Wie ben ik? 2 om te beginnen 3 vanuit de stilte 4-6 overdenking. 7 open ruimte Dit ben ik! 8 zegenrijk. Wie ben ik? foto CCO

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Wie ben ik? 2 om te beginnen 3 vanuit de stilte 4-6 overdenking. 7 open ruimte Dit ben ik! 8 zegenrijk. Wie ben ik? foto CCO"

Transcriptie

1 + 2 om te beginnen 3 vanuit de stilte 4-6 overdenking 7 open ruimte Dit ben ik! 8 zegenrijk foto CCO september + oktober 2019 Algemene Doopsgezinde Sociëteit

2 2 om te beginnen vanuit de stilte Machteld van Woerden 3 vooraf Machteld Stam Als jongste van een gezin met drie meisjes kreeg ik regelmatig kleding waar mijn zussen al in hadden gelopen. Ik had niet zo n moeite met het dragen van deze afdankertjes, ik bewaar er tenminste geen negatieve herinneringen aan. Als twaalfjarige ging ik naar dezelfde middelbare school als mijn zussen. Dat was niet alleen de wens van mijn ouders maar ook mijn eigen keuze. Op deze kleine, overzichtelijke school zat ik bij menig leraar in de klas die ook mijn zussen had onderwezen. Regelmatig werd ik door die docenten aangesproken met de naam van de zus boven mij. Giechelende puber als ik was, lachte ik deze vergissing weg. Na mijn eindexamen koos ik bewust voor een andere studie dan mijn zussen. En in mijn groei naar volwassenheid ontwikkelde ik in de loop der jaren steeds meer mijn eigen identiteit. Een paar jaar geleden organiseerden een paar oud-klasgenoten een reünie. Behalve onze klas hadden zij ook een aantal oud-leraren weten op te sporen. Ik was nieuwsgierig wat er van mijn klasgenoten geworden was en ging er naartoe. Bij binnenkomst was er veel herkenning en gelach. Behalve dat iedereen ouder was geworden, waren de meesten nauwelijks veranderd. Dat gold ook voor de leraren. Toen ik mijn oud-leraar wiskunde begroette, schudde hij enthousiast mijn hand en noemde mijn naam. Om in één adem er op te laten volgen: Hoe is het met je zussen? Waar ik als puber om gegiecheld had, vond ik nu als volwassen vrouw storend. Ik mompelde nog net dat het goed met ze ging en maakte mij snel uit de voeten om mij de rest van de dag te vermaken met mijn oud-klasgenoten. wie ik ben Geweven in de moederschoot gewenst, gehoopt, geliefd nog voor de eerste ademtocht het raadsel van het zelf ben ik dat? hoe was mijn begin, wie zorgde, was bekommerd, en gaf mij de eerste liefde kon ik het ook ontvangen? boek Machteld Stam voorbij, voorbij Tien jaar geleden vergat de man van presentator en journalist Clairy Polak zijn sleutels, raakte de weg kwijt en kon niet meer op bepaalde woorden komen. Het was het begin van wat later Alzheimer bleek te zijn. Na vier jaar voor hem gezorgd te hebben, ging het niet langer. Polak vond een verpleeghuis voor haar man. Ze besloot alles op papier te zetten om helder te krijgen wat haar man en haar was overkomen. Dat deed ze in romanvorm, geschreven in de derde persoon. Ze gaf haar man de naam Leo en noemde zichzelf Judith. Het werd een bijzondere roman over afscheid nemen, geschreven vol compassie. Voorbij, voorbij verhaalt over hun bijna symbiotische liefde onverwacht, gezien hun totaal verschillende achtergrond. Daarover zegt Polak in een interview (in de nrc van 31 mei 2019): Aan een blik, een woord, een gebaar hadden we genoeg om elkaar te begrijpen. Hij werd een essentieel deel van mijn denkwereld. Je denkt, kijkt en ziet voor twee. Toen hij geen herinneringen meer had, leek het alsof ook een gedeelte van mijzelf verloren ging. Dat was het verdrietige van de latere situatie. ( ) Helemaal die ene alleen word je nooit meer. Dat leven van ons samen moet ik me nu in mijn eentje herinneren. Voorbij, voorbij, Clairy Polak, uitgeverij Meulenhoff, 19,99 hoe gaf ik vorm aan leven aan laten leven ook, wat deed me goed, wat schaadde mij hoe groeide ik eraan? er liggen brokken op mijn weg mislukte pogingen om te worden contacten verdronken in ooit onbegrepen woorden wilde struiken bloeien langs de kant geschenken van hoop onverwachte ontmoetingen erkenning van wie wij zijn colofon Doopsgezind Plus is een liturgische, pastorale uitgave van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit. Doopsgezind Plus verschijnt zes keer per jaar, in het hart van het magazine Doopsgezind NL. Redactie Kalle Brüsewitz, Ruud Mulder, Machteld Stam, Jeannette den Ouden en Machteld van Woerden Ontwerp & opmaak Susan de Loor, Kantoordeloor, Haarlem Druk gbu Media Oplage Papier G-Print Proost & Brandt, fsc-gecertificeerd Contact redactie Singel aw Amsterdam t ads 2019 Jij zegt: ik ben, ik zal er zijn de grond onder mijn twijfel wie ik ook ben: ik zal niet vallen uit de palm van jouw hand + foto CCO

3 4 overdenking Machteld van Woerden 5 Er zijn momenten in het leven dat je jezelf afvraagt wie je eigenlijk bent, of je geworden bent wie je wilde zijn en of dat ook goed genoeg was. Deze vraag is niet alleen voorbehouden aan oudere mensen die terugkijken op hun leven. Ik herinner me uit mijn jeugd dezelfde vragen en onzekerheden, die samenhingen met de zoektocht naar identiteit, een passende beroepskeuze en hoe vorm te geven aan maatschappelijke betrokkenheid. Ook toen waren terugkerende vragen: wie ben ik, wat wil ik, wat kan ik? En: hoe zien anderen mij en klopt dat wel met het beeld dat ik van mezelf heb? Hoe belangrijk waren ook deze laatste vragen voor ons nog zo onzekere jongvolwassenen! Alsof je toekomst van de mening van anderen afhing en dat was in zekere zin ook zo. In tijden van crisis kan de vraag naar wie je zelf bent en waar je voor staat extra sterk naar voren komen, zeker ook als je zelfbeeld niet overeenkomt met hoe anderen over je denken. Zo beleefde de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer ( ) zijn situatie tijdens zijn gevangenschap, toen hij zich openlijk verzet had tegen het regime van Adolf Hitler. Hij werd vlak voor de bevrijding geëxecuteerd omdat men hem verdacht van medeplichtigheid aan de (mislukte) aanslag op Hitler. Voor Bonhoeffer was meer dan een filosofische vraag: het was een levensvraag. De oude Grieken waren al bezig met het zoeken naar inzicht in het leven en gebruikten de kernachtige uitspraak Ken uzelf als nuttig hulpmiddel. De filosoof Socrates heeft zich zijn leven lang met vragen rondom het kennen van het zelf ingelaten. Dat is begrijpelijk, want de opdracht jezelf te kennen blijkt een ingewikkelde te zijn. Want wie ben je nu eigenlijk en hoe goed ken je jezelf? En ben je in de verschillende fases van je leven steeds een constant zelf of verander je gaandeweg ook? Je kunt je ook afvragen in hoeverre je jezelf echt kunt kennen en of je misschien pas door anderen inzicht krijgt in wie je bent. En hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Toen aan de allereerste mens, Adam, gevraagd werd: Waar ben je? [Gen.3:9] had hij zojuist gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad. Op het Waar ben je zou bijna als vanzelf een Wie ben je kunnen volgen, want wetend van goed en kwaad beziet de mens zichzelf in al zijn of haar naaktheid en is hij voorgoed gezegend je kunt je afvragen in hoeverre je jezelf echt kunt kennen met de verantwoordelijkheid zelf in vrijheid keuzes te maken, voor of tegen het leven. Dat hij of zij die verantwoordelijkheid probeert te ontlopen door een ander de schuld te geven ik was het niet, het was de vrouw; ik was het niet, het was de slang maakt alleen maar meer duidelijk dat hij (en zij) weet heeft van het verschil tussen goed en kwaad. Deze oeroude vertelling over de mens heeft tot op vandaag zeggingskracht, omdat het de eigen verantwoordelijkheid van mensen zo serieus neemt. We zijn vrij om een levenspad te kiezen, al kan dat achteraf helaas ook verkeerd uitpakken. Maar ook dan zijn wij zelf verantwoordelijk. >> foto Ramon Philippo

4 6 overdenking open ruimte Kalle Brüsewitz 7 Uit: Verzet en overgave, p. 345 Zo zijn er in de bijbel meer inspirerende verhalen te vinden over de vraag: wie is de mens? en hoe verhoudt zich die mens tot de Eeuwige en tot zijn broeder? Dit zijn bijbelse kernvragen die steeds terugkeren in de verhalen. In het bekende roepingsverhaal van Mozes bij het brandend braambos [Ex.3:11] lezen we bijvoorbeeld hoe God Mozes opdraagt om zijn volk uit de verdrukking in Egypte te bevrijden, en we horen zijn bijna ontstelde antwoord: Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de kinderen van Israël uit Egypte zou leiden? Gods antwoord laat hem niet meer los: Omdat ik met je zal zijn. Mozes krijgt geen antwoord op de vraag naar zichzelf, maar in zijn relatie met jhwh (ik zal met je zijn) ervaart hij wie hij zijn mag: de spreekbuis van God bij zijn volk, de spreekbuis van zijn volk bij Farao. Ze zeggen me vaak: je treedt uit je cel, rustig, blij en zeker. Ze zeggen me vaak: je spreekt met je bewakers vrij, rechtuit en vriendelijk. Ze zeggen me ook: je draagt je zware dagen evenwichtig, glimlachend, trots. Ben ik werkelijk wat anderen van mij zeggen? Of ben ik alleen wat ik weet van mijzelf: onrustig, vol heimwee, ziek als een gekooide vogel, snakkend naar adem, dorstend naar goede woorden, naar menselijke nabijheid, trillend van woede om willekeur, om de geringste krenking, opgejaagd wachtend op iets groots, machteloos bang om vrienden in den vreemde, moe en te leeg om te bidden, te denken, te werken, uitgeput en bereid om van alles afscheid te nemen? De een of de ander? Ben ik nu de een en morgen de ander? Ben ik beiden tegelijk? Ik ben de speelbal van mijn eenzaam vragen. Wie ik ook ben, gij kent mij; ik ben van u, mijn God. + Psalm 139 heeft op unieke wijze aan de vraag inhoud gegeven. In de berijming van de psalm, ook in het nieuwe Liedboek, horen we aan het begin zo mooi: Heer, die mij ziet zoals ik ben / dieper dan ik mijzelf ooit ken / kent Gij mij. Het is een troostrijke gedachte dat bij je zoektocht naar wie je bent als mens, alle oordelen die je over jezelf velt en alle meningen die anderen over je mogen hebben, niet voorgoed hoeven vast te liggen, noch waar hoeven te zijn. Je kunt je in iedere fase van je leven opnieuw de vraag stellen en Wat heb ik gedaan met mijn leven? en bij het zoeken naar antwoorden op die beladen vragen besluiten jezelf los te laten en als het ware je toevlucht te zoeken bij de Eeuwige, bezongen in die bijzondere Psalm 139. Dat deed Dietrich Bonhoeffer in onderstaand gedicht, dat hij schreef in de gevangenis: foto Wikicommons foto Everdien Snijders Everdien Snijders (54) weet dat haar leven er anders uitziet dan bij anderen, en ook anders dan ze zich ooit had voorgesteld. Maar daar is ze aan gewend. Vijfentwintig jaar geleden trouwde ze met Peter. Everdien had haar eigen bedrijf en verdiende haar geld als tekstschrijver. Twee jaar na haar huwelijk werd bij haar man een spierziekte geconstateerd. Vanaf dat moment veranderde hun leven. De spierziekte was weliswaar progressief, maar het ging geleidelijk. Langzaam ontstond er een leven dat gebouwd was rond zijn ziekte. Hij wilde blijven werken en ik deed er alles aan om dat mogelijk te maken. Gelukkig kon het, maar dat kostte een hoop energie en tijd. Langzaam merkte ik dat ons leven zich vormde om zijn ziekte. De keuzes die we moesten maken waren keuzes die we maakten voor hem. En het waren niet eens bewuste keuzes, want keuzes maken vind ik heel lastig. Dit ben ik! Ik was echt boos en zag alles down the drain gaan. Als mijn oren het laten afweten is mijn hele identiteit weg. Communiceren is wat ik doe en waar ik goed in ben. De dingen in ons leven gebeurden op een bepaalde manier, omdat dat het beste was voor hem. Dat realiseerde ik me overigens niet hoor. Het was een leven waar we in groeiden. De realisatie dat het in het teken van hem stond, kwam eigenlijk pas vorig jaar. Vorig jaar ging Everdien s gehoor ineens heel rap achteruit. Een regelrechte ramp. Haar hele identiteit verdween als sneeuw voor de zon. Zo voelde ze het althans. De paniek was groot. Ik liep met mijn ziel onder mijn arm. Ik kreeg er depressieve gevoelens van. Eerst vooral omdat ik wist dat ik van ons de communicator ben, en er heel veel communicatie nodig is om het thuis allemaal goed geregeld te krijgen. Maar nog meer realiseerde ik me dat communicatie is wat ik bén. Ik verdiende mijn geld ermee en had mijzelf ergens in mijn onderbewuste beloofd dat er een moment zou komen dat het weer om mij zou gaan. En toen werd ik heel boos. Ik was al niet zo gelovig, maar ik heb die God, die me dit aandeed en waar mijn man zo hartstochtelijk in gelooft, vervloekt. Hartgrondig. Van alle dingen die mij zouden mogen overkomen was dit wel het laatste. Al hadden ze mijn armen en benen geamputeerd. Alles beter dan me mijn gehoor afnemen. Alles beter dan me mijn identiteit afnemen. Nu het wat gestabiliseerd is en het gehoor weliswaar slecht is, maar niet meer zo rap achteruit gaat, ziet ze ook een andere kant van een heel heftig jaar. Het heeft wel iets teweeg gebracht, al met al. De realisatie dat ik er nog ben en mag zijn, en dat ik voor mezelf zou kunnen kiezen en dingen zou kunnen doen waar ik energie van krijg, had ik nodig. Ik wil daar nu vol voor gaan. Ik wil verhalen maken, verhalen schrijven en contact maken met mensen. Dat wil ik doen. Want dat ben ik. +

5 8 zegenrijk Jeannette den Ouden Ik voelde haar schaamte, haar pijn. foto Pxhere Ze belde of ik langs wilde komen. Na misschien wel twintig jaar! Ze wilde iets rechtzetten. We maakten een afspraak. Ik herinnerde ik me hoe we elkaar hadden ontmoet. Ze kwam met iemand mee naar de kerk. Na de dienst hadden we kennisgemaakt en toen had ze gevraagd of ze een keer met me mocht praten. Kon dat zomaar? Ja, dat kon. Toen ik kort daarna bij haar op bezoek kwam, begon ze zich te verontschuldigen. Dat ze beslag legde op mijn tijd. Andere mensen maakten veel ergere dingen mee. Maar daarna vertelde ze toch haar verhaal. Op haar 22e was ze getrouwd met een oudere man. Vijftien jaar scheelden ze. Ze was extreem onzeker in die tijd. Hij was een van haar docenten, net gescheiden. Ach, je weet hoe dat gaat. Ze was zwanger geraakt en had haar studie niet afgemaakt. Hij was bereid met haar te trouwen, maar al snel ontdekte ze dat ze niet de enige vrouw was in zijn leven. Ze verontschuldigde zich opnieuw. Vind je het banaal? Ik schudde mijn hoofd. Ze was toch bij hem gebleven. Of liever gezegd: hij kwam steeds weer bij haar terug, soms na maanden van afwezigheid. En dan geloofde ze zijn beloftes en probeerde ze het opnieuw. Ze kregen zelfs nog twee kinderen. Ze wist niet waarom ze nooit was weggegaan. Voor de kinderen? Omdat ze geen diploma s had? Ze schaamde zich, zei ze. Ze moet toen een jaar of vijftig zijn geweest. Ze zag eruit alsof ze de leeftijd had van haar man. En nu dronken we opnieuw samen koffie. Ze vertelde dat haar man een jaar geleden was overleden. Hoe hij Alzheimer had gekregen en langzaam was weggegleden naar een andere wereld, waarin ze hem niet meer met woorden kon bereiken. Maar, zei ze, ik kwam elke dag. We wandelden veel. Gingen oliebollen eten bij zo n ouderwetse kraam. Daar hield hij van. Of een rondje hertenkamp. Hij was zoveel zachter. Aanhankelijker. Ze pauzeerde. Keek naar buiten, terwijl ze verder vertelde. Vlak voor haar man stierf, was hij jarig. De kinderen waren er en hun partners. Alle kleinkinderen. Ze zaten in een kring aan tafel, in het verzorgingshuis waar hij sinds een paar maanden woonde. Het kleinste kleinkind vroeg: Weet je wel hoe ik heet, opa? Nee, dat wist hij niet. Hij had verwilderd de kring rondgekeken. Het was duidelijk dat hij van niemand de naam meer kende. Tot hij opeens haar had gezien. Hoe zijn ogen waren gaan stralen en hoe hij haar naam had genoemd. Enkele dagen daarna was hij lelijk gevallen en gestorven in het ziekenhuis. We zwegen. Opeens keek ze me aan en lachte: Hij wist alleen nog míjn naam. Mijn naam. Als enige. +