In 1999 bereikte de transfer vanuit Vlaanderen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "In 1999 bereikte de transfer vanuit Vlaanderen"

Transcriptie

1 Maandelijks tijdschrift Jaargang 55 nr november 2000 ISSN Financiële transfers tussen de Belgische gewesten Actualisering en vooruitblik in dit nummer... Financiële transfers tussen de Belgische gewesten Actualisering en vooruitblik... 1 Een wereldwijde heffing op valutatransacties Geen goed idee In 1999 bereikte de transfer vanuit Vlaanderen naar de andere gewesten in het kader van de Belgische publieke financiën een orde van grootte van 200 miljard BEF. Als percentage van het Vlaamse primaire inkomen blijkt de transfer daarmee over zijn hoogtepunt van 3,8 % in 1997 heen. De sociale zekerheid blijft met ruime voorsprong de grootste verwekker van transfers. Dat is logisch, aangezien de werkgelegenheidsgraad en dus ook de bijdragecapaciteit tot de sociale zekerheid nog steeds sterk regionaal uiteenlopen. Onze berekeningen geven aan dat de snellere bevolkingsveroudering in Vlaanderen in de transfer slechts tijdelijk tot 2010 zal temperen. Enkel als Wallonië en Brussel erin slagen tussen 2000 en 2030 een inhaalbeweging te maken tegenover Vlaanderen inzake werkgelegenheidsgraad zouden de transfers wel duurzaam worden afgebouwd. Dat veronderstelt een fundamentele ommekeer van de tendens van de voorbije decennia en dus een langdurige periode van hogere economische groei en een drastische vermindering van de structurele werkloosheid in Wallonië en Brussel. Via de federale overheidsbegroting en de sociale zekerheid kunnen er tussen de Belgische gewesten inkomensoverdrachten of zgn. financiële transfers plaatsvinden. Dat is het geval als een gewest relatief meer (en een ander dus relatief minder) tot de federale belastingen en/ of socialezekerheidsontvangsten bijdraagt dan het in de vorm van federale overheidsuitgaven en/of socialezekerheidsuitkeringen terugkrijgt. Het uitgangspunt daarbij is dat van de juste retour : een gewest dat meer (minder) bijdraagt tot de belastingen, moet in principe evenredig meer (minder) profijt halen uit de overheidsuitgaven. Elke afwijking van deze juste retour geeft aanleiding tot een transfer tussen de gewesten. Om zo n afwijking te berekenen, moeten als eerste stap de ontvangsten en uitgaven van de federale overheid en van de sociale zekerheid aan de gewesten worden toegewezen volgens sleutels waarvan de regionale waarden bekend zijn. Dat is geen eenvoudige opgave. Exacte verdeelsleutels zijn immers niet bekend, zodat enkel ramingen mogelijk zijn op basis van ruwe criteria, die de werkelijke verdeling redelijk objectief benaderen. Het kader op bladzijde 12 geeft een overzicht van de verdeelsleutels die wij hebben gebruikt (1). Vroegere berekeningen op basis van deze sleutels toonden aan dat er sinds de jaren 60 een voortdurende transfer vanuit Vlaanderen naar Wallonië en sinds de Economisch Financiële Berichten 1

2 deren gedurende de hele naoorlogse periode vrijwel voortdurend een sterkere economische groei registreerde dan de andere gewesten (3). Dat was ook na 1995 nog het geval (zie tabel I). Het bruto regionaal product (BRP, d.i. de totale bruto toegevoegde waarde voortgebracht op het grondgebied van een gewest) groeide in Vlaanderen tussen 1995 en 1999 met gemiddeld 2,5 % per jaar, tegenover 2 % in Wallonië en 1,8 % in Brussel. Dat betekent toch dat de regionale groei in Brussel beduidend versnelde. In groeide het Brusselse BRP immers met slechts 0,1 % per jaar. Deze groeiversnelling na 1995 wijst erop dat de relatieve achteruitgang van Brussel tegenover de andere gewesten minder sterk werd. Gedeeltelijk is dat toe te schrijven aan een ommekeer van de demografische ontwikkeling. Het aantal inwoners van het Hoofdjaren 90 ook naar Brussel plaatsvond. Wat volgt is een actualisering van deze berekeningen en een vooruitblik op de mogelijke toekomstige ontwikkeling van deze transfers (2). Sociaal-economische divergentie Gegeven het uitgangspunt van de juste retour zijn financiële transfers in belangrijke mate de uitdrukking van de verschillende bijdragecapaciteit van de gewesten tot de personenbelasting en van uiteenlopende regionale saldi in de sociale zekerheid. Als zodanig zijn zij niet meer dan een illustratie van de uiteenlopende economische en sociaal-demografische ontwikkeling van de gewesten. We hebben vroeger al gedocumenteerd dat Vlaan- Tabel I Regionale economische en demografische ontwikkeling BRP in Totale Bevolking op Werkgelegen- Werkloos- Afhankelijkheidsgraad Primair vaste prijzen* bevolking actieve leeftijd heidsgraad** heidsgraad jongeren ouderen inkomen (15 tot (onder (boven per capita* 64-jarigen) 15 jaar) 64 jaar) 1980 = 100 in % bevolking in % beroeps- in % totale bevolking België = 100 op beroeps- bevolking leeftijd Vlaanderen ,9 7,4 20,1 13,6 99, ,8 102,1 105,2 58,8 6,4 17,8 14,5 102, ,4 104,4 106,1 58,3 9,6 17,5 15,6 104, ,3 105,5 106,2 59,8 6,9 17,1 16,5 105,9 Wallonië ,9 8,8 20,0 14,9 94, ,3 100,6 103,0 53,5 12,5 18,5 15,4 92, ,7 102,7 103,3 52,7 17,4 18,7 16,2 92, ,8 103,3 103,2 54,2 16,3 18,6 16,7 90,2 Brussel ,2 8,6 17,3 17,6 120, ,1 96,1 96,0 54,6 11,4 17,5 17,2 108, ,6 94,8 94,5 52,7 18,2 17,7 17,2 100, ,9 95,1 95,3 53,0 17,6 17,7 17,0 97,7 Bronnen: NIS, INR, MTA en eigen berekeningen. * 1999: eigen raming. ** 1998 i.p.v

3 stedelijk Gewest steeg tussen 1996 en 1999 met 0,7 %, terwijl het tussen 1990 en 1996 nog met 1,7 % was gedaald. Daarmee groeide de bevolking in Brussel sinds 1996 zowat even sterk als in Vlaanderen (+0,8 %) en iets sneller dan in Wallonië (+0,5 %). Blijkbaar is de stadsvlucht uit Brussel sinds 1995 dus tot stilstand aan het komen. Een andere aanwijzing daarvan is de afnemende netto emigratiestroom uit Brussel. In 1990 bedroeg die 1,4 % van de Brusselse bevolking, in 1998 was dat nog slechts 0,6 %. De stadvlucht zorgde ervoor dat vooral dertigers en veertigers, als ze eenmaal een zeker inkomensniveau hadden bereikt, de hoofdstad inruilden voor de randgemeenten. De relatief welvarende leeftijdsgroep van 35 tot 55-jarigen maakte daardoor in Brussel in 1997 slechts 24,7 % van de bevolking uit, tegenover 27,2 % in het arrondissement Halle-Vilvoorde en 27,9 % in de provincie Waals-Brabant. Daarnaast bestaat een relatief groot deel van de Brusselse bevolking uit vreemdelingen van buiten de Europese Unie (15,7 % tegenover 2,2 % in Vlaanderen en 2,3 % in Wallonië). Niettemin kwam de toename van de Brusselse bevolking na 1996 ten volle op rekening van de bevolking met Belgische nationaliteit (+2,4 %). Daartegenover stond een afname van het aantal vreemdelingen met 3,5 %, wat onder meer te maken had met een toenemend aantal naturalisaties. Tussen 1990 en 1996 was het aantal vreemdelingen in Brussel nog met 5,3 % toegenomen en de Brusselse bevolking met Belgische nationaliteit met 4,4 % achteruitgegaan. De geleidelijke ommekeer van de stadsvlucht had als gevolg dat de demografische afhankelijkheidsgraad (d.i. het aandeel van de minderdan-15-jarigen en de 64-plussers in de totale bevolking) in Brussel sinds 1995 daalde met 0,2 procentpunt tot 34,7 % in In Vlaanderen en Wallonië daarentegen nam de demografische afhankelijkheidsgraad in dezelfde periode verder toe met 0,5 procentpunt tot respectievelijk 33,6 % en 35,3 % (zie tabel I). Vlaanderen is voorlopig nog het gewest met de relatief jongste bevolking, maar is wel sneller dan de andere aan het verouderen. Deze tendens zal zich in het komende decennium nog versterken. Zo lag het aandeel van de 65-plussers in 1999 in Vlaanderen nog wel net lager dan in Wallonië en Brussel, maar het aandeel van de 60-plussers is sinds dat jaar in Vlaanderen al het grootste. Ondanks de relatief gunstige demografische kentering in Brussel blijft de economische groei in dat gewest opvallend zwak. Daardoor bleven ook de Brusselse arbeidsmarktprestaties teleurstellend. De werkgelegenheid steeg er tussen 1995 en 1999 met gemiddeld slechts 0,4 % per jaar, tegenover een landsgemiddelde van 0,8 %. De werkloosheidsgraad blijft er op een hoog niveau, vooral dan in vergelijking met Vlaanderen. De ondertewerkstelling in Brussel komt nog beter tot uiting in de lage werkgelegenheidsgraad (d.i. de werkende beroepsbevolking t.o.v. de bevolking op actieve leeftijd). Deze bedroeg in 1998 in Brussel 53 %, tegenover 54,4 % in Wallonië en 59,8 % in Vlaanderen (zie tabel I). Het BRP geeft enkel een aanwijzing over de regionale oorsprong van de productie. Pendelaars die in Brussel werken, dragen bij tot het Brusselse BRP, maar hun arbeidsinkomen komt uiteindelijk terecht in het gewest waar zij wonen. Er moet bijgevolg een onderscheid worden gemaakt tussen het BRP en het totale primaire inkomen van de gezinnen en bedrijven in een gewest. Bij gebrek aan exacte statistieken kan de regionale verdeling van dit primaire inkomen enkel bij benadering worden geraamd. De raming in tabel I gebeurde op basis van de regionale spreiding van de netto belastbare gezinsinkomens enerzijds en het aantal werkgevers anderzijds. Daaruit blijkt dat Nr. 10 /

4 Brussel traditioneel het gewest was met het hoogste primaire inkomen per inwoner, maar sinds 1994 is ingehaald door Vlaanderen, dat daarenboven stelselmatig zijn voorsprong op Wallonië heeft vergroot. Alles samen lag in 1999 het primaire inkomen per inwoner in Brussel naar raming bijna 8 % lager dan in Vlaanderen en nog ruim 8 % boven het Waalse. Anderzijds is ook de inkomensongelijkheid in Brussel groter dan in de andere gewesten. In 1997 bracht Brussel met 8,6 % van de Belgische werkende bevolking 9,1 % van de opbrengsten in de personenbelasting voort, maar telde het met een bevolkingsaandeel van 9,4 % tegelijk ook zowat 16 % van alle bestaansminimumtrekkers. De relatief grotere inkomensongelijkheid blijkt tevens uit de verdeling van de fiscale aangiften over de verschillende inkomensklassen: 9,4 % van de fiscale aangiften in Brussel in 1998 betrof een netto belastbaar inkomen lager dan BEF, tegenover 7,5 % in Vlaanderen en 8,4 % in Wallonië. Ook het aandeel van de hoge-inkomensklassen (> BEF) is er nog relatief hoog (6 %), maar Brussel is wel zijn traditionele koploperspositie op dit vlak aan Vlaanderen (6,1 %) kwijtgespeeld. Gegeven deze sociaal-economische verschillen ontstaan er in België transfers tussen de gewesten op drie niveaus: ten eerste, de sociale zekerheid, ten tweede, de begrotingsverrichtingen met betrekking tot beleidsdomeinen die een exclusieve bevoegdheid van de federale overheid zijn en, ten derde, het financieringsmechanisme van de gewesten en gemeenschappen. Ook de overheidsschuld en de interestlasten, die grotendeels op het federale niveau liggen, veroorzaken een impliciete herverdeling in de Belgische overheidsfinanciën, waarvan de regionale impact zeer belangrijk is maar moeilijk expliciet valt te kwantificeren (4). Daarom houden we er in de verdere analyse geen rekening mee (zie kader). Transfers in de sociale zekerheid Tabel II toont, vanuit de juste retour -benadering, dat er via de sociale zekerheid in 1999 een transfer van naar raming 110 miljard BEF vanuit Vlaanderen naar de andere gewesten liep. Dat is 6 miljard BEF meer dan in 1995, wat wel een veel matiger stijging is dan in In verhouding tot het Vlaamse primaire inkomen blijkt deze transfer de jongste jaren zelfs lichtjes af te nemen, tot nog zo n 2 % in De groei van de socialezekerheidsbijdragen bleef na 1995 in Vlaanderen hoger (+3,9 % per jaar) dan in Wallonië (+3,3 %) en Brussel (+3,7 %). Dit regionaal groeiverschil was wel merkelijk geringer dan in Dat de sociale zekerheid gaandeweg minder een bron van inkomenstransfers vanuit Vlaanderen naar de andere gewesten is, houdt echter vooral verband met de inhaalbeweging die Vlaanderen langs de kant van de socialezekerheidsuitkeringen aan het maken is. Ook de groei van de uitkeringen was tussen 1995 en 1999 immers het grootst in Vlaanderen (+3,2 % per jaar), gevolgd door Wallonië (+2,5 %) en Brussel (+1,8 %). Het Vlaamse aandeel in de totale uitgaven van de sociale zekerheid steeg aldus in de tweede helft van de jaren 90 met één procentpunt tot 57,6 % in 1999, d.i. nog slechts 0,4 procentpunt verwijderd van het Vlaamse aandeel in de Belgische bevolking. Alleen in de takken kinderbijslagen en werkloosheidsuitkeringen ging het Vlaamse aandeel na 1995 achteruit. In de twee grootste socialezekerheidstakken, de pensioenen en de ziekte en invaliditeit, daarentegen was er een sterke vooruitgang. Inzake de pensioenen sloten de regionale aandelen in 1999 al dicht aan bij de aandelen van elk gewest in de totale Belgische bevolking. Er vindt inzake de pensioenen m.a.w. een zekere convergentie tussen de gewesten plaats, 4

5 Overheidsschuld en interestlasten Aangezien de overheidsschuld een gevolg is van tekorten in het verleden, heeft een deelgebied met grotere tekorten in het verleden ook een groter deel van de totale schuld voortgebracht. Vanuit de juste retour -redenering dat wie relatief meer schuld veroorzaakt ook relatief meer de last daarvan moet dragen, kan men proberen om de rentelasten volgens het toerekeningsprincipe over de gewesten te verdelen in een verhouding die hun bijdrage tot de schuldopbouw sinds een bepaald jaar weerspiegelt. Uit berekeningen van eerder onderzoek bleek dat Wallonië ongeveer 60 % van de schuldgroei tussen 1975 en 1985 had veroorzaakt, Vlaanderen slechts 30 % en Brussel 10 % (a). De solidariteit die door de toerekening van de interestlasten volgens deze sleutel op Vlaanderen woog, werd becijferd op meer dan 140 miljard BEF in Een dergelijke regionale toewijzing van interestlasten is evenwel aanvechtbaar. De uitkomst ervan is zeer gevoelig voor de keuze van het startjaar en van de verdeelsleutel van de schuld in dat jaar. Bovendien moeten de rentelasten niet alleen door hogere belastingen worden gefinancierd, maar vormen zij tegelijk een primair vermogensinkomen van de schuldeisers van de overheid. Aangezien het grootste deel van de Belgische overheidsschuld in het binnenland wordt aangehouden, komt dat vermogensinkomen bij overwegend Belgische schuldeisers terecht. Om een volledig beeld te geven van de invloed van de overheidsschuld op de regionale inkomensverdeling, zou men dus ook moeten nagaan welk het effect van de overheidsschuld is geweest op de hoogte en verdeling van het primaire inkomen uit vermogen tussen de gewesten. Aangezien dit onbegonnen werk is, geven wij er de voorkeur aan om in onze transferberekening de interregionale effecten van de overheidsschuld buiten het beeld te houden. Dit illustreert meteen een algemene beperking van de berekening van de financiële transfers tussen gewesten: zij zegt niets over de mate waarin de federale overheid de primaire inkomensverdeling tussen de gewesten beïnvloedt, via onder meer haar budgettaire, monetaire en inkomenspolitiek. Zo wordt vaak geargumenteerd dat het beleid gericht op het herstel van de concurrentiekracht en op de sanering van de overheidsfinanciën sinds het begin van de jaren 80 gezien de grotere openheidsgraad van Vlaanderen, in vergelijking met de andere gewesten, relatief meer aan dat gewest is ten goede gekomen. Overigens kunnen de effecten van het regionale economische beleid ook doorsijpelen naar andere gewesten. (a) Zie P. Van Rompuy en V. Bilsen, Tien jaar financiële stromen tussen de Gewesten, Leuvense Economische standpunten nr. 45, die de regionale verschillen van het gemiddelde uitkeringsniveau in belangrijke mate heeft afgevlakt. Zoals al opgemerkt, is Vlaanderen inzake de veroudering van zijn bevolking zijn achterstand op de beide andere gewesten aan het inhalen. Het aantal gepensioneerde loontrekkers en zelfstandigen nam er tussen 1990 en 1997 met 1,5 % per jaar toe, tegenover 0,9 % in Wallonië, terwijl het in Brussel zelfs afnam met 0,6 % per jaar. In de uitgaven voor ziekte en invaliditeit (ZIV) ligt het Vlaamse aandeel al sinds 1995 hoger dan het aandeel van dat gewest in de landsbevolking. De gemiddelde ZIV-uitkering per inwoner lag in 1999 in Vlaanderen naar raming bijna 5 % boven het landsgemiddelde. Deze vaststelling moet wel worden genuanceerd aangezien zij enkel is gebaseerd op het aantal primaire uitkeringsgerechtigden in elk gewest, dat als sleutel voor de regionale toewijzing van de ZIV-uitgaven werd gehanteerd. Deze verdeelsleutel gaat voorbij aan belangrijke regionale verschillen in medische consumptie per uitkeringsgerechtigde die in het verleden werden vastgesteld. Verschillende indicatoren suggereren wel dat Vlaanderen de jongste jaren ook op dit vlak een inhaalbe- Nr. 10 /

6 Tabel II Transfers in de sociale zekerheid Vlaan- Wallonië Brussel Vlaan- Wallonië Brussel deren deren Bedragen (in miljarden BEF) Aandelen (in %) Aandeel in de socialezekerheidsontvangsten ,7 343,9 109,6 62,5 28,5 9, ,2 433,7 125,6 63,5 28,3 8, ,2 451,9 131,7 63,7 28,1 8,2 1999* 1 094,1 475,8 137,7 64,1 27,9 8,1 Aandeel in de socialezekerheidsuitgaven ,5 415,4 126,3 55,2 34,4 10, ,6 503,5 148,8 56,6 33,5 9, ,4 527,6 154,6 57,0 33,2 9,7 1999* 978,0 558,8 161,6 57,6 32,9 9,5 waarvan: 1. Pensioenen ,3 131,8 42,6 55,7 33,5 10, ,7 166,8 49,7 56,5 33,5 10, ,3 173,6 50,4 57,1 33,2 9,7 1999* 320,2 183,5 51,7 57,6 33,0 9,3 2. Ziekte en invaliditeit ,2 125,7 37,8 55,8 34,0 10, ,8 159,2 45,0 59,1 31,9 9, ,1 167,4 46,6 59,8 31,5 8,8 1999* 358,8 182,3 49,4 60,8 30,9 8,4 3. Kinderbijslagen ,0 36,7 11,1 56,4 33,5 10, ,5 44,0 13,3 56,5 33,4 10, ,1 45,4 13,9 56,2 33,6 10,2 1999* 78,2 46,7 14,3 56,2 33,5 10,3 4. Werkloosheid (inclusief brugpensioenen en loopbaanonderbreking) ,7 65,8 16,2 54,9 36,2 8, ,5 83,4 23,0 53,7 36,3 10, ,7 88,3 24,6 53,1 36,7 10,2 1999* 126,7 90,4 25,9 52,1 37,2 10,7 5. Arbeidsongevallen, beroepsziekten, bestaanszekerheid en gewaarborgd inkomen van bejaarden ,3 22,1 7,9 51,0 36,1 12, ,0 26,1 9,2 52,5 35,1 12, ,8 26,1 9,1 52,5 35,2 12,3 1999* 40,4 26,9 9,3 52,7 35,1 12,2 Bedragen (in miljarden BEF) In % van het primaire inkomen Financiële transfers ,2 71,6 16,7 2,3 3,7 2, ,2 78,5 25,7 2,2 3,3 3, ,2 80,8 24,4 2,0 3,2 3,1 1999* 110,2 85,6 24,7 2,0 3,2 3,0 * raming. weging tegenover de andere gewesten heeft ingezet. Zo waren er in 1997 in Wallonië en Brussel weliswaar nog altijd meer artsen per inwoners (3,6 respectievelijk 5,6) dan in Vlaanderen (3,1), maar de ontwikkeling sinds 1990 geeft aan dat de toename van die verhouding in Vlaanderen (+0,5) hoger was dan in Wallonië (+0,4) en Brussel (-0,4). Het sterftecijfer bleef in Vlaanderen tussen 1990 en 1998 nagenoeg stabiel op 9,6 overlijdens per inwoners, terwijl in Wallonië dat cijfer terugviel van 11,4 naar 11 en in Brussel van 11,9 naar 11. Dat illustreert opnieuw dat de Vlaamse bevolking nog altijd gemiddeld jonger is, maar ook sneller veroudert dan in de andere gewesten, wat op zijn beurt de ZIV-uitkeringen er relatief sterker doet toenemen. Opvallend is dat het aandeel van Vlaanderen in de kinderbijslagen sinds 1995 licht blijkt terug te lopen, na een voortdurende stabilisatie tussen 1985 en Het aantal geboortes per inwoners bleef in Vlaanderen de voorbije jaren stabiel, terwijl het in Wallonië en Brussel sinds 1996 opnieuw wat is toegenomen. Mede daardoor bleef de groei van het aantal rechthebbenden in de kinderbijslagsector in Vlaanderen beperkt tot 0,9 % in , tegenover 1,5 % in Wallonië en 2,8 % in Brussel. Anderzijds blijkt dat de kinderbijslag per rechthebbend kind in Vlaanderen 3 % onder en in Wallonië en Brussel respectievelijk 8 % en 3 % boven het landsgemiddelde ligt. Dat is zowel aan demografische als aan sociale verschillen toe te schrijven. Demografische factoren spelen vooral in Brussel, waar door het relatief grote aantal allochtone gezinnen de gemiddelde gezinsgrootte (1,94) hoger ligt dan in Vlaanderen en Wallonië (beide 1,77). In Brussel had 22 % van de kinderbijslagtrekkende gezinnen in 1997 drie of meer kinderen, tegenover 17,5 % in Wallonië en 16 % in Vlaanderen. Wallonië en Brussel hebben voorts, in vergelijking met Vlaanderen, onder 6

7 de kinderbijslagtrekkers een beduidend hoger aantal werklozen, invaliden, gepensioneerden en wezen, die een verhoogde uitkering genieten. In Brussel en Wallonië bedroeg het aandeel van die categorieën in het totale aantal bijslagtrekkers in 1997 respectievelijk 39,3 % en 34,8 %, tegenover 19,5 % in Vlaanderen. In Vlaanderen wordt dan ook voor slechts 12 % van de kinderen verhoogde kinderbijslag uitgekeerd, tegenover 23 % in Wallonië en 30 % in Brussel. De regionale ontwikkeling van de uitkeringen voor werkloosheid, brugpensioen en loopbaanonderbreking weerspiegelt ten slotte de nog altijd uiteenlopende arbeidsmarktprestaties van de gewesten. In Vlaanderen namen deze uitkeringen tussen 1995 en 1999 met gemiddeld slechts 0,6 % per jaar toe, tegenover 2,1 % in Wallonië en 3 % in Brussel. Het aantal uitkeringsgerechtigde werklozen daalde in Vlaanderen in diezelfde periode met 9,4 %, terwijl het in Wallonië stabiel bleef en in Brussel zelfs nog met 7,8 % toenam. Daartegenover stond wel dat in Vlaanderen het aantal bruggepensioneerden tussen 1995 en 1999 minder sterk afnam (-5,9 %) dan in Wallonië (-15,8 %) en Brussel (-23,6 %) en het aantal loopbaanonderbrekers er circa tweemaal zo fors opliep (+43,8 %) dan in Wallonië (+21,5 %) en Brussel (+25,9 %). In verhouding tot de totale beroepsbevolking zijn deze beide categorieën in Vlaanderen (5,1 %) trouwens beduidend omvangrijker dan in Wallonië (3,7 %) en Brussel (2,1 %). Transfers in de federale begroting Tabel III toont dat de transfer uit hoofde van de federale begrotingsverrichtingen vanuit Vlaanderen in absolute bedragen na 1995 sterker toenam dan tussen 1990 en Dit Tabel III Transfers in de federale overheidsbegroting en in de financiering van de regio s Vlaan- Wallonië Brussel Vlaan- Wallonië Brussel deren deren Bedragen (in miljarden BEF) Aandelen (in %) A. Federale overheidsbegroting Aandeel in de federale ontvangsten ,8 222,7 93,9 61,5 27,1 11, ,8 283,5 97,5 63,4 27,2 9, ,7 281,5 98,4 64,1 26,6 9,3 1999* 735,4 304,8 105,2 64,2 26,6 9,2 Aandeel in de federale uitgaven ,5 188,7 77,4 58,0 29,8 12, ,1 234,0 68,4 59,3 31,5 9, ,6 254,4 71,6 58,2 32,6 9,2 1999* 504,2 281,0 78,1 58,4 32,6 9,0 Bedragen (in miljarden BEF) In % van het primaire inkomen Financiële transfers ,2 17,2 5,1 0,6 0,9 0, ,6 31,8 1,1 0,6 1,3 0, ,2 47,1 0,9 0,9 1,9 0,1 1999* 50,0 51,3 1,3 0,9 1,9 0,2 B. Financiering van de regio s Bedragen (in miljarden BEF) In % van het primaire inkomen Financiële transfers ,6 35,9 2,3 0,9 1,8 0, ,6 41,6 1,0 0,9 1,7 0, ,6 40,1 1,5 0,8 1,6 0,2 1999* 38,9 36,4 2,5 0,7 1,4 0,3 waarvan: 1. Transfers m.b.t. de overgedragen personenbelasting ,0 18,1 0,1 0,5 0,9 0, ,6 21,5 0,0 0,4 0,9 0, ,0 19,7 0,8 0,4 0,8 0,1 1999* 16,1 16,2 0,1 0,3 0,6 0,0 2. Transfers m.b.t. de overgedragen BTW ,7 17,8 2,2 0,4 0,9 0, ,0 20,1 0,9 0,4 0,8 0, ,7 20,4 2,3 0,4 0,8 0,3 1999* 22,8 20,2 2,6 0,4 0,8 0,3 * raming. verloop weerspiegelt hoofdzakelijk het relatieve aandeel van de regio s in de werkgelegenheid van de federale overheid, dat wij als verdeelsleutel voor de loonlasten van die overheid hebben gebruikt. In 1999 maakten de Nr. 10 /

8 Naast deze solidariteitstussenkomst kan ook de verdeling van de BTW-overdracht tussen de gemeenschappen ter financiering van het onderwijs nog een financiële transfer tussen de gewesten met zich meebrengen. Van 1989 tot 1998 gebeurde deze overdracht volgens vaste percentages: 57,55 % voor de Vlaamse Gemeenschap en 42,45 % voor de Franse. De Financieringswet van 1989 stelde dat vanaf het begrotingsjaar 1999 de verdeling moest gebeuren volgens het reëel aantal leerlonen, pensioenen en sociale lasten 34,3 % van de totale federale overheidsuitgaven uit. Naar raming 36,6 % hiervan, d.i. 4 procentpunten meer dan het Waalse aandeel in de totale bevolking, kwam in Wallonië terecht. Dit percentage is de voorbije jaren bovendien voortdurend toegenomen. Meer dan met de regionale verdeling van de federale uitgaven, houdt de transfer echter vooral verband met de hogere fiscale capaciteit van Vlaanderen in vergelijking met de andere gewesten. Het Vlaams Gewest droeg in 1999 per inwoner 9,1 % meer bij tot de federale overheidsontvangsten dan het landsgemiddelde. Wallonië daarentegen droeg per inwoner in de periode ieder jaar 14 à 15 % minder dan het landsgemiddelde bij. Opmerkelijk is ook de terugval van Brussel in de jaren 90, al was die na 1995 beduidend geringer dan in de jaren daarvoor. In 1990 droeg Brussel per inwoner nog 15,1 % meer dan het landsgemiddelde bij tot de federale overheidsontvangsten. In 1995 beliep die bijdrage evenveel als het gemiddelde en in 1999 was dat 3,2 % minder. Transfers in de financiering van de regio s De financiering van de gemeenschappen en gewesten gebeurt door een overdracht van de federale personenbelasting en van de BTW volgens de principes vastgelegd in de Financieringswet van Na een overgangsperiode kreeg deze wet haar definitief beslag in Sinds dat jaar wordt de overdracht van de personenbelasting aan de gewesten volledig gekoppeld aan de nominale groei van het bruto binnenlands product en gebeurt de verdeling van die overdracht tussen de gewesten volgens de effectieve plaats van heffing van de belasting. Dit wil zeggen dat elk deelgebied middelen ontvangt in verhouding tot wat de inwoners van dat gebied betalen aan belastingen. De verdeelsleutel van de personenbelasting tussen de gewesten is vanaf 2000 dus zelf gebaseerd op de juste retour, zodat interregionale transfers uit hoofde van die verdeling normaal niet meer kunnen voorkomen. Deze overgang naar de juste retour verliep sinds 1989 geleidelijk. Hij werd wel versneld door het Sint-Michielsakkoord van Daardoor is de financiële transfer m.b.t. de overgedragen personenbelasting vanuit Vlaanderen sinds 1996 jaarlijks met 1 à 1,5 miljard BEF gedaald, tot naar raming nog zowat 16 miljard BEF in 1999 (zie tabel III) (5). Vanaf 2000 valt deze transfer weg, maar kan nog een overdracht tussen de gewesten plaatsvinden als gevolg van de nationale solidariteitstussenkomst. De Financieringswet van 1989 voorziet immers in een expliciete transfer naar het gewest waar de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner lager ligt dan het landsgemiddelde. In 1998 bedroeg die opbrengst in de armere gewesten Brussel en Wallonië respectievelijk 97,6 % en 88,6 % van het landsgemiddelde, tegenover 106,7 % in Vlaanderen. Voor het jaar 2000 voorziet de begroting in een solidariteitstussenkomst van de federale overheid van 24,8 miljard BEF, waarvan 23 miljard BEF voor Wallonië en 1,8 miljard BEF voor Brussel. 8

9 lingen, geteld volgens objectieve, wettelijk vastgelegde criteria. Doordat geen overeenstemming over een dergelijke objectieve verdeelsleutel kon worden bereikt, bleef de oorspronkelijke verdeling in 1999 nog gehandhaafd. Als we er eenvoudigheidshalve van uitgaan dat 80 % van de Brusselse bevolking tot de Franse en 20 % tot de Vlaamse Gemeenschap behoort, komt dit neer op een verdeling van de BTW ten belope van 56,5 % voor Vlaanderen, 39,3 % voor Wallonië en 4,2 % voor Brussel. Wanneer we voorts veronderstellen dat elk gewest evenveel tot de BTWontvangsten als tot de personenbelasting bijdraagt, houdt dit een inkomenstransfer in van bijna 23 miljard BEF van Vlaanderen naar de andere gewesten, waarvan 20 miljard BEF voor Wallonië en bijna 3 miljard BEF voor Brussel. en uit de verdeling van de federale middelenoverdracht tussen de gemeenschappen en gewesten. Alles samen bereikte de totale financiële transfer uit het Vlaamse Gewest in 1999 een orde van grootte van bijna 200 miljard BEF, d.i. circa 22 miljard BEF meer dan in Tussen 1990 en 1995 bedroeg die toename nog 33 miljard BEF. In procent van het Vlaamse primaire inkomen blijkt de transfer over zijn hoogtepunt van 3,8 % in 1997 heen. Tabel IV illustreert ook dat gedurende een groot deel van de jaren 90 een zogenaamde inkomensparadox met betrekking tot het Brusselse Gewest bestond. Deze inkomensparadox betekent dat een gewest met een lager primair inkomen per inwoner na verrekening van de transfers een hoger beschikbaar inkomen per inwoner heeft dan de andere Eind 1999 legde de huidige regering in het Sint-Elooisakkoord vast dat de BTW-overdracht van de federale overheid vanaf 2000 zal worden verdeeld op basis van het aantal leerlingen van 6 tot en met 17 jaar. Door de toepassing van dit leerlingencriterium zal de Vlaamse Gemeenschap 57,06 % en de Franse 42,94 % van de federale BTW-middelen ontvangen. Gegeven de begrotingscijfers voor 2000 zal deze sleutel, in vergelijking met de oude, de interregionale transfer dit jaar met 1,8 miljard BEF doen toenemen, waarvan 1,5 miljard BEF naar Wallonië en 0,3 miljard BEF naar Brussel. Totale financiële transfers In tabel IV wordt de som gemaakt van alle transfers die, steeds gegeven de gehanteerde definitie van de juste retour, tussen de gewesten voortvloeien uit de sociale zekerheid, uit de verrichtingen van de federale overheid Tabel IV Totale transfers en gewestelijke primaire en beschikbare inkomens per capita * Vlaanderen Transfer in miljarden BEF 144,1 177,4 193,1 199,1 Transfer in % van het primaire inkomen 3,7 3,7 3,8 3,6 Primair inkomen per capita (België = 100) 102,7 104,4 104,7 105,9 Beschikbaar inkomen per capita (België = 100) (1) 99,0 100,7 100,9 102,3 Wallonië Transfer in miljarden BEF 124,6 151,9 168,1 173,2 Transfer in % van het primaire inkomen 6,4 6,3 6,6 6,6 Primair inkomen per capita (België = 100) 92,6 92,0 91,7 90,2 Beschikbaar inkomen per capita (België = 100) (1) 99,0 98,3 98,3 96,8 Brussel Transfer in miljarden BEF 19,5 25,5 25,0 25,9 Transfer in % van het primaire inkomen 2,8 3,4 3,2 3,2 Primair inkomen per capita (België = 100) 108,9 100,7 99,6 97,7 Beschikbaar inkomen per capita (België = 100) (1) 111,7 104,1 102,8 100,9 (1) Primair inkomen per capita na transfers tussen de gewesten. * raming. Nr. 10 /

10 gewesten. Onze raming voor 1999 suggereert echter dat deze paradox vanaf 1999 verdwenen is en dat Brussel sindsdien per inwoner zowel een lager primair als een lager beschikbaar inkomen heeft dan het Vlaamse Gewest. In 1999 sproot 55,4 % van de totale interregionale transfer naar de andere gewesten voort uit de sociale zekerheid, 25,1 % uit de begrotingsverrichtingen van de federale overheid en 19,5 % uit het financieringsmechanisme van de gemeenschappen en gewesten. De sociale zekerheid blijft daarmee duidelijk de voornaamste verwekker van financiële transfers tussen de Belgische gewesten. Dat is logisch aangezien de werkgelegenheidsgraad en dus ook de bijdragecapaciteit van de gewesten tot de sociale zekerheid nog steeds sterk regionaal uiteenlopen. Wel blijkt de stroom uit de sociale zekerheid in verhouding tot het Vlaamse primaire inkomen de voorbije jaren geleidelijk wat af te nemen. Dat weerspiegelt de Vlaamse inhaalbeweging aan de kant van de sociale uitkeringen, vooral dan in de takken van de pensioenen en de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. Exclusief de werkloosheidsuitkeringen was in 1990 nog 20,5 miljard BEF of zowat een kwart van de totale Vlaamse transfer uit de sociale zekerheid te wijten aan gemiddeld lagere uitkeringen per hoofd van de bevolking in Vlaanderen. In 1995 was dat gedaald tot 6,7 miljard BEF, of 6,4 % van de totale transfer, en sinds 1998 ligt de gemiddelde socialezekerheidsuitkering per hoofd, exclusief de werkloosheidsuitkeringen, in Vlaanderen zelfs boven die in de andere gewesten. Toekomstperspectief Zoals al opgemerkt, houdt de Vlaamse inhaalbeweging langs de kant van de sociale uitkeringen verband met de snellere bevolkingsveroudering in Vlaanderen ten opzichte van de Tabel V Toekomstperspectief ( ) Regionale aandelen in het landstotaal (in %) Financiële transfers (in miljarden BEF, constante prijzen) Totale 65-plussers Minder-dan- Bevolking op Simulatie I: Simulatie II: bevolking 20-jarigen actieve leeftijd werkende bevolking regionale nivellering (15 tot 64-jarigen) ongewijzigd werkgelegenheidsgraden Vlaanderen ,0 57,8 56,8 58,6 199,1 199, ,3 60,5 56,5 58,1 172,4 92, ,1 60,6 56,2 57,8 180,9 53, ,8 60,9 55,9 57,1 210,2 21,7 Wallonië ,6 32,8 34,3 32,1 173,2 173, ,9 31,3 34,4 32,9 164,1 89, ,1 32,1 34,6 33,1 176,5 70, ,5 32,3 34,9 33,6 203,0 58,2 Brussel ,4 9,4 8,9 9,3 25,9 25, ,9 8,2 9,1 8,9 8,3 2, ,8 7,3 9,2 9,1 4,4 16, ,8 6,8 9,2 9,4 7,2 36,5 Bron: NIS bevolkingsvooruitzichten en eigen berekeningen. 10

11 andere gewesten. Deze tendens zal zich blijkens de jongste bevolkingsvooruitzichten van het NIS in het eerstkomende decennium nog versterken. Een uiteenlopende demografische ontwikkeling tussen de gewesten kan de transfers niet alleen via de sociale uitkeringen, maar ook via de impact op de fiscale bijdragecapaciteit van elk gewest beïnvloeden. Deze capaciteit hangt finaal af van het primaire inkomen per capita, dat zoals in onderstaand schema kan worden ontleed. De snellere veroudering zal de afhankelijkheidsgraad in Vlaanderen doen toenemen van 33,6 % in 1999 tot 40 % in 2030, tegenover een geringere toename van 35,3 % tot 39,2 % in Wallonië en van 34,9 % tot 35,2 % in Brussel. Een dergelijke toename van de afhankelijkheidsgraad verlaagt het primaire inkomen per capita, en dus de fiscale bijdragecapaciteit, tenzij dit wordt opgevangen door een verhoging van de werkgelegenheidsgraad. Simulatie I berekent wat het effect op de transfers tussen de gewesten tot 2030 zou zijn in de veronderstelling dat de productiviteit en de werkende beroepsbevolking in elk gewest gelijk blijven op het niveau van 1999 (zie tabel V). Hierbij gaan we ervan uit dat de pensioenen en kinderbijslagen de regionale verdeling van het aantal 65-plussers respectievelijk 0-20-jarigen in volgen. Voor de tak ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, enz. houden we de uitgaven per inwoner in elk gewest ongewijzigd op het peil van Zoals blijkt, wordt in deze simulatie de transfer van Vlaanderen naar de andere gewesten slechts tijdelijk getemperd en begint hij na 2010 opnieuw op te lopen. Dat komt doordat in deze simulatie de werkgelegenheidsgraad in Vlaanderen als gevolg van de krimpende bevolking op actieve leeftijd toeneemt van 59,8 % in 1998 tot 65,9 % in 2030, terwijl hij maar stijgt van 54,4 % tot 55,6 % in Wallonië en van 53 % tot 56,1 % in Brussel. M.a.w. zonder een aangroei van de werkgelegenheid in de ontvangende gewesten is van een inkrimping van de transfers in de komende decennia geen sprake, en dit ondanks de relatief meer uitgesproken veroudering in het donorgewest. In simulatie II daarentegen wordt verondersteld dat Brussel en Wallonië erin slagen tussen 2000 en 2030 een inhaalbeweging te maken tegenover Vlaanderen inzake werkgelegenheidsgraad. Concreet betekent dit dat de werkende beroepsbevolking in Wallonië en Brussel in die periode met respectievelijk circa en eenheden zou toenemen, terwijl zij in Vlaanderen constant zou blijven. Wanneer we er voorts van uitgaan dat de productiviteit zich in elk gewest gelijk ontwikkelt, impliceert dit dat het BRP in Brussel en Wallonië tot 2030 gemiddeld ongeveer 0,5 % per jaar sneller zou groeien dan in Vlaanderen. Tabel V toont aan dat onder die voorwaarden de interregionale transfers wel duurzaam zouden worden afgebouwd. Die voorwaarden veronderstellen wel een drastische ommekeer van de tendens van de voorbije drie decennia. Sinds 1970 nam de werkende beroepsbevolking in Vlaanderen met ruim eenheden toe, terwijl zij in Wallonië en Brussel met respectievelijk bijna en eenheden terugviel. Vanzelfsprekend zijn deze simulaties niet meer dan een eenvoudige rekenoefening, net zoals trouwens ook de berekening van de transfer tot 1999 dat zelf is. De verdeelsleutels primair primair werkende bevolking op inkomen inkomen bevolking actieve leeftijd = x x bevolking werkende bevolking op bevolking bevolking actieve leeftijd = productiviteit x werkgelegenheidsgraad x (1 afhankelijkheidsgraad) Nr. 10 /

12 die wij hebben gebruikt om de overheidsontvangsten en -uitgaven over de gewesten te verdelen, zijn immers vatbaar voor discussie. Andere sleutels zijn denkbaar, maar zouden allicht weinig veranderen aan het fundamentele beeld dat uit de berekening te voorschijn komt, noch aan de conclusie dat een duurzame ombuiging van de transfers niet mogelijk is zonder een langdurige periode van hogere economische groei en een drastische vermindering van de structurele werkloosheid in Wallonië en Brussel. (1) Deze sleutels zijn vatbaar voor verfijning door diepgaander micro-economisch onderzoek in de verschillende domeinen. De foutenmarge van onze berekeningen is allicht groter naarmate het gewest in kwestie kleiner is, zodat de resultaten voor Brussel nog voorzichtiger moeten worden geïnterpreteerd dan die voor de andere gewesten. Voor 1998 en vooral 1999 is bovendien niet alle cijfermateriaal over de gebruikte verdeelsleutels volledig beschikbaar, zodat de regionaal toegewezen bedragen in de tabellen voor die jaren deels ramingen betreffen. (2) Zie E. De Boeck en J. Van Gompel, Financiële stromen tussen de Belgische gewesten opnieuw bekeken, in C. Vanderveeren en J. Vuchelen (eds.), Een Vlaamse fiscaliteit binnen een economische en monetaire unie, Als gevolg van het herzien van cijfermateriaal in de geraadpleegde bronnen en een aantal verfijningen van de analyse, wijken de cijfers voor in de actualisering (veelal licht) af van die in voormelde studie. (3) Zie Regionale groeiverschillen in België, in Economisch Financiële Berichten KBC, 24 september (4) In 1999 droeg de federale overheid circa 90 % van de totale overheidsschuld en waren de rentelasten nog goed voor bijna een kwart van haar totale finale uitgaven. De bijdrage van de gemeenschappen en de gewesten tot deze lasten werd door de Financieringswet van 1989 via een ingewikkelde annuïteitenregeling beperkt tot een jaarlijkse korting van ongeveer 2 % op de overgedragen personenbelasting. (5) Teneinde de aan de Vlaamse en Franse Gemeenschap overgedragen midddelen over de drie gewesten te verdelen, zijn wij uitgegaan van een sleutel die deze middelen verdeelt overeenkomstig het aandeel van de Brusselse bevolking in de totale bevolking van elke gemeenschap, waarbij 20 % van de Brusselaars tot de Vlaamse en 80 % tot de Franse Gemeenschap werd gerekend. Sociale zekerheid Verdeelsleutels De werkgevers- en werknemersbijdragen tot de sociale zekerheid werden over de gewesten verdeeld overeenkomstig de regionale loonsom volgens het woonplaatscriterium. De verdeling van de bijdragen van de zelfstandigen gebeurde op basis van het regionale aantal verzekeringsplichtige zelfstandigen per sector, gewogen met het aandeel van die sector in de totale toegevoegde waarde. De federale overheidssubsidie aan de sociale zekerheid werd conform het principe van de fiscale draagkracht toegewezen volgens het aandeel van elk gewest in de personenbelasting. De uitkeringen van de verschillende socialezekerheidstakken werden regionaal verdeeld hetzij op basis van de effectieve uitkeringen (pensioenen, kinderbijslagen en werkloosheid), hetzij op grond van de regionale verdeling van het aantal uitkeringsgerechtigden of, bij gebrek aan cijfers hierover, van het aantal ingeschatte betrokkenen (ziekte en invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, bestaanszekerheid en gewaarborgd inkomen van bejaarden). Naast de uitkeringen bestaan de lopende uitgaven van de sociale zekerheid ook uit administratiekosten (lonen en salarissen van de ambtenaren van de sociale zekerheid, exploitatiekosten,...) en leningslasten. De eerste post werd, bij gebrek aan een meer zinvolle sleutel, verdeeld volgens het BRP. De tweede werd aan de regio s toegewezen volgens het toerekeningsbeginsel, waarbij enkel deficitaire regio s de schuldenlast op zich nemen volgens hun aandeel in het tekort van de sociale zekerheid. Ten slotte werden nog enkele beperkte restuitgaven verdeeld 12

13 volgens de regionale verdeling van de prestaties van de sociale zekerheid. Verrichtingen van de federale overheid De directe belastingen vormen veruit de belangrijkste component van de federale ontvangsten. Zij werden eerst uitgesplitst over de gezinnen en de vennootschappen volgens de relatieve grootte van beide. Voor de toewijzing ervan aan de regio s werd de gewestelijke verdeling van de opbrengsten in de personenbelasting en van het aantal werkgevers (dat we hanteren als benadering voor het aantal vennootschappen) als verdeelsleutels gebruikt. De regionale belastinginkomsten met betrekking tot het verkeer (verkeersbelasting, belasting op de inverkeerstelling, Eurovignet en accijnscompenserende belasting) werden berekend aan de hand van gegevens over het motorvoertuigenpark in ieder gewest. De accijnzen op voedings- en genotsmiddelen werden verdeeld volgens de regionale spreiding van de voortgebrachte productie van de desbetreffende bedrijfstak, de bijdrage op energie volgens het regionaal verbruik. Als verdeelsleutel voor de overige accijnzen en heffingen en voor de BTW-ontvangsten werd het BRP na correctie voor pendelbewegingen en voor de registratierechten de regionale spreiding van de verkoopsom bij de openbare verkoop van onroerende goederen gebruikt. De niet-fiscale ontvangsten ten slotte werden toegewezen in verhouding tot het aandeel van elk gewest in de totale bevolking. Aan de uitgavenkant werden de lonen, pensioenen en sociale lasten van de federale overheid aan de gewesten toegewezen in verhouding tot de gewestelijke aandelen in het federale overheidspersoneel. De federale ambtenaren werden naar woonplaats verdeeld door de regionale RSZ-statistieken over de werkgelegenheid in de overheidssector te corrigeren voor pendelbewegingen en voor de werkgelegenheid bij de regionale en lagere overheden (inclusief onderwijs). De pendelcorrectie, die gebaseerd is op pendelgegevens over de totale werkende bevolking, onderschat wellicht de nettopendel van Vlaamse en Waalse federale ambtenaren naar Brussel, aangezien de hoofdstedelijke functie inzake werkgelegenheid bij de federale overheid belangrijker is dan die inzake werkgelegenheid in de privé-sector. De uitgaven voor de aankoop, het onderhoud en het herstel van goederen en diensten werden regionaal toegewezen volgens het BRP na pendelcorrectie. De inkomensoverdrachten aan de bedrijven werden regionaal verdeeld op basis van het aantal werkgevers, die aan de gezinnen op basis van het gewestelijk bevolkingsaandeel en die aan het buitenland op basis van het BRP na pendelcorrectie. De overdrachten binnen de overheidssector werden verdeeld volgens het gewestelijk bevolkingsaandeel (wat de lagere overheden betreft) en het gewestelijk aandeel in de schoolbevolking van het vrij onderwijs (vrij onderwijs). De kapitaalverrichtingen van de federale overheid zijn moeilijk regionaal toe te wijzen aangezien de baten van kapitaalgoederen (nationale luchthaven, autowegen- en spoorwegnet,...) meestal gewestoverschrijdend zijn. Een verdeling volgens het lokalisatieprincipe het gewest waar de overheid het kapitaalgoed financiert, ontvangt ook de baten ervan schiet bijgevolg tekort. We hebben gekozen voor een regionale toewijzing op basis van het BRP na pendelcorrectie, wat oversijpelingseffecten in rekening brengt. Zo hebben Vlamingen en Walen die voor hun werk naar Brussel pendelen, baat bij de aldaar aanwezige infrastructuur (ringweg rond Brussel, metro,...). Nr. 10 /

14 Een wereldwijde heffing op valutatransacties Geen goed idee De discussie over de wenselijkheid van een wereldwijde heffing op valutatransacties is de jongste maanden opnieuw opgelaaid. In het Belgische Parlement werden zelfs een aantal voorstellen geopperd om een dergelijke heffing op de internationale agenda te plaatsen. De verschillende varianten die daarbij naar voren worden geschoven dreigen de wereldeconomie echter meer kwaad dan goed te doen en het is hoe dan ook twijfel- achtig of zij wisselkoerscrisissen zouden kunnen verhinderen. In sommige landen kan het soms wel nuttig zijn de inwaartse kapitaalstromen af te remmen. De beste garantie om wisselkoersturbulenties te vermijden, is echter nog altijd een deugdelijk macro-economisch beleid. Volgens gegevens van het driejaarlijks onderzoek van de Bank voor Internationale Betalingen bedroeg de omzet op de internationale valutamarkten in april 1998 gemiddeld miljard dollar per dag, d.i. ongeveer zes keer het Belgische BBP. Uit tabel I blijkt tevens dat de activiteit op de wisselmarkten in het afgelopen decennium fel is toegenomen. Dit weerspiegelt de tendens tot liberalisering van de handels- en financiële stromen in de meeste landen sinds het begin van de jaren 80. Die liberalisering heeft ongetwijfeld belangrijke voordelen opgeleverd. Wereldwijd werden spaaroverschotten gekanaliseerd naar hun meest rendabele aanwending. Concreet betekende dit enerzijds dat spaarders uit landen waar kapitaal relatief overvloedig aanwezig is en de rentevoeten in de veronderstelling van autarchie (d.i. zonder internationale Tabel I De mondiale wisselmarkt in cijfers April April April April Gemiddelde dagelijkse omzet in mld. USD In % van het wereld-bbp 2,9 3,4 4,1 5,0 Gemiddelde jaarlijkse groei in % 11,6 13,2 7,8 Bron: BIB. kapitaalmobiliteit) dus relatief laag zouden liggen, een hoger rendement behaalden door in het buitenland te beleggen. Anderzijds konden investeerders uit landen waar kapitaal relatief schaars is en de rentevoeten bij autarchie dus relatief hoog zouden liggen, zich in het buitenland goedkoper financieren. Toch hebben de toenemende internationale kapitaalstromen niet altijd en in alle omstandigheden een heilzaam effect gehad. De meest recente illustratie is de crisis in de Zuidoost-Aziatische regio. Een snelle instroom van buitenlands kortetermijnkapitaal in werd er gevolgd door een nog snellere kapitaalvlucht in , met een zware recessie als gevolg. Hoewel de volatiliteit van het internationale kapitaalverkeer zeker niet de enige oorzaak was van deze crisis, droeg zij toch bij tot de verdieping ervan (1). Tegen die achtergrond deed het idee om de bewegingsvrijheid van het internationale kortetermijnkapitaal in te perken de voorbije twee jaar opnieuw opgeld. Daarbij wordt vaak gepleit voor de invoering van een wereldwijde heffing op valutatransacties. Uit tabel II blijkt dat zo n heffing op het nominale bedrag van elke wisselverrichting vooral een invloed uitoefent op buitenlandse beleggingen met een korte looptijd. Een belegging met een looptijd van drie maanden door een Europese inge- 14

15 zetene in de VS zou bij een transactieheffing van 1 % enkel nog iets opleveren wanneer de Amerikaanse driemaandsrente meer dan 8,8 procentpunten hoger ligt dan de Europese. Bij een belegging op één jaar bedraagt het vereiste renteverschil nog altijd 2,1 procentpunten, maar bij een belegging op tien jaar slinkt het tot 0,2 procentpunt. Bij de huidige Amerikaanse renteniveaus zou een transactieheffing van 1 % ervoor zorgen dat Europese beleggingen in de VS zinloos zijn als de beleggingshorizon korter is dan of gelijk aan één jaar (zie tabel II). Bij een veel kleinere transactieheffing van 0,1 % wordt het rendement van dergelijke beleggingen uitgevlakt als de looptijd korter is dan of gelijk aan één maand. De pleitbezorgers van een heffing op valutatransacties stellen dat de wereldwijde invoering ervan de ontwikkelingslanden minder afhankelijk zal maken van de grillen van het internationale kapitaalverkeer en dat de politieke en monetaire autoriteiten van die landen er een grotere beleidsautonomie zullen door verwerven. Bovendien kan een wereldwijde heffing belangrijke opbrengsten genereren die dan voor ontwikkelingsprojecten kunnen worden aangewend. Een transactieheffing van 1 % zou, statisch beschouwd, 15 miljard USD per dag of miljard USD per jaar opleveren, d.i. 60 maal meer dan het jaarlijks door de OESO-landen toegekende bedrag aan officiële ontwikkelingshulp (57,6 mld. USD in 1998). Van Tobin tot Spahn Een van de eerste pleitbezorgers van een heffing op valutatransacties was James Tobin (2), die later Nobelprijswinnaar zou worden. In 1978 al stelde hij voor om een wereldwijde, uniforme belasting van 1 % op het nominale bedrag van elke valutatransactie te heffen. Tobin had met die heffing een afremming van het internationale kortetermijnkapitaalverkeer voor ogen, aangezien dit laatste volgens hem Tabel II Vereist renteverschil om transactieheffing te compenseren bij belegging op drie maanden, één jaar en tien jaar Veronderstelling: ingezetene van de EMU-zone wil 100 EUR beleggen, 1 EUR = 1 USD, transactieheffing van 1 % Transacties waarop een heffing van kracht is, worden aangeduid met een Beleggen Beleggen in de Vereist in de VS en terug rente- EMU- omzetten verschil zone in EUR om in EUR in EUR in USD heffing te compenseren Beleggen op drie maanden Startbedrag Huidige 3-maands EUR-rente 4,61 % Vereiste 3-maands USD-rente 13,37 % 8,76 % Eindbedrag na 3 maanden 101,1 101,1 102,2 Beleggen op één jaar Startbedrag Huidige EUR-rente op 1 jaar 5,12 % Vereiste USD-rente op 1 jaar 7,25 % 2,13 % Eindbedrag na 1 jaar 105,1 105,1 106,2 Beleggen op tien jaar Startbedrag Huidige 10-jaars EUR-rente 5,18 % Vereiste 10-jaars USD-rente 5,39 % 0,21 % Eindbedrag na 10 jaar 165,7 165,7 167,4 meer kwaad dan goed deed. Hij was er immers van overtuigd dat wisselkoersbewegingen niet worden aangedreven door fundamentele economische ontwikkelingen, maar door het kuddegedrag van internationale valutahandelaren. Wisselkoersen die op de internationale valutamarkten tot stand komen, zouden bijgevolg niet tot een internationaal efficiënte allocatie van kapitaal leiden en vrij internationaal kapitaalverkeer zou dan ook nauwelijks voordelen bieden. Het zou integendeel beletten dat nationale overheden een monetair en budgettair beleid voeren dat aangepast is aan de noden van de eigen economie. Bij vrij internationaal kapitaalverkeer kan een overheid immers niet tegelijkertijd haar munt vastkoppelen aan een ankermunt én autonoom het rentebeleid bepalen. In de economische literatuur staat dit bekend als de monetaire conflict- Nr. 10 /

16 driehoek. In een land met vrij internationaal kapitaalverkeer waarvan de munt gekoppeld is aan een bepaalde ankermunt, is het bijvoorbeeld onmogelijk de rentevoeten terug te brengen tot onder het peil van het ankerland. Dit zou immers leiden tot een uitstroom van kapitaal naar het ankerland en de wisselkoerskoppeling onder druk zetten. Tobins oorspronkelijk voorstel had alvast een evidente zwakte, namelijk de uniformiteit van het toe te passen tarief. Een uniforme heffing van bijvoorbeeld 1 % doet immers enerzijds een heleboel niet-speculatieve kapitaalstromen opdrogen (zie tabel II), terwijl zij anderzijds het optreden van wisselkoerscrisissen niet kan verhinderen. In de dagen en weken voorafgaand aan een wisselkoerscrisis ontstaan immers devaluatieverwachtingen die op korte termijn vele malen groter zijn dan een transactiebelasting van 0,1, 0,5 of zelfs 1 %. Zo bedroegen de in één week geaccumuleerde negatieve rendementen tijdens de Aziatische wisselkoerscrisis 13,4 % voor de Maleisische ringgit, 14,6 % voor de Thaise bath, 28,1 % voor de Koreaanse won en liefst 42,4 % voor de Indonesische ruppiah. Een Tobin-heffing kan het optreden van dergelijke wisselkoerscrisissen niet verhinderen. In het beste geval zou zij enkel het uitbreken ervan met enkele maanden vertragen. Een meer verfijnde versie van de Tobinheffing werd uitgewerkt door Spahn (3). Hij stelde een tweeledige structuur voor met een zeer laag belastingtarief (0,02 %) op wisselkoerstransacties binnen een bepaalde koersband en een prohibitief hoog tarief op wisselkoerstransacties buiten die band. De koersband zou worden gevormd door een bepaald schommelingspercentage onder en boven een voortschrijdend gemiddelde van de wisselkoers. Hoe korter de gekozen termijn voor de meting van dit gemiddelde, hoe groter uiteraard de volatiliteit van het centrale wisselkoersniveau in de band. Spahn stelde dat die termijn voldoende kort moest zijn (niet meer dan drie maanden) om te vermijden dat noodzakelijke wisselkoersaanpassingen nodeloos lang in de tijd worden uitgesmeerd. Volgens Spahn biedt dit systeem het voordeel dat het internationale kapitaalverkeer er in normale omstandigheden niet door wordt gehinderd, terwijl het in crisissituaties wel een ontradend effect heeft op excessieve wisselkoersbewegingen. Omdat geleidelijke wisselkoersaanpassingen mogelijk blijven door een verschuiving van het voortschrijdend gemiddelde en er een prohibitieve belasting rust op excessieve wisselkoersschommelingen, is er in dit systeem in principe minder kans op een plotse, hevige crisis. Bovendien wordt wisselkoersstabiliteit tot stand gebracht met behulp van een fiscaal systeem dat inkomsten genereert, in plaats van door interventies van centrale banken die interen op een eindige deviezenvoorraad. Hierdoor heeft dit systeem in principe een grotere overlevingskans. De Spahn-heffing vangt op het eerste gezicht het probleem van de uniformiteit op dat het originele Tobin-voorstel met zich meebracht. Tegelijk creëert zij echter een nieuw probleem. De complexiteit van de valutamarkt zou immers enorm toenemen. Dagelijks zou een nieuw voortschrijdend gemiddelde, een nieuwe bovengrens en een nieuwe ondergrens moeten worden berekend voor enkele duizenden bilaterale wisselkoersen. Er zouden procedures moeten worden uitgewerkt om te controleren of transacties buiten de vork hebben plaatsgevonden, zodat de prohibitieve belasting, waar nodig, kan worden geheven. Daarnaast moeten er systemen worden uitgedacht om de heffing wereldwijd te doen toepassen en te controleren, want er bestaan evidente ontwijkingsmogelijkheden. Veronderstel bijvoorbeeld dat alle bilaterale wisselkoersen maximaal 5 % mogen afwijken van hun spilkoers en dat voor de omzetting van Braziliaanse real (BRL) in Amerikaanse dollar (USD) op de 16

17 valutamarkt enkel een tegenpartij te vinden is bij een wisselkoers die 6 % lager dan de spilkoers ligt. Om de Spahn-heffing te omzeilen, kan men in dat geval een munt zoeken die op die dag bijvoorbeeld al 3 % is gedeprecieerd tegenover de USD (bijvoorbeeld de EUR) en bijgevolg slechts 3 % is geapprecieerd tegenover de BRL. De Braziliaanse reals kunnen dan worden omgewisseld in EUR zonder de Spahn-heffing te betalen, waarna de ontvangen EUR in USD kunnen worden omgezet tegen de marktkoers die 3 % onder de spilkoers EUR/USD ligt, opnieuw zonder dat de Spahnheffing verschuldigd is. Toch is het eindresultaat dat de BRL is omgezet in USD tegen een koers die 6 % lager ligt dan de bilaterale spilkoers BRL/USD. Om dit soort ontwijkingspraktijken te vermijden, vereist een Spahn-heffing een dermate complex instrumentarium van regelgeving en controle dat de administratiekosten zowel voor de overheid als voor de privésector enorm hoog dreigen op te lopen. Bovenop deze praktische problemen zouden zowel een Spahn- als een Tobin-heffing ook nog gemoduleerd moeten worden naar de verschillende soorten afgeleide producten die in de internationale valutahandel worden gebruikt. Met behulp van die afgeleide producten kunnen immers makkelijk posities worden gecreëerd die equivalent zijn met de contante valutahandel, zonder dat er effectieve wisselkoersomzettingen plaatsvinden. Veronderstel bijvoorbeeld dat een belegger verwacht dat de USD in het komende jaar 10 % in waarde zal stijgen tegenover de EUR. Hij kan hierop inspelen door vandaag 1 miljoen EUR om te zetten in USD en die over een jaar terug in te wisselen voor EUR. Als zijn verwachting bewaarheid wordt, boekt hij daardoor een winst van EUR. Wanneer echter een Tobinheffing van 1 % van kracht is, wordt zijn winst afgeroomd ten belope van EUR (1 % op 1 miljoen EUR + 1 % op 1,1 miljoen EUR). Zijn nettowinst is dan EUR. Wanneer in geen speciaal gemoduleerde transactieheffing is voorzien voor afgeleide producten, kan de belegger zijn speculatieve winst beter via de termijnmarkt realiseren. Hij verbindt er zich dan bijvoorbeeld vandaag toe om over een jaar 1 miljoen USD te kopen voor 1 miljoen EUR. Door de koersstijging van de dollar kan hij die 1 miljoen USD volgend jaar onmiddellijk terug verkopen voor 1,1 miljoen EUR en dus EUR winst boeken. Concreet worden die termijncontracten echter afgehandeld door een storting van EUR van de ene aan de andere marktpartij, zodat geen wisselkoersomzetting nodig is en bijgevolg ook geen transactieheffing moet worden betaald. Het laat zich dan ook raden dat het goed functioneren van een Tobin- of Spahn-heffing ook op dit vlak een zeer complexe controle noodzakelijk zou maken. Wereldwijde heffing weinig zinvol Elke belasting brengt marktverstoringen teweeg. Nog los van de praktische bezwaren, is de invoering van een heffing op valutatransacties vanuit theoretisch oogpunt dan ook enkel gerechtvaardigd als de kosten van het marktfalen dat zij corrigeert, groter zijn dan die van de nieuwe marktverstoringen die zij veroorzaakt. Hoogstwaarschijnlijk is deze voorwaarde voor een wereldwijde heffing op valutatransacties niet vervuld. In de eerste plaats zou een Tobin- of een Spahn-heffing immers leiden tot een wereldwijde toename van de spread (d.i. het verschil tussen de aankoop- en de verkoopkoers) in de valutahandel. Een aanzienlijke, uniforme Tobin-heffing zouden de professionele valutahandelaren gewoon doorberekenen in de door hen gehanteerde spreads. Een minder grote, maar variabele Spahn-heffing zou het benodigde administratieve apparaat en de onzekerheid dermate doen toenemen dat ook deze variant tot hogere spreads zou leiden. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat, zoals de voorstanders van Nr. 10 /

18 een heffing beweren, de spreads zouden vernauwen door een afname van de wisselkoersvolatiliteit voortvloeiend uit de invoering van een transactieheffing. Een afname van het kortetermijnkapitaalverkeer door de invoering van een transactieheffing is immers geen garantie voor een vermindering van de wisselkoersvolatiliteit. Zo blijkt uit empirisch onderzoek dat de wisselkoersvolatiliteit in de jaren 70, toen het kortetermijnkapitaalverkeer veel minder belangrijk was, ongeveer even hoog lag als in de jaren 90 (4). Daarnaast zou een wereldwijde transactionele heffing, door het ontradend effect dat zij uitoefent op grensoverschrijdende kortetermijnkapitaalstromen (zie tabel II), leiden tot een segmentatie van de kortetermijnkapitaalmarkt in vele nationale deelmarkten. Landen die traditioneel kortetermijnkapitaal invoeren, zoals de meeste ontwikkelingslanden, zouden daardoor een belangrijk deel van het aanbod van kortetermijnkapitaal zien opdrogen. Hierdoor zouden de rentevoeten er hoger liggen dan bij vrij internationaal kapitaalverkeer, met alle gevolgen van dien voor de investeringen en de economische groei in die landen. Daarnaast zou een wereldwijde, zelfs beperkte transactieheffing, uiteraard ook de kortetermijnkapitaalstromen tussen de industrielanden afremmen. De renteverschillen tussen deze landen zijn immers relatief klein, zodat zelfs een beperkte transactieheffing zware marktverstoringen zou teweegbrengen. De geringere liquiditeit van de markt voor kortetermijnkapitaal zou tot hogere rentevoeten leiden en het risicobeheer van financiële instellingen aanzienlijk bemoeilijken. De producten die banken aanbieden om aan de kortetermijnfinancieringsbehoeften van ondernemingen en particulieren tegemoet te komen en om de wisselkoersrisico s van exporteurs en importeurs af te dekken, zouden daardoor fors duurder worden. Tegenover deze zekere en ruim verspreide negatieve effecten staat dat de positieve effecten van een transactieheffing hoogst onzeker zijn. Die treden namelijk alleen op wanneer men er via de heffing in slaagt marktfalen, bijvoorbeeld kuddegedrag dat leidt tot overgewaardeerde wisselkoersen, te verhinderen. De gevallen waarin krachtige, destabiliserende kapitaalbewegingen louter aan marktfalen te wijten zijn, zijn echter schaars. Meestal hebben krachtige kapitaalbewegingen dieper liggende oorzaken (oplopende begrotingstekorten, ontsporende loonstijgingen en inflatie, externe tekorten, structurele problemen in de financiële sector of in de bedrijvensector, ) en spelen speculatieve stromen slechts de rol van katalysator. Het indijken van het speculatieve kapitaalverkeer zou in de meeste gevallen dan ook neerkomen op symptoombestrijding. Enkel het speculatieve kapitaalverkeer afremmen is trouwens geen haalbare kaart aangezien het onmogelijk is om een klaar onderscheid te maken tussen speculatieve en fundamentele kapitaalstromen. Voorstanders van de heffing argumenteren dat vooral kapitaalstromen op korte termijn speculatief en dus destabiliserend zijn, terwijl kapitaalstromen op lange termijn overwegend fundamenteel en dus stabiliserend zouden zijn. Dit staat echter niet onomstotelijk vast. Empirisch onderzoek lijkt integendeel tot het inzicht te leiden dat er geen wezenlijk verschil bestaat qua volatiliteitsgraad tussen de diverse soorten kapitaalstromen en dat directe investeringsstromen door de tijd heen geen stabieler patroon vertonen dan kortetermijnkapitaalstromen (5). Kortom, een wereldwijde heffing op valutatransacties dreigt dus het kind met het badwater weg te gooien. Zij zou goede kortetermijnkapitaalstromen permanent en wereldwijd fnuiken, en slechte kortetermijnkapitaalstromen slechts in bepaalde periodes en in bepaalde landen afremmen. Daarbij moet worden aangestipt dat 83,5 % van de wereldwijde valutahandel plaatsvindt in de industrielanden, waar de financiële markten doorgaans goed functioneren en marktfalen dus vrij uitzonderlijk is. 18

19 Ten slotte rijst er nog het evidente probleem van de verdeling van de eventuele opbrengsten van de heffing. In de eerste plaats valt het te betwijfelen of die enorm groot zouden zijn, aangezien de structuur van de valutamarkt er ingrijpend zou door worden gewijzigd. Daarnaast hebben recente discussies over een Europese coördinatie van de belastingpolitiek geleerd dat het bereiken van akkoorden tussen de 15 EU-landen op dit vlak al een erg moeilijke opgave was. Allicht is het bereiken van een mondiale consensus over het verdelen van de opbrengsten van een heffing op valutatransacties dan ook zo goed als onhaalbaar. Indijken van kapitaalinvoer soms wenselijk Niettemin kan een maatregel om kapitaalstromen af te remmen voor bepaalde landen en in bepaalde omstandigheden nuttig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de internationale kapitaalinvoer in een land dermate sterk is dat de wisselkoers overgewaardeerd raakt en de economie zeer onevenwichtig groeit, waardoor de inflatie en het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans ontsporen en een wisselkoerscorrectie onvermijdelijk wordt. In die gevallen kan een tijdelijke inperking van de inwaartse kapitaalstromen aangewezen zijn. Dit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. In Chili is een systeem van kracht waarbij al wie buitenlandse kredieten opneemt een bepaald percentage van de geleende som gedurende twaalf maanden renteloos dient te deponeren bij de centrale bank. Doordat deze verplichting geldt voor alle vormen van buitenlandse kredietverlening, is zij moeilijk te omzeilen en bijgevolg ook vrij effectief. Aangezien het depositopercentage en de depositotermijn dezelfde zijn voor alle kredieten ongeacht hun looptijd, is het afremmend effect van deze depositoverplichting groter voor korte- dan voor langetermijnkapitaalstromen, en derhalve vergelijkbaar met het effect van een heffing op valutatransacties. Doorgaans wordt echter aangenomen dat een echte lokale heffing op valutatransacties in een bepaald land niet mogelijk is vanwege de grote ontwijkingsmogelijkheden. Op het eerste gezicht lijkt het perfect mogelijk om de valutahandel via het buitenland te organiseren. Ook Tobin zelf was om die reden van mening dat een lokale heffing op valutatransacties onmogelijk was. Recent werd echter geargumenteerd dat de huidige systemen waarmee internationale valutatransacties worden afgehandeld, het mogelijk maken om zo n heffing voor een beperkt aantal landen of zelfs voor slechts één land in te voeren (6). Zelfs een afhandelingssysteem voor valutatransacties in het buitenland moet immers door de lokale centrale bank worden erkend voor het afhandelen van transacties in die bepaalde munt. Zonder die erkenning kan een buitenlands afhandelingssysteem geen beroep doen op de informatie voortvloeiend uit de prudentiële controle van de lokale centrale bank, waardoor het weinig betrouwbaar is en wellicht ook weinig zal worden gebruikt. Er blijft altijd wel de mogelijkheid om de heffing te ontlopen via handel buiten de traditionele afhandelingssytemen om, maar daar gaan hoge transactiekosten mee gepaard zodat het onwaarschijnlijk is dat dit op massale schaal zou gebeuren. Bijgevolg is het voor individuele landen technisch perfect mogelijk om een heffing op valutatransacties in te voeren als zij een excessieve in- en uitstroom van kortetermijnkapitaal willen vermijden. In vergelijking met gewone kapitaalcontroles zou zo n heffing het voordeel hebben dat zij eenvoudig in te voeren is en niet geplaagd wordt door bureaucratische procedures. Het IMF heeft eveneens een voorstel uitgewerkt dat bedoeld is om de excessieve toevloed van buitenlands kapitaal naar sommige Nr. 10 /

20 landen in te dijken, de zogenaamde Cross- Border Capital Tax (CBCT). Dit voorstel omvat een voorheffing op de hoofdsom van elke omzetting van een buitenlandse valuta in een lokale munt. Deze voorheffing zou worden ingehouden door de financiële instellingen en daarna voor bepaalde wisselverrichtingen kunnen worden teruggevorderd. Voor exportopbrengsten zou dit kunnen via de BTW-aangifte, voor inkomsten uit buitenlandse beleggingen via de aftrekbaarheid van de betaalde belasting in de personenbelasting. Uiteraard kan dit laatste enkel als de inkomsten eerst worden aangegeven in de personenbelasting. De belasting betaald op alle andere wisselverrichtingen heeft grotendeels betrekking op de omzetting in lokale munt van kredieten opgenomen in buitenlandse munt en kan niet worden teruggevorderd. Aangezien het om een eenmalige belasting op de hoofdsom gaat, weegt zij zwaarder naarmate de looptijd van het opgenomen krediet korter is, zodat ook de CBCT kortetermijnkapitaalstromen sterker zou ontraden dan langetermijnkapitaalstromen. Het is wel duidelijk dat deze maatregel meer administratieve formaliteiten vereist dan een transactieheffing. Anderzijds kan men deze maatregel invoeren door een beroep te doen op bestaande fiscale instrumenten en vereist zij geen inmenging in de systemen voor afhandeling van valutatransacties. Al deze maatregelen zijn bedoeld om excessieve kortetermijnkapitaalinvoer in bepaalde landen af te remmen. Voorzover deze kapitaalstromen mee debet zijn aan wisselkoerscrisissen kunnen zij een belangrijke stabiliserende impact hebben. De belangrijkste voorwaarden om een wisselkoerscrisis te vermijden, zijn echter nog altijd een gezond budgettair beleid, een gepaste inkomenspolitiek, een verstandig wisselkoersbeleid en een doorgedreven prudentiële controle op de financiële en de bedrijvensector. Met of zonder heffing blijven deze voorwaarden bestaan. Daarnaast kan ook het verbeteren van de informatieverstrekking op zowel micro-economisch als macro-economisch vlak soelaas bieden. De belangrijkste reden waarom kapitaalstromen naar sommige landen soms sterk worden beïnvloed door kuddegedrag is namelijk het gebrek aan tijdige, gemakkelijk beschikbare en duidelijke informatie over de landen in kwestie. De eenvoudigste beleggingsstrategie is in die omstandigheden het kopiëren van het gedrag van de andere marktpartijen, met alle marktverstorende gevolgen van dien. (1) Zie het artikel Aziëcrisis Definitief voorbij?, in Economisch Financiële Berichten KBC, september (2) James Tobin, 1978, A Proposal for Monetary Reform, Eastern Economic Journal, Vol. 4, p (3) Paul Bernd Spahn, 1996, The Tobin Tax and Exchange Rate Stability, Finance and Development, juni 1996, p (4) Paul De Grauwe, 1999, Controls on Capital Flows, paper voor ISEG-conferentie What Financial System for the Year 2000 in Lissabon. (5) Claessens, Dooley en Warner, 1995, Portfolio Capital Flows: Hot or Cool? World Bank Economic Review, Vol. 9, januari, p (6) Rodney Schmidt, 2000, Efficient Capital Controls, International Development Research Centre, Government of Canada, April Correspondentieadres: KBC BANK NV, Asset Management, ABS - Economisch Financiële Berichten, Havenlaan 2, B-1080 Brussel. Tel.: 02/ Fax: 02/ Jaarabonnementen kunnen op elk ogenblik ingaan. Aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar in elk KBC-bankkantoor of op het bovenvermelde adres. Betaling na ontvangst van het overschrijvingsformulier. Abonnements- of adreswijzigingen kunt u vermelden op de enveloppe, die u afgeeft in een KBC-bankkantoor of opstuurt naar het bovenvermelde adres. Prijs jaarabonnement: Nederlands, Frans of Engels - maandelijks - 10 euro (5 euro voor jongeren tot 25 jaar die een KBC-rekening bezitten). U kunt de Economisch Financiële Berichten opvragen via de website van KBC Bank NV, nl. Nadruk van artikelen of berichten is toegestaan onder opgave van de bron. De in dit blad voorkomende gegevens zijn ontleend aan door ons betrouwbaar geachte bronnen en worden alleen verstrekt bij wijze van inlichting. Voor de juistheid en volledigheid ervan kunnen wij echter niet instaan. Verantwoordelijke hoofdredacteur: Edwin De Boeck, Kardinaal Sterckxlaan 137, B-1860 Meise. Drukk. Schaubroeck, Nazareth Ce bulletin paraît également en français. English edition also available. 20

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie Federaal Planbureau Economische analyses en vooruitzichten Perscommuniqué Brussel, 15 september 2000 Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Hoe heeft de sociale zekerheid de crisis doorstaan?

Hoe heeft de sociale zekerheid de crisis doorstaan? Hoe heeft de sociale zekerheid de crisis doorstaan? Hoe heeft de sociale zekerheid de economische crisis van 2009 en 2012 doorstaan? Die twee jaar bedraagt de economische groei respectievelijk -2,8% en

Nadere informatie

De overheid geeft (te)veel uit? Weet u hoeveel

De overheid geeft (te)veel uit? Weet u hoeveel Page 1 of 6 Gepubliceerd op DeWereldMorgen.be (http://www.dewereldmorgen.be) De overheid geeft (te)veel uit? Weet u hoeveel en aan wat? door Phi-Rana di, 2013-11-12 15:45 Phi-Rana Er wordt vaak gezegd

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 400 Nota over de toestand van s Rijks Financiën Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Veelgestelde vragen Brochure Vlaanderen betaalt de Belgische factuur juni 2013

Veelgestelde vragen Brochure Vlaanderen betaalt de Belgische factuur juni 2013 1. Wat zijn transfers? Er zijn twee soorten transfers: expliciete en impliciete. Een expliciete transfer is een vooraf bepaald bedrag via een wettelijk en gecontroleerd mechanisme. In België is dit bijvoorbeeld

Nadere informatie

VISIE COVERVERHAAL NIEUWE STUDIE SCHUIFT 16 MILJARD NAAR VOREN

VISIE COVERVERHAAL NIEUWE STUDIE SCHUIFT 16 MILJARD NAAR VOREN NIEUWE STUDIE SCHUIFT 16 MILJARD NAAR VOREN De klassieke Vlaams-Waalse geldstromen zijn met ongeveer 6 miljard euro per jaar al zeer hoog. Tellen we er ook de transfers via de rentelasten op overheidsschuld

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen. Nationale rekeningen

Instituut voor de nationale rekeningen. Nationale rekeningen Instituut voor de nationale rekeningen Nationale rekeningen Rekeningen van de overheid 2013 Inhoud van de publicatie De rekeningen van de Belgische overheid worden opgesteld volgens de definities van het

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen

Instituut voor de nationale rekeningen Instituut voor de nationale rekeningen 2015-02-17 Links: Publicatie BelgoStat Online Algemene informatie Broos herstel in 2013 na krimp in 2012 in Brussel en Wallonië; verdere groeivertraging in 2013 in

Nadere informatie

Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1 2.6 Bruto vaste kapitaalvorming 4.2 5.9 4.

Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1 2.6 Bruto vaste kapitaalvorming 4.2 5.9 4. Kerncijfers voor de Belgische economie Wijzigingspercentages in volume - tenzij anders vermeld Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1

Nadere informatie

Meeruitgaven in 2005 t.o.v. 1996 voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996

Meeruitgaven in 2005 t.o.v. 1996 voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996 Meeruitgaven in 2005 t.o.v. 1996 voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996 Inleiding Bij de pensioenhervorming van 1996 werd besloten de pensioenleeftijd van vrouwen in

Nadere informatie

Regionale economische vooruitzichten 2014-2019

Regionale economische vooruitzichten 2014-2019 2014/6 Regionale economische vooruitzichten 2014-2019 Dirk Hoorelbeke D/2014/3241/218 Samenvatting Dit artikel geeft een bondig overzicht van enkele resultaten uit de nieuwe Regionale economische vooruitzichten

Nadere informatie

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid?

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? vbo-analyse Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? September 2014 I Raf Van Bulck 39,2% II Aandeel van de netto toegevoegde waarde gegenereerd door bedrijven dat naar

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen

Instituut voor de nationale rekeningen Instituut voor de nationale rekeningen 2014-01-31 Links: Publicatie BelgoStat Online Algemene informatie 2011-2012: Economische terugval in 2012 verschilt per gewest Het Instituut voor de nationale rekeningen

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013 PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013 Werkgelegenheid stabiel, werkloosheid opnieuw in stijgende lijn Arbeidsmarktcijfers derde kwartaal 2013 Na het licht herstel van de arbeidsmarkt in het tweede kwartaal

Nadere informatie

Macro-economische uitdagingen ten gevolge van de vergrijzing

Macro-economische uitdagingen ten gevolge van de vergrijzing Macro-economische uitdagingen ten gevolge van de vergrijzing Gert Peersman Universiteit Gent Seminarie VGD Accountants 3 november 2014 Dé grootste uitdaging voor de regering Alsmaar stijgende Noordzeespiegel

Nadere informatie

Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013)

Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1 Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1. Arbeidsmarktstatus van de bevolking van 15 jaar en ouder in 1983 en 2013 De Belgische bevolking van

Nadere informatie

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro. Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair

Nadere informatie

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land.

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. 1 De wisselmarkt 1.1 Begrip Wisselkoers = de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. bv: prijs van 1 USD = 0,7

Nadere informatie

2. Simulatie van de impact van een "centen i.p.v. procenten"-systeem

2. Simulatie van de impact van een centen i.p.v. procenten-systeem Bijlage/Annexe 15 DEPARTEMENT STUDIËN Impact van een indexering in centen i.p.v. procenten 1. Inleiding Op regelmatige tijdstippen wordt vanuit verschillende bronnen gesuggereerd om het huidige indexeringssysteem

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 Lichte daling werkloosheid Arbeidsmarktcijfers tweede kwartaal 2015 De werkloosheidgraad gemeten volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau daalde

Nadere informatie

CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen

CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen Het aantal mensen met werk is in de periode februari-april met gemiddeld 2 duizend per maand toegenomen. Vooral jongeren en 45-plussers gingen aan de slag.

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.3.2003 COM(2003) 114 definitief 2003/0050 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de statistische gegevens die moeten worden gebruikt

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen Publicatiedatum CBS-website: 1 oktober 27 Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek Voorburg/Heerlen 27 Verklaring der tekens. =

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013 PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013 Meer 55-plussers aan het werk Arbeidsmarktcijfers eerste kwartaal 2013 66,7% van de 20- tot 64-jarigen is aan het werk. Dat percentage daalt licht in vergelijking met

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU?

Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU? Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU? Als gevolg van de wereldwijde economische en financiële crisis heeft de EU met een laag investeringsniveau te kampen. Alleen met gezamenlijke gecoördineerde

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend

Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend 08 Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend Laurens Cazander Publicatiedatum CBS-website: 3 februari 2009 Den Haag/Heerlen, 2009 Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer x =

Nadere informatie

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt Tussen maart en mei is het aantal mensen met een baan met gemiddeld 6 duizend per maand gestegen. De stijging is volledig aan vrouwen toe te schrijven. Het

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB06-074 13 juli 2006 9.30 uur Uitgaven huishoudens hoger dan inkomsten De Nederlandse economie is in 2005 met 1,5 procent gegroeid. Het voor inflatie gecorrigeerde

Nadere informatie

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2013 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

NOVEMBER 2014 BAROMETER

NOVEMBER 2014 BAROMETER NOVEMBER 2014 BAROMETER In deze nieuwe editie van de barometer staan we stil bij de Census 2011 die afgelopen maand werd gepubliceerd door Statistics Belgium, onderdeel van de FOD Economie. We vertalen

Nadere informatie

Statistisch Bulletin. Jaargang 71 2015 13

Statistisch Bulletin. Jaargang 71 2015 13 Statistisch Bulletin Jaargang 71 2015 13 26 maart 2015 Inhoud 1. Arbeid en sociale zekerheid 3 CBS: Werkloosheid gedaald door afname beroepsbevolking 3 Werkloze beroepsbevolking 1) 5 2. Inkomen en bestedingen

Nadere informatie

Een regionale opsplitsing van de sociale balansen

Een regionale opsplitsing van de sociale balansen Een regionale opsplitsing van de sociale balansen Nationale Bank van België (2004). De sociale balans 2003, Economisch Tijdschrift 4-2004. Voor het eerst heeft de Nationale Bank van België de sociale balansen

Nadere informatie

Werkgeversbijdragen - 25% (schokeffect economie) -6,3. Werknemersbijdragen - 25% (gespreid in de tijd) -3,0

Werkgeversbijdragen - 25% (schokeffect economie) -6,3. Werknemersbijdragen - 25% (gespreid in de tijd) -3,0 [#VK2014] Verlagen sociale lasten Venn.B : lager tarief ipv NIA -6,3-3,0 Werkgeversbijdragen - 25% (schokeffect economie) -6,3 Werknemersbijdragen - 25% (gespreid in de tijd) -3,0-3,0 +6,0 Verlaging nominaal

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1. Op de beurs van New York worden de volgende koersen genoteerd : 100 JPY = 0,8 USD ; 1 GBP = 1,75 USD en 1 euro = 0,9273 USD. In Tokyo is de notering 1 USD = 140 JPY. In Londen

Nadere informatie

notarisbarometer 2012 : meer vastgoedtransacties in België Vastgoedactiviteit in België www.notaris.be 106,4 106,8 101,6 99,2 100 99,2 99,8

notarisbarometer 2012 : meer vastgoedtransacties in België Vastgoedactiviteit in België www.notaris.be 106,4 106,8 101,6 99,2 100 99,2 99,8 notarisbarometer Vastgoed, vennootschappen, familie www.notaris.be A B C D E n 15 Oktober - december Trimester 4 - Vastgoedactiviteit in België Prijsevolutie Registratierechten Vennootschappen De familie

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting Feiten en cijfers ja Neemt de inkomensongelijkheid tussen arm en rijk toe? Toelichting: Een vaak gehanteerde maatstaf voor

Nadere informatie

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 28 oktober 67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk Tegen 2020 moet 75% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn.

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur :

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur : Oktober 2015 Macro & Markten 1. Rente en conjunctuur : VS Zoals al aangegeven in ons vorig bulletin heeft de Amerikaanse centrale bank FED de beleidsrente niet verhoogd. Maar goed ook, want naderhand werden

Nadere informatie

De positie van de Vlaamse kust op de Belgische reismarkt

De positie van de Vlaamse kust op de Belgische reismarkt Kusttoerisme West-Vlaanderen Werkt 3, 28 De positie van de Vlaamse kust op de Belgische reismarkt Foto: Evelien Christiaens Rik De Keyser bestuurder-directeur en hoofd afdeling toerisme, WES Evelien Christiaens

Nadere informatie

Pensioenaanspraken in beeld

Pensioenaanspraken in beeld Pensioenaanspraken in beeld Deel 1: aanspraken naar geslacht en burgerlijke staat Elisabeth Eenkhoorn, Annelie Hakkenes-Tuinman en Marije vandegrift bouwen minder pensioen op via een werkgever dan mannen.

Nadere informatie

ONS ENGAGEMENT VOOR UW TOEKOMST ONTCIJFERD

ONS ENGAGEMENT VOOR UW TOEKOMST ONTCIJFERD ONS ENGAGEMENT VOOR UW TOEKOMST ONTCIJFERD UW TOEKOMST ONTCIJFERD we creëren sociale welvaart met vier bouwstenen 1 meer jobs 2 stijgende koopkracht 3 sociale zekerheid voor iedereen 4 een toekomst voor

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

1 De economische kringloop

1 De economische kringloop 1 De economische kringloop Wat is Marco-economonie? Studie van het verband tussen Gezinnen Bedrijven Overheid Buitenland Welke soorten economische vraagstukken hebben we? Productie Werkloosheid Inflatie

Nadere informatie

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier Nederlandse beleggers hebben in 21 per saldo voor bijna EUR 12 miljard buitenlandse effecten verkocht. Voor EUR 1 miljard betrof dit buitenlands

Nadere informatie

PERSCOMMUNIQUÉ. Driejaarlijkse enquête over de valutamarkt en de markt van de afgeleide producten: resultaten voor België

PERSCOMMUNIQUÉ. Driejaarlijkse enquête over de valutamarkt en de markt van de afgeleide producten: resultaten voor België Brussel, 25 september 2007. PERSCOMMUNIQUÉ Driejaarlijkse enquête over de valutamarkt en de markt van de afgeleide producten: resultaten voor België In april 2007 hebben vierenvijftig centrale banken en

Nadere informatie

8. Werken en werkloos zijn

8. Werken en werkloos zijn 8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,

Nadere informatie

Economische ontwikkelingen en overheidsfinanciën in 2012. Economische ontwikkelingen in België en evolutie van de rentevoeten

Economische ontwikkelingen en overheidsfinanciën in 2012. Economische ontwikkelingen in België en evolutie van de rentevoeten Published on Rapports annuels (http://5046.lcl.fedimbo.be) Accueil > Printer-friendly PDF Economische ontwikkelingen en overheidsfinanciën in 2012 Economische ontwikkelingen in België en evolutie van de

Nadere informatie

Hoe (slecht) gaat het met de conjunctuur? Edwin De Boeck Fedustria 13 oktober 2011

Hoe (slecht) gaat het met de conjunctuur? Edwin De Boeck Fedustria 13 oktober 2011 Hoe (slecht) gaat het met de conjunctuur? Edwin De Boeck Fedustria 3 oktober Grote Recessie was geen Grote Depressie Wereldhandel Aandelenmarkt 9 8 7 8 VS - S&P-5 vergelijking met crash 99 Wereld industriële

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden

Centraal Bureau voor de Statistiek Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden 10 april 2014 pagina 1 Inleiding Door de uitbraak van de kredietcrisis in 2008 en de daaropvolgende Europese schuldencrisis is het duidelijk geworden dat

Nadere informatie

De honden en katten van de Belgen

De honden en katten van de Belgen ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 31 juli 2007 De honden en katten van de Belgen Highlights Ons land telde in 2004 1.064.000 honden en 1.954.000 katten; In vergelijking

Nadere informatie

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald 7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van

Nadere informatie

BIJLAGE A bij het. voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

BIJLAGE A bij het. voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD NL NL NL EUROPESE COMMISSIE Brussel, 20.12.2010 COM(2010) 774 definitief Bijlage A/Hoofdstuk 14 BIJLAGE A bij het voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het Europees

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden

Centraal Bureau voor de Statistiek Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden 9 december 2013 pagina 1 Inleiding Door de uitbraak van de kredietcrisis in 2008 en de daaropvolgende Europese schuldencrisis is het duidelijk geworden dat

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

1.1 Aantal levend geborenen dat bij geboorte woont in het Vlaamse Gewest sinds 2001

1.1 Aantal levend geborenen dat bij geboorte woont in het Vlaamse Gewest sinds 2001 Bijlage bij het persbericht dd. 08/06/15: 1 Vrouwen krijgen hun kinderen in toenemende mate na hun dertigste verjaardag 1. Het geboortecijfer volgens Kind en Gezin 67 875 geboorten in 2014, daling van

Nadere informatie

BRUSSELS ARMOEDERAPPORT 2015 Welzijnsbarometer: samenvatting

BRUSSELS ARMOEDERAPPORT 2015 Welzijnsbarometer: samenvatting BRUSSELS ARMOEDERAPPORT 2015 Welzijnsbarometer: samenvatting De Welzijnsbarometer verzamelt jaarlijks een reeks indicatoren die verschillende aspecten van armoede in het Brussels Gewest belichten. De sociaaleconomische

Nadere informatie

Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn.

Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn. Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn. 1. De Wereldbank berichtte onlangs dat de Chinese economie binnen afzienbare tijd de grootste economie van

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland

2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland 2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland 02 Krimp mondiale economie in 2009 Aziatische landen als eerste uit het dal Economie eurozone krimpt nog sterker dan wereldeconomie Krimp in 2009

Nadere informatie

De Belg en zijn spaargedrag (2/2): het budget

De Belg en zijn spaargedrag (2/2): het budget _ Focus on the Belgian economy Economic Research De Belg en zijn spaargedrag (2/2): het budget Oscar Bernal Economic Research, ING België Brussel (32) 2 547 39 95 oscar.bernal@ing.be Julien Manceaux Economic

Nadere informatie

Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013.

Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013. Kwartaalbericht 2014 Samenvatting Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013. Meer informatie vindt u op de website. Beleggingsrendement

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

De honden en katten van de Belgen

De honden en katten van de Belgen ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 13 juli 2010 De honden en katten van de Belgen Enkele conclusies Ons land telde in 2008 1.167.000 honden en 1.974.000 katten; In vergelijking

Nadere informatie

notarisbarometer 94,1 2012 Trim 1

notarisbarometer 94,1 2012 Trim 1 notarisbarometer Vastgoed, vennootschappen, familie www.notaris.be A B C D E n 14 Juli - september Trimester 3 - Vastgoedactiviteit in België Prijsevolutie Registratierechten Vennootschappen De familie

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Driejaarlijkse enquête over de valutamarkt en de markt van de afgeleide producten: resultaten voor België

Driejaarlijkse enquête over de valutamarkt en de markt van de afgeleide producten: resultaten voor België 2010-09-01 Driejaarlijkse enquête over de valutamarkt en de markt van de afgeleide producten: resultaten voor België In april 2010 hebben drieënvijftig centrale banken en monetaire autoriteiten, waaronder

Nadere informatie

Notarisbarometer Vastgoed - familie - vennootschappen Juli - september 2015

Notarisbarometer Vastgoed - familie - vennootschappen Juli - september 2015 Notarisbarometer Vastgoed - familie - vennootschappen Juli - september 2015 n 26 T/3 www.notaris.be VASTGOEDACTIVITEIT IN BELGIË 99,8 101 102,1 102,6 106,4 106,8 101,7 103,4 105,9 94,1 94,9 102,8 98,9

Nadere informatie

Vraag nr. 351 van 26 februari 2013 van PAUL DELVA

Vraag nr. 351 van 26 februari 2013 van PAUL DELVA VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN PASCAL SMET VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS, JEUGD, GELIJKE KANSEN EN BRUSSEL Vraag nr. 351 van 26 februari 2013 van PAUL DELVA Nederlandstalig onderwijs Brussel Capaciteit

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

2. Financieel kader gemeenschappelijke regelingen in de regio van Hollands-Midden

2. Financieel kader gemeenschappelijke regelingen in de regio van Hollands-Midden 1. Inleiding Ten tijde van het schrijven van de kadernota 2016 wordt nog volop gewerkt aan de uitwerking van het proces Kracht#15. Voor het besluitvormingsproces dient de Kadernota 2016 in januari 2015

Nadere informatie

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (2 de deel)

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (2 de deel) «Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (2 de deel) Tweede deel In de vorige Stat info ging de studie globaal (ttz. alle statuten bijeengevoegd) over het verband

Nadere informatie

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009 Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009 Economische krimp in 2009 Aantal vacatures sterk gedaald Werkloosheid in Breda stijgt me 14% Bredase bijstand daalt minimaal Bijstand onder jongeren sterk gestegen

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2012

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2012 BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD Suriname Debt Management Office Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2012 Een vooruitblik op de schuld, de schuldenlastbetalingen in 2013-2045

Nadere informatie

Informatie 10 januari 2015

Informatie 10 januari 2015 Informatie 10 januari 2015 ARMOEDE: FEITEN EN CIJFERS ARMOEDE WERELDWIJD Wereldwijd leven ongeveer 1,2 miljard mensen in absolute armoede leven: zij beschikken niet over basisbehoeften zoals schoon drinkwater,

Nadere informatie

Evaluatie van de effecten van bepaalde regeringsmaatregelen op de economische groei en de werkgelegenheid

Evaluatie van de effecten van bepaalde regeringsmaatregelen op de economische groei en de werkgelegenheid Hoorzitting van de commissie Sociale Zaken van de Kamer van volksvertegenwoordigers Evaluatie van de effecten van bepaalde regeringsmaatregelen op de economische groei en de werkgelegenheid 4 februari

Nadere informatie

«WELZIJNSBAROMETER 2010» SAMENVATTING EN CONCLUSIES

«WELZIJNSBAROMETER 2010» SAMENVATTING EN CONCLUSIES «WELZIJNSBAROMETER 2010» SAMENVATTING EN CONCLUSIES Brussel wordt gekenmerkt door een grote concentratie van armoede in de dichtbevolkte buurten van de arme sikkel in het centrum van de stad, met name

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1990-1991 22126 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk IXA (Nationale Schuld) voor het jaar 1991 (wijziging samenhangende

Nadere informatie

Macro-economische Ontwikkelingen

Macro-economische Ontwikkelingen Macro-economische Ontwikkelingen e kwartaal 8 Overall conclusie De kredietcrisis zorgt voor een terugval van de economische bedrijvigheid in Nederland die sinds het begin van de jaren tachtig niet is voorgekomen.

Nadere informatie

VLAAMSERAAD ONTWERP VAN DECREET. houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1989. Stuk 71B (BZ 1988) - Nr.

VLAAMSERAAD ONTWERP VAN DECREET. houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1989. Stuk 71B (BZ 1988) - Nr. Stuk 71B (BZ 1988) Nr. 1 VLAAMSERAAD BUITENGEWONE ZITTING 1988 ONTWERP VAN DECREET houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1989 INHOUD Blz. Ontwerp van decreet.....................................................................................

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen. Nationale rekeningen. Rekeningen van de overheid 2004

Instituut voor de nationale rekeningen. Nationale rekeningen. Rekeningen van de overheid 2004 Instituut voor de nationale rekeningen Nationale rekeningen Rekeningen van de overheid 2004 Inhoud van de publicatie De rekeningen van de Belgische overheid worden opgesteld volgens de definities van het

Nadere informatie

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014 BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD Suriname Debt Management Office Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014 Sarajane Marilfa Omouth Paramaribo, juni 2015 1. Inleiding De totale

Nadere informatie

beleggingen n van institutionele beleggers in 2008

beleggingen n van institutionele beleggers in 2008 8 Financiële crisis r slaat gat in de beleggingen n van institutionele beleggers in 28 drs. J.L. Gebraad Publicatiedatum CBS-website: 27 oktober 29 Den Haag/Heerlen Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 7 november 2014

PERSBERICHT Brussel, 7 november 2014 01/2010 05/2010 09/2010 01/2011 05/2011 09/2011 01/2012 05/2012 09/2012 01/2013 05/2013 09/2013 01/2014 05/2014 09/2014 Inflatie (%) PERSBERICHT Brussel, 7 november 2014 Geharmoniseerde consumptieprijsindex

Nadere informatie

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie stuk ingediend op 351 (2009-2010) Nr. 1 2 februari 2010 (2009-2010) Voorstel van resolutie van de heren Dirk Van Mechelen, Sven Gatz en Sas van Rouveroij betreffende de aanwending van een deel van de meerwaarde

Nadere informatie

Nieuw rapport Europese Commissie: onze pensioenen zijn wél betaalbaar

Nieuw rapport Europese Commissie: onze pensioenen zijn wél betaalbaar Nieuw rapport Europese Commissie: onze pensioenen zijn wél betaalbaar Studiedienst PVDA Kim De Witte 1 Meer actieven in verhouding tot niet-actieven tot 2040... 2 1.1 Demografische versus economische afhankelijkheidsratio...

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT

HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT 1 HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT 1. PRIJSVORMING OP DE WISSELMARKTEN 1.1. Enkele begrippen Wisselkoers = prijs van de buitenlandse munt, uitgedrukt in nationale munt bv. wisselkoers () van de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie