Projectnummer OM-nummer Tromp's Bouw- en Ontwikkelingsmaatschappij B.V. A.W.E. Wilbers; Y.F. van Amerongen

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Projectnummer OM-nummer Tromp's Bouw- en Ontwikkelingsmaatschappij B.V. A.W.E. Wilbers; Y.F. van Amerongen"

Transcriptie

1 Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Steekterweg 77, Alphen aan den Rijn Gemeente Alphen aan den Rijn IDDS Archeologie rapport 2008 Colofon Projectnummer OM-nummer In opdracht van Tromp's Bouw- en Ontwikkelingsmaatschappij B.V. Auteurs A.W.E. Wilbers; Y.F. van Amerongen Redactie S. Moerman Versie 1.3 Status Definitief Autorisatie S. Moerman Senior KNA Prospector Goedkeuring J. Noordervliet-van Zwienen ODMH namens Gemeente Alphen aan den Rijn IDDS Archeologie Noordwijk, juli 2017 ISSN Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

2 SAMENVATTING: In opdracht van Tromp's Bouw- en Ontwikkelingsmaatschappij B.V. heeft IDDS Archeologie in juli 2017 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Steekterweg 77 in Alphen aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn. De aanleiding voor dit onderzoek is dat er op het terrein nieuwbouw is gepland. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op oeverafzettingen van (een oude zijgeul van) de Oude Rijn. Mogelijk komen in de ondergrond ook beddingafzettingen van de Oude Rijn voor. Deze afzettingen kunnen bewoonbaar zijn geweest vanaf het ontstaan van de rivier in het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Door de ligging van het plangebied aan de limes dient er ook zeker rekening moeten worden gehouden met resten uit de Romeinse Tijd. Uit historische kaarten blijkt dat het plangebied waarschijnlijk langdurig onbebouwd is geweest en voornamelijk in gebruik was als weiland en later als tuin. Het veldonderzoek heeft de ligging van het plangebied op de stroomrug van de Oude Rijn bevestigd. Daarnaast is een mogelijke zijgeul van de Oude Rijn dwars door het plangebied aangetroffen. De hoge verwachting voor sporen en vondsten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd (met name Romeinse Tijd) is bevestigd voor het plangebied voor de afzettingen ten noorden en zuiden van de crevassegeul. De top van de zandige stroomrugafzettingen komt voor op een diepte van ongeveer 0,4 m mv (-1,2 m NAP) en in het noorden van het plangebied tot een diepte van ongeveer 1,1 m mv (- 1,9 m NAP).). Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren indien graafwerkzaamheden dieper reiken dan -1,1 m NAP. Dit vervolgonderzoek kan het beste bestaan uit een proefsleuvenonderzoek. Er dient te worden uitgegaan van de aanleg van één vlak in de top van het zand van de stroomrug. In het zuiden van het plangebied wordt dit niveau verwacht op een diepte van ongeveer 0,4 m mv (-1,2 m NAP) en in het noorden van het plangebied tot een diepte van ongeveer 1,1 m mv (-1,9 m NAP).

3 INHOUDSOPGAVE: ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED INLEIDING Onderzoekskader Doel- en vraagstellingen van het onderzoek Ligging van het plangebied BUREAUONDERZOEK Werkwijze Geologie, geomorfologie en bodem Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden Historische situatie en mogelijke verstoringen Huidig landgebruik Gespecificeerd verwachtingsmodel VELDONDERZOEK Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet Werkwijze Resultaten Interpretatie CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN Aanbevelingen LITERATUUR EN KAARTEN LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN BIJLAGEN 1. Topografische kaart 2. Archis-informatie 3. Boorlocatiekaart 4. Boorbeschrijvingen 5. Periodentabel 3

4 Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem Steekterweg 77 Onderzoekmeldingsnummer Plaats Gemeente Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Kadastrale aanduiding Alphen aan den Rijn G 1101 Provincie Coördinaten Centrum Hoekpunten Zuid-Holland / / (NW) / (NO) / (ZO) / (ZW) Oppervlakte plangebied ca m 2 Onderzoekskader Uitvoerder Bevoegde overheid Adviseur namens de bevoegde overheid Beheer en plaats van documentatie Bestemmingsplanwijziging IDDS Archeologie Contactpersoon: dhr. A.W.E. Wilbers Postbus AC Noordwijk (ZH) Tel: Gemeente Alphen aan den Rijn Ruimtelijke ontwikkeling, afdeling Cultuur Postbus SH Alphen aan den Rijn Tel: Uitvoeringsdatum veldwerk Omgevingsdienst Midden-Holland Contactpersoon: mevr. J. Noordervliet-van Zwienen Tel: IDDS Archeologie, Noordwijk 4

5 1. Inleiding 1.1. Onderzoekskader In opdracht van Tromp's Bouw- en Ontwikkelingsmaatschappij B.V. heeft IDDS Archeologie in juli 2017 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Steekterweg 77 in Alphen aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn. De aanleiding voor dit onderzoek is dat er op het terrein nieuwbouw is gepland. In deze fase van de planvorming is nog niet bekend hoe deze nieuwbouw er precies uit zal komen te zien en welke verstoringsdieptes hiermee gepaard gaan. De kans bestaat evenwel dat eventueel aanwezige archeologische waarden hierdoor verstoord dan wel vernietigd zullen worden. Het plangebied ligt op een locatie die op basis van het bestemmingsplan Steekterpoort I 2012 staat aangegeven als een archeologisch gebied. Dit houdt in dat er op de locatie geen werkzaamheden mogen plaatsvinden zoals afgraven, ophogen en roeren van de grond die dieper reiken dan 0,3 m mv. Deze vrijstellingsgrenzen zullen bij de realisatie van nieuwbouw zeker overschreden worden, waardoor er eerst archeologisch onderzoek moet plaatsvinden Doel- en vraagstellingen van het onderzoek De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven: Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden? Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.0 (Centraal College van Deskundigen 2016), en het door de gemeente goedgekeurde Plan van Aanpak (PvA; Van Amerongen/Moerman 2017). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 5. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen) Ligging van het plangebied De ligging van het (her) in te richten gebied, ofwel het plangebied, is weergegeven in Bijlage 1. Het plangebied ligt ten zuidoosten van het centrum van Alphen aan den Rijn aan de Oude Rijn en wordt ten oosten en noorden omgeven door Steekterweg, ten zuiden door een afrit van de N207 en ten 5

6 westen door naburige percelen. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer ca m 2 en een gemiddelde maaiveldhoogte van -0,7 m NAP. De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn nader weergegeven in Bijlage 3 en Figuur 1. Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) op een recente luchtfoto (bron: PDOK). Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 500 m rondom het plangebied gekozen. De straal van 500 m is dusdanig gekozen zodat diverse onderzoeken die in de omgeving zijn uitgevoerd op vergelijkbare ondergrond kunnen worden meegenomen in het onderzoek. 6

7 2. Bureauonderzoek 2.1. Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over het onderzoeksgebied. Er is gekeken naar bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, uitgevoerde archeologische onderzoeken, de fysieke kenmerken van het oude en huidige landschap en naar informatie over bodemverstoringen. Er is gebruik gemaakt van de Gemeentelijke Beleidskaart van de gemeente Alphen aan den Rijn (Sueur et al. 2014), de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Alphen aan den Rijn (Kok 2001) en van het Archeologisch Informatie Systeem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanvullende historische informatie is verkregen uit beschikbaar historisch kaartmateriaal, waaronder de kaart van Floris Baltasars uit 1615, de kaarten van Johannes Dou en St. van Brouckhuijsen uit 1647, het Minuutplan van begin 19 e eeuw (beeldbank.cultureelerfgoed.nl) en enkele historische topografische kaarten ( Tevens is gekeken naar mogelijk militair erfgoed in het plangebied (landschapinnl.nl/bronnen-enkaarten/militaire-landschapskaart; ikme.nl). Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap is onder andere gebruik gemaakt van de bodemkaart van Nederland (Alterra 2006), de stroomruggenkaart van het Nederlands rivierengebied (Cohen et al. 2012) en de geomorfologische kaart van Nederland (Stichting voor Bodemkartering 1976). Daarnaast is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN2; Voor informatie omtrent bodemsaneringen en ontgrondingenvergunningen is het Bodemloket ( geraadpleegd. Om de ligging van kabels en leidingen in het plangebied te bepalen, is een KLIC-melding gedaan. Deze gegevens zijn aangevuld met informatie uit onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst). Ook zijn luchtfoto s uit de Tweede Wereldoorlog geraadpleegd (Universiteit Wageningen) Geologie, geomorfologie en bodem Ontstaansgeschiedenis landschap Het plangebied ligt aan de Oude Rijn. De Oude Rijn is als rivierloop ontstaan ongeveer 5660 BP (ongeveer 4400 voor Chr.; Cohen et al. 2012) en mondde tot in de 12 e eeuw na Chr. uit in de Noordzee ter hoogte van Leiden en Katwijk. Ter hoogte van Alpen aan den Rijn was de Oude Rijn gedurende deze hele periode een meanderende rivier. Een meanderende rivier heeft een kronkelende geul, waarbij door de erosie van de buitenbochtoevers de bochten steeds groter worden en/of langzaam stroomafwaarts migreren (Figuur 2). De breedte van de geul blijft echter vrijwel gelijk doordat in de binnenbocht van een meander het geërodeerde sediment weer wordt afgezet. 7

8 Figuur 2: Blokdiagram van de afzettingen van meanderende rivieren en gerelateerde organische afzettingen in de Betuwe. De rivier stroomt naar links (Berendsen/Stouthamer 2001). Uit Figuur 2 blijkt dat het grofste sediment wordt afgezet op de geulbodem (bedding), als gevolg van de hoge stroomsnelheden onderin de geul. In de meanderende geulen in de Betuwe bestaat het beddingmateriaal uit zeer grof zand of zelfs grind maar ter hoogte van Alphen aan den Rijn (verder stroomafwaarts waar het verhang kleiner is en de stroomsnelheden lager) bestaat het beddingsediment uit (grof) zand. Door het uitbouwen van de meanderbocht komen in de binnenbocht lateraal aangegroeide afzettingen voor. Onderin bestaan deze afzettingen uit beddingzand maar naar boven neemt de korrelgrootte af en komen (ter hoogte van Alphen aan den Rijn) vooral zandige of uiterst siltige kleien voor. Bij hoogwater wordt het sediment over de oevers van de geul getransporteerd en door de snelle afname van de stroomsnelheden worden daar oeverwalsedimenten afgezet. In Figuur 2 bestaan deze oeverwalsedimenten uit zandige klei, maar bij Alphen aan de Rijn zullen deze sedimenten bestaan uit sterk tot uiterst siltige klei. Alle afzettingen in de binnenbocht van een meander worden samengevat als kronkelwaardafzettingen. Doordat de verschuiving van een bocht schoksgewijs gaat komen in deze kronkelwaarden laagtes (geulen) en ruggen voor. Als bij hoogwater ook de gebieden buiten de oeverwallen overstromen kan ook daar klei worden afgezet. Dit zijn komkleien die vooral bestaan uit matig siltige humeuze kleien. Als het water geen sediment meer bevat, ontstaat in de overstromende gebieden veen. De gebieden waar deze klei wordt afgezet of veen ontstaat worden kommen genoemd. Ten slotte worden geulen en meanderbochten soms afgesneden waarbij restgeulen ontstaan. Deze restgeulen worden langzaam opgevuld met sedimenten. Deze sedimenten zijn vaak sterk gelaagd en bevatten daarnaast ook veel plantenresten omdat het gaat om veelal stilstaand water. Bij actieve rivieren zijn met name de oeverwallen en de kronkelwaarden belangrijk voor de mens. Door de hogere ligging overstromen deze gebieden minder vaak dan de komgebieden, waardoor ze beter bewoonbaar zijn. Daarnaast is de textuur van de zandige kleien beter geschikt voor akkerbouw dan de zware kleien en het veen van de komgebieden Geomorfologie Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gewaardeerd vanwege de ligging in bebouwd gebied. Op basis van de omliggende kaarteenheden kan de ondergrond van het (onbebouwde) plangebied echter worden gekarakteriseerd als rivier-inversierug. Volgens de rivierenkaart van Cohen et al. (2012) behoort deze toe aan de Oude Rijn post-werkhoven stroomrug (nr. 379). Deze wordt gedateerd tussen 4450 en 1729 BP (ca voor Chr na Chr.). 8

9 Het AHN levert geen aanvullende informatie op voor het plangebied. Het plangebied zelf is volledig bebost en de omgeving is dusdanig aangepast door de mens dat weinig tot niets meer resteert van het oorspronkelijke reliëf Bodem Volgens de bodemkaart ligt het plangebied op leek-/woudeerdgronden die ontstaan zijn in zavel. Leek-/woudeerdgronden zijn zavel- en kleigronden met een tot 30 cm dikke, donkere bovengrond en een grijze, gereduceerde ondergrond. De grondwatertrap is V*. Grondwatertrap V duidt op gronden met een sterk wisselende grondwaterstand. Bij grondwatertrap V wordt de GHG aangetroffen op minder dan 40 cm -mv terwijl de GLG wordt aangetroffen op een diepte van meer dan 120 cm mv. De asterisk als aanvulling op de grondwatertrap is een aanduiding voor sterke regulering van het grondwater door de mens. Meestal zorgt deze regulering voor een verdere verdroging van de bodem Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven. Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig. Rondom het plangebied zijn wel meerdere vondsten gedaan en onderzoeken uitgevoerd (Bijlage 2). Ongeveer meter ten zuid(oost)en van het plangebied is bij een veldkartering aardewerk uit Romeinse Tijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aangetroffen (Archis nrs , , , ). Bij een begeleiding net ten oosten van het plangebied zijn bewoningssporen en akker/tuincomplexen aangetroffen daterend tot de 13e-15e eeuw en de 17e-18e eeuw (Archis nr ). Hierbij zijn meerdere sloten, kuilen en paalkuilen gevonden, die waarschijnlijk te maken hebben met de percelering en ontwatering van het terrein. Ook is een voormalige Rijnstrang aangetroffen. Bij deze begeleiding is ook informatie verkregen over de opbouw van de bodem rond het plangebied. Er zijn oever- op beddingafzettingen aangetoond (oeverafzettingen tot 0,3-0,4m mv), met in het noordoosten van het plangebied (ca. 80 m ten oosten van het huidige plangebied) een zijgeul van de Oude Rijn van ruim 30 m breed. Helaas was deze geul niet te dateren. Tenslotte is bij een boring een dakpan, aardewerk en afval uit de Romeinse Tijd aan het licht gekomen (Archis nr ). 9

10 Figuur 3. Ligging van het plangebied (blauwe ster) op de limeskaart (bron: Jansen et al. 2011) Historische situatie en mogelijke verstoringen Alphen aan den Rijn bestond in de Romeinse Tijd uit twee belangrijke legerplaatsen (castella), te weten Nigrum Pullum en Albanianae. In de derde eeuw na Chr. verdwenen deze legerplaatsen met het terugtrekken van de Romeinse troepen. In de negende eeuw werd er op de locatie van het oude castellum in Alphen een kerk gebouwd, maar de gebieden rondom Alphen waren hoogstwaarschijnlijk nog niet grootschalig bebouwd. In de loop van de 11 e eeuw vonden in de omgeving van het plangebied ontginningen plaats (Kok 2001) met de Oude Rijn als ontginningsas. Langs deze ontginningsas is dus waarschijnlijk vanaf de 11 e eeuw gewoond. 10

11 1615 Figuur 4. Diachroon overzicht van het plangebied (rood omlijnd) in het (cultuur)landschap. Op historisch kaartmateriaal is te zien dat er rond het plangebied in de 17 e eeuw bebouwing staat (Figuur 4). Omdat de nauwkeurigheid van deze kaarten vaak niet goed is, is niet met zekerheid te zeggen of de bebouwing daadwerkelijk naast of misschien in het plangebied aanwezig was. Op het minuutplan van staat het plangebied wel duidelijk aangegeven als onbebouwd, namelijk als weiland. Op een luchtfoto uit de Tweede Wereldoorlog is het plangebied ook herkenbaar als akker of weiland. 11

12 Het zuidelijk deel van het terrein wordt vanaf 1988 omlijnd met begroeiing weergegeven; mogelijk behorend bij het ten westen gelegen perceel, gezien de weergegeven verbinding door middel van een brug. Er lijkt een haag/bomenrij rondom het zuidelijk deel van het plangebied te zijn aangelegd. In 1999 wordt het gehele plangebied weergegeven als omringd door vegetatie. Vanaf 1999 is het gehele gebied aangegeven als begroeid. Alhoewel er in de omgeving van het plangebied op meerdere locaties klei is gewonnen voor o.a. dakpan- en baksteenproductie is het perceel van het plangebied hiervoor gespaard gebleven (Kok 2001; Kroes/Lyklema 2012). Desondanks kunnen vroegere landbouwpraktijken of andere bodemingrepen voor onbekende verstoringen hebben gezorgd Tweede Wereldoorlog Het plangebied ligt in een zone die gerekend wordt tot de Vordere Wasserstellung, een Duitse verdedigingslinie die een invasie vanuit de kuststreek moest vertragen. Naast het gebouwde erfgoed zoals bunkers en tankversperringen kunnen archeologische resten worden verwacht zoals de resten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, versperringen, barakken e.d. (ikme.nl) Huidig landgebruik Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied volledig overwoekerd met struikgewas en begroeid met hele hoge bomen (Figuur 1) Gespecificeerd verwachtingsmodel Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op oeverafzettingen van (een oude zijgeul van) de Oude Rijn. Mogelijk komen in de ondergrond ook beddingafzettingen van de Oude Rijn voor. Deze afzettingen kunnen bewoonbaar zijn geweest vanaf het ontstaan van de rivier in het Neolithicum, dan wel (indien er sprake is van beddingafzettingen) vanaf het droogvallen van de zijgeul. Uit eerder onderzoek is niet duidelijk geworden wat de datering van de aangetroffen zijgeul is. Op basis van vondsten uit de omgeving lijken sporen en vondsten uit de periodes Romeinse Tijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd het meest waarschijnlijk. Het kan gaan om resten van bewoning en landgebruik (akker- en tuinbouw) in de vorm van sporen als greppels, kuilen en paalkuilen, structuren als huisplattegronden en vondsten als aardewerk, natuursteen en bouwmateriaal. Op basis van historisch kaartmateriaal lijkt het plangebied waarschijnlijk vanaf het begin van de 17 e eeuw, en in ieder geval vanaf het begin van de 19 e eeuw, onbebouwd te zijn geweest. Uit de 20 e eeuw kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht in de vorm van bijvoorbeeld schuttersputten of losse vondsten. In het plangebied kunnen verstoringen worden aangetroffen die het gevolg zijn van landbouw (ploegen), tuinbouw (bijvoorbeeld de aanleg van plantbedden) en verstoringen in de vorm van resten van de Duitse verdedigingslinie waarin het plangebied gelegen is. De Tweede Wereldoorlog resten worden beschouwd als archeologische resten, maar kunnen ook een verstorende werking hebben gehad op oudere archeologische resten. Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, is er een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. 12

13 3. Veldonderzoek 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek bestond uit een booronderzoek. Een veldkartering kon niet worden uitgevoerd door de dichte begroeiing Werkwijze In het plangebied zijn 5 boringen gezet, waarvan 4 boringen met een diepte van 2,0 m en 1 met een diepte van 4,0 m beneden het maaiveld (bijlage 3 en 4). Deze boringen zijn evenredig verdeeld over het plangebied waarbij rekening is gehouden met de dichte begroeiing met bomen en struiken. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm en voor de dieper gelegen lagen onder de grondwaterspiegel van een zuigerboor van 4 cm of een gutsboor van 3 cm diameter. Het veldonderzoek is uitgevoerd door dr. A.W.E. Wilbers (Senior KNA Prospector en senior KNA specialist fysische geografie). De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma TerraIndex van I.T. Works. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten vanuit de topografie en perceelsgrenzen. De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN2; De opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot Resultaten Veldwaarnemingen Het plangebied was sterk begroeid met voornamelijk bomen en struiken die voorkomen in aangelegde tuinen: coniferen, laurierkers, sequoia, fruitbomen, en dergelijke. Deze bomen en struiken hadden een enorme omvang (Figuur 4), coniferen van tientallen meters hoog en een stamomvang die niet meer door één persoon kon worden omklemd, laurierkers struiken tot wel 10 m hoog en dergelijke. Veel van deze bomen en struiken groeien relatief snel maar om deze omvang te bereiken duurt toch waarschijnlijk zeker 50 tot 100 jaar. De aanplant dateert sowieso pas van na 1944 omdat er op de luchtfoto uit dit jaar nog geen begroeiing waarneembaar is. Pas in 1988 is er een tuin zichtbaar op basis van topografische kaarten. Verklaringen voor deze discrepantie zijn dat óf de topografische kaarten niet accuraat zijn óf de bomen al met een aanzienlijke hoogte zijn aangeplant. Op het zuidelijke deel, in het centrum van het perceel, tussen boringen 3, 4 en 5 was een relatief open plek aanwezig. Deze leek echter kleiner dan de open plek zoals die weergegeven is op de topografische kaarten. Mogelijk heeft hier een structuur gestaan die niet op de topografische kaarten is weergegeven. Hier kwamen steeds minder hoge bomen voor. Door de grotere hoeveelheid licht was dit deel volledig dichtgegroeid met bramen en brandnetels. Dit gebied kon niet worden verkend. Onder de hoge bomen in de rest van het plangebied kwam relatief weinig ondergroei voor. Wel was overal op het terrein afval aanwezig in de vorm van plastic kratten, stoelen, houtopslag, huisvuilzakken en dergelijke (Figuur 4). Direct ten noordoosten van boring 3 was een (vervallen) houten schuurtje aanwezig. 13

14 Figuur 5: Locatiefoto s met links de hoge coniferen gefotografeerd vanaf de rotonde aan de Steekterweg (sommige coniferen in het centrum van het bos zijn nog hoger) en rechts de dichte begroeiing in het plangebied met een plastic tuinstoel (foto s : A.W.E. Wilbers) Lithologie en geologie De lithologische bodemopbouw in het plangebied kan worden opgedeeld in twee zones, wat ook duidelijk wordt uit een schematische doorsnede door het plangebied van zuidoost naar noordwest (Figuur 5). In het centrum van het plangebied bij boring 3 is een geulopvulling aanwezig. Omdat deze geul waarschijnlijk een noord-zuid oriëntatie heeft betreft het vrijwel zeker een crevasse-geul. Figuur 6. Schematische doorsnede van de bodem in het plangebied op basis van de boringen. De lijn is getrokken van zuidoost naar noordwest. 14

15 Een crevasse bestaat uit een diep uitgesleten geul door de oeverwal heen en een delta-achtige afzetting in de kom achter de oeverwal. Het sediment in boring 3 (de diepst reikende boring) bestaat onderin uit sterk siltig zand dat naar boven toe steeds siltiger wordt en veel dunne kleilaagjes bevat. Dit gelaagde zand gaat langzaam over in uiterst siltige klei met veel dunne zandlaagjes en uiteindelijk in een dikke laag uiterst siltige klei. In het gelaagde zand zijn de resten teruggevonden van wat waarschijnlijk een zoetwater stroommossel was. De overgang van hoofdzakelijk klei naar hoofdzakelijk zand bevindt zich in boring 3 op een diepte van 1,8 m -mv ofwel -2,75 m NAP. Bij alle andere boringen in de rest van het gebied bestaat de bodem op deze diepte (en hoger) nog volledig uit zand. Alleen in boringen 1 en 2 komen aan het maaiveld ook kleilagen voor maar die reiken tot maximaal 1,1 m -mv (ofwel -1,9 m NAP). Het zand in boringen 1, 2, 4 en 5 is hoofdzakelijk matig fijn, matig siltig en kalkrijk. Het bevat slechts gedeeltelijk kleilaagjes, maar die laagjes komen dan maar sporadisch voor en het zand is zeker niet zo sterk gelaagd als in boring 3. Het zand betreft waarschijnlijk beddingzand of kronkelwaardzand afgezet door de Oude Rijn bij het meanderen van de geul en is daarmee onderdeel van de stroomrug van de Oude Rijn Bodemopbouw De bovengrond is in alle boringen matig humeus; in boringen 1, 2 en 3 gaat het om humeuze klei en bij boringen 4 en 5 om humeus zand. In deze humeuze laag komen veel wortels voor en deze laag wordt dan ook beschouwd als een A-horizont. Bij boringen 1 en 3 komt onder de A-horizont nog een lichtere laag die zwak humeus is voor. In deze laag zijn sporen van baksteen en steenkool aanwezig en hoewel er sprake is van een zeer geleidelijke overgang in kleur tussen de A-horizont erboven en de C-horizont eronder is er toch sprake van een geroerde laag. Bij boring 2 is de gehele humeuze bovenlaag gevlekt van kleur en dus geroerd. De A-horizont in de boringen heeft een dikte van 20 tot 40 cm en daaronder is vrijwel direct sprake van de C-horizont. Op basis van de lithologie kunnen de zandgronden van boringen 4 en 5 worden geclassificeerd als ooivaaggronden en de kleigronden uit boringen 1, 2 en 3 als vergraven poldervaaggronden ( vergraven omdat er verstoringen voorkomen in de bodemopbouw). De verstoringen van de bodem reiken tot een diepte van 0,3 tot 0,7 m -mv ofwel tot minimaal -1,1 m NAP en maximaal -1,6 m NAP Archeologische indicatoren In de boringen zijn geen archeologische indicatoren waargenomen Interpretatie Het plangebied ligt op de stroomrug van de Oude Rijn waarvan het sediment hoofdzakelijk uit zand bestaat. Deze stroomrug wordt in het plangebied van noordoost naar zuidwest doorsneden door een geul, waarschijnlijk een crevassegeul die inmiddels volledig is opgevuld met kleiige en sterk gelaagde sedimenten. Op de stroomrug komen ooivaaggronden voor met een A-horizont van 20 tot 40 cm. In de crevassegeul komen poldervaaggronden voor, waarbij de verstoringen dieper reiken tot ongeveer cm -mv. De stroomrugafzettingen hebben een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd (met name de Romeinse tijd) waarbij deze resten aanwezig kunnen zijn vanaf een diepte van minimaal 30 cm ofwel minimaal -1,1 m NAP. De archeologische verwachting van de crevassegeul is daarentegen laag omdat deze geul eventuele oudere archeologische waarden zal hebben geërodeerd en omdat deze geul (zelfs na de volledige opvulling) niet of nauwelijks gebruikt kon worden door de mens. 15

16 4. Conclusie en aanbevelingen In opdracht van Tromp's Bouw- en Ontwikkelingsmaatschappij B.V. zijn in juli 2017 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de Steekterweg 77 in Alphen aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn. Ten behoeve van het onderzoek is een aantal vragen gesteld die als volgt beantwoord kunnen worden: Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Het plangebied ligt op de stroomrug van de Oude Rijn en wordt doorsneden door een opgevulde crevassegeul. Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? De bodemopbouw in het plangebied is grotendeels intact en bestaat uit ooivaaggronden op de stroomrug in het zuiden en poldervaaggronden in en langs de crevassegeul in het noorden. De bodems zijn verstoord tot een diepte tussen 30 en 70 cm -mv ofwel minimaal tot -1,1 m NAP en maximaal -1,6 m NAP. Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Op de stroomrugafzettingen geldt een hoge archeologische verwachting voor waarden uit de periode IJzertijd tot en met Nieuwe tijd, met name voor de Romeinse tijd. Deze waarden liggen op minimaal 30 cm -mv ofwel op minimaal -1,1 m NAP. De crevasse die door het midden van het plangebied ligt heeft een lage verwachting voor alle periodes omdat deze afzettingen te nat zijn voor gebruik door de mens (anders dan voor landbouw). Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op oeverafzettingen van de Oude Rijn, op leek-/woudeerdgronden die ontstaan zijn in zavel. Leek-/woudeerdgronden zijn zavel- en kleigronden met een tot 30 cm dikke, donkere bovengrond en een grijze, gereduceerde ondergrond. Mogelijk komen in de ondergrond ook beddingafzettingen van de Oude Rijn voor. Deze afzettingen kunnen bewoonbaar zijn geweest vanaf het ontstaan van de rivier in het Neolithicum, dan wel (indien er sprake is van beddingafzettingen) vanaf het droogvallen van deze zijgeul. Op basis van vondsten uit de omgeving lijken sporen en vondsten uit de periodes Romeinse Tijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd het meest waarschijnlijk. Het kan gaan om resten van bewoning en landgebruik (akker- en tuinbouw) in de vorm van sporen als greppels, kuilen en paalkuilen, structuren als huisplattegronden en vondsten als aardewerk, natuursteen en bouwmateriaal. Op basis van historisch kaartmateriaal lijkt het plangebied waarschijnlijk vanaf het begin van de 17e eeuw, en in ieder geval vanaf het begin van de 19e eeuw, onbebouwd te zijn geweest. Uit de 20e eeuw kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht in de vorm van bijvoorbeeld schuttersputten of losse vondsten. In het plangebied kunnen verstoringen worden aangetroffen die het gevolg zijn van landbouw (ploegen), tuinbouw (bijvoorbeeld de aanleg van plantbedden) en verstoringen in de vorm van resten van de Duitse verdedigingslinie waarin het plangebied gelegen is. De Tweede Wereldoorlog resten worden beschouwd als archeologische resten, maar kunnen ook een verstorende werking hebben gehad op oudere archeologische resten. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied op de stroomrug van de Oude Rijn ligt. Daarnaast is een mogelijke crevasse van de Oude Rijn dwars door het plangebied aangetroffen. Dit is echter niet dezelfde zijgeul die in het bureauonderzoek genoemd werd ten oosten van het plangebied. In plaats van de verwachte leek-/woudeerdgronden zijn er in het plangebied ooi- en poldervaaggronden aanwezig. De hoge verwachting van sporen en vondsten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd (met name Romeinse Tijd) is bevestigd voor het plangebied (met uitzondering van de crevassegeul). Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? 16

17 Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden? De archeologische resten kunnen verwacht worden vanaf minimaal 30 cm mv/-1,1 m NAP. Deze waarden zullen bij de realisatie van nieuwbouw zeker overschreden worden, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten bedreigd worden Aanbevelingen Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied op een stroomrug ligt van de Oude Rijn en heeft daarmee een hoge verwachting voor archeologische resten daterend vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd. Aangezien de sporen van 30 cm mv kunnen voorkomen worden eventueel aanwezige archeologische resten door de geplande werkzaamheden ernstig bedreigd. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren indien graafwerkzaamheden dieper reiken dan -1,1 m NAP. Conform de Prospectie op Maat module van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ( is proefsleuvenonderzoek de meest geschikte methode van vervolgonderzoek. Er dient te worden uitgegaan van de aanleg van één vlak in de top van het zand van de stroomrug, direct onder de A- horizont dan wel de omgewerkte bovengrond. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Alphen aan den Rijn. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Voor alle gravende onderzoeken, waaronder proefsleuven, dient voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek een Programma van Eisen geschreven te worden. Dit Programma van Eisen moet goedgekeurd worden door de bevoegde overheid (de Gemeente Alphen aan den Rijn) alvorens met het onderzoek kan worden begonnen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden. 17

18 Literatuur en kaarten Alterra, 2006: Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000, blad 31 W/O, Wageningen. ANWB, 2005: ANWB Topografische Atlas Zuid-Holland 1:25.000, Den Haag. Berendsen, H.J.A., (1997): Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio s, Assen. Centraal College van Deskundigen, 2016: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0, Gouda. Cohen, K.M./ E. Stouthamer/ H.J. Pierik/ A.H. Geurts, 2012: Rhine Meuse Delta Studies Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography, Utrecht. Jansen, B./I.R.O.M. Briels/P. Kloosterman, 2011: Verken de grenzen van de Romeinen: archeologisch servicedocument: Limeskaart voor de limesregio binnen de provincie Zuid-Holland, RAAP rapport 2122, Weesp. Kok, R.S., 2001: Archeologische inventarisatie Gemeente Alphen aan den Rijn, Alphen aan den Rijn. Kroes, R.A.C./T.E. Lyklema, 2012: Plangebied Limes, gemeente Alphen aan den Rijn; archeologische vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, Weesp. Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda. Smit, B.I./B. Jansen/J.W. de Kort, 2005: Plangebied OTA-N207, gemeente Alphen aan den Rijn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, Amsterdam (RAAP-rapport 1155). Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 31 West Utrecht, Wageningen. Sueur, C./M.R. Lobbes/G. Busé, 2014: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Alphen aan den Rijn, Amsterdam. Wilbers, A.W.E., 2017: Plan van aanpak. Steekterweg 77 in Alphen aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn, Noordwijk (Intern rapport, IDDS Archeologie). Websites beeldbank.cultureelerfgoed.nl ikme.nl landschapinnl.nl/bronnen-en-kaarten/militaire-landschapskaart

19 Lijst van afkortingen en begrippen Afkortingen AHN Actueel Hoogtebestand Nederland AMK Archeologische Monumenten Kaart AMZ Archeologische Monumentenzorg Archis Archeologisch Informatie Systeem ASB Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode AWN Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland BP Before Present (Present = 1950) GHG Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand GLG Gemiddeld Laagste Grondwaterstand GPS Global Positioning System indet ondetermineerbaar KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie mv maaiveld (het landoppervlak) NAP Normaal Amsterdams Peil PvA Plan van Aanpak PvE Programma van Eisen RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer Verklarende woordenlijst 14 C-datering (ook wel C14-datering) Bepaling van gehalte aan radioactieve koolstof 14 C van organisch materiaal (hout, houtskool, veen, schelpen e.d.) waaruit de 14 C- ouderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren vóór 1950 na Chr. (jaren BP) met daaraan toegevoegd de aan de meting verbonden mogelijke afwijking (standaarddeviatie) Allerød tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca jaar geleden antropogeen Ten gevolge van menselijk handelen (door mensen veroorzaakt/gemaakt) Archis-melding Elke melding bij het centraal informatiesysteem (Archis) artefact Alle door de mens vervaardigde of gebruikte voorwerpen bioturbatie Verstoring van de oorspronkelijke bodemstructuur en/of transport van materiaal door plantengroei en dierenactiviteiten Bølling tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca jaar geleden Boreaal Tijdvak, onderafdeling van het Holoceen, gekarakteriseerd door een gematigd en continentaal klimaat en een bebost landschap gedomineerd door loofbomen (datering ca voor Chr.) buitendijks Gronden die aan de rivierzijde van een dijk liggen. In het buitendijkse gebied liggen de uiterwaarden castellum Romeins legerkamp conservering Mate waarin grondsporen, anorganische en organische archeologische resten bewaard zijn couperen Het maken van één of meer verticale doorsneden door een spoor of laag om de aard, diepte, vullingen, vorm en relaties met andere fenomenen vast te stellen crematie Begraving met gecremeerd menselijk bot crevasse Doorbraakgeul door een oeverwal dagzomen Aan de oppervlakte komen, zichtbaar worden van gesteenten (met inbegrip van zand, klei, etc.) debiet passeert dekzand Dryas Het aantal m 3 water dat op een bepaald punt in een rivier per seconde Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een dek (Formatie van Boxtel) Laatste gedeelte van de laatste ijstijd (Weichselien), ca jaar geleden 19

20 Edelmanboor Een handboor voor bodemonderzoek Eemien Interglaciaal tussen de voorlaatste en laatste ijstijd (Saalien en Weichselien), ca jaar geleden eerdgrond Grond met een humushoudende minerale bovengrond van meer dan 50 cm, ontstaan door invloed van de mens eolisch Door de wind gevormd, afgezet estuarien Afgezet in een estuarium estuarium Inham aan de kust waarin met name het getijde grote invloed uitoefent op het landschap, bijvoorbeeld de Westerschelde fluviatiel Door rivieren gevormd, afgezet fluvioglaciaal Door smeltwater (afkomstig van gletsjers) afgezet fluvioperiglaciaal Door stromend water onder periglaciale omstandigheden afgezet gaafheid Mate van (fysieke) verstoring van de bodem, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang) grondmorene Het door het landijs aangevoerde en na afsmelten achtergebleven mengsel van leem, zand en stenen. De afzetting wordt vaak aangeduid als keileem haakwal zie spits Hollandveen Holocene formatie, ontstaan tussen 3500 en 1500 voor Chr. Holoceen Jongste geologisch tijdvak dat nog steeds voortduurt (vanaf de laatste ijstijd: ca jaar voor Chr.) horizont Kenmerkende laag binnen de bodemvorming humeus Organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem ijzeroer IJzeroxidenhydraat, een ijzererts dat vooral in vlakke landstreken, in dalen en moerassige gebieden op geringe diepte voorkomt in situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren inhumatie Begraving met niet gecremeerd menselijk bot interstadiaal Een warmere periode tijdens een ijstijd (glaciaal) kom Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken kreek Waterweg waarbij het water vanuit zee of rivier onder invloed van het getijde in- en uitstroomt kronkelwaard Deel van een stroomgebied omgeven en grotendeels opgebouwd door een meander kwel Door hydrostatische druk aan het oppervlakte treden van grondwater kwelder zie schor laag Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden leem Grondsoort die wordt gekenmerkt door een samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei Limes de noordgrens van het Romeinse rijk lithologie Wetenschap die zich bezighoudt met de beschrijving en het ontstaan van de sedimentaire gesteenten löss Door de wind gevormde afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 63 µm lutum Kleideeltjes kleiner dan 2 µm meander Min of meer regelmatige lusvormige rivierbocht meanderen (van rivieren of beken) Zich bochtig door het landschap slingeren motte Type laatmiddeleeuws kasteel (vaak een ronde burcht met toren) geplaatst op een meestal kleine, kunstmatige verhoging oeverafzetting Rug langs een rivier, bestaande uit overwegend kleiafzettingen oeverwal Langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het eerst bezinkt OSL-datering Dateringsmethode waarmee op grond van energieverval kan worden bepaald wanneer een fragment kwarts (zand) voor het laatst heeft blootgestaan aan direct zonlicht oxidatie Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; verbranding bij veen) palynologie Zie pollenanalyse 20

21 plaggendek plangebied Pleistoceen Pleniglaciaal podzol pollenanalyse potstal prehistorie rivierduin Saalien schor Verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht Gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende ijstijden). Na de laatste ijstijd begon het Holoceen (ca voor Chr.) Koudste periode van de laatste ijstijd (het Weichselien) ca jaar geleden Goed ontwikkelde bodem in gebieden met veel neerslag De bestudering van fossiele stuifmeelkorrels en sporen waardoor een beeld van de vegetatiegeschiedenis gevormd kan worden. Uit de vegetatiegeschiedenis kan het klimaat worden gereconstrueerd Uitgediepte veestal Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven Door verstuiving uit een riviervlakte hierlangs ontstaan duin (in Nederland meestal Weichselien of Vroeg Holoceen van ouderdom) Voorlaatste ijstijd, waarin het landijs tot in Nederland doordrong en de stuwwallen werden gevormd, ca jaar geleden Zandgrond in een getijdenwater; staat alleen onder water bij zeer hoog tij, begroeid silt Zeer fijn sediment met grootte 2-63 µm slak Steenachtig afval van metaal- of aardewerkproductie slik Zandgrond in een getijdenwater; staat onder water bij vloed en valt droog bij eb, kwelder onbegroeid; wad solifluctie Het hellingafwaarts bewegen van met water verzadigd verweringsmateriaal, o.a. bij een permanent bevroren ondergrond spieker Op palen geplaatst opslaghuisje spits Een langgerekte zandrug die in de richting van de algemene zeestromingen uitgroeit in de monding van een estuarium strandvlakte Groot vlak zandig gebied tussen twee strandwallen strandwal Langs de kust gevormde langgerekte zandrug die uitsteekt boven het gemiddelde hoogwaterniveau; geeft in Nederland de oude ligging van de kustlijn weer strang stratigrafie stroomgordel stroomrug stuwwal terras (rivier-) vaaggronden verbruining wordt vicus vindplaats bevindt Weichselien zavel Met water gevulde, van de hoofdstroom afgesneden- dode - meander Opeenvolging van lagen in de bodem Het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en kronkelwaard-afzettingen, al dan niet met restgeul(en) Oude riviergeul die zodanig is opgehoogd met zandige afzettingen dat de rivier een nieuwe loop heeft gekregen; blijft door inklinking van de komgebieden als een rug in het landschap liggen Door de druk van het landijs in het Saalien opgedrukte rug van scheefgestelde preglaciale sedimenten Door een rivier verlaten en daarna versneden dalbodem Minerale gronden zonder duidelijke podzol-b-horizont, zonder briklaag en zonder minerale eerdlaag Proces van bodemvorming waarbij de bodem egaal (roest)bruin van kleur Een burgerlijke nederzetting uit de Romeinse tijd met een stedelijk karakter maar zonder stadsrechten Ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie Geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca jaar geleden Grondsoort die tussen 8 en 25% lutum (kleideeltjes kleiner dan 2 µm) bevat 21

22 zeldzaamheid Mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied 22

23

24

25

26 Bijlage 4: Boorbeschrijvingen

27 Pagina 1 / 1 Boring: 1 Datum: X: ,80 Y: ,26 Hoogte (m NAP): -0,536 Boring: 2 Datum: X: ,76 Y: ,57 Hoogte (m NAP): -0,799 Boring: 3 Datum: X: ,10 Y: ,64 Hoogte (m NAP): -0, bosgrond Klei, uiterst siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, donker grijsbruin, geleidelijk, kalkloos, A-horizont, omgewerkte grond Klei, uiterst siltig, zwak humeus, sporen baksteen, licht geelbruin, geleidelijk, Veel gevlekt licht geelbeige, kalkrijk, omgewerkte grond Zand, matig fijn, matig siltig, sporen wortels, bruingeel, Af en toe een Ks4 laag, kleilagen, roestvlekken: weinig, kalkrijk, C-horizont bosgrond Klei, uiterst siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, lichtbruin, scherp, Veel gevlekt geelbeige, kalkloos, omgewerkte grond Klei, uiterst siltig, zwak wortelhoudend, geelbeige, geleidelijk, bioturbatie, roestvlekken: veel, kalkrijk Zand, matig fijn, matig siltig, grijsbeige, Dunne laagjes enkele, kleilagen, roestvlekken: veel, kalkrijk bosgrond Klei, uiterst siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, donker grijsbruin, geleidelijk, kalkloos, A-horizont, omgewerkte grond Klei, uiterst siltig, zwak humeus, sporen baksteen, sporen kolen, licht beigebruin, geleidelijk, Veel gevlekt grijsbeige, bioturbatie, kalkrijk, BC-horizont Klei, uiterst siltig, sporen wortels, grijsbeige, geleidelijk, bioturbatie, roestvlekken: veel, kalkrijk, C-horizont Klei, uiterst siltig, sporen wortels, beigegrijs, geleidelijk, zandlagen, roestvlekken: veel, kalkrijk Zand, matig fijn, uiterst siltig, sporen schelpen, beigegrijs, Wrsch Stromingsmossel, geleidelijk, roestvlekken: weinig, kalkrijk Boring: 4 Datum: X: ,01 Boring: 5 Datum: X: , Zand, matig fijn, sterk siltig, grijs, kalkrijk Y: ,73 Y: ,21 Hoogte (m NAP): -1,07 Hoogte (m NAP): -0, bosgrond Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, lichtbruin, geleidelijk, kalkloos, A-horizont, omgewerkte grond 0-84 bosgrond Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, bruin, geleidelijk, kalkloos, A-horizont, omgewerkte grond Zand, matig fijn, matig siltig, bruingeel, geleidelijk, roestvlekken: veel, kalkrijk Zand, matig fijn, matig siltig, geelbeige, geleidelijk, roestvlekken: weinig, kalkrijk Zand, matig fijn, matig siltig, bruingeel, kleilagen, roestvlekken: weinig, kalkrijk Zand, matig fijn, matig siltig, geelbeige, geleidelijk, kleilagen, roestvlekken: weinig, kalkrijk Zand, matig fijn, matig siltig, geelbruin, roestvlekken: weinig, kalkrijk Projectcode: getekend volgens NEN 5104

28 Bijlage 5: Periodentabel