ogen van de werkgever Bedrijven zien lonen als een kostenpost, hoe hoger de lonen, hoe hoger de winst. De omzet (totale opbrengst) is gelijk aan de afzet maal de verkoopprijs. De winst is het verschil tussen de omzet en e kosten. Als een loonstijging groter is dan de stijging van de apt, stijgen de loonkosten per product, andersom kan natuurlijk ook. Sommige ondernemers zullen de prijzen verhogen, of niet dan zal de winst dalen. Een andere mogelijkheid is om te verhuizen naar lagelonenlanden. De substitutie van arbeid door kapitaalgoederen betekent dat de loonkosten per product dalen. De concurrentiepositie van Nederland verslechterd als de prijzen blijven stijgen. 3.3 Loon: kosten of koopkracht? Hogere lonen kunnen leiden tot lagere winsten toch zijn er ook voordelen. Er zijn 4 gevolgen voor hogere lonen: Pagina 3 van 6

4 1. Arbeid vervangen door kapitaalgoederen 2. Productie naar het buitenland verplaatsen 3. een prijsstijging en daarmee een verslechtering van de concurrentiepositie 4. Dalende winstgevendheid Hogere lonen kunnen ertoe leiden dat de koopkracht stijgt, daardoor stijgt de afzet en dus de werkgelegenheid. 3.4 Loonstijging in de praktijk Door hogere prijzen, als gevolg van de loonstijging, stijgt de omzet en is er dus meer ruimte voor loonsverhoging. Hoofdstuk 4: Wie doet het werk? 4.1 Werkgelegenheid in Nederland Primaire sector: landbouw. Secundaire sector: nijverheid. Tertiaire sector: commerciële dienstverlening. Quartaire sector: overige dienstverlening. 4.2 Verschuivingen in de werkgelegenheid productie = arbeidsproductiviteit x werkgelegenheid werkgelegenheid = productie / arbeidsproductiviteit arbeidsproductiviteit = productie / werkgelegenheid Door een stijging van de arbeidsproductiviteit kan de welvaart stijgen. Het vernieuwen van producten en productieprocessen noemen we innovatie. Telkens leiden verschuivingen op korte termijn tot werkloosheid. Op termijn groeit de werkgelegenheid in andere bedrijfstakken of sectoren of ontstaan er nieuwe. De apt was 100 jaar geleden vele malen lager dat komt doordat bedrijven investeren, het kopen van kapitaal door bedrijven. Als een gezin goederen of diensten koopt noemen we dit consumeren. Door een analyse van de kosten kan een bedrijf nagaan welke productiemethode goedkoper is. Als een bedrijf kapitaal koopt en zo de arbeid wil vervangen dan wordt de productie kapitaalintensiever(er is meer kapitaal in verhouding tot de arbeiders). Een diepte-investering: een arbeidsbesparende investering die tot gevolg heeft dat de apt stijgt. Bij een breedte-investering komt er wel nieuwe kapitaal maar blijft de apt gelijk. De productiecapaciteit is de maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden. Schaalvoordelen zijn voordelen die je hebt als de productieomvang stijgt, de kosten per product dalen. Hogere lonen kunnen leiden tot vervanging van arbeid door machines en daarmee tot werkloosheid. 4.4 Hier of daar Er zijn 2 manieren waarop productie naar het buitenland kan worden verplaatst. De 1e is het sluiten van een vestiging in Nederland en gelijktijdig openen van een vergelijkbare vestiging in Japan. Ook kan het zo zijn dat bedrijven hier worden weggeconcurreerd door bedrijven uit lagelonenlanden. Onder concurrentiepositie verstaan we het vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten. Op korte termijn leiden de loonstijgingen tot werkloosheid, op langere termijn zie je een verschuiving van de werkgelegenheid. Pagina 4 van 6

5 4.5 Hoge lonen, meer bestedingen Als de lonen zouden dalen zou de koopkracht afnemen, de afzet dalen en zouden er dus minder werknemers nodig zijn. De hoeveelheid goederen en diensten die gezinnen vragen hangt af van het inkomen dat de gezinnen verdienen. Hoofdstuk 5: Werkloosheid 5.2 Werkloosheid gemeten Werkloosheid kun je op verschillende manieren meten. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gebruikt de volgende definitie voor de werkloosheid: Werkloosheid zijn mensen van 16 tot 64 jaar, die niet of minder dan 12 uur per week werken, en die werk zoeken voor minstens 12 uur per week, en die staan ingeschreven bij een CWI, en die binnen 2 weken aan de slag kunnen als er een geschikte baan voor ze is. Het Centraal Bureau voor de Statistiek(CBS) publiceert ook cijfers over de werkloze beroepsbevolking daaronder verstaan ze: Personen van 15 tot en met 64 jaar, die verklaren tenminste 12 uur per week te willen werken, en die daarvoor beschikbaar zijn, en die activiteiten ontplooien om werk voor tenminste 12 uur per week te vinden. Verborgen werklozen zijn de werklozen die niet staan ingeschreven bij het CWI. In een periode dat het goed gaat met de economie vermindert het aantal verborgen werklozen door het aanzuigeffect. Het aanbod van arbeid neemt dan toe. In een tijd dat van economische teruggang gebeurt het omgekeerde. Het aantal verboren werklozen neemt toe doordat het aanbod van arbeid afneemt. We spreken dan van het ontmoedigingseffect. We kennen ook verborgen werkgelegenheid is werkgelegenheid die niet in de officiële cijfers tot uiting komt, voorbeelden daarvan zijn zwart werk en vrijwilligerswerk. 5.3 Oorzaken van werkloosheid Er zijn verschillende soorten werkloosheid zoals: Frictiewerkloosheid: Dat is de tijd die iemand nodig heeft om de juiste baan te vinden na een vorige baan of opleiding. Seizoenswerkloosheid: Bepaalde bedrijven hebben werknemers voor een seizoen omdat er dan bijvoorbeeld toeristen zijn. Kwalitatieve structuurwerkloosheid: Mensen die wel willen werken maar ze hebben de verkeerde opleiding of ze wonen in het verkeerde deel van het land. Kwantitatieve structuurwerkloosheid: Dit betekent dat er te weinig kapitaalgoederen zijn ten opzichte van de aangeboden hoeveelheid arbeid. Conjunctuurwerkloosheid: Wanneer de be stedingen laag zijn in relatie tot de productiecapaciteit wordt er weinig geproduceerd en worden er mensen ontslagen. De bezettingsgraad is het deel van de totale capaciteit wat gebruikt wordt. Bezettingsgraad = werkelijke productie / productiecapaciteit x 100% De effectieve vraag is de totale vraag naar alle goederen en diensten die ene land produceert bij elkaar opgeteld. Pagina 5 van 6

6 5.4 Het bestrijden van werkloosheid Maatregelen tegen: Conjunctuurwerkloosheid: De overheid kan meer besteden door bijvoorbeeld het aanleggen van wegen. Ook kunnen ze de belasting laten dalen zodat de koopkracht groter wordt, en de effectieve vraag stijgt. Kwalitatieve structuurwerkloosheid: Er zouden omscholingsprojecten moeten komen zodat mensen de juiste opleiding krijgen. Ook kunnen er verhuissubsidies en reiskostenvergoedingen worden gegeven. Kwantitatieve structuurwerkloosheid: Een belangrijk element is het verlagen van de arbeidskosten. De wig is het verschil tussen je bruto-inkomen en netto-inkomen. 5.5 Deeltijd, ATV en flexibilisering De overheid stimuleert deeltijd banen omdat er dan meer mensen in een volledige baan passen. De werkgelegenheid in arbeidsjaren verandert hierdoor niet, maar de werkloosheid in personen kan wel dalen. De arbeidstijd is het aantal uren dat een werknemer met een volledige baan per week werkt. De bedrijfstijd geeft aan hoeveel uren per week een bedrijf draait.als je de arbeidstijd verkort en de bedrijfstijd vergroot gaan deze 2 tegelijk hand in hand. Werk is voor veel mensen belangrijk, maar als vrije tijd is ook lekker maar daar staat wel tegenover dat je ene laag, of zelfs geen, inkomen ontvangt. Door ATV stijgt de werkgelegenheid in personen. Als alle uren dat het personeel minder gaat werken nieuwe mensen worden aangetrokken is er sprake van volledige herbezetting. Door werknemers flexibel in te kunnen zetten dalen de arbeidskosten en kan de werkgelegenheid toenemen. Het verschil tussen deeltijdwerk en flexibel werk is dat bij flexibel werk et aantal uren dat je per week werkt niet vastligt. Een voorbeeld van iemand met een flexibele arbeidsduur, is een oproepkracht. Pagina 6 van 6