Jongeren houden (van) werk!

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Jongeren houden (van) werk!"

Transcriptie

1 Jongeren houden (van) werk! Duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs Loesje van Zutphen In opdracht van: KPC Groep - openbaar -

2 Jongeren houden (van) werk! Duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs Loesje van Zutphen In opdracht van: KPC Groep Den Bosch, 23 mei 2013 Fontys Hogeschool HRM en Psychologie Toegepaste Psychologie Studentnummer: Afstudeerdocent: Wendy op t Veld Begeleider opdrachtgever: Suzanne Beek Jongeren houden (van) werk! 2

3 Voorwoord De scriptie die voor u ligt is geschreven in het kader van mijn afstudeeronderzoek voor de opleiding Toegepaste Psychologie aan de Fontys Hogescholen. Mijn scriptie bestaat grofweg uit twee delen: het literatuuronderzoek en het veldonderzoek. De kennis die ik in het literatuuronderzoek heb vergaard vormt de fundering van mijn veldonderzoek. Op basis van deze kennis heb ik interviews afgenomen en heb ik een vragenlijst opgesteld. Mijn literatuuronderzoek en veldonderzoek vormen tezamen de kern deze scriptie. Zelf ben ik erg tevreden met het eindresultaat. Hopelijk wordt u, net als ik, nieuwsgierig naar de geluiden uit de praktijk. Bij het voorwoord hoort een woord van dank. Bij dezen wil ik iedereen bedanken die een bijdrage heeft geleverd aan het plan van aanpak. In het bijzonder wil ik Suzanne Beek en Wendy op t Veld bedanken. Beiden hebben zij veel tijd gestoken in mij begeleiding en wisten mij meer duidelijkheid te geven wanneer ik hier behoefte aan had. Ook wil ik Wout Schafrat bedanken voor zijn inzet en enthousiasme voor het onderzoek. Tenslotte wil ik alle scholen, bedrijven en oud-leerlingen die mee hebben gewerkt aan het onderzoek heel hartelijk bedanken! Een speciale dank gaat uit naar het Fioretti College, het Prakticon, de Catamaran, LMC Praktijkonderwijs en de Rijzert. Veel plezier met het lezen van mijn scriptie! Loesje van Zutphen Overal waar hij/hem staat, kan ook zij/haar worden gelezen. Jongeren houden (van) werk! 3

4 Samenvatting Dit onderzoek naar kenmerken die een rol spelen bij duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs is gedaan in opdracht van KPC Groep. Al enige tijd kwamen geluiden uit de praktijk naar voren: veel leerlingen van het praktijkonderwijs hebben moeite met het behouden van hun baan wanneer de nazorg stopt. Het onderzoek richt zich niet op waarom het misgaat, maar juist op waarom het goed gaat. Het is een onderzoek naar de succesverhalen, de oud-leerlingen die wél langere tijd actief zijn op de arbeidsmarkt. Wat zorgt ervoor dat deze leerlingen blijven werken? Op deze vraag geef ik antwoord in mijn scriptie. De eerste tien weken van het onderzoek waren gewijd aan het literatuuronderzoek. Al snel kwam naar voren dat drie partijen een grote rol spelen bij mijn onderzoeksvraag Welke kenmerken spelen een rol bij de duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs, namelijk: de leerling, de arbeidsplek en de school. Het onderzoek is dan ook gericht op deze drie groepen. In mijn literatuuronderzoek is een grote hoeveelheid aan kenmerken gevonden die mogelijk een rol spelen bij duurzame arbeidsparticipatie. Ondanks de grote hoeveelheid kenmerken komt steeds naar voren dat de wensen en behoeftes van de jongere centraal staan. Wanneer er wordt gekeken naar persoonskenmerken die in verband staan met duurzame arbeidsparticipatie lijken zelfmanagement, motivatie en goede beroepsvaardigheden van belang te zijn. Ook zijn er verschillende kenmerken op de arbeidsplek die een rol spelen. Allereerst moet er een goede overgang van school naar werk plaatsvinden. Ook moet de arbeidsplek kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jongere. Uiteindelijk moeten de (on)mogelijkheden van de jongere ook passen bij de werkgever. Ten slotte speelt ook de school een belangrijke rol. Wanneer de school zicht heeft op de ambities/passies van de jongere, kunnen leraren deze passie vertalen naar gedrag dat nodig is om dit doel te behalen. De leerling moet niet alleen zicht krijgen op wat hij graag wil, ook op wat haalbaar is. De voorbereiding op de maatschappij speelt een cruciale rol: scholen moeten durven confronteren met de realiteit. De kenmerken van de leerling, de arbeidsplek en de school die uit het literatuuronderzoek van belang lijken, zijn geoperationaliseerd naar indicatoren voor het veldonderzoek en vragen voor de vragenlijsten. Er zijn interviews afgenomen bij de oud-leerling en zijn leidinggevende op de arbeidsplek. Ook is er een vragenlijst uitgezet bij de school. Veel van de indicatoren uit het literatuuronderzoek worden bevestigt in de praktijk. Uiteindelijk kan worden geconcludeerd dat de motivatie erg belangrijk is voor een duurzame arbeidsparticipatie. Ook een klik speelt een grote rol: de oud-leerling moet zich betrokken voelen bij het bedrijf, maar het bedrijf moet zich ook betrokken voelen met de leerling. In dit onderzoek zijn een aantal beperkingen naar voren gekomen. Dit zijn onder andere: het aantal respondenten, de taalvaardigheid van de respondenten, de samenhang tussen de indicatoren en de uiteenlopende verschillen binnen de onderzochte groep oud-leerlingen. Jongeren houden (van) werk! 4

5 Inhoudsopgave Algemene inleiding 7 1 Samenvatting 9 LITERATUURONDERZOEK 2 Inleiding Aanleiding onderzoek Voortgezet speciaal onderwijs Praktijkonderwijs Doel van het onderzoek 17 3 Methode van literatuuronderzoek Doel en type onderzoek Belangrijke onderzoeken Overige bronnen 19 4 Resultaten van het literatuuronderzoek Persoonskenmerken Kenmerken op de arbeidsplek Kenmerken in het onderwijs 28 5 Conclusie en Discussie Conclusie Discussie 33 VELDONDERZOEK 6 Samenvatting 35 7 Inleiding 36 8 Methode Onderzoeksopzet en procedure Deelnemers Materiaal / meetinstrumenten Analyses Onderbouwing 40 Jongeren houden (van) werk! 5

6 9 Resultaten De oud-leerling Het bedrijf De school Conclusie en Discussie Conclusie Discussie 61 Algemene conclusie en aanbevelingen Literatuurlijst Bijlagen 69 Bijlage 1 Lijst met afkortingen 70 Bijlage 2 Begrippenlijst 71 Bijlage 3 Authenticiteitsverklaring 72 Bijlage 4 - Motivatie- en succesfactoren duurzame arbeidsparticipatie 73 Bijlage 5 Alle kenmerken duurzame arbeidsparticipatie 74 Bijlage 6 - Analyseplan 76 Bijlage 7 Gebruikte kenmerken, dimensies en indicatoren 77 Bijlage 8 - Ethische verantwoording 92 Bijlage 9 Mail en vragenlijst 93 Bijlage 10 - Analyselogboek 98 Bijlage 11 - Toestemmingsbrief 125 Jongeren houden (van) werk! 6

7 Algemene inleiding Dit onderzoek richt zich op leerlingen waarvan wordt verwacht dat ze niet in staat zijn een diploma in het regulier voortgezet onderwijs te halen: het merendeel van jongeren uit het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en praktijkonderwijs (PrO). De aanleiding van het onderzoek is gelegen in het feit dat deze jongeren met een arbeidsbeperking door cognitieve en/of lichamelijke beperkingen gehinderd worden in het uitvoeren van werkzaamheden en het duurzaam participeren op de arbeidsmarkt. Het doel van het onderzoek was in eerste instantie het in kaart brengen van kenmerken die van belang zijn bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO. De onderzoeksvraag van het literatuuronderzoek luidt dan ook: Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs? In deze scriptie wordt allereerst het literatuuronderzoek gepresenteerd. Hierin wordt gestart met een inleiding waarin de aanleiding van het onderzoek beschreven. Ook wordt er ingegaan op kenmerken van de VSO- en PrO-jongeren. Tot slot wordt in de inleiding het doel van het onderzoek beschreven. Vervolgens wordt de methode van het literatuuronderzoek beschreven, gevolgd door de resultaten van het literatuuronderzoek. De resultaten zijn opgedeeld in drie delen: persoonskenmerken, kenmerken op de arbeidsplek en kenmerken in het onderwijs. Er wordt afgesloten met een conclusie en discussie. Het veldonderzoek is gezien de uitvoerbaarheid binnen de doorlooptijd van de stage beperkt tot jongeren die uitgestroomd zijn vanuit het praktijkonderwijs. Het gevolg hiervan is dat de onderzoeksvraag is veranderd naar: Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs? in het veldonderzoek wordt de methode van onderzoek beschreven. Er wordt aangegeven op welke wijze het veldonderzoek is uitgevoerd. Uiteindelijk is ervoor gekozen om interviews af te nemen bij de oud-leerlingen van het praktijkonderwijs en hun werkgevers. Ook is er een vragenlijst voor de scholen uitgezet. Bij de resultaten worden de kenmerken die vanuit de literatuur belangrijk bleken als uitgangspunt genomen voor de beschrijving. Er wordt afgesloten met conclusies en discussie. Tenslotte wordt er afgesloten met een algemene conclusie en aanbeveling. Jongeren houden (van) werk! 7

8 LITERATUURONDERZOEK Jongeren houden (van) werk! 8

9 1 Samenvatting In de literatuur is gezocht naar kenmerken die een rol spelen bij duurzame arbeidsparticipatie na het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs. Er is een grote hoeveelheid aan kenmerken gevonden die mogelijk een rol spelen bij duurzame arbeidsparticipatie. Ondanks de grote hoeveelheid kenmerken komt steeds naar voren dat de wensen en behoeftes van de jongere centraal staan. Er is voor gekozen om de kenmerken die zijn gevonden op te delen in persoonskenmerken, kenmerken op de arbeidsplek en kenmerken in het onderwijs. Wanneer er wordt gekeken naar persoonskenmerken die in verband staan met duurzame arbeidsparticipatie lijken zelfmanagement, motivatie en goede beroepsvaardigheden van belang te zijn. Wanneer de jongere een duidelijk beeld heeft van wat hij wil bereiken, lijkt dit duurzame arbeidsparticipatie positief te beïnvloeden. Ook zijn er verschillende kenmerken op de arbeidsplek die een rol spelen. Allereerst moet er een goede overgang van school naar werk plaatsvinden. Ook moet de arbeidsplek kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jongere. Uiteindelijk moeten de (on)mogelijkheden van de jongere ook passen bij de verwachtingen van de werkgever. Ten slotte is ook de school van herkomst belangrijk. De school moet zicht krijgen op waar de jongere warm van wordt, waar zijn passie ligt. Het onderwijs kan deze passie vertalen naar gedrag dat nodig is om dit doel te halen. Ook voorbereiding op de maatschappij speelt hierbij een cruciale rol. De leerling moet niet alleen zicht krijgen op wat hij graag wil, ook op wat haalbaar voor hem is. Maatwerk speelt dus ook een rol in het onderwijs. Jongeren houden (van) werk! 9

10 2 Inleiding Dit onderzoek richt zich op leerlingen waarvan wordt verwacht dat ze niet in staat zijn een diploma in het regulier voortgezet onderwijs te halen: het merendeel van jongeren uit het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en praktijkonderwijs (PrO). In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk zal de aanleiding van het onderzoek duidelijk worden. Vervolgens worden kenmerken van deze doelgroep toegelicht. Aan het eind van het hoofdstuk wordt de onderzoeksvraag met deelvragen geformuleerd worden. 2.1 Aanleiding onderzoek Voor zowel VSO als PrO geldt dat men aandacht geeft aan arbeidstoeleiding en participatie. Dit is niet zonder reden. Het is belangrijk dat de leerling een werkplek vindt waar hij zich op zijn plek voelt. Het deelnemen aan het arbeidsproces zou kunnen zorgen voor een verbreding van sociale contacten, structuur te geven aan dagbesteding, een zinvolle dagbesteding, de ontwikkeling van status en identiteit in de samenleving en bovenal een eigen inkomen en een gevoel van zelfstandigheid (Vleugels & Willems, 2011). Daarnaast blijkt uit rapportages dat arbeidsbeperkten verhoudingsgewijs veel minder vaak een baan krijgen dan gewone werknemers. Mensen die arbeidsbeperkt zijn door cognitieve en/of lichamelijke beperkingen gehinderd in het uitvoeren van werkzaamheden. De netto arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten is de laatste jaren gedaald (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2012). Over het algemeen geldt dat de overgang van school naar werk een belangrijke stap is voor veel jongeren (Achterberg e.a., 2010). Uit een onderzoek van Symbion, een school voor praktijkonderwijs, bleek dat jongeren niet zozeer moeite hadden met de overgang van school naar werk, maar wel met het behouden van een arbeidsplek (Roman & Vijfeijken, 2012). Ook uit het onderzoek van de Wolf, Vreugdenhil-Tolsma, van Haaf & Hoogenberg (2002) kwam naar voren dat de overgang van praktijkonderwijs naar arbeid in de meeste gevallen voorspoedig verliep. Het probleem was vooral de duurzame aansluiting op werk: duurzame arbeidsparticipatie. Ook uit eerder onderzoek van KPC Groep blijkt dat jongeren die uitstromen vanuit het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en praktijkonderwijs (PrO) steeds vaker gebruik maken van aanvullende financiële regelingen (zoals Wajong). Daarbij zou duurzame arbeidsparticipatie steeds minder vaak worden bereikt. Dit zou onder andere komen door de zogenaamde zijwindgevoeligheid van de doelgroep (Hessing & Schafrat, 2009). Met zijwindgevoelig wordt bedoeld dat jongeren een grotere kans hebben op uitval zodra de naschoolse begeleiding wordt beëindigd. Deze jongeren kunnen gevoelig reageren op signalen in hun directe (arbeids-)omgeving, waardoor zij zonder steun snel uitvallen binnen het arbeidsproces. Tevens zijn zij onvoldoende competent om hulp in te roepen zodat zij aan het werk kunnen blijven. Daarnaast is het zo dat uitgestroomde leerlingen VSO en PrO aangewezen zijn op laaggeschoolde arbeid. Als de vraag naar arbeid afneemt (de conjunctuur daalt), stijgt de werkeloosheid onder laaggeschoolden sneller in vergelijking met hooggeschoolde arbeid (Dekkers, D havé & Scholt, 2009). Gezien de economische recessie en de beoogde Participatiewet en de daarmee gepaard gaande Jongeren houden (van) werk! 10

11 veranderingen rond Wajong zal de duurzame arbeidsparticipatie meer onder druk komen te staan (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2012). 2.2 Voortgezet speciaal onderwijs Het VSO verzorgt onderwijs voor jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 20 jaar. Het VSO is gericht op jongeren met een handicap, chronische ziekte of stoornis. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zaten er in het schooljaar leerlingen op het VSO, er waren op dat moment 324 scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs (CBS, 2012). 17% van de leerlingen op het VSO behoorde in 2008 tot de groep culturele minderheden (Driesen, Elfering, Hovius & Smeets, 2009). Jongeren die gebruik maken van het VSO hebben behoefte aan een orthopedagogische en orthodidactische benadering omdat ze te maken hebben met verschillende beperkingen. Omdat de diversiteit van de groep zo groot is wordt er gebruik gemaakt van clusters. Deze clusters geven meer informatie over de aard van de beperking. De clusters die binnen het VSO worden gehanteerd zijn: Cluster 1: Blinde, slechtziende jongeren; Cluster 2: Dove, slechthorende jongeren; Cluster 3: Gehandicapte en langdurig zieke jongeren; Cluster 4: Jongeren met stoornissen en gedragsproblemen. (Rijksoverheid, 2013A) Dit onderzoek zal zich voornamelijk richten op de leerlingen van cluster 3 en 4, wat al een diverse groep is. Er zal een korte uitleg worden gegeven over cluster 3 en 4. Binnen cluster 3 vallen de volgende groepen; - Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK). Dit zijn jongeren met een verstandelijke beperking, die een IQ hebben dat lager is dan 55. De ontwikkeling van deze leerlingen verloopt langzaam en het is voor deze leerlingen moeilijk om zich voor lange tijd te concentreren. Ook de sociale redzaamheid van deze leerlingen is laag. - Kinderen met een lichamelijke handicap (LG) en Langdurig Zieke Kinderen (LZK). Hierbij valt te denken aan verschillende medische aandoeningen zoals astma en epilepsie. Het kan zo zijn dat deze kinderen vanwege hun ziekte/handicap gedurende lange tijd afwezig zijn op school en zo een leerachterstand oplopen. - Kinderen met een lichamelijke handicap en verstandelijke beperking (MG). (Weijschede & Engelen, 2011) In cluster 4 worden Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen (ZMOK) geplaatst. Deze leerlingen hebben ernstige gedragsmatige of psychiatrische problemen, vaak gaat dit samen met sociaal- emotionele problematiek. Voor cluster 4 leerlingen is een vaste structuur, ritme en routine zeer belangrijk. Stoutjesdijk en Scholte (2009) hebben onderzoek gedaan naar de meest voorkomende stoornissen in cluster 4 scholen, de uitkomst van dit onderzoek staat geïllustreerd in figuur 1. Jongeren houden (van) werk! 11

12 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% autisme spectrum stoornis ADHD ODD Dyslexie angststoornis/fobie Dwanghandelingen/tic s Verstandelijke handicap Figuur 1. Meest voorkomende stoornissen cluster 4 (Stoutjesdijk & Scholte, 2009) De meeste leerlingen van het VSO behoren tot cluster vier. In onderstaand schema worden het exacte aantal leerlingen in heel Nederland per cluster weergegeven. Cluster 3 Aantal leerlingen ZMLK LZK 800 LG MG Cluster 4 Aantal leerlingen ZMOK Kinderen op pedologische instituten* 400 Psychisch langdurig zieken Figuur 2: Aantal leerlingen VSO in Nederland per cluster (CBS, 2012). * In pedologische instituten wordt ook speciaal onderwijs aangeboden. Op deze instituten behoord overnachten tot de mogelijkheden Zoals te zien is in bovenstaand schema is er een diversiteit aan beperkingen in deze doelgroep. De jongeren die gebruik maken van het VSO hebben om deze reden uiteenlopende toekomstperspectieven. Om op een adequate manier om te gaan met de grote diversiteit van de doelgroep is er vanaf augustus 2013 een nieuwe wet voor het VSO ingevoerd: de Wet kwaliteit VSO is bedoeld om leerlingen van het VSO onderwijs te geven dat zo goed mogelijk aansluit bij hun mogelijkheden. Daarnaast is de wet bedoeld om deze leerlingen voor te bereiden op een plek in de samenleving. De wet onderscheid drie verschillende uitstroomprofielen: 1. Uitstroom naar vervolgonderwijs. Met dit uitstroomprofiel wordt getracht de leerling voor te bereiden op een doorstroom naar regulier onderwijs. De leerling wordt geacht in staat te zijn een diploma op VWO, HAVO of VMBO niveau te halen, of een diploma op het middelbaar beroeps onderwijs (MBO). 2. Uitstroom naar de arbeidsmarkt. Leerlingen met dit uitstroomprofiel worden in staat geacht om loonvormende arbeid te verrichten. Deze leerlingen zijn echter niet in staat om de diploma s te behalen die beschreven staan bij punt 1. Binnen dit uitstroomprofiel wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten arbeid: Jongeren houden (van) werk! 12

13 Arbeid in een regulier bedrijf, in combinatie met landelijk erkend(e) certificaten. Arbeid in een regulier bedrijf, zonder certificaten. (Beschermde) arbeid in sociale werkvoorzieningen. 3. Dagbesteding: uitstroom richting een vorm van arbeidsmatige, activiteitsgerichte of belevingsgerichte dagbesteding. (Rijksoverheid, 2013D) Bij elk van deze uitstroomprofielen zijn ook kerndoelen opgesteld. De kerndoelen zijn voorlopig nog concept kerndoelen, in de loop van het jaar 2013 worden ze naar verwachting opgenomen in het wettelijk kader. Kerndoelen zijn streefdoelen: het geeft aan wat een leerling zou moeten kennen en kunnen ten einde van zijn opleiding. Deze concept kerndoelen zijn opgesteld door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO, 2011A) het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling. Dit onderzoek richt zich op duurzame arbeidsparticipatie, daarom wordt er gekeken naar het uitstroomprofiel arbeid. Voor het onderzoek is het belangrijk om te weten welke vaardigheden leerlingen van het VSO zouden moeten kennen en kunnen wanneer zij de arbeidsmarkt betreden. Naast de kerndoelen die betrekking hebben op de vakinhoud (zoals bijvoorbeeld Nederlands en Engels) zijn er ook kerndoelen opgesteld die gericht zijn op voorbereiding op arbeid. Deze kerndoelen hebben betrekking op loopbaansturing, arbeidscompetenties en maatwerk. Loopbaansturing betekent dat leerlingen zelf (mede)verantwoordelijkheid gaan dragen voor hun toekomstige plek op de arbeidsmarkt. Het is belangrijk dat de leerling zich oriënteert op de arbeidsmarkt en zijn eigen affiniteit en motivatie voor verschillende werkvelden onderzoekt. Arbeidstoeleiding, maar ook het kunnen veranderen van baan wanneer dat nodig is, wordt ook gezien als onderdeel van de voorbereiding op de arbeidsmarkt. Bij arbeidscompetenties gaat het om het ontwikkelen van kennis, vaardigheden en houding die jongeren nodig hebben in de arbeidsmarkt. Hierbij valt te denken aan: samenwerken, het opvolgen van instructies en procedures, plannen en organiseren, omgaan met verandering, druk en tegenslag enzovoorts. Ook ontwikkelt de leerling specifieke beroepscompetenties. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vakspecifieke mentale vermogens die nodig zijn bij het hanteren van verschillende betalingswijzen. Ook het leren veilig te werken en veiligheidsbewustzijn komt hierbij aan bod. Maatwerk houdt in dat de leerlingen een realistisch beeld creëren wat betreft hun arbeidsmogelijkheden, rekening houdend met uiteenlopende beperkingen en/of stoornissen. Het maken van een eigen keuze voor een beroep of branche zou evenredig moeten zijn aan het verwachte en gewenste niveau van uitstroom. (SLO, 2011A) Wanneer een jongere het VSO afrond binnen het uitstroomprofiel arbeid, krijgt hij volgens de Wet kwaliteit (V)SO een transitiedocument. Dit document wordt uitgereikt aan de jongere en deze kan ervoor kiezen het document aan zijn werkgever over te dragen. Jongeren houden (van) werk! 13

14 Het transitiedocument behoort informatie te bevatten over kennis, vaardigheden, mogelijkheden en beperkingen van de jongere. Dit document zou een (toekomstige) werkgever/zorginstelling meer inzicht kunnen bieden, zodat de jongere zo goed mogelijk kan participeren in de arbeidsmarkt. Het transitiedocument geeft informatie over de volgende onderdelen: werken, wonen, vrije tijd, burgerschap en de leergebieden taal en rekenen. Het document wordt uitgereikt aan de jongere wanneer deze de school verlaat en wordt opgesteld door de school (SLO, 2011B). Wanneer de jongere het VSO verlaat is de school niet verplicht om nazorg te bieden. Dit wordt niet bekostigd door de overheid. Wel zijn veel scholen het erover eens dat jongeren die uitstromen vanuit het VSO extra begeleiding nodig hebben wanneer zij integreren in de arbeidsmarkt, vooral in de eerste periode (Weijschede & Engelen, 2011). In 2010 bleek uit onderzoek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) dat 21% van de jongeren op het VSO naar een andere vorm van voortgezet onderwijs is uitgestroomd, daarnaast is 15% uitgestroomd naar een MBO opleiding. 60% van uitgestroomde jongeren VSO volgt geen onderwijs meer na het moment van uitstroom. Het is bij VSO scholen onbekend wat deze jongeren doen; dit kan arbeid of dagbesteding zijn. Als de jongere het VSO verlaat met het perspectief gericht op arbeid komt het vaak voor dat zij in een Wajong- regeling (wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten) terechtkomen. De Wajong regeling is een regeling van de overheid die hulp bied aan mensen met arbeidsbeperking gezien hun ziekte of handicap. Deze hulp bestaat doorgaans uit het helpen vinden van een werkplek, inkomen aanvulling of een (volledige) uitkering voor de jongere en/of een tegemoetkoming aan de werkgevers (Rijksoverheid, 2013B). Dit is echter niet wat zij zelf willen. Jongeren van het VSO willen liever deelnemen aan de arbeidsmarkt (Rijksoverheid, 2013A). 2.3 Praktijkonderwijs Het praktijkonderwijs (PrO) is naast VWO, HAVO en VMBO een vorm van voortgezet onderwijs. In 2010 waren er ongeveer 170 scholen voor PrO, met leerlingen (van Kuijk, Elfering & van Kessel, 2011). PrO bereidt de leerling voor op de arbeidsmarkt: van leerlingen die praktijkonderwijs volgen wordt niet verwacht dat ze in staat zijn om een VMBO diploma te halen. Het praktijkonderwijs is niet bedoeld voor leerlingen met een ernstige beperking (Rijksoverheid, 2013C). Leerlingen op PrO hebben doorgaans een IQ tussen 55 en 80 plus een leerachterstand van tenminste drie jaar in twee of meer onderwijsdomeinen (Vereniging Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs, zoals geciteerd in Kools, van de Beek, van den Bogaard & Teurlings, 2004). Wanneer je een IQ hebt tussen de 55 en 85 val je in Nederland onder de doelgroep licht verstandelijk beperkt (LVB) (van Oers, 2009). In het schooljaar was de gemiddelde leeftijd van leerlingen die het PrO verlieten 17 jaar (de maximale leeftijd voor PrO is 18 jaar), driekwart van de uitgestroomde jongeren is autochtoon (Heijnens, 2011). Het is de taak van scholen voor praktijkonderwijs om leerlingen voor te bereiden op arbeidsparticipatie en zelfstandig functioneren in de maatschappij. PrO werkt met de domeinen werken, wonen, vrije tijd en burgerschap zodat de leerlingen vaardigheden ontwikkelen die aansluiten bij deze Jongeren houden (van) werk! 14

15 domeinen (Beumer, Jeninga, Münstermann & Perreijn, 2011). Het PrO is erop gericht om leerlingen een plek te geven op de arbeidsmarkt, daarnaast wordt er ook aandacht gegeven aan het vergroten van welzijn (persoonlijke ontwikkeling) van de leerlingen in deze samenleving (van Kuijk, 2004). Binnen PrO zijn er verschillende richtingen waar een leerling zich in kan specialiseren, deze richtingen zijn: techniek, groen, zorg & welzijn en economie (economie wordt weer opgesplitst in horeca en handel). Naast de competenties die per richting van toepassing zijn, zijn er ook competenties opgesteld die in het algemeen gelden. Deze laatste zijn: communiceren (zich verstaanbaar kunnen maken en kunnen luisteren), instructies kunnen opvolgen, gedrag (bepaalde handelingen) kunnen nadoen nadat het is voorgedaan, afspraken nakomen, zorgvuldig kunnen werken, veilig werken, met collega s omgaan en op tijd komen (Kools, van de Beek, van den Bogaard & Teurlings, 2000). Het is belangrijk om inzicht te krijgen in de competenties die leerlingen van het PrO zouden moeten beheersen. Zo kan er een inschatting kan worden gemaakt met welke vaardigheden zij de arbeidsmarkt betreden. Volgens Sontag, von den Fuhr en Mariën (2008) zijn er verschillende beroepen die leerlingen na het PrO kunnen gaan uitoefenen. De meeste uitgestroomde leerlingen zijn werkzaam in assisterende/ondersteunende beroepen. Er valt hierbij te denken aan: het onderhouden van tuinen, vakken vullen, schoonmaken, assisterend werk op een bouwplaats of garage enzovoorts. PrO is voor iedere leerling anders. Het niet wenselijk om te werken met een vooraf vastgelegd leerprogramma omdat zowel het instroom- als het uitstroomprofiel van iedere leerling anders is (Beumer et al., 2011). Wanneer er een uitstroomprofiel wordt opgesteld wordt er gekeken naar de persoonlijke kwaliteiten van een leerling. Hierbij is maatwerk erg belangrijk, dit uitstroomprofiel moet aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling. Daarnaast moet het uitstroomprofiel de leerling ook uitdagen. In het tweede / begin derde leerjaar wordt er een streefdoel opgesteld. Hierin staat wat de te verwachte uitstroombestemming van de leerling is (Heijnens, 2012). Om de individuele aanpak op het PrO te cyclisch te volgen en bij te stellen wordt er gewerkt met verschillende instrumenten, als het individueel ontwikkelplan (IOP) en het portfolio (PF). Daarin wordt onder andere aandacht gegeven aan het formuleren, volgen en evalueren van ontwikkelingsdoelen. Deze worden vaak beschreven in het IOP/ITP (Beek, Schafrat & Sontag, 2011). Daarnaast maken veel scholen gebruik van het leerlingvolgsysteem (LVS). Dit systeem is echter bedoelt voor de school zelf en niet voor de leerling of arbeidsplek. In het LVS wordt alle informatie die een school over een leerling heeft overzichtelijk weergegeven. Hierbij valt te denken aan informatie met betrekking tot de ontwikkeling van (loopbaan)competenties, uitkomsten van screeningsdocumenten, een medische en arbeidskundig dossier, informatie over (snuffel)stages, enzovoorts. Niet alleen PrO maakt gebruik van het LVS, ook regulier en speciaal onderwijs werken met leerlingvolgsystemen. Het IOP richt zich op het verloop van de ontwikkeling van de leerling. In een later stadium verandert het IOP in een ITP, dit staat voor individueel transitieplan en is vooral gericht op de overgang (transitie) van school naar arbeid (Beumer et al., 2011). Het IOP/ITP is een document waarin informatie wordt bijgehouden over het verleden, heden en de gewenste toekomst van de leerling (Bakker & den Boer, 2008). Jongeren houden (van) werk! 15

16 Daarnaast maken veel scholen gebruik van een (digitaal) portfolio (PF). Het PF is eigendom van de leerling zelf. In het PF laten leerlingen zien welke vaardigheden ze beheersen, ook staan er bewijzen van prestaties/successen. Het portfolio wordt bijvoorbeeld gebruikt om stagebegeleiders van meer informatie te voorzien (Bakker & den Boer, 2008). Voor het praktijkonderwijs is het verplicht om leerlingen tot twee jaar na uitstroom nazorg te bieden (Weijschede & Engelen, 2011). 78% van de praktijkscholen gaf nog begeleiding na het moment van uitstroom in Niet alleen scholen voor praktijkonderwijs bieden nazorg, ook andere instanties zijn betrokken wanneer het om nazorg gaat. Hierbij valt te denken aan: Begeleiders van de school voor vervolgonderwijs (32%). Een jobcoach (16%). UWV (13%). (Heijnens, 2012). Wanneer leerlingen het PrO afronden ontvangen zij doorgaans geen diploma maar een getuigschrift en zo mogelijk certificaten. Hoewel deze jongeren vaak met verschillende beperkingen te maken hebben (moeilijk lerend, moeite met sociale interactie, enzovoorts), zijn ze vaak wel gemotiveerd en praktisch aangelegd. Jongeren van PrO kunnen daarom uitgroeien tot volwaardige werknemers in een bedrijf (Hoekman, 2007). In figuur 3 is te zien in wat voor type arbeidsplaats jongeren van het PrO uitstromen. Figuur 3. Type arbeidsplaats uitgestroomde jongeren PrO (Heijnens, 2012). De sectoren waarin de meeste leerlingen terechtkomen zijn bouw/techniek (24%), detailhandel/winkel (19%) en horeca (12%) (Heijnens, 2012). Naast de optie om na het PrO te gaan werken is het voor leerlingen van het PrO mogelijk om door te stromen naar een vervolgopleiding of dagbesteding. Er zijn verschillende uitstroombestemmingen mogelijk, een overzicht van de uitstroombestemmingen per schooljaar is te vinden in figuur 4: Jongeren houden (van) werk! 16

17 Figuur 4. Uitstroombestemmingen PrO per schooljaar (Heijnens, 2012). 2.4 Doel van het onderzoek Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de kenmerken die van belang zijn bij duurzame arbeidsparticipatie aangaande uitgestroomde jongeren van het VSO en PrO. Het onderzoek richt zich dus op jongeren die, minimaal twee jaar nadat de nazorg gestopt is, nog steeds participeren op de arbeidsmarkt. Deze duurzame arbeidsparticipatie is niet alleen afhankelijk van de jongere zelf. Ook kenmerken in de arbeidsorganisatie (zoals begeleiding en de aard van de werkzaamheden) en de wijze waarop het onderwijs de jongere heeft voorbereid op het functioneren op die arbeidsmarkt (de kenmerken van het onderwijs) spelen een rol. Wanneer deze kenmerken bekend zijn, kan daarop ingespeeld worden in het voortraject op de school en bij de toeleiding naar de arbeidsmarkt zodat de kans op een duurzame arbeidsparticipatie voor de huidige leerlingen verhoogd wordt. Door middel van dit onderzoek kan bijvoorbeeld duidelijk worden hoe zij begeleiding kunnen bieden aan jongeren van het VSO en PrO. Het doel van dit literatuuronderzoek is zicht krijgen op kenmerken die van invloed zijn op duurzame arbeidsparticipatie na het PrO of VSO. De hoofdvraag is dan ook: Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? Deze hoofdvraag wordt opgesplitst in drie deelvragen: 1. Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? 2. Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? 3. Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? In dit literatuuronderzoek wordt antwoord gegeven op deze drie deelvragen. Dit wordt gedaan in hoofdstuk vier. In iedere paragraaf in hoofdstuk vier wordt één deelvraag te beantwoord. De uiteindelijke hoofdvraag wordt beantwoord in hoofdstuk vijf. Dit hoofdstuk vormt de conclusie van het literatuuronderzoek. Tevens worden er in hoofdstuk vijf ook enkele discussiepunten behandeld. Jongeren houden (van) werk! 17

18 3 Methode van literatuuronderzoek 3.1 Doel en type onderzoek Nadat de inleiding is geschreven kom ik tot de kern van mijn literatuuronderzoek. Allereerst is het van belang dat eerdere onderzoeken aangaande dit onderwerp in kaart worden gebracht. Dit heb ik gedaan door het doorzoeken van databases, informatie vragen bij collega s bij KPC Groep, het nagaan van reeds aangeschafte literatuur op relevantie. Deze fase van het onderzoek is explorerend. Ik ga welke kenmerken een rol zouden kunnen spelen bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO. Hierbij heb ik gezocht naar vergelijkbare onderzoeken al dan niet in combinatie met deze specifieke doelgroep. Procedure Om de juiste informatie tot mijn beschikking te krijgen heb ik in verschillende databases gezocht, ook heb ik collega s geraadpleegd. Eerst heb ik geprobeerd op vergelijkbare onderzoeken te vinden. 3.2 Belangrijke onderzoeken Een onderzoek dat ik heb gebruikt was een onderzoek naar arbeidstoeleiding van leerlingen PrO (de Wolf et al., 2002). Ik heb deze bron gebruikt omdat deze informatie geeft over wat belangrijk is voor leerlingen van het praktijkonderwijs om te integreren in een bedrijf. De bron geeft zowel informatie over arbeidsparticipatie als over (een deel van de) doelgroep. Ik heb deze bron gevonden door in Google Scholar arbeidsintegratie in te typen. Dit geeft 302 hits waarbij dit onderzoek bij de derde hit vernoemd staat. Helaas is het document niet in PDF vorm terug te vinden op het internet. Gelukkig kon ik de het onderzoek hardcopy bemachtigen via KPC Groep. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van IVA (Tilburg). IVA was een onderzoeksbureau dat samenwerkt met de universiteit van Tilburg. Een ander onderzoek is gevonden door duurzame arbeidsparticipatie in te voeren bij google scholar. Dit geeft hits, het onderzoek is de 8ste hit. Ik heb gekozen voor dit onderzoek omdat het ook informatie geeft over duurzame arbeidsparticipatie maar wel met een andere doelgroep namelijk patiënten met chronic nonspecific musculoskeletal pain. Dit houdt in dat er onderzoek is gedaan naar mensen die ondanks constante pijn blijven werken. Dit onderzoek is een proefschrift ter verkrijging van een doctoraat in medische wetenschappen bij de rijksuniversiteit Groningen. In dit onderzoek is vooral hoofdstuk 3 van belang. Hoofdstuk 3 in een (internationale) publicatie in Biomed Central in Juni 2011: BMC Musculoskeletal disorders 2011; 12:126. Ook het onderzoek van Vink, van Schilt- Mol & Sontag (2008) heb ik bestudeerd. Dit is een onderzoek naar de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt voor schoolverlaters uit het Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs. Het onderzoek is ook uitgevoerd door IVA. Jongeren houden (van) werk! 18

19 Tot slot is gebruik gemaakt van het onderzoek naar attitudes rond de Wajong (Duinkerken, Wesdorp & van der Woude (2009). Hier is voor gekozen omdat Wajonggebruikers vaak afkomstig zijn uit het PrO en VSO. Ook geeft het onderzoek aan welke attitudes belemmerend of helpend kunnen zijn voor arbeidsparticipatie. 3.3 Overige bronnen Voor het zoeken naar definities die betrekking hebben op de factoren die naar voren gekomen zijn uit eerdere onderzoeken is gebruik gemaakt van: google scholar, google books het woordenboek van Dale en de boeken van Vonk, Bloemers en Hagedoorn & Larsen en Buss. In de digitale zoekmachines is simpelweg het begrip (bijvoorbeeld flexibiliteit ) + definitie gezocht. In de boeken is op het trefwoord in de begrippenlijst gezocht. Verder is er ook gekeken naar samenhang tussen de verschillende factoren die worden genoemd. Deze samenhang is gevonden in verschillende boeken (Schaufeli & Bakker, Bloemers & Hagedoorn, Larsen & Buss, Vonk, van Beemen etc.). Wanneer er een begrip werd omschreven zoals bijvoorbeeld intrinsieke motivatie werd in het boek aangegeven wat het is een waar het mee samenhangt. Ook is in de boeken gezocht naar verschillende theorieën en modellen (tweefactor theorie). Jongeren houden (van) werk! 19

20 4 Resultaten van het literatuuronderzoek In dit hoofdstuk is te vinden welke kenmerken van invloed zouden kunnen zijn op duurzame arbeidsparticipatie voor uitgestroomde jongeren van het VSO en PrO. Om hier zicht op te krijgen is gekozen voor het onderzoeken van persoonskenmerken, kenmerken van de arbeidsplek en kenmerken van de school die hier mogelijk op van invloed zijn. 4.1 Persoonskenmerken Om antwoord te kunnen geven op de deelvraag: Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? wordt er gekeken naar eerder onderzoek waarin deze kenmerken worden benoemd. Deze paragraaf gaat in op de persoonskenmerken die in verband staan met duurzame arbeidsparticipatie. In dit hoofdstuk worden veel verschillende onderzoeken met betrekking tot duurzame arbeidsparticipatie vermeld. Deze onderzoeken hebben niet altijd betrekking op de doelgroep; wel is er veel overlap in de kenmerken die in deze onderzoeken worden genoemd en kenmerken die gegeven worden rond de leerlingen in het PrO en VSO. Het eerste onderzoek dat wordt behandeld heeft Wajongers als doelgroep (Horssen, Blommesteijn & Brukman, 2009). Dit onderzoek heeft niet exact dezelfde doelgroep, maar er is wel veel overlap. Veel jongeren van het VSO en PrO komen namelijk terecht in de Wajong. Ruim twee op de vijf leerlingen uit het praktijkonderwijs heeft een Wajong-uitkering (CBS, 2010). Ook het onderzoek van Horssen et al. (2009) is gericht op duurzame arbeidsparticipatie maar verschilt in de gerichtheid van het onderzoek, daar het onderzoek van Horssen et al. gericht is op het uitvallen van de doelgroep en hoe vanuit dat perspectief de duurzaamheid van de arbeidsparticipatie te vergroten. In figuur 5 worden alle persoonskenmerken die duurzame arbeidsparticipatie bij Wajong ers positief beïnvloeden weergegeven. Indicator Succesfactor Werknemersvaardigheden Inzicht in eigen mogelijkheden in beperkingen (reëel beeld) In staat om zelf te communiceren over eigen mogelijkheden en beperkingen Persoonlijke Een stabiele woonsituatie situatie Figuur 5. Factoren die duurzame arbeidsparticipatie bij Wajong ers positief beïnvloeden (Horssen et al., 2009) Een ander onderzoek naar persoonskenmerken die mogelijk verband houden met duurzame arbeidsparticipatie is het proefschrift van de Vries (2012). Het onderzoek heeft als doelgroep personen die, ondanks chronische pijnklachten (chronic nonspecific musculoskeletal pain), toch blijven werken. Hoewel de doelgroep verschilt met uitstroomde leerlingen van het VSO en PrO lijkt het toch van belang om dit onderzoek mee te nemen. Het onderzoek van de Vries geeft namelijk veel informatie over persoonskenmerken die samen hangen met duurzame arbeidsparticipatie. Daarnaast worden zowel de Jongeren houden (van) werk! 20

21 doelgroep in het onderzoek van de Vries als uitstroomde jongeren VSO en PrO beperkt in het uitvoeren van werkzaamheden. Dit proefschrift is gebaseerd op een internationale publicatie van de Vries, Brouwer, Groothoff, Geertzen & Reneman (2011). In dit artikel komt naar voren dat er verschillende kenmerken van invloed zijn bij duurzame arbeidsparticipatie bij personen met chronische pijn. In figuur 6 worden verschillende kenmerken die de Vries noemt schematisch weergegeven, deze worden onderverdeeld in motivatoren en succesfactoren. Deze is ook terug te vinden in bijlage 4. Volgens de Vries et al. zijn de belangrijkste kenmerken voor duurzame arbeidsparticipatie uit dit onderzoek: zelfmanagement, motivatie en karaktereigenschappen. Figuur 6. Motivatie- en succesfactoren duurzame arbeidsparticipatie (de Vries et al., 2011) Jongeren houden (van) werk! 21

22 Zelfmanagement betekent volgens Mensink (2005) de realisatie van persoonlijke waarden, zowel op het werk als in het privéleven. Om persoonlijke waarden te realiseren in de huidige kenniseconomie is het volgens Mensink van belang een goede balans te vinden tussen flexibel zijn, authentiek zijn, alert zijn en innerlijke rust (reflectie). Dit uitgangspunt vormt de basis van het balansmodel in figuur 7. Figuur 7. Balansmodel zelfmanagement (Mensink, 2005) Mensink zelf geeft geen omschrijving van de begrippen die gebruikt worden in het model, er wordt hier dan ook gebruik gemaakt van andere bronnen. Flexibiliteit is volgens Brugman (2006) het vermogen om enerzijds te reageren op veranderingen in de omgeving, en anderzijds klaar te zijn om veranderingen op te vangen, of de omgeving zelf te veranderen. Ook uit de inleiding van dit literatuuronderzoek komt naar voren dat zelfmanagement en flexibiliteit belangrijk zijn. Je ziet dit bijvoorbeeld terug in het VSO, waar leerlingen (mede)verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen plek op de arbeidsmarkt. Ook is niet alleen de arbeidstoeleiding van belang maar ook het kunnen veranderen van baan wanneer dat nodig is (SLO, 2011A). Het begrip authenticiteit blijft enigszins vaag, een eenduidige definitie ontbreekt tot dusver blijkt uit het onderzoek van Bunt (2012). Wel kwam uit dat onderzoek naar voren dat trouw blijven aan jezelf centraal staat wanneer het gaat om authenticiteit. Het is vooral belangrijk dat hetgeen wat nageleefd dient te worden strookt met je eigen identiteit. De van Dale (2013) omschrijft authenticiteit simpelweg als echtheid. Opvallend is de begripsomschrijving van Vonk (2009) wat betreft autonomie/zelfbepaling, daar deze veel raakvlakken heeft met het begrip authenticiteit : Wanneer je autonomie ervaart dan ervaar je jezelf als een persoon die zelfstandig denkt, voelt en keuzes maakt. Het tegenovergestelde van autonomie is de ervaring van dwang, druk of dreiging waardoor je niet in staat bent de persoon te zijn die je het liefste zou willen zijn. Gemeenschappelijk in de definities kwam uit het onderzoek van Bunt naar voren dat authenticiteit lijkt te draaien om te zijn wie je bent. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er een nauwe samenhang bestaat tussen het begrip authenticiteit en het begrip autonomie. Reflectie is volgens Vos & Vlas (2000) een activiteit waarbij je, naar aanleiding van een gebeurtenis of situatie, in dialoog treedt met jezelf en daarbij doelgericht en gerelateerd aan een vroeg of laat te ondernemen actie terugblikt op eerder opgedane ervaring. Ook benoemt Mensink (2005) dat de balans tussen onthaasten (zelfreflectie) en alert zijn/versnellen belangrijk is. Dit betekent dat men een balans moet vinden tussen het vermogen om te reflecteren over eigen gevoelens/gedrag en het ondernemen van activiteiten gericht op persoonlijke doelen. Jongeren houden (van) werk! 22

23 Samengevat betekent zelfmanagement dus het kunnen reflecteren op eigen gevoelens en gedragingen en op basis daarvan persoonlijke doelen op te stellen. Daarbij moet er de drive zijn om deze persoonlijke doelen na te streven. Belangrijk hierbij is om voor ogen te houden wat je zelf wilt maar ook dat je je kunt aanpassen aan wat de omgeving van je vraagt. Omdat uit eerder onderzoek bleek dat jongeren van het VSO en PrO zijwindgevoelig zijn (Hessing & Schafrat, 2009) lijkt zelfmanagement van belang te zijn. Jongeren van het VSO en PrO vinden het realiseren van persoonlijke waarden moeilijk wanneer zij tegenslag ervaren. Door goed ontwikkelde zelfmanagement (in combinatie met hulp vragen wanneer dit nodig is) zouden jongeren minderen last hebben van deze zogeheten zijwindgevoeligheid. Eerder in het literatuuronderzoek werd aangegeven dat leerlingen praktijkonderwijs behoren tot de groep licht verstandelijk beperkt. Volgens Beekman et al. (2012) is het vermogen tot reflectie en kritische oordelen beperkt voor deze doelgroep. Volgens Luken (2008) hebben adolescenten tot ongeveer het 18 de levensjaar de neiging om impulsieve beslissingen te maken met weinig oog voor de gevolgen op lange termijn. Ze zijn tot die tijd erg gevoelig voor hun sociale omgeving. Ook daarna, in het 20 ste tot 30 ste levensjaar, blijft plannen en zelfsturing moeilijk. De Vries et al. (2011) geven tevens aan dat motivatie een belangrijke rol speelt voor duurzame arbeidsparticipatie. Factoren die volgens de Vries et al. motiveren en van belang zijn bij duurzame arbeidsparticipatie zijn: arbeidstevredenheid, zelfbepaling, erkenning/goedkeuring, bijdrage leveren aan de maatschappij, sociale status, sociale norm, het aanbrengen van structuur in het leven, sociale contacten, zelfrespect, financiële zekerheid, loyaliteit naar collega s, en verantwoording jegens de werkplek voelen. Motivatie wordt door Bloemers & Hagedoorn (2006) als volgt omschreven: motivatie is het proces dat de aanzet, richting, intensiteit en de duur van het gedrag bepaalt bij het willen bereiken van een bepaald doel. Motivatie bevat een aantal basiselementen die herhaaldelijk terugkeren, namelijk: de behoefte om iets te doen, de manier waarop de behoefte gerealiseerd wordt, en de (remmende of stimulerende) invloed van de omgeving. Er zijn veel verschillende theorieën en modellen te vinden over motivatie. Er zal een korte toelichting worden gegeven over de tweefactortheorie van Herzberg (zoals geciteerd in Bloemers & Hagendoorn, 2006) omdat deze theorie is ontwikkeld aan de hand van onderzoek in het bedrijfsleven. Herzberg deed onderzoek naar positieve en negatieve gevoelens in de werksituatie. Herzberg concludeerde dat factoren die positieve gevoelens op de arbeidsplek veroorzaakten direct met het werk en de persoon zelf hadden te maken. Het zijn werkintrinsieke factoren. Het begrip intrinsieke motivatie betekent volgens Vonk (2009) jezelf kunnen motiveren voor waarden en ervaringen die voor jou als persoon relevant zijn, los van externe beloningen. Zelfmanagement hangt volgens Mensink (2005) ook samen met intrinsieke motivatie. Volgens van Beemen (2010) bestaat er ook een verband tussen intrinsieke motivatie en zelfvertrouwen. Jongeren houden (van) werk! 23

24 Voor leerlingen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) speelt de omgeving echter een belangrijke rol. Ze vinden niet altijd de motivatie om iets uit zichzelf te doen, sturing vanuit de omgeving (complimenten, beloningen) kunnen van belang zijn (De Tandem vzw, 2011). Verder geven de Vries et al. (2009) aan dat karaktereigenschappen een rol kunnen spelen bij duurzame arbeidsparticipatie. De karaktereigenschappen die een rol spelen bij duurzame arbeidsparticipatie volgens de Vries et al. (2011) zijn: doorzettingsvermogen, ambitieus, een positieve instelling, discipline, openheid, humor, assertiviteit, moed, zelfvertrouwen, effectieve coping stijl en om het vragen om hulp. Ook Schaufeli & Bakker (2007) geven aan dat er verschillende karaktereigenschappen invloed hebben op de beleving van stressvolle gebeurtenissen (op het werk). Dit zou ook in verband kunnen staan met duurzame arbeidsparticipatie omdat leerlingen van het VSO en PrO in enige mate bestand moeten zijn tegen stressvolle situaties op het werk. Mensen zijn beter bestand tegen stressvolle situaties wanneer ze: Een hoge interne locus of control hebben. Dit betekend dat je gebeurtenissen op het werk eerder toeschrijft aan eigen inspanningen en dus niet aan de omgeving. Wanneer je een interne locus of control hebt, ben je geneigd tot een probleemgerichte coping met stress. Dit betekent dat je gericht de oorzaak van stress gaat veranderen (en dus niet de bron van stress ontloopt of probeert te verminderen). Over de karaktereigenschap gehardheid beschikken. Dit betekent dat ze betrokken zijn, openstaan voor verandering en een gevoel van controle hebben over gebeurtenissen. Een gevoel van coherentie hebben. Dit betekent dat men het gevoel heeft dat de omgeving verklaarbaar is. Denken in staat te zijn het gedrag te vertonen dat leidt tot een gewenste uitkomt: eigeneffectiviteit. Dit hangt sterk samen met zelfwaardering. Positieve verwachtingen hebben: optimisme Ten slotte is in dit literatuuronderzoek ook gekeken naar de opbrengsten van bijeenkomsten van Werknemer in opleiding (Wio, 2010). Bij deze bijeenkomsten kwamen verschillende scholen (VSO en PrO) bij elkaar om in kaart te brengen wat duurzame arbeidsparticipatie tot stand brengt bij deze doelgroep. Hoewel dit geen wetenschappelijk onderzoek is, worden de resultaten van deze bijeenkomsten wel meegenomen om de koppeling met de praktijk goed te kunnen leggen. Uit deze bijeenkomst kwamen veel van de eerder genoemde kenmerken naar voren. De meest genoemde persoonskenmerken in deze bijeenkomst waren: motivatie, goede sociale vaardigheden, goede werkhouding (inzet, betrouwbaarheid), leerlingen die verantwoording namen voor eigen ontwikkeling, positief zelfbeeld en een stabiele thuissituatie. Opvallend is dat meerdere keren werd genoemd dat algemene beroepsvaardigheden belangrijker zijn dan vakkennis. Jongeren houden (van) werk! 24

25 De eerste paragraaf kan worden samengevat met dat er verschillende persoonskenmerken van invloed zijn op duurzame arbeidsparticipatie. Naast de verscheidenheid aan factoren is er ook veel overlap. Zo worden verschillende begrippen meerdere malen genoemd, zoals flexibiliteit, motivatie, zelfvertrouwen en arbeidstevredenheid. Ook is er samenhang tussen deze begrippen te vinden. Bijvoorbeeld voor het begrip zelfvertrouwen kan ook eigen zelfwaardering of een positief zelfbeeld worden gebruikt. Verder zijn begrippen als zelfkennis, authenticiteit en autonomie sterk aan elkaar verwant. 4.2 Kenmerken op de arbeidsplek In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de tweede deelvraag: Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? Deze deelvraag wordt beantwoord door vergelijkbare onderzoeken te analyseren en relevante kenmerken uit deze onderzoeken te benoemen. Uit de inleiding kwam naar voren dat leerlingen van het VSO en PrO vooral in assisterende beroepenen terecht komen. Smits (2008) geeft aan dat leerlingen van het PrO vooral sterk zijn in het uitvoeren van routinematig werk. Dit wordt ondersteund in het onderzoek van de Wolf, Vreugdenhil- Tolsma, van Haaf & Hoogenberg (2002). Zij hebben onderzoek gedaan naar PrO en arbeidsparticipatie. Hier komt de volgende citaat uit voort: Een succesvolle aansluiting school-bedrijf / leerling- arbeidsplaats wordt bevorderd door: kleine bedrijven, sociaal gevoel bij werkgever, het leveren van maatwerk, een goede introductie van de leerling / werknemer in het bedrijf, begeleiding en bemoeienis door één persoon, een gestructureerde werkruimte en werkinhoud, lage werkdruk, veel herhaling, extra aandacht in het bedrijf voor continuïteit in het begeleidingstraject en een goede zorg voor jongeren bij veranderingen. Ook in het eerder genoemde onderzoek van Horssen et al. (2009) kwamen soortgelijke resultaten kwam naar voren. De resultaten van dit onderzoek met betrekking tot kenmerken van de organisatie zijn geïllustreerd in figuur 8. Begeleiding werk Aard en aanpassingen werk Attitudes werkvloer Warme overdracht begeleider school begeleider vanuit UWV Zelfde begeleider school en werk Intensieve begeleiding gedurende langere tijd Begeleiding door collega of leidinggevende op de werkvloer Overdracht van begeleiding bij personeelswisseling Begeleiding op terreinen buiten werk Begeleiding bij praktische zaken Functie aangepast aan mogelijkheden Wajong er Aanpassen van uren Kennis en acceptatie van beperkingen en mogelijkheden Wajong en Wajong er door werkgever Kennis en acceptatie van beperkingen en mogelijkheden Wajong en Wajong er door collega s Figuur 8. Kenmerken van de organisatie die duurzame arbeidsparticipatie bij Wajong ers positief beïnvloeden (Horssen et al., 2009). Jongeren houden (van) werk! 25

26 Door de onderzoeken van de Wolf et al. en Horssen et al. kan worden geconcludeerd dat de begeleiding van de arbeidsplek van invloed is op het duurzame karakter van de arbeidsparticipatie. Het is belangrijk dat er wordt gekeken naar de persoonlijke behoeften van de leerling en hoe de werkomgeving hier steun aan kan en wil geven. Dit idee wordt ondersteund door het Person- Environment Fit model (P-E Fit model) (Schaufeli & Bakker, 2007). Dit model geeft aan dat een misfit tussen de persoonlijke behoeftes van een werknemer en de hulpbronnen in de werkomgeving leiden tot werkstress. Een voorbeeld van een misfit is wanneer de snelheid van de werknemer niet overeenkomt met de productienorm. In dit model wordt onderscheidt gemaakt tussen een objectieve (MO) en subjectieve misfit (MS). Een objectieve misfit verwijst naar de situatie van de werknemer zoals hij ook feitelijk is en de feitelijke situatie van het werk. De subjectieve misfit verwijst naar de discrepantie tussen de kijk van de werknemer op zichzelf en de werkomgeving. Daarnaast zijn er ook mechanisme die ervoor zorgen dat een persoon om kan gaan met een misfit tussen de persoonlijke behoeftes en hulpbronnen in de werkomgeving, namelijk: sociale ondersteuning: de hoeveelheid aan steun die iemand van zijn omgeving krijgt. (bijvoorbeeld van vrienden, familie, collega s en/of leidinggevenden) defensiemechanisme: de misfit tussen de (subjectieve) persoon en omgeving reduceren door afweermechanisme toe te passen. Een voorbeeld hiervan is het verdringing (het maakt niet uit dat ik geen salarisverhoging krijg.. ik heb het niet écht nodig..) copinggedrag: de misfit tussen persoonlijke behoeftes en hulpbronnen in de werkomgeving verminderen (actief en oplossingsgericht werken) Figuur 9. Het P-E Fit model (Schaufeli & Bakker, 2007) Niet alleen de behoefte van de jongere speelt een bij duurzame arbeidsparticipatie, ook de wensen en behoefte van de werkgever zijn van belang. Uit het onderzoek van Vink, van Schilt- Mol & Sontag (2008) naar de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt voor schoolverlaters PrO en VSO Jongeren houden (van) werk! 26

27 komen competenties naar voren die door als noodzakelijk worden gezien om goed te kunnen presteren. Uit dit onderzoek blijkt dat bedrijven veel waarde hechten aan goede sociale vaardigheden, inzet, flexibiliteit, doorzettingsvermogen en om kunnen gaan met kritiek. Naast de behoeftes en wensen van de werkgever en jongere is ook de sociale context van belang. Dit blijkt uit verschillende bronnen (Schaufeli & Bakker (2007), de Wolf et al. (2002), de Vries et al. (2010). Ook uit eerder onderzoek van Hessing en Schafrat (2009) bleek al dat jongeren zijwindgevoelig zijn en dus moeite hebben met het vragen om hulp en gevoelig zijn voor signalen uit hun omgeving. Dit maakt het voor deze jongeren lastig om een balans te vinden tussen privé en werk. Schaufeli & Bakker (2007) concluderen dat deze balans tussen privé en werk belangrijk maar ook lastig voor veel mensen. Voor jongeren van het PrO en VSO zou dit extra lastig kunnen zijn omdat ze erg gevoelig zijn voor hun omgeving. Volgens Schaufeli & Bakker beïnvloeden de privésituatie en werksituatie elkaar voortdurend. Wanneer het werk de privésituatie beïnvloedt, wordt dit aangeduid met de term werk-thuisinterferentie (WTI). Een voorbeeld hiervan is wanneer iemand thuis piekert over het werk. Ook het omgekeerde komt voor, bijvoorbeeld wanneer iemand zich op het werk niet kan concentreren omdat zijn relatie is stukgelopen. Dit wordt aangeduid met de term thuis-werkinterferentie (TWI). Er zijn twee dimensies waarin onderscheid kan worden gemaakt wanneer het gaat om interferentie, namelijk: de richting van de interferentie (TWI of WTI) maar ook de evaluatie van de interferentie. Deze evaluatie kan zowel positief als negatief zijn. Een positieve TWI is bijvoorbeeld wanneer een werknemer gestimuleerd wordt om beter te presteren omdat zijn partner ook erg gemotiveerd is. (Schaufeli & Bakker, 2007) Ook wordt in dit onderzoek meegenomen het onderzoek van Duinkerken et al. (2009) naar attitudes omtrent Wajong. Het onderzoek is vooral gericht op de attitudes van verschillende partijen die duurzame arbeidsparticipatie van Wajonggebruikers belemmeren of juist stimuleren. Uit dit onderzoek kwam het belang van collega s naar voren. Het is belangrijk dat collega s oog hebben voor de jongere en niet teveel gefocust zijn op de beperking die ze hebben. Uit het onderzoek kwam naar voren dat jongeren met een Wajongregeling de werksfeer positief beïnvloeden. Daarnaast nemen ze graag taken over die andere werknemers te eentonig vinden. Daarnaast heeft een jobcoach een positieve invloed op de duurzame arbeidsparticipatie van Wajonggebruikers. De jobcoach kan uitleg geven over de (on)mogelijkheden van de jongere. Uit het onderzoek blijkt wel dat er meer acceptatie is bij collega s wanneer bedrijven niet teveel aandacht geven aan de beperking, maar de jongere beschouwen als een gewone werknemer. Daarnaast geeft een jobcoach ook begeleiding en ondersteuning aan de jongere. Tenslotte wordt ook het resultaat van het eerder genoemde onderzoek van Herzberg meegenomen in de deze paragraaf. Het resultaat van zijn onderzoek naar wat positieve en negatieve gevoelens op de werkplek teweegbracht wordt in onderstaand figuur 10 geïllustreerd. Oorzaak positieve gevoelens op arbeidsplek Prestatie en erkenning Het werk zelf Oorzaak negatieve gevoelens op arbeidsplek Beleid Leiding Jongeren houden (van) werk! 27

28 Verantwoordelijkheid Promotie Salaris Technisch- procedureel Intermenselijke relaties Salaris Figuur 10. Resultaten theorie Herzberg (Bron: Bloemers & Hagedoorn, 2006) Samengevat kan uit de tweede paragraaf worden opgemaakt dat er voor duurzame arbeidsparticipatie verschillende kenmerken op de arbeidsplek van belang zijn: De mate waarin de arbeidsplek kan en wil voldoen aan de behoeftes van de jongere. De mate waarin de jongere kan voldoen aan de wensen van de arbeidsplek De sociale steun die een jongere ontvangt uit zijn omgeving (ouders, school, collega s, vrienden, familie) 4.3 Kenmerken in het onderwijs In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de derde deelvraag: Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO?. Ook bij deze deelvraag worden verschillende onderzoeken bestudeerd. Het PrO en in toenemende mate het VSO hebben als opdracht (een deel van) de leerlingen toe te leiden naar arbeid. De wijze waarop dit gebeurt is verschillend binnen en tussen deze schoolsoorten. Het proces op de school (de gestelde doelen, een interne en/of externe stage, het volgen van de leerling, de contacten met bedrijven) is op het PrO en VSO vergelijkbaar. Vanuit de landelijke overheidssubsidies (zoals Werknemer in opleiding) en de Europese subsidies (zoals vanuit het Europees Sociaal Fonds) worden PrO en VSO-scholen gestimuleerd om de toeleiding naar arbeid op te pakken. In de bijeenkomsten van Wio (2010) werd ook gesproken over de rol die de school heeft in duurzame arbeidsparticipatie. Uit de bijeenkomst kwam naar voren dat een goede match tussen het bedrijf en de jongere erg belangrijk is. Een goede match houdt in dit geval in dat de wensen en behoeftes van de jongere en het bedrijf in kwestie goed op elkaar aansluiten. Dat betekent dat de school de leerling goed moet kennen en zijn/haar mogelijkheden, zodat van daaruit aan de goede match kan worden gewerkt. Daarnaast is het belangrijk dat de jongere zelf een duidelijk beeld heeft ontwikkeld wat betreft zijn eigen wensen en behoeften, talenten en beperkingen. Wanneer het duidelijk is wat de jongere wil bereiken en de school een beeld heeft van de (on)mogelijkheden daarbij, kan de school in samenwerking met de jongeren de benodigde competenties (doen) ontwikkelen en zoeken naar een bedrijf wat bij de jongere past. Het PrO en VSO is bedoeld voor jongeren in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Jongeren in de deze leeftijd worden in de ontwikkelingspsychologie ook wel adolescenten genoemd (van Beemen, 2010). Volgens Erikson (zoals geciteerd in van Beemen, 2010) vinden de belangrijkste veranderingen in het ontwikkelen van een identiteit plaats tijdens de adolescentie. In de periode dat leerlingen van het VSO en PrO op school zitten, voltrekt zich het proces waarbij ze een eigen identiteit ontwikkelen. Het Jongeren houden (van) werk! 28

29 ontwikkelen van een eigen identiteit wordt door Erikson gezien als de centrale taak van adolescentie. Een eigen identiteit heb je volgens Erikson wanneer er aan vier voorwaarden is voldaan: 1. Gevoel van continuïteit en samenhang. Dit betekent dat men, ondanks alle veranderingen die men meemaakt, toch het gevoel heeft dat ze altijd dezelfde persoon zijn gebleven. 2. Wederzijdsheid. Wanneer de adolescent een identiteitsbeleving heeft, moet dit kloppen met de omgeving. Wanneer een adolescent zichzelf omschrijft als behulpzaam en anderen hem egoïstisch vinden is er dus geen sprake van wederzijdsheid. 3. Zelfacceptatie. Wanneer adolescenten een eigen identiteit hebben zijn ze zich bewust van hun capaciteiten en beperkingen. De adolescent accepteert zichzelf en aanvaard zijn leefsituatie. 4. Idealen. De adolescent heeft een toekomstperspectief. Door gerichte keuzes en motivatie wordt er in de toekomst doelen en verwachtingen waargemaakt. Ook uit de eerder vernoemde bron over attitudes rond Wajong (Duinkerken et al., 2009) kwam naar voren dat het voor school belangrijk is om te weten waar de leerling warm van wordt. Wanneer de school op de hoogte is van interesses en persoonlijke doelen van de jongere, is het belangrijk dat het beeld dat de leerlingen hebben wordt bijgeschaafd tot het realistisch is. Maatwerk is dus ook van belang. Naast het een goede match tussen de leerling en het bedrijf wordt een goede voorbereiding ook belangrijk gevonden in de bijeenkomst van werknemer in opleiding (2010). Een goede voorbereiding bestaat uit: een goede introductie, een goed assessment, sollicitatietraining, een goed portfolio. Verder worden een warme overdracht, frequente stagebezoeken en nazorg ook als belangrijk gezien. Dit sluit aan bij het onderzoek van de Wolf et al. (2002): de nazorg is van cruciaal belang voor de duurzame aansluiting van de oud-leerlingen praktijkonderwijs Daarnaast geeft het onderzoek van Duinkerken et al. (2009) aan dat de houding en attitudes van de omgeving van de leerling niet buiten beschouwing moet worden gelaten. De omgeving kan zowel een positieve als negatieve invloed hebben op de jongere. Volgens het onderzoek hebben de houding en attitudes van school en ouders invloed op duurzame arbeidsparticipatie. Wanneer de school bijvoorbeeld een pamperende houding aanneemt kan dit nadelig zijn voor de jongere. Met een pamperende houding wordt bedoeld dat de school de leerling moeilijk los durft te laten en zijn twijfels heeft over het bedrijfsleven. Jongeren raken in dat geval gewend aan de die ze van verschillende kanten krijgen (school, ouders) en voelen zich onvoldoende verantwoordelijk voor hun eigen leven. De school confronteert de jongere dan ook niet met een realistisch beeld over zijn mogelijkheden en stimuleert de jongere niet om zelf te denken. De school beïnvloedt de jongere positief wanneer ze het onderwijs beschouwen als tussenstation en het onderwijs gericht is op de transitie naar werk. Het opstellen van een concreet transitieplan in samenwerking met de jongere wordt ook als positief gezien in het onderzoek van Duinkerken et al. (2009). Hierbij is het van belang, zoals ook al eerder is genoemd, dat er vooral wordt gekeken naar de wensen, mogelijkheden en beperkingen van de jongere zelf. Vooral de wensen van de jongere worden als belangrijk gezien in het onderzoek. Andere kenmerken die positief bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie zijn: Jongeren houden (van) werk! 29

30 Het leveren van een arbeidspaspoort (als alternatief voor het diploma) waarin competenties van de jongere worden vastgelegd. Gebruik van rolmodellen. Bij- en nascholing bieden. Zelfregie van leerling stimuleren. Hoge verwachtingen hebben ten opzichte van de leerling. Het komt voor dat de mogelijkheden van de jongere worden onderschat. Ouders schatten de mogelijkheden van hun kind doorgaans hoger in dan school. Ze blijken hier vaak gelijk in te krijgen. Daarbij hechten jongeren veel waarde aan de attitude van ouders over de arbeidsplek. Duinkerken et al. (2009) geven aan dat het belang is dat er open gecommuniceerd wordt tussen school en ouders. Samengevat kan uit de derde paragraaf worden opgemaakt dat de school veel kan betekenen voor de jongere wanneer het gaat om duurzame arbeidsparticipatie. Het is belangrijk dat de school de jongere stimuleert in het vinden van zijn eigen identiteit. Wanneer de school op de hoogte is van de ambities van de jongere moeten zij deze ambities zo bijstellen dat ze haalbaar zijn voor de jongere (maatwerk). Hierbij moet de school zich niet té beschermend opstellen en de jongere ook verantwoordelijk maken voor zijn ontwikkeling. Jongeren houden (van) werk! 30

31 5 Conclusie en Discussie In dit hoofdstuk worden de resultaten van het literatuuronderzoek samengevat. Op basis van deze resultaten worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan voor het veldonderzoek. Ten slotte wordt in de discussie gesproken over eventuele aanvullingen op dit onderzoek en advies worden gedaan voor een eventueel vervolgonderzoek. 5.1 Conclusie In hoofdstuk vier komen de verschillende kenmerken aan de orde die, volgens de literatuur, van invloed zouden kunnen zijn op duurzame arbeidsparticipatie voor uitgestroomde jongeren van het VSO en PrO. In het literatuuronderzoek zijn veel kenmerken gevonden die duurzame arbeidsparticipatie zouden kunnen beïnvloeden. Meerdere kenmerken werden vaker genoemd en ook bestaat er overlap tussen enkele kenmerken. Er is voor gekozen om de kenmerken die van invloed zijn op duurzame arbeidsparticipatie te onderzoeken vanuit drie verschillende perspectieven: vanuit de persoon, de arbeidsplek en de school. Dit resulteerde zich in drie verschillende deelvragen, namelijk: 1. Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? 2. Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? 3. Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? Er kan worden geconcludeerd dat de persoonskenmerken die een rol spelen bij duurzame arbeidsparticipatie kunnen worden opgesplitst in drie onderdelen: zelfmanagement, motivatie en een goede werkhouding. Zelfmanagement wordt in de literatuur als een belangrijk kenmerk voor duurzame arbeidsparticipatie genoemd. Zelfmanagement houdt in dat de werknemer in staat is om te reflecteren en, op basis van de verworven zelfkennis, persoonlijke doelen op kan stellen en kan naleven. Ook omgeving speelt hierbij een rol, de werknemer moet in staat zijn zich in enige mate flexibel op te stellen maar ook om vast te houden aan zijn persoonlijke doelen ondanks tegenslag. Daarnaast blijkt motivatie belangrijk te zijn voor duurzame arbeidsparticipatie. Uit de literatuur bleek dat vooral intrinsieke motivatie belangrijk is. Dit betekent dat de jongere wordt gemotiveerd door eigen bewegingen, los van invloeden van buitenaf zoals straf en beloning. Bij motivatie hoort echter niet alleen de behoefte om iets te doen, ook de realisatie ervan en invloed van omgeving zijn belangrijk. Voor het realiseren van doelen moeten de leerlingen over enig doorzettingsvermogen beschikken en is zelfvertrouwen van belang. De leerling moet geloven dat hij zijn doelen ook daadwerkelijk kan behalen. Verder is dus niet alleen intrinsieke motivatie van belang, maar wordt een jongere eveneens ge(de)motiveerd door zijn omgeving. Hierbij kan worden gedacht aan salaris, erkenning en sociale status. Als derde persoonskenmerk is een goede werkhouding belangrijk voor duurzame arbeidsparticipatie. Met een goede werkhouding wordt onder andere bedoeld dat de jongere op tijd op Jongeren houden (van) werk! 31

32 zijn werk is, inzet toont, goede sociale vaardigheden heeft en in enige mate flexibel kan zijn. In dit kader werd in de literatuur aangegeven dat een positieve instelling en vragen om hulp wanneer dit nodig is, belangrijke elementen van een goede werkhouding zijn. De kenmerken die betrekking hebben op de arbeidsplek en in verband staan met duurzame arbeidsparticipatie kunnen worden onderverdeeld in: op de arbeidsplek kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jongere, de verwachtingen van de werkgever ten opzichte van de jongere en transitieperiode tussen school en werk. Uit het literatuuronderzoek kwam naar voren dat, wanneer er op de arbeidsplek rekening wordt gehouden met de beperkingen van de jongere, dit een positief effect heeft op de duurzame arbeidsparticipatie. Verder vindt vaker duurzame arbeidsparticipatie plaats wanneer er veel structuur in de werkzaamheden van de jongere zit. Een arbeidsplek waar de werkdruk laag is en er één persoon is die de begeleiding van de jongere op zich neemt, is voor de doelgroep optimaal. Ook een goede werksfeer is belangrijk. Vervolgens komt uit de literatuur naar voren dat bedrijven bepaalde (meer algemene) beroepsvaardigheden als onmisbaar zien. Er vindt vaker duurzame arbeidsparticipatie plaats wanneer jongeren met kritiek om kunnen gaan, inzet/doorzettingsvermogen tonen en in enige mate flexibel kunnen zijn. Tot slot speelt ook de transitieperiode na het PrO en VSO een belangrijke rol bij duurzame arbeidsparticipatie. Een goede introductie, waarbij de werknemer op de hoogte is van de (on)mogelijkheden van de jongere lijkt belangrijk te zijn. Een jobcoach kan hier faciliterend bij zijn. Vier onderdelen zijn naar voren gekomen die betrekking hebben op de relatie tussen het onderwijs en duurzame arbeidsparticipatie na het PrO en VSO. Deze zijn: zelfbeeld van de leerling, maatwerk, een goede voorbereiding en nazorg. Het is belangrijk dat de school de leerling stimuleert in het ontwikkelen van een reëel zelfbeeld. Wanneer het voor de leerling duidelijk is wat hij wil en kan, kan er een goede match worden gemaakt tussen de leerling en de arbeidsplek. Het is ook belangrijk dat de school zich niet te verzorgend opstelt ( pamperen ) maar de leerling zelf verantwoordelijk maakt voor zijn ontwikkeling. Wanneer de leerling een goed beeld heeft van wat hij wil bereiken en welke baan bij hem past, is het de taak van school om ervoor te zorgen dat dit haalbaar wordt of blijft. Hierbij moet duidelijk worden welk gedrag en welke competenties horen bij het doel dat de leerling wil bereiken? Het bieden van maatwerk in het onderwijsaanbod en de begeleiding van de leerling binnen het onderwijs gericht op dit gedrag en deze competenties is dus van belang voor duurzame arbeidsparticipatie. Verder lijkt een goede voorbereiding op de overgang naar arbeid van invloed is op duurzame arbeidsparticipatie na het PrO en VSO. Hierbij hoort een goede introductie (die al eerder is genoemd), maar ook sollicitatietraining, een goed portfolio, een arbeidspaspoort en het gebruik van rolmodellen. Wanneer de jongere eenmaal op de arbeidsplek is toegetreden, is het geven van nazorg essentieel Jongeren houden (van) werk! 32

33 voor duurzame arbeidsparticipatie. Wanneer de nazorg ophoudt, verlaten veel jongeren de arbeidsmarkt. De hoofdvraag in dit onderzoek luidt: Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het VSO en PrO? Nu antwoord is gegeven op de deelvragen, is duidelijk geworden dat het tot stand komen van duurzame arbeidsparticipatie een complex proces is waarbij verschillende kenmerken een rol spelen. In onderstaand tabel worden de kenmerken die zijn genoemd bij de drie deelvragen weergegeven. Persoonskenmerken Kenmerken arbeidsplek Kenmerken onderwijsplek Zelfmanagement Motivatie Kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jongere Verwachtingen van de werkgever Zelfbeeld Maatwerk Goede werkhouding Transitieperiode Een goede voorbereiding en nazorg Duidelijk komt naar voren dat de jongere centraal staat. Wat wil de jongere zelf? Wat zijn zijn wensen, behoeften, mogelijkheden en idealen? Dat lijkt de kern te zijn van de resultaten. Dit roept verschillende vragen op. Is er een arbeidsplek die hierbij past? Heeft de jongere voldoende capaciteiten om zijn wensen te bewerkstelligen? In het veldonderzoek wordt onderzocht wat jongeren die duurzaam participeren op de arbeidsplek gemeen hebben. Ook worden de arbeidsplek zelf en de school van herkomst meegenomen in dit onderzoek om na te gaan of de kenmerken die in deze literatuurstudie naar voren komen bij deze duurzaam participerende jongeren een rol hebben gespeeld c.q. spelen. 5.2 Discussie De conclusie maakt duidelijk dat het komen tot een duurzame arbeidsparticipatie bij jongeren van het PrO en VSO een zeer complex proces is. Dit proces wordt onderzocht door gebruik te maken van literatuur die niet allemaal gericht is op leerlingen van het PrO en VSO. Hierdoor komen veel kenmerken naar voren die voor iedere werknemer van belang zijn. Het is daarom van belang dat in het veldonderzoek naar voren komt welke kenmerken specifiek voor deze doelgroep van belang zijn. Verwacht wordt dat vooral het zelf verantwoordelijk willen zijn voor ontwikkeling van belang is. Wanneer een jongere een goed beeld heeft van wat hij wil bereiken en intrinsiek gemotiveerd is lijkt dit een positieve invloed te hebben op duurzame arbeidsparticipatie. Verder kwam in de literatuur ook naar boven dat de omgeving een belangrijke rol speelt bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO en VSO. Echter wordt er, door een gebrek aan tijd, niet onderzocht welke rol ouders of vrienden spelen in dit proces. Het zou van belang kunnen zijn om dit in een eventueel vervolgonderzoek wel mee te nemen. Wel kan er worden er aan de jongere worden gevraagd of/hoe hij sociale steun ervaart tijdens de kwalitatieve interviews. Jongeren houden (van) werk! 33

34 VELDONDERZOEK Jongeren houden (van) werk! 34

35 6 Samenvatting Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs? Deze vraag wordt beantwoord met resultaten die naar voren kwamen vanuit het veldonderzoek bij drie groepen: de oud-leerling praktijkonderwijs, de leidinggevende op de arbeidsplek van de oud-leerling en de mentor van de school voor praktijkonderwijs waar de oud-leerling op school zat. Persoonskenmerken die duurzame arbeidsparticipatie positief beïnvloeden zijn: motivatie, doelgericht zijn, doorzettingsvermogen, flexibiliteit, zelfkennis, (het ontwikkelen van) zelfvertrouwen, sociale steun, erkenning, financiën, doelen nastreven ondanks tegenslag, bewuste keuzes kunnen maken, naleven van regels, sociale vaardigheden, goede samenwerking, hulp vragen wanneer nodig, zichtbare ontwikkeling en een klik. Kenmerken op de arbeidsplek die een rol spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie hebben voornamelijk te maken met maatwerk. Er komt naar voren dat de werkzaamheden en de verwachtingen ten opzichte van de oud-leerling zijn aangepast op de capaciteiten van de oud-leerling. Niet alleen is er een klik tussen de werkzaamheden en de oud-leerling, er is ook een klik tussen de leidinggevende en de oud-leerling. Verder is een transparante werkvloer van belang. Tot slot speelt ondersteuning op de arbeidsplek een rol voor deze leerlingen, bijvoorbeeld bij de transitieperiode maar ook bij het geven van nazorg. Van de kenmerken in het onderwijs die een rol spelen volgens de mentoren gaat het voornamelijk om het kennen van de leerling. Vervolgens is het belangrijk dat school de ambities, sterke en zwakke punten omzet naar een realistisch doel en passende arbeidsplek. Een goede match is ook hier belangrijk. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de oud-leerling gemotiveerd moet zijn, dat op de arbeidsplek een goede match (klik) een grote rol speelt en blijkt wederzijdse betrokkenheid van belang voor de duurzame arbeidsparticipatie. Jongeren houden (van) werk! 35

36 7 Inleiding Het doel van het veldonderzoek is zicht krijgen op kenmerken die van invloed zijn op duurzame arbeidsparticipatie na het PrO. De uiteindelijke onderzoeksvraag is dan ook: Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? Er is voor gekozen om deze hoofdvraag op te splitsen in drie deelvragen: 1. Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie het PrO? 2. Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? 3. Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? De vragen voor de interviews en de vragenlijst zijn geformuleerd op basis van gevonden kenmerken en indicatoren uit de literatuur. In bijlage 7 is hier als verantwoording meer over terug te vinden. Op basis van de indicatoren is de volgende codeboom gemaakt, die de basis vormde voor de analyse. Jongeren houden (van) werk! 36

37 8 Methode Om mijn onderzoeksvraag: Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? te kunnen beantwoorden, wordt er naast het literatuuronderzoek ook een veldonderzoek verricht. In dit hoofdstuk is de methode voor het veldonderzoek terug te vinden. 8.1 Onderzoeksopzet en procedure Dit onderzoek is een mixed-methods onderzoek. Dit houdt in dat kwalitatieve en kwantitatieve methoden met elkaar worden gecombineerd om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden en een advies uit te brengen. Het bevragen en analyseren van het kwantitatieve deel van dit onderzoek valt onder de verantwoording van KPC Groep. Wel zal ik zelf verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de vragenlijst en het trekken van de conclusies. De vragenlijst is te vinden in bijlage 9. Degene die de vragenlijst gaan invullen worden door KPC Groep ingelicht over het doel van het onderzoek. De respondenten vullen de vragenlijst digitaal in via een link die KPC Groep in een mail met toelichting over het onderzoek toestuurt. Het invullen van de vragenlijst zal ongeveer 10 minuten duren. Omdat de gegevens uit de vragenlijst anoniem verwerkt worden, kunnen ze niet worden gekoppeld aan een leerling. Het kwalitatieve deel van het onderzoek wordt door mijzelf gedaan. Vanaf april zijn er interviews gehouden en verwerkt. Iedere deelnemer wordt één keer geïnterviewd; er is dus geen sprake van een voor- of nameting. De interviews vinden plaats op de werkplek van de jongere en duren ongeveer 1,5 uur. Op die manier kan in één dag zowel de jongere als de werkgever worden geïnterviewd. Verder wordt een indruk verkregen van de werksituatie, het werk en de sfeer in omgaan met elkaar. De interviews zijn semigestructureerd. Dit betekent dat er vragen zijn opgesteld naar de kenmerken die uit de literatuur naar voren kwamen. Er wordt echter ook buiten deze kaders gedacht: er is ruimte voor de respondenten om andere kenmerken naar voren te brengen. Het format voor de interviews is te vinden in bijlage 7, deze geldt echter als leidraad voor het interview. 8.2 Deelnemers De deelnemers voor het veldonderzoek bestaan uit jongeren die afkomstig zijn van het PrO. Deze jongeren zijn, nadat de nazorg is gestopt, nog steeds werkzaam in een arbeidsorganisatie. De leeftijd van de deelnemers ligt tussen de 20 en 33: de range in leeftijd is de reden waarom er bij het veldonderzoek meer over ex-leerlingen dan over jongeren wordt gesproken. De werving van de deelnemers is door KPC Groep uitgevoerd. Er is contact opgenomen met verschillende PrO scholen. De scholen hebben contact opgenomen met de oud-leerlingen die nog actief zijn op de arbeidsmarkt en hebben ze doorverwezen naar medewerkers van KPC Groep. Er zijn zeven interviews bij oud-leerlingen afgenomen. Hierbij is getracht om een evenredige verdeling te maken tussen mannen en vrouwen, helaas bleek dit in de praktijk niet haalbaar. Er is één vrouw geïnterviewd en zes mannen. Bij de selectie is gestreefd om de interviews in verschillende regio s af te nemen. Dit is gelukt: uiteindelijk hebben interviews plaatsgevonden in Stadskanaal, Doetinchem, Veghel en Den Bosch. In onderstaand tabel worden de kenmerken van de leerlingen weergegeven. Jongeren houden (van) werk! 37

38 Leerling Leeftijd Extra ondersteuning Certificaten/opleidingen Branche 1 20 Nee Niveau 1,2 & 3 logistiek Logistiek Reachtruck + Heftruck 2 22 Nee Niveau 1,2 & 3 logistiek Logistiek + Reachtruck + Heftruck Gezondheidszorg Aanhangrijbewijs BLS (gezondheidszorg) 3 22 Wajong Reachtruck + Heftruck Logistiek trekker rijbewijs 4 25 Wajong VCA + EHBO Bouw trekker rijbewijs 5 24 WSW BHV Cursus Onderwijs 6 22 Nee Niveau 1,2 & 3 (koksopleiding) Horeca 7 33 WSW, Consulent sociale werkvoorziening. Niveau 1 (detailhandel). Detailhandel Naast de interviews bij de oud-leerlingen, is ook de directe leidinggevende van de oud-leerling geïnterviewd. Helaas waren niet alle bedrijven bereid om mee te werken aan het onderzoek. Uiteindelijk zijn er vijf interviews met leidinggevenden afgenomen. Daarbij zijn er verschillende branches benaderd. Ten slotte is ook de school van herkomst meegenomen in het veldonderzoek. De actoren in de school werden niet geïnterviewd. Er is een gestandaardiseerde vragenlijst opgesteld. Vervolgens is de (vroegere) mentor of stagebegeleider van de oud-leerling aangeschreven met het verzoek de vragenlijst op internet in te vullen. De verwerking van deze gegevens is gedaan door KPC Groep. Uiteindelijk is de vragenlijst door vijf respondenten volledig ingevuld. 8.3 Materiaal / meetinstrumenten In deze paragraaf is een verantwoording voor de topiclijst voor de interviews met de jongeren en de werkgevers en de vragenlijst voor de scholen te vinden. De complete topiclijsten en vragenlijst met bijbehorende dimensies en indicatoren is terug te vinden in bijlage 7. Hierin worden ook voorbeeldvragen en het aantal vragen per item weergegeven. Deze bijlage is opgesteld op basis van informatie in het literatuuronderzoek. De bronnen zullen kort worden toegelicht. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het literatuuronderzoek. De topiclijst voor het interview met de (uitgestroomde) leerling van het PrO bevat de dimensies zelfmanagement, motivatie en goede werkhouding. Deze dimensies zijn gebaseerd op het onderzoek van de Vries, Brouwer, Groothoff, Geertzen & Reneman (2011). In zijn onderzoek kwamen onder andere deze kenmerken naar voren als belangrijke kenmerken voor duurzame arbeidsparticipatie. Er wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve topiclijst omdat het onderzoek van de Vries zich richtte op een andere doelgroep. Het dus belangrijk dat ook andere kenmerken naar boven kunnen komen. In de topiclijst wordt naar indicatoren gevraagd die ook naar voren kwamen bij het onderzoek van De Vries Jongeren houden (van) werk! 38

39 et al. (2011). Ook wordt er gekeken naar de zijwindgevoeligheid van de doelgroep (Hessing & Schafrat, 2009) door de indicatoren: vasthouden aan doelen ondanks tegenslag en hulp vragen wanneer dit nodig is. Er wordt in het interview met de jongere gevraagd naar de waarneming van de jongere over zichzelf in relatie met zijn werk (zelfrapportage). Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van bestaande instrumenten. In het interview zullen voornamelijk open vragen worden gesteld en worden doorgevraagd ter verheldering en aanvulling. Er is gekozen voor een kwalitatief interview omdat leerlingen van het PrO over het algemeen moeite hebben met taal. Door een kwalitatief interview kunnen vragen eventueel verduidelijkt worden wanneer dit nodig is. Daarnaast is er bij kwalitatieve interviews ook meer ruimte voor kenmerken die niet naar voren zijn gekomen in de literatuur. De topiclijst voor het interview met de leidinggevende van de jongere bevat de dimensies: kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jongere, verwachtingen van de werkgever en transitieperiode. Deze dimensies en bijbehorende indicatoren zijn gebaseerd op het onderzoek van Wolf, Vreugdenhil-Tolsma, van Haaf & Hoogenberg (2002) naar PrO en arbeidsparticipatie. Het onderzoek van Vink, van Schilt- Mol & Sontag (2008) naar de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt voor schoolverlaters PrO en VSO, en tot slot het onderzoek naar attitudes rond de Wajong (Duinkerken, Wesdorp & van der Woude, 2009). Er wordt in dit interview gevraagd naar de waarnemingen van de werkgever met betrekking tot de jongere. Ook hier zal geen gebruik worden gemaakt van bestaande instrumenten en zullen er voornamelijk open- en toelichtingsvragen worden gesteld. Ten slotte wordt er ook gebruik gemaakt van een kwantitatieve vragenlijst. Hier is voor gekozen omdat er te weinig tijd beschikbaar is om ook hier een kwalitatief interview af te nemen. Deze vragenlijst is gebaseerd op drie dimensies: zelfbeeld, maatwerk en een goede voorbereiding en nazorg. Deze dimensies en bijbehorende indicatoren zijn gebaseerd op bijeenkomsten van Werknemer in opleiding in (2010). Ook de eerder genoemde bronnen van Duinkerken et al. (2009) en de Wolf et al. (2002) zijn meegenomen in het opstellen van de dimensies en indicatoren. De vragenlijst is bedoeld voor de eerdere mentor/begeleider van de jongere. Deze vult de vragenlijst in over de jongere in kwestie. Daarnaast komen ook algemene vragen aan bod. Hierbij kan worden gedacht aan de schaalvraag: op school wordt veel aandacht gegeven aan de wensen/ambities van de leerlingen. Voor deze vragenlijst wordt geen gebruik gemaakt van een bestaande vragenlijst. Jongeren houden (van) werk! 39

40 8.4 Analyses Daar dit case study-onderzoek een verkennend en beschrijvend karakter heeft, is de probleem- en vraagstelling leidend voor de analyse. De informatie die vanuit de interviews en vragenlijsten is verzameld, wordt geïnterpreteerd vanuit de indicatoren die in het literatuuronderzoek van belang zijn gebleken en worden in de rapportage overzichtelijk en transparant weergegeven. Ik ben me bewust van de beperkte reikwijdte van de te trekken conclusies: deze zijn geldend voor de cases die ik beschrijf. De kwalitatieve data heb ik geanalyseerd met behulp van MAXQDA. Hiermee kan ik een uitspraak uit een interview onderbrengen in de door mij opgestelde dimensies en indicatoren. Op deze manier komen alle uitspraken die bijvoorbeeld betrekking hebben op zelfbeeld overzichtelijk onder elkaar te staan. De analyse wordt daarna per indicator, dimensie of kenmerk verricht. De kwantitatieve gegevens heb ik niet zelf geanalyseerd; dit is gedaan door KPC Groep met SPSS. Daar de duurzame arbeidsparticipatie specifiek bij deze specifieke groep respondenten nog niet heeft plaatsgevonden, kan geen gebruik worden gemaakt van gestandaardiseerde vragenlijsten. Daarnaast draagt het feit dat het veldonderzoek een verkennend en beschrijvend onderzoek is, het zich beperkt tot 8 tot 10 cases én de beperkte doorloop- en uitvoeringstijd er toe bij, dat er niet met een pilot wordt gewerkt om tot een gestandaardiseerde en gevalideerde vragenlijst te komen. 8.5 Onderbouwing Om de hoofdvraag te beantwoorden, wordt onderzocht op persoonskenmerken, kenmerken op de arbeidsplek en kenmerken in het onderwijs. Bij deze kenmerken zijn verschillende indicatoren opgesteld die worden onderzocht in het interview en in de vragenlijst. Deze indicatoren zijn gebaseerd op het eerder uitgevoerd literatuuronderzoek. Door middel van deze interviews en de vragenlijst, wordt getracht om kenmerken die belangrijk zijn voor duurzame arbeidsparticipatie in kaart te brengen. In de kwalitatieve interviews is ruimte om, naast de vooraf opgestelde indicatoren, ook open te staan voor andere gegevens die eventueel uit de interviews naar voren komen. In de vragenlijst is deze ruimte beperkt. Op het moment dat de interviews en de vragenlijsten zijn verwerkt wordt gekeken naar terugkomende thema s. Wanneer er veel overlap is en verschillende kenmerken herhaald terugkomen wordt aangenomen dat deze een rol spelen in duurzame arbeidsparticipatie. Jongeren houden (van) werk! 40

41 9 Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten van mijn veldonderzoek weergegeven. In de eerste paragraaf zijn de resultaten van de kwalitatieve interviews met de oud-leerlingen PrO te vinden. De tweede paragraaf geeft de resultaten van de kwalitatieve interviews met leidinggevenden weer. Uitspraken die gedaan worden in deze paragraaf zijn gebaseerd op verschillende uitspraken uit de interviews. Voor een uitgebreid overzicht hiervan wordt verwezen naar bijlage 10. Ten einde van iedere dimensie staat een tabel waarin de resultaten met betrekking tot deze dimensie kort wordt samengevat. Ten slotte worden in de derde paragraaf de antwoorden op de vragen van de vragenlijst die uitgezet is op scholen behandeld. In bijlage 7 is het gebruikte materiaal voor de interviews terug te vinden. Hier staat onder andere beschreven welke vragen gekoppeld zijn aan de indicatoren die naar voren kwamen uit het onderzoek. 9.1 De oud-leerling In deze paragraaf worden de resultaten van de interviews met de oud-leerling PrO weergegeven. De vragen die gesteld zijn tijdens het interview zijn gestoeld op kenmerken die naar voren kwamen in de literatuur. Naast deze vragen was er ook ruimte voor eventuele andere kenmerken die naar voren kwamen. Onder andere door deze paragraaf worden de deelvragen Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? en Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? beantwoord. De uitspraken van de oud-leerling zijn verdeelt in drie categorieën: persoonskenmerken, kenmerken van het bedrijf en anders. Persoonskenmerken In deze categorie worden de resultaten met betrekking tot de dimensies zelfmanagement, motivatie en goede werkhouding weergegeven. Dit wordt gedaan door middel van uitspraken van de oud leerling met betrekking tot deze dimensies. De dimensie zelfmanagement is onderverdeeld in vijf indicatoren, namelijk: doelen stellen, doelen nastreven ondanks tegenslag, reflectievermogen, zelfkennis en flexibiliteit. Wanneer naar de indicator doelen stellen wordt gekeken komt naar voren dat de oud-leerlingen niet erg toekomstgericht zijn, ze zijn voornamelijk gericht op het hier en nu. Ze vinden het dan ook lastig om concrete doelen op te stellen. Dit kan worden geïllustreerd met het volgende uitspraak: Ik heb nou mooi mijn eigen werk en daar ben ik voor de volle 100% mee bezig. Ik heb een vast contract en ik zie wel wat de toekomst mij brengt. (oud leerling 1). Later in het gesprek komt echter naar voren dat ze wel degelijk doelen hebben opgesteld. Zes oud-leerlingen geven ook aan in ontwikkeling te willen zijn. Ze zijn initiatiefrijk en willen eigen doelen bereiken. Voorbeelden hiervan zijn Ik wil laten zien: ik kan dat wel (oud-leerling 7). Bij de indicator doelen nastreven ondanks tegenslag komt naar voren dat de oud-leerlingen goed kunnen anticiperen op tegenslagen op het gebied van hun carrière. Hoe ziet jouw droombaan eruit? Ja dat is om op de ambulance regionaal te gaan rijden. Het is solliciteren en solliciteren en hopen dat je er een keer doorheen komt (oud leerling 2). Ook geven zes van de zeven leerlingen aan dat ze Jongeren houden (van) werk! 41

42 van baan of functie zijn veranderd gedurende hun loopbaan. Dit loopt uiteen van een andere functie binnen hetzelfde bedrijf tot een andere baan in een andere branche. Opvallend is wel dat zes van de zeven oud-leerlingen zijn geïntroduceerd in het bedrijf door een externe partij, bijvoorbeeld school of sociale werkvoorziening. Bij die sollicitatie ben ik geholpen ja. We hoeven geen sollicitatiebrief te schrijven maar je kunt ook bellen, dat heb ik intern bij X geregeld (oud- leerling 5). Wanneer er vragen werden gesteld die betrekking hadden op reflectievermogen hadden veel oud-leerlingen hier in de eerste instantie moeite mee. Later in het gesprek kwam wel een antwoord op deze vragen. Hoewel de leerlingen enige moeite ervaren met reflecteren zijn ze goed in staat om weloverwogen keuzes te maken. De leerlingen wegen voor en nadelen tegen elkaar af, weten wat ze (op korte termijn) willen bereiken en wat de consequenties daarvan zijn. Ja dat vind ik toch wel belangrijk. Ik kan wel fulltime naar school voor verpleegkundige, als ik mijn oogkleppen opzet dan ga ik dat doen. Maarja dan moet ik mijn auto daarvoor laten en mijn motor en dan heb ik geen inkomsten meer dus ook niet op vakantie en dan denk ik een keer genieten van je leven dat mag ook wel in plaats van alleen maar leren en werken. (oud-leerling 2). Uit de interviews blijkt dat de leerlingen over enige zelfkennis beschikken. Ze weten wat ze willen bereiken en wat ze kunnen. Bovendien geven drie van de zeven oud-leerlingen expliciet aan dat ze zich bewust zijn van wat ze minder goed kunnen. Ze weten dat sommige activiteiten hen meer moeite kost dan anderen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende uitspraak: Bij mij is het zo, en dat is met alles, ik heb een beperking. Je hoeft aan mij geen drie dingen tegelijk te vragen want dan gaat er een stekkertje los. Dat hoef je mij niet te laten doen want dat kan ik gewoon niet. Daar raak ik gestrest van. (oud leerling 7). De oud-leerlingen geven aan dat ze allemaal in staat zijn zich flexibel op te stellen. De mate waarin ze zich flexibel opstellen is verschillend voor de oud-leerlingen. Dit heeft ook te maken met de werkzaamheden die zij verrichten. In sommige functies wordt een hoge mate van flexibiliteit van ze verwacht, in andere functies komt dit minder aan de orde. Zelfmanagement Doelen stellen - Op langere termijn; + Op korte termijn Doelen nastreven ondanks tegenslag + Reflectievermogen +/- Zelfkennis + Flexibiliteit + De dimensie motivatie is onderverdeeld in zeven indicatoren, namelijk: sociale steun, erkenning, financiën, eigen effectiviteit, zelfvertrouwen, doelen willen nastreven en doorzettingsvermogen. De oud-leerlingen geven aan steun te ervaren van ouders en/of vrienden wat betreft hun carrière. Oud-leerlingen geven aan dat ze ervaren dat ouders/vrienden trots zijn dat zij een baan hebben. Ook ondersteunen ouders/vrienden in bijvoorbeeld het maken van schoolopdrachten en kunnen zij hun verhaal kwijt thuis. Die vinden het heel mooi. Ja omdat ik het er wel moeilijk mee gehad Jongeren houden (van) werk! 42

43 heb, dat ik toch hier ben gekomen. Dat ik gegroeid ben. Ja dat ik een vaste baan heb, dat vinden ze heel mooi (oud-leerling 6). Iedere oud-leerling geeft aan dat ze erkenning krijgen voor hun werkzaamheden. Dit kan zijn door andere collega s of leidinggevende. De oud-leerlingen geven aan dat ze complimenten ontvangen van hun collega s of leidinggevende. Zeggen anderen dat ook wel eens tegen jou? Ja ze zeggen wel eens, dat kan ik wel goed (oud-leerling 3). Financiën spelen een rol voor de oud-leerlingen. Veel geven aan het fijn te vinden dat ze een vast contract hebben en in staat zijn om een auto of woning te kopen. Daarnaast is het zo dat alle oudleerlingen een vast contract hebben of op korte termijn krijgen. Ik heb een vast contract bij Wedeka, dat is zeker heel fijn. Zeker in deze tijd (leerling 5) Wanneer naar de indicator eigen effectiviteit wordt gekeken bestaat er een samenhang met de indicator zelfkennis. Zoals eerder benoemd beschikken de oud-leerlingen over zelfkennis. De meerderheid van de oud-leerlingen benoemt expliciet wat zijn/haar ontwikkelpunten zijn. Ook kunnen de oud-leerlingen kunnen goed inschatten welk gedrag van ze verwacht wordt en of ze hiertoe in staat zijn. Wanneer ze verwachten dit niet te kunnen maken ze vaak gebruik van de hulp van collega s Ja. En lukt het niet dan ga ik gewoon collega s bellen die dat wel vaker doen. Ik krijg ook wel vaak de kans om het te leren. Dan is het maar gewoon doen. (oud leerling 4) Oud-leerlingen geven aan zich op de hun plek te voelen binnen het bedrijf, dit zorgt ook voor meer zelfvertrouwen. Ook geven de oud-leerlingen aan meer zelfvertrouwen te hebben gekregen gedurende het arbeidsproces. Het merendeel van de oud-leerlingen geeft aan over voldoende zelfvertrouwen beschikken om weerstand te bieden tegenover andere collega s wanneer ze iets niet willen of kunnen doen. Dus ook een stukje zelfvertrouwen. Klopt dat? Ja dat klopt. Sommige collega s die vragen kan dat worden aangeschaft en dan zeg ik nee dat kan niet (oud leerling 5). Zoals eerder benoemd willen de oud-leerlingen eigen doelen willen nastreven en zichzelf willen ontwikkelen. Hoewel het ze soms moeite kost om doelen te formuleren zijn ze wel gemotiveerd om ze na te streven. Vijf van de zeven oud-leerlingen geven expliciet aan dat ze doelstelling binnen het bedrijf nastreven. Ook stellen de leerlingen doelen aan zichzelf. ja mezelf testen niet maar ik vind wel van ik wil wel heel veel dingen bereiken. Ik wil vanuit mezelf veel bereiken, en dan ga ik gewoon kijken naar wat ik beter kan doen. (oud leerling 1). De oud-leerlingen laten in de interviews blijken dat ze over doorzettingsvermogen beschikken. Ze zijn gemotiveerd en willen graag doelen bereiken. De oud-leerlingen geven ook aan dat ze het niet als een probleem ervaren wanneer ze moeten overwerken om een klus/opdracht af te ronden. Krijg je al het werk op tijd af? Ja meestal wel, en anders moet ik iets langer blijven. Vind je dat erg? Nee. Als het af moet, dan moet het af. (oud leerling 3). Motivatie Sociale steun + Erkenning + Financiën + Inschatten welk gedrag van ze verwacht wordt + en of ze hiertoe in staat zijn. Op hun plek + Zelfvertrouwen/durven weerstand te bieden + Jongeren houden (van) werk! 43

44 Stellen doelen + Doorzettingsvermogen + De dimensie goede werkhouding is in zes indicatoren onderverdeeld, namelijk: houden aan de regels, sociale vaardigheden, inzet tonen, flexibele werkhouding, hulp vragen wanneer nodig en een positieve instelling. De oud-leerlingen geven aan geen problemen te ervaren met het naleven van de regels. Het merendeel van de leerlingen werkt al langere tijd bij het bedrijf en ze zijn allemaal goed op de hoogte van de regels De oud-leerlingen geven aan dat de bedrijven waar ze werken veel duidelijkheid verschaffen wat betreft de regels. Dit wordt onder andere gedaan door voorlichting. Ook op tijd op het werk verschijnen is geen probleem voor ze. Ik moet om 7 uur beginnen maar ik ben toch meestal wel van de tijd dus ik ben er meestal om tien over half 7, kwart voor 7 (oud- leerling 2). Bij de indicator sociale vaardigheden geven de oud-leerlingen aan dat goede communicatie belangrijk is in hun werk. Ze geven aan dat dit belangrijk is om samen te kunnen werken en/of omdat ze met klanten werken. ja je brengt wel eens iets aan tafel ofzo dan krijgen ze ook een indruk van wie er in de keuken staat (oud- leerling 6). Een goede samenwerking wordt door zes van de zeven leerlingen als belangrijk gezien. Een goede samenwerking kan invloed hebben op de mate waarin ze plezier beleven in hun werk, maar heeft ook invloed op hun functioneren. De oud- leerlingen tonen inzet binnen het bedrijf. Zoals eerder benoemd geven de oudleerlingen aan dat ze gemotiveerd zijn om doelen na te streven. Ze laten zien dat ze over doorzettingsvermogen beschikken. Eerder in dit hoofdstuk is benoemd dat de leerlingen aangeven dat ze in staat zijn zich in enige mate flexibel op te stellen. Wanneer er vanuit het bedrijf wordt gevraagd om van werkzaamheden te veranderen (bijvoorbeeld in plaats van Arnhem moet je nu naar Dieren) geven vier leerlingen expliciet aan hier geen problemen mee te hebben. Ja. Vandaag doe je dit en morgen is het weer anders, over een uur is het weer anders. Dat is gewoon mooi. (oud-leerling 5). Eén leerling geeft aan dit in het verleden wel moeilijk te hebben gevonden maar hier nu beter mee om te kunnen gaan. Alle oud-leerlingen geven aan dat ze hulp vragen wanneer ze die nodig hebben. Ze geven daarbij ook aan dat het voor hen ook zo aanvoelt dat ze hulp mogen vragen binnen het bedrijf. Het bedrijf staat daarvoor open. Wel geeft één leerling aan het wel fijn te vinden om steun te krijgen van haar consulente. Iedereen zegt hier ook binnen, als het niet lukt dan kun je het gewoon vragen. Ze hebben liever dat je het tig keer vraagt dan dat je het heel erg fout doet. Dat hebben ze het liefst (oud leerling 1). Zes van de zeven oud-leerlingen laten zien dat ze een positieve instelling hebben. Ze laten dit zien door positieve verwachtingen te hebben ten opzichten van zichzelf en het bedrijf. Ook geven ze aan positief te denken over hun werkzaamheden. Verder geven alle oud-leerlingen aan dat ze trots zijn op hun baan. Ik vind wel dat ik trots mag zijn op mijn baan (oud leerling 6). Goede werkhouding Naleven van regels + Sociale vaardigheden + Goede samenwerking is belangrijk + Jongeren houden (van) werk! 44

45 Tonen inzet + Flexibel + Hulp vragen wanneer nodig + Positieve instelling + Tenslotte zijn er bij de categorie persoonskenmerken ook indicatoren gevonden die niet konden worden ondergebracht bij de drie dimensies. Deze indicatoren zijn: een doorgemaakte ontwikkeling en een klik/enthousiasme. De oud-leerlingen geven allemaal aan dat ze een ontwikkeling hebben doorgemaakt. Dit kan een ontwikkeling zijn op persoonlijk gebied of ontwikkelingen die ze hebben doorgemaakt in hun loopbaan. Een voorbeeld daarvan is: Ja omdat ik het er wel moeilijk mee gehad heb, dat ik toch hier ben gekomen. Dat ik gegroeid ben (oud leerling 6). Daarnaast is geven alle oud-leerlingen aan dat ze het gevoel hebben op hun plek te zijn in het huidige bedrijf. Leerlingen geven aan dat er een klik is tussen hen en het bedrijf. Alle leerlingen zijn erg enthousiast over in hun werk. Als je hier nou net binnenkomt en je mag alles doen, van auto s wassen tot directeur, wat zou je dan willen doen? Nou dit is ook wel mooi werk. Dus je zit goed op je plek? Ja (oud- leerling 3). Anders Ontwikkeling doorgemaakt + Klik/enthousiasme + Kenmerken van het bedrijf In deze categorie worden de resultaten met betrekking tot de dimensies transitieperiode, verwachtingen van het bedrijf en ondersteuningsbehoeften weergegeven. Dit wordt gedaan door middel van uitspraken van de oud leerling met betrekking tot deze dimensies. De dimensie transitieperiode is in drie indicatoren onderverdeeld, namelijk: kennis over de jongere voor aanvang van de werkzaamheden, extra ondersteuning en een goede introductie. De oud-leerlingen doen zelf weinig uitspraken over de kennis die het bedrijf had over hen voor ze er terecht kwamen. Over de indicator extra ondersteuning worden wel uitspraken gedaan. Hieruit blijkt dat vier oud-leerlingen gebruik maken van WSW en/of Wajong, ook maakt één oud- leerling nu nog regelmatig gebruik van een consulent via sociale werkvoorziening. De overige drie leerlingen maken geen gebruik van extra ondersteuning. Eerder werd al aangegeven dat de introductie in het bedrijf plaats heeft gevonden met behulp van een externe partij zoals school of sociale werkvoorziening. transitieperiode Kennis voor aanvang werkzaamheden Geen uitspraken over gedaan Extra ondersteuning (bijvoorbeeld jobcoach) 4 oud-leerlingen met WSW/Wajong 3 oud-leerling: geen extra ondersteuning Goede introductie Introductie door externe partij De dimensie verwachtingen van het bedrijf is in drie indicatoren onderverdeeld, namelijk: jongere kan zich flexibel opstellen, de jongere toont inzet, en de jongere kan omgaan met kritiek. Jongeren houden (van) werk! 45

46 Van de zeven oud-leerlingen geven drie leerlingen expliciet aan dat het bedrijf waar ze werken verwacht dat ze zich flexibel opstellen. Ja want ze willen hier allemaal rouleren willen ze allemaal. Dat je het werk kan overpakken van een andere collega. En daar zijn ze mee bezig dus. Dus dat werk komt er wel aan (ll 1). De oud-leerlingen doen geen uitspraken over verwachtingen die het bedrijf heeft ten opzichte van hun inzet. Wel is al eerder benoemd dat de oud-leerlingen gemotiveerd zijn om eigen doelen te behalen en over doorzettingsvermogen beschikken. Wanneer er wordt gekeken naar de indicator omgaan met kritiek komt naar voren dat de oudleerlingen gedreven zijn om aan kritiekpunten te werken. Ik ga nu nog maar mijn best doen om mijn kritiek, het tegendeel te bewijzen (oud leerling 7). Verwachtingen bedrijf Flexibel opstellen + Inzet Geen uitspraken over gedaan Omgaan met kritiek + De dimensie ondersteuningsbehoeften is in vijf indicatoren onderverdeeld, namelijk: begeleiding door één persoon, werksfeer, lage werkdruk, structuur in werkzaamheden en rekening houden met beperking. Bij de indicator begeleiding door één persoon komt naar voren dat alle oud-leerlingen goed op de hoogte zijn wat betreft wie hun leidinggevende is en bij wie ze dus terecht kunnen wanneer ze vragen hebben. Ook geven alle oud-leerlingen aan dat ze ook ondersteunt worden door collega s. Wordt je altijd door dezelfde mensen begeleid? Ja. Ja ook veel met collega s. (oud- leerling 3). Alle oud-leerlingen geven aan dat ze het team waar ze mee samenwerken in het algemeen als prettig ervaren. Hoewel alle oud-leerlingen aangeven dat ze prettige collega s hebben, geven twee oudleerlingen aan dat ze met sommige collega s niet goed overweg kunnen. Daarnaast geven twee oudleerlingen specifiek aan bij voorkeur alleen te werken in plaats van in groepsverband. ik doe nu alles alleen en dat heb ik veel liever (oud leerling 5). De oud-leerlingen geven aan de werkdruk als goed te ervaren. Wel geven de oud-leerlingen wel allemaal een verschillende mate van werkdruk aan. De ene leerling ervaart werkdruk als hoog, de ander wisselend. Hoe vind je de werkdruk hier? Ja die is goed. Het is wel verschillend, de ene keer is het druk de andere keer niet. Je kunt er niks van zeggen. (oud- leerling 6). Het merendeel van de oud-leerlingen geeft aan dat ze enige regelmaat in de werkzaamheden hebben en veel afwisseling. Afwisseling in de werkzaamheden ook als prettig ervaren. Het is wel fijn als je dezelfde dingen hebt. Maar aan de ene kant ook wel andere. Na een gegeven moment ben je het ook spuugzat. Dan denk je ik heb al zo vaak hetzelfde gedaan, nu wil ik een keer iets nieuws. (oud leerling 1). Wanneer wordt gekeken naar de indicator rekening houden met beperking geven twee oudleerlingen specifiek aan dat er rekening wordt gehouden met hun wensen en behoeftes. Zelfde als gisteren dan zegt mijn baas het is kei druk, kijk maar of je de tafeltjes kan doen (oud- leerling 7). Eerder is al aangegeven dat de oud-leerlingen hulp vragen aan collega s of hun leidinggevende. Jongeren houden (van) werk! 46

47 Ondersteuningsbehoeften Begeleiding 1 persoon + Werkdruk + Structuur werkzaamheden + Rekening houden met beperking + Werksfeer +/- Tenslotte zijn er bij de categorie kenmerken van het bedrijf ook indicatoren gevonden die niet konden worden ondergebracht bij de twee dimensies. Deze indicatoren zijn: durven confronteren, verantwoordelijkheid en betrokkenheid. Ook komt naar voren dat werkgever niet bang zijn om de oud-leerlingen te confronteren met hun verwachtingen. Wordt je ook wel een gecorrigeerd? Ja dat gebeurd hier heel veel. (oud leerling 1). Verder komt ook naar voren dat de oud-leerlingen erg betrokken zijn binnen het bedrijf. Leerlingen geven aan dat ze over 10 jaar het liefst nog binnen hetzelfde bedrijf werken. Ja waar ik werk, daar heb ik wel hart voor de zaak (oud-leerling 5). 9.2 Het bedrijf Anders Confronteren + Betrokkenheid + In deze paragraaf worden de resultaten van de interviews met de leidinggevende van de oud-leerling PrO weergegeven. De vragen die gesteld zijn tijdens het interview zijn gestoeld op kenmerken die naar voren kwamen in de literatuur. Naast deze vragen was er ook ruimte voor eventuele andere kenmerken die naar voren kwamen. Onder andere door deze paragraaf worden de deelvragen Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? en Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? beantwoord. De leidinggevende die is geïnterviewd, heeft dikwijls meerdere leerlingen PrO onder zich. De uitspraken die gedaan zijn door de leidinggevende zijn dus niet per definitie gekoppeld aan de oud-leerlingen die deelnemen aan dit onderzoek. De uitspraken van de leidinggevende zijn verdeelt in drie categorieën: persoonskenmerken (van de oud- leerling PrO), kenmerken van het bedrijf en anders. Persoonskenmerken In deze categorie worden de resultaten met betrekking tot de dimensies zelfmanagement, motivatie en goede werkhouding weergegeven. Dit wordt gedaan door middel van uitspraken van de leidinggevende met betrekking tot deze dimensies. De dimensie zelfmanagement is onderverdeeld in vijf indicatoren, namelijk: doelen stellen, doelen nastreven ondanks tegenslag, reflectievermogen, zelfkennis en flexibiliteit. Wanneer wordt gekeken naar de indicator doelen stellen komt naar voren dat de oud-leerlingen initiatief nemen in het behalen van eigen doelen. Hij laat het niet lopen maar zorgt ervoor dat iemand dat oppakt (leidinggevende 1). Jongeren houden (van) werk! 47

48 Bedrijven geven aan dat ze het belangrijk vinden dat oud-leerlingen ook komen werken wanneer ze hier geen zin in hebben. Twee leidinggevenden geven aan dat de oud-leerlingen wel erg gevoelig zijn voor invloeden van buitenaf, dit heeft ook zijn weerslag op de werkzaamheden. Ze zijn heel makkelijk van slag dus er hoeft maar iets te gebeuren.. ja en sommige dingen heb je wel in beeld, wanneer de moeder van X is overleden dat is zo n punt en daar kwamen we bij toeval achter. Dan noteer je dat. Maar het kan ook al zijn omdat het regent in plaats van dat de zon schijnt (leidinggevende 2) Over het reflectievermogen en zelfkennis van de oud-leerlingen doen de werkgevers weinig uitspraken. Uit de interviews met de bedrijven blijkt wel dat het merendeel van de oud leerlingen in staat zijn om zich flexibel op te stellen. Wel geven twee bedrijven aan dat enkele oud-leerlingen wel veel moeite hebben om zich flexibel op te stellen. Maar stel er legt iemand een plank neer en dan niet op de plaats die hij wil, dan is het helemaal gebeurd, dan is hij helemaal van de leg (leidinggevende 3). Zelfmanagement Doelen stellen + Doelen nastreven ondanks tegenslag +/- Reflectievermogen Geen uitspraken over gedaan Zelfkennis Geen uitspraken over gedaan Flexibiliteit +/- De dimensie motivatie is onderverdeeld in zeven indicatoren, namelijk: Sociale steun, erkenning, financiën, eigen effectiviteit, zelfvertrouwen, doelen willen nastreven en doorzettingsvermogen. Eerder is aangegeven zijn sommige oud-leerlingen volgens de leidinggevenden gevoelig voor invloeden van buitenaf. Dit heeft ook invloed op de indicator sociale steun. Twee bedrijven geven aan dat familieleden een rol spelen in het functioneren van de oud-leerling, dit kan zowel positief als negatief zijn. Ja x is ook gewoon langzaam, hij is wat minder gedreven dat krijgt hij ook van huis uit mee een beetje. Moeder is ook van doe maar voorzichtig, doe maar rustig, blijf maar een dag thuis want x is moe. Als hij veel dagen achter elkaar ver van huis af is geweest, wat hij best wel eens doet. Dan wordt hij ook best wel moe, maar dan geeft hij dat niet aan maar dan belt zijn moeder (leidinggevende 3). Wanneer wordt gekeken naar de indicator erkenning komt naar voren dat leidinggevenden aangeven dat ze waardering hebben voor het werk dat de oud-leerlingen leveren. Ik heb wel eens gezegd, nou mijn complimenten. Als hij dan alleen was met een paar tafeltjes nou dat ging echt perfect. Je hoeft nergens aan te denken, echt grote klasse (leidinggevende 5). Bij de indicator financiën komt naar voren dat leidinggevende het vooral belangrijk vinden dat de oud-leerlingen hun indicatie houden wanneer ze die hebben. Ja het meest belangrijke is dat hij die indicatie houdt en die is voor langere periode vastgesteld. Ja want anders is het financieel niet haalbaar (leidinggevende 4). Over de eigen effectiviteit van de leerlingen wordt weinig gezegd door de leidinggevenden. Zelfvertrouwen wordt wel enkele keren genoemd door de leidinggevenden. Ze geven aan dat de oudleerlingen wel gegroeid zijn sinds ze zijn komen werken bij het bedrijf maar dat ze wel iets meer zelfvertrouwen zouden mogen hebben. Dit zelfvertrouwen wordt door de werkgevers vaak gekoppeld Jongeren houden (van) werk! 48

49 aan taal. Ik moet daar wel bij zeggen, als hij bij een goed bedrijf terechtkomt. Daar is hij niet zo sterk in he. Hij is wel van het aanpakken, dat is heel goed maar hij moet niet iemand tegenkomen die misbruik van hem maakt. Dat zou jammer zijn. Daar is hij niet mondig genoeg voor, of misschien nog te jong. Hij zal niet alles over zich heen laten komen maar.. Oké dus zijn ontwikkelpunt is dat hij iets meer voor zichzelf op mag komen, iets meer zelfvertrouwen? Ja. (leidinggevende 5). Wanneer er wordt gekeken naar de indicator doelen willen nastreven komt naar voren dat de oud-leerlingen gemotiveerd zijn. Twee leidinggevenden geven echter wel aan dat sommige oudleerlingen we wat aansporing nodig hebben om aan het werk te gaan. Nee want af en toe heeft hij er niet zo n zin in en dan moet je hem wel eens een keer even flink aanpakken (leidinggevende 2). Zoals eerder benoemd willen de oud-leerlingen graag doelen behalen, ze zijn gemotiveerd. De leidinggevenden doen verder geen specifieke uitspraken over het doorzettingsvermogen van de oudleerlingen. Motivatie Sociale steun +/- Erkenning + Financiën + Eigen effectiviteit Zelfvertrouwen +/- Doelen willen nastreven +/- Geen uitspraken over gedaan Stellen doelen + Doorzettingsvermogen Geen uitspraken over gedaan De dimensie goede werkhouding is in zes indicatoren onderverdeeld, namelijk: houden aan de regels, sociale vaardigheden, inzet tonen, flexibele werkhouding, hulp vragen wanneer nodig en een positieve instelling. Eerder werd al benoemd dat de leidinggevenden verwachten dat de leerlingen ook al hebben ze geen zin. Verder worden er weinig uitspraken gedaan over regels die moeten worden nageleefd binnen het bedrijf. Ook is al vermeld dat de leidinggevenden aangeven dat de oud-leerlingen meer zelfvertrouwen zouden mogen ontwikkelen, ook al zijn ze hier al in gegroeid. De werkgevers geven echter wel allemaal aan dat ze belang hechten aan een respectvolle houding bij hun medewerkers, de oud-leerlingen hoeven niet over te lopen van het zelfvertrouwen. Ja geduld heb ik wel tot op een gegeven moment. Het is toch vooral wel een beetje respect hebben voor mij en voor mijn collega s. je hebt ook veel van ik weet en ik zal, ja die heb je ook he. Die mij willen vertellen hoe het moet, een grote mond geven (leidinggevende 3) Bij voorgaande dimensies is al informatie gegeven over de indicators inzet tonen en een flexibele werkhouding. De leidinggevenden geven allemaal aan dat de oud-leerlingen om hulp vragen wanneer ze deze nodig hebben. Hij belde mij laatst op een zaterdag want het ging niet goed met hem zei die, dus toen kwam ik even. Toen zei hij wat er was, het was iets te veel. het was ook wel moeilijk het slopen dat hij gedaan had. Maar hij geeft het zelf aan gelukkig want we staan ook heel open tegenover die jongens dat is wel belangrijk denk ik (leidinggevende 3). Ook over de indicator positieve instelling worden weinig uitspraken gedaan door de leidinggevenden. Jongeren houden (van) werk! 49

50 Goede werkhouding Weinig uitspraken over gedaan Naleven van regels Sociale vaardigheden + Goede samenwerking is belangrijk + Tonen inzet + Flexibel +/- Hulp vragen wanneer nodig + Positieve instelling Geen uitspraken over gedaan Tenslotte zijn er bij de categorie persoonskenmerken ook indicatoren gevonden die niet konden worden ondergebracht bij de drie dimensies. Deze indicatoren zijn: zichtbare ontwikkeling visitekaartje bedrijf. Leidinggevenden geven aan dat ze ontwikkeling belangrijk vinden. Deze ontwikkeling is niet per definitie tijdsgebonden maar is wel belangrijk voor de leidinggevende. Als je op een gegeven moment geen stijgende lijn ziet. Als je hier bent en je wilt daar naartoe en dan komt er een moment dat je er iets minder energie insteekt en whop daar gaan we weer. Als het twee stappen vooruit, één achteruit is dan gaat dat nog wel (leidinggevende 2). Ten slotte geven de leidinggevenden aan dat ze de uitstraling van de oud-leerling belangrijk vinden. Ze vinden het belangrijk dat de oud-leerlingen representatief zijn voor het bedrijf. Of er komt iemand op school die er qua kleding enzo niet uitziet. Dat je denkt tjee nou het uithangbord voor je school nou dat is het dus niet. Die heb je liever uit beeld dan in beeld. Zulke dingen. Of dan is het taalgebruik dusdanig dat je denk, iemand kan met goed fatsoen de telefoon niet opnemen. Of als er een ouder komt, ja je schaamt je als je zo iemand die ouders aan laat spreken (leidinggevende 4). Overig Ontwikkeling zichtbaar + Visitekaartje bedrijf + en Kenmerken van het bedrijf In deze categorie worden de resultaten met betrekking tot de dimensies transitieperiode, verwachtingen van het bedrijf en ondersteuningsbehoefte weergegeven. Dit wordt gedaan door middel van uitspraken van de leidinggevende met betrekking tot deze dimensies. De dimensie transitieperiode is in drie indicatoren onderverdeeld, namelijk: kennis over de jongere voor aanvang van de werkzaamheden, extra ondersteuning en een goede introductie. De resultaten wat betreft kennis over de jongere voor aanvang van de werkzaamheden zijn verdeeld. De helft geeft aan geen kennis te hebben gehad over de jongere voor aanvang van de werkzaamheden, de andere helft geeft aan dit wel in enige mate te hebben gehad. Hadden jullie al kennis van x voor hij hier kwam werken? Nou een beetje beeldvorming van anderen, maar dat je hier echt wat aan hebt gehad.. nee. Het is een gok geweest, nou ja misschien dat gok wel een beetje overdreven is.. (leidinggevende 1) Geen van de oud-leerlingen krijgt nu nog extra ondersteuning zoals bijvoorbeeld job coaching. Bij het merendeel van de oud-leerlingen wordt dit ook als onnodig geacht. Bij twee van de oud-leerlingen bezoekt de stage coördinator nog regelmatig het bedrijf. Nou x heeft job coaching en van daaruit Jongeren houden (van) werk! 50

51 houdt ik ook contact met de andere jongens die hier zitten. Maar officieel kan ik niks en mag ik niks (stage coördinator). De leidinggevende van deze bedrijven geven aan contact met school belangrijk te vinden, ook nadat de oud leerlingen officieel geen nazorg meer hoeven ontvangen. De helft van de leidinggevenden geven aan dat ze een positieve eerste indruk hadden van de oud-leerlingen. Twee leidinggevenden geven aan geen bijzonder goede eerste indruk te hebben gekregen van de oud-leerling, maar werden op een later moment positief verast waren door de oudleerling. Ja de eerste indruk is toch van ja wat moeten we hier toch mee dus. [.. ] Het is maar zien hoe dat gaat maar vijf minuten later kwam hij weer, ik ben klaar. Nou dat is snel, dan gaan we even kijken en ja.. geen een fout. Ik denk nou.. daar zit toch meer in dan dat je op het eerste gezicht zo (leidinggevende 2). Transitieperiode Kennis voor aanvang werkzaamheden +/- Extra ondersteuning (bijvoorbeeld jobcoach) +/- Goede introductie +/- De dimensie verwachtingen van het bedrijf is in drie indicatoren onderverdeeld, namelijk: jongere kan zich flexibel opstellen, de jongere toont inzet, en de jongere kan omgaan met kritiek. Uit de interviews met de leidinggevenden blijkt dat op sommige onderdelen enige flexibiliteit van de oud-leerling verwachten. De mate waarin ze deze flexibiliteit verwachten is verschillend per bedrijf. Dit kan uiteenlopen van wisselende werktijden tot het zelf bepalen van je werkzaamheden die dag. Ja en wat ik net ook zei een beetje flexibel zijn he. Naar collega s toe ook. Want je hebt elkaar nodig in het bedrijf (leidinggevende 5). Uit de interviews met de leidinggevende blijkt dat ze inzet erg belangrijk vinden. Inzet wordt genoemd als meest belangrijk voor het behouden van een baan. Het klinkt leuk, IQ, maar het zegt mij niks. En dat willen, ja dat compenseert veel. Willen vergroot het kunnen, ja zo is het. Ook al is je intelligentie wat zwakker, hij komt er uiteindelijk wel maar misschien doet hij er iets langer over. (leidinggevende 1). Over het algemeen blijkt uit de interviews met de leidinggevenden dat de leerlingen goed om kunnen gaan met kritiek. Twee leidinggevenden geven aan dat dit wel maatwerk is. Dat wil zeggen dat ze een andere aanpak hebben per medewerker. Dat hoop je maar de een heeft een andere aanpak nodig dan de ander. Maar ik heb inmiddels al wel wat ervaring dus. Als ik x kei hard zou aanpakken dan is het helemaal gebeurd, het is echt maatwerk. (leidinggevende 2) Verwachtingen bedrijf Flexibel opstellen + Inzet + Omgaan met kritiek + De dimensie ondersteuningsbehoeften is in vijf indicatoren onderverdeeld, namelijk: begeleiding door één persoon, werksfeer, lage werkdruk, structuur in werkzaamheden en rekening houden met beperking. Jongeren houden (van) werk! 51

52 Wanneer wordt gekeken naar de indicator begeleiding door één persoon komt naar voren dat de oud-leerlingen één of twee leidinggevende hebben die hen aansturen. Vaak kunnen ze ook terecht bij andere collega s wanneer ze ondersteuning nodig hebben. Bij de indicator werksfeer geven de leidinggevenden aan dat de oud-leerlingen een plekje binnen het bedrijf, de oud-leerlingen voelen zich welkom binnen het team. Twee leidinggevenden geven wel aan dat andere werknemers het niet fijn vinden om met jongeren met een beperking te werken. Een jaar geleden hadden we teveel van dit soort mensen van school, jongens en meisjes van 16, 17, 18 jaar, die geen opleiding hadden en toen ging het personeel ook een beetje sputteren.. heb je ook nog normale mensen? Dat krijg je ook een keer gezegd (leidinggevende 2). Over de werkdruk doen de leidinggevenden verschillende uitspraken. Twee leidinggevende geven aan dat deze goed is. Twee geven aan dat deze wisselend is maar dat de oud-leerling hier goed mee om kunnen gaan. Eén leidinggevende geeft aan dat de werkdruk erg hoog is. Alle leidinggevenden geven aan dat de oud-leerlingen enige structuur in hun werkzaamheden hebben. Dit varieert van de structuur die ze zelf aanbrengen tot dag in dag uit dezelfde handelingen verrichten. Als iemand de structuur in de hand heeft dan is het x. Die bepaalt de prioriteit van werken, de volgorde dus. Dat doet hij echt goed. En ja we hebben een bepaald stramien en we geven grenzen aan en het is aan hem om daarin te sturen en te communiceren en te zorgen dat het ook op tijd gebeurd (leidinggevende 1). Uit de interviews met de leidinggevenden blijkt dat zij allemaal rekening houden met de oudleerlingen. Van sommige leidinggevenden vergt dit meer dan van andere, hier zit variatie in. Dat is ook belangrijk. Ik zeg dat gewoon als hij binnenkomt, s morgens komen ze dan meestal eerst bij mij, ik zeg dat gewoon.. was je even. Doe morgen ook schone kleren aan. En de volgende keer heb ik gewoon een paar kleren klaarliggen, dan zeg ik gewoon deze zijn schoon doe die maar aan. Je hoeft die jongens niet af te branden. (leidinggevende 3) Ondersteuningsbehoeften Begeleiding 1 persoon + Werkdruk +/- Structuur werkzaamheden + Rekening houden met beperking + Werksfeer +/- Tenslotte zijn er bij de categorie kenmerken van het bedrijf ook indicatoren gevonden die niet konden worden ondergebracht bij de drie dimensies. Deze indicatoren zijn: transparante werkvloer en sociaal gevoel werkgever. Er komt naar voren dat alle leidinggevenden duidelijkheid verschaffen over de kernwaardes binnen het bedrijf, dit geld niet specifiek voor de oud-leerlingen maar voor alle werknemers. De leidinggevenden geven aan regelmatige te confronteren maar zij maken ook problemen bespreekbaar. Mensen worden iedere dag geconfronteerd met cultuurwaardes die we binnen x hebben (leidinggevende 1). Ook geven drie van de vijf leidinggevenden expliciet aan dat er een sociale kant aan zit aan het verhaal. Ze vinden het belangrijk om anderen enthousiast te maken voor hun vak maar ook om Jongeren houden (van) werk! 52

53 jongeren met een beperking in de maatschappij te laten functioneren. Nee het is ook gewoon sociaal, die mensen horen erbij, bij de maatschappij (leidinggevende 3). 9.3 De school Anders Transparante werkvloer + Sociaal gevoel werkgever + In deze paragraaf worden de resultaten van het vragenlijstonderzoek gepresenteerd. Vijf van de zeven mentoren van de scholen voor Praktijkonderwijs, waar de geïnterviewde jongeren hun opleiding hebben gevolgd, vulden de vragenlijst in zijn geheel in. De vragenlijst is gestoeld op kenmerken, dimensies en indicatoren die naar voren kwamen in de literatuur. In bijlage 9 is de vragenlijst terug te vinden. De deelvraag Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? wordt in deze paragraaf beantwoord. De vragenlijst was gericht op drie dimensies: zelfbeeld, maatwerk en een goede voorbereiding en nazorg. Deze resultaten op deze drie dimensies worden hieronder beschreven. Respons Vijf van de zeven respondenten van de scholen voor Praktijkonderwijs, waar de geïnterviewden jongeren hun opleiding hebben gevolgd, vulden de vragenlijst in zijn geheel in. Daar het om een klein aantal respondenten gaat, is niet met percentages gewerkt bij de presentatie van de resultaten. Uitspraken In de vragenlijst is gestart met een aantal uitspraken. Aan de respondenten is gevraagd aan te kruisen welk cijfer het beste bij de situatie van de betreffende jongere (X) past. Daarbij is 1 het antwoord voor helemaal niet en 10 voor helemaal wel. De dimensie zelfbeeld is opgedeeld in drie indicatoren: School is zich ervan bewust wat de wensen/behoeften van de leerling zijn, Goede match leerling bedrijf en Niet pamperen/ leerling (mede) verantwoording laten nemen. Op de eerste stelling.. heeft veel loopbaangesprekken gehad, wordt gemiddeld een zeven gegeven. Opvallend is dat 4 respondenten hoge cijfers geven hiervoor, 1 respondent geeft een vier Jongeren houden (van) werk! 53

54 De tweede stelling Er is bij.. veel aandacht gegeven aan beroepsoriëntatie wordt gemiddeld beoordeeld met een 7,4 De vierde stelling: Ik als mentor heb veel aandacht gegeven aan de wensen/ambities van wordt gemiddeld eveneens beoordeeld met een 8,2. De derde stelling heeft veel verschillende arbeidscontacten ontmoet wordt gemiddeld beoordeeld met een 8,2. De laatste stelling: had vanaf het begin af aan al een goed beeld van het soort baan dat bij hem/haar paste wordt gemiddeld beoordeeld met een zes. Samenvattend is het beeld op de indicator de school is zich bewust van wat de wensen/behoeften van de leerling zijn vooral positief bij mentoren. De indicator goede match leerling bedrijf is onderzocht door twee stellingen en één multiplechoicevraag. De eerste stelling De school heeft gezorgd voor een werkplek wordt gemiddeld beoordeeld met een acht. Opvallen hierbij is dat hier vier hoge cijfers worden gegeven en één 4. De tweede stelling Ik heb geprobeerd een baan/stage te vinden die zo goed mogelijk aansloot bij de wensen van wordt gemiddeld beoordeeld met een 8,6. Op de vraag hoeveel stages er zijn gelopen wordt aangegeven dat er gemiddeld 1,8 interne stages zijn gelopen en gemiddeld genomen meer dan 4 externe stages. Jongeren houden (van) werk! 54

55 Interne stages N Externe stages N Meer dan 4 0 Meer dan 4 3 Anders 0 Anders 0 Samengevat geven de mentoren bij de indicator goede match leerling bedrijf zich bewust te zijn van en zorg te bieden aan de wensen/ambities van de leerlingen. Leerlingen lopen intern op de school en extern bij bedrijven stages. De indicator niet pamperen/leerling (mede) verantwoording laten nemen is onderzocht door vijf stellingen. De eerste stelling Er is vanuit onze school veel zorg gegeven aan.. wordt gemiddeld beoordeeld met een 9. De tweede stelling: voelde zich (mede)verantwoordelijk voor zijn/haar eigen ontwikkeling wordt gemiddeld beoordeeld met een 8,8. De derde stelling: stelde zich proactief op wanneer het om zijn/haar toekomst gaat is gemiddeld beoordeeld met een 7,6. De vierde stelling Ik heb.. gestimuleerd om zelf na te denken wordt gemiddeld beoordeeld met een 8,4. De laatste stelling Ik heb geconfronteerd met de realiteit betreffende de arbeidsmarkt wordt gemiddeld eveneens beoordeeld met een 8,4.. Samengevat bevestigen de mentoren dat ze de leerlingen niet pamperen/leerling en (mede) verantwoording laten nemen. Jongeren houden (van) werk! 55

56 De dimensie maatwerk is opgedeeld in drie indicatoren: doelen van de leerlingen bijschaven en Leerling is bewust van de vaardigheden die nodig zijn voor de baan. De indicator doelen van de leerlingen bijschaven is onderzocht door twee stellingen. De eerste stelling: vond het moeilijk om realistische doelen op te stellen wordt beoordeeld met een 5,2. De tweede stelling: Ik heb bij aandacht besteed aan het opstellen van haalbare doelen wordt gemiddeld beoordeeld met een 7,4. Samengevat kan worden gezegd dat de doelen van de leerlingen redelijk realistisch waren, mentoren hebben aandacht gegeven aan het opstellen hiervan. De indicator leerling is bewust van de vaardigheden die nodig zijn voor de baan is onderzocht door één stelling: Was zich bewust van de vaardigheden die nodig zijn voor het uitoefenen van zijn baan deze is gemiddeld met een 7,6. Samengevat waren de leerlingen zich volgens de mentoren bewust van de vaardigheden die nodig zijn voor het uitoefenen van zijn baan. De dimensie een goede voorbereiding en nazorg is opgedeeld in drie indicatoren: goede introductie, sollicitatietraining, goed portfolio, arbeidspaspoort, rolmodellen en nazorg. De indicator goede introductie is onderzocht door drie stellingen. De eerste stelling: De werkgever wist vóór aanvang van de stage wat ze konden verwachten van wordt gemiddeld beoordeeld met een 7,2. De tweede stelling: De verwachtingen van de werkgever over de mogelijkheden van waren realistisch wordt gemiddeld beoordeeld met een 6,6. Jongeren houden (van) werk! 56

57 Aan de respondenten is de vraag voorgelegd of ze het eens zijn met de stelling dat werkgevers over het algemeen tevreden zijn met de leerlingen van het praktijkonderwijs die stage lopen bij hun bedrijf. Alle vijf de respondenten zijn het met de stelling eens. Als toelichting wordt gegeven: - veel leerlingen gaan van stage naar jaarcontract en van jaarcontract naar baan voor onbepaalde tijd!!!!!!! - werkgever kent onze leerling. Kent zijn beperkingen: die worden duidelijk vooraf verteld. Samengevat kan ook van de indicator goede introductie worden gezegd dat hieraan volgens de scholen wordt voldaan. Drie van de vijf jongeren hebben op school een sollicitatietraining gehad (één jongere niet en van één jongere is dit onbekend). Bij alle drie duurden de sollicitatietrainingen 2 tot 7 uur. Vier van de vijf jongeren hebben een portfolio gemaakt, maar bij drie van de vier is dit portfolio niet daadwerkelijk ingezet om de werkgever van meer informatie te voorzien (voor de vierde leerling is weet niet aangekruist). Geen van de leerlingen in het praktijkonderwijs heeft een arbeidspaspoort bijvoorbeeld met een Uitstroom/ of Transitieplan gekregen. Drie respondenten geven aan dat er op school gebruik gemaakt wordt van rolmodellen. Op twee scholen zijn (ex) leerlingen van school het rolmodel. Op de derde school wordt als antwoord gegeven `leerlingen, ouders, bedrijven, mentoren, alles en iedereen die maar kan helpen`. Eén respondent weet niet of er gebruik wordt gemaakt van rolmodellen. Op één school wordt geen gebruik gemaakt van rolmodellen. Alle vijf de respondenten geven aan dat de school nazorg heeft geboden voor de oudleerlingen. Drie van de vijf zeggen twee jaar nazorg te hebben geboden. De twee andere respondenten hebben meer dan 2 jaar nazorg geboden. De vorm waarin de nazorg vorm kreeg was verschillend. Vorm N Aantal keer per jaar Telefonische gesprekken met de jongere 2 10; 3 Telefonische gesprekken met werkgever 2 10 Bezoeken van Werkplek 2 Heel vaak Gesprek met ouder(s)/verzorger(s) 1 4 Opstellen van een begeleidingsplan samen met de werkgever 1 vaak Terugkomdagen/avonden naar school 2 6; 1 Anders 4 2; 2 Figuur 11. Vormen en omvang van nazorg Bij anders worden door de respondenten de volgende antwoorden gegeven: - jobcoaching - gesprekken met leerlingen op school - schriftelijke enquete met leerling en werkgever Eén respondent geeft nog als aanvulling op de enquête: ken je leerling, ken het bedrijf met zijn mensen en weet welke werkzaamheden er zijn of die je kunt creëren (samengestelde baan) en heb korte lijntjes met UWV. Jongeren houden (van) werk! 57

58 10 Conclusie en Discussie In de conclusie worden mijn onderzoeksvraag en deelvragen beantwoord. Dit wordt gedaan op basis van de resultaten die beschreven staan in het vorige hoofdstuk. De conclusie is terug te vinden in paragraaf In de discussie worden de conclusies bediscussieerd. Eventuele kanttekeningen worden aan gegeven, evenals eventuele kritiek op de methode. Dit wordt gedaan in paragraaf Conclusie De eerste deelvraag: Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na het PrO? wordt beantwoord in het licht van de drie dimensies zelfmanagement, motivatie en een goede werkhouding. Wanneer wordt gekeken naar de dimensie zelfmanagement, valt op dat de oud-leerlingen doelen stellen en nastreven. Dit gebeurt voornamelijk op korte termijn. Op lange termijn denken wordt door veel van de oud-leerlingen lastiger gevonden. Dit zou eventueel verband kunnen houden met het reflectievermogen. Opvallend is dat de leerlingen hele bewuste keuzes maken en goed doorhebben wat keuzes hen opleveren en kosten. Wanneer leerlingen tegenslagen ervaren op het gebied van loopbaan kunnen ze hier goed mee omgaan; wel worden ze hierbij vaak ondersteund door bijvoorbeeld het bedrijf of een sociale werkvoorziening. Verder weten de oud-leerlingen wat ze kunnen en wat niet: ze beschikken over enige zelfkennis. Ook zijn ze in staat zich in enige mate flexibel op te stellen. Dit laatste heeft ook een relatie met wat de werkgever van hen vraagt. Per functie is de mate waarin de oudleerlingen zich flexibel moeten opstellen verschillend. Bij de dimensie motivatie komt naar voren dat de oud-leerlingen over een motivatie/gedrevenheid bezitten. Door bedrijven wordt de inzet ook als belangrijk gewaardeerd. Twee leidinggevenden geven echter wel aan dat sommige oud-leerlingen wel aansporing nodig hebben. Opvallend is dat deze aansporing nodig is bij oud-leerlingen met Wajong of een WSW indicatie. Deze leerlingen, die af en toe aansporing nodig hebben, zijn volgens hun leidinggevenden ook gevoelig voor hun omgeving. Verder geven oud-leerlingen aan ondersteuning te krijgen van hun omgeving, zowel in de vorm van sociale steun van vrienden en familie als erkenning van collega s. Dit wordt beaamd door de leidinggevenden, zij geven echter wel aan dat dit zowel positief als negatief kan uitpakken. Daarnaast is de financiële kant van het verhaal belangrijk. Oud-leerlingen zeggen het heel fijn te vinden een vast contract te hebben en de mogelijkheid te hebben om duurdere aankopen te doen. Voor leidinggevenden is het vooral van belang dat oud-leerlingen hun indicatie houden wanneer ze deze hebben. Tenslotte geven oud-leerlingen aan meer zelfvertrouwen te hebben gekregen; dit wordt ook ondersteunt door uitspraken van de leidinggevenden. Zij geven echter wel aan dat ze hier nog meer in zouden mogen groeien en dat dit nog verder ontwikkeld mag worden. Wanneer wordt gekeken naar de dimensie goede werkhouding geven oud-leerlingen aan geen problemen te ervaren met het naleven van regels. De regels zijn duidelijk en worden nageleefd. Wat betreft de sociale vaardigheden geven de oud-leerlingen aan communicatie belangrijk te vinden, zowel binnen het bedrijf als in het werken met klanten. Opvallend is dat, hoewel de leidinggevende benoemen dat de oud-leerlingen wel meer zelfvertrouwen mogen hebben, leidinggevende het erg belangrijk vinden Jongeren houden (van) werk! 58

59 dat medewerkers niet te veel zelfvertrouwen hebben. Een open en respectvolle houding is belangrijk; arrogantie wordt als onwenselijk gezien. Zowel de leidinggevenden als de oud-leerlingen zeggen dat het vragen om hulp geen probleem is. Leidinggevenden staan hiervoor open en de oud-leerling voelt zich niet bezwaard om om hulp te vragen. Tenslotte zijn veel oud-leerlingen trots op de baan die ze hebben en denken dus positief over hun werkzaamheden. Tenslotte zijn er ook resultaten naar voren gekomen die niet konden worden ondergebracht bij de dimensies. Een resultaat is de ontwikkeling die de oud-leerlingen hebben doorgemaakt. Hierbij wordt door de oud-leerlingen niet alleen het zelfvertrouwen bedoeld maar de ontwikkeling op meerdere vlakken. Ook de leidinggevenden geven aan ontwikkeling belangrijk te vinden. Een ander resultaat dat opvalt ist het enthousiasme met betrekking tot het werk bij deze oud-leerlingen. Er is sprake van een klik tussen het bedrijf en de oud-leerling. Samengevat kan de deelvraag Welke persoonskenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na de schoolopleiding op het PrO? worden beantwoord met de volgende persoonskenmerken: motivatie, doelgericht zijn, doorzettingsvermogen, flexibiliteit, zelfkennis, (het ontwikkelen van) zelfvertrouwen, sociale steun, erkenning, financiën, doelen nastreven ondanks tegenslag, bewuste keuzes kunnen maken, naleven van regels, sociale vaardigheden, goede samenwerking, hulp vragen wanneer nodig, zichtbare ontwikkeling en een klik tussen bedrijf en oudleerling. De tweede deelvraag: Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na de schoolopleiding op het PrO? wordt eveneens beantwoord met behulp van de resultaten bij de dimensies. Deze zijn bij de arbeidsplek: transitieperiode, verwachtingen van het bedrijf en ondersteuningsbehoefte. Bij transitieperiode geven de leidinggevenden een wisselend beeld wat betreft de specifieke kennis met betrekking tot de oud-leerling voor aanvang van de werkzaamheden. In de vragenlijst voor scholen wordt aangegeven dat de werkgever bekend is met leerlingen PrO. Het zou kunnen dat de werkgever bekend is met het algemene beeld van leerlingen PrO, maar geen specifieke kennis heeft van de individuele leerlingen. De oud-leerlingen maken geen gebruik van ondersteuning in de vorm van een job-coach. Wel maken sommige gebruik van Wajong of WSW-indicatie. Twee bedrijven geven aan dat school nog een grote rol speelt, ook wanneer de nazorg officieel gestopt is. De introductie binnen het bedrijf is veelal verlopen met ondersteuning van bijvoorbeeld school of sociale werkvoorziening. De leidinggevenden verwachten van de oud-leerlingen dat zij zich flexibel kunnen opstellen en inzet tonen en ook moeten zij om kunnen gaan met kritiek. Hierbij geldt wel dat de mate van deze verwachtingen tussen leidinggevende en oud-leerlingen verschillend zijn. Ook de werkzaamheden en bijbehorende verwachtingen blijken per bedrijf verschillend. In de ondersteuningsbehoeften van de oud-leerling wordt voorzien. Voor de oud-leerlingen is het duidelijk wie hen begeleidt; vaak spelen andere collega s ook een rol in de ondersteuning. De werksfeer wordt door de leerlingen als prettig ervaren. Wel geven een aantal oud-leerlingen aan niet met alle collega s goed te kunnen samenwerken. Sommige leidinggevenden geven eveneens aan dat Jongeren houden (van) werk! 59

60 niet alle medewerkers met leerlingen met een beperking willen werken. De oud-leerlingen geven aan de werkdruk goed te vinden; leidinggevenden geven wel een wisselend beeld over de intensiteit van de werkdruk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de werkdruk passend is voor de leerling en zijn capaciteiten. Ook voor de structuur in werkzaamheden geldt dat deze is aangepast op de oud-leerling. Allemaal ervaren ze enige structuur maar de mate hierin is verschillend. Alle leidinggevenden geven aan dat ze rekening houden met de beperkingen van de oud-leerling. Ook hier is de mate waarin dit nodig is per bedrijf en per oud-leerling verschillend. Tenslotte zijn er ook hier resultaten naar voren gekomen die niet konden worden ondergebracht bij de dimensies. Naar voren kwam dat de leidinggevende erg duidelijk is richting alle werknemers wat betreft de kernwaarden binnen het bedrijf. Dit betekent dat er transparantie op de werkvloer is. Werknemers worden op de hoogte gebracht van problemen maar ook aangesproken wanneer ze niet voldoen aan de verwachtingen van het bedrijf. Verder komt ook de betrokkenheid van de oud-leerlingen naar voren, ze hebben hart voor het bedrijf. Dit is een wisselwerking: leidinggevenden laten ook merken erg betrokken te zijn met de oud-leerlingen. Meerdere leidinggevenden hebben een sociaal gevoel ten opzichte van leerlingen met een beperking. Samengevat kan de deelvraag Welke kenmerken op de arbeidsplek spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na de schoolopleiding op het PrO? worden beantwoord met een overkoepelend begrip: maatwerk. Er komt naar voren dat de werkzaamheden en de verwachtingen ten opzichte van de oud-leerling zijn aangepast aan de capaciteiten van de leerling. In de transitieperiode is enige ondersteuning wel van belang voor de oud-leerlingen. Ook wordt door een aantal leidinggevende aangegeven dat school een rol blijft spelen, ook als de nazorg stopt. Niet alleen is er een klik tussen de werkzaamheden en de oud-leerling, er is ook een klik tussen de leidinggevende en de oud-leerling. Daarnaast is het belangrijk dat er transparantie op de werkvloer is: alle werknemers weten wat de kernwaardes en verwachtingen van het bedrijf zijn. Hier wordt ook naar gehandeld. Tot slot is bij de derde deelvraag: Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na de schoolopleiding op het PrO? eveneens gekeken naar de dimensies. In dit geval zijn dat de dimensies zelfbeeld, maatwerk en een goede voorbereiding en nazorg. Bij de dimensie zelfbeeld geven scholen aan veel aandacht te hebben gegeven aan loopbaan en beroepsoriëntatie. Hier is ook rekening mee gehouden door de mentor. Opvallend is dat de stelling dat de leerling vanaf het begin al een goed beeld had bij de baan die bij hem paste zeer verschillend wordt ingevuld. Mentoren geven aan geprobeerd te hebben een werkplek te vinden die past bij de leerling, er is dus getracht een goede match te maken tussen bedrijf en leerling. De leerlingen hebben verschillende stages gelopen en zijn geconfronteerd met de realiteit aangaande de arbeidsmarkt. Ook hebben de mentoren aandacht gegeven aan de haalbaarheid van de doelen van de leerling. Bedrijven geven aan dat de werkgevers gemiddeld genomen een realistisch beeld hadden van de oud-leerling. De mentoren hebben de oud-leerling niet gepamperd. Jongeren houden (van) werk! 60

61 Ook hebben de mentoren aandacht besteed aan de haalbaarheid van de doelen van de leerling en ze geconfronteerd met de realiteit. De meeste oud-leerlingen hebben een portfolio gemaakt en sollicitatietrainingen gehad. De meerderheid van de scholen maakt ook gebruik van rolmodellen. Alle scholen hebben minimaal twee jaar nazorg geboden, sommige geven meer dan twee jaar nazorg. Het antwoord op de deelvraag Welke kenmerken in het onderwijs spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na de schoolopleiding PrO? wordt dan ook beantwoord met kennis over de oudleerling. Als de mentor een goed beeld heeft van de ambities van de leerling is het belangrijk dat dit wordt omgezet naar een realistisch doel en een passende arbeidsplek. Ook hier lijkt een goede match van belang. Ook het geven van nazorg lijkt belangrijk te zijn. De hoofdvraag Welke kenmerken spelen een rol bij duurzame arbeidsparticipatie na de schoolopleiding PrO? wordt middels de drie deelvragen beantwoord. Uit de drie deelvragen komt hoofdzakelijk naar voren dat de leerling gemotiveerd moet zijn: de leerling moet vooral willen werken binnen het bedrijf. Ook speelt een goede match ( klik ) een grote rol. De werkplek stemt de werkzaamheden en verwachtingen af op de leerling, maar de leerling moet evengoed passen binnen het bedrijf. Wederzijdse betrokkenheid is van belang. De mentoren hebben moeite gedaan om deze match voor de oud-leerling te bereiken Discussie Allereerst zie ik me genoodzaakt aan te geven dat het aantal respondenten in mijn onderzoek beperkt is. Vanuit iedere groep die ik onderzocht heb (oud-leerling, leidinggevende en mentor) is maar een beperkt aantal respondenten bereid en in staat geweest aan het onderzoek deel te nemen. Dit beperkt de generaliseerbaarheid van het onderzoek dan ook. Daarnaast zitten er ook zeer grote verschillen tussen de oud-leerlingen die ik geïnterviewd heb. Hier zit een variatie in van oud-leerlingen die tot niveau 3 MBO doorstuderen en ook banen beoefenen die passen bij dit niveau tot oud-leerlingen met Wajong of WSW die meer behoefte hebben aan ondersteuning. Door deze diversiteit is ook de ondersteuning en verwachtingen vanuit het bedrijf zeer uiteenlopend. Verder wil ik aangeven dat deze scriptie is geschreven vanuit het perspectief van de respondent. Bijvoorbeeld: een oud- leerling geeft aan dat hij vind dat hij veel afwisseling heeft in werkzaamheden omdat hij in de ochtend bestellingen maakt en in de middag bestellingen klaarzet. Dit is voor hem veel afwisseling. Er worden geen uitspraken gedaan of dit voor de buitenwereld ook zo is. Ook komt naar voren dat veel oud-leerlingen moeite hebben met taal, dit blijkt zowel uit de literatuur als de interviews. Dit heeft het interviewen van de oud-leerlingen beïnvloed. In de interviews worden vragen soms indirect en op een later moment beantwoord. Tenslotte wil ik aangeven dat er overlap en samenhang is tussen enkele dimensies en indicatoren die ik heb opgesteld. Dit maakte het voor mij lastig om een strakke structuur aan te brengen en zo een heldere indeling te maken. Jongeren houden (van) werk! 61

62 ALGEMENE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Jongeren houden (van) werk! 62

63 Algemene conclusie en aanbevelingen Dit soort jongens overstijgen het niveau van praktijkonderwijs echt duidelijk he. Je ziet die groeien echt door en je ziet dit bij een paar leerlingen die dan boven hun 20 ste een soort groei doormaken. Dat het een tijdje stagneert en vervolgens weer in de lift gaat. Daarom is het zo jammer dat de scholingsmogelijkheden na een gegeven moment beperkt zullen worden. na het praktijkonderwijs is het afgelopen. Je moet mensen als ze wat ouder zijn ook de kans geven om te leren. Vaak zie je dat, dat leerlingen op latere leeftijd anders tegen dingen aankijken en dan tot meer in staat zijn, voor hen moeten er ook mogelijkheden zijn. stage coördinator praktijkonderwijs. Met deze uitspraak wil ik aangeven dat het blijven ontwikkelen een belangrijke factor is wanneer het gaat om duurzame arbeidsparticipatie naar het PrO. De oud-leerlingen laten zien dat ze blijven groeien, de één sneller dan de ander maar ontwikkeling is er zeker. In de literatuur komt naar voren dat leerlingen van het PrO niet in staat worden geacht een startkwalificatie te halen. Uit mijn interviews blijkt het tegendeel ook waar te zijn. Tot slot wil ik aangeven dat veel van de kenmerken voor duurzame arbeidsparticipatie die naar voren kwamen uit de literatuur ook in de praktijk een grote rol lijken te spelen. Dit geldt voor zowel de persoonskenmerken als voor de kernmerken op de arbeidsplek en het onderwijs. Aanbevelingen Het lijkt mij wenselijk om het onderzoek op grotere schaal uit te voeren. In een dergelijk vervolgonderzoek zou ook het VSO kunnen worden meegenomen. Het lijkt mij wenselijk om dit te doen omdat de resultaten uit mijn onderzoek zo beter ondersteund kunnen worden. Zoals uit de algemene resultaten blijkt maken sommige oud-leerlingen een behoorlijke groei door. Ze starten op praktijkonderwijs en groeien vervolgens door tot niveau drie op het MBO. Dit roept bij mij verschillende vragen op: Waarom zijn zij begonnen op het PrO? Wanneer is deze groei begonnen? Heeft het dit maken met leeftijd, reflectie, zelfvertrouwen? Heeft dit ook te maken met onderschatte verwachtingen zoals in het literatuuronderzoek werd aangegeven? Enzovoorts. Ook hier lijkt een vervolgonderzoek aan te raden. Daarnaast blijkt uit zowel de literatuur als uit het veldonderzoek dat de ouders/vrienden van oud-leerlingen een rol spelen in duurzame arbeidsparticipatie; dit is echter niet uitgebreid onderzocht. Ook komt uit het veldonderzoek naar voren dat sommige leerlingen erg gevoelig zijn voor prikkels uit hun omgeving. Hoe kan school hier het beste mee omgaan? Hoe kunnen bedrijven hier het beste mee omgaan? Wellicht is een vervolgonderzoek hierop ook raadzaam. Jongeren houden (van) werk! 63

64 11 Literatuurlijst Achterberg, T. J., Holwerda, A., Verhoof, E., Wind, H., Brouwer, S., Maurice- Stam, H. Groothoff, J. W., Frings- Dresen, M. H. W. & Klink, van der J. J. L. (2010). Wajongers aan het werk: Welke kenmerken kunnen van belang zijn voor arbeidsparticipatie van jonggehandicapten? Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde, 18, issue 2, pp 52-28, URL: Bakker, J. Boer, den P. (2008). Het IndividueelTransitie Plan (ITP). Tussen idee en stappenplan. Tilburg: IVA. Beek, S., Schafrat, W. & Sontag, L. (2011). Individuele ontwikkelingsplannen en handelingsplannen in praktijkonderwijs en lwoo. Den Bosch: KPC Groep. Beekman, A., Dijk, W., Faber, M., Harmelen, van P., Lemson, H.,... Vermulst, A. (2012). Tien keer beter! Verbeteren van onderwijspraktijk door onderzoek. Antwerpen: Garant. Beemen, van L. (2010). Ontwikkelingspsychologie. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers. Beumer, M., Jeninga, J., Münstermann, H. & Perreijn, S. (2011). Op weg naar een individueel ontwikkelingsplan in het praktijkonderwijs. Heerlen: Ruud de Moor Centrum. Bloemers, W. & Hagedoorn, E. (2006). Management, organisatie en gedrag. `s- Gravenhage: Reeds business information. Brugman, T. (2006). Flexibiliteit ondersteunende personeelsplanningsystemen. Hoofddorp: TNO Bunt, van de E. (2012). Worden wie je bent? Utrecht: faculteit geesteswetenschappen. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2012). Jaarboek onderwijs in cijfers Den Haag: CBS. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2010). Jaarrapport integratie Den Haag: CBS. Dale, van (2013). Authenticiteit. Verkregen op 26 februari, 2013 van: Dekkers, L., D havé, C. & Scholt, E. (2009). Goed werknemerschap, schoolverlaters praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. s-hertogenbosch: PSW Jongeren houden (van) werk! 64

65 De Tandem vzw (2012). Mijn kind heeft een licht verstandelijke beperking? Op weg naar beter begrijpen. Antwerpen: Garant. Driesen, G., Elfering, S., Hovius, M. & Smeets, E. (2009). Allochtone leerlingen en speciale Onderwijsvoorzieningen. Nijmegen: ITS. Duinkerken, G., Wesdorp, P. & Woude, van der S. (2009). Tussen nieuw denken en nieuw doen: verkenning attitudes rond de Wajong. Zoetermeer: What works. Heijnens, D. M. S. (2012). Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2010/2011. Rotterdam: Actis onderzoek. Heijnens, D.M.S. (2011). De volgende trede, Rapportage uitstroommonitor en tweede meting volgmodule cohort Rotterdam: Actis onderzoek. Hessing, R. & Schafrat, W. (2009). Aan het werk! Op weg naar meer duurzame arbeidsparticipatie voor wio- jongeren. Den Bosch: KPC Groep. Hoekman, P. (2007). Praktijkonderwijs uitstroom & nazorg. Een verkennende scriptie over de uitstroom van & nazorg aan leerlingen van het praktijkonderwijs in de provincie Drenthe. Groningen: Rijksuniversiteit. Horssen, van C., Blommesteijn, M., Brukman, M. (2009). De wajong er als werknemer: Een onderzoek naar duurzame arbeidsparticipatie van Wajong ers. Amsterdam: FNV. Kools, Q., Beek, van de G., Boogaard, van den M. & Teurlings, C. (2004). Aan het werk met startcompetenties na het Praktijkonderwijs. Tilburg: IVA beleidsonderzoek en advies. Kuijk, van J. (2004). Monitor praktijkonderwijs. Aanzet tot omgevingsanalyse voor het praktijkonderwijs. Nijmegen: ITS. Kuijk, van J., Elfering, S. & Kessel, van N. (2011). Kengetallen praktijkonderwijs. Ontwikkeling van een instrument en gebruikersmogelijkheden. Nijmegen: ITS Larsen, R. J. & Buss, D. M. (2008). Personality Psychology: Domains of Knowledge About Human Nature. New York: McGraw- Hill Companies. Luken, T. (2008). De (on)mogelijkheid van nieuw leren en zelfsturing. Verkregen op 17 april, 2013 van: Jongeren houden (van) werk! 65

66 Mensink, J. C. M. (2005). Zelfmanagement in lerende organisaties: ontwikkelingsgericht HRM is de sleutel. Alphen aan de Rijn: Kluwer. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2012). Contouren Participatiewet. Den Haag: Ministerie. Rijksoverheid (2013B). Wajong-uitkering. Verkregen op 2 februari, 2013 van: Oers, van S. (2009). Het verband tussen hot en cool executieve functies en sociale informatieverwerking bij licht verstandelijk beperkte kinderen (master s thesis, universiteit Utrecht, Nederland). Verkregen op 2 februari, 2013 van: /MA%20thesis%20Sophie%20van%20Oers%20aug09.pdf Rijksoverheid (2013A). Speciaal Onderwijs. Verkregen op 2 februari, 2013 van: _source=google&ns_linkname=%2bspeciaal%20%2bonderwijs&ns_fee=0.00&gclid=cjl92vrzl7ucfc jktaodzn8arq Rijksoverheid (2013C). Extra ondersteuning in het onderwijs. Verkregen op 5 februari, 2013 van: onderwijs?ns_campaign=thema-onderwijs_en_wetenschap&ro_adgrp=passend_onderwijs- Extra_ondersteuning_in_het_voortgezet_onderwijs&ns_mchannel=sea&ns_source=google&ns_linkna me=praktijkonderwijs&ns_fee=0.00&gclid=ckjshsrxnrucfwbktaodvbeatq Rijksoverheid (2013D). Archief Nieuwsbrieven: Wetsvoorstel kwaliteit (v)so. Verkregen op 5 februari, 2013 van: https://abonneren.rijksoverheid.nl/article/primair-onderwijs/nieuwsbrief-primair-onderwijsnummer-65/wetsvoorstel-kwaliteit-v-so/1201/11943) Notitie Kwaliteit Passend Onderwijs. Den Haag: Rijksoverheid. Roman, B. & Vijfeijken, M. M. (2012). Aan het werk in de Liemers, Onderzoek naar een netwerk gericht op het bewerkstelligen van duurzame arbeidsparticipatie van (oud-)leerlingen van het VSO en praktijkonderwijs. Tilburg: IVA onderwijs. Jongeren houden (van) werk! 66

67 Schaufeli, W. & Bakker, A. (2007). De psychologie van arbeid en gezondheid. Houten: Bohn stafleu van Loghum. Sontag, L., Fuhr, von der S. & Mariën, H. (2008). De uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs in het schooljaar Tilburg: IVA. Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) (2011A). Voorstel kerndoelen VSO, alle uitstroomprofielen. Enschede: SLO. Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) (2011B). Bouwstenen voor het VSO. Uitstroomprofiel arbeidsmarkt. Enschede: SLO. Stoutjesdijk, R. & Scholte, E. M. (2009). Cluster 4 speciaal onderwijs: een vergelijking tussen leerlingen op cluster 4 scholen en cluster 4 rugzakleerlingen. Tijdschrift voor orthopedagogiek, 48,165. opgehaald op 6 februari, 2013 van: utjesdijk.pdf Vink, C. R., Schilt- Mol, van T.M.M.L. & Sontag, L. (2008). De arbeidsmarkt op! De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt voor schoolverlaters uit het Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs. Tilburg: IVA. Vleugels, T. & Willems, G. (2011). Wet kwaliteit VSO, trajectplan informatie. verkregen op 29 januari, 2013 van: Vonk, R. (2009). Sociale psychologie. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers. Vos, H. & Vlas, H. (2000). Reflectie en actie. Enschede: Dinkel Instituut / Faculteit der Elektrotechniek Universiteit Twente. Vries, de H. J. (2012). Working with pain: sustainable work participation of workers with chronic nonspecific musculoskeletal pain. Groningen: Faculty of Medical Sciences Vries, de H.J., Brouwer, S., Groothoff, J. W., Geertzen, J. H. B. & Reneman, M. F. (2011). Staying at work with chronic nonspecific musculoskeletal pain: a qualitative study of workers' experiences. BMC Musculoskeletal Disorders 12:126 doi: / Weijschede, S. & Engelen, M. W. H. (2011). Arbeidstoeleiding en de Wajong: een estafette? Een Jongeren houden (van) werk! 67

68 onderzoek naar de visie en werkwijze van VSO- en PRO-scholen. Zoetermeer: Research voor Beleid. Werknemer in opleiding (2010). Werknemer in opleiding: opbrengsten themabijeenkomst stage en duurzaamheid op de arbeidsmarkt. Opgehaald op van: Wolf, de A., Vreugdenhil- Tolsma, B., Haaf, van J. & Hoogenberg, I. (2002). Praktijkonderwijs: gegarandeerd werk? Een onderzoek naar de arbeidsintegratie van leerlingen praktijkonderwijs. Tilburg: IVA. Jongeren houden (van) werk! 68

69 12 Bijlagen Jongeren houden (van) werk! 69

70 Bijlage 1 Lijst met afkortingen CBS IOP ITP LG LVB LVS LZK MG MBO MLK OCW P-E Fit model PF PrO SLO TWI VSO Wajong WiO WTI ZMLK ZMOK Centraal Bureau voor de Statistiek Individueel ontwikkelingsplan Individueel transitieplan Lichamelijk Gehandicapt Licht verstandelijk beperkt Leerlingvolgsysteem Langdurig zieke kinderen Kinderen met een lichamelijke handicap en verstandelijke beperking Middelbaar beroepsonderwijs Moeilijk lerende kinderen (ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Person- Environment Fit model Portfolio Praktijkonderwijs Stichting Leerplan Ontwikkeling Thuis- werkinterferentie Voortgezet speciaal onderwijs Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten Werknemer in Opleiding Werk- thuisinterferentie Zeer moeilijk lerende kinderen Zeer moeilijk opvoedbare kinderen Jongeren houden (van) werk! 70

71 Bijlage 2 Begrippenlijst Arbeidsbeperkten - Mensen die arbeidsbeperkt zijn worden door cognitieve en/of lichamelijke beperkingen gehinderd worden in het uitvoeren van werkzaamheden. Flexibiliteit - Het vermogen om enerzijds te reageren op veranderingen in de omgeving, en anderzijds klaar te zijn om veranderingen op te vangen, of de omgeving zelf te veranderen. Individueel transitieplan Instrument om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt voor leerlingen in het Praktijkonderwijs te organiseren. Individueel ontwikkelingsplan - beschrijving van het onderwijs aan de leerling plus een beschrijving van de overgang van school naar arbeid (met eventuele aanvullende scholing). Intrinsieke motivatie - jezelf kunnen motiveren voor waarden en ervaringen die voor jou al persoon relevant zijn, los van externe beloningen. Motivatie - Het proces dat de aanzet, richting, intensiteit en de duur van het gedrag bepaalt bij het willen bereiken van een bepaald doe Praktijkonderwijs een vorm van regulier onderwijs voor jongeren met een IQ tussen 55 en 80. Deze leerlingen hebben een leerachterstand van ten minste drie jaar in twee of meer onderwijsdomeinen. Praktijkonderwijs is niet bedoeld voor leerlingen met een ernstige beperking. Reflectie - een activiteit waarbij je, naar aanleiding van een gebeurtenis of situatie, in dialoog treedt met jezelf en daarbij doelgericht en gerelateerd aan een vroeg of laat te ondernemen actie terugblikt op eerder opgedane ervaring. Voortgezet Speciaal Onderwijs - Het VSO bied onderwijs voor leerlingen in de leeftijd van 12 tot en met 20 jaar, het onderwijs is gericht op kinderen met een handicap, chronische ziekte of stoornis. Wajong - De Wajong regeling is een regeling van de overheid die hulp bied aan mensen met een ziekte of handicap. Deze hulp bestaat doorgaans aan het helpen vinden van een werkplek, inkomenaanvulling of een (volledige) uitkering. Zeer moeilijk lerende kinderen Dit zijn kinderen met een verstandelijke beperking. Het IQ van deze leerlingen is lager dan 55. Zelfmanagement - De realisatie van persoonlijke waarden, zowel op het werk als in het privéleven. Zijwindgevoelig jongeren van het VSO en PrO hebben een grotere kans op uitval zodra de naschoolse begeleiding wordt beëindigd. Deze jongeren kunnen gevoelig reageren op signalen in hun directe (arbeids-)omgeving, waardoor zij zonder steun snel uitvallen uit het arbeidsproces. Tevens zijn zij onvoldoende competent om hulp in te roepen zodat zij aan het werk kunnen blijven. Jongeren houden (van) werk! 71

72 Bijlage 3 Authenticiteitsverklaring Door ondertekening van dit document, geef ik aan dat de door mij ingeleverd scriptie: Jongeren houden (van) werk! zelfstandig en zonder enige externe hulp door mij is vervaardigd. Wanneer er in dit literatuuronderzoek gebruik wordt gemaakt van informatie uit externe bronnen, wordt dit door mij via een verwijzing in APA stijl kenbaar gemaakt. Ook verklaar ik dat het product nooit eerder door mij of anderen is aanboden aan deze of een andere examencommissie. Door het afleggen van deze verklaring geef ik expliciet aan dat ik mij bewust ben van de fraude- sancties zoals vastgelegd in de Uitvoeringsregeling van het Fontys- reglement examencommissies. Plaats: Den Bosch Datum: HBO- bacheloropleiding: Fontys Toegepaste Psychologie Naam en studentnummer: Handtekening: Loesje van Zutphen Jongeren houden (van) werk! 72

73 Bijlage 4 - Motivatie- en succesfactoren duurzame arbeidsparticipatie (Vries, de et al., 2012) Jongeren houden (van) werk! 73

Jongeren houden (van) werk!

Jongeren houden (van) werk! Jongeren houden (van) werk! Duurzame arbeidsparticipatie na het praktijkonderwijs Het vinden e n behouden van een baan is voor niemand makkelijk in tijden van crisis. Ook jongeren van het praktijkonderwijs

Nadere informatie

Werkgroep resultaten en opbrengsten

Werkgroep resultaten en opbrengsten Werkgroep resultaten en opbrengsten Domein INK: Resultaten en opbrengsten Thema: Leeropbrengsten Prestatie-indicator: Niveau Leeropbrengsten, niveau 80% van de haalt minimaal zijn uitstroomprofiel en uitstroomniveau.

Nadere informatie

Ouderavond Ordening en Ontwikkeling

Ouderavond Ordening en Ontwikkeling Ouderavond Ordening en Ontwikkeling dinsdag 1 oktober 2013 Programma 1. Missie & Visie; waar staan we voor 2. Wet kwaliteit VSO 3. Richtinggevend (wettelijk) kader USP 4. Profielen in beeld 5. Verbindingen

Nadere informatie

MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020. Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs

MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020. Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020 Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs Versie: definitief Maart 2014 Inhoud 1. Menukaart... 3 2. Toelichting...

Nadere informatie

Werkgroep resultaten en opbrengsten

Werkgroep resultaten en opbrengsten Werkgroep resultaten en opbrengsten Domein INK: Resultaten en opbrengsten Thema: Leeropbrengsten Prestatie-indicator: Niveau Leeropbrengsten, niveau 80% van de haalt minimaal zijn uitstroomprofiel en uitstroomniveau.

Nadere informatie

Uit het voortgezet speciaal onderwijs, en wat dan?

Uit het voortgezet speciaal onderwijs, en wat dan? Sociaaleconomische trends 2014 Uit het voortgezet speciaal onderwijs, en wat dan? Miriam de Roos Maarten Bloem Oktober 2014, 02 CBS Sociaaleconomische trends, oktober 2014, 02 1 Het aantal leerlingen op

Nadere informatie

MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020. Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs

MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020. Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020 Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs Versie: definitief Januari 2014 Inhoud 1. Menukaart... 3 2.

Nadere informatie

MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020

MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020 MENUKAART PRO VSO ESF 2014-2020 Uitgangspunten ESF 2014-2020 voor de doelgroep leerlingen Praktijkonderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs Versie: definitief Maart 2014 Inhoud 1. Menukaart... 3 2. Toelichting...

Nadere informatie

Bernardusschool Praktische stroom, uitstroomprofiel arbeidsmatige dagbesteding

Bernardusschool Praktische stroom, uitstroomprofiel arbeidsmatige dagbesteding Bernardusschool Praktische stroom, uitstroomprofiel arbeidsmatige dagbesteding Typering van de vakken die binnen het profiel arbeidsmatige dagbesteding worden aangeboden Nederlandse taal en communicatie

Nadere informatie

Landelijke Uitstroommmonitor Praktijkonderwijs Benchmark rapportage scholen uit eigen regio Uitstroommonitor 2009-2010

Landelijke Uitstroommmonitor Praktijkonderwijs Benchmark rapportage scholen uit eigen regio Uitstroommonitor 2009-2010 Landelijke Uitstroommmonitor Praktijkonderwijs Benchmark rapportage scholen uit eigen regio Uitstroommonitor 2009-2010 Landelijk Regio Mean Assen Emmen Steen Borg Rech RVEC Totaal score landelijk Totaal

Nadere informatie

APQ rapportage. Bea Voorbeeld. support@meurshrm.nl. Naam: Datum: 16.06.2015. Email:

APQ rapportage. Bea Voorbeeld. support@meurshrm.nl. Naam: Datum: 16.06.2015. Email: APQ rapportage Naam: Bea Voorbeeld Datum: 16.06.2015 Email: support@meurshrm.nl Bea Voorbeeld / 16.06.2015 / APQ rapportage 2 Inleiding Dit rapport geeft inzicht in jouw inzetbaarheid. We bespreken hoe

Nadere informatie

INTRODUCTIE TOOLBOX voor GEBRUIKERS. duurzame plaatsing van werknemers met autisme

INTRODUCTIE TOOLBOX voor GEBRUIKERS. duurzame plaatsing van werknemers met autisme INTRODUCTIE TOOLBOX voor GEBRUIKERS duurzame plaatsing van werknemers met autisme 1 Welkom bij toolbox AUTIPROOF WERKT Autiproof Werkt is een gereedschapskist met instrumenten die gebruikt kan worden bij

Nadere informatie

Uitstroombrochure. Arbeidstoeleiding VSO. Uitstroombrochure Bernardusschool

Uitstroombrochure. Arbeidstoeleiding VSO. Uitstroombrochure Bernardusschool Uitstroombrochure Arbeidstoeleiding VSO Inleiding In deze brochure willen we een overzicht geven van de uitstroommogelijkheden voor onze doelgroep en van de stappen die genomen moeten worden om de uitstroom

Nadere informatie

Mytylschool Prins Johan Friso te Haren Onderwijscentrum De Springplank te Emmen

Mytylschool Prins Johan Friso te Haren Onderwijscentrum De Springplank te Emmen Mytylschool Prins Johan Friso te Haren Onderwijscentrum De Springplank te Emmen De Mytylschool PJF en Onderwijscentrum De Springplank zijn scholen voor leerlingen van vier tot achttien jaar, met een mogelijke

Nadere informatie

Achtergrondkenmerken uitgestroomde leerling

Achtergrondkenmerken uitgestroomde leerling e Uitstroommmonitor 2008-2011 3. Leeftijd leerling bij uitstroom Achtergrondkenmerken uitgestroomde leerling 12 0 0.0 % 22 0.4 % 0 0.0 % 21 0.4 % 0 0.0 % 17 0.3 % 13 5 14.3 % 135 2.4 % 2 7.4 % 134 2.6

Nadere informatie

- Aan het eind van deze fase is niveau 1F bereikt

- Aan het eind van deze fase is niveau 1F bereikt Bernardusschool - Cognitiestroom, uitstroomprofiel arbeidsmarkt Typering van de vakken die binnen het profiel arbeidsmarkt worden aangeboden Nederlandse taal en communicatie Op de Cognitiestroom van de

Nadere informatie

Van speciaal naar regulier onderwijs: een hele overstap! Het Congres 29 november 2013

Van speciaal naar regulier onderwijs: een hele overstap! Het Congres 29 november 2013 Van speciaal naar regulier onderwijs: een hele overstap! Het Congres 29 november 2013 #speciaalgewoon Wie bent u? Wie zijn wij? Aleid Schipper Maartje Reitsma Jos Vinders en Kees Verweij Van terugplaatsen

Nadere informatie

Inge Test 07.05.2014

Inge Test 07.05.2014 Inge Test 07.05.2014 Inge Test / 07.05.2014 / Bemiddelbaarheid 2 Bemiddelbaarheidsscan Je hebt een scan gemaakt die in kaart brengt wat je kans op werk vergroot of verkleint. Verbeter je startpositie bij

Nadere informatie

Werk, inkomen. sociale zekerheid. www.departicipatieformule.nl, versie 2 2013 1

Werk, inkomen. sociale zekerheid. www.departicipatieformule.nl, versie 2 2013 1 Werk, inkomen & sociale zekerheid versie 2013 www.departicipatieformule.nl, versie 2 2013 1 Inleiding... 3 Participatiewet, geplande invoerdatum 1 januari 2014... 4 Wet Wajong (sinds 2010)... 6 Wet Werk

Nadere informatie

LOOPBAANADVIES WERKEN NAAR VERMOGEN voor jongeren met een beperking

LOOPBAANADVIES WERKEN NAAR VERMOGEN voor jongeren met een beperking LOOPBAANADVIES WERKEN NAAR VERMOGEN voor jongeren met een beperking samen presteren op individueel niveau bij onderzoek en advies Project : Experimentenregeling UWV Datum : 19-02-2009 Inleiding In de visie

Nadere informatie

Congres Werknemer in opleiding 2011. Workshop Nazorg in het praktijkonderwijs

Congres Werknemer in opleiding 2011. Workshop Nazorg in het praktijkonderwijs Congres Werknemer in opleiding 2011 Workshop Nazorg in het praktijkonderwijs Even voorstellen Dennis Heijnens (Platform Praktijkonderwijs) Ed Veenema (mentor/stagedocent en nazorgmedewerker Praktijkschool

Nadere informatie

Samen laten we elke jongere groeien

Samen laten we elke jongere groeien VSO Samen laten we elke jongere groeien OP ZOEK NAAR TALENTEN De Anne Flokstraschool geeft (voortgezet) speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende jongeren in de leeftijd van 12 tot 20 jaar met een verstandelijke

Nadere informatie

Professionalisering Pedagogisch- en didactisch handelen voor assistenten, leraarondersteuners en overig onderwijsondersteunend personeel

Professionalisering Pedagogisch- en didactisch handelen voor assistenten, leraarondersteuners en overig onderwijsondersteunend personeel FACTSHEET Cursus Bijlagen Professionaliseringsplan KOLOM Professionalisering Pedagogisch- en didactisch handelen voor assistenten, leraarondersteuners en overig onderwijsondersteunend personeel Algemeen

Nadere informatie

KPC groep Den Bosch 5 10 2011

KPC groep Den Bosch 5 10 2011 PAG 1 KPC groep Den Bosch 5 10 2011 De rol van de Wajong netwerken; arbeidstoeleiding nu en in de toekomst Erik Voerman Businessadviseur UWV WERKbedrijf PAG 2 Inhoud Doelstelling samenwerking PrO/VSO scholen

Nadere informatie

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK. Hofstede Praktijkschool te Den Haag

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK. Hofstede Praktijkschool te Den Haag RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK Hofstede Praktijkschool te Den Haag Plaats : Den Haag BRIN-nummer : 04 NF Arrangementsnummer : 231357 Onderzoek uitgevoerd op : 6 september 2012 en 31 mei 2013

Nadere informatie

Werk voor jongeren. De winst van maatwerk: Je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn

Werk voor jongeren. De winst van maatwerk: Je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn Werk voor jongeren Meer aandacht voor participatie Sommige werkgevers zijn sowieso geïnteresseerd in een jongere met een vlekje. Maar vaak gaat het er toch vooral om dat ze hun werk goed doen. Debby Kamstra,

Nadere informatie

KWALITEITSWET (V)SO DE SPRIENKE KWALITEITSWET (V)SO DE SPRIENKE. Uitdaging Beweging Perspectief

KWALITEITSWET (V)SO DE SPRIENKE KWALITEITSWET (V)SO DE SPRIENKE. Uitdaging Beweging Perspectief DE SPRIENKE Uitdaging Beweging Perspectief Mytylschool de Sprienke Vivaldipad 1, 4462 JA Goes Telefoon: 0113 22 91 50 E-mail: info@desprienke.nl Website: www.desprienke.nl KWALITEITSWET (V)SO KWALITEITSWET

Nadere informatie

Factsheet Passend Onderwijs

Factsheet Passend Onderwijs Factsheet Passend Onderwijs November 2010 Inleiding Deze factsheet geeft feiten en cijfers over het passend onderwijs in Nederland. De factsheet is een vervolg op de Factsheet Passend onderwijs van januari

Nadere informatie

Tumult in het VSO. Een overzicht van de leergebiedoverstijgende kerndoelen in Tumultmateriaal

Tumult in het VSO. Een overzicht van de leergebiedoverstijgende kerndoelen in Tumultmateriaal Tumult in het VSO Een overzicht van de leergebiedoverstijgende kerndoelen in Tumultmateriaal In het VSO (voortgezet speciaal onderwijs) worden twee soorten kerndoelen onderscheiden. Leergebiedspecifieke

Nadere informatie

Informatieavond klas 4

Informatieavond klas 4 Informatieavond klas 4 Praktijkonderwijs Werken naar werk Samen op weg bereikt ieder zijn doel Programma Uitstroomprofielen + vakkenpakket Doorstromen naar arbeid Doorstromen naar entreeonderwijs Algemene

Nadere informatie

Tinnitus en arbeid. Een onderzoek naar de invloed van stressoren op tinnitus en de mogelijkheid tot werken

Tinnitus en arbeid. Een onderzoek naar de invloed van stressoren op tinnitus en de mogelijkheid tot werken Rijksuniversiteit Groningen Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid Universitair Medisch Centrum Groningen Tinnitus en arbeid Een onderzoek naar de invloed van stressoren op tinnitus en de mogelijkheid

Nadere informatie

Uitstroom uit het praktijkonderwijs in de regio Rotterdam

Uitstroom uit het praktijkonderwijs in de regio Rotterdam Uitstroom uit het praktijkonderwijs in de regio Rotterdam Rapportage uitstroommonitor 2009-2010 en tweede meting volgmodule cohort 2008-2009 Actis Onderzoek drs. D.M.S. Heijnens Rotterdam, 14 februari

Nadere informatie

Praktijkonderwijs naar 2025

Praktijkonderwijs naar 2025 Praktijkonderwijs naar 2025 www.platformpraktijkonderwijs.nl Praktijkonderwijs is van belang voor circa 28.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs. Voor deze leerlingen is het praktijkonderwijs dé schoolsoort:

Nadere informatie

Jobcreatie. een kennismaking met het concept

Jobcreatie. een kennismaking met het concept Jobcreatie een kennismaking met het concept Waarom noodzakelijk Maatschappelijke druk op beschut en beschermd werk om mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt op de reguliere arbeidsmarkt te plaatsen

Nadere informatie

Toelichting ontwikkelingsperspectief

Toelichting ontwikkelingsperspectief Toelichting ontwikkelingsperspectief Dit document is bedoeld als achtergrond informatie voor de scholen, maar kan ook (in delen, zo gewenst) gebruikt worden als informatie aan ouders, externe partners

Nadere informatie

Factsheet Wajong: Informatie over Wajonginstroom in 2010

Factsheet Wajong: Informatie over Wajonginstroom in 2010 Regelingen en voorzieningen CODE 1.3.3.23 Factsheet Wajong: Informatie over Wajonginstroom in 2010 bronnen www.uwv.nl/zakelijk/gemeenten, d.d. oktober 2011 In 2013 gaat waarschijnlijk de Wet werken naar

Nadere informatie

Van school en dan? Veranderingen in onderwijs, zorg, werk en inkomen en de gevolgen voor uw kind (&voor U).

Van school en dan? Veranderingen in onderwijs, zorg, werk en inkomen en de gevolgen voor uw kind (&voor U). VSO Leo Kannerschool Hazenboslaan 101 Oegstgeest Van school en dan? Veranderingen in onderwijs, zorg, werk en inkomen en de gevolgen voor uw kind (&voor U). Guus de Wolf onderwijscoach 03-02-2015 Veranderingen

Nadere informatie

Mats Werkt! WWW.MATSWERKT.NL DÉ CURSUS VOOR HET BEGELEIDEN VAN MENSEN MET EEN ARBEIDSBEPERKING OP DE WERKVLOER.

Mats Werkt! WWW.MATSWERKT.NL DÉ CURSUS VOOR HET BEGELEIDEN VAN MENSEN MET EEN ARBEIDSBEPERKING OP DE WERKVLOER. Mats Werkt! DÉ CURSUS VOOR HET BEGELEIDEN VAN MENSEN MET EEN ARBEIDSBEPERKING OP DE WERKVLOER. WWW.MATSWERKT.NL Mats werkt: Dé cursus voor het begeleiden van mensen met een arbeidsbeperking op de werkvloer.

Nadere informatie

Onderzoek naar een sluitend schoolaanbod voor jongeren met ASS die uitvallen binnen het speciaal onderwijs.

Onderzoek naar een sluitend schoolaanbod voor jongeren met ASS die uitvallen binnen het speciaal onderwijs. Onderzoek naar een sluitend schoolaanbod voor jongeren met ASS die uitvallen binnen het speciaal onderwijs. Afstudeerproject - Master Pedagogiek School of Health, Hogeschool Inholland C.C.A (Claudine)

Nadere informatie

(Voortgezet) speciaal onderwijs voor leerlingen met een langdurige ziekte en/of lichamelijke beperking. Piramide werkt op het Podium

(Voortgezet) speciaal onderwijs voor leerlingen met een langdurige ziekte en/of lichamelijke beperking. Piramide werkt op het Podium Piramide werkt op het Podium 1. De school De Piramide is een (V)SO school in cluster 3 ziekte en of lichamelijke beperking in de leeftijd van 3 t/m 20 jaar. De school is gevestigd in Den Haag Zuidwest

Nadere informatie

Werken en leren bij The Colour Kitchen

Werken en leren bij The Colour Kitchen Werken en leren bij The Colour Kitchen The Colour Kitchen The Colour Kitchen is een professioneel en commercieel horeca concept met een groot maatschappelijk hart. Wij willen samen met onze gasten én onze

Nadere informatie

Achtergrondkenmerken uitgestroomde leerling

Achtergrondkenmerken uitgestroomde leerling e Uitstroommeting Praktijkonderwijs 2008-2009 Achtergrondkenmerken uitgestroomde leerling 4. Wat is het geslacht van de leerling? Jongen 20 59 % 3158 59 % Meisje 14 41 % 2233 41 % 5. Wat is voor zover

Nadere informatie

Informatieavond klas 4

Informatieavond klas 4 Informatieavond klas 4 Het Kwadrant Werken naar werk Samen op weg bereikt ieder zijn doel Programma Uitstroomprofielen Certificeervakken De elf gouden regels Arbeidscompetenties (ABC) Doorstromen naar

Nadere informatie

Werknemer in opleiding Themabijeenkomst Stage en duurzaamheid op de arbeidsmarkt. Oktober 2010

Werknemer in opleiding Themabijeenkomst Stage en duurzaamheid op de arbeidsmarkt. Oktober 2010 Werknemer in opleiding Themabijeenkomst Stage en duurzaamheid op de arbeidsmarkt Oktober 2010 Programma 13.30 Informatie Wio, opbrengst bijeenkomst 13.45 Stage en duurzaamheid op de arbeidsmarkt -Toelichting

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Langdurig ziekteverzuim is een erkend sociaal-economisch en sociaal-geneeskundig probleem op nationaal en internationaal niveau. Verschillende landen hebben wettelijke maatregelen genomen

Nadere informatie

We nemen jullie graag mee

We nemen jullie graag mee Maak de arbeidsmarkt transparant voor jongeren met een psychische arbeidsbeperking Ervaringen uit het veld en nieuwe innovaties. Leila Breden Productontwikkelaar CTC/ psycholoog UWV Werkbedrijf Quint Dozel

Nadere informatie

Rapport Intake Loopbaantraject

Rapport Intake Loopbaantraject Rapport Intake Loopbaantraject Naam Adviseur Jan Voorbeeld Adviseur van Organisatie Datum 20/02/2015 Inleiding In het kader van een loopbaantraject hebt u een tweetal vragenlijsten ingevuld die u inzicht

Nadere informatie

De Participatiewet en het dienstenportfolio UWV

De Participatiewet en het dienstenportfolio UWV De Participatiewet en het dienstenportfolio UWV 1 Aanleiding voor huidige ontwikkelingen Te veel mensen met arbeidsbeperkingen staan aan de zijlijn. Instroom WAJONG is (te) groot WWB populatie bestaat

Nadere informatie

Doelomschrijving vier deelnemende scholen

Doelomschrijving vier deelnemende scholen Doelomschrijving vier deelnemende scholen 1 doelgroepomschrijvingen Leerbedrijf BAVA (ROC-AKA) Het leerbedrijf Basisvaardigheden (BAVA) is onderdeel van de school voor AKA van het ROC Midden Brabant. Bij

Nadere informatie

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties Het gaat om de volgende zeven verandercompetenties. De competenties worden eerst toegelicht en vervolgens in een vragenlijst verwerkt. Veranderkundige

Nadere informatie

Ik ben. Eerlijk. Geduldig. Creatief. Gestructureerd. Communicatief. Geïnteresseerd. Geeft aandacht WWW.IKBENHARRIE.NL

Ik ben. Eerlijk. Geduldig. Creatief. Gestructureerd. Communicatief. Geïnteresseerd. Geeft aandacht WWW.IKBENHARRIE.NL Ik ben Geïnteresseerd Creatief WWW.IKBENHARRIE.NL Communicatief Geeft aandacht Eerlijk Gestructureerd Geduldig Harrie is ontwikkeld door CNV Jongeren en Vilans, met dank aan de support van UWV en Instituut

Nadere informatie

Rapport Intake. Samenvatting. Algemeen Naam cliënt: Petra Kessels 3 BSN: 010200102

Rapport Intake. Samenvatting. Algemeen Naam cliënt: Petra Kessels 3 BSN: 010200102 Samenvatting Algemeen Naam cliënt: Petra Kessels 3 BSN: 010200102 Werkzaam bij: Dariuz Voorbeeld Datum intake: 25/11/2011 In opdracht van: Demo pakket Naam casemanager: Demo Dariuz Conclusies Naar aanleiding

Nadere informatie

Starterscursus po. BOVO procedure deel 2 Start

Starterscursus po. BOVO procedure deel 2 Start Starterscursus po BOVO procedure deel 2 Start 14 oktober 2015 Inhoud BOVO tijdpad jan-jul Onderwijstypen vo Aanmeldprocedure vo Toelating vo In contact met het vo Tijdpad 2015-2016 Speciale doelgroepen

Nadere informatie

Even voorstellen UWV. Onderwijsgroep Buitengewoon. En wie bent u?

Even voorstellen UWV. Onderwijsgroep Buitengewoon. En wie bent u? Even voorstellen Frank Groen Arbeidsdeskundige UWV Jack Kerkhofs Projectmanager Onderwijsgroep Buitengewoon En wie bent u? Wat gaan we doen Wij laten u kennismaken met nieuwe klanten voor de gemeenten

Nadere informatie

Bouwstenen voor effectieve reintegratie

Bouwstenen voor effectieve reintegratie Bouwstenen voor effectieve reintegratie voor mensen met een beperking Luuk Mallee - Regioplan Michiel Sebel Werkse! Delft Robert Nijmands Werkse! Delft Het onderzoek Effectiviteit re-integratie arbeidsbeperkten.

Nadere informatie

Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap De Kinderombudsman Visie op het verlengen van de kwalificatieplicht tot 21 jaar 7 september 2015 Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Aanleiding De

Nadere informatie

SAMENWERKINGSOVEREENKOMST SCHOLEN VOOR PRAKTIJKONDERWIJS NOORDOOST NOORD-BRABANT, MEE EN UWV

SAMENWERKINGSOVEREENKOMST SCHOLEN VOOR PRAKTIJKONDERWIJS NOORDOOST NOORD-BRABANT, MEE EN UWV SAMENWERKINGSOVEREENKOMST SCHOLEN VOOR PRAKTIJKONDERWIJS NOORDOOST NOORD-BRABANT, MEE EN UWV 1. INLEIDING De arbeidsintegratie van jongeren met leermoeilijkheden is gebaat bij een goede regionale samenwerking.

Nadere informatie

Arbeidstoeleiding en de Wajong: een estafette?

Arbeidstoeleiding en de Wajong: een estafette? Opdrachtgever SZW Arbeidstoeleiding en de Wajong: een estafette? Opdrachtnemer Research voor Beleid / S. Weijschede, M.W.H. Engelen Onderzoek Arbeidstoeleiding en de Wajong: een estafette?: een onderzoek

Nadere informatie

Rapport Duurzame Inzetbaarheid

Rapport Duurzame Inzetbaarheid Rapport Duurzame Inzetbaarheid Naam Adviseur Piet Pieterse Reinier van der Hel Datum 31-08-2015 Inleiding Duurzame inzetbaarheid is talenten optimaal benutten, gezond en met plezier werken, nu en in de

Nadere informatie

1 van 5. Registratienummer: Bijlage(n) 2 Onderwerp. Beleidsplan Participatiewet. Middenbeemster, 30 september 2014. Aan de raad

1 van 5. Registratienummer: Bijlage(n) 2 Onderwerp. Beleidsplan Participatiewet. Middenbeemster, 30 september 2014. Aan de raad VERG AD ERING GEM EENT ER AAD 20 14 VOORST EL Registratienummer: 1150476 Bijlage(n) 2 Onderwerp Beleidsplan Participatiewet Aan de raad Middenbeemster, 30 september 2014 Inleiding en probleemstelling Gemeenten

Nadere informatie

Inclusieve arbeidsmarkt: Van een individugerichte tot een organisatiegerichte benadering

Inclusieve arbeidsmarkt: Van een individugerichte tot een organisatiegerichte benadering Inclusieve arbeidsmarkt: Van een individugerichte tot een organisatiegerichte benadering Noodzaak meer inclusieve arbeidsmarkt Het werknemersbestand van de meeste organisaties is geen afspiegeling van

Nadere informatie

Functiecreatie. Het scheppen van arbeidsmogelijkheden in het kader van de Participatiewet

Functiecreatie. Het scheppen van arbeidsmogelijkheden in het kader van de Participatiewet Functiecreatie Het scheppen van arbeidsmogelijkheden in het kader van de Participatiewet Realiseren van de doelstellingen Meer dan een miljoen mensen langs de kant Realiseren van de doelstelling zou gemakkelijk

Nadere informatie

Opbrengsten. Verantwoording

Opbrengsten. Verantwoording Opbrengsten VSO Inleiding Iedere school heeft tot taak onderwijs te bieden waarbij de leerlingen kennis, vaardigheden en houdingen verwerven. Uitgangspunt voor dat aanbod zijn de kerndoelen (voortgezet)

Nadere informatie

Het verbeteren van de integratie van zieke werknemers door aandacht voor hun dubbele rol (Universiteit Utrecht) Projectleider: Prof. dr.

Het verbeteren van de integratie van zieke werknemers door aandacht voor hun dubbele rol (Universiteit Utrecht) Projectleider: Prof. dr. Het verbeteren van de integratie van zieke werknemers door aandacht voor hun dubbele rol (Universiteit Utrecht) Projectleider: Prof. dr. Trudie Knijn Onderzoekers: dr. Mira Peeters, drs. Marta Dijkgraaf,

Nadere informatie

ARBEIDSTOELEIDING EN STAGE

ARBEIDSTOELEIDING EN STAGE ARBEIDSTOELEIDING EN STAGE WIE ZIJN WIJ? De Anne Flokstraschool geeft (voortgezet) speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende jongeren in de leeftijd van 12 tot 20 jaar met een verstandelijke en/of meervoudige

Nadere informatie

Werken met een ontwikkelingsperspectief

Werken met een ontwikkelingsperspectief Werken met een ontwikkelingsperspectief Conferentie SPPOH 12 november 2014 Arjan Clijsen OPP driedimensionaal Hoe nu verder? Wat willen we bereiken? leerkracht Ik kan leermoment het niet bij benen. Help

Nadere informatie

Best Practice Praktijkonderwijs Zutphen. Tekst Aida Jaber juli 2015

Best Practice Praktijkonderwijs Zutphen. Tekst Aida Jaber juli 2015 Best Practice Praktijkonderwijs Zutphen Tekst Aida Jaber juli 2015 Zutphen laat zien hoe het kan en dát het kan Onderwijs, gemeente en sociale werkvoorziening delen dezelfde visie over jonggehandicapten

Nadere informatie

De nieuwe naam voor ZML Noordoost Brabant

De nieuwe naam voor ZML Noordoost Brabant De nieuwe naam voor ZML Noordoost Brabant Beter voor nu, beter voor later Niet alle kinderen in deze wereld vinden even makkelijk hun weg. Deze kinderen hebben extra begeleiding en zorg nodig om hun eigen

Nadere informatie

De uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs in het schooljaar 2008-2009

De uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs in het schooljaar 2008-2009 De uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs in het schooljaar 2008-2009 Actis Advies drs. D.M.S. Heijnens Rotter, 9 december 2009 Inhoudsopgave Samenvatting 3 1 Uitstroommonitor 2008-2009 5 1.1

Nadere informatie

Doorlopende leerlijnen. Arjan Clijsen, Wout Schafrat en Suzanne Beek. Competentiescan Handelingsgericht werken in het voortgezet onderwijs

Doorlopende leerlijnen. Arjan Clijsen, Wout Schafrat en Suzanne Beek. Competentiescan Handelingsgericht werken in het voortgezet onderwijs 8 Doorlopende leerlijnen Arjan Clijsen, Wout Schafrat en Suzanne Beek Competentiescan Handelingsgericht werken in het voortgezet onderwijs Competentiescan Handelingsgericht werken in het voortgezet onderwijs

Nadere informatie

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK Kennemer Praktijkschool en LWOO Plaats:Heemskerk BRIN-nummer:28BN Registratienummer: 3077160 Onderzoek uitgevoerd op:17 maart 2011 Conceptrapport verzonden op:

Nadere informatie

Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2013-2014 Samenvatting van de monitor 2013-2014 en de volgmodules najaar 2014

Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2013-2014 Samenvatting van de monitor 2013-2014 en de volgmodules najaar 2014 monitor praktijkonderwijs 2013-2014 Samenvatting van de monitor 2013-2014 en de volgmodules najaar 2014 Platform Praktijkonderwijs Rotterdam, 29 december 2014 1 Introductie In de periode 1 september 31

Nadere informatie

Geschikt werk voor geschikte mensen

Geschikt werk voor geschikte mensen Geschikt werk voor geschikte mensen Divosa vrijdag Utrecht, 14 maart 2014 Erik Voerman UWV WERKbedrijf 2 Ontwikkelingen Wajong Afname groei aantal Wajongers sinds 2010 Na instroom gaan jongeren sneller

Nadere informatie

Samenvatting Beroepsonderwijs

Samenvatting Beroepsonderwijs Samenvatting Beroepsonderwijs Periode: januari december 2009 Opdrachtgever: FNV Horecabond Uitgevoerd door: SOHRC Timo van Doremalen Met medewerking van: Drs. Schelte Beltman Heleen Veenhof Auteursrecht

Nadere informatie

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam. nummer 5 maart 2013

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam. nummer 5 maart 2013 Fact sheet nummer 5 maart 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam Er zijn ruim 133.000 jongeren van 15 tot en met 26 jaar in Amsterdam (januari 2012). Met de meeste jongeren gaat het goed in het onderwijs

Nadere informatie

Langdurig ziekteverzuim van werknemers met een chronische ziekte of beperking Geeke Waverijn, Mieke Rijken

Langdurig ziekteverzuim van werknemers met een chronische ziekte of beperking Geeke Waverijn, Mieke Rijken Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (Langdurig ziekteverzuim van werknemers met een chronische ziekte of beperking, G. Waverijn & M. Rijken, NIVEL, januari

Nadere informatie

Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015!

Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015! Voorstel voor onderzoekspresentaties Mbo Onderzoeksdag Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015! Indienen van een voorstel kan tot en met 15 mei 2015 via e-mailadres: info@mboonderzoeksdag.nl

Nadere informatie

Veranderingen rond werk en zorg. Informatie voor ouders van kinderen in het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

Veranderingen rond werk en zorg. Informatie voor ouders van kinderen in het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs Veranderingen rond werk en zorg Informatie voor ouders van kinderen in het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs Veranderingen rond werk en zorg Jongeren in het praktijkonderwijs (pro) en

Nadere informatie

Informatie over de Wajong

Informatie over de Wajong Informatie over de Wajong Inleiding Het kabinet heeft het voornemen om per 1 januari 2014 de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet sociale werkvoorziening en een deel van de Wet Wajong

Nadere informatie

ABC - Ambulant Behandelcentrum

ABC - Ambulant Behandelcentrum ABC - Ambulant Behandelcentrum Als het thuis en/of op school dreigt vast te lopen Informatie voor verwijzers Kom verder! www.ln5.nl Vergroten van sociale competenties. Vergroten zelfbeeld/zelfvertrouwen.

Nadere informatie

Praktijkonderwijs naar 2025

Praktijkonderwijs naar 2025 Praktijkonderwijs naar 2025 www.platformpraktijkonderwijs.nl Praktijkonderwijs is van belang voor circa 28.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs. Voor deze leerlingen is het praktijkonderwijs dé schoolsoort:

Nadere informatie

Leerjaar 4: Lesopbouw en suggesties (incl. bewijzenblad) voor leerroute A

Leerjaar 4: Lesopbouw en suggesties (incl. bewijzenblad) voor leerroute A Leerjaar 4: Lesopbouw en suggesties (incl. bewijzenblad) voor leerroute A Thema 12: Het vinden van werk c: Kiezen en solliciteren naar passende stageplek Thema 1 Introles De leerling oriënteert zich op

Nadere informatie

Werk, inkomen. sociale zekerheid. www.departicipatieformule.nl, 2011 1

Werk, inkomen. sociale zekerheid. www.departicipatieformule.nl, 2011 1 Werk, inkomen & sociale zekerheid www.departicipatieformule.nl, 2011 1 Inhoudsopgave Wet Wajong (sinds 2010)... 3 Wet Werk en Bijstand (WWB)... 5 Wet investeren in jongeren (Wij)... 6 Wet Sociale Werkvoorziening

Nadere informatie

Werken naar vermogen bij Sunny Tom een kwestie van de juiste mix: persoon, situatie en begeleiding

Werken naar vermogen bij Sunny Tom een kwestie van de juiste mix: persoon, situatie en begeleiding Werken naar vermogen bij Sunny Tom een kwestie van de juiste mix: persoon, situatie en begeleiding Persoon Jongeren met een beperking die moeilijk plaatsbaar zijn op de arbeidsmarkt Situatie Tuinbouwbedrijf

Nadere informatie

Waj ng. Tips en informatie voor werkgevers, leidinggevenden en collega s

Waj ng. Tips en informatie voor werkgevers, leidinggevenden en collega s Waj ng Tips en informatie voor werkgevers, leidinggevenden en collega s De Wajongwaaier Waarom een Wajongwaaier? Veel Wajongers die werken, vinden het moeilijk dit vol te houden. FNV vindt dat er alles

Nadere informatie

Samen leren jezelf te zijn, kansrijk en uniek Wij maken werk van talent!

Samen leren jezelf te zijn, kansrijk en uniek Wij maken werk van talent! De missie van onze school: Samen leren jezelf te zijn, kansrijk en uniek Wij maken werk van talent! De visie van onze school: A: Goed onderwijs, opbrengstgericht Door middel van een gevarieerd lesaanbod

Nadere informatie

Wij analyseren de situatie en vervolgens werken we met een eenvoudig categoriemodel:

Wij analyseren de situatie en vervolgens werken we met een eenvoudig categoriemodel: Re-integratiebegeleiding (2 e en 3 e spoor) Doel 1. Duidelijkheid! Wij analyseren de situatie en vervolgens werken we met een eenvoudig categoriemodel: 2. Werk! * Ruime arbeidsmogelijkheden * Beperkte

Nadere informatie

Reglement Diploma Praktijkonderwijs, Regio Haaglanden. Inhoudsopgave reglement

Reglement Diploma Praktijkonderwijs, Regio Haaglanden. Inhoudsopgave reglement Inhoudsopgave reglement Reglement Diploma Praktijkonderwijs, Regio Haaglanden. 1. Algemeen 2. Begrippen 3. Totstandkoming en wijziging 4. Publicatie 5. Eisen 6. Commissie Examinering PrO den Haag 7. Beroepsmogelijkheid

Nadere informatie

Schoolondersteuningsprofiel SWV Deventer VO en VSO Versie december 2015

Schoolondersteuningsprofiel SWV Deventer VO en VSO Versie december 2015 Schoolondersteuningsprofiel SWV Deventer VO en VSO Versie december 2015 De Ambelt VSO, locatie Ludgerstraat Deventer Ludgerstraat 1b 7415 DV Deventer 0570 605 383 School voor VMBO Kader en Mavo en HAVO

Nadere informatie

Samenvatting, conclusies en discussie

Samenvatting, conclusies en discussie Hoofdstuk 6 Samenvatting, conclusies en discussie Inleiding Het doel van het onderzoek is vast te stellen hoe de kinderen (10 14 jaar) met coeliakie functioneren in het dagelijks leven en wat hun kwaliteit

Nadere informatie

Harrie m/v. Harrie. Harrie. Harrie. Kortom: Harrie!

Harrie m/v. Harrie. Harrie. Harrie. Kortom: Harrie! Harrie m/v Harrie Werken met Wajongeren is goed mogelijk! Maar de beperking van een Wajonger brengt met zich mee dat er extra ondersteuning en begeleiding op de werkplek nodig is. Een directe collega kan

Nadere informatie

Richtlijn Toelaatbaarheid tot het Voortgezet Speciaal Onderwijs

Richtlijn Toelaatbaarheid tot het Voortgezet Speciaal Onderwijs Richtlijn Toelaatbaarheid tot het Voortgezet Speciaal Onderwijs 1. Toelichting Passend Onderwijs wil de omslag maken van diagnosegericht naar handelingsgericht. Niet de diagnose staat centraal, maar de

Nadere informatie

* Vanaf 9 september is onze nieuwe website online : www.pentacollege-attendiz.nl

* Vanaf 9 september is onze nieuwe website online : www.pentacollege-attendiz.nl Opbrengsten Penta College 2014-2015 Inleiding Iedere school heeft tot taak onderwijs te bieden waarbij de leerlingen kennis, vaardigheden en houdingen verwerven. Uitgangspunt voor dat aanbod zijn de kerndoelen

Nadere informatie

Betaalde arbeid. Uitslag van de enquête over het vinden en behouden van betaalde arbeid onder mensen met MS, november 2011

Betaalde arbeid. Uitslag van de enquête over het vinden en behouden van betaalde arbeid onder mensen met MS, november 2011 Betaalde arbeid Uitslag van de enquête over het vinden en behouden van betaalde arbeid onder mensen met MS, november 2011 Jolanda van Dijk, medeweker belangenbehartiging Aanleiding voor de enquête De MS

Nadere informatie

Praktijkonderwijs, dat ga ik doen! Informatiebrochure Praktijkonderwijs

Praktijkonderwijs, dat ga ik doen! Informatiebrochure Praktijkonderwijs Praktijkonderwijs, dat ga ik doen! Informatiebrochure Praktijkonderwijs Onze boodschap aan leerlingen: Praktijkonderwijs, dat ga ik doen! Het Praktijkonderwijs is een vorm van voortgezet onderwijs. Je

Nadere informatie

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK. Het IJsselcollege PRO

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK. Het IJsselcollege PRO RAPPORT VAN BEVINDINGEN KWALITEITSONDERZOEK Het IJsselcollege PRO Plaats : Capelle aan den IJssel BRIN nummer : 20BH C2 BRIN nummer : 20BH 02 PRO Onderzoeksnummer : 277251 Datum onderzoek : 18 september

Nadere informatie

Achtergrond. Visie op arbeidsverzuim

Achtergrond. Visie op arbeidsverzuim Deze visienota richt zich specifiek op preventie van arbeidsverzuim. Deze visie is door te vertalen naar terugkeer vanuit arbeidsverzuim en op instroom, doorstroom en uitstroom vraagstukken. Deze doorvertaling

Nadere informatie