Algemene economie en bedrijfsomgeving

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Algemene economie en bedrijfsomgeving"

Transcriptie

1 Algemene economie en bedrijfsomgeving Bronvermelding Titel : Algemene economie en bedrijfsomgeving Druk : 2 e druk, 2009 Auteur : W. Hulleman; A.J. Marijs Uitgever : Noordhoff Uitgevers B.V. ISBN (boek) : Aantal hoofdstukken (boek) : 27 Aantal pagina s (boek) : 556 De inhoud van dit uittreksel is met de grootste zorg samengesteld. Incidentele onjuistheden kunnen niettemin voorkomen. Je dient niet aan te nemen dat de informatie die Students Only B.V. biedt foutloos is, hoewel Students Only B.V. dat wel nastreeft. Dit uittreksel is voor persoonlijk gebruik en is bedoeld als wegwijzer bij het originele boek. Wij raden aan altijd het bijbehorende studieboek te kopen en dit uittreksel als naslagwerk erbij te houden. In dit uittreksel staan diverse verwijzingen naar het studieboek op basis waarvan dit uittreksel is gemaakt. Dit uittreksel is een uitgave van Students Only B.V. Copyright 2011 StudentsOnly B.V. Alle rechten voorbehouden. De uitgever van het studieboek is op generlei wijze betrokken bij het vervaardigen van dit uittreksel. Voor vragen kun je je per wenden tot

2 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 De onderneming en algemene economie 3 Hoofdstuk 2 Markten 4 Hoofdstuk 3 De vraag 5 Hoofdstuk 4 Het aanbod 7 Hoofdstuk 5 Concurrentie-intensiteit en concurrentiepositie 9 Hoofdstuk 6 De structuur van de markt 11 Hoofdstuk 7 Meso-economie en onderneming 14 Hoofdstuk 8 Produceren 15 Hoofdstuk 9 Productiefactoren 16 Hoofdstuk 10 De structuur van de economie 18 Hoofdstuk 11 Bestedingen 20 Hoofdstuk 12 Inkomensverdeling 22 Hoofdstuk 13 De overheid 24 Hoofdstuk 14 Conjunctuur 26 Hoofdstuk 15 Economische crisis 28 Hoofdstuk 16 Macro-economie en onderneming 29 Hoofdstuk 17 Aanbod van geld 31 Hoofdstuk 18 Vraag naar geld en monetair beleid 33 Hoofdstuk 19 De vermogensmarkten 34 Hoofdstuk 20 Renterisico en rentebeleid 37 Hoofdstuk 21 Internationale economische ontwikkelingen 39 Hoofdstuk 22 Vrijhandel en protectionisme 41 Hoofdstuk 23 Internationale samenwerking 43 Hoofdstuk 24 Valutamarkt 45 Hoofdstuk 25 Valutarisico en valutabeleid 48 Hoofdstuk 26 Landenselectie 50 Hoofdstuk 27 Landenrisico 51 2

3 Hoofdstuk 1 De onderneming en algemene economie 1.1 Welvaart is het beschikken over goederen en diensten voor de bevrediging van behoeften. Er is een spanning tussen de behoeften en de middelen, omdat ze respectievelijk oneindig en beperkt zijn. Er is dus sprake van schaarste van middelen. Als met schaarse middelen wordt gestreefd naar maximale welvaart, dan wordt dat economisch handelen genoemd. Het economisch handelen wordt onderzocht in de economische wetenschap. Dit kan op meerdere niveaus plaatsvinden, namelijk: de meso- en micro-economie, de macro-economie, monetaire economie en internationale economische betrekkingen. Al deze onderwerpen maken deel uit van de algemene economie. De meso- en micro-economie draaien om de kenmerken van markten en bedrijfstakken rondom een onderneming, de vraag naar en het aanbod van goederen en de veranderingen in vraag en aanbod als gevolg van prijsveranderingen. De macro-economie beschrijft en analyseert allerlei verschijnselen voor een heel land, zoals de totale consumptie. De monetaire economie heeft betrekking op het verschijnsel geld en de rol van banken in de economie. Bij internationale economische betrekkingen gaat het om de bestudering van de buitenlandse handel van landen, internationale kapitaalstromen en monetaire betrekkingen. In dit boek worden veel gegevens gebruikt die betrekking hebben op de Europese Unie. 1.2 De directe omgeving van een onderneming bestaat uit leveranciers en afnemers. Deze marktpartijen bevinden zich in de in- en verkoopmarkten van de onderneming en staan in voortdurend contact met de onderneming. Er zijn verschillende afzetmarkten waar bedrijven hun producten of diensten kunnen leveren. Deze hebben allemaal verschillende kenmerken m.b.t. de aard van de concurrentie en de soort afnemers. De indirecte omgeving bestaat uit werknemers- en werkgeversorganisaties, de overheid en culturele omgevingsfactoren (zoals de publieke opinie). De onderneming heeft een geringe invloed op deze indirecte omgevingsfactoren. Daarnaast zijn de sociale omgeving en de invloed van technologie belangrijk. Ten slotte is er de macro-omgeving, bestaande uit de conjuncturele ontwikkeling, de ontwikkeling van wisselkoersen en prijzen van grondstoffen en demografische ontwikkelingen. De resultatenrekening wordt beïnvloed door algemeen-economische variabelen. Zie: hfst. 1; blz. 24; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van deze variabelen en hun relatie tot de resultaten van een onderneming. Bij het oplossen van problemen moeten managers rekening houden met veranderingen in de omgeving. Dit kan door omgevingsvariabelen te voorspellen en hier een beleid voor te voeren. 1.3 Een nominale stijging is de waardestijging van een variabele, terwijl een reële stijging de volumeverandering is. Deze twee hebben invloed op de loonsom (aantal werknemers vermenigvuldigd met het loon per werknemer). 3

4 Hoofdstuk 2 Markten 2.1 De markt van een product bestaat uit de betrekkingen tussen vragers en aanbieder rondom een bepaald product. Hierin zijn prijzen erg belangrijk, aangezien ze een signaalfunctie hebben voor vraag en aanbod. De communicatie op de markt kan direct zijn, zoals in een winkel, maar ook afstandelijk, zoals op effectenmarkten. Er zijn veel markten die o.a. kunnen worden onderverdeeld op basis van de geografische omvang. Op een wereldmarkt gelden de prijzen voor alle vragers en aanbieders en komen ze tot stand op wereldschaal. Een lokale markt is het tegenovergestelde van een wereldmarkt. Er zijn ook producten die bestaan in nationale markten, zoals ziektekostenverzekeraars. Ten slotte is er de relevante markt, wat een belangrijk begrip is voor ondernemingen. Dit is namelijk het deel van de markt dat zij bedienen. Een productgroep is een groep producten die een bepaalde behoefte kan bevredigen, zoals frisdranken dorst lessen. 2.2 Een bedrijfstak bedient meestal een groep van markten. De ondernemingsgrootte is belangrijk voor de analyse van de kracht van het bedrijfsleven. Grote ondernemingen hebben voordelen t.o.v. kleine ondernemingen, zoals het kunnen bedingen van betere inkoopprijzen. In de EU wordt het aantal werknemers gebruikt als criterium voor de indeling naar ondernemingsgrootte. Om bedrijven te groeperen naar economische activiteit wordt de NACE (Nomenclature Statistique des Activés économiques dans la Communauté Européenne) gebruikt. Zie: hfst. 2; blz ; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor de classificatie van de bedrijfstakken. Een bedrijfskolom is een opeenvolging van bedrijfstakken, van oerproducent tot consument. Elke bedrijfstak voegt waarde toe. Dit wordt het waardesysteem genoemd. 2.3 De economische orde bestaat uit collectieve waarden, normen en instituties. Waarden zijn de doelstellingen voor het gedrag, zoals zedelijke waarden en winstgevendheid. Hiervan afgeleid zijn de normen die in concrete situaties de leidraad vormen voor het menselijk gedrag. Instituties bestaan uit de wet- en regelgeving en instellingen die worden opgesteld en uitgevoerd door talloze organen. Zie: hfst. 2; blz. 39; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een tabel met het verband tussen de waarden, normen en instituten. 4

5 Hoofdstuk 3 De vraag 3.1 Het aankopen van goederen wordt vooral gedaan om behoeften te bevredigen. Hoe het consumptiepakket hiervoor wordt samengesteld, bepaalt het consumptiepatroon. Individuele consumenten bevredigen hun behoeftes op verschillende manieren. Er is dus sprake van individuele consumptiepatronen. Het consumentenpatroon wordt vooral bepaald door de preferenties (consumentenvoorkeuren). Mode is een verschijnsel dat erg wordt beïnvloed door consumentenvoorkeuren. Veranderingen in de consumentenvoorkeuren beïnvloeden de afzet van ondernemingen en kunnen desastreus zijn. Veel producten hebben een leeftijdgebonden karakter. Een voorbeeld is dat de consumptie van bier daalt naarmate mensen ouder worden en de consumptie in de toekomst dus lager zal worden door de vergrijzing. Daarnaast speelt de levensstijl (life-style) ook een belangrijke rol, omdat deze wordt gevormd door samenhangende normen en waarden. De individualisering is een belangrijke trend, omdat er steeds meer behoefte is aan producten voor individueel gebruik. Ondernemingen passen maatwerk door massa-individualisering toe om producten af te stemmen op de behoeften van de consumenten. In de marketing moet rekening worden gehouden met vernieuwing, omdat de consumentenvoorkeuren voortdurend veranderen. Ook hebben het seizoen, het klimaat en overheidsmaatregelen invloed op de vraag naar producten. 3.2 De vraagcurve is een grafiek van de vraagfunctie (verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid). Zie: hfst. 3; blz. 49; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een figuur van een vraagcurve. Als de prijs van een product daalt, zullen consumenten meer van dit product consumeren ten koste van substituutproducten die niet in prijs zijn gedaald (substitutie-effect). Door de prijsdaling is de koopkracht van de consumenten toegenomen, wat ook wel inkomenseffect wordt genoemd. De elastische vraag is het prijselastische deel van de vraagcurve. De prijselasticiteit geeft aan hoe de gevraagde hoeveelheid relatief verandert t.o.v. een relatieve verandering in prijs. De inelastische vraag heeft betrekking op het deel van de vraagcurve waar de relatieve verandering in de gevraagde hoeveelheid kleiner is dan de relatieve verandering in prijs. Meestal stijgen prijzen maar met een paar procenten per jaar, waardoor er een relevant deel van de curve kan worden onderscheiden. Daarnaast is elasticiteit afhankelijk van de helling van de vraagcurve: hoe vlakker het verloop, hoe elastischer de curve is. De prijselasticiteit van luxegoederen is veel groter dan die van basisgoederen, omdat consumenten hun consumptie van luxegoederen makkelijker kunnen aanpassen. De ligging van de vraagcurve kan veranderen doordat de behoeften van consumenten veranderen. Frisdranken worden meer verkocht bij een hittegolf, ook al blijft de prijs hetzelfde. 3.3 Als de vraag van een goed toeneemt bij de prijsstijging van een ander goed, dan is er sprake van een positieve kruislingse elasticiteit. Bij negatieve kruislingse elasticiteit daalt de gevraagde hoeveelheid juist. Ten slotte kan de kruislingse elasticiteit van 0 worden onderscheiden, waarbij de twee goederen volledig onafhankelijk zijn van elkaar. 5

6 3.4 Inkomensontwikkelingen zijn belangrijk voor de vraag naar goederen en diensten. De inkomenselasticiteit geeft aan wat de procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid is als het inkomen procentueel verandert. Bij basisgoederen is de inkomenselasticiteit kleiner dan 1, wat betekent dat de verandering in vraag kleiner is dan de verandering van het inkomen. Als de inkomenselasticiteit negatief is, dan is er sprake van inferieure goederen. 6

7 Hoofdstuk 4 Het aanbod 4.1 Er worden verschillende soorten kosten gemaakt om productiefactoren, zoals kapitaalgoederen aan te trekken. Constante of vaste kosten zijn onafhankelijk van de productieomvang. In de meeste ondernemingen is er een vaste kern werknemers die een grote waarde hebben voor de onderneming. Omdat specialisten zich onderscheiden van andere werknemers door hun aparte waarde voor de onderneming, wordt er ook wel gesproken van heterogene arbeid. In veel productieprocessen is kennis min of meer de enige productiefactor die van betekenis is. De wet van de toe- en afnemende meerproductie is op de korte termijn geldig in de meeste ondernemingen. De kapitaalgoederenvoorraad kan niet worden uitgebreid op de korte termijn, waardoor de vaste kosten gelijk blijven. Zie: hfst. 4; blz ; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een voorbeeld waarin wordt uitgelegd wat de oorzaak is van de stijging en daling van de gemiddelde variabele kosten. Het bedrijfsoptimum is het laagste punt van de curve voor de gemiddelde totale kosten. Een lagere productie betekent onderbezetting en een hogere productie is overbezetting. De marginale-kostencurve is belangrijk voor de aangeboden hoeveelheid, aangezien deze afhangt van de prijs van het product. Zie: hfst. 4; blz. 64; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een figuur van de marginale-kostencurve. Als de prijs niet kan worden beïnvloed door een onderneming, dan zijn de (marginale) opbrengsten constant. Om de maximale winst te behalen moeten de marginale opbrengsten gelijk zijn aan de marginale kosten (MO=MK). Dit kan worden bewerkstelligd door een prijs en aangeboden hoeveelheid te kiezen die op de curve van de marginale kosten ligt, maar tegelijkertijd genoeg oplevert om de gemiddelde totale kosten en gemiddelde variabele kosten te dekken. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan zal een onderneming verlies lijden. De aanbodcurve is het verband tussen de aangeboden hoeveelheid en de prijs. De prijsafzetcurve is het verband tussen de prijs en de afzet. Deze valt samen met de vraagcurve, als een onderneming een monopoliepositie heeft. 4.2 De kostenstructuur is de verhouding tussen de diverse kostensoorten en kan sterk verschillen per bedrijf. Voor bedrijven die hoge vaste kosten hebben, is de bezettingsgraad erg belangrijk. Bedrijven met hoge variabele kosten kunnen hun kosten beter neerwaarts aanpassen. De hevigheid van de concurrentie-intensiteit hangt o.a. af van de verschillen in ondernemingsgrootte. Grotere bedrijven hebben vaak schaalvoordelen, omdat de gemiddelde kosten dalen naarmate de kapitaalgoederenvoorraad en de productieomvang toenemen. Het is ook mogelijk dat er kleine verschillen zijn tussen de gemiddelde kosten van grote en kleine ondernemingen. Hierbij is toetreding in de bedrijfstak eenvoudiger, omdat er met een kleine productieomvang kan worden begonnen. Ten slotte zijn er bedrijfstakken waarbij de gemiddelde kosten eerst sterk dalen bij een toename van de kapitaalgoederenvoorraad, waarna het een vlak verloop vertoont. In dit verband is de minimumefficiencyschaal (MES) belangrijk. Dit is de kleinste productieomvang met een minimaal kostenniveau. Als de marktomvang niet groter is dan enkele malen de MES, dan is er in de betreffende bedrijfstak slechts plaats voor enkele ondernemingen. 7

8 4.3 Met de collectieve-vraag-en-aanbodcurve kan worden gekeken wanneer de markt in evenwicht is. Dit is het punt waarop vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Zie: hfst. 4; blz. 73; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een afbeelding van de collectieve-vraag-en-aanbodcurve. Om een marktevenwicht te bereiken, moet het aanbod worden aangepast aan de vraag. Dit proces kost echter tijd, waardoor er een tijdsverschil is tussen de gestegen vraag en de toename van het aanbod. Er zijn twee manieren waarop het aanpassingsproces kan verlopen, namelijk: een stabiel evenwicht (waarbij de productieomvang en prijs steeds worden veranderd tot het evenwicht is bereikt) en een instabiel evenwicht (dat kan voorkomen bij een sterk inelastische vraag met een aanbod dat een aanpassingstermijn nodig heeft). De overheid beschermt consumenten door een maximumprijs in te stellen. Als de maximumprijs onder het marktevenwicht ligt, dan betalen consumenten minder dan ze zouden doen in een vrije markt. Hierdoor is het aanbod ook kleiner en ontstaat er een vraagoverschot. De overheid past een vergunningssysteem toe om de vraag te rantsoeneren. Daarnaast wordt er een minimumprijs gehanteerd om producenten te beschermen. Hierdoor ontstaat er een aanbodoverschot, aangezien consumenten minder consumeren. Om de kosten voor het uit de markt nemen van deze producten laag te houden, kan de overheid productiequota verstrekken aan een beperkt aantal producenten om zo een toetredingsbelemmering te bewerkstelligen. De overheid heft accijnzen en omzetbelasting op de meeste producten. Dit verhoogt de marginale kosten en heeft dus invloed op de ligging van de aanbodcurve. Of producenten de belastingen kunnen afwentelen op consumenten hangt af van de prijselasticiteit van vraag en aanbod in het marktevenwicht. Er worden verschillende belastingtarieven toegepast, waardoor er een substitutie-effect kan ontstaan. Alcoholische dranken met hoge accijnzen zullen minder worden gekocht dan dranken met lage accijnzen. De overheid past ook subsidies toe. Deze belemmeren de marktwerking, waardoor er grote prijsverschillen kunnen ontstaan. 8

9 Hoofdstuk 5 Concurrentie-intensiteit en concurrentiepositie 5.1 Binnen en tussen de bedrijfstakken in een bedrijfskolom vinden interne, externe en potentiële concurrentie plaats. Interne concurrentie vindt plaats binnen een bedrijfstak waar ondernemingen wedijveren om het marktaandeel. Ondernemingen concurreren ook binnen een bedrijfskolom met afnemers en toeleveranciers, wat externe concurrentie wordt genoemd. Deze vorm van concurrentie heeft als doel om een zo groot mogelijk aandeel in de toegevoegde waarde en de winstmarge te verwerven in de bedrijfskolom. Ten slotte kunnen ondernemingen worden bedreigd door ondernemingen die willen toetreden tot de bedrijfstak of ondernemingen die substituutproducten aanbieden. Dit wordt potentiële concurrentie genoemd. Hoe hevig de concurrentie is, is afhankelijk van concurrentiebepalende factoren, zoals de groei van de vraag, het aantal ondernemingen en de productdifferentiatie. 5.2 Ondernemingen proberen een zeker rendement te behalen over het geïnvesteerde vermogen. De winstmarge is de winst gedeeld door de omzet. De winstgevendheid is niet de enige maatstaf voor de concurrentiekracht. Een onderneming moet namelijk ook in staat zijn om alle belanghebbenden (zoals de werknemers en de overheid) tevreden te stellen. Er wordt ook gesproken van de concurrentiepositie van bedrijfstakken. Deze wordt vaak afgemeten aan o.a. de gemiddelde winst en de bijdrage aan werkgelegenheid. 5.3 M.E. Porter ontwikkelde het vijfkrachtenmodel en de analyse van de concurrentiekracht van een bedrijfstak t.o.v. dezelfde bedrijfstak in andere landen ( de diamant ). In het vijfkrachtenmodel worden de belangrijkste concurrentiebepalende factoren gebruikt om een bedrijfstak te analyseren. Dit zijn: de onderhandelingskracht van leveranciers, de dreiging van substituten, interne concurrentie, de onderhandelingskracht van afnemers en potentiële toetreders. Het gaat hierbij vooral om de veranderingen in concurrentieverhoudingen als gevolg van nieuwe producten op de markt, fusies en bedrijven die zich terugtrekken uit een markt of zich op andere markten begeven. Zie: hfst. 5; blz. 84; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een afbeelding van het vijfkrachtenmodel van Porter. In de verpakkingsmarkt is de dreiging van substituten groot, omdat meerdere materialen kunnen worden gebruikt als verpakking. Daarnaast is er veel internationale concurrentie door verlaging van de transportkosten en de milieubelasting voor productie. In de diamant van Porter worden de omgevingsfactoren die de concurrentiekracht bepalen onderverdeeld in: de kwaliteit van productiefactoren, de invloed van de overheid, de economische orde en de mate waarin bedrijfstakken elkaar versterken d.m.v. netwerken. Deze zijn regionaal bepaald. Zie: hfst. 5; blz. 86; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een afbeelding van de diamant. Vooral de wederzijdse beïnvloeding is belangrijk in de diamant van Porter. Hierdoor is het model erg geschikt voor de bestudering van dynamische aspecten van bedrijfstakken. De diamant bestaat uit de volgende elementen: productiefactoren, de binnenlandse vraag, netwerken van bedrijfstakken, de economische orde, toevalsfactoren en de overheid. 9

10 Productiefactoren worden onderscheiden in basisproductiefactoren (het klimaat, de locatie van een land, de aanwezigheid van grondstoffen, kapitaal en ongeschoolde arbeid) en geavanceerde productiefactoren (geschoolde arbeid, onderwijs, onderzoek, fysieke infrastructuur, e.d.). Het is belangrijk om met de kwaliteit van producten te concurreren. Voortdurende loonmatiging leidt namelijk tot een lage toegevoegde waarde en dus een gebrek aan concurrentiekracht om mee te kunnen komen in de internationale concurrentiestrijd. In de binnenlandse markt spelen kritische afnemers een belangrijke rol, omdat ze voortdurend hoge kwaliteit en productvernieuwing eisen. Om van schaalvoordelen te kunnen profiteren, moeten ondernemingen een grote thuismarkt bedienen. Voor een hoge concurrentiekracht zijn netwerken van bedrijfstakken nodig. Er moet een maximale waardevorming zijn in elke schakel van het productieproces. In netwerken vindt kennisuitwisseling plaats buiten markten om, waardoor er sneller en beter kan worden gereageerd op marktontwikkelingen. In een verticaal netwerk (in de bedrijfskolom) bevindt zich een eindproducent die producten levert aan finale afnemers. Meestal fabriceren ze alleen de strategische onderdelen van hun producten. Ze heten Original Equipment Manufacturer (OEM) en betrekken niet-strategische producten van een belangrijke toeleverancier of main supplier. De main supplier en de uitbesteder ontwikkelen samen producten (codesign). Vaak zijn de main suppliers gespecialiseerde toeleveranciers. Als er wordt samengewerkt om een product te maken, dan is er sprake van comakership. Gespecialiseerde toeleveranciers besteden hun productie uit aan jobbers ( schroevendraaierfabrieken ). In ondernemingsnetwerken bevinden zich trekkers (initiëren de ontwikkeling) en volgers. De regionale dimensie speelt vooral een belangrijke rol bij de innovatie of verbetering van producten. Een cluster bestaat uit samenhangende bedrijven binnen een bedrijfstak die zowel kunnen samenwerken als concurreren. Hierin is de vernieuwing van producten belangrijker voor de concurrentiekracht dan verlaging van de productiekosten. De economische ordes bestaan uit de Verenigde Staten, Europa en China. Per gebied geldt een verschillend motivatiesysteem, omdat de culturen zo anders zijn. Ook de ondernemingsdoelen en strategieën verschillen per land. De economische orde bepaalt de concurrentieverhoudingen op de thuismarkt. Toevallige factoren kunnen het samenspel van de elementen in de diamant beïnvloeden. Het gaat vooral om technische doorbraken, wisselkoersveranderingen en het weer. 10

11 Hoofdstuk 6 De structuur van de markt 6.1 Een structuurkenmerk is een omstandigheid, zoals het aantal aanbieders in een markt. Het gedrag van ondernemers wordt beïnvloed door het structuurkenmerk aantal ondernemingen. De structuurkenmerken vormen de randvoorwaarden waarbinnen ondernemingen hun activiteiten ontplooien om het beoogde resultaat te behalen. De concurrentiebepalende variabelen zijn: structuur, gedrag en resultaat. 6.2 Als er een groot aantal aanbieders is op een markt, dan heeft elke onderneming een klein marktaandeel, waardoor deze maar weinig invloed heeft op de marktprijs. De aanbieders hebben dus weinig marktmacht. De concentratiegraad is een maatstaf voor de marktmacht van de grootste ondernemingen in een bedrijfstak. Kleine ondernemers proberen vaak afnemers te vinden die geïnteresseerd zijn in producten die afwijken van de standaard. Er is dan sprake van marktniches. Homogene producten zijn gelijk. Bij heterogene producten zijn er onderlinge verschillen door productdifferentiatie. Het kan bijv. gaan om veranderingen in de technische eigenschappen. Als er een geheel nieuw product ontwikkeld wordt, is er sprake van productinnovatie. Verder kan productdifferentiatie worden bewerkstelligd door andere kenmerken, zoals de verpakking of reclame. Zie: hfst. 6; blz. 101; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van de bedrijfstakkenmerken en productdifferentiatie van homogene en heterogene producten. Producten kunnen procesmatig worden geproduceerd m.b.v. grote installaties, zoals bij aardolie. Dit wordt ook wel massaproductie genoemd en er is weinig productdifferentiatie mogelijk. Grondstofintensieve producten staan meestal aan het begin van de bedrijfskolom en zijn doorgaans homogener dan eindproducten. In bedrijfstakken met hoge toetredingsbarrières wordt de winstgevendheid niet bedreigd door mogelijke toetreders. De aanmerkelijkste toetredingsbelemmering wordt gevormd door hoge vaste kosten. Daarnaast is productheterogeniteit belangrijk, omdat het klanten bindt met merknaamsbekendheid. Soms is het marktaandeel ook een toetredingsbelemmering door de aanwezigheid van een kostenleider. Verder kunnen bestaande patenten (als voorwaarde voor R&D) een toetredingsbelemmering vormen. Ook kunnen voor- en achterwaartse integratie (activiteiten in verschillende bedrijfstakken) ondernemingen belemmeren tot toetreding, omdat die activiteiten voor marktmacht zorgen. Ten slotte kan er strategische overcapaciteit bestaan, waardoor toetreders rekening moeten houden met een extra aanbod van bestaande ondernemingen die de prijzen sterk onder druk zet. De vraag heeft bepaalde kenmerken, zoals de groei van de vraag. Groeimarkten worden aantrekkelijk gevonden door ondernemingen omdat de afzet toeneemt bij gelijkblijvende marktaandelen. Ze hoeven dus geen prijsconcessies te doen. Doordat aanbieders een grotere marktmacht hebben dan vragers, is er sprake van verkopersmarkten. 11

12 De micro-economie deelt markten in op basis van het aantal aanbieders (één, weinig of veel) en de mate van productdifferentiatie (homogene of heterogene producten). Als er veel aanbieders zijn en homogene producten, dan is er sprake van volledig vrije mededinging. Bij de monopolistische concurrentie zijn er ook veel aanbieders, maar er wordt een heterogeen product aangeboden. In oligopolistische marktvormen zijn er weinig aanbieders die ieder een groot marktaandeel hebben. Deze markten zijn meestal star, omdat elke onderneming bang is voor tegenacties van de ander. Deze situatie kan worden verklaard met de speltheorie, die ook wel bekend staat als het prisoners dilemma. Door wantrouwen hebben alle ondernemingen een afwachtende houding. Het kan voorkomen dat twee ondernemingen meer winst kunnen halen door prijsverhoging en daarvoor hun gedrag op elkaar afstemmen. Dit kan leiden tot een kartel en is verboden. Een oligopolie kan heterogeen of homogeen zijn, afhankelijk van het onderscheid in producten. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in een nauw oligopolie (maximaal vijf aanbieders) en een breed oligopolie (meer dan vijf aanbieders). In een monopolie is er één producent, waardoor hij zelf de prijs van het product kan bepalen. 6.3 De meeste ondernemingen hanteren rendementseisen om een maximale winst na te streven. Ze kunnen de prijszetting gebruiken om hun winstgevendheid op de korte termijn op peil te houden. In welke mate dit kan, hangt af van de marktvorm van de onderneming. Dit prijszettingsgedrag is namelijk alleen mogelijk als de concentratie op een markt groot is. Bedrijven die met export en import te maken hebben, kunnen minder makkelijk hun kosten doorberekenen in de afzetprijzen. Dit komt doordat het moeilijk is om voldoende marktmacht op te bouwen op markten met een hoge internationaliseringsgraad. Bij het streven naar maximale winst kan een onderneming proberen om haar kostenniveau onder dat van concurrenten te houden (kostenleiderschap). Vooral bij schaalvoordelen is deze strategie toepasbaar. Er kan een hogere winstmarge worden verkregen, maar er is ook het gevaar van toetreding, omdat de hoge winst zo aanlokkelijk is. Bij het kostenleiderschap kan de prijs worden verlaagd tot onder het niveau van de concurrenten. Dit wordt limit pricing genoemd en kan het marktaandeel vergroten. Het nadeel hiervan is echter dat er winsterosie kan ontstaan in een bedrijfstak door prijsbederf. In een oligopolie zal eerder prijsstarheid optreden, wat een zekere stabiliteit geeft. Innovatief gedrag gaat ten koste van de winstgevendheid op de korte termijn, maar is beter voor de continuïteit van een bedrijf. Ondernemingen met een groot concurrentievermogen kunnen een marktwinst verkrijgen op buitenlandse markten. 6.4 Producten doorlopen een productlevenscyclus (een standaardpatroon) in vier fasen, namelijk: de introductie, de groeifase, de rijpheidsfase en de teruggang. Een bezwaar aan deze methode is dat zij vooral toepasbaar is voor industriële bedrijven. Zie: hfst. 6; blz. 116; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van de productlevenscyclus en de bedrijfstakontwikkeling. Tijdens de introductie worden er hoge marketinguitgaven en R&D-uitgaven gedaan. Ook zijn er aanloopverliezen en is de onderneming een innovatiemonopolist. In de groeifase heeft het product een luxe karakter gekregen en begint de markt interessant te worden voor toetreders. De onderneming komt in een winstsituatie terecht en de marktvorm verandert in een breed oligopolie waarin product- en procesverbeteringen plaatsvinden. Daarnaast vindt er een kostendaling plaats, waardoor er prijsconcurrentie kan gaan plaatsvinden. 12

13 In de rijpheidsfase (de langste fase) is het product een gewoontegoed geworden, waardoor een groot deel van de markt bestaat uit vervangingsvraag. Er kan overcapaciteit ontstaan en bedrijven zullen proberen om hun concurrentiepositie te verbeteren met voor- en achterwaartse integratie. Ten slotte vindt de teruggangsfase plaats, waarin de afzet daalt door nieuwe substituutproducten. Er wordt weinig meer uitgegeven aan R&D en de winsten zijn meestal laag door een structurele overcapaciteit. Vaak roepen ondernemingen de hulp van de overheid in om de sanering te reguleren (stagnatiemonopolie). 6.5 Er is sprake van horizontale concentratie als bedrijven binnen een bedrijfstak uitbreiden ten koste van andere ondernemingen. Een belangrijke reden hiervoor is het vergroten van het marktaandeel. Bedrijven kunnen schaalvoordelen verwerven, overcapaciteit uitbannen en technologie opkopen. Ondernemingen kunnen ook activiteiten ontwikkelen buiten de bedrijfstak. Dit kan met vooren achterwaartse integratie, diversificatie en conglomeratie. Daarnaast bestaan er gespecialiseerde bedrijven die werkzaam zijn in één of enkele bedrijfstakken en een unieke deskundigheid bezitten. Ze hebben een aantal kernactiviteiten. Zie: hfst. 6; blz. 120; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van de activiteiten in andere bedrijfstakken. Bij diversificatie vindt opname van goederen en diensten uit een andere bedrijfskolom in het productiepakket plaats. Als de goederen en diensten uit dezelfde geleding van de bedrijfskolom komen, dan is er sprake van parallellisatie. Diversificatie wordt gedaan om de efficiëntie te verhogen. Horizontale en verticale concentratie kan op verschillende juridische manieren worden bewerkstelligd, namelijk met: overname en fusie, een consortium (tijdelijk samenwerkingsverband), een coöperatie (samenwerking in een andere zelfstandige onderneming in een ander deel van de bedrijfskolom), inkoopcombinaties (voor kleine ondernemingen die worden bedreigd door grote ondernemingen), een vrijwillig filiaalbedrijf (detaillisten sluiten zich aan bij een grossier), een franchise (franchisenemer maakt gebruik van bepaalde rechten van de franchisegever die worden vastgelegd in een contract), een joint venture (gezamenlijke dochteronderneming van een aantal andere ondernemingen) en kartelvorming (afspraken maken tussen verschillende ondernemingen om de concurrentie te beperken). 13

14 Hoofdstuk 7 Meso-economie en onderneming 7.1 Bedrijven gebruiken vaak een bedrijfstakanalyse in hun strategisch managementproces. De omgevingsinformatie kan worden geanalyseerd met behulp van een SWOT-analyse (Strenghts, Weaknesses, Opportunities, Threats) om zo achter de kansen en bedreigingen van de onderneming te komen. Door het combineren van een kans en een sterkte kan een concurrentievoordeel worden behaald. Niet alle kansen en bedreigingen zijn echter even belangrijk, dus een onderneming moet bepalen welke kritische succesfactoren er zijn in de bedrijfstak. Aan de hand hiervan en de interne informatie kunnen de prestatie-indicatoren worden vastgesteld (doelstellingen voor de nabije toekomst). Zie: hfst. 7; blz. 129; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor de kritische succesfactoren van de modebranche. 7.2 In een bedrijfstakanalyse moeten vragen worden beantwoord. Zie: hfst. 7; blz ; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een checklist. 14

15 Hoofdstuk 8 Produceren 8.1 Productie is het toevoegen van waarde aan producten in bedrijven en de overheid. Het bruto binnenlands product (BBP) is de totale productie binnen een land. Als het BBP wordt gedeeld door het inwonersaantal van het land, dan wordt de welvaart als BBP per hoofd van de bevolking berekend. Zie: hfst. 8; blz. 139; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van de welvaart in verschillende landen. De meeste landen streven naar welvaartsgroei, wat een maatstaf is voor economische groei. Door de grote welvaartsverschillen (ook binnen een land) zijn er mensen die moeilijk hun basisbehoeften kunnen bevredigen. In de Verklaring van de rechten van de mens staan de normen waaraan een land moet voldoen voor een menswaardig bestaan. De welvaart wordt beïnvloed door de inkomensverdeling. Welzijn wordt ook beïnvloed door welvaart. Het geluk van mensen hangt af van de mate waarin mensen hun immateriële behoeften kunnen bevredigen. De human development index (HDI) van de Verenigde Naties is een maatstaf om het welzijn van een bevolking te meten. Zie: hfst. 8; blz. 145; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor de HDI-scores van enkele landen. 8.2 De BBP kan worden bepaald door het meten van de toegevoegde waarde, de inkomens en de bestedingen. De toegevoegde waarde kan worden gemeten op drie manieren: door alle toegevoegde waarde van ondernemingen en overheden in een land op te tellen (productiebenadering), door alle beloningen die de productiefactoren ontvangen op te tellen (inkomensbenadering) of door alle bestedingen voor de productie in een land te sommeren (bestedingsbenadering). Ondernemingen gebruiken de opbrengsten van verkoop om hun inkopen te betalen, maar ook om te voldoen aan de kostprijsverhogende belastingen en de afschrijvingen. De overheid verleent ook kostprijsverlagende subsidies aan ondernemingen. De restpost van de opbrengsten is de winst. Dit kan worden gezien als de vergoeding voor de productiefactor ondernemerschap. Naast het BBP bestaat ook het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) dat betrekking heeft op het inkomen dat voortvloeit uit de productiefactoren die toebehoren aan de inwoners van een land. Een waardesysteem is een waardetoevoeging in een bepaalde bedrijfskolom. In een resultatenrekening worden de opbrengsten, de kosten en de winst opgenomen. De overheid produceert ook en voegt ook waarde toe. Zij is namelijk actief betrokken bij de productie en levering van allerlei goederen en diensten. Een doel kan zijn om veiligheid te creëren. De overheid oefent zelf vraag uit naar producten omdat zij de bestedingen verricht voor het gratis ter beschikking stellen van diensten aan de bevolking. 15

16 Hoofdstuk 9 Productiefactoren 9.1 De kapitaalgoederenvoorraad wordt gevormd door alle goederen die worden gebruikt in het productieproces. Kapitaalgoederen die langer dan één periode meegaan, worden duurzame kapitaalgoederen genoemd. Ze zijn echter onderhevig aan slijtage, waardoor er vervangingsinvesteringen moeten worden gedaan. Vlottende kapitaalgoederen (zoals grondstoffen) worden in het eindproduct verwerkt en hulpstoffen (zoals energie) worden verbruikt tijdens het productieproces. Hoeveel kapitaalgoederen er nodig zijn voor het vervaardigen van een eenheid product wordt weergegeven met de kapitaalcoëfficiënt. De productiecapaciteit is de maximale hoeveelheid goederen en diensten die kan worden geproduceerd in een economie. 9.2 De productiefactor arbeid wordt verricht door de beroepsgeschikte bevolking. Hierbij is de participatiegraad belangrijk: het deel van de beroepsgeschikte bevolking dat deelneemt aan het arbeidsproces. De P/A-verhouding geeft aan hoeveel personen er nodig zijn voor het aantal arbeidsjaren. Een hoog getal geeft aan dat er veel parttimers werkzaam zijn in een land. Een persoon is werkloos als hij minstens 15 jaar is en geen baan heeft, maar wel werk zoekt. Langdurig werklozen lopen het risico om nooit meer deel te nemen aan het arbeidsproces, omdat hun kennis en vaardigheden snel verouderen. Conjuncturele werkloosheid verschijnt als de economische bedrijvigheid afneemt, maar daalt weer als de economie aantrekt. Structurele werkloosheid verloopt stabieler en is hardnekkiger. Het BBP is gelijk aan de arbeidsproductiviteit maal de arbeidsvraag of werkgelegenheid. Zie: hfst. 9; blz. 160; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor de BBP s van 2004 t/m 2006 in Nederland. In een slechte economische situatie is er sprake van overcapaciteit, omdat niet alle kapitaalgoederen in het productieproces zijn ingeschakeld. Het verschil tussen de capaciteit en de productie wordt output-gap genoemd. Een groot deel van de toegevoegde waarde bestaat uit arbeidskosten. De concurrentiepositie wordt dan ook beïnvloed door loonstijging. Het brutoloon wordt beïnvloed door de structuur van de beroepsbevolking, zoals het opleidingsniveau en de leeftijd. Ten slotte wordt de loonvorming beïnvloed door belastingen en sociale premies. Als er een stijging van de prijzen is, dan wordt deze doorberekend in de lonen om te voorkomen dat de koopkracht daalt. Prijscompensatie en arbeidsproductiviteitsstijging vormen samen de loonruimte. De loonkosten bestaan uit het nettoloon, de werkgevers- en werknemerspremies en directe belastingen. Het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon wordt aangeduid met wig. De belastingen en premies die worden geheven van de loonkosten worden bruto-nettotraject genoemd. De concurrentiepositie van een onderneming hangt af van de arbeidskosten per eenheid product en niet van de loonsom per werknemer. Hoe de arbeidskosten per eenheid product zich ontwikkelen, hangt af van de groei van de loonsom per werknemer en de arbeidsproductiviteit. De AIQ (arbeidsinkomensquote) is het deel van de bruto toegevoegde waarde dat als beloning wordt aangemerkt voor de productiefactor arbeid. De procentuele verandering van het AIQ 16

17 kan worden berekend door de procentuele verandering van de prijzen en de arbeidsproductiviteit af te trekken van de procentuele verandering van het loon per werknemer. 9.3 De productiefactor natuur is erg belangrijk, omdat deze grondstoffen levert. Welke grondstoffen het zijn, hangt af van de ligging van een land. De ligging beïnvloedt ook de natuurlijke transportmogelijkheden. Daarnaast bepalen het klimaat en de bodemgesteldheid de mogelijkheden voor de landbouwsector. Verder kan de natuur worden gebruikt voor recreatie. Het vervult ook onze behoeften aan water en lucht. Door de alarmerende situatie waarin het milieu verkeert, is de milieubelasting ingevoerd als grens aan de economische groei. Er moet worden uitgegaan van een duurzame economische groei voor een duurzaam nationaal inkomen. Daarom is duurzaam ondernemen steeds belangrijker geworden. Dit is winstgevend ondernemen (profit) zonder schade toe te brengen aan de maatschappij (people) en de natuur (planet). 17

18 Hoofdstuk 10 De structuur van de economie 10.1 De Europese economie bevat zes sectoren, namelijk: de publieke dienstverlening, de landbouw, de industrie, de bouw, de handel, transport en communicatie en de financiële en zakelijke dienstverlening. In de postindustriële samenleving wordt het BBP vooral gevormd door de dienstverlening. Zie: hfst. 10; blz ; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van de werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit per sector en ondernemingsgrootte Productiefactoren kunnen groeien in kwantiteit en in kwaliteit. Kwantitatieve groei betekent meer arbeid, kapitaal en natuur. Kwalitatieve groei betekent dat de arbeidsproductiviteit omhoog gaat. De hoeveelheid kapitaalgoederen die nodig is om een eenheid product te vervaardigen, wordt kapitaalcoëfficiënt genoemd. Hoeveel er kan worden bespaard, hangt af van de spaarquote en het nationaal inkomen. Hoe hoger de spaarquote, hoe meer er kan worden bespaard. De beschermde sectoren, zoals de bouw en de detailhandel, hebben weinig te vrezen van de internationalisering. In de open sector staan de ondernemingen bloot aan de internationale concurrentie. Hoe succesvol ondernemingen zijn in een open sector hangt o.a. af van het ontwikkelingsniveau van de economie. Er zijn drie niveaus die samenhangen met het BBP per persoon, namelijk: factorgedreven groei (landen met lage inkomens), investeringsgedreven groei (door buitenlandse investeringen) en innovatiegedreven groei (laatste en moeilijkste fase van groei). Er is regelmatige vernieuwing van producten en productieprocessen nodig om de concurrentieposities te behouden. Zie: hfst. 10; blz. 186; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een overzicht van de verschillende fasen van de economische ontwikkeling Het groeivermogen van een land wordt bepaald door de groei van de productiefactoren arbeid, kapitaal en natuur en de mate waarin ze kunnen worden ingezet in het productieproces. Deze twee aspecten worden beïnvloed door zes factoren: menselijk kapitaal, ondernemerschap, marktordening, innovatie, ruimtelijke inrichting en duurzaamheid. Het menselijk kapitaal is afhankelijk van demografische ontwikkelingen. Doordat het aandeel ouderen steeds meer zal toenemen en er dus relatief gezien minder beroepsgeschikte bevolking zal zijn, wordt er ook wel gesproken van een demografische tijdbom. Mogelijke oplossingen hiervoor zijn het verhogen van het aantal uren per werknemer, het inzetten van een groter deel van de beroepsgeschikte bevolking, het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd, het goed op orde houden van de overheidsfinanciën, het stimuleren van deeltijdwerknemers om fulltime gaan werken en het putten uit de reserves van werklozen. De arbeidsparticipatie van ouderen boven de 60 jaar is gering. Echter, ouderen hebben steeds vaker hogere inkomens en leven deels op de kosten van de jongere generatie. De intergenerationele verdeling wordt steeds ongelijker, waardoor de solidariteit steeds meer onder druk staat. Een andere verdeling van arbeid en vrije tijd zou het geluk van mensen kunnen schaden. Als alle beschikbare arbeid is ingezet in het productieproces, dan is productiviteitsgroei de enige bepalende factor voor het groeivermogen. Als het om menselijk kapitaal gaat, is het 18

19 belangrijk om te voorkomen dat goed opgeleid personeel een knelpunt wordt voor de economische groei. Het is belangrijk dat ondernemers genoeg bewegingsruimte hebben bij het oppakken van nieuwe activiteiten. De overheid kan ondernemers stimuleren om een scherp prijsbeleid te voeren en te innoveren door de marktwerking te verbeteren. Innovatie kan het beste worden bewerkstelligd door te investeren. Ondernemingen investeren meestal meer als ze hoge winsten hebben en dus een lage AIQ. Daarnaast kunnen er ook immateriële investeringen worden gedaan voor het vernieuwen van producten en productieprocessen. De R&D-uitgaven van een land nemen toe naarmate het BBP stijgt. R&D kan worden onderscheiden in technology-push (fundamenteel onderzoek waarin technologische ontwikkeling een autonoom proces is) en demand pull (toegepast onderzoek dat vraaggestuurd is). Het kennisdiffusieproces bestaat uit informatiestromen tussen een bedrijf en een klant. Hiervoor is een bewuste organisatie van de kennisstroom nodig. Producten en bedrijfstakken kunnen worden ingedeeld in hightech (zoals farmacie), mediumtech (zoals auto s) en lowtech (zoals textiel). 19

20 Hoofdstuk 11 Bestedingen 11.1 Huishoudens, bedrijven, de overheid en het buitenland doen bestedingen. Elke sector heeft eigen marktkenmerken. Er zijn consumentenmarkten, zakelijke markten, de markt voor overheidsopdrachten en de buitenlandse markten Consumenten hebben verschillende voorkeuren voor producten om hun behoeften te bevredigen. De bestedingen die alle consumenten doen, vormen samen het macroeconomische consumptiepatroon. Zie: hfst. 11; blz. 203; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor het consumptiepatroon van de EU-25 in Ondernemingen moeten goed in de gaten houden welke veranderingen plaatsvinden in het consumptiepatroon. Hierbij speelt de inkomenselasticiteit een belangrijke rol. De verandering in koopkracht is de verandering in inkomen met een correctie voor de inflatie. Er wordt gesproken van een reële stijging van het inkomen als de koopkracht stijgt. Het inkomen, zonder te worden gecorrigeerd voor de prijsstijging, wordt het nominale inkomen genoemd. Of een inkomensstijging leidt tot een hogere afzet hangt af van de inkomensgroep waarin de stijging plaatsvindt. Hoeveel er van een extra euro wordt geconsumeerd, wordt weergegeven met de marginale consumptiequote. Voor lage inkomensgroepen is deze beduidend hoger. Een stijging in de koopkracht is echter niet voldoende om meer te consumeren, aangezien er ook consumentenvertrouwen moet zijn in de economische toekomst. Zie: hfst. 11; blz. 207; Algemene economie en bedrijfsomgeving; Hulleman & Marijs voor een grafiek van het verloop van de Consumer Confidence Index voor de EU van Consumptiegroei op de korte termijn is ook afhankelijk van de reële rente (bij het lenen van geld) en het vermogen (om mee te beleggen) Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen. Er zijn drie soorten investeringen, namelijk: vervangingsinvesteringen (afschrijvingen bij het aanschaffen van kapitaalgoederen vanwege slijtage), uitbreidingsinvesteringen (om de productiecapaciteit te vergroten) en voorraadinvesteringen (voor wijzigingen in de voorraden). Voorraadinvesteringen kunnen gedwongen zijn als de groei van de afzet te hoog wordt geschat. Vervangingsinvesteringen en netto-investeringen vormen samen de bruto-investeringen. Netto-investeringen worden gevormd door uitbreidingsinvesteringen in vaste activa en voorraadmutaties. Bij een diepte-investering gaat het om een kapitaalgoed met arbeidsbesparende technischontwikkelde kenmerken. Bij breedte-investeringen geldt dit niet. De investeringen die ondernemingen doen zijn gebaseerd op de afzetverwachtingen. Ook de bezettingsgraad speelt een rol: bij een hoge bezettingsgraad is productieverhoging alleen mogelijk door uitbreiding van de kapitaalgoederenvoorraad. Daarnaast spelen rente en winst een rol. 20

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Het Vijfkrachtenmodel van Porter

Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het Vijfkrachtenmodel van Porter (een concurrentieanalyse en de mate van concurrentie binnen een bedrijfstak) 1 Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het vijfkrachtenmodel is een strategisch model wat de aantrekkelijkheid

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

1 De economische kringloop

1 De economische kringloop 1 De economische kringloop Wat is Marco-economonie? Studie van het verband tussen Gezinnen Bedrijven Overheid Buitenland Welke soorten economische vraagstukken hebben we? Productie Werkloosheid Inflatie

Nadere informatie

Gezinnen. Overheid. Bedrijven. Buitenland

Gezinnen. Overheid. Bedrijven. Buitenland Hoofdstuk 2 Basisinzichten Opgave 1 NBP fk 990 S = 120 Gezinnen Bg = 50 C = 820 Overheid NBPov = 90 Indir. Bel. = 70 Cov = 50 Iov = 10 NBPb = 900 Bedrijven I = 110 X = 910 M = 930 Buitenland B NBPfk Bg

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

Saxionstudent.nl Blok1

Saxionstudent.nl Blok1 Samenvatting eindopdracht Trends en ontwikkelingen op consumentenniveau Macro In dit eind rapport hebben we de navigatiesystemen markt in kaart gebracht. In de macro, meso en micro omgevingen hebben we

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 De onderneming en algemene economie

Hoofdstuk 1 De onderneming en algemene economie Hoofdstuk 1 De onderneming en algemene economie par. 1.1 1.1 In de economie wordt vaak het begrip schaarste gebruikt. Schaarste a is een gevolg van gebrekkig economisch handelen. b komt voort uit de oneindigheid

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd 2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd Mensen moeten steeds de keuze maken tussen werken en vrije tijd: 1. Werken * Je ontvangt loon in ruil voor je arbeid; * Langer werken geeft meer loon (en dus kun

Nadere informatie

1.1 Economisch handelen en algemene economie 1.2 Bedrijfsomgeving en algemene economie 1.3 Absolute en relatieve gegevens

1.1 Economisch handelen en algemene economie 1.2 Bedrijfsomgeving en algemene economie 1.3 Absolute en relatieve gegevens Noordhoff Uitgevers bv DE ONDERNEMING EN ALGEMENE ECONOMIE 5 De onderneming en algemene economie. Economisch handelen en algemene economie.2 Bedrijfsomgeving en algemene economie.3 Absolute en relatieve

Nadere informatie

Samenvatting Hoofdstuk 7 Welvaart, wie vaart er wel bij?

Samenvatting Hoofdstuk 7 Welvaart, wie vaart er wel bij? Paragraaf 1: Het nationaal inkomen Samenvatting Hoofdstuk 7 Welvaart, wie vaart er wel bij? Voor iedere productiefactor die gezinnen ter beschikking stellen, krijgen ze een beloning. In het schema kun

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Inhoud. deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie

Inhoud. deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie V Inhoud deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie 1 Omgevingsfactoren 2 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen 2 1.2 De economische wetenschap 4 1.3 Produceren, productiefactoren 4 1.4 Participanten en omgevingsfactoren

Nadere informatie

Landenanalyse H4. Week 1 Landenrisico

Landenanalyse H4. Week 1 Landenrisico Landenanalyse H4 Week 1 Landenrisico Risico s en problemen die verbonden zijn met het exporteren naar het buitenland - Importbelemmeringen (als bijvoorbeeld de handelsbalans een groot tekort vertoont)

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Examen VWO 28 tijdvak 1 maandag 26 mei 13.3-16.3 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Eindexamen economie havo 2011 - I

Eindexamen economie havo 2011 - I Opgave 1 AWBZ-zorgen Havo-leerling Dick besluit voor economie een profielwerkstuk te maken over de stijgende uitgaven van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Hieronder staan drie delen van

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

4.1 Klaar met de opleiding

4.1 Klaar met de opleiding 4.1 Klaar met de opleiding 1. Werken in loondienst - Bij een bedrijf of bij de overheid (gemeente, provincie, ministerie); - Je krijgt loon/salaris; - Je hebt een bepaalde zekerheid, dat je werk hebt,

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

Economie Samenvatting M4

Economie Samenvatting M4 Economie Samenvatting M4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Ruilen over tijd is een belangrij onderdeel van economisch handelen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven en de overheid. Gezinnen sparen voor hun

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 19 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 19 mei 13.30 16.30 uur Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 19 mei 13.30 16.30 uur 20 03 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 15

Extra opgaven hoofdstuk 15 Extra opgaven hoofdstuk 15 Opgave 1 Veronderstel dat de oliemarkt wordt beschreven door het onderstaande model (1) q v = 20 p + 16.000 p prijs per vat olie in euro s (2) q a = 20 p q v, q a aangeboden,

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2002-I

Eindexamen economie 1 havo 2002-I Opgave 1 Nationaal inkomen en welvaart Een van de belangrijkste economische grootheden is het nationale inkomen. Economen hanteren het nationale inkomen als een maatstaf voor de welvaart. Een groei van

Nadere informatie

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid = mensen Door werkgevers: bedrijven en overheid Werkgelegenheid Hoe lager het loon, hoe groter de vraag naar arbeid Aanbod van arbeid: beroepsbevolking (iedereen tussen de

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) volkomen concurrentie bij (2) niet bij (3)

Nadere informatie

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1 Inhoud Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1 1 Omgevingsfactoren 3 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen 3 1.2 De economische wetenschap 4 1.3 Produceren, productiefactoren 5 1.4 Participanten en omgevingsfactoren

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: HAVO EAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2011 tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen).

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen). Basiskennis Ondernemerschap Correctiemodel Vraag 1 Toetsterm 1.1 - Beheersingsniveau: B - Aantal punten: 1 In Alkmaar wordt elke vrijdag een kaasmarkt gehouden. De kazen worden aangeleverd door de producenten

Nadere informatie

Tentamen. Tentamen Spm1212 Economie & Bedrijf 19 januari 2011. Spm1212 Economie & Bedrijf. Naam:... Studentnummer:

Tentamen. Tentamen Spm1212 Economie & Bedrijf 19 januari 2011. Spm1212 Economie & Bedrijf. Naam:... Studentnummer: Spm1212 Economie & Bedrijf Tentamen Woensdag 19 januari 2011 14.00 uur 17.00 uur Instructies: Dit tentamen bestaat uit zowel meerkeuze- als open vragen. Er zijn 20 meerkeuzevragen en 2 open vragen. De

Nadere informatie

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn.

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Basiskennis Ondernemerschap Voorbeeldexamen Belangrijke informatie Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Dit voorbeeldexamen bestaat

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro. Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair

Nadere informatie