Inhoud. colofon. Autisme in de DSM-5. Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis: interpretatie in het kader van de DSM-5

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inhoud. colofon. Autisme in de DSM-5. Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis: interpretatie in het kader van de DSM-5"

Transcriptie

1

2 colofon Het Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme Theorie en praktijk is een uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Autisme, de NVA, en komt 4 keer per jaar uit. Het blad verschijnt onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke redactie. Website Oplage 2200 Redactie Prof. dr. J.J. van der Meere (voorzitter) Drs. M.A.T. Hansen Dr. G.J. Nijhof Drs. A. van der Sijde Drs. A.M.M. van der Reijken Redactiesecretaris C. Weber Abonnee-administratie Voor vragen, aanmeldingen of anderszins m.b.t. eern abonnement kunt u contact opnemen met de NVA via: Opzeggen van het abonnement kan uiterlijk 1 maand voor het begin van de nieuwe abonne mentsperiode. De abonnementsperiode wordt iedere 3 maanden stilzwijgend verlengd, dus per 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van ieder jaar. Opzegging dient schriftelijk of per te gebeuren bij: Ledenadministratie NVA-WTA, Weltevreden 4c, 3731 AL De Bilt of Redactieadres Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme Weltevreden 4c, 3731 AL De Bilt Telefoon Fax Voor het aanbieden van bijdragen en inhoudelijke reacties: en c.c. aan Vormgeving LandGraphics, Amsterdam Druk Van Liere, full service: drukken en printen, Emmen ISSN Wetenschappelijke adviesraad Dr. S. Begeer Prof. dr. J.K. Buitelaar Prof. dr. H. van Engeland Prof. dr. M.J. Haveman Prof. dr. R.C.M. Hennekam Prof. dr. C. Schuengel Prof. dr. F.O.P. Verheij Inhoud Autisme in de DSM-5 In dit artikel worden de veranderingen in de criteria voor autisme gedetailleerd beschreven. Ook de gevolgen voor diagnostiek en behandeling komen aan de orde. Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis: interpretatie in het kader van de DSM-5 Er zijn zorgen rondom de invoering van de DSM-5 met name als het gaat om de vraag of mensen met PDD-NOS en een gemiddelde tot hoge intelligentie nog wel de diagnose autismespectrumstoornis kunnen krijgen. Maar is die angst terecht? De auteurs nuanceren dit beeld. Verkenning van repetitief gedrag: wie past waar in de DSM-5? Na verkennend, beschrijvend onderzoek komen in deze bijdrage auteurs tot de voorzichtige conclusie dat met de overgang naar de DSM-5 het er op lijkt dat voor de meeste kinderen met de stoornis van Asperger of PDD-NOS hun diagnose niet in gevaar komt. Autismespectrumstoornissen bij meisjes en vrouwen In de DSM-5 is sensorische gevoeligheid opgenomen als één van de symptomen binnen het domein van repetitief en stereotiep gedrag. Auteurs beargumenteren dat dit recht doet aan meisjes en vrouwen met ASS, vooral omdat deze op dit gebied vaak hoge lijdensdruk ervaren. Een nieuw instrument voor sensorische gevoeligheid Auteurs onderzoeken de vraag of de bestaande Vragenlijst voor Sensorische Gevoeligheid (Lever & Geurts, 2012) een bruikbaar instrument is. Deze vraag is actueel in verband met de entree van sensorische gevoeligheid binnen de DSM-5. Voorzien van een aantal randvoorwaarden en kanttekeningen komen schrijvers tot de conclusie dat het onderzoek naar sensorische gevoeligheden binnen de klinische praktijk met dit instrument gediend kan zijn. DSM-5: een zegen of een vloek? Epiloog van prof. dr. R.J. van der Gaag. Uitgever Nederlandse Vereniging voor Autisme Copyright NVA 2013 Advertenties in -en mogelijk bijgevoegde brochures bij- dit blad vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de redactie. 38 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

3 Geachte lezers, Dit nummer is geheel gewijd aan de introductie van de nieuwe DSM. Met name dank ik Ad van der Sijde voor zijn grote inzet bij de totstandkoming van dit nummer. Veel wetenschappers en clinici staan sceptisch tegenover de DSM. Immers, veel van de categorieën die psychiaters al jaren gebruiken zijn problematisch. De differentiaal diagnose blijft moeilijk en naar de etiologie en pathofysiologische processen van menige categorie blijft het gissen. Maar is er een alternatief? Het genetisch onderzoek en de beeldvormingstechnieken hebben nog geen biomarkers opgeleverd die klinisch zinvol zijn waardoor we aangewezen blijven op het DSM kookboek. Mijns inziens is de kern van het probleem dat veel psychiatrische problemen feitelijk een dimensionele benadering behoeven en dat de klinische cut-off bepaald zou moeten worden door achterliggende vragen. Zo zal de drempel ongetwijfeld anders gepositioneerd zijn bij etiologische research vergeleken met vragen rond klinisch relevantie. Bij het laatstgenoemde kan een te stringente definitie van clustering van symptomen leiden tot zogenaamde diagnostische wezen: kinderen die feitelijk zorg behoeven en toch buiten een classificatie vallen. Wij laten een aantal experts aan het woord die elk op hun beurt aannemelijk maken wat de gevolgen zijn van de DSM-5-categorisering inzake het autismespectrum. Een en ander afgesloten door een epiloog van Rutger-Jan van der Gaag waarin deze talloze misstanden met vaste hand fileert waarna hij aangeeft hoe de DSM-5 gepast gebruikt zou moeten worden. Ad van der Sijde weet ook positieve kanten van de DSM-5 te noemen zoals de toegenomen aandacht voor de diagnostiek van autismespectrumstoornissen op volwassen leeftijd. Ook de bijdragen van Lever en Geurts en van Spek en Goosen belichten voordelen van de nieuwe DSM: zoals het opnemen van het criterium sensorische gevoeligheid. Het onderzoek van Kirstin Greaves-Lord en collega s geeft profielen van kinderen die niet goed zouden passen binnen de nieuwe criteria en daarmee mogelijkerwijs de diagnostische wezen van morgen kunnen zijn. Ter voorkoming hiervan suggereren Geerte Slappendel en collega s dat voor bedoelde kinderen de diagnose Sociale Communicatie Stoornis een mogelijk passend alternatief zou kunnen zijn. Wij zijn de schrijvers van alle bijdragen inzake de introductie van de DSM-5 zeer erkentelijk. Het WTA maakt zich op voor het augustusnummer met zoals gebruikelijk veel aandacht voor research ten behoeve van het opwaarderen van de nosologie inzake ASS. Jaap van der Meere, voorzitter van de redactie Promoten van wetenschappelijk onderzoek Een van de doelstellingen van de redactie is het promoten van wetenschappelijk onderzoek in relatie tot autisme. In dat kader heeft de redactie een aanmoedigingsprijs ingesteld. In het jaar 2013 nodigt de redactie junior-onderzoekers (master-studenten, AIO-ers en mensen werkzaam in de zorg) weer uit om relevante kopij voor dit tijdschrift aan te leveren. De ingezonden stukken zullen door de wetenschappelijke adviesraad in samenwerking met de redactie worden beoordeeld. Omvang van de kopij: maximaal 20 A4. Voor de algemene aanleveringvoorwaarden zie de website De meest gewaardeerde bijdrage zal aan het begin van het jaar 2014 worden gewaardeerd met een geldbedrag van 500,--. Daarnaast zal de betrokken scribent worden uitgenodigd een openbare lezing te houden op het Nationaal Autisme Congres. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

4 begrippen. Voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en de communicatie tussen clinici is dit van groot belang geweest. Het is onmiskenbaar dat de betrouwbaarheid van de classificerende diagnostiek is toegenomen. Er is echter ook al jaren kritiek op de DSM. Het zou de diagnostiek in de psychiatrie hebben verarmd en hebben geleid tot een soort van kookboekpsychiatrie ( lijstjes scoren ). Ook het systeem van Diagnose Behandel Combinaties waarbij de diagnose gekoppeld wordt aan een specifieke behandeling en bijbehorende financiering heeft geleid tot verarming van de psychiatrische diagnostiek, omdat er te veel van uitgegaan is dat diagnostiek hetzelfde is als classificeren. De ontwikkeling van de DSM-5 heeft 14 jaar in beslag genomen. Bij de totstandkoming van de DSM-5 is er weer veel kritiek geweest, onder andere op de onafhankelijkheid van de werkgroepen en op de validiteit van de classificaties. Discussies die oplaaien gaan soms over nieuwe, maar meestal over terugkeeerste verkenningen Autisme in de DSM-5 Ad van der Sijde Samenvatting Summary Met de introductie van de DSM-5 die op 17 mei 2013 werd gelanceerd veranderen de criteria voor autisme. De pervasieve ontwikkelingsstoornissen uit de DSM-IV-TR worden alle onder één noemer gebracht: autismespectrumstoornis. De veranderingen in de DSM-5 worden gedetailleerd beschreven en de achtergrond van deze veranderingen wordt toegelicht. Verder wordt er stil gestaan bij de gevolgen voor diagnostiek en behandeling. Criteria for autism change with the introduction of the DSM-5 in The different pervasive developmental disorders of the DSM-IV-TR disappear and are brought together in one category: Autism Spectrum Disorder (ASD). The changes in the DSM-5 are described in detail and the background of these changes is explained. Furthermore we look at the implications for diagnosis and treatment. In het afgelopen jaar is al veel gesproken en geschreven over de DSM-5 als opvolger van de DSM-IV-TR, het classificatiehandboek van de American Psychiatric Association (APA, 2000) voor psychiatrische stoornissen. De DSM-5 wordt dimensioneler van aard en dit heeft gevolgen voor classificatie van verschillende psychiatrische diagnoses. In dit artikel zullen we ons concentreren op de veranderde classificatieregels voor de groep van de pervasieve ontwikkelingsstoornissen. De DSM-5 werd in mei 2013 op het APA congres in San Francisco gepresenteerd. Achtergrond van de DSM en de DSM-5 De ontwikkeling van een betrouwbaar classificatiesysteem voor de psychiatrie is een belangrijke stap geweest in de ontwikkeling van het vakgebied (van Hemert en Terluin, 2012). De eerste DSM deed zijn intrede in Inmiddels zijn we na de DSM-IV en de DSM- IV-TR toe aan een opnieuw herziene editie, de DSM-5. De DSM heeft gezorgd voor eenheid van psychiatrische 40 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

5 autisme in de DSM-5 rende thema s. Thema s van discussie zijn de volgende: Er bestaat angst voor medicalisering van de samenleving door het versoepelen van criteria en het introduceren van nieuwe stoornissen. Ook wordt gesuggereerd dat er sprake is van lobby door de farmaceutische industrie. Vanuit de antropologie en neurobiologie is er ook kritiek. De DSM houdt te weinig rekening met de context, bijvoorbeeld bij de interpretatie van epidemiologische data. De DSM ziet cultureel bepaalde fenomenen en een dimensionele benadering van kenmerken van stoornissen over het hoofd. Er wordt bij de classificatie te weinig rekening gehouden met cultuurverschillen in gedrag. Stoornissen worden over-gespecificeerd en co-morbiditeit wordt kunstmatig opgevoerd (de Jong, 2012). Verder vindt men de DSM te categoriaal, en te weinig oog hebben voor de ontwikkeling van psychiatrische stoornissen over de levensloop. Kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen ontwikkelen zich over de loop van de tijd. De criteria voor kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen zijn echter te veel geënt op de kinderleeftijd (bij voorbeeld ADHD en autisme) en zijn onvoldoende toepasbaar op adolescenten en volwassenen. Ook is er te weinig aandacht voor geslachtsverschillen bij het beschrijven van de symptomen van de diverse stoornissen. Onlangs verscheen in het Tijdschrift voor Psychiatrie (2012/11) een aantal artikelen over stagering en profilering van psychiatrische stoornissen naar analogie van de somatische stoornissen. Dit is een zinnige poging om de psychiatrische diagnostiek weer meer inhoud te geven. Dit proces staat voor de kinder- en jeugdpsychiatrie nog in de kinderschoenen. Het ingewikkelde is dat de ernst van de problematiek niet alleen door kind-factoren maar ook door contextuele factoren wordt bepaald. Dat maakt stageren bij autisme een stuk moeilijker dan in de oncologie. Diagnostiek is niet hetzelfde als classificeren. Diagnostiek is het hart van elk medisch specialisme (Beekman, van Os, van Marle en van Harten, 2012). Bij het stellen van een diagnose is het noodzakelijk om inhoudelijke afwegingen te maken, die betrekking hebben op de voorgeschiedenis, de beloopsaspecten van de problematiek en de actuele context. De a-theoretische benadering van de DSM biedt daarvoor tot op heden onvoldoende aanknopingspunten. Door de psychiatrische diagnose los te maken van de levensomstandigheden van de patiënt verliest zij haar betekenis (van Hemert en Terluin, 2012). Dus voor een zinvol gebruik van de classificatiesystemen moeten in de klinische praktijk, naast de syndroomcriteria, steeds ook de context van de patiënt, de voorgeschiedenis, het ziektebeloop, de familieanamnese, functionele beperkingen, de ernst van de psychopathologie en etiologische overwegingen bij de diagnostiek betrokken worden. De voorgestelde veranderingen in de DSM-5 zijn een poging om in ieder geval aan een deel van de bovenbeschreven kritiek tegemoet te komen. De werkgroep neurodevelopmental disorders (Swedo et al., 2012) van de APA heeft haar uiterste best gedaan de criteria voor pervasieve ontwikkelingsstoornissen op wetenschappelijk verantwoorde wijze te veranderen en nauwkeuriger te omschrijven. De werkgroep heeft de groep van de pervasieve ontwikkelingsstoornissen onder één noemer gebracht, namelijk die van de autismespectrumstoornis. De term Autismespectrumstoornis wordt al jarenlang als verzamelnaam voor alle pervasieve ontwikkelingsstoornissen gebruikt en is ook in Nederland goed ingeburgerd. De vraag is of de poging van de werkgroep om de criteria voor autismespectrumstoornis nader te preciseren en aan te scherpen geslaagd is. De huidige DSM-IV-TR De DSM-IV-TR (APA, 2000) beschrijft een meer-assig systeem voor de classificatie van psychische stoornissen. Er worden 5 assen onderscheiden. Deze assen zijn: AS I Klinische stoornissen/andere aandoeningen en problemen die een reden voor zorg kunnen zijn AS II Persoonlijkheidsstoornissen/Zwakzinnigheid AS III Somatische aandoeningen AS IV Psychosociale en omgevingsproblemen AS V Algehele beoordeling van het functioneren (Globaal Algemeen Functioneren (GAF). Belangrijke veranderingen in de DSM- 5: Het meer-assige systeem verdwijnt. As I, II en III worden gecombineerd in één diagnostische beschrijving. Er kunnen aparte notities worden gemaakt om psychosociale en contextuele factoren te beschrijven. Dit geldt ook voor het beschrijven van de beperkingen die de stoornis met zich brengt. De kinder- en jeugdstoornissen als aparte categorie verdwijnt. De Lifespan Developmental Approaches Study Group, ziet iedere stoornis als continuüm vanaf de kindertijd. Er is meer aandacht voor de vraag hoe symptomen die hun oorsprong hebben in de kinderleeftijd op de volwassen leeftijd tot uiting komen. Ook is er meer aandacht voor culturele verschillen in expressie en prevalentie van stoornissen. Er is gekozen voor een dimensionele benadering; er Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

6 autisme in de DSM-5 komen dimensies naast categorieën. De DSM-5.0 sluit aan op de ICD-11. De DSM-5.0 wordt gezien als een levend document. Dit komt tot uiting in de notering 5.0 i.p.v. V. De veranderingen in de DSM-5 op het gebied van autisme De naamgeving verandert: In plaats van pervasieve ontwikkelingsstoornissen, wordt gesproken van autismespectrumstoornis. De voormalige diagnostische classificaties, autistische stoornis, stoornis van Asperger, en pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven worden vervangen door één overkoepelende classificatie namelijk: autismespectrumstoornis. De stoornis van Rett en de desintegratiestoornis van de kinderleeftijd verdwijnen als aparte classificatie uit de categorie autismespectrumstoornis. De hoofdgroepen (domeinen) van criteria voor autismespectrumstoornis worden teruggebracht van drie naar twee. De hoofdgroepen kwalitatieve tekortkomingen in sociale interacties en communicatie worden samengevoegd tot één hoofdgroep. De tweede hoofdgroep is stereotiepe patronen van gedrag. De hoofdgroepen worden in dit artikel verder aangeduid met domeinen. De eerste als domein A en de tweede als domein B. Het aantal symptoomcriteria is teruggebracht van 12 naar 7. Er moet nu aan alle 3 criteria in het domein van sociale interacties en communicatie worden voldaan. In het domein van sociale interacties en communicatie zijn oude (overlappende) criteria samengevoegd. In het domein van sociale interacties en communicatie is het criterium over afwijkende taalontwikkeling vervallen. In het domein van sociale interacties en communicatie is het criterium van afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel of sociaal imiterend spel vervallen. In het domein van de stereotiepe patronen van gedrag moet aan ten minste twee van de vier criteria worden voldaan. In het domein van stereotiepe patronen van gedrag zijn nu ook criteria over taalstereotypie opgenomen. In het domein van de stereotiepe patronen van gedrag is over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels opgenomen. Er worden niveaus van ernst aangegeven. Er komt een nieuwe classificatie die niet onder de autismespectrumstoornis gaat vallen: de sociaalcommunicatieve stoornis. Deze wordt ingedeeld bij de hoofdgroep neuropsychiatrische ontwikkelingsstoornissen. ADHD mag als nevendiagnose worden geclassificeerd. In de tabel op de volgende pagina ziet u de oude DSM-IV-TR criteria voor autistische stoornis. De criteria voor de stoornis van Asperger en PDDNOS worden verder niet meer besproken, daar deze afgeleid zijn van de autistische stoornis. In de tabel is in cursieve tekst aangegeven welke criteria aan verandering onderhevig zijn. Daarna volgt de tabel met de DSM-5 criteria (APA, 2012) voor autismespectrumstoornis. Daaronder volgt een tabel met niveaus van ernst (APA, 2012) zoals die in de DSM-5 aangegeven moeten worden bij de autismespectrumstoornis. Achtergrond en commentaar bij de veranderingen in de DSM-5 De reden om te komen tot een overkoepelende diagnose autismespectrumstoornis is grotendeels gebaseerd op het feit dat zelfs heel ervaren clinici niet in staat zijn een betekenisvol onderscheid te maken tussen de in de DSM-IV-TR beschreven subtypes (Zwaigenbaum, 2012). Voor een deel heeft dit te maken met het feit dat er geen consensus bestaat hoe prototypische gevallen van de stoornis van Asperger die ook voldoen aan de criteria voor autistische stoornis moeten worden geclassificeerd. Voor een ander deel heeft het te maken met het ontbreken van specifieke criteria voor de pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven (PPDNOS) waardoor de afgrenzing ten opzichte van de neurotypische ontwikkeling problematisch was en er mogelijk ook sprake was van overdia gnostiek. Verder bestond de mening dat de desintegratieve stoornis van de kinderleeftijd en de stoornis van Rett in plaats van op basis van gedrag en aparte specifieke criteria ingedeeld konden worden bij de pervasieve ontwikkelingsstoornissen, beter op basis van hun specifieke etiologie konden worden ingedeeld bij kinderen met ander erfelijke afwijkingen zoals bij voorbeeld het Fragiele X syndroom (Zwaigenbaum, 2012). Deze verandering wordt door veel clinici als positief ervaren, daar de indeling van de DSM-IV-TR leidde tot veel academische discussies zonder dat de keuze voor een van de subtypes gevolgen had voor de behandeling. Ook was er veel verwarring omdat aan de verschillende subtypes het label ernstig of licht werd 42 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

7 autisme in de DSM-5 Tabel 1 Autistische stoornis (DSM-IV-TR) met wijzigingen in DSM-5 in vetgedrukt cursief A. Een totaal van zes (of meer) items van 1), 2), en 3) met ten minste twee van 1), en van 2) en 3) elk één: 1. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties zoals blijkt uit ten minste TWEE van de volgende criteria: a. Duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende vormen van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen, en gebaren om de sociale interactie te bepalen. Blijft. Anders geformuleerd. b. Er niet in slagen met leeftijdgenoten tot relaties te komen, die passen bij het ontwikkelingsniveau. Iets meer genuanceerd en meer dimensioneel geformuleerd. c. Tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bv. het niet laten zien, brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn). Anders geformuleerd en samengevoegd met d en A 2) b. d. Afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid. Minder absoluut, meer dimensioneel geformuleerd. Samengevoegd met c. 2. Kwalitatieve beperkingen in de communicatie zoals blijkt uit ten minste EEN van de volgende criteria: a. Achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van de gesproken taal (niet samengaand met een poging dit te compenseren met alternatieve communicatiemiddelen zoals gebaren of mimiek). Vervallen. b. Bij individuen met voldoende spraak duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden. Anders geformuleerd en samengevoegd met A 1) c en d. c. Stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik. Verschoven naar domein stereotiep en repetitief gedrag. d. Afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel ( doen-alsof spelletjes ) of sociaal imiterend spel ( nadoen spelletjes) passend bij het ontwikkelings niveau. Vervallen. 3. Beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit ten minste EEN van de volgende criteria: a. Sterke preoccupatie met 1 of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal zijn ofwel in intensiteit ofwel in richting. b. Duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen. Blijft. Wel ruimer en iets anders geformuleerd. c. Stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bv. fladderen of draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam). Samengevoegd met A 2) c. en A 3) d. d. Aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen. Samengevoegd met c. B. Achterstand in of abnormaal functioneren op ten minste één van de volgende gebieden met een begin voor het derde jaar: 1. sociale interacties 2. taal zoals te gebruiken in sociale communicatie, of 3. symbolisch of fantasiespel. Anders en minder streng geformuleerd. C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan de stoornis van Rett of een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd. Vervallen. gekoppeld. Klassiek autisme werd dan als ernstig betiteld en PDDNOS en de stoornis van Asperger werden als lichtere stoornissen gezien. De lijdensdruk en de beperkingen die zij in het dagelijks leven ervaren zijn bij mensen met PDDNOS of Asperger echter geregeld groter dan bij mensen met een autistische stoornis. Wetenschappelijk onderzoek (Witwer en Lecavalier, 2008) heeft onvoldoende kunnen aantonen dat een onderscheid tussen de stoornis van Asperger en autistische stoornis gerechtvaardigd is. Het enige verschil heeft betrekking op de taalontwikkeling, maar dat onderscheid blijkt niet valide te zijn, daar dat vooral aan het cognitieve niveau is gerelateerd. Ook is gebleken dat de classificatie over de tijd kan wisselen en dat de classificatie vooral afhankelijk is van hoe een clinicus de problematiek en de taal- en communicatieproblemen interpreteert. Ook ten aanzien van de prognose en zorgbehoefte zijn de verschillen tussen de DSM-IV-TR subtypes niet groot genoeg om een onderscheid te rechtvaardigen (Howlin, 2003, Lord en Jones, 2012). Het terugbrengen van drie naar twee domeinen is een logische stap. Het domein van de beperking in de sociale interacties en het domein van beperkingen in de communicatie toonde op het gezicht al overlap en waren voor het gevoel niet altijd goed te onderscheiden. Dit is in diverse studies met factor analyse en latente klassenanalyse bevestigd (Georgiades, 2013; Gotham, 2007; 2008; Greaves-Lord, 2012 en Mandy, 2012). In de DSM-5 zijn deze nu samengevoegd en blijven er twee domeinen over namelijk het domein van de sociale communicatie en het domein van stereotiepe patronen van gedrag. Het opnemen van items die te maken hebben met de over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels binnen domein B van de criteria is een belangrijke stap voorwaarts, omdat dit voor veel mensen met een autismespectrumstoornis een probleem is (Wing et al., 2011 en Ben Sasson et al., 2009). Het is waarschijnlijk dat ten gevolge hiervan meer wetenschappelijk onderzoek zich zal richten op dit onderwerp. In de afgelopen decennia heeft dit thema te weinig aandacht gehad (Leekam, 2011). Ook zullen veel mensen met autisme meer erkenning gaan voelen voor de problemen op het sensorische vlak als deze in de criteria zijn benoemd. Het vervallen van het criterium van afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel of sociaal imiterend spel is opvallend en krijgt betrekkelijk weinig aandacht Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

8 autisme in de DSM-5 Tabel 2 Autismespectrumstoornis Diagnostische criteria (F84.0) A. Blijvende beperkingen op het gebied van de sociale communicatie en sociale interacties in diverse situaties zich uitend door het volgende, recent of in het verleden (voorbeelden zijn bedoeld ter illustratie en zijn niet uitputtend, zie tekst): 1. Beperkingen in de sociaal emotionele wederkerigheid; variërend, bij voorbeeld, van het op een afwijkende manier sociaal contact zoeken met beperkingen om een over en weer gesprek te starten en te onderhouden; tot een verminderd vermogen tot het delen van interesses, gevoelens of affect; tot de volledige afwezigheid van initiatief tot sociaal contact of respons op sociale interacties. 2. Beperkingen in het non-verbale communicatieve gedrag dat gebruikt wordt in de sociale interactie, variërend, bij voorbeeld, van een slecht geïntegreerde verbale en non-verbale communicatie; tot afwijkend oogcontact en lichaamstaal of beperkingen in het begrijpen en gebruik van gebaren; tot een totaal ontbreken van gezichtsexpressie en non-verbale communicatie. 3. Beperkingen in het ontwikkelen, handhaven, en begrijpen van relaties, variërend, bij voorbeeld, van moeilijkheden zich aan te passen aan uiteenlopende sociale contexten; tot moeilijkheden om fantasiespel met anderen te delen of moeite met het sluiten van vriendschappen; tot een afwezigheid van belangstelling voor leeftijdgenoten. Specificeer de huidige ernst: Ernst is gebaseerd op de sociaal communicatieve beperkingen en de beperkte, herhaalde patronen van gedrag (zie Tabel). B. Beperkte, herhaalde patronen van gedrag, interesses en activiteiten, zich uitend in tenminste 2 van de volgende zaken, recent of in het verleden (voorbeelden zijn bedoeld ter illustratie en zijn niet uitputtend): 1. Stereotiepe of zich herhalende motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen, of spraak (zoals eenvoudige motorische stereotypieën, het op een rij zetten van speelgoed of ronddraaien van voorwerpen, echolalie, idiosyncratische zinnen). 2. Het vasthouden aan hetzelfde, op een rigide manier vasthouden aan routines, of rituele patronen van verbaal of non-verbaal gedrag (bij voorbeeld extreme spanning bij kleine veranderingen, moeilijkheden bij overgangen, rigide gedachtenpatronen, rituelen bij het groeten, de noodzaak om elke dag dezelfde route of hetzelfde voedsel te nemen). 3. Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal zijn qua intensiteit of aard (zoals een sterke gehechtheid aan of preoccupatie met ongewone voorwerpen, zeer beperkte of verregaande interesses). 4. Over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels of ongewone belangstelling in de sensorische aspecten van de omgeving; (zoals kennelijke onverschilligheid voor pijn, temperatuur, een afwerende reactie op specifieke geluiden of structuur van stoffen, overmatig ruiken of aanraken van voorwerpen, visuele fascinatie met licht of beweging). Specificeer de huidige ernst: Ernst is gebaseerd op de sociaal communicatieve beperkingen en de beperkte, herhaalde patronen van gedrag ( zie Tabel). C. Symptomen moeten vanaf de vroege kindertijd aanwezig zijn (maar kunnen pas goed duidelijk worden als sociale eisen de beperkte mogelijkheden overschrijden, of kunnen gemaskeerd worden door later in het leven aangeleerde strategieën). D. De symptomen veroorzaken klinisch significante beperkingen op sociaal, beroepsmatig of andere belangrijke gebieden van het huidig functioneren. E. Deze stoornissen kunnen niet verklaard worden door een verstandelijke beperking (verstandelijke ontwikkelingsstoornis) of een globale ontwikkelingsachterstand. Verstandelijke beperking en autismespectrumstoornissen komen vaak samen voor; om een autismespectrumstoornis vast te stellen naast een verstandelijke beperking moet de sociale communicatie onder het verwachte algemene ontwikkelingsniveau liggen. Specificeer Met of zonder bijkomende verstandelijke beperking Met of zonder bijkomende taalstoornis Gaat samen met een bekende medische of genetische conditie of omgevingsfactor Gaat samen met een andere neuropsychiatrische ontwikkelingsstoornis, psychiatrische of gedragsstoornis Met katatonie Aantekening: Individuen met een goed vastgestelde DSM-IV diagnose autistische stoornis, stoornis van Asperger, pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven, moeten de diagnose autismespectrumstoornis krijgen. Bij individuen die uitgesproken tekorten hebben op het gebied van de sociale communicatie, maar die verder niet voldoen aan de criteria voor autismespectrumstoornis moet de diagnose sociaal (pragmatische) communicatieve stoornis worden overwogen. in de literatuur over de DSM-5. Een belangrijk argument is dat het symptoom te weinig onderscheidend is ten opzicht van de normale ontwikkeling. In een tijd waarin heel veel computerspelletjes en ander elektronisch speelgoed beschikbaar zijn, laten kinderen toch al minder fantasiespel zien. Een belangrijke verandering is verder dat de onderkenning van autistische symptomen pas later in het leven plaats kan vinden. In de adolescentie en volwassenheid nemen de eisen die binnen de maatschappij gesteld worden aan een individu toe en wordt de steun vanuit ouders vaak minder. Hierdoor is het goed mogelijk dat het autisme dan pas duidelijk wordt. Het is goed dat er in de criteria oog is voor de context waarin iemand zich bevindt en dat de context bepalend kan zijn voor de expressie van autistische symptomen. Overigens 44 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

9 Hoewel één van de positieve punten van de DSM-5 de meer dimensionele beschrijving van psychiatrische stoornissen is, die ook bij de autismespectrumstoornissen terug te vinden is, brengt deze benadering ook knelpunten met zich mee. De criteria zijn weliswaar minder zwart wit geformuleerd en de in de DSM-IV onderscheiden groepen binnen de autismespectrumstoornissen zijn verdwenen, maar het is nog steeds zo dat bij de omschrijving van de criteria wel of niet voldaan wordt aan de criteria. Binnen de criteria wordt wel aangegeven dat er een variatie is aan ernst, maar er is geen mogelijkheid om aan te geven in welke mate aan een bepaald criterium voldaan wordt. Wel is het mogelijk om de mate van benodigde ondersteuning aan te geven, variërend van ondersteuning tot zeer substanautisme in de DSM-5 Tabel 3 Niveaus van Ernst bij autismespectrumstoornissen Niveau van ernst bij autismespectrumstoornissen Sociale Communicatie Beperkte interesses en repetitief gedrag Niveau 3 Vereist zeer substantiele ondersteuning Ernstige tekorten in de verbale en non-verbale sociale communicatievaardigheden veroorzaken ernstige beperkingen in het functioneren; zeer beperkte initiatiefname tot sociale interacties en een minimale respons op uitnodigingen voor sociaal contact door anderen. Bij voorbeeld, een persoon met een paar woorden begrijpbare taal die zelden het initiatief neemt tot sociale interactie en wanneer hij of zij dat doet, dat op een ongebruikelijke manier doet om de eigen behoeften te vervullen en alleen reageert op een zeer directe sociale benadering. Rigide gedrag, extreme moeilijkheden om met veranderingen om te gaan, of ander beperkt en herhalend gedrag dat sterk interfereert met het functioneren op alle levensgebieden. Grote psychische nood / moeilijkheden bij het veranderen van gedrag. Niveau 2 Vereist substantiele ondersteuning Duidelijke tekorten in de verbale en non-verbale sociale en communicatieve vaardigheden; sociale beperkingen duidelijk ondanks aanwezige steun; een beperkte initiatiefname tot sociale interacties en een verminderde of abnormale respons op het zoeken van sociale toenadering door anderen. Bij voorbeeld, een persoon die spreekt in eenvoudige zinnen, maar wiens interactie beperkt is, nauw omschreven specifieke interesses en een uitgesproken vreemde non-verbale communicatie heeft. Rigide gedrag, moeilijkheden om met veranderingen om te gaan, of ander beperkt en herhalend gedrag is frequent genoeg aanwezig om op te vallen en interfereert met het functioneren op verschillende levensgebieden. Psychische nood en/of moeilijkheden bij het veranderen van gedrag. Niveau 1 Vereist ondersteuning Zonder aanwezige steun, veroorzaken de tekortkomingen in sociale en communicatieve vaardigheden merkbare belemmeringen. Heeft moeite met initiatiefname tot sociale interacties en toont duidelijke voorbeelden van atypische of niet succesvolle reacties op toenadering door anderen. Lijkt minder belangstelling te hebben voor sociale interacties. Bij voorbeeld, een persoon die in volzinnen kan spreken en actief communiceert, maar wiens gesprekken niet echt wederkerig zijn en wiens pogingen om vrienden te maken eigenaardig zijn en geen succes hebben. Rigide gedrag interfereert significant met het functioneren in één of meerdere situaties. Moeilijkheden om te schakelen tussen activiteiten. Problemen met organisatie en planning hinderen het onafhankelijk functioneren. zou dat een pleidooi kunnen zijn om in die gevallen waarbij er nog geen sprake is van een uitgesproken disfunctioneren te spreken van autismespectrumconditie in plaats van autismespectrumstoornis. Dat zou ook kunnen passen in de stagering van de autismespectrumstoornis (Van der Gaag et al., 2012). Stagering is het indelen van de aard van een ziekte en indicatoren voor ernst in verschillende stadia waardoor patiënt en clinicus inzicht krijgen in mogelijke behandelingen en in de prognose. De autismespectrumconditie zou dan passen bij stadium nul waarin geen behandeling nodig is. Co-morbide psychiatrische stoornissen bij autisme zijn eerder regel dan uitzondering en bieden aanknopingspunten voor behandeling (de Bruin et al., 2007; Joshi et al., 2010 en van der Sijde, 2009). Als ADHD naast het autisme wordt beschreven dan kan bij voorbeeld met gerichte farmacotherapie de ADHD symptomen worden verminderd, waardoor het functioneren verbetert. Daarom is het positief dat de classificatieregels nu toestaan dat ADHD naast de autismespectrumstoornis wordt gediagnosticeerd. Ook geeft het een beter inzicht in complicerende factoren die invloed hebben op prognose en behandelresultaat. Verdere kritiek op de DSM-5 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

10 autisme in de DSM-5 ADHD kan nu naast autismespectrumstoornis worden gediagnosticeerd tiële ondersteuning. In beschrijving is dat gekoppeld aan de ernst van de symptomen in de twee domeinen. De ASAN werkgroep (Kapp en Neeman, 2012) ziet als risico dat de ernst van het autisme zoals aangegeven in de bijhorende tabel mogelijk als uitkomstmaat gebruikt wordt voor behandeling en gebruikt gaat worden om bepaalde groepen van specifieke zorg uit te sluiten. Zij stellen daarom voor deze indeling te verwijderen of anders te vermelden, dat de indeling niet is bedoeld als uitkomstmaat voor de behandeling of als een middel om te beoordelen dat iemand in aanmerking komt voor een specifiek zorgaanbod. Het gebruik van de ernstschaal zou er namelijk toe kunnen leiden dat het focus in de behandeling komt te liggen op het verminderen van autistische symptomen in plaats van het bevorderen van functionele vaardigheden waarmee mensen met autisme zichzelf staande kunnen houden (bv probleemoplossingsvaardigheden, sociaal communicatieve vaardigheden, planningsvaardigheden en zelfredzaamheidvaardigheden). Ook stelt de werkgroep voor de omschrijvingen onder de beperkte interesses en repetitief gedrag bij de ernstschaal meer te richten op flexibiliteit, omdat het gebrek hieraan belangrijke gevolgen heeft voor het dagelijks leven. Het verminderen van repetitief gedrag en stereotiepe patronen van belangstelling zou geen doel op zich moeten zijn in de behandeling, het vergroten van de flexibiliteit en het verbeteren van dagelijks functioneren daarentegen wel. Omdat in de DSM-5 meer het accent ligt op het domein van stereotiep gedrag, is de kans groot dat onderdiagnostiek bij meisjes verder toeneemt. Meisjes met een autismespectrumstoornis hebben namelijk vaak minder stereotiep gedrag dan jongens en vallen doordat zij minder externaliserend gedrag hebben in het algemeen minder op dan jongens met een autismespectrumstoornis (Mandy, Chilvers, Chowdhury, Seigal en Skuse, 2012). De problemen op sociaal communicatief gebied zijn echter meestal even ernstig zijn als bij jongens en kunnen leiden tot een stagnatie van de sociaal emotionele ont wikkeling. Meisjes lopen een groter risico dan jongens om een andere psychiatrische diagnose te krijgen, zodat het te lang duurt voordat zij een op autisme afgestemde behandeling of begeleiding krijgen. Een ander punt van kritiek is het ontbreken van criteria in domein B op het gebied van bewegingsen motorische vaardigheden. Veel mensen met een autismespectrumstoornis hebben een onhandige motoriek en problemen met de verwerking van informatie die te maken heeft met lichaamspositie (propriocepsis) en evenwicht (vestibulair systeem) (Fournier et al., 2010 en Ben Sasson et al., 2009). Motorische vaardigheden hebben een grote invloed op vaardigheden zoals schrijven en zelfredzaamheid, maar ook op sportbeoefening en vrijetijdsbezigheden. Fysieke onhandigheid en een slecht gevoel van oriëntatie in de ruimte is daarbij vaak een beperkende factor. Fournier is van mening dat dit tot de kern symptomen van het autisme behoort (Fournier et al., 2010). Gevolgen voor diagnostiek, behandeling en wetenschappelijk onderzoek De grote vraag die leeft, is wat deze wijzigingen zullen gaan betekenen voor mensen met een stoornis in het autismespectrum; zal hantering van de nieuwe criteria mensen die momenteel een diagnose hebben nog steeds includeren, of zal een groep niet langer in aanmerking komen voor een diagnose en daarmee wellicht ook voor de gepaard gaande zorg? Te verwachten valt dat een grote groep met de diagnose PDDNOS buiten de groep autismespectrumstoornissen zal vallen, omdat niet voldaan wordt aan alle drie de criteria op het gebied van sociale interacties en communicatie en ook niet tegelijkertijd voldaan wordt aan twee van de vier criteria onder de het domein beperkte en herhalende patronen van gedrag, interesses en activiteiten. Onder de mensen met een stoornis van Asperger is ook veel onrust ontstaan over het verdwijnen van de stoornis van Asperger als aparte autismespectrumstoornis. In de media is hieraan uitgebreid aandacht besteed, maar er is ook onderzoek naar gedaan. In de diverse onderzoeken wisselen de percentages. Mattila et al. (2012) vonden dat slechts 46% van degenen met een DSM-IV diagnose pervasieve ontwikkelingsstoornis voldeden aan de criteria voor een DSM-5 diagnose autismespectrumstoornis. Bij het onderzoek Taheri and Perry (2012) lag dit percentage op 63% en in het onderzoek van McPartland (2012) op 60%. Overigens heeft de werkgroep neurodevelopmental disorders (Swedo et al., 2012) van de APA kritiek op de publicatie van Partland vanwege methodologische tekortkomingen. Ook in het onderzoek van Greaves-Lord et al. (2013) dat elders in dit tijdschrift wordt besproken (p 50 e.v.) vertoonde het merendeel van de kinderen met PDDNOS slechts een 46 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

11 autisme in de DSM-5 beperkte mate van stereotype gedragingen en moeite met veranderingen. Worley and Matson (2012) vergeleken 78 kinderen met een DSM-5 diagnose autismespectrumstoornis met 52 kinderen met een DSM-IV diagnose die niet voldeden aan de DSM-5 criteria. Verrassend genoeg vonden zij geen significante verschillen tussen de 2 groepen voor wat betreft de autismesymptomen. Mayes, Black en Tierney vonden dat slechts 27% van de kinderen met PDDNOS een DSM-5 diagnose autismespectrumstoornis zouden krijgen. Deze getallen staan in contrast met het onderzoek van Huerta et al. (2012) waaruit blijkt dat 9 % van de DSM-IV diagnoses geen DSM-5 diagnose zouden krijgen. Voor degenen die niet meer voldoen aan de criteria voor een autismespectrumstoornis is de verwachting dat zij zullen voldoe n aan de criteria van een nieuw in de DSM-5 beschreven classificatie: de sociaal-communicatieve stoornis. Tabel 4 Sociaal Communicatieve Stoornis Diagnostische Criteria (F80.89) A. Aanhoudende problemen bij het sociale gebruik van verbale en non-verbale communicatie zoals blijkt uit alle van de volgende: 1. Tekorten in het gebruik van communicatie voor sociale doeleinden, zoals het begroeten en het delen van informatie, op een manier die passend is bij de sociale context. 2. Beperking van het vermogen om de communicatie aan te passen aan de context of de behoeften van de luisteraar, bij voorbeeld anders spreken in een klaslokaal dan op een speelplaats, anders praten met een kind dan met een volwassene, en het vermijden van het gebruik van al te formele taal. 3. Moeilijkheden bij het volgen van regels voor een gesprek en het vertellen van verhalen, zoals het beurt nemen in een gesprek, herformuleren van wat niet begrepen wordt, weten hoe je verbale en non-verbale signalen gebruikt om de interactie te reguleren. 4. Moeilijkheden te begrijpen wat niet expliciet is vermeld (bijv. het maken van gevolgtrekkingen) en niet-letterlijke of dubbelzinnige betekenis van de taal (bijvoorbeeld: uitdrukkingen, humor, metaforen, meerdere betekenissen die afhankelijk zijn van de context voor de interpretatie). B. De tekorten leiden tot functionele beperkingen in effectieve communicatie, maatschappelijke participatie, sociale relaties, leerprestaties, of beroepsmatige prestaties, afzonderlijk of in combinatie. C. Symptomen zijn vanaf de vroege kindertijd aanwezig (maar kunnen pas goed duidelijk worden als sociale eisen de beperkte communicatieve mogelijkheden overschrijden). D. De symptomen zijn niet toe te schrijven aan een andere medische of neurologische aandoening of te lage vaardigheden op het gebied van woordstructuur en grammatica, en worden niet beter verklaard door een autismespectrumstoornis, verstandelijke beperking (intellectuele ontwikkelingsstoornis), globale ontwikkelingsachterstand of een andere psychische stoornis. De sociaal-communicatieve stoornis moet voldoen aan de criteria beschreven in onderstaande tabel. Bij het lezen van de criteria is duidelijk dat de sociaal communicatieve stoornis meer behelst dan de semantisch-pragmatische taalstoornis, daar ook de problemen met de non-verbale communicatie nadrukkelijk als criterium worden meegenomen. Er zijn stemmen opgegaan (Kapp en Neeman, 2012) om de sociaal-communicatieve stoornis ook onder de categorie van de autismespectrumstoornis te scharen. Dit verzoek is echter niet gehonoreerd. De sociaal-communicatieve stoornis had dan geclassificeerd moeten worden als autismespectrumstoornis niet anders omschreven of als autismespectrumstoornis, subtype sociaal-communicatieve stoornis. Er zijn weinig tot geen data die de validiteit, betrouwbaarheid of prevalentie van de sociaal-communicatieve stoornis als diagnostische classificatie ondersteunen (Lord en Jones, 2012). Wat voor gevolgen een ander type classificatie heeft voor de financiering en de toegankelijkheid van de zorg en passend onderwijs is op dit moment niet te zeggen of te overzien. De stoornis zal moeten worden meegenomen in het DBC-onderhoud. Het College voor Zorgverzekeringen (Cv) zal de minister van VWS van advies voorzien. Het risico bestaat dat de sociaal-communicatieve stoornis gezien wordt als een lichte stoornis met weinig beperkingen waardoor de zorgverzekeraars een intensieve specialistische behandeling niet meer zullen vergoeden. De verandering van de criteria maakt het vergelijken van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek bij autisme complex. Onderzoekers zullen een antwoord moeten vinden hoe de etiologie ontrafeld kan worden bij een dergelijke heterogene stoornis die in één diagnostische categorie is ondergebracht. Het gebruik van gestandaardiseerde instrumenten als ADOS, ADI-R en 3Di (Skuse et al., 2004), waarbij symptomen op een gestandaardiseerde manier worden vastgelegd is hierbij van grote waarde. Zie ook het artikel over de 3Di van G. Slappendel et al. In dit tijdschrift op pagina 54 e.v. Daarnaast moeten de algoritmes van de genoemde instrumenten worden aangepast aan de veranderde criteria in de DSM-5. Conclusie De verandering van de DSM-5 criteria voor autismespectrumstoornis zijn voor een groot deel gebaseerd op nieuwe wetenschappelijke inzichten. Met name het wegvallen van het onderscheid tussen verschillende subgroepen binnen de groep van de autismespectrum- Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

12 autisme in de DSM-5 stoornis doet bovendien recht aan de klinische praktijk. Ook het samenvoegen van het domein sociale interacties en communicatie is een logische en goed te beargumenteren stap. Wat de verdere gevolgen zijn voor diagnostiek en behandeling is niet goed te voorspellen. Doordat de DSM-5 strenger is geformuleerd zullen waarschijnlijk meer kinderen en jeugdigen die nu de diagnose PDDNOS hebben uit de categorie van autismespectrumstoornissen vallen. Het beschrijven van de sociaal-communicatieve stoornis als een nieuwe diagnostische categorie buiten de autismespectrumstoornis lijkt gekunsteld, daar de sociaal communicatieve problemen bij deze categorie vergelijkbaar zijn met de autismespectrumstoornis en heeft als risico dat deze groep niet de specialistische zorg zal krijgen die nodig is. In de DSM-5 is meer oog gekomen voor de diagnostiek van de autismespectrumstoornis op volwassen leeftijd. Voor clinici die met volwassenen werken is het een voordeel dat er bij de diagnostiek minder sterk geleund hoeft te worden op de ontwikkelingsanamnese, aangezien het voorkomen van symptomen op vroege leeftijd geen strenge vereiste meer is. Auteursgegevens Ad van der Sijde is als kinder- en jeugdpsychiater en directeur behandelzaken werkzaam bij Yulius Autisme, behandel- en expertisecentrum, onderdeel van Yulius, organisatie voor geestelijke gezondheid in Dordrecht. Correspondentieadres: Amazone 7, 3315 WG Dordrecht. Referenties American Psychiatric Association. (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4th ed., text rev.). Washington, DC: American Psychiatric Association. American Psychiatric Association. (2012). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed) retrieved from dsm5.org/ Beekman, A.T.F., Os van, J., Marle van, H.J.C., & Harten, P.N. (2012). Stagering en profilering van psychiatrische stoornissen, Tijdschrift voor Psychiatrie 54, Ben-Sasson, A., Hen, L., Fluss, R., Cermak, S. A., Engel-Yeger, B., & Gal, E. (2009). A meta-analysis of sensory modulation symptoms in individuals with autism spectrum disorders. Journal of autism and developmental disorders, 39, de Bruin, E. I., Ferdinand, R. F., Meester, S., de Nijs, P. F., & Verheij, F. (2007). High rates of psychiatric co-morbidity in PDD-NOS. Journal of autism and Developmental Disorders, 37, Fournier, K. A., Hass, C. J., Naik, S. K., Lodha, N., & Cauraugh, J. H. (2010). Motor coordination in autism spectrum disorders: a synthesis and meta-analysis. Journal of Autism and Developmental Disorders, 40, Greaves-Lord, K., Eussen, M.L.J.M., Verhulst, F.C., Minderaa, R.B., Mandy, W.P., Hudziak, J.J., et al. (2012). Empirically based phenotypic profiles of children with pervasive developmental disorders: interpretation in the light of the DSM-5. Journal of Autism and Developmental Disorders. Retrieved from pdf/ %2fs pdf DOI /s Jong de, J.T.V.M., (2012). DSM-5 en cultuur, Tijdschrift voor Psychiatrie 54, Joshi, G., Petty, C., Wozniak, J., Henin, A., Fried, R., Galdo, M.,... & Biederman, J. (2010). The heavy burden of psychiatric comorbidity in youth with autism spectrum disorders: A large comparative study of a psychiatrically referred population. Journal of Autism and Developmental Disorders, 40, Gaag van der, R.J., Wijngaarden-Cremers van, & P.J.M, Staal, W.G. (2012). Stagering: een ontwikkelingspuzzel, Tijdschrift voor Psychiatrie 54, Georgiades, S., Szatmari, P., Boyle, M., Hanna, S., Duku, E., Zwaigenbaum, L., Bryson, S., et al. (2013). Investigating phenotypic heterogeneity in children with autism spectrum disorder: a factor mixture modeling approach. Journal of Child Psychology and Psychiatry, and Allied Disciplines, 54, NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

13 autisme in de DSM-5 Gotham, K., Risi, S., Pickles, A., & Lord, C. (2007). The Autism Diagnostic Observation Schedule: revised algorithms for improved diagnostic validity. Journal of Autism and Developmental Disorders, 37, Gotham, K., Risi, S., Dawson, G., Tager-Flusberg, H., Joseph, R., Carter, A., Hepburn, S., et al. (2008). A replication of the Autism Diagnostic Observation Schedule (ADOS) revised algorithms. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 47, Hemert van, A.M., & Terluin, B. (2012). In: Assendelft, W.J.J., Hoornweg, J., Meijer de, P.H.E.M., Wind, A.W. (red). DSM-5: Taal voor diagnostiek of politiek en farmaceutisch vehiculum? Vorderingen en Praktijk, Leiden: Boerhaave Nascholing voor Postacademisch Onderwijs in de Geneeskunde Leids Universitair Medisch Centrum, Retrieved from: home.nl/files/pres_overig/121214_dsm- 5_Taal_voor_diagnostiek.pdf Huerta, M., Bishop, S., Duncan, A., Hus, V., & Lord, C. (2012). Application of DSM-5 criteria for autism spectrum disorder to three samples of children with DSM-IV diagnoses of pervasive developmental disorders. American Journal of Psychiatry, 169, Howlin, P. (2003). Outcome in high-functioning adults with autism with and without early language delays: implications for the differentiation between autism and Asperger syndrome. Journal of autism and developmental disorders, 33, Kapp, S., & Neeman, A. (2012). ASD in DSM-5: What the research shows and recommendations for change. Autistic Self Advocacy Network. Retrieved from Leekam, S. R., Prior, M. R., & Uljarevic, M. (2011). Restricted and repetitive behaviors in autism spectrum disorders: A review of research in the last decade. Psychological bulletin, 137, Lord, C. & Jones, R. M. (2012). Annual research review: re-thinking the classification of autism spectrum disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry and Allied Disciplines, 53, McPartland, J. C., Reichow, B., & Volkmar, F. R. (2012). Sensitivity and specificity of proposed DSM-5 diagnostic criteria for autism spectrum disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, Mandy, W., Charman, T., Gilmour, J., & Skuse, D. (2011). Toward specifying pervasive developmental disorder not otherwise specified. Autism Research, 4, Mandy, W. P. L., Charman, T., & Skuse, D.H. (2012). Testing the construct validity of proposed DSM-5 criteria for DSM-5 autism spectrum disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, Mandy, W., Chilvers, R., Chowdhury, U., Salter, G., Seigal, A., & Skuse, D. (2012). Sex differences in autism spectrum disorder: evidence from a large sample of children and adolescents. Journal of Autism and Developmental Disorders, 42, Mattila, M.L., Kielinen, M., Linna, S.L., Jussila, K., Ebeling, H., Bloigu, R., Joseph, R. M., et al. (2011). Autism spectrum disorders according to DSM-IV-TR and comparison with DSM-5 draft criteria: an epidemiological study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 50, Mayes, S. D., Black, A., & Tierney, C. D. (2013). DSM-5 under-identifies PDDNOS: Diagnostic agreement between the DSM-5, DSM-IV, and Checklist for Autism Spectrum Disorder. Research in Autism Spectrum Disorders, 7, Sijde van der, A. (2009). Psychiatrische comorbiditeit in een klinische populatie van adolescenten met een autismespectrumstoornis. Wetenschappelijk Tijdschrift voor Autisme, 1, Skuse, D., Warrington, R., Bishop, D., Chowdhury, U., Lau, J., Mandy, W., & Place, M. (2004). The developmental, dimensional and diagnostic interview (3di): a novel computerized assessment for autism spectrum disorders. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 43, Swedo, S. E., Baird, G., Cook, E. H., Happé, F. G., Harris, J. C., Kaufmann, W. E., King, B. H., et al. (2012). Commentary from the DSM-5 Workgroup on Neurodevelopmental Disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, Taheri, A. & Perry, A. (2012). Exploring the proposed DSM-5 criteria in a clinical sample. Journal of Autism and Developmental Disorders, 42, Witwer, A. N. & Lecavalier, L. (2008). Examining the validity of autism spectrum disorder subtypes. Journal of Autism and Developmental Disorders, 38, Wing, L., Gould, J., & Gillberg, C. (2011). Autism spectrum disorders in the DSM-V: better or worse than the DSM-IV?. Research in Developmental Disabilities, 32, Worley, A. & Matson, J.L. (2012). Comparing symptoms of autism spectrum disorders using the current DSM-IV-TR diagnostic criteria and the proposed DSM-V diagnostic criteria. Research in Autism Spectrum Disorders, 6, Zwaigenbaum, L. (2012). What s in a name: changing the terminology of autism diagnosis. Developmental Medicine and Child Neurology, 54, Uitnodiging aan pas-gepromoveerden De redactie voert al enige tijd het beleid om pas-gepromoveerden de gelegenheid te geven de essentie van hun onderzoek uit te dragen naar een breder en overigens zeer geïnformeerd publiek. Op de begroting hebben we daarvoor een bedrag van 80,- per gedrukte pagina tekst uitgetrokken, uiteraard bij acceptatie. Uw mogelijke bijdrage naar Voor nadere toelichting: zie de website Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

14 eerste verkenningen Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis: Interpretatie in het kader van de DSM-5 Kirstin Greaves-Lord, Mart Eussen, Catharina Hartman Met de komst van de DSM-5 is de lang bestaande discussie over hoe we autisme vaststellen opnieuw aangewakkerd: Op basis van welke en hoeveel domeinen van symptomen wordt de diagnose gesteld? Kunnen er valide subtypes onderscheiden worden? De bestaande DSM-IV-TR categorie van pervasieve ontwikkelingsstoornissen is voor de DSM-5 aangepast. Uit recent onderzoek bleek dat de DSM-IV-TR subtypes niet goed te onderscheiden waren in termen van prognose of behandelbehoefte (Lord e.a., 2011). Daarom is besloten om van de onderverdeling in verschillende subtypes af te stappen en deze terug te brengen tot één categorie van autismespectrumstoornis. Ook is besloten de drie domeinen van symptomen terug te brengen naar twee domeinen sociale communicatie en rigide gedrag. Dit is besloten omdat uit factor analytische studies bleek dat de voormalige domeinen van sociale interactie versus communicatie niet goed te onderscheiden waren (o.a. Gotham e.a., 2007, 2008). Er zijn striktere criteria voorgesteld: alleen bij voldoende symptomen in beide domeinen (sociale communicatie én rigide gedrag) mag de diagnose autismespectrumstoornis gesteld worden. De voorgestelde veranderingen in de DSM-5 hebben geleid tot verhitte discussies. Er bestaan veel zorgen dat wanneer de nieuwe criteria gehanteerd zullen worden, er een substantiële groep met een gemiddelde intelligentie en de diagnose PDD-NOS niet langer in aanmerking zal komen voor een diagnose. Dit zou verstrekkende gevolgen hebben voor financiering van zorg en passend onderwijs (o.a. Kaland 2011). Om zicht te krijgen op de mogelijkheid dat een groep niet meer in aanmerking komt voor de diagnose, hebben wij een studie verricht naar de symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis. We onderzochten welke groepen van kinderen we op basis van een specifiek symptoomprofiel binnen de totale groep van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis konden onderscheiden. Vervolgens beredeneerden wij welk symptoomprofiel wel binnen de DSM-5 criteria zou passen en welk niet. De resultaten van dit onderzoek zijn recentelijk gepubliceerd in Journal of Autism and Developmental Disorders (Greaves-Lord e.a., 2012) en worden in deze bijdrage kort samengevat en toegelicht. Methode en resultaten In een samenwerking tussen Accare, Erasmus MC, Yulius en verschillende internationale experts werden de gegevens onderzocht van 949 kinderen die waren verwezen voor diagnostiek naar de poliklinieken van Accare en Erasmus MC-Sophia. Bij deze kinderen is een DSM-IV-TR diagnose pervasieve ontwikkelingsstoornis gesteld op basis van kind observatie, ouderinterview, intelligentie onderzoek en leerkrachtinformatie. De Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK, Hartman e.a., 2006) werd afgenomen om een beeld te krijgen van het profiel van autisme symptomen. Deze vragenlijst bestaat uit 49 vragen waarbij door ouders uit de volgende antwoorden gekozen kan worden: niet/nooit (gecodeerd als 0), een beetje/soms (gecodeerd als 1) of ja/vaak (gecodeerd als 2). Gecodeerde antwoorden op deze vragen worden opgeteld tot scores op zes schalen: verminderd contact en sociale interesse (contact), moeite met het begrip van sociale informatie (begrip), angst voor en moeite met veranderingen (verandering), stereotype gedrag (stereotypieën), niet optimaal afgestemd op de sociale situatie (afgestemd), en 50 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

15 Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis oriëntatie problemen in tijd, plaats of activiteit (oriëntatie). Voor elke schaal werd een gemiddelde itemscore berekend door alle gecodeerde antwoorden op de vragen op te tellen en te delen door het aantal vragen, resulterend in een score variërend van 0 tot 2. Bovendien werd de Child Behavior Checklist (CBCL, Verhulst e.a., 1996) afgenomen om bijkomende emotionele en gedragsproblemen in kaart te brengen. Deze vragenlijst bestaat uit 112 vragen waarbij de ouders kunnen kiezen uit de volgende antwoorden: niet/nooit (gecodeerd als 0), een beetje/soms (gecodeerd als 1) of ja/vaak (gecodeerd als 2). Gecodeerde antwoorden op deze vragen worden opgeteld tot scores op acht schalen: angstig/depressief (angst), teruggetrokken/depressief (depressie), somatische klachten (somatisch), sociale problemen (sociaal), denkproblemen (denk), aandachtsproblemen (aandacht), regelbrekend gedrag Figuur 1 Klassen van kinderen met een onderscheidend symptoomprofiel van autisme symptomen en bijkomende emotionele en gedragsproblemen 1,8 1,8 1,8 1,6 1,6 1,6 1,4 1,4 1,4 1,2 1,2 1, ,8 0,8 0,8 0,6 0,6 0,6 0,4 0,4 0,4 0,2 0,2 0, klasse klasse klasse 3 1,8 1,8 Werkbestand def.indd :2 Werkbestand def.indd 1 Werkbestand def.indd : :18 1,8 Legenda 1,6 1,4 1,2 1 1,6 1,4 1,2 1 1,6 1,4 1,2 1 1 Contact 2 Begrip 3 Verandering 4 Stereotypieën 5 Afgestemd 6 Orientatie 7 Angst 8 Depressie 9 Somatisch 10 Sociaal 11 Denk 12 Aandacht 13 Regelbrekend 14 Agressief 0,8 0,8 0,8 0,6 0,6 0,6 0,4 0,4 0,4 0,2 0,2 0, klasse klasse klasse 6 Voetnoot: contact = VISK schaal verminderd contact en sociale interesse, begrip = VISK schaal moeite met het begrip van sociale informatie, verandering = VISK schaal angst voor en moeite met veranderingen, Stereotypieën= VISK schaal stereotype gedrag, afgestemd= VISK schaal niet optimaal afgestemd op de sociale situatie, orientatie = VISK schaal oriëntatie problemen in tijd, plaats of activiteit, angst = CBCL schaal angstig/depressief, depressie = CBCL schaal teruggetrokken/depressief, somatisch = CBCL schaal somatische klachten, sociaal = CBCL schaal sociale problemen, denk = CBCL schaal denkproblemen, aandacht = CBCL schaal aandachtsproblemen, regelbrekend = CBCL schaal regelbrekend gedrag, agressief = CBCL schaal agressief gedrag. NB waarden y-as: gemiddelde itemscore per VISK en CBCL schaal welke kan variëren van 0-2. Werkbestand def.indd 3 Werkbestand def.indd :17 Werkbestand def.indd : Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

16 Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis (regelbrekend) en agressief gedrag (agressief). Ook voor elke schaal van de CBCL werd een gemiddelde itemscore berekend door alle gecodeerde antwoorden op de vragen op te tellen en te delen door het aantal vragen, resulterend in een score variërend van 0 tot 2. Tot slot werden uitkomsten van de Wechsler Intelligentietest (Van der Steene e.a., 1986) gebruikt om kinderen te classificeren op as II van de DSM. Hierbij werd gecodeerd of er wel (=1) of niet (=0) sprake was van een verstandelijke beperking. Om te onderzoeken of er specifieke groepen met een eigen kenmerkend symptoomprofiel konden worden onderscheiden, werd er een zogenaamde latente klasse analyse gedaan op basis van de VISK gegevens. Dit is een statistische techniek, die op basis van overeenkomsten in scores tussen personen, een grote groep onderverdeelt in een aantal klassen. Uit dit type analyse komen dus groepen kinderen (klassen) naar voren met elk een eigen onderscheidend symptoomprofiel. Vervolgens vergeleken wij deze klassen wat betreft hun scores op de CBCL en hun DSM-IV-TR as I en as II diagnose. Uit de latente klasse analyse kwamen zes klassen ( subtypes ) naar voren (zie Figuur 1): klasse één met hoge scores op alle zes VISK autisme symptoomdomeinen, klasse twee met voornamelijk beperkt contact en sociale interesse, moeite met het begrijpen van sociale informatie en stereotype gedrag, klasse drie met voornamelijk moeite met het begrijpen van sociale informatie, moeite met veranderingen en onafgestemd gedrag, klasse vier met voornamelijk moeite met veranderingen en onafgestemd gedrag, klasse vijf met voornamelijk enige moeite met begrijpen van sociale informatie en enig onafgestemd gedrag en klasse zes met matige scores op alle autisme symptoomdomeinen. De zes klassen verschilden tevens in de mate van bijkomende emotionele en gedragsproblemen zoals in kaart gebracht middels de CBCL (zie kolommen aan rechterzijde van Figuur 1). Klasse één met de hoogste scores op de autisme symptoomdomeinen liet tevens de meeste bijkomende emotionele en gedragsproblemen zien. De klassen met minder autistische symptomen lieten ook minder bijkomende problemen zien. Alle klassen vertoonden overwegend symptomen van teruggetrokkenheid en depressie, sociale problemen (zoals gepest worden), denkproblemen en aandachtsproblemen. Wat betreft de klinische DSM IV-TR as 1 diagnose zaten in klasse één verhoudingsgewijs de meeste kinderen met autisme (25% versus gemiddeld 9% in de overige klassen). In klasse twee zaten de meeste kinderen met een verstandelijke beperking (44% versus gemiddeld 25% in de andere klassen). Discussie Wat leren we nu van deze resultaten als we ze interpreteren in het licht van de DSM-5 en de aangepaste criteria voor een diagnose autismespectrumstoornis? Kijkend naar de symptoomprofielen van de verschillende klassen kinderen, kan men zeggen dat de eerste drie klassen een profiel laten zien dat goed past binnen de criteria van de DSM-5; deze kinderen laten zowel symptomen zien van problemen in het sociale contact en de communicatie, als repetitief gedrag. Een interessante bevinding is dat klasse twee en drie van elkaar verschillen wat betreft het soort repetitief gedrag. Klasse twee laat overwegend lagere orde repetitieve gedragingen (stereotypieën) zien, terwijl klasse drie overwegend hogere orde repetitieve gedragingen (moeite met veranderingen) laat zien. Hoewel er in de DSM-5 dus geen subtypes onderscheiden worden, blijft het dus in de diagnostiek wel relevant om de aard en de ernst van de symptomen goed te beschrijven. De profielen van de kinderen in klasse vier tot en met zes passen minder goed binnen de criteria van de DSM-5: Klasse vier laat moeite met veranderingen zien, maar slechts weinig problemen in het sociale contact of de communicatie. Klasse vijf heeft het omgekeerde profiel, met matige problemen in sociale communicatie maar zeer beperkt stereotype of rigide gedrag. Voor deze twee groepen kinderen zou mogelijk gelden dat ze niet voldoen aan de eis in DSM-5 dat voldoende symptomen in beide domeinen (sociale communicatie én rigide gedrag) aanwezig moeten zijn om de diagnose autismespectrumstoornis te stellen. Klasse zes laat maar in beperkte mate symptomen zien op alle symptoomdomeinen waarmee de groep kinderen met dit profiel ook niet past binnen de criteria voor een autismespectrumstoornis zoals gedefinieerd binnen de DSM-5. Bij deze interpretatie van de gevonden klassen maken wij natuurlijk wel de kanttekening dat in onze studie niet daadwerkelijke DSM-5 criteria gehanteerd zijn, dus enige voorzichtigheid dient in acht genomen te worden. Ook zijn de diagnoses niet op geheel gestandaardiseerde wijze tot stand gekomen door gebruik te maken van scores op gestandaardiseerde meetinstrumenten zoals bijvoorbeeld het Autisme Diagnostisch Observatie Schema (ADOS, Lord e.a., 1999). Deze niet geheel gestandaardiseerde werkwijze is echter in de klinische praktijk eerder regel dan uitzondering. Met in acht neming van deze kanttekeningen, is het interessant om op te merken dat de kinderen in de klassen die niet 52 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

17 Symptoomprofielen van kinderen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis geheel binnen de DSM-5 passen (klasse vier-zes) in vergelijking tot de andere klassen vaker de diagnose PDD-NOS hadden en een gemiddelde tot hoge intelligentie. Deze bevinding sluit aan bij die van eerdere studies, waaruit bleek dat vooral deze kinderen niet langer in aanmerking komen voor een diagnose binnen de DSM-5 (o.a. Mc Partland e.a., 2012). Het is dus belangrijk om ons bewust te zijn van de mogelijke consequenties van de invoering van de DSM-5 voor de doelgroep met PDD-NOS en een gemiddelde tot hoge intelligentie. Mogelijk zou een deel van deze kinderen in de toekomst geen diagnose autismespectrumstoornis krijgen. Echter, een diagnose binnen de nieuwe categorie sociale communicatie stoornis (Bishop en Norbury, 2002) zou wellicht beter passend bij hun symptoomprofiel kunnen zijn, met name bij kinderen met een symptoomprofiel als klasse vijf. Bovendien, andere psychiatrische diagnoses buiten het autismespectrum zouden mogelijk ook de problematiek van sommige kinderen passender kunnen beschrijven. Bijvoorbeeld, kinderen in klasse zes toonden een hogere mate van aandachtsproblemen en agressiviteit dan autistische symptomen. Dit maakt het stellen van een andere psychiatrische diagnose wellicht passender. Immers, het feit dat de DSM-5 het stellen van de diagnose autismespectrumstoornis niet langer hiërarchisch verkiest boven het stellen van andersoortige psychiatrische diagnoses biedt ruimte voor deze mogelijkheid. In eerdere studies werden andere psychiatrische symptomen niet onderzocht, terwijl dit in de huidige studie belangrijke aanvullende informatie naar voren brengt. Kortom, kinderen met een symptoomprofiel dat niet geheel past binnen de DSM-5 criteria voor een autismespectrumstoornis zouden in de toekomst dus wellicht een ándere diagnose kunnen krijgen, en niet zozeer géén diagnose. Deze mogelijkheid wordt ondersteund door de bevindingen van de huidige studie. Door deze mogelijkheid te bespreken, hopen wij perspectief te bieden op de zorgen die leven over de invoering van de DSM-5. Auteursgegevens Kirstin Greaves-Lord (1,2), Mart Eussen (1,2), Catharina Hartman (3) 1= Erasmus MC Sophia, Rotterdam, 2= Yulius, Dodrecht, 3= Accare, Groningen REFERENTIES Bishop, D.V.M. & Norbury, C. F. (2002). Exploring the borderlands of autistic disorder and specific language impairment: a study using standardized diagnostic instruments. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 43, Gotham, K., Risi, S., Pickles, A., & Lord, C. (2007). The Autism Diagnostic Observation Schedule: Revised algorithms for improved diagnostic validity. Journal of Autism and Developmental Disorders, 37, Gotham, K., Risi, S., Dawson, G., Tager-Flusberg H., Joseph, R., Carter, A., et al. (2008). A replication of the Autism Diagnostic Observation Schedule (ADOS) revised algorithm. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 47, Greaves-Lord, K., Eussen, ML, Verhulst, FC, Minderaa, RB, Mandy, W, Hudziak, JJ, Steenhuis, MP, de Nijs, PF, & Hartman, CA (2012). Empirically based phenotypic profiles of children with pervasive developmental disorders: interpretation in the Light of the DSM-5. Journal of Autism and Developmental Disorders (e-pub ahead of print). Hartman, C.A. Luteijn, E., Serra, M., & Minderaa, R. (2006). Refinement of the Children s Social Behavior Questionnaire (CSBQ): an instrument that describes the diverse problems seen in milder forms of PDD. Journal of Autism and Developmental Disorders, 36, Kaland, N. (2011). Should Asperger syndrome be excluded from the forthcoming DSM-5? Research in Autism Spectrum Disorders, 5, Lord C., Rutter, M., DiLavore, P.C., & Risi, S. (1999). Autism Diagnostic Observation Schedule-WPS (ADOS-WPS). Los Angeles, CA: Western Psychological Services. Lord, C., Petkova, E., Hus, V., Gan, W., Lu, F., Martin, D.M., Ousley, O. et al. (2011). A multisite study of the clinical diagnosis of different autism spectrum disorders. Archives of General Psychiatry, 69, McPartland, J.C., Reichow, B., & Volkmar, F.R. (2012). Sensitivity and specificity of proposed DSM-5 diagnostic criteria for autism spectrum disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, Verhulst, F.C, Ende van der, J., & Koot, H.M. (1996). Manual for the Child Behvior Checklist (in Dutch). Rotterdam, the Netherlands: Department of Child and Adolescent Psychiatry, ErasmusMC/Sophia Children s Hospital. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

18 eerste verkenningen Verkenning van repetitief gedrag: wie past waar in de DSM-5? Geerte Slappendel, Kirstin Greaves-Lord, Jorieke Duvekot & Ad van der Sijde Samenvatting Summary Met de komst van de DSM-5, is de aanwezigheid van repetitief gedrag volgens minimaal twee criteria voorwaarde voor de diagnose autismespectrumstoornis (ASS). Onder clinici en ouders leven daarom zorgen dat door deze verandering, met name mensen met stoornis van Asperger of pervasieve ont wikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (PDD-NOS), hun diagnose zouden kunnen verliezen. Dit artikel verkent of kinderen met een stoornis van Asperger of PDD-NOS zich van kinderen met een autistische stoornis onderscheiden in de aanwezigheid van hogere en lagere orde repetitief gedrag. Vervolgens wordt geïnventariseerd in hoeverre deze twee groepen op het gebied van repetitief gedrag zouden voldoen aan de criteria van de DSM-IV-TR en DSM-5. Methode: Dit verkennende, beschrijvende onderzoek maakt gebruik van gegevens uit 154 afnames van de Nederlandse vertaling van de Developmental, Dimensional, Diagnostic Interview (3Di; Skuse, Warrington, Bishop, Chowdhury, Lau, Mandy e.a., 2004). Items over repetitief gedrag zijn ingedeeld in hogere en lagere orde repetitief gedrag, en gekoppeld aan de DSM-IV-TR en DSM-5 criteria. Vervolgens is bepaald hoeveel procent van de groep met een stoornis van Asperger/PDD-NOS en de groep met een autistische stoornis waarschijnlijk voldoet aan de criteria betreffende repetitief gedrag. Resultaten: Bij alle kinderen (100%) met de diagnose autistische stoornis komen zowel hogere als lagere orde repetitief gedrag voor. Bij de groep met een stoornis van Asperger/PDD-NOS is dat respectievelijk 97% en 81%. Voor alle kinderen in de autistische groep geldt dat zij voldoen aan voldoende criteria voor repetitief gedrag volgens zowel With the arrival of the DSM-5, the presence of repetitive behaviour according to two criteria will become a condition for the diagnosis of autism spectrum disorder (ASD). There are concerns among clinicians and parents that with this change, particularly children with Asperger s disorder or pervasive developmental disorder not otherwise specified (PDD-NOS) will lose their diagnosis. This paper explores whether children with Asperger s disorder or PDD-NOS differ from children with autistic disorder in the presence of higher and lower order repetitive behaviour, and whether these two groups seem to meet criteria for repetitive behaviour according to the DSM-IV-TR and DSM-5. Method: This explorative study uses data from 154 interviews using the Dutch translation of the Developmental, Dimensional, Diagnostic Interview (3Di; Skuse, Warrington, Bishop, Chowdhury, Lau, Mandy et al., 2004). Items regarding repetitive behaviour were divided into higher and lower order repetitive behaviours, and linked to DSM-IV-TR and DSM-5 criteria. Subsequently, we explored what percentages of children with Asperger s disorder/pdd-nos and autistic disorder seemed to meet these criteria. Results: All children (100%) with autistic disorder showed both lower and higher order repetitive behaviour. For children with Asperger s disorder or PDD-NOS, that was true for respectively 97% and 81%. All children (100%) with autistic disorder seemed to meet repetitive behaviour criteria according to both DSM-IV-TR and DSM-5. For children with Asper- 54 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

19 Verkenning van repetitief gedrag DSM-IV-TR als DSM-5. Voor de groep met een stoornis van Asperger/PDD-NOS geldt dit voor respectievelijk 98% en 93%. Discussie: Er lijken verschillen te zijn tussen stoornis van Asperger/PDD-NOS versus autistische stoornis in het voorkomen van lagere orde, maar niet hogere orde repetitief gedrag. Kinderen met stoornis van Asperger/PDD-NOS lijken in de meeste gevallen ook binnen de DSM-5 in aanmerking te komen voor de diagnose ASS. Voor diegenen die niet langer in aanmerking komen voor de diagnose ASS, biedt de Sociale Communicatie Stoornis mogelijk een passend alternatief. ger s disorder or PDD-NOS, DSM-IV-TR criteria seemed to be met by 98% and DSM-5 criteria by 93%. Discussion: There appear to be differences between children with Asperger s disorder or PDD-NOS and children with autistic disorder regarding the presence of lower order, but not higher order repetitive behaviours. Children with Asperger s disorder or PDD-NOS do seem to meet repetitive behaviour criteria according to DSM-5 in the great majority of cases. For those who do not, the newly introduced Social Communication Disorder may offer a suitable alternative. Als de DSM-5 haar intrede zal doen, zal de voormalige categorie Pervasieve ontwikkelingsstoornissen (PDD) bestaande uit 5 subtypes, veranderen in één classificatie Austismespectrumstoornis (ASS). Ook zullen de criteria voor ASS verschillen van de criteria voor PDD. Eén van de discussies rondom de DSM-5-criteria voor ASS gaat over de aanpassingen aan de criteria op het gebied van wat in de DSM-IV-TR wordt omschreven als beperkte, repetitieve en stereotiepe gedrag-, interesse en activiteiten-patronen, of kortweg repetitief gedrag. In de DSM-IV-TR bestaat nog de mogelijkheid om een PDD diagnose te krijgen zonder aanwezigheid van repetitief gedrag: voor de diagnose pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (PDD-NOS) hoeft niet aan dit criterium te worden voldaan. Voor de nieuwe diagnose ASS is echter de aanwezigheid van minstens twee verschillende soorten van repetitief gedrag een voorwaarde (zie tabel 1). Onder clinici en ouders leven daarom zorgen dat veel mensen hun diagnose, en daarmee hun recht op zorg, zouden kunnen verliezen met de introductie van de DSM-5 (McPartland, Reichow en Volkmar, 2012). Deze zorgen richten zich met name op de groep individuen met PDD-NOS en de stoornis van Asperger. Vooral bij deze personen zou repetitief gedrag maar in beperkte mate voorkomen (Mandy, Charman, Gilmour en Skuse, 2011), waardoor de angst bestaat dat zij buiten de boot vallen. Repetitief gedrag is een verzamelterm voor een verscheidenheid van gedragingen en interesses. In de basis gaat het, zoals de DSM-IV-TR dat ook omschrijft, om interesses, gedragingen of activiteiten die zich sterk beperken qua onderwerp, opvallend repetitief zijn, of niet lijken aan te sluiten bij de interesses en gedragingen van leeftijdsgenoten. De variatie is, zoals ook te herkennen in beide versies van de DSM criteria op dit gebied, breed. Er is een wereld van verschil tussen het kind dat met de handen fladdert en naar de draaiende beweging van de wasmachine staart, versus het kind dat de hele dag alleen maar over technische details van computers praat en overstuur raakt als iemand het bureaublad op zijn of haar PC heeft aangepast. Het is dan ook niet verrassend dat er binnen dit symptoomgebied een onderverdeling te maken is in zogenaamde hogere en lagere orde gedragingen. Hierbij worden hogere orde repetitieve gedragingen met name gekenmerkt door preoccupaties voor bepaalde onderwerpen, rituelen en vasthouden aan strikte routines, terwijl lagere orde repetitieve gedragingen met name draaien om zich herhalende motorische gedragingen (zoals fladderen en wiegen) en sensorische interesses, bijvoorbeeld voor draaiende voorwerpen (Szatmari, Georgiades, Bryson, Zwaigenbaum, Roberts, Mahoney e.a., 2006; Mooney, Gray, Tonge, Sweeney en Taffe, 2009). Deze indeling wordt ook bij analyse van symptomen teruggevonden. Zo vonden Bishop, Hus, Duncan, Huerta, Gotham, Pickles e.a. (2012) dat de stereotiepe items van de Autism Diagnostic Interview Revised (ADI-R; Rutter, Le Couteur en Lord, 2003) bij factoranalyse uiteenvielen in een factor Repetitive Sensory Motor, bestaande uit de items hand- en vingerbewegingen, complexe of stereotiepe bewegingen van het lichaam, ongebruikelijke sensorische interesses, repetitief gebruik van voorwerpen en ongewone preoccupaties, en een factor Insistence on Sameness, bestaande uit beperkte interesses, dwanghandelingen/ rituelen, overgevoeligheid voor geluid, abnormale reacties op specifieke zintuiglijke stimuli, moeite met veranderingen in routines, en weerstand tegen veranderingen in de omgeving. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme NUMMER 2 JUNI

20 Verkenning van repetitief gedrag Juist in dit onderscheid lijken er ook verschillen te zijn tussen individuen met een diagnose van autistische stoornis versus individuen met een andere stoornis binnen het autismespectrum zoals de stoornis van Asperger of PDD-NOS. In een uitgebreide analyse van een grote groep kinderen met verschillende PDD diagnoses vonden Greaves-Lord, Eussen, Verhulst, Minderaa, Mandy, Hudziak e.a. (2012) dat er een groep kinderen met autismespectrumstoornissen is die voornamelijk hogere orde en weinig lagere orde repetitief gedrag laten zien. Mogelijk vertonen kinderen met Stoornis van Asperger of PDD-NOS dus niet zo zeer minder, als wel andere repetitieve gedragingen. Teruggrijpend naar de eerdere discussie over de angst dat veel mensen hun diagnose zullen verliezen, kan deze misschien gerelativeerd worden door niet alleen te kijken naar de hoeveelheid repetitief gedrag, maar vooral naar het soort repetitieve gedragingen dat kinderen met stoornis van Asperger of PDD-NOS vertonen. Naast het aanscherpen van de kwantitatieve eis voor repetitief gedrag van één criterium in de DSM-IV-TR naar twee criteria in de DSM-5, is er namelijk ook sprake van een grote kwalitatieve verschuiving in de definities van de criteria. Door deze kwalitatieve verschuiving lijkt juist de groep personen met meer hogere orde repetitieve gedragingen eerder aan de criteria te voldoen. Zo is het criterium stereotiepe en herhalende motorische maniërismen (DSM-IV-TR 3c) geherformuleerd naar stereotiepe of herhalende spraakpatronen, motorische maniërismen of gebruik van objecten. Hiermee is stereotiepe taalgebruik, wat in de DSM-IV-TR nog werd benoemd als communicatieve beperking, verschoven naar het gebied van de repetitieve gedragingen. Het criterium van vasthouden aan rituelen (DSM-IV-TR 3b) is ruimer gedefinieerd zodat ook weerstand tegen verandering nu binnen dit criterium valt. Eerder werd weerstand tegen verandering wel erkend als onderdeel van autisme, maar niet als definiërend beschouwd. Ditzelfde geldt voor sensorische interesses en over- of ondergevoeligheid. Deze zijn al langer bekend als secundair symptoom (Boyd, McBee, Holtzclaw, Baranek en Bodfish, 2009), maar worden in de DSM-5 nu erkend als diagnostisch criterium, wat opnieuw een verbreding inhoudt van de conceptualisering van repetitief gedrag. Vanwege de hierboven beschreven tegengestelde inhoudelijke en kwantitatieve veranderingen, is het zinvol om te kijken hoe deze aanpassingen praktisch uit kunnen pakken. Dit is in het bijzonder belangrijk om in Nederland te onderzoeken, aangezien de Nederlandse situatie niet volledig vergelijkbaar lijkt met die in de Verenigde Staten in Nederland lijkt verhoudingsgewijs relatief vaak de diagnose PDD-NOS gesteld te worden. Om meer inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre personen met Stoornis van Asperger en PDD-NOS met de komst van de DSM-5 niet langer aan de diagnostische criteria voor ASS voldoen, verkent het huidige onderzoek in hoeverre er verschillen zijn in het voorkomen van zowel hogere als lagere orde repetitief gedrag tussen kinderen met de stoornis van Asperger en PDD-NOS (DSM-IV-TR code ) versus kinderen met autistische stoornis (DSM-IV-TR code ). Voor deze inventarisatie is gebruik gemaakt van gegevens die verkregen zijn middels de Nederlandse vertaling van de Developmental, Dimensional, Diagnostic Interview (3Di; Skuse, Warrington, Bishop, Chowdhury, Lau, Mandy e.a., 2004). De 3Di wordt in Engeland al veel gebruikt voor diagnostiek van PDD, en is ook in eerder onderzoek gebruikt voor het beantwoorden van vraagstukken rondom de nieuwe ASS criteria van de DSM-5 (Mandy, Charman en Skuse, 2012). Methode Dit onderzoek maakt gebruik van voorlopige data van de Social Spectrum Study. Dit huidige deelonderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van januari 2011 tot mei Hierbij is in eerste instantie bij zes deelnemende instellingen in de regio zuidwest Nederland Yulius, Lucertis, Emergis, Riagg Rijnmond, GGZ WNB en het Erasmus-MC Sophia aan alle aangemelde kinderen en jongeren dezelfde set vragenlijsten verzonden, waaronder de Social Responsiveness Scale (SRS; Roeyers, Thys, Duart, De Schryver en Schittekatte, 2012). Vervolgens zijn per locatie tijdens periodes van zes maanden kinderen geselecteerd voor verdere deelname aan de studie. Hierbij zijn kinderen geselecteerd met een leeftijd van 2,5 tot en met 10 jaar ten tijde van aanmelding. Alle kinderen met een SRS score van 75 of hoger gerapporteerd door de ouder zijn uitgenodigd als groep met een verhoogde kans op ASS. Daarnaast is een willekeurige selectie gemaakt van de kinderen met een SRS score lager dan 75 (één op de vier kinderen in de leeftijd 4 t/m 10 jaar en één op de twee kinderen in de leeftijd 2,5 t/m 3 jaar) als vergelijkingsgroep. Kinderen en hun ouders werden uitgenodigd om deel te nemen aan verdere diagnostiek naar ASS, waaronder afname van de 3Di. Alle 3Di afnames zijn uitgevoerd door getrainde onderzoekers/clinici, met minstens een bachelor in een relevante studierichting. Naast de Social Spectrum Study zijn in het kader van het huidige project bij Yulius Autisme, Lucertis Sarr en het Erasmus-MC Sophia clinici getraind in de 56 NUMMER 2 JUNI 2013 Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Moet voldoen aan de criteria A, B, C en D A. Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie in meerdere

Nadere informatie

Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek

Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek Woensdag 2 april 2014 Ad van der Sijde, Yulius Autisme Paul Reijnen, BOBA Inhoud Presentatie Vragen Veranderingen DSM-5 autisme

Nadere informatie

Op naar de DSM 5! Autismespectrumstoornis. J. Wolthaus, GZ-psycholoog en C. Schoenmakers, GZ-psycholoog

Op naar de DSM 5! Autismespectrumstoornis. J. Wolthaus, GZ-psycholoog en C. Schoenmakers, GZ-psycholoog Op naar de DSM 5! Autismespectrumstoornis J. Wolthaus, GZ-psycholoog en C. Schoenmakers, GZ-psycholoog Autisme DSM IV: Stoornissen die meestal voor het eerst op zuigelingenleeftijd, kinderleeftijd of in

Nadere informatie

E E R S T E V E R K E N N I N G E N

E E R S T E V E R K E N N I N G E N E E R S T E V E R K E N N I N G E N Autisme in de DSM-5 Ad van der Sijde SAMENVATTING SUMMARY Met de introductie van de DSM-5 die op 17 mei 2013 werd gelanceerd veranderen de criteria voor autisme. De

Nadere informatie

Lezing voor de NVA. Door Harmke Nygard-Smith Klinisch psycholoog. Ontwikkelingsstoornissen Dimence

Lezing voor de NVA. Door Harmke Nygard-Smith Klinisch psycholoog. Ontwikkelingsstoornissen Dimence Lezing voor de NVA Door Harmke Nygard-Smith Klinisch psycholoog Ontwikkelingsstoornissen Dimence Waarom diagnostiek? Hoe doen we eigenlijk diagnostiek? De DSM 5 Wijzigingen in de DSM 5 voor de autisme

Nadere informatie

Autisme Spectrum Stoornissen Van DSM IV naar DSM 5

Autisme Spectrum Stoornissen Van DSM IV naar DSM 5 Autisme Spectrum Stoornissen Van DSM IV naar DSM 5 Britt Hoogenboom, kinder,- en jeugdpsychiater Dr. Sanne Hogendoorn, psycholoog Zorgprogrammaleiders Centrum voor Autisme en Psychose, de Bascule Referatencyclus

Nadere informatie

Deel VI Verstandelijke beperking en autisme

Deel VI Verstandelijke beperking en autisme Deel VI Inleiding Wat zijn de mogelijkheden van EMDR voor cliënten met een verstandelijke beperking en voor cliënten met een autismespectrumstoornis (ASS)? De combinatie van deze twee in een en hetzelfde

Nadere informatie

DSM IV interview. Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis.

DSM IV interview. Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis. DSM IV interview Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis. A.A. Spek Klinisch psycholoog Centrum Autisme Volwassenen GGZ Eindhoven Wanneer

Nadere informatie

Welkom. DGM en Autisme. Esther van Efferen-Wiersma. Presentatie door

Welkom. DGM en Autisme. Esther van Efferen-Wiersma. Presentatie door Welkom DGM en Autisme Presentatie door Esther van Efferen-Wiersma Inhoud Autisme: recente ontwikkelingen Van beperkingen naar (onderwijs)behoeften DGM en autisme Hulpmiddelen en materialen Vragen? Autisme?

Nadere informatie

Autisme spectrum conditie

Autisme spectrum conditie (potentiële) belangenverstrengeling Geen Autisme spectrum conditie Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Triversum W. Veenboer Kinder- en jeugdpsychiater Dag van eerste lijn Januari

Nadere informatie

Welkom. DGM en Autisme. Esther van Efferen-Wiersma. Presentatie door

Welkom. DGM en Autisme. Esther van Efferen-Wiersma. Presentatie door Welkom DGM en Autisme Presentatie door Esther van Efferen-Wiersma Inhoud DGM en autisme? Autisme: recente ontwikkelingen Van beperkingen naar (onderwijs)behoeften DGM en autisme! Vragen? DGM en Autisme?

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Op grond van klinische ervaring en wetenschappelijk onderzoek, is bekend dat het gezamenlijk voorkomen van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een verstandelijke beperking tot veel bijkomende

Nadere informatie

Het enige middel dat je in het werken met mensen hebt, is jezelf.

Het enige middel dat je in het werken met mensen hebt, is jezelf. Het enige middel dat je in het werken met mensen hebt, is jezelf. I. Autisme en verstandelijke beperking Het verschil Peter Vermeulen zei ooit in een vorming (1999) dat een verstandelijke beperking gelijk

Nadere informatie

Asperger en werk. Een dynamisch duo

Asperger en werk. Een dynamisch duo Asperger en werk Een dynamisch duo Natalie van Berkel Module Onderzoeksvaardigheden Stoornis van Asperger Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit ten minste 2 van de volgende:

Nadere informatie

DSM-5 interview autismespectrumstoornis

DSM-5 interview autismespectrumstoornis DSM-5 interview autismespectrumstoornis Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis. A.A. Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Autisme

Nadere informatie

Cure + Care Solutions

Cure + Care Solutions Cure + Care Solutions is hèt landelijk behandel- en expertisecentrum voor complexe psychische aandoeningen en werkt nauw samen binnen een landelijk netwerk van zorginstellingen door het hele land. Cure

Nadere informatie

Ieder kind is uniek, maar vooral dat van mij. Kinderen en psychiatrie Dr. Pieter De Kimpe Kinder- en Jeugdpscychiater

Ieder kind is uniek, maar vooral dat van mij. Kinderen en psychiatrie Dr. Pieter De Kimpe Kinder- en Jeugdpscychiater Ieder kind is uniek, maar vooral dat van mij Kinderen en psychiatrie Dr. Pieter De Kimpe Kinder- en Jeugdpscychiater Kinderen en psychiatrie Ook binnen de geneeskunde vindt er nog heel wat stigmatisering

Nadere informatie

Autismespectrumstoornis. SPV REGIOBIJEENKOMST MIDDEN NEDERLAND Mandy Bekkers

Autismespectrumstoornis. SPV REGIOBIJEENKOMST MIDDEN NEDERLAND Mandy Bekkers Autismespectrumstoornis SPV REGIOBIJEENKOMST MIDDEN NEDERLAND 19-10-2016 Mandy Bekkers (mandybekkers@hotmail.com) Waarschuwing vooraf! 2 Geschiedenis Autos (Grieks: zelf) 1937-1940: Term autisme 1943 &

Nadere informatie

Publications. Publications

Publications. Publications Publications Publications Publications De Bildt, A., Mulder, E.J., Scheers, T., Minderaa, R.B., Tobi, H. (2006) PDD, behavior problems and psychotropic drug use in children and adolescents with MR, Pediatrics

Nadere informatie

Autisme, wat weten we?

Autisme, wat weten we? Autisme, wat weten we? Matt van der Reijden, kinder- en jeugdpsychiater & geneesheer directeur Dr Leo Kannerhuis, Oosterbeek 1 autisme agenda autisme autisme en het brein: wat weten we? een beeld van autisme:

Nadere informatie

ASS in de verzekeringsgeneeskundige praktijk

ASS in de verzekeringsgeneeskundige praktijk ASS in de verzekeringsgeneeskundige praktijk Dr. P. Remijnse, psychiater UWV Breda, 4-7-2017 Disclosure belangen spreker (Potentiële) belangenverstrengeling Voor deze bijeenkomst mogelijk relevante relaties

Nadere informatie

DSM IV interview. Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis.

DSM IV interview. Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis. DSM IV interview Semi-gestructureerd anamnestisch interview ter beoordeling of er sprake is van een autismespectrumstoornis. A.A. Spek Klinisch psycholoog Centrum Autisme Volwassenen GGZ Eindhoven Wanneer

Nadere informatie

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Het moeilijke kind stelt ons vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

Het stimuleren van sociaalcommunicatieve vaardigheden bij jonge kinderen met een autismespectrumstoornis

Het stimuleren van sociaalcommunicatieve vaardigheden bij jonge kinderen met een autismespectrumstoornis Het stimuleren van sociaalcommunicatieve vaardigheden bij jonge kinderen met een autismespectrumstoornis Herbert Roeyers Onderzoeksgroep Ontwikkelingsstoornissen VVL Congres, Berchem, 14 maart 2014 Pervasieve

Nadere informatie

Vroege Signalen en Herkenning van Autisme Spectrum Stoornissen

Vroege Signalen en Herkenning van Autisme Spectrum Stoornissen Vroege Signalen en Herkenning van Autisme Spectrum Stoornissen Rutger Jan van der Gaag & Iris Oosterling, gz-psycholoog 2006 Karakter pagina 1 Inhoud Autisme Vroege herkenning van autisme DIANE-project,

Nadere informatie

geschilderd staat. Joep rent overstuur naar huis en zegt: De muur kwam naar me toe!

geschilderd staat. Joep rent overstuur naar huis en zegt: De muur kwam naar me toe! 1 Wat is autisme? Joep van drie rijdt op zijn driewieler op het paadje achter zijn huis. Het paadje eindigt in een muur waar een voetbalgoal op geschilderd staat. Joep rent overstuur naar huis en zegt:

Nadere informatie

Hersenstichting Nederland. Autismespectrumstoornissen

Hersenstichting Nederland. Autismespectrumstoornissen Hersenstichting Nederland Autismespectrumstoornissen 1 Autismespectrumstoornissen Een autismespectrumstoornis (ASS) is een ontwikkelingsstoornis waarbij de informatieverwerking in de hersenen verstoord

Nadere informatie

ADHD en ASS. Bij normaal begaafde volwassen. Utrecht, 23-01-2014 Anne van Lammeren, psychiater UCP/UMCG

ADHD en ASS. Bij normaal begaafde volwassen. Utrecht, 23-01-2014 Anne van Lammeren, psychiater UCP/UMCG ADHD en ASS Bij normaal begaafde volwassen Utrecht, 23-01-2014 Anne van Lammeren, psychiater UCP/UMCG Disclosure belangen spreker (potentiële) Belangenverstrengeling Geen Voor bijeenkomst mogelijk relevante

Nadere informatie

Samenvatting. Autismespectrumstoornissen

Samenvatting. Autismespectrumstoornissen Samenvatting Autismespectrumstoornissen Autismespectrumstoornissen zijn ontwikkelingsstoornissen die gekenmerkt worden door beperkingen in sociale omgang, de communicatie en de verbeelding. Ze gaan vaak

Nadere informatie

Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind. Prof. Dr. Stijn Vanheule Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind. Prof. Dr. Stijn Vanheule Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind Psychiatriseren = Het moeilijke kind stelt de volwassene vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

Autismespectrumstoornis bij volwassenen: een spectrum in diversiteit

Autismespectrumstoornis bij volwassenen: een spectrum in diversiteit Autismespectrumstoornis bij volwassenen: een spectrum in diversiteit Richard Vuijk Klinisch psycholoog Sarr Expertisecentrum Autisme Oudedijk 76 3062 AG BD Rotterdam, 088-3585500 www.sarr.nl r.vuijk@bavo-europoort.nl

Nadere informatie

Van Hé, hier ben ik tot Ha, daar ben jij

Van Hé, hier ben ik tot Ha, daar ben jij Van Hé, hier ben ik tot Ha, daar ben jij Floortime: ontwikkelingsgerichte therapie, met ouders en het jonge kind aan het werk Jo Wellens, kinder- en jeugdpsychiater & Ilse Vansant, psycholoog afdeling

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheidsstoornissen DSM-5 WHITEPAPER Persoonlijkheidsstoornissen Bij persoonlijkheidsstoornissen is sprake van manieren van over zichzelf en anderen denken en voelen die een aanzienlijke negatieve invloed hebben op het functioneren

Nadere informatie

ASS in de DSM 5. Ernst Horwitz, psychiater UMCG Groningen

ASS in de DSM 5. Ernst Horwitz, psychiater UMCG Groningen ASS in de DSM 5 Ernst Horwitz, psychiater UMCG Groningen Disclosure belangen spreker: E.H. Horwitz (potentiële) belangenverstrengeling Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Sponsoring

Nadere informatie

Diagnose en classificatie in de psychiatrie

Diagnose en classificatie in de psychiatrie Diagnose en classificatie in de psychiatrie Klinische Validiteit Research Betrouwbaarheid Prof dr Bert van Hemert psychiater en epidemioloog Afdelingshoofd psychiatrie DBC Kosten-baten 2 Diagnosen in de

Nadere informatie

Autisme bij het sterke geslacht. dr. Els M.A. Blijd-Hoogewys Klinisch Psycholoog / Psychotherapeut Manager Behandelzaken INTER-PSY

Autisme bij het sterke geslacht. dr. Els M.A. Blijd-Hoogewys Klinisch Psycholoog / Psychotherapeut Manager Behandelzaken INTER-PSY Autisme bij het sterke geslacht dr. Els M.A. Blijd-Hoogewys Klinisch Psycholoog / Psychotherapeut Manager Behandelzaken INTER-PSY Overzicht presentatie Wat is ASS? ASS bij vrouwen Diagnostiek bij vrouwen

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheidsstoornissen DSM-5 whitepaper Persoonlijkheidsstoornissen Bij persoonlijkheidsstoornissen is sprake van manieren van over zichzelf en anderen denken en voelen die een aanzienlijke negatieve invloed hebben op het functioneren

Nadere informatie

Op naar DSM 5. Mariken van Onna Klinisch psycholoog-psychotherapeut Supervisor VGCt Karakter Nijmegen Universitair Centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie

Op naar DSM 5. Mariken van Onna Klinisch psycholoog-psychotherapeut Supervisor VGCt Karakter Nijmegen Universitair Centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie Op naar DSM 5 Mariken van Onna Klinisch psycholoog-psychotherapeut Supervisor VGCt Karakter Nijmegen Universitair Centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie Nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen Meer kennis

Nadere informatie

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 Inhoud DSM IV -> DSM 5 DSM IV: Schizofrenie als kernsyndroom Even stilstaan bij SCHIZOFRENIE Kritiek op DSM IV Overzicht DSM 5 Schizofrenie (1) Epidemiologie:

Nadere informatie

Autisme en een verstandelijke beperking 20 september 2016

Autisme en een verstandelijke beperking 20 september 2016 Autisme en een verstandelijke beperking 20 september 2016 Cecile Blansjaar: orthopedagoog/autisme specialist Gedragskundige Stichting de Waerden Mede oprichter De Sociale Bron Wat is Autisme? In Nederland

Nadere informatie

Ontwikkeling van een arbeidsidentiteit bij mensen met een autisme spectrum stoornis

Ontwikkeling van een arbeidsidentiteit bij mensen met een autisme spectrum stoornis Ontwikkeling van een arbeidsidentiteit bij mensen met een autisme spectrum stoornis Diana Rodenburg d.rodenburg@leokannerhuis.nl Copyright Dr. Leo Kannerhuis Visie en missie Het Dr. Leo Kannerhuis is een

Nadere informatie

Het syndroom van Down en autisme duel of dual? Yvette Dijkxhoorn

Het syndroom van Down en autisme duel of dual? Yvette Dijkxhoorn Het syndroom van Down en autisme duel of dual? Yvette Dijkxhoorn Diagnostiek 1. Screening 2. Individueel descriptieve diagnostiek 3. Begeleiding en Behandeling Autismespectrumstoornissen VROEGE ONTWIKKELING

Nadere informatie

GEWOON ANDERS ASS BIJ JONGE KINDEREN. AutismeTeam Noord-Nederland, Jonx Lentis

GEWOON ANDERS ASS BIJ JONGE KINDEREN. AutismeTeam Noord-Nederland, Jonx Lentis GEWOON ANDERS ASS BIJ JONGE KINDEREN AutismeTeam Noord-Nederland, Jonx Lentis Programma Even voorstellen Wat is autisme? Vroege signalen bij autismespectrumstoornissen De eerste stap richting onderzoek

Nadere informatie

Ines Volders 3 de licentie orthopedagogiek 1

Ines Volders 3 de licentie orthopedagogiek 1 AUTISME Autisme is een ontwikkelingsstoornis die gekenmerkt wordt door problemen op het gebied van communicatie, sociale omgang, verbeelding en repetitief gedrag. Ongeveer 70% van de mensen met autisme

Nadere informatie

Ontwikkelingsdiagnostiek Noodzakelijk maar niet altijd eenvoudig bij volwassen

Ontwikkelingsdiagnostiek Noodzakelijk maar niet altijd eenvoudig bij volwassen Ontwikkelingsdiagnostiek Noodzakelijk maar niet altijd eenvoudig bij volwassen Werkgroep: C.Kan, A. in t Veld, M. Altena, M.Oosterhoff, M.van Oosten 11 december 2008 Indeling Ontwikkelingsanamnese; wat,

Nadere informatie

Ontwikkelingsproblemen bij kinderen in de huisartsenpraktijk

Ontwikkelingsproblemen bij kinderen in de huisartsenpraktijk Ontwikkelingsproblemen bij kinderen in de huisartsenpraktijk Signalen van kind en ouders Chris2ne Weenink en Emma van Daalen Huisarts en Psychiater (poten2ële) belangenverstrengeling Voor bijeenkomst mogelijk

Nadere informatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie Carlo Schuengel, Orthopedagogiek VU Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging Signaleren verstoord gehechtheidsgedrag Verschillende betekenissen van gehechtheid Band Gedrag Interactie Relatie

Nadere informatie

Yvette Dijkxhoorn, Autisme en Bewegen

Yvette Dijkxhoorn, Autisme en Bewegen Yvette Dijkxhoorn, Autisme en Bewegen De autismespectrumstoornissen - Kwalitatieve stoornissen in de sociale interactie - Kwalitatieve stoornissen in de communicatie - Kwalitatieve stoornissen in het verbeeldingsvermogen

Nadere informatie

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle  holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/19052 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Manti, Eirini Title: From Categories to dimensions to evaluations : assessment

Nadere informatie

Omgaan met kinderen met autismespectrumstoornissen. Rob Neyens 22.10.2009

Omgaan met kinderen met autismespectrumstoornissen. Rob Neyens 22.10.2009 Omgaan met kinderen met autismespectrumstoornissen Rob Neyens 22.10.2009 Programma 1. Theorie: wat is autisme? 1.1 Buitenkant 1.2 Binnenkant 2. Praktijk: hoe omgaan met autisme? 2.1 Remediëren 2.2 Compenseren

Nadere informatie

Diagnostiek en onderzoek naar autisme bij dubbele diagnose. Annette Bonebakker, PhD, klinisch neuropsycholoog CENTRUM DUBBELE PROBLEMATIEK DEN HAAG

Diagnostiek en onderzoek naar autisme bij dubbele diagnose. Annette Bonebakker, PhD, klinisch neuropsycholoog CENTRUM DUBBELE PROBLEMATIEK DEN HAAG Diagnostiek en onderzoek naar autisme bij dubbele diagnose Annette Bonebakker, PhD, klinisch neuropsycholoog CENTRUM DUBBELE PROBLEMATIEK DEN HAAG 1 Autisme spectrum stoornissen Waarom dit onderwerp? Diagnostiek

Nadere informatie

1. Gedrag. Au3sme. UMCG Publiekslezing Au3sme. Els M.A. Blijd- Hoogewys. Overzicht presenta3e. Wat is au3sme? Drie probleemgebieden

1. Gedrag. Au3sme. UMCG Publiekslezing Au3sme. Els M.A. Blijd- Hoogewys. Overzicht presenta3e. Wat is au3sme? Drie probleemgebieden Au3sme dr. Behandelcoördinator Au3sme Team Noord Nederland Overzicht presenta3e Wat is au3sme? naar Morton & Frith, 1995 1. Gedrag 2. Biologie 3. Cogni3e 4. Diagnose 5. Behandeling genen, hersengebieden

Nadere informatie

Inzicht in Autisme. Lezing

Inzicht in Autisme. Lezing Inzicht in Autisme Lezing 18-09-2014 FRANS COOLEN ASS Trainer NVA ASS Trainer/coach bij In to Autisme frans.coolen@intoautisme.nl ASS Autisme Spectrum Stoornis Per persoon Per leeftijd In ernst In verschijningsvorm

Nadere informatie

Autismespectrumstoornissen (ASS)

Autismespectrumstoornissen (ASS) Autismespectrumstoornissen (ASS) Ingeborg Meester & Anouk Hövels GZ Psycholoog/cogn. gedragstherapeut Psycholoog Centrum Autisme Dijk en Duin INHOUD Wat is een autismespectrumstoornis? Criteria en overgang

Nadere informatie

Reader. Autisme Spectrum Stoornissen

Reader. Autisme Spectrum Stoornissen Reader Autisme Spectrum Stoornissen Inhoudsopgave 1. Inleiding ASS... 3 1.1 Wat is ASS... 3 Omschrijving ASS... 3 3 hoofdkenmerken... 3 Sociale interactie... 3 Communicatie... 4 Problemen in de verbeelding...

Nadere informatie

Autismespectrumstoornis Voorspellers van beloop in een maatschappelijk perspectief. Dr. Kirstin Greaves-Lord 15 september 2016

Autismespectrumstoornis Voorspellers van beloop in een maatschappelijk perspectief. Dr. Kirstin Greaves-Lord 15 september 2016 Autismespectrumstoornis Voorspellers van beloop in een maatschappelijk perspectief Dr. Kirstin Greaves-Lord 15 september 2016 Doelen presentatie 1. Kader: maatschappelijke perspectieven en ontwikkelingen

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Addendum A 173 Nederlandse samenvatting Het doel van het onderzoek beschreven in dit proefschrift was om de rol van twee belangrijke risicofactoren voor psychotische stoornissen te onderzoeken in de Ultra

Nadere informatie

Autisme. Informatiebrochure over autismespectrumstoornissen

Autisme. Informatiebrochure over autismespectrumstoornissen Autisme Informatiebrochure over autismespectrumstoornissen Autisme Steeds meer mensen hebben psychische problemen. Uit diverse wetenschappelijke onderzoeken is gebleken dat ongeveer één procent van de

Nadere informatie

DSM 5: Ontwikkelingsstoornissen. Stephan Gemsa Katinka Franken

DSM 5: Ontwikkelingsstoornissen. Stephan Gemsa Katinka Franken DSM 5: Ontwikkelingsstoornissen Stephan Gemsa Katinka Franken Inhoud Van DSM IV naar DSM 5 Algemeen Ontwikkelingsstoornissen Verstandelijke beperking Autisme ADHD Communicatiestoornissen, leerstoornissen,

Nadere informatie

Autismespectrumstoornissen bij meisjes en vrouwen

Autismespectrumstoornissen bij meisjes en vrouwen EEN EERSTE VERKENNING Autismespectrumstoornissen bij meisjes en vrouwen Annelies Spek, Ank Goosen Samenvatting Summary Vanuit wetenschappelijk onderzoek en klinische ervaringen weten we dat autismespectrumstoornissen

Nadere informatie

The development of ToM and the ToM storybooks: Els Blijd-Hoogewys

The development of ToM and the ToM storybooks: Els Blijd-Hoogewys The development of ToM and the ToM storybooks: Els Blijd-Hoogewys Een reactie door Hilde M. Geurts Lezing Begeer, Keysar et al., 2010: Advanced ToM 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 Autisme (n=34) Controle

Nadere informatie

Our brains are not logical computers, but feeling machines that think.

Our brains are not logical computers, but feeling machines that think. Drs. Fernando Cunha (Child Support Europe) Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist http://www.child-support-europe.com In dienst van kinderen,

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheidsstoornissen DSM-5 WHITEPAPER Persoonlijkheidsstoornissen Bij persoonlijkheidsstoornissen is sprake van manieren van over zichzelf en anderen denken en voelen die een aanzienlijke negatieve invloed hebben op het functioneren

Nadere informatie

University of Groningen. The Friesland study Bildt, Alida Anna de

University of Groningen. The Friesland study Bildt, Alida Anna de University of Groningen The Friesland study Bildt, Alida Anna de IMPORTANT NOTE: You are advised to consult the publisher's version (publisher's PDF) if you wish to cite from it. Please check the document

Nadere informatie

DSM-V referatencyclus Infantpsychiatrie

DSM-V referatencyclus Infantpsychiatrie DSM-V referatencyclus Infantpsychiatrie Tamar Rozendaal, kinder- en jeugdpsychiater 19 mei 2015 Casus Bijna 2-jarige meisje, Amelia Verwezen door revalidatiearts Reden: weinig initiatief VRAAG 1 Werkt

Nadere informatie

Zorgprogramma voor mensen met gerontopsychiatrische problematiek in het verpleeghuis

Zorgprogramma voor mensen met gerontopsychiatrische problematiek in het verpleeghuis Zorgprogramma voor mensen met gerontopsychiatrische problematiek in het verpleeghuis Anne van den Brink Specialist Ouderengeneeskunde Onderzoeker Pakkende ondertitel Inhoud presentatie Inleiding Aanleiding

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen: Meten en weten. Prof. Dr. Bas van Alphen

Persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen: Meten en weten. Prof. Dr. Bas van Alphen Persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen: Meten en weten Prof. Dr. Bas van Alphen Inhoud Temporele stabiliteit Leeftijdsneutraliteit DSM-5 Behandelperspectief Klinische implicaties Casuïstiek Uitgangspunten!

Nadere informatie

EACD recommendations DCD. EACD recommendations. EACD recommendations DCD. EACD recommendations DCD. What s new? EACD recommendations DCD 3-12-2013

EACD recommendations DCD. EACD recommendations. EACD recommendations DCD. EACD recommendations DCD. What s new? EACD recommendations DCD 3-12-2013 EACD recommendations NL vertaling en aanpassing H. Reinders namens DCD Stuurgroep Internationaal: Juli 2011 Vertaling: zomer 2012 Bespreken in werkgroepen najaar 2012 Stuurgroep voorstel: maart 2013 Reactie

Nadere informatie

Vorming AUTISMESPECTRUM- STOORNIS

Vorming AUTISMESPECTRUM- STOORNIS Vorming AUTISMESPECTRUM- STOORNIS Bart Lenaerts Jorinde Dewaelheyns 6 december 2010 Wat mag je verwachten? Wat is autisme? Het stellen van de diagnose Wie? Hoe? Triade van stoornissen Autisme = anders

Nadere informatie

Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK)

Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) Instrument Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) De VISK is ontwikkeld om sociaal probleemgedrag van kinderen met (mildere) varianten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen

Nadere informatie

Autisme en psychose. Phrenos-congres Zwolle WS Do.8 december 2016 Ernst Wentink psychiater (KJ, VW)

Autisme en psychose. Phrenos-congres Zwolle WS Do.8 december 2016 Ernst Wentink psychiater (KJ, VW) Autisme en psychose Phrenos-congres Zwolle WS Do.8 december 2016 Ernst Wentink psychiater (KJ, VW) Inleiding Autisme en schizofrenie (psychose) levensbehoeften schizofrenie hebben schizofreen zijn? autisme

Nadere informatie

Verstandelijke beperkingen

Verstandelijke beperkingen 11 2 Verstandelijke beperkingen 2.1 Definitie 12 2.1.1 Denken 12 2.1.2 Vaardigheden 12 2.1.3 Vroegtijdig en levenslang aanwezig 13 2.2 Enkele belangrijke overwegingen 13 2.3 Ernst van verstandelijke beperking

Nadere informatie

Q&A-lijst. Vijftien veel gestelde vragen over DSM-5

Q&A-lijst. Vijftien veel gestelde vragen over DSM-5 Q&A-lijst Vijftien veel gestelde vragen over DSM-5 1. Wat is de DSM en wat kunnen psychiaters ermee? De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5) is een gereviseerd classificatiesysteem

Nadere informatie

Overleg van tevoren altijd met de ouders over de aanpak voor het kind en tips voor de omgang.

Overleg van tevoren altijd met de ouders over de aanpak voor het kind en tips voor de omgang. Overleg van tevoren altijd met de ouders over de aanpak voor het kind en tips voor de omgang. Aandacht stoornissen ADD Attention Deficit Disorder (letterlijk: aandacht tekort stoornis) - Een vorm van ADHD

Nadere informatie

GENDER, COMORBIDITY & AUTISM Inleiding INHOUD Opzet en Bevindingen per onderzoek Algemene Discussie Aanbevelingen Patricia J.M. van Wijngaarden-Cremers Classifications & Gender Patient cohort 2004 Clusters

Nadere informatie

De autismespectrumstoornis (ASS) behelst het

De autismespectrumstoornis (ASS) behelst het Stand van zaken Autismespectrumstoornis bij meisjes en vrouwen Annelies A. Spek De autismespectrumstoornis (ASS) behelst het gehele spectrum van aan autisme verwante stoornissen, waaronder de autistische

Nadere informatie

s. m. j. h e i j n e n - k o h l, s. p. j. v a n a l p h e n autismespectrumstoornissen, diagnostiek, ouderen definiëring

s. m. j. h e i j n e n - k o h l, s. p. j. v a n a l p h e n autismespectrumstoornissen, diagnostiek, ouderen definiëring k o r t e b i j d r a g e Diagnostiek van autismespectrumstoornissen bij ouderen s. m. j. h e i j n e n - k o h l, s. p. j. v a n a l p h e n samenvatting Autismespectrumstoornissen worden bij ouderen

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Pouw, Lucinda Title: Emotion regulation in children with Autism Spectrum Disorder

Nadere informatie

Richtlijn JGZ-richtlijn Autismespectrumstoornissen

Richtlijn JGZ-richtlijn Autismespectrumstoornissen Richtlijn JGZ-richtlijn Autismespectrumstoornissen Specifieke Inleiding Autismespectrumstoornis Ontwikkeling van het concept autismespectrumstoornis Autisme is één van de meest beschreven psychiatrische

Nadere informatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie Carlo Schuengel, Orthopedagogiek VU Signaleren verstoord Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging Verschillende betekenissen van gehechtheid Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale

Nadere informatie

Het Asperger-syndroom in de DSM-IV

Het Asperger-syndroom in de DSM-IV Het Asperger-syndroom in de DSM-IV door J.H. Jessurun en C. Verhagen-Redtenbacher Gepubliceerd in 1996, no. 8 Samenvatting In dit artikel worden de criteria van de DSM-IV voor de Stoornis van Asperger

Nadere informatie

23 oktober 2013 1. Wat betekent autisme voor jou? Waaraan denk je spontaan? Vroeger hoorde je daar toch niet zoveel over?

23 oktober 2013 1. Wat betekent autisme voor jou? Waaraan denk je spontaan? Vroeger hoorde je daar toch niet zoveel over? Vroeger hoorde je daar toch niet zoveel over? Tegenwoordig heeft iedereen wel een etiketje! Hebben we dat niet allemaal een beetje? Als je niks hebt, is het precies al abnormaal! Mijn kind heeft (net)

Nadere informatie

Overzicht Autisme net ff anders. Herkennen van autisme in contact. Autisme Specifieke Communicatie. Vragen

Overzicht Autisme net ff anders. Herkennen van autisme in contact. Autisme Specifieke Communicatie. Vragen Autisme niet begrepen? Niet herkend! Gemeente Koggenland 6 november 2017 & Stichting Deuvel Mieke Bellinga Mariëlle Witteveen Overzicht Autisme net ff anders Herkennen van autisme in contact Autisme Specifieke

Nadere informatie

Developmental Coordination Disorder. Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts

Developmental Coordination Disorder. Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts Developmental Coordination Disorder Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts 11-06-2015 Inhoud Developmental Coordination Disorder Criteria Kenmerken Comorbiditeiten Pathofysiologie Behandeling Prognose

Nadere informatie

Inleiding: Autisme in de volwassenheid

Inleiding: Autisme in de volwassenheid Nieuwe ontwikkelingen in de behandeling van autisme bij volwassenen 14-06-2011 Inleiding: Autisme in de volwassenheid Ina van Berckelaer-Onnes Universiteit Leiden Gezondheidsraad 2009 Autismespectrumstoornissen:

Nadere informatie

Programma. ASS anno 2014. Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders! DSM 5: Neuroontwikkelingsstoornissen ASS 2014. Passenderwijs 02-04- 2014.

Programma. ASS anno 2014. Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders! DSM 5: Neuroontwikkelingsstoornissen ASS 2014. Passenderwijs 02-04- 2014. ASS: een uitdaging voor leerkrachten Programma SWV Passenderwijs 02-04- 2014 Ina van Berckelaer-Onnes Universiteit Leiden 1 Inleiding: ASS anno 2014 Problematische leerdomeinen en leerstijlen Talenten

Nadere informatie

Psychotische stoornissen in DSM V. Mirjam Klein (supervisor Erik Giltay) Afdeling Psychiatrie LUMC, Leiden

Psychotische stoornissen in DSM V. Mirjam Klein (supervisor Erik Giltay) Afdeling Psychiatrie LUMC, Leiden Psychotische stoornissen in DSM V Mirjam Klein (supervisor Erik Giltay) Afdeling Psychiatrie LUMC, Leiden Kritiek op DSM IV Nauwelijks goede definitie van Schneideriaanse symptomen Subtyperingen niet betrouwbaar

Nadere informatie

Wat is een specifieke taalontwikkelingsstoornis? dr Ellen Gerrits, logopedist Congres TaalStaal 9 november 2012 Koninklijke Auris Groep

Wat is een specifieke taalontwikkelingsstoornis? dr Ellen Gerrits, logopedist Congres TaalStaal 9 november 2012 Koninklijke Auris Groep Wat is een specifieke taalontwikkelingsstoornis? dr, logopedist Congres 9 november 2012 Koninklijke Auris Groep Over welke kinderen praten we vandaag? Engels: Specific Language Impairment: Is SLI wel zo

Nadere informatie

Tony Attwood. Aanvulling bij Hulpgids Asperger-syndroom naar aanleiding van de verschijning van DSM-5

Tony Attwood. Aanvulling bij Hulpgids Asperger-syndroom naar aanleiding van de verschijning van DSM-5 Tony Attwood Aanvulling bij Hulpgids Asperger-syndroom naar aanleiding van de verschijning van DSM-5 De nieuwe diagnostische criteria voor autismespectrumstoornis in DSM-5 Inleiding Na veertien jaar van

Nadere informatie

Kinderneurologie.eu. www.kinderneurologie.eu MCDD

Kinderneurologie.eu. www.kinderneurologie.eu MCDD MCDD Wat is MCDD? MCDD is een ontwikkelingsstoornis waarbij kinderen moeite hebben om met hun gevoelens om te gaan en moeite hebben met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid. Hoe wordt MCDD

Nadere informatie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie Grensoverschrijdend gedrag Les 2: inleiding in de psychopathologie Programma Psychopathologie; wat is het? Algemene functionele psychopathologie DSM Psychopathologie = Een onderdeel van de psychiatrie

Nadere informatie

Het hoofdstuk neurodevelopmental disorders in de DSM-5

Het hoofdstuk neurodevelopmental disorders in de DSM-5 korte bijdrage Het hoofdstuk neurodevelopmental disorders in de DSM-5 ACHTERGROND In mei 2013 is de vijfde editie van de dsm verschenen. DOEL Beschrijven van de veranderingen in dsm-5 in de diagnostische

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Dit proefschrift gaat over de oorzaken van het vóórkomen van symptomen van autisme spectrum stoornissen (ASD) bij kinderen met een aandachtstekort stoornis

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

Training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS

Training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS Training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS ADOS-training Karakter organiseert een training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS. Wat is ADOS? Het Autisme Diagnostisch

Nadere informatie

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle  holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22748 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Fagel, Selene Sofia Alexandra Agnes Title: Childhood psychopathology and development

Nadere informatie

AUTISME CENTRAAL AUTISME CENTRAAL. Auti goed gevoel vragenlijst

AUTISME CENTRAAL AUTISME CENTRAAL. Auti goed gevoel vragenlijst Auti goed gevoel vragenlijst Achtergrond: De Auti goed gevoel vragenlijst is ontwikkeld naar aanleiding van een artikelenreeks in het tijdschrift Autisme Centraal over het in kaart brengen en het nastreven

Nadere informatie

Een triagetool: het Kompas Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Frits Boer & Frank Verhulst 8 oktober 2015 Ede

Een triagetool: het Kompas Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Frits Boer & Frank Verhulst 8 oktober 2015 Ede Een triagetool: het Kompas Kinder- en Jeugdpsychiatrie Frits Boer & Frank Verhulst 8 oktober 2015 Ede Bij vermoeden psychische stoornis is de vraag: Is het nodig Jeugd-GGz/KJP te betrekken? Is het nodig

Nadere informatie

Oolgaardt lezing 28 November 2006 Ze kunnen het wel, maar ze

Oolgaardt lezing 28 November 2006 Ze kunnen het wel, maar ze Oolgaardt lezing 28 November 2006 Ze kunnen het wel, maar ze doen het niet Sociaal emotionele vermogens van normaal intelligente kinderen met autisme spectrum stoornissen (ASS) Sander Begeer (Vrije Universiteit,

Nadere informatie

DSM-5: de algemene wijzigingen ten opzichte van de DSM-IV

DSM-5: de algemene wijzigingen ten opzichte van de DSM-IV DSM-5: de algemene wijzigingen ten opzichte van de DSM-IV Classificeren, diagnostiek en indicatiestelling Prof.dr. Michiel W. Hengeveld, psychiater Disclosure Disclosure belangen spreker Potentiële belangenverstrengeling

Nadere informatie