Coachen (bij wedstrijden)

Save this PDF as:

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Coachen (bij wedstrijden)"

Transcriptie

1 Rien Slager, juli e herziening sept e herziening aug 2011

2 1. Inhoudsopgave 1. Inhoudsopgave Werken aan een prettige cultuur in de groep Inleiding Tien hulpregels voor de trainer Coachen bij wedstrijden Prioriteiten Crisisbeheersing door coaches Augustus

3 2. Werken aan een prettige cultuur in de groep Inleiding Als we kijken naar het kind / jongere dan kunnen we uitgaan van de volgende behoeften: aan leren; aan erkenning en waardering; aan liefde, geborgenheid en veiligheid; aan presteren; aan nieuwe ervaringen; aan verantwoording en zelfstandigheid; aan lichaamsbeweging en beleving. Toch kan het zijn dat sommige zaken niet geheel lopen zoals het kind en wij willen. Het is niet eenvoudig om door ons als moeilijk ervaren gedrag om te buigen. Als trainer weten we dat elke gedrag via een leertraject verloopt. Dat is dus niet anders bij atleten met een afwijkend gedrag. Afleren kan niet en er zit ook geen afzetknop op. We moeten ander gedrag mogelijk maken en prettiger om te doen en dominanter maken in gebruik. Ongewenst gedrag van atleten in de groep Atleten die zich vervelend opstellen of steeds ruzie maken in de groep, worden vaak beloond. Het kind dat scheld, schopt en of slaat, ruzie maakt of brutaal is, krijgt de meeste aandacht van de trainer. Het kind dat niet in de rij wil gaan staan, om op zijn beurt te wachten, maar zich er tussen wringt, heeft van de kinderen alle aandacht. Helaas wel altijd negatief. Een van de grootste problemen waar ouders en leerkrachten en trainers mee worden geconfronteerd, is dat bij het afstoppen van dit gedrag, het kind precies krijgt wat hij wil. Het kind leert op die manier niet de gevolgen van zijn gedrag. Ook maakt hij geen vrienden op deze manier en zal zijn reputatie hem altijd vooruit gaan. Bij een deel van deze kinderen lijkt dit gedrag aangeboren. Veel van deze kinderen zijn rusteloos en waren als baby al moeilijk stil te krijgen. Ze kunnen op latere leeftijd niet stilzitten en hebben moeite met zelfbeheersing. Ze zijn snel afgeleid en als ze eenmaal boos worden lijkt er geen einde aan te komen. Er lijkt geen rem op te zitten. Ze zijn erg impulsief en kunnen zich nauwelijks een paar minuten concentreren op een taak. Hoe anticipeer je daar op als trainer? Vaak is er geen sprake van opzet of boze bedoelingen van deze kinderen. De ouders weten zich vaak geen raad en gaan ook twijfelen aan hun handelen. Het enige wat dan telt is kijken naar het kind. Thuis vooral. Zitten er patronen in het gedrag? Kun je aanleidingen ontdekken die het gedrag leiden? Het kan zijn dat het gedrag thuis altijd normaal is en in het openbaar juist wel ontspoort of andersom. Welk tijdstip is het er wel en wanneer is het er niet? Ergens moet kunnen worden vastgesteld wat de bron en situaties zijn waar het kind de controle verliest. Het gevolg hiervan is dat je in een toekomstig moment het kind op tijd uit de situatie kan halen voordat het de controle verliest. Zorg dan voor de veilige omgeving en praat over wat er mis ging en probeer met het kind onder woorden te brengen wat er bijna mis ging. Zo leert het kind het herkennen en benoemen. Wat belangrijker is, het gevoel krijgen van een positieve ervaring dat het er zelf ook iets aan kan doen en anders kan reageren op een bedreigende situatie. Dit is erg intensief en kan eigenlijk alleen met ouders samen. Structuur Dit is een regel waar velen baat bij hebben en daarom niet specifiek op de moeilijke kinderen is gericht. Sommige situaties zijn voorspelbaar en creëren wij als trainers soms zulke situaties waarin kinderen zich bedreigd kunnen voelen en niet kunnen omgaan met deze routines. Rijtjes, wachttijden, lange uitleg momenten e.d. zijn de vaak door ons gecreëerde situaties. De organisatie van je trainingen is een punt van aandacht. Positief blijven, belonen, praten over emoties is vaak beter dan boos reageren en dreigen met allerlei sancties. Niet dat deze er niet moeten zijn maar laat dit wel alleen Augustus

4 gelden bij wangedrag uit opzet. Ook hier blijven ouders een cruciale rol spelen en moeten wellicht ook helpen voor en na trainingen. Zie verder bijlage 10 Tools voor de trainer. Vaardigheden aanleren Oudere kinderen en pubers kunnen we vooral helpen door naar zichzelf te leren kijken vanuit een ander perspectief. Ze moeten leren wat het verschil is tussen gedragsvormen bijvoorbeeld, assertiviteit en agressie. De grootste valkuil waar een puber in valt wordt vaak versterkt door het meeglijdend gedrag van ouders en ouderen uit hun omgeving door de benadrukking van wat er beter moet en wat er fout gaat. Zoek naar de punten die goed gaan en de talenten die ze hebben en benadruk deze zaken. Maak in normale verhouding en gesprekken de weg vrij om andere punten met het kind te bespreken. Moeilijk gedrag ontstaat vaak door een gebrek aan de vaardigheid om te gaan met een situatie. Negatief reageren, dreigen, boos worden bevestigt vaak het gedrag. Als trainer is het dus van belang een aantal doelen te stellen: Het verminderen van probleemgedrag; Het (aan)leren van sociale-emotionele vaardigheden; Het verbeteren van de sfeer; Het afspreken van consequent gedrag van trainers. Wat stuurt het probleem gedrag? Waardoor ontstaan de situaties waarin het probleem zich manifesteert? Kun jij daar direct iets aan doen? Als een atleet bijvoorbeeld nog niet vaardig genoeg is om een opdracht uit te voeren als hij dit samen met zijn vriend moet doen, is het een vorm van taakverlichting om hem met een ander de opdracht uit te laten voeren zodat het hem wel lukt om zijn aandacht op deze opdracht te richten. Wat kan een trainer nu doen om atleten competenter te maken? (ook vakinhoudelijk) Een competentieanalyse maken (wat kan een atleet, wat kan hij nog niet, welke factoren zijn hierop van invloed) Heldere observaties maken over het lastige gedrag (concreet gedrag, verdeeld in kleine stapjes. Wat is de situatie, wat is het gedrag, wat zijn de gevolgen en voor wie?) Meer systematische positieve feedback geven op gewenst gedrag, vooral bij lastige atleten. Dit verbetert de sfeer en heeft een positief effect op de vaak verstoorde relatie met deze atleten) Bij ongewenst gedrag duidelijke feedback geven en instructies geven over wat dan wel gewenst is. Bijvoorbeeld: Bij de trainer protesteert een meisje tegen haar opstelling in de competitieploeg. Zij valt boos uit tegen de trainer en zegt hem oneerlijk te zijn. De trainer zegt tegen haar; Ik kan me best voorstellen dat je teleurgesteld bent maar ik wil niet dat je zo tegen me schreeuwt. Als je het op een rustige manier zegt heb je meer kans dat ik naar je luister. OK? Het meisje moppert nog wat maar houdt zich verder rustig. Het toelichten van afspraken, handelingen en regels op een voor de atleten begrijpelijke en aansprekende wijze. Duidelijke regels afspreken, samen met de atleten. De regels hanteren met alle trainers. Tot slot: Over het verbeteren van de sfeer; het blijkt dat trainers van lastige groepen veel minder positieve feedback geven. In de geobserveerde moeilijke groepen werd gemiddeld één keer per trainingsuur iets aardigs gezegd. Dit tegenover gemiddeld 10 dreigementen (als je nu niet stopt dan.). Op deze manier draagt de trainer bij aan het blijven voortbestaan van de negatieve sfeer in de groep. In zo n negatieve sfeer is de kans op lastig gedrag groter. Bij nog meer lastig gedrag zal de trainer geneigd zijn nog negatiever te worden, etc, etc. Augustus

5 Tien hulpregels voor de trainer 1. Wees duidelijk aanwezig Als je iets uitlegt en je wilt van iedereen aandacht, dan sta je voor de groep. Iedereen kan jou dan goed zien, en jij iedereen. 2. Regels zijn geen afspraken Veel trainers hebben het alsmaar over afspraken als atleten regels overtreden. Doe dat alleen als er sprake is van echte afspraken waarin atleten inspraak hebben gehad en waarmee ze ingestemd hebben. Noem het anders geen afspraak. Atleten ervaren opgelegde regels niet zomaar als afspraken. En gelijk hebben ze. 3. Corrigeer gedrag professioneel Als een atleet met iets anders bezig is dan wat je bedoeling is, moet hij gecorrigeerd worden. Dat kan op verschillende manieren. Je kunt iets gillen als 'Aan het werk' of 'Hou daar onmiddellijk mee op', maar je kunt het ook wat subtieler en professioneler aanpakken. Maak eerst oogcontact. Reageert de atleet niet, maak dan de fysieke afstand zo klein dat je wel contact hebt. Blijft de atleet in het storend gedrag volharden, dan stel je een limiet en een consequentie. Je bereikt hiermee dat de atleet precies weet wat er van hem verwacht wordt. Overschrijdt hij de limiet, dan volgt automatisch de consequentie. Als je dat nalaat, heb je dit middel verbruikt. Een tweede atleet kun je dan niet meer op die manier corrigeren, omdat dat niet eerlijk is ten opzichte van de eerste. 4. Ga geen discussie over gedrag aan Heel vaak gaan trainers tijdens de training discussies aan over het gedrag van individuele atleten. Dat is niet zo slim. Natuurlijk moet je opmerkingen maken als een bepaald gedrag storend of anderszins onwenselijk is. Maar als de betreffende atleet daarover met je in discussie wil gaan, moet je die discussie resoluut en helder afbreken en bijvoorbeeld zeggen dat je er na de training wel verder op in wil gaan. 5. Leer atleten zelf een sanctie verzinnen Soms ontkom je er niet aan om atleten te straffen. Je kunt allerlei onaangename maar nutteloze dingen verzinnen, zoals strafrondjes lopen, maar je kunt ook zeggen: 'Je hebt die en die regel overtreden. Doe eens een voorstel voor een goede, passende straf.' Meestal weten atleten best iets te bedenken, zeker als jij als trainer van deze manier van straffen een vast patroon maakt. Ga serieus op de voorstellen in, maar maak wel heldere afspraken. Laat atleten bijvoorbeeld ook samen een gepaste en eventueel ludieke sanctie bedenken voor ongewenste dingen als te laat komen. Bijvoorbeeld een liedje zingen of trakteren. Pas wel op dat de sanctie niet te aantrekkelijk wordt. 6. Wordt boos voordat je echt boos bent maar blijf niet boos Spreekt voor zich. Door boos te worden voordat je boos bent blijf je rationeel denken en doen. Als er flink gerotzooid wordt en als een training helemaal niks was, kan je daar gerust boos over worden, maar verras de roep vervolgens eens door te zeggen: Kom maar op, we gaan iets leuks doen.' 7. Geef ik-boodschappen af Als er zaken zijn die je niet bevallen, zoals vloeken, gore woorden schreeuwen en elkaar onheus bejegenen, geef dan een ik-boodschap af, zeg dat jij dat gedrag niet prettig vindt. Ik-boodschappen zijn door hun persoonlijke aard effectiever dan vasthouden aan algemene regels of neutrale opmerkingen als: 'Zoiets doe je niet'. 8. Geef alle atleten complimenten Het is erg belangrijk dat alle atleten complimenten krijgen. Daar moet een trainer dus voor zorgen. En dan gaat het niet alleen om complimenten bij bijzondere prestaties of van die gewone complimenten als iemand iets goeds, leuks of onverwachts doet. Augustus

6 Een goede trainer organiseert het zo dat hij alle atleten en zeker de zwakkere atleten en de moeilijke gevallen op zijn tijd een compliment kan geven. Dat vergt organisatie, voorbereiding en creativiteit. 9. Onderneem actie tegen pesten Pesten schijnt bij groepen te horen, maar je mag je er als trainer niet bij neerleggen. De trainer is vanwege zijn opvoedende taak verplicht iets tegen pesten te ondernemen. Dat kan makkelijker als de trainer vanaf het begin duidelijk maakt dat er in zijn groep bepaalde regels gelden: Praten over pesten is geen klikken. Praten over pesten mag, met naam en toenaam. Praten over pesten is opkomen voor jezelf en dat is het recht van ieder mens. Als iemand zich in de groep niet prettig voelt, is dat het probleem van de hele groep. Je zou die regels ergens in je clubhuis kunnen ophangen. Dan kun je er makkelijk aan refereren als het nodig is. Je zou ook nog dit kunnen ophangen: Wat is het verschil tussen plagen en pesten? Iemand die geplaagd wordt, vindt dat wel leuk. Iemand die gepest wordt niet. 10. Behandel iedereen individueel maar gelijkwaardig De kunst van goed trainerschap is dat je iedere atleet individueel moet behandelen en tegelijkertijd alle atleten het gevoel moet geven dat ze gelijk behandeld worden. Dat klinkt als een contradictie, maar het is het is slechts een paradox. Atleten hebben geen enkele moeite met een voorzichtigere benadering van een verlegen atleet of een extra loopje voor de ADHD-er. Dat wordt echt niet ervaren als voortrekken. Als kinderen je er toch op aanspreken, bespreek het dan in algemene zin: 'Heb je een broertje of zusje? Worden jullie altijd gelijk behandeld? Waarom wel? Waarom niet? Wat vind je goed aan die aparte behandeling? Hoe zou dat in de groep moeten?' Het zijn geen gouden regels maar wel hulpmiddelen die in de praktijk hun nut bewijzen. Augustus

7 3. Coachen bij wedstrijden 1. De belangrijkheid van de wedstrijd. 2. Aanwezigheid van afleiding. 3. De mate van verstoring van de standaard patronen. Deze drie vormen de bron of veroorzaken de meeste problemen tijdens de voor de atleten grote evenementen. ad 1. De belangrijkheid van een wedstrijd bepaald hoe hoog de kwaliteit van de prestatie moet worden en draagt daardoor bij aan de hoogte van de psychische stress. Tijdens deze wedstrijden is het zaak om optimaal te presteren en de marge waarin falen is toegestaan is zeer klein. Heel vaak wil de atleet juist op dit soort wedstrijden DÉ prestatie neerzetten. Wanneer deze hoge doelen zijn gekoppeld aan de belangrijkheid van de wedstrijd dan kunnen deze typerende verlangens te hoog zijn voor de optimale prestatie. Het belang van een wedstrijd voor een atleet kan verschillende negatieve invloeden bewerkstelligen en de atleet afleiden van het prestatie doel. De concentratie wordt dan gedomineerd door de gedachte aan potentieel waardering bij succes of de potentiële consequenties van falen i.p.v. datgene doen waarvoor de atleet is opgeleid en getraind. Het gedrag van de atleet is vaak anders waardoor de prestatie even vaak minder succesvol is in deze belangrijkere evenementen dan bij de onbelangrijkere. ad 2. Afleiding door allerlei speciaal bij grotere wedstrijden behorende oorzaken zoals: meer publiek; aanwezigheid van camera's met uitsluitend aandacht voor kanshebbers; kwalificatie rondes; lange wachttijden. ad 3. Verstoring van de standaardpatronen en daarmee het voorbereidend gedrag: langere reizen; overnachten in tent/ caravan/ hotel/ motel of atletendorp; desoriëntatie over de aanwezige faciliteiten; meldpunten/ callrooms/ protocollen. Al deze factoren genoemd in de drie punten hebben in een belangrijke mate invloed op het gedrag van de atleten. Vooral angst, verwarring, weinig zelfvertrouwen, lage motivatie, niet doelgericht in fysieke en mentale voorbereiding behoren tot de reacties top vijf. Hoewel de omstandigheden niet alleen de oorzaak zijn van de genoemde problemen, ze versterken de reacties wel. Het is aan de coaches en organisatoren om daar waar mogelijk alles er aan te doen om de effecten zoveel mogelijk te helpen verminderen. Coaches moeten daarnaast alert zijn op signalen van de atleten welke ontstaan als reactie op de negatieve psychologische barrières. Niet alle signalen zijn even duidelijk te herkennen. (Oorzaken waarop de spiraal neerwaarts gaat; zie schema) Verlangen/bezorgdheid (faalangst?) Dit is een product van onzekerheid over de wedstrijd en de voorstelling van de belangrijkheid over het goed presteren. "Als ik nu eens.../ Als ik nu maar niet..." i.p.v Ik ga/ Hier ben ik/ Dit kan ik! Weinig zelfvertrouwen ontstaat door dezelfde factoren zoals wachttijden/afleiding/verstoorde patronen en geeft vaak de volgende signalen af: bezorgdheid; verkeerd getimed voorbereiden; Augustus

8 zelfbeklag; té gefixeerd op de tegenstanders; excuses als voorbereiding op een minder goede prestatie. Afwijken van de werkende patronen Het idee leeft dat er op belangrijke wedstrijden meer of anders moet worden voorbereid. Men volgt anderen in de voorbereiding en kijken daarbij vooral naar de in hun ogen betere atleten. Vooral de eetgewoontes, wedstrijd voorbereiding, warming-up, technieken zijn heel persoonlijk en risicovol indien men daarvan afwijkt. Het opgeven van de persoonlijke controle Tijdens grote/ belangrijke evenementen zijn er vaak afwijkende protocollen. Callrooms, ontbreken van directe coaching, veel regels vanuit de organisatie, allerlei controles, enz. Hierdoor krijgt men al snel het gevoel niets meer zelf te kunnen bepalen. Signalen waaruit e.e.a. blijkt: uiting van frustraties; onverantwoord geïrriteerd gedrag; niet doelgericht; niet meer zien waar te beginnen = hulpeloosheid. Prioriteiten Coachen in deze situaties is vooral begrijpen wat de psychische noden zijn van de atleten. Niet in alle gevallen kan een coach zijn/ haar atleten helpen, vooral in stressvolle situaties is het niet altijd even duidelijk hoe deze kunnen worden opgelost. Om deze reden is het van belang om prioriteiten te stellen. Deze prioriteiten moeten vooral de filosofie van de coach reflecteren. Dit is nodig om vooral duidelijk en onder alle omstandigheden dezelfde gedachten te uiten. Prioriteit 1: De persoon De veiligheid/ belangrijkheid van de atleet. Zorgen voor fysieke veiligheid. Zorgen voor eigenwaarde/ belangrijkheid van de persoon. Reële doelen voor ogen/ betrokkenheid tot de persoon en zorgen voor het behouden van het plezier in de sport. Zorgen voor zorg. Bij het zich voordoen van een probleem inspringen en vooral richten op het terugbrengen naar zekerheid, teruggeven van de moed om verder te gaan, aanmoedigen. Prioriteit 2: Het optreden van de atleet Om goed te kunnen presteren is een doelgericht optreden nodig. Richt vooral het doel op haalbare en door de atleet beheerste techniek. Een autonoom moment waarin de trainer/coach niet inbreekt. De stabiele elementen uit de beweging worden beheerst in diverse situaties terwijl de atleet inspeelt op de flexibele elementen. De atleet is in deze fase in staat om de bewegingsvaardigheid snel aan te passen zonder dat hij daar bewust over heeft nagedacht. Hij komt in de flow waarin de beweging als het ware de macht over neemt. Discussies met officials en andere niet controleerbare zaken vermijden. Atleet = focus op het optreden. Prioriteit 3: Betekenisvolle anderen Dit zijn in de meeste gevallen familie, vrienden, clubgenoten, eigen verzorgers, coaches. Op belangrijke wedstrijden moeten zaken zoals reizen, verblijf, contacten leggen met atleten apart geregeld worden voor deze belangrijke anderen. Het is de groep dat als bijzonder support zorgt voor de nodige ondersteuning van de atleet. Daarom verdient het enige aandacht. Prioriteit 4: Het publiek Dit zijn de fans, media, sponsors. Er kan een grote onderlinge verbondenheid zijn tussen atleten en deze groep en daarom verdienen ze respect en dankbaarheid voor de ondersteuning. Toch verdienen ze ook de aandacht in de strijd tegen de psychologische barrières. Het publiek eist vaak het onredelijke van een atleet. Het kan daardoor een oorzaak zijn dat een atleet zijn directe controle kwijt raakt. Augustus

9 Voor maximaal effect kan men zich het beste richten op de hoogste prioriteit waarbij elk opvolgende niveau veel minder belangrijk is dan de voorafgaande. De meest wenselijke verdeling blijkt de 2/3 regel te zijn. Prioriteit 1 de persoon 66% Prioriteit 2 het optreden 22% Prioriteit 3 de betekenisvolle anderen 8% Prioriteit 4 het publiek 4% Ondanks het stellen van deze prioriteiten is het voor allen beter dat we ons wel voorbereiden op eventuele psychische problemen. Zowel de coach als de atleet dienen zich vooraf op een aantal zaken te beraden. A) Ken de doelen vóór de wedstrijd De coach en atleet dienen samen uit te gaan van datgene wat minimaal haalbaar is binnen het komende evenement waarbij de afleiding groots is en de druk hoog en anderen nerveus beginnen te worden. B) Maak uitsluitend gebruik van beheerste techniek en de voorbereiding daarop Zorg voor volledige controle over die techniek. De sleutel is weten wat je moet doen! Minder proberen en meer willen geven is de meest belangrijke aanwijzing. C) Stel een zorgvuldig plan op Zet een duidelijk overzicht op voor training, wedstrijdplanning, warming-up, vrije tijd enz. De voorbereiding specifiek op een wedstrijd/ de wedstrijd zelf. Hou het simpel en effectief voor de atleet. Zorg dat de atleet kennis neemt van de planning. Gebruik het plan = discipline. D) Neem kennis van het protocol, regels en algemene procedures van de wedstrijd Zorg voor zoveel - en zo vroeg mogelijke informatie over het evenement en wees vooral op je hoede voor de aanwezige afleidingsbronnen. E) Verwacht het onverwachte Zorg voor alternatieve plannen. Wees erop bedacht dat een aantal protocollen/ processen niet kunnen worden beïnvloed. Ook de situatie van de dag kan anders uitpakken dan gepland. Dus, ken je prioriteiten en hou eraan vast. Augustus

10 4. Crisisbeheersing door coaches Het maakt soms niet uit of je je goed hebt voorbereid of niet, er is altijd kans op een crisis en zeker tijdens de belangrijkere wedstrijden. Zoals gezegd ontstaan de psychologische blokkades door het waarnemen/ beleven door de atleet in zijn omgeving. De coach kan in belangrijke mate helpen om het waarnemen/ beleven van de situatie door de atleet in lijn van de realiteit houden en het gedrag van de atleet te richten op de gestelde doelen. Wat meestal nodig is, is de bevestiging van het kunnen en terugbrengen naar de werkwijze van het plan. Bij het openbaren van een probleem moet de coach; 1. de tijd nemen om de reactie van de atleet te identificeren; 2. zoeken naar aanwijzingen/ tekens van de vier basis reacties. 3. vaststellen welke blokkade de oorzaak blijkt te zijn. M.b.v. deze gegevens is het voor de coach effectiever om de atleet door de crisis heen te helpen. Handvatten voor coaches De volgende basisregels om "tussenbeide" te komen, dienen overwogen te worden alvorens het probleem tegemoet te treden. 1. Hou je aan je prioriteitenlijst. 2. Zorg voor ondersteuning, geruststelling biedt perspectief op de situatie. Geef raad om de situatie te normaliseren. 3. Zorg dat je begrijpt wat de atleet zegt, zorg dat je de crisis begrijpt vanuit oogpunt van de atleet en zo objectief mogelijk als coach. 4. Maak met de atleet een rationele analyse. Het lost niets op maar het moet dienen om de atleet meer moed te geven en om door te gaan. 5. Geen mogelijke oplossingen, maar benadrukken van perspectieven. Een goed perspectief zal het probleem tot niets reduceren. Dit is de stap die echt nodig is in elke crisis. 6. Omdat crisis meestal gepaard gaat met negatieve denkspiralen en emotie moeten deze eerst worden doorbroken. Vooral positieve aanwijzingen hebben daarbij grote betekenis. De aanwijzingen moeten overeen stemmen met de basisdoelstellingen: Wees eenvoudig en duidelijk: Gebruik de communicatie vorm die de atleet gewend is: Stuur de aandacht, concentratie en activiteiten van de atleet: Hierdoor komt er een kentering in het negatieve denken van de atleet waardoor het positief denken beter op gang kan komen. 7. Help de atleet om het oncontroleerbare weer om te zetten in het controleerbare en hou vast aan bekende voorbereiding/ technieken. Literatuur: Psychological barriers of major competitions. Door Jeff Simons Ph.D Psychological skill development. Leading to a peak performance. The State of Flow. Door:Jim Reardon, Ph. Bronnen: Stichting beroepskwaliteit leraren Leerwijs De Sprankel Omgaan met moeilijke kinderen door Yellow Flower Augustus