Samenvatting Maatschappijwetenschappen Criminaliteit & rechtsstaat

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Samenvatting Maatschappijwetenschappen Criminaliteit & rechtsstaat"

Transcriptie

1 Samenvatting Maatschappijwetenschappen Criminaliteit & rechtsstaat Samenvatting door S woorden 4 jaar geleden 6 22 keer beoordeeld Vak Maatschappijwetenschappen 1.1 Regels bestaan in elke samenleving. Aan de basis van elke regel staat een waarde, een principe dat mensen belangrijk vinden om na te streven. In Nederland zijn vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardig belangrijk. Van waarden worden normen afgeleid. Normen zijn gedragsregels zoals je mag niet liegen. Er bestaan verschillende soorten normen, zoals religieuze normen, morele normen en fatsoensnormen. Sommige normen vertegenwoordigen zulke belangrijke waarden dat ze als rechtsnormen in wetten zijn vastgelegd. Als normen worden overtreden spreken we van normoverschrijdend gedrag. Maar pas als rechtsnormen overtreden worden spreken we van crimineel of strafbaar gedrag. Strafrechtelijk definiëren we criminaliteit als elk door de overheid bij wet strafbaar gesteld gedrag. De juridische benaming van strafbaar gedrag is delict. De strafbare gedragingen staan in de wetboeken. Niet alle gedragingen die volgens de wet strafbaar zijn, worden door burgers als crimineel ervaren. Deze opvatting van wat crimineel is, sluit goed aan bij het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen. Misdrijven zijn de meer ernstige strafbare feiten, waaronder diefstal en rijden onder invloed. Overtredingen zijn de minder ernstige strafbare feiten. Het verschil tussen overtreding en misdrijf komt tot uitdrukking in het strafproces en in de strafmaat. Overtredingen worden afgehandeld door de kantonrechter, lichte misdrijven door de politierechter en zware misdrijven door de meervoudige kamer, een rechtbank met drie rechters. Op overtredingen staat maximaal één jaar hechtenis, op misdrijven maximaal een tijdelijke gevangenis van dertig jaar of levenslang. Misdrijven die tot een veroordeling hebben geleid, worden altijd geregistreerd in het uittreksel justitiële documentatie, het strafblad. Overtredingen komen hier pas in te staan als de rechter een vrijheidsstraf en/of taakstraf oplegt. Wie een strafblad heeft, kan problemen ondervinden bij het zoeken naar een baan etc. Je krijgt dan namelijk geen Verklaring Omtrent het Gedrag. Pagina 1 van 28

2 Met behulp van het onderscheid tussen overtredingen en misdrijven is het mogelijk om een tweede definitie van strafrechtelijk te geven, namelijk alle misdrijven die in de wet omschreven staan. Onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen ontstaat er regelmatig discussie over strafwaardig gedrag. Met strafwaardig bedoelen we gedrag dat volgens iemand of een grotere groep mensen strafbaar zou moeten zijn. Het is echter pas strafbaar als er een bepaling over staat in het Wetboek van Stafrecht. Criminaliteit is een relatief en cultureel bepaald begrip. Er zijn vormen van strafbaar gedrag waarvan groepen mensen vinden dat ze niet strafwaardig zijn en andersom. Als er in de samenleving voldoende overeenstemming is over de vraag of bepaald gedrag strafwaardig is, wordt dit na verloop van tijd in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. We spreken dan van criminalisering, het strafbaar worden van bepaald gedrag. Criminalisering vindt meestal plaats omdat we met nieuwe strafwaardige gedragingen te maken krijgen, zoals cybercriminaliteit, of wanneer door de toenemende zorgen om het milieu nieuwe wetten komen. Andersom komt het ook voor: van sommige strafbare gedragingen vinden groepen in de samenleving dat ze niet of niet meer strafwaardig zijn, zoals homoseksualiteit en nudisme. We noemen dit decriminalisering, een strafbare gedraging wordt uit het strafrecht gehaald en is daardoor niet langer meer verboden. Op het gebied van softdrugs is de discussie over strafwaardigheid nog niet afgerond, daarom wordt het gedoogd. Of gedragingen wel of niet strafbaar worden gesteld, is afhankelijk van een aantal zaken: De maatschappelijke context. Zo is homeseksualiteit tegenwoordig niet meer verboden, maar is het samenspannen met de bedoeling een terroristische aanslag te plegen na 9/11 strafbaar geworden. De ernst van de gevolgen die bepaald gedrag kan hebben voor de slachtoffers en voor de samenleving. De morele opvattingen van de mensen met veel politieke macht. Zo kon in 2013 godslastering uit het Wetboek van Strafrecht gehaald worden, omdat een meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer dat wilde. 1.2 Criminaliteit wordt gezien als een groot maatschappelijk probleem. We ondervinden er allen veel schade van en daarnaast is crimineel gedrag in strijd met en bedreigend voor de heersende waarden en normen van de samenleving. Criminaliteit staat ook hoog op de publieke agenda. De redenen dat criminaliteit gezien wordt als maatschappelijk of sociaal probleem zijn: Criminaliteit heeft ongewenste gevolgen voor grote groepen in de samenleving. Er bestaat een verbrand tussen het bestaan van criminaliteit en andere maatschappelijke ontwikkelingen. Bij de aanpak van criminaliteit spelen tegengestelde belangen een rol. Criminaliteit vraagt om een gemeenschappelijke oplossing. De gevolgen van criminaliteit kun je onderverdelen in materiële en immateriële gevolgen. De materiële schade loopt jaarlijks in de miljarden euro s. Daarbij gaat het om: Directe financiële schade voor burgers, bedrijven en overheid. Indirecte financiële schade, bijvoorbeeld door gestegen verzekeringspremies en het stijgen van de prijzen na een winkelinbraak. Kosten voor criminaliteitsbestrijding, zowel door burgers, overheid en bedrijven. Veel schade, zoals de gevolgen van milieucriminaliteit, kunnen we pas over jaren bereken. Duidelijk zijn de nadelige economische gevolgen van criminaliteit voor de samenleving. Naast materiële schade kunnen bepaalde delicten Pagina 2 van 28

3 immateriële gevolgen hebben en zijn daarmee niet in geld uit te drukken, bijvoorbeeld: Gevoelens van onveiligheid; < > Emotionele en psychische problemen, zoals slaap- en concentratieproblemen. Boosheid en verbazing als mensen horen hoeveel diefstal en fraude er is, ofwel morele verontwaardiging; Veranderde opvattingen over goed en kwaad; Verlies aan vertrouwen in de mensen, in de politiek of in de samenleving als geheel; Aantasting van het rechtsgevoel van mensen als ze zien dat daders lang niet altijd gepakt en bestraft worden; Het gevaar dat mensen voor eigen rechter gaan spelen (eigenrichting). De af- en toename van criminaliteit staat niet op zichzelf, maar houdt verband met andere maatschappelijke ontwikkelingen, zoals: Afnemend gezag van de overheid (sinds de jaren zestig) Afnemende betekenis van het maatschappelijke middenveld, zoals school, kerk en sportverenigingen. Hierdoor zijn burgers minder betroken bij de samenleving. Minder sociale controle. We letten minder op elkaar en worden minder in de gaten gehouden. Daarnaast is de functionele controle door politie en andere toezichthouders afgenomen. Veranderd normen- en waardenbesef. Traditionele waarden zoals gehoorzaamheid gelden minder sterk dan vroeger, onder meer door de verminderde betekenis van kerk, levensbeschouwing en ideologie. Waarden als vrijheid en individuele ontplooiing zijn juist belangrijker geworden, waardoor mensen vaker vinden dat zij zich niet aan de regels hoeven te houden. Toegenomen welvaart. Dit heeft geleid tot meer diefstallen, omdat er meer te halen valt. Ook is de toename van het alcohol- en drugsgebruik een welvaartsverschijnsel. Inmiddels is de helft van de criminaliteit drugsgerelateerd. De afgenomen pak- en strafkans. De pakkans is de kans dat een strafbaar feit wordt opgemerkt en dat je wordt aangehouden door de politie. De strafkans is de kans dat je daadwerkelijk voor je misdaad wordt bestraft. Uit onderzoek blijkt dat vooral bij lichte delicten het aantal wetsovertreders bij strengere controle drastisch afneemt. Werkloosheid. In perioden van hoge werkloosheid stijgt de criminaliteit. Dit is deels te verklaren uit het feit dat werklozen door geldproblemen eerder geneigd zijn tot diefstal, maar verveling speelt ook een rol. Technologische ontwikkelingen. Digitalisering en internet hebben tot nieuwe criminele mogelijkheden geleid: de zogeheten cybercriminalitet. Internationalisering. De open grenzen van de Europese Unie bieden meer mogelijkheden voor burgers, maar ook voor criminelen. Criminaliteit is een maatschappelijk probleem, want Het heeft veel materiële en immateriële gevolgen voor de samenleving. Het houdt verband met andere maatschappelijke ontwikkelingen. Tegengestelde belangen als veiligheid en vrijheid spelen een grote rol. Voor de oplossing is een sturende rol van de overheid noodzakelijk. We noemen criminaliteit een maatschappelijk probleem omdat er sprake is van tegengestelde belangen, normen en waarden. Omdat iedereen op een of andere manier betrokken is bij criminaliteit, als dader of als slachtoffer, heeft iedereen belangen. Meestal zijn die belangen gemeenschappelijk, maar soms zijn zij tegenstrijdig, zoals die tussen dader en slachtoffer. Voor een evenwichtig veiligheidsbeleid moet alle belangen worden meegewogen. Die belangenafweging wordt deels bepaald door de heersende normen en waarden, maar daarnaast door de tegenstelling collectief belang versus individueel belang. Hoewel er altijd een bepaalde mate van onveiligheid in de samenleving zal zijn, lijkt de acceptatie af te nemen. Dat leidt tot een dubbele houding bij burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen. Aan de ene kant Pagina 3 van 28

4 willen zij maximale keuzevrijheid en dat de overheid zich niet via allerlei regels met hun persoonlijke leven en handelen bemoeit. Aan de andere kant verwachten ze juist van de overheid een daadkrachtig optreden om de veiligheid te garanderen en eisen zij in feite een volledige risicovrije omgeving. Zo ontwikkelen zich twee tegenstrijdigheden: De veiligheidsparadox, ofwel het verschijnsel dat hoe meer veiligheid we hebben, hoe erger we een inbreuk daarop ervaren. De veiligheidsutopie, het onhaalbare verlangen naar het samenvallen van maximale vrijheid en maximale veiligheid. De burger eist een maximum aan vrijheid voor zichzelf op, maar verlangt tegelijkertijd van de overheid dat die de negatieve gevolgen van die vrijheid krachtdadig aanpakt. Criminaliteit heeft niet alleen negatieve gevolgen. Volgens socioloog Emile Durkheim vervult criminaliteit door het oproepen van negatieve emoties een positieve sociale functie. Door onze gevoelens van morele verontwaardiging te delen, bevestigen wij onze groepsnormen. Iedereen wordt zich er weer van bewust waar onze grenzen liggen. Door de dader te veroordelen bevestigen wij bovendien ons collectieve besef van morele superioriteit. De gezamenlijke afwijzing van de zondaar vergroot dus de saamhorigheid. Ook als je samen met anderen maatregelen neemt om inbraak en andere overlast in de buurt tegen te gaan, wordt de groepsband versterkt. Criminelen bewijzen met hun normoverschrijdende gedrag de gemeenschap dus ook een dienst. Een maatschappelijk probleem zoals criminaliteit vraagt om een gemeenschappelijke oplossing. Daarom zijn bij het voorkomen en bestrijden van criminaliteit niet alleen de overheid, maar ook burgers, bedrijven en allerlei maatschappelijke instellingen betrokken. Er zijn allerlei particuliere initiatieven om de overlast in de buurt te beperken. Burgers voorzien hun huizen van stevige sloten etc. Bedrijven investeren miljoenen euro s in de beveiliging van panden, door bijvoorbeeld dure software aan te schaffen. Tal van maatschappelijke instellingen bieden hulp aan slachtoffers. De reclassering biedt hulp aan verdachten en (ex)gedetineerden, bijvoorbeeld bij hun reïntegratie. Behalve een maatschappelijk probleem is criminaliteit ook een politiek probleem. Allereerst omdat het handhaven van de openbare orde en het verschaffen van veiligheid tot de basisfuncties van de overheid behoren.omdat criminaliteit een ernstige bedreiging van de rechtsorde vormt, staat bestrijding ervan hoog op de politieke agenda. Over de beste manier om criminaliteit te bestrijden zijn de politieke partijen het niet eens. Hoofdstuk 2: De totale hoeveelheid strafbaar gedrag kun je overzichtelijker maken door een indeling naar soort. Het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert de volgende indeling: Delicten tegen de openbare orde en het gezag. Geweldsdelicten tegen leven en persoon, zoals moord, doodslag en mishandeling. Ruwheidsdelicten, zoals vernieling. Vermogensdelicten, zoals verduistering. Seksuele delicten. < > < > Economische delicten, zoals het verkopen van besmet vlees. Milieudelicten. In de praktijk vallen strafbare feiten vaak onder meerdere categorieën. Er is ook een onderscheid tussen veelvoorkomende en zware criminaliteit. Als criterium voor dit onderscheid wordt gekeken naar de gevolgen die het delict heeft voor de slachtoffers en de maatschappelijke schade die het delict veroorzaakt. Met veelvoorkomende criminaliteit, misleidend ook wel kleine criminaliteit genoemd, bedoelen we onder meer winkeldiefstal, zakkenrollerlij, vernielingen en graffiti. Zware criminaliteit omvat ernstige vormen van criminaliteit, zoals moord, inbrak, verduistering, afpersing, overvallen en verkoop van harddrugs. Pagina 4 van 28

5 Tot slot kunnen we de indeling bekijken die de overheid maakt bij het nemen van specifieke maatregelen om criminaliteit te bestrijden. Zo maakt de overheid onderscheid tussen jeugdcriminaliteit, cybercriminaliteit, witteboordencriminaliteit, terrorisme en drugsgerelateerde criminaliteit. Een bijzondere categorie is de georganiseerde criminaliteit, omdat deze zich niet beperkt tot één categorie of delict. De georganiseerde drugscriminaliteit hout zich bijvoorbeeld bezig met drugshandel, geweldsmisdrijven en vermogensmisdrijven. 2.2 Ons beeld van criminaliteit en van misdadigers wordt sterk beïnvloed door de berichtgeving erover in de massamedia.omdat de aandacht die de media eraan besteden niet erg evenwichtig is, hebben wij er een vertekend beeld van. Dit komt onder andere doordat er meer aandacht aan geweldsmisdrijven dan vermogensdelicten wordt besteed, hoewel diefstal en oplichting veel meer voorkomen. Door de onevenredige aandacht voor zware misdrijven zou je de indruk kunnen krijgen dat Nederland gevaarlijk is. Voor de beeldvorm maakt het wel uit welke kranten je leest en welke programma s je kijkt. Door eenzijdige berichtgeving over criminaliteit ontstaat er bij het grote publiek een stereotiep en gegeneraliseerd beeld van criminaliteit. We spreken in dit verband ook wel van framing, omdat de media ons als het ware door een frame een beeld van criminaliteit laten zien. Met stereotiep bedoelen we dat er een vaststaand beeld ontstaat van een bepaald verschijnsel omdat de media steeds op dezelfde manier over het onderwerp berichten. Een gegeneraliseerd beeld wil zeggen dat er uit een of enkele bijzondere gevallen een algemene conclusie wordt afgeleid. Binnen de wetenschap is er veel discussie of de media wel zo veel macht hebben. Sommigen redeneren dat mensen bewust kiezen wat ze wel en niet willen lezen of horen en dat hun referentiekader daarin een sturende rol speelt. Dit referentiekader wordt gevormd door alle waarden, normen, ervaringen en persoonlijke interesses die iemand heeft. Mensen kiezen de media die hun opvattingen en verwachtingen bevestigt. Als het gaat om de beeldvorming over criminaliteit wordt het referentiekader van burgers dus gevormd en bevestigd door media, maar ook door eigen ervaringen. Onderzoek leert dat directe bemoeienis het oordeel over criminaliteit relativeert. Rechtszittingen zijn openbaar en op internet kun je strafvonnissen lezen. Mensen die te maken hebben met een familielid dat is veroordeeld, hebben een andere kijk op criminaliteit dan de media. Zij vinden de opgelegde straf bijvoorbeeld te zwaar. 2.3 Het meten van criminaliteit is niet eenvoudig. Om de aard en omvang van criminaliteit vast te stellen, bestaan verschillende onderzoeksmethoden, die we indelen in kwantitatieve en kwalitatieve methoden. Bij kwantitatieve onderzoeksmethoden wordt een groot aantal gegevens verzamelend, bijvoorbeeld door het ondervragen van veel mensen, die vervolgens in cijfers en percentages worden uitgedrukt. Zelfs het gevoel van onveiligheid kan zo worden gemeten. Kwalitatief onderzoek wordt gebruikt als er meer diepgaande informatie nodig is. Om te meten wat het gevoel van onveiligheid voor mensen persoonlijk betekent of waarom iemand het criminele pad op gaat, zijn diepte-interviews nodig. Alleen daarmee kun je achterhalen wat het is om slachtoffer te zijn van een gewapende overval. De meeste gebruikte kwantitatieve onderzoeksmethoden: Politie- en rechtbankstatistieken. Politiestatistieken zijn een weergave van de geregistreerde criminaliteit, misdrijven die door mensen bij de politie zijn aangegeven of die door de politie zelf zijn ontdekt. Misdrijven die niet zijn geregistreerd tellen niet mee. Van elke aangifte of ontdekking wordt een proces-verbaal opgemaakt, een schriftelijk verslag waarin de politie of een andere opsporingsambtenaar informatie geeft over het tijdstip, de plaats en de toedracht van een overtreding, misdrijf of ongeluk. Politiestatistieken geven maar en beperkt beeld van het werkelijke aantal gepleegd delicten. Mensen doen om allerlei redenen geen aangifte, bijvoorbeeld omdat zij zich schamen, bang zijn, om de moeite niet nemen wanneer bijv. hun fiets gestolen is. Pagina 5 van 28

6 Sommige delicten blijven vaak onzichtbaar, omdat ze niet worden ontdekt, zoals zakkenrollerij en belastingontduiking. Politiezaken zijn vooral bruikbaar om een beeld te krijgen van de aard en omvang van delicten waarvoor traditioneel een hoge aangiftebereidheid is, zoals autodiefstal, ernstige mishandeling en beroving. Zo kun je ontdekken welke automerken populair zijn bij dieven en of een nieuwe aanpak bij beroving tot een daling heeft geleid. Rechtbankstatistieken registreren alle misdrijven waarbij een rechter uitspraak doet. Ook wordt bijgehouden hoe vaak iemand wordt vrijgesproken, hoe vaak er een taakstraf wordt opgelegd en hoe hoog de gemiddelde vrijheidsstraf voor een bepaald delict is. Ook rechtbankstatistieken zijn niet volledig, omdat van de ongeveer strafrechtzaken per jaar nog geen tiende deel zijn van de totale geregistreerde criminaliteit. Dit kan zijn omdat er geen verdachten zijn of omdat de officier van justitie de zaak al heeft afgehandeld. Onderzoeksgegevens zijn betrouwbaar als ze zijn gebaseerd op waarnemingen die, onder dezelfde omstandigheden herhaalt, steeds dezelfde uitkomst geven. Er mag dus geen sprake van toeval zijn. We geven enkele voorbeelden waaruit blijkt dat politie- en rechtbankstatistieken behalve onvolledig in sommige gevallen ook onbetrouwbaar zijn: Selectieve opsporing is van invloed op de cijfers. Als de politie meer surveilleert, wordt er ook meer ontdekt en geregistreerd. Houdt de politie meer alcoholcontroles, dan zal het aantal geregistreerde dronken rijders toenemen, terwijl het werkelijke aantal misschien afneemt door de extra controles. Ernstige delicten zoals moord en doodslag krijgen veel aandacht van de politie en hebben dus meer kans om opgelost te worden en in de statistieken te komen. Door nieuwe wetten groeit het aantal delicten. Denk bijvoorbeeld aan wetten om cybercriminaliteit tegen te gaan. Door een nieuwe wet kan een overtreding veranderen in een misdrijf. De registratie van misdrijven wordt soms gekleurd door subjectieve beoordeling door de politie of de officier van justitie. Wat de ene officier mishandeling noemt, noemt de andere poging tot doodslag. Zo is een deel van de toename van geweldsdelicten te verklaren door de manier van registratie. Een tasjesroof was vroeger een vermogensdelict, tegenwoordig een geweldsdelict. Verschillende belangen. Zowel de politie als de politiek hebben verschillend belang bij de criminaliteitscijfers. Een politiecommissaris die bang is voor bezuinigingen heeft belang bij hoge cijfers. De presentatie van misdaadcijfers moet dus altijd met gepast wantrouwen bekeken worden. De interpretatie van cijfers. De cijfers moeten gekoppeld worden aan de groei en de leeftijdsopbouw van de bevolking. Jongeren plegen bijvoorbeeld meer misdaden dan ouderen, dus de vergrijzing zou in principe moeten leiden tot een afname van het aantal misdaden. Om een beeld te krijgen van de niet-geregistreerde criminaliteit, ook wel verborgen criminaliteit genoemd, wordt gebruikgemaakt van slachtofferenquêtes en in mindere mate van daderenquêtes. Bij slachtofferenquêtes vragen de onderzoekers aan zo veel mogelijk mensen of zij in een bepaalde tijdsperiode slachtoffer zijn geweest van een misdrijf. Misdrijven waar mensen niet zo snel aangifte van doen, zoals fietsendiefstal, komen aan het licht. Ook geeft dit inzicht in de omstandigheden en de plaatsen waar delicten plaatsvinden en de risico s die bepaalde bevolkingsgroepen lopen. Zo is naar voren gekomen dat de angst voor criminaliteit het grootst is onder bevolkingsgroepen die het minste kans lopen om slachtoffer te worden. Bij daderenquêtes wordt aan mensen gevraagd of zij bepaalde misdrijven hebben gepleegd. Dit geeft in theorie het meest complete beeld. Met deze methode kun je veel beter slachtofferloze criminaliteit meten, zoals rijden onder invloed. Maar er bestaat ook een drempel om eerlijk te antwoorden. Ook deze onderzoeksmethoden zijn niet geheel betrouwbaar: Niet alle categorieën worden ondervraagd, zoals illegalen, toeristen en jongeren. Daarom lijkt het alsof zij minder vaak slachtoffer of dader zijn. Over sommige misdrijven, zoals seksuele delicten, wordt naar verhouding vaker gezwegen, zowel door dader als slachtoffer. Het gaat om subjectieve meting. De antwoorden zijn sterk afhankelijk van de persoonlijke beleving van de ondervraagde. Pagina 6 van 28

7 Deze soorten enquêtes zijn altijd streekproeven. Voor veelvoorkomende delicten maakt dit weinig uit, maar omdat ernstige delicten als roofovervallen naar verhouding weinig voorkomen, is de kans groot dat niemand uit de steekproef een dergelijk delict heeft meegemaakt. Goed wetenschappelijk onderzoek hoort te voldoen aan drie criteria: betrouwbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid: De betrouwbaarheid. Onderzoeksresultaten zijn betrouwbaar als ze niet op toeval berusten. Hetzelfde onderzoek van een andere wetenschapper moet dezelfde resultaten opleveren. Belangrijk hierbij is de vraagstelling. De validiteit, wat betekent dat het onderzoek precies datgene meet wat het moet meten. In een onderzoek naar geweld, moet er eerst een definitie van geweld gegeven worden, omdat anders alle ondervraagden een andere maatstaf hanteren. De generaliseerbaarheid, de mate waarin uitkomsten van een onderzoek als algemeen geldend kunnen worden beschouwd. Het is belangrijk dat een onderzoeker let op de samenstelling van de onderzochte groep. Hoofdstuk 3 De crimineel bestaat niet. Toch blijkt dat criminaliteit niet onder alle lagen van de bevolking evenveel voorkomt, ook als we kijken naar verschillende soorten criminaliteit. De verschillen hebben te maken met: < > < > Maatschappelijke positie Etnische afkomst < > Weinig besef van de geldende normen omdat ze die van huis uit nauwelijks hebben meegekregen. Relatief veel problemen als verslavingen, schulden en conflicten. Gebrekkige sociale vaardigheden, waardoor zij er niet in slagen zich uit de problemen te werken. Weinig perspectief op werk en een carrière. Een laag opleidingsniveau en persoonlijke problemen belemmeren de sociale mobiliteit van deze jongeren. Uit misdaadstatistieken blijkt dat mensen met een lagere maatschappelijke positie vaker betrokken zijn bij agressieve delicten, inbraak en diefstal. Werklozen worden vaker aangehouden voor strafbare feiten dan mensen met een baan. Hiermee is niet bewezen dat werklozen en mensen met een lage maatschappelijke positie meer criminele feiten plegen. Ze komen alleen vaker in aanraking met politie en justitie. Vermogensdelicten als belasting ontduiken en verduistering komen vooral voor in de hogere en middenklassen. De omvang van deze categorie is groter dan de geregistreerde omvang. Belastingontduikers worden lang niet altijd opgespoord en als dat wel gebeurd, krijgen ze meestal een boete van de Belastingdienst, zonder dat de politie en de rechter er aan te pas komen. Het percentage allochtonen dat in aanraking komt met de politie is beduidend hoger dan bij de autochtonen. Dit geldt vooral voor jongere, de eerste generatie allochtonen vertoont juist minder criminaliteit dat de autochtonen. Ter verklaring wordt meestal de slechte maatschappelijke positie genoemd, andere wetenschappers benadrukken juist de (sub)culture achtergrond. Wat verder opvalt is het relatief hoge aantal jonge allochtonen in de probleemgroepen. (Sub)culture verschillen kun je ook op een andere manier zichtbaar maken. Marokkaanse en Antilliaanse jongens komen vaker met de politie in aanraking dan jongens uit andere etnische groepen. Vooral bij diefstal en drugscriminaliteit zijn zij oververtegenwoordigd. Witteboordencriminaliteit en discriminatie zijn delicten die vaker door autochtonen gepleegd wordt. Er bestaat een duidelijke relatie tussen de mate van verstedelijking en het criminaliteitscijfer. Inwoners van grote Pagina 7 van 28

8 steden plegen vaker delicten dan inwoners van kleine steden en dorpen. Redenen hiervoor zijn dat er in grote steden meer kansarme jongeren wonen, er minder sociale controle is en meer gelegenheid voor crimineel gedrag. 3.2 Criminologie is de wetenschap die onderzoek doet naar (de oorzaken van) strafbaar gedrag en de gevolgen van criminaliteit voor de samenleving. Criminologen maken daarbij gebruik van kennis uit de biomedische, psychologische en sociale wetenschappen. De beschrijvende criminologie is erop gericht een helder en compleet beeld te geven van de aard en omvang van criminaliteit. Door middel van kwantitatief onderzoek wordt geprobeerd de werkelijke omvang van misdaad vast te stellen en worden nieuwe ontwikkelingen bijgehouden. Deze tak van criminologie inventariseert daarnaast de kenmerken van verschillende soorten criminaliteit en beschrijft de verschillen tussen typen daders en typen slachtoffers. De onderzoeksresultaten van de beschrijvende criminologie vormen de basis voor theorievorming over criminaliteit. De theoretische criminologie probeert crimineel gedrag te verklaren. Er zijn inmiddels tientallen theorieën ontwikkeld. We onderscheiden daarbij twee soorten benaderingen: Theorieën die criminaliteit proberen te verklaren vanuit de individuele situatie en de persoonskenmerken van criminelen. We noemen dit het microniveau. Theorieën die oorzaken van criminaliteit zoeken in structurele en culturele kenmerken van samenlevingen als geheel. We noemen dit macroniveau. Microniveau Als je als wetenschapper crimineel gedrag op microniveau benadert, ben je op zoek naar de individuele of persoonlijke verschillen tussen criminele en niet-criminele mensen. Bovendien wil je weten of deze verschillen een gevolg zijn van aanleg of opvoeding en ontwikkeling (nature vs. nurture). In een onderzoek naar welke factoren delinquent gedrag kunnen verklaren, wordt vooral gekeken naar biologische, psychologische en sociaalpsychologische kenmerken. Uit dit onderzoek is gebleken dat er een relatie bestaat tussen sommige biologische, neurologische en psychologische factoren en de kans op crimineel gedrag. Er is bijvoorbeeld ontdekt dat mensen die asociaal gedrag vertonen een lagere hartslag hebben, wat kan komen doordat ze minder last hebben van angst. Ook is er een verband tussen een verhoogde testosteronspiegel en agressief gedrag. Ook psychologische kenmerken als impulsiviteit, sensatiezucht, extravert gedrag en een lage intelligentie kunnen crimineel gedrag vertonen. Psychologen hebben onder delinquenten jongeren veel psychiatrische en persoonlijkheidsstoornissen vastgesteld, zoals angststoornissen, borderline en autisme. Bij borderline is er sprake van extreme wisselingen in gevoelens en stemmingen, hetgeen instabiel en onverwacht gedrag kan veroorzaken. Bepaalde biologische en psychologische stoornissen verhogen dus het risico op probleemgedrag. Toch lukt het niet om een eenduidig causaal verband vast te stellen tussen aangeboren biologische en/of psychologische kenmerken en crimineel gedrag. Zo zijn er in jeugdinrichtingen veel mensen met ADHD, maar raken de meeste mensen met ADHD helemaal niet aanraking met politie en justitie. ADHD is dus niet determinerend, dat wil zeggen allesbepalend voor crimineel gedrag. Sociaal-psychologen zoeken de verklaring voor crimineel gedrag en de risicofactoren in de directe leefomgeving van delinquenten: de gezinssituatie, school, buurt en vriendenkring. De achterliggende gedachte is dat er in deze omgeving iets is misgegaan in de socialisatie: Het gezin is de voedingsbodem voor het latere functioneren van mensen. Als ouders normoverschrijdend gedrag niet corrigeren, leren kinderen niet waar de grenzen liggen. Ze blijven uitproberen hoever ze kunnen gaan en komen daardoor soms tot crimineel gedrag. Ook verwaarlozing, mishandeling en incest kunnen leiden tot latere gedragsstoornissen en crimineel gedrag. Pagina 8 van 28

9 Op school komen kinderen in aanraking met nieuwe normen. Ook moeten ze omgaan met andere kinderen en met autoriteiten. Jongeren die hier niet in slagen, lopen een grotere kans met justitie in aanraking te komen. Zo is er een rechtstreeks verband aangetoond tussen spijbelgedrag en licht crimineel gedrag. Als jongeren de school voortijdig en zonder diploma verlaten, is de kans op crimineel gedrag nog groter. Kinderen die opgroeien in een achterstandswijk lopen meer risico om crimineel te worden dan kinderen uit meer welvarende buurten. Ook treedt hier normvervaging op. Verveling slaat toe omdat speelplekken en openbaar groen ontbreken. Vaak is de sociale controle minimaal, waardoor potentiële boeven niet gecorrigeerd worden. Hoe ouder een kind, des te groter wordt de invloed van leeftijdgenoten, de zogenaamde peergroup. Veel vormen van jeugdcriminaliteit vinden in groepsverband plaats. In jongerengroepen heersen soms normen die indruisen tegen de algemene gedragsregels. Veel jongeren zien in deze groepsloyaliteit en groepsdwang rechtvaardiging voor hun criminele gedrag. Een ander gevolg hiervan is het geleidelijk verdwijnen van schuldgevoel. Je noemt dit neutralisatie, het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag. Soms gaat dit zo ver, dat zelfs de slachtoffers ontkend worden. De verzekering betaalt toch. Macroniveau Als je als wetenschapper crimineel gedrag op macroniveau benadert, beschouw je criminaliteit als en gevolg van maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen (zie hoofdstuk 2). Criminologen die op deze manier strafbaar gedrag verklaren letten vooral op sociologische factoren, zoals maatschappelijke ongelijkheid en (sub)culturele verhoudingen. Zoals we al geconstateerd hebben is er in de criminaliteitsstatistieken sprake van een oververtegenwoordiging van mensen met een lage sociaal-economische positie. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat iemand met een lage positie automatisch een crimineel wordt. Maar als de maatschappelijke ongelijkheid leidt tot een gevoel van sociale onrechtvaardigheid, is de kans op crimineel gedrag wel groter. Criminaliteit is in deze visie dus een gevolg van de ongelijke verdeling van welvaart en een daaraan gekoppeld gefrustreerd eerlijkheidsgevoel. Maatschappelijke ongelijkheid vergroot de kans op sociale desintegratie, dat wil zeggen dat mensen zich niet langer verbonden voelen met anderen in de samenleving. Uit onderzoek is gebleken dat mensen met weinig bindingen, zoals werk, een grotere kans hebben om met justitie in aanraking te komen. Door het ontbreken van sociale banden voelen zij zich minder geremd in hun doen en laten en zullen zich dus vaker onmaatschappelijk en crimineel gedragen. Andersom heeft sociologisch onderzoek aangetoond dat in een buurt met veel criminaliteit weinig sociale bindingen aanwezig zijn. Normafwijkend en crimineel gedrag kunnen een gevolg zijn van conflicten tussen de dominante cultuur en bepaalde subculturen (Hell s Angels, woonwagenbewoners). De leden van dit soort groepen zijn meestal niet goed geïntegreerd in de samenleving, waardoor ze te maken krijgen met bemoeienis van de overheid. Denk hierbij aan de politie, jeugdzorg en de Belastingdienst. Soms leidt deze bemoeienis ertoe dat mensen uit genoemde subculturen zich aanpassen aan de normen en waarden van de dominante cultuur. Soms leidt overheidsbemoeienis tot wrijving en/of vervreemding. We spreken van vervreemding als mensen het gevoel hebben dat zij buiten de samenleving staan. Normvervaging en normloosheid liggen op de loer, waardoor strafbaar gedrag door de groep niet langer afgekeurd wordt. Zo waren bij een vondst door de politie van hennepplantages in een woonwagenkamp de meeste bewoners zich van geen kwaad bewust. Conflicten met de dominante cultuur kunnen ook leiden tot protest en verzet, zoals bij voetbalrellen. Pagina 9 van 28

10 3.3 Theorieën over criminaliteit Er is niet één theorie die hét antwoord geeft: ze verklaren allemaal een deel van het verschijnsel criminaliteit. De meest bekende theorieën over crimineel gedrag: De sociobiologie en de aangeleerd-gedragtheorie De Amerikaanse socioloog Edwid Sutherland deed in de jaren twintig en dertig uitvoerig onderzoek onder jongeren in getto s. Hij zag bij de criminele jongeren geen wezenlijk andere persoonskenmerken dan bij gewone jongeren en constateerde dat zij zich ook dezelfde doelen stellen. Wat opviel was dat de criminele jongeren bijna altijd contact hadden (gehad) met andere criminelen. Stutherland concludeerde dat crimineel gedrag wordt aangeleerd. Iets later (1929) kwam de sociobioloog Edward Wilson met een theorie die het tegenovergestelde aantoonde. De sociobiologie is de tak van biologie die zich bezighoudt met onderzoek naar de evolutionaire oorsprong van sociaal gedrag bij dieren, inclusief mensen. Wilson liet aan de hand van een erfelijkheidsonderzoek zien dat menselijk gedrag niet alleen beïnvloed wordt door opvoeding en cultuur, maar net zo sterk door genetische, dus erfelijke, factoren. Ook moderne sociobiologen gaan uit van een wisselwerking.zij bestuderen bijvoorbeeld de effecten van neurologische en hormonale processen op het gedrag. Met het huidige onderzoek naar DNA hopen de wetenschappers antwoord te krijgen op de vraag in welke mate criminaliteit genetisch bepaald is. < > < > Theorie van de delinquente subcultuur Albert Cohen (1955) beschrijft in zijn theorie hoe delinquente subculturen ontstaan. Hij stelt in navolging van Merton dat de doelen van jongeren uit de middenklasse onhaalbaar zijn voor jongeren uit lagere sociaaleconomische klassen. Echter, waar Merton deze doelen vertaalt naar materiële welvaart, verbindt Cohen ze aan status. Het besef van ongelijkheid is volgens hem schadelijk voor het gevoel van eigenwaarde van deze jongeren. Daarom keren zij zich af en vormen gangs van gelijkgezinden waarbinnen alternatieve waarden en normen gelden die opzettelijke indruisen tegen de standaard van de middenklasse.het delinquente gedrag binnen deze subculturen is niet zozeer functioneel, maar meer expressief en bedoeld om zich te onderscheiden. Bij een overval gaat het niet in eerste instantie op de buit, maar om de provocatie en de status die dit genereert binnen de gang en de samenleving. < > < > < > < > Rechtszekerheid bieden. Rechtsregels geven aan wat wel en wat niet is toegestaan. Ze regelen de onderlinge verhoudingen tussen burgers, instanties en de overheid. Daardoor sta je als burger nooit machteloos, ook niet tegenover bijvoorbeeld de politie. Ze moeten rekening houden met de bestaande rechtsregels. Met andere woorden: rechtsregels garanderen jouw rechten ten opzichte van anderen en van de overheid. Orde aanbrengen in de maatschappij. Door rechtsregels op te stellen worden de verhoudingen tussen burgers onderling en tussen burger en overheid geregeld. Op deze manier dragen zij bij aan het voortbestaan en de ordening van de samenleving. Onafhankelijke rechtspraak waarborgen. Rechtsregels zorgen ervoor dat alle mensen in een samenleving kunnen rekenen op een voor iedereen gelijke en onafhankelijke rechtspraak. Conflicten vreedzaam kunnen oplossen. Als mensen ruzies of conflicten hebben met elkaar of met de overheid, kunnen ze hun zaak aan de rechter voorleggen.rechtsregels kunnen zo eigenrichting voorkomen. In een rechtsstaat zoals Nederland moet de burger erop kunnen vertrouwen dat de overheidsmacht niet wordt misbruikt, maar het is ook nodig dat de overheid kan rekenen op gehoorzaamheid en erkenning van haar gezag. We spreken in dit verband van een sociaal contract, een soort stille afspraak tussen burgers en overheid. Zo is afgesproken dat de overheid bepaalde bevoegdheden krijgt om het recht te handhaven. In ruil daarvoor belooft de overheid dat zij de rechten van burgers niet schendt. Om ons extra te beschermen tegen machtsmisbruik door de overheid zijn de burgerrechten vastgelegd in de wet. Om het recht te handhaven mag de overheid wetsovertreders arresteren en straffen. Zo nodig mag er geweld gebruikt worden. Dit wordt het geweldsmonopolie van de overheid genoemd. Het doel van een rechtsstaat is om de bevolking te beschermen tegen de macht van de overheid en ervoor te zorgen dat wij als burgers gelijk worden behandeld en in vrijheid kunnen leven. Deze doelen zijn uitgewerkt in de volgende drie grondbeginselen: Er is sprake van een machtenscheiding. Hierdoor wordt voorkomen dat één persoon of groep alle macht in handen Pagina 10 van 28

11 krijgt en naar willekeur kan optreden. Ook is hierdoor de onafhankelijkheid van de rechter gegarandeerd. De grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn in de wet omschreven en gewaarborgd. Vanwege het legaliteitsbeginsels is ook de overheid zelf gebonden aan wetten en regels. De grondbeginselen of uitgangspunten van de rechtsstaat zijn vastgelegd in de grondwet en in internationale verdragen zoals het Europees verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Daarnaast heeft Nederland de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekend. Deze verzameling mensenrechten vormt een goede maatstaf om machtsmisbruik door een overheid te controleren. De meeste landen hebben deze verklaring ondertekend. Toch worden de uitgangspunten dagelijks gezonden. De UVRM heeft ook geen juridische consequenties, in tegenstelling tot de rechten uit het EVRM, die wel afdwingbaar zijn. De uitgangspunten van de rechtsstaat gelden niet alleen voor het strafrecht, maar bijvoorbeeld ook voor het civiel recht. 4.2 Als de overheid criminaliteit wil bestrijden of voorkomen moet zij rekening houden met de uitgangspunten van de rechtsstaat. Machtenscheiding trias politica heeft als doel om machtsmisbruik door de overheid te voorkomen. Alleen door de politiek in drie gelijkwaardige delen op te splitsen, kan de vrijheid van burgers worden beschermd: De wetgevende macht is in handen van de regering en het parlement. Samen maken zij wetten, bijvoorbeeld op het gebied van strafrecht. Door wetgeving bepalen zij welk gedrag strafbaar is en wat de maximumstraffen zijn. De uitvoerende macht is in handen van de regering, maar het uitvoerende werk wordt gedaan door ambtenaren. Op het terrein van criminaliteit is hun belangrijkste taak het opsporen van strafbare feiten en het vervolgen van verdachten. De verantwoordelijkheid voor de opsporing ligt bij het Openbaar Ministerie, dat bestaat uit alle officieren van justitie samen. Zij worden daarbij geholpen door de politie en door zogenaamde buitengewone opsporingsambtenaren, zoals de Spoorwegpolitie. De Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) de geheime politie, richt zich op organisaties en personen die mogelijk een gevaar vormen voor de rechtsorde. De minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk voor het werk van het OM en voor een deel van het werk van de politie. Als de politie zich bezighoudt met het handhaven van de openbare orde is in eerste instantie de burgemeester en in tweede instantie de minister politiek verantwoordelijk. De rechterlijke macht is belast met de rechtspraak. Berechting gebeurt door onpartijdige rechters die onafhankelijk zijn van regering en parlement. Door deze onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen burgers vertrouwen op een eerlijk proces. Om de onafhankelijkheid van de rechter te waarborgen is deze uitgewerkt in een aantal regels en wetten, zoals in artikel 117 van de grondwet, waarin staat dat een rechter voor het leven benoemd wordt en niet ontslagen kan worden door regering of parlement. In het Wetboek van Strafvordering staan regels waaraan de rechtsgang moet voldoen. Doel ervan is te voorkomen dat fundamentele grondrechten van burgers worden geschonden. Enkele regels uit het strafproces zijn: Iedereen heeft recht op een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Volgens de onschuldpresumptie is iedereen die verdacht wordt van een strafbaar feit onschuldig totdat zijn schuld door de rechter als bewezen wordt geacht. Dwangmaatregelen, zoals het vasthouden van een verdachte, zijn aan wettelijke grenzen en waarborgen gebonden. Het ontnemen van iemands vrijheid is een grove schending van een van de belangrijkste grondrechten. Toch heeft de overheid het recht een verdachte in voorlopige hechtenis te nemen, maar moet zich daarbij wel aan allerlei regels houden. Zo is er een regel die bepaalt hoe lang iemand in voorarrest kan worden gehouden. Iedereen heeft recht op een adequate verdediging. Elke verdachte heeft recht om zich zo goed mogelijk te verdedigen. Dat mag hij of zij zelf doen, maar meestal laat een verdachte dat over aan een zelfgekozen advocaat of aan een toegewezen pro-deoadvocaat.om zich goed te kunnen verdedigen heeft een verdachte inzage in alle juridische stukken en bewijsmateriaal die met zijn zaak te maken hebben. Ook mag hij of de advocaat aan de rechter toestemming vragen om getuigen op te roepen en te ondervragen. Tot slot heeft de verdachte, als hij geen goed Nederlands spreekt, recht op een tolk. Pagina 11 van 28

12 Net als verdachten hebben ook slachtoffers van criminaliteit rechten, zoals het spreekrecht tijdens rechtszaken. Als het slachtoffer zelf niet in staat is te komen, leest de rechter een verklaring voor. Daarnaast bestaat de mogelijkheid een schadevergoeding te vorderen. Beginselen van de rechtsstaatbetekenis voor het strafrecht Trias politica Grondrechten Legaliteitsbeginsel Wetgevende macht stelt wetten vast, zoals maximumstraffen Uitvoerende macht spoort verdachten op en besluit tot vervolging. Onafhankelijke rechtsprekende macht oordeelt over schuld en bepaalt de straf. recht op een eerlijk proces Onschuldpresumptie Recht op hoger beroep en cassatie Zwijgrecht Recht op advocaat strafbaarheidbeginsel maximumstraf is wettelijk vastgelegd strafprocedure is gebonden aan wettelijke voorschriften opsporingsbevoegdheden zijn wettelijk aan grenzen gebonden ne bis in idem regel geen straf zonder schuld verjaringstermijn is wettelijk vastgelegd. De wet geeft de overheid allerlei bevoegdheden, het legaliteitsbeginsel zorgt ervoor dat er grenzen zijn aan wat de overheid binnen die bevoegdheden mag doen. In het Wetboek van Strafrecht komt dit tot uiting. We noemen enkele voorbeelden: Het strafbaarheids- of nulla poena-beginsel houdt in dat een persoon alleen kan worden gestraft voor iets wat in de wet strafbaar is gesteld op het moment dat hij het deed. De wetgever kan dus niet met terugwerkende kracht straffen opleggen. De maximumstraf. Per delict is wettelijk vastgelegd wat de maximumstraf is die de rechter mag opleggen. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van een verdachte kan een rechter besluiten af te wijken van deze maximumstraf en een lagere straf opleggen. De hele procedure van vooronderzoek tot terechtzitting is gebonden aan wettelijke voorschriften. Het niet correct naleven van deze vormvoorschriften kan zogenaamde vormfouten opleveren (zoals onrechtmatig verkregen bewijs). Als hierdoor het recht op een eerlijk proces wordt aangetast, kan de rechter besluiten om de verdachte strafvermindering te geven of zelfs vrij te spreken. Ne bis in idem-regel. Wanneer een rechter in een zaak een onherroepelijke uitspraak heeft gedaan, kan de betrokkene niet voor hetzelfde strafbare feit voor een tweede keer worden vervolgd. Zelfs als na verloop van tijd een vrijgesproken verdachte toch de dader blijkt te zijn. Op de ne bis in idem regel zijn twee uitzonderingen: - Als het in het voordeel van de verdachte of veroordeelde is, kan een zaak opnieuw door de Hoge Raad worden bekeken. - Als er zware aanwijzingen zijn dat een verdachte onterecht is vrijgesproken kan de Hoge Raad de zaak heropenen. Deze mogelijkheid tot heropening geldt alleen bij misdrijven met een dodelijke afloop. Geen straf zonder schuld. De wet sluit de mogelijkheid uit om te straffen als de dader geen schuld heeft aan het delict. Dit is bijvoorbeeld het geval als de dader ontoerekeningsvatbaar is. Verjaring. Het recht om iemand te straffen kan verjaren, dat wil zeggen dat iemand bijvoorbeeld na tien jaar niet meer vervolgd kan worden voor een misdrijf. Ernstige misdrijven zijn inmiddels uitgesloten van verjaring. Pagina 12 van 28

13 4.3 Dilemma s en spanningen De beginselen van de rechtsstaat leiden steeds opnieuw tot een afweging van belangen en afspraken over opsporingsbevoegdheden. Dat zien we vooral als we kijken naar het dilemma van de rechtsstaat, waarbij de waarden rechtsbescherming en rechtshandhaving botsen. Aan de ene kant willen we beschermd worden, aan de andere kant willen we dat de overheid onze vrijheden respecteert. Dit dilemma, ook wel de veiligheidsutopie genoemd, leidt tot een voortdurende discussie; hoewel vrijheid willen we opofferen te gunste van criminaliteitsbestrijding. Bij criminaliteitsbestrijding ontstaan dus gemakkelijk allerlei spanningen. We geven nog enkele voorbeelden: Wetten die onze vrijheden (te veel) beperken. Denk bijvoorbeeld aan de algemene identificatieplicht. Maakt justitie hier niet een te grote inbreuk op de grondrechten? Zeker als uit de praktijk blijkt dat deze maatregel discriminerend werkt voor bepaalde bevolkingsgroepen. (Te) ruime opsporingsbevoegdheden. Door de groeiende nadruk op criminaliteitsbestrijding, zijn de opsporingsbevoegdheden van politie en justitie verruimd. De dubbele pet van de politie. De politie heeft niet alleen een opsporingstaak, maar moet ook hulp verlenen en de openbare orde handhaven. Als de minister van Veiligheid en Justitie het Openbaar Ministerie en de politie aanspoort om meer strafbare feiten op te sporen, heeft de politie minder tijd om op straat te surveilleren. De dubbele pet van het Openbaar Ministerie. Leden van het OM werken onder verantwoordelijkheid tot het Ministerie van Veiligheid en Justitie, maar zij behoren ook tot de rechterlijke macht, zij zijn rechterlijke ambtenaren met een zekere onafhankelijkheid. Zij hebben dus naast de taak om strafbare feiten op te sporen de bevoegdheden om bepaalde zaken wel en andere niet voor de rechter te brengen. Zo kan de wens van de minister om meer verdachten te veroordelen botsen met het recht van de officier van justitie om vrijspraak te eisen. Spanning tussen politie en OM. Die doet zich bijvoorbeeld gelden als de politie een verdachte arresteert, die vervolgens door het OM op grond van het opportuniteitsbeginsel wordt vrijgelaten. Met het opportuniteitsbeginsel wordt bedoeld dat vervolging niet opportuun, dat wil zeggen niet in het algemeen belang is. Zo n situatie kan zich voordoen als door capaciteitsproblemen een keuze moet worden gemaakt door een fietsendiefstal en een overval. Spanning tussen wetgever en rechter. Door veranderde maatschappelijke inzichten en opvattingen kan een rechter een wet anders interpreteren dan de wetgever oorspronkelijk bedoelde. Hulp bij zelfdoding was in de jaren 80 verboden, maar toch kwam dit zelden tot een veroordeling, omdat rechters dit niet gepast vonden. De daardoor ontstane jurisprudentie, die dus feitelijk strijdig was met de toenmalige wetgeving, werd uiteindelijk omgezet in nieuwe wetgeving. Werkdruk. Het bestuur van de rechterlijke macht is een taak van de Raad voor de Rechtspraak. Deze regelt de organisatie en de financiën van de rechtbanken en zorgt ervoor dat rechtszaken snel en effectief worden uitgevoerd. Een te grote nadruk op de efficiency kan ertoe leiden dat rechters te snel en dus minder nauwkeurig rechtszaken afhandelen. Spanning tussen politici en rechters. Als politici zich in het openbaar bemoeien met rechtszaken die nog lopen, botst de onafhankelijke, rechtsprekende macht met de twee andere machten. Daardoor kan het voor een rechter moeilijk worden om nog onafhankelijk te oordelen. Een heel ander dilemma van de rechtsstaat heeft te maken met de ongelijke kansen van mensen met betrekking tot het recht. We spreken in dit verband van klassenjustitie omdat het sociale milieu invloed heeft op de opsporing, vervolging en berechting van verdachten. In praktijk blijkt dat mensen uit hogere sociale milieus soms bevoordeeld worden ten opzichte van mensen uit de lagere sociale klassen. Met de voltooiing van het Nederlands Wetboek van Strafrecht in 1886 wilde men klassenjustitie voorkomen. Met name de volgende twee beginselen moesten daarvoor zorgen: iedereen is gelijk voor de wet en iedereen heeft recht op een eerlijk proces. Toch komt klassenjustitie in Nederland voor. Zowel bij de politie als bij het OM en de rechters is soms sprake van selectief optreden. De politie kan voor een deel zelf bepalen wie ze aanhoudt en waarvoor ze mensen bekeurt. Bewust en onbewust gaat ze hierbij selectief te werk. Onderzoek heeft aangetoond dat de politie mensen uit de duurdere buurt gemiddeld milder behandelt dan mensen uit een lagere sociale klasse en uit etnische minderheidsgroepen. Vervolgens maken personen uit een lagere klasse voor hetzelfde delict een aantoonbaar grotere kans om door de officier van justitie vervolgd te worden. Ze worden ook vaker en langer in voorarrest gehouden. Gaat het om personen uit de betere kringen, dan komt het minder vaak tot een rechtszaak en wordt er vaker een transactie of schikking met de officier van justitie geregeld. Tot slot zien we dat rechters in gelijke gevallen niet altijd gelijk straffen. Op zichzelf is dat begrijpelijk omdat rechters rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van een verdachte. Toch blijkt dat laagopgeleiden en allochtonen naar verhouding zwaarder gestraft worden. Voor het bestaan van klassenjustitie, zoals hiervoor weergegeven, zijn onder meer de volgende twee oorzaken aan te wijzen. Verdachten met een betere maatschappelijke positie zijn door inkomen, opleiding, scholing en cultuur beter in Pagina 13 van 28