Door de ogen van een pleegkind

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Door de ogen van een pleegkind"

Transcriptie

1 Door de ogen van een pleegkind Een kwalitatief onderzoek naar de ervaringen en bevindingen van kinderen in een pleeggezin 'Foster care through the eyes of foster children A qualitative study on children' experiences of family foster care gemaakt door pleegkind (meisje) van 10 jaar Rijksuniversiteit Groningen Faculteit GMW, Orthopedagogiek Jaar 2011 Eline Brugman Studentnummer: Karin Slagter Studentnummer: Begeleiding: Prof. dr. Hans Grietens

2 Eline Brugman Vitree Pleegzorg Lelystad Karin Slagter Elker Pleegzorg Groningen Begeleiding Prof. dr. Hans Grietens Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen Orthopedagogiek, ihb (jonge) kinderen in de jeugdzorg Grote Rozenstraat TJ Groningen 2

3 Pleegkind Ik hoefde niet eens lang te denken Om jou al mijn tijd te schenken Somber en agressief is jouw tekening Jij arm kind van de rekening Heel langzaam winnen we jouw vertrouwen Geleidelijk aan begin je ook van ons te houden De tijd zal het moeten leren Of voor jou het geluk terug zal keren Maar voor jou is er nu een nieuw begin Bij ons mag je blijven wij zijn je pleeggezin We gaan ervoor zorgen dat jij ondervindt Hoe het voelt als een zeer gewenst kind Sonja Van Rooijen 3

4 Voorwoord Voor u ligt onze masterthesis, die in samenwerking met Prof. dr. Hans Grietens tot stand is gekomen. We hebben aan deze thesis gewerkt in het kader van het afronden van de Master Orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. We hebben het werken aan deze scriptie als zeer leerzaam en interessant ervaren. Zo hebben we door het interviewen van kinderen en vervolgens het verwerken van de resultaten, onder andere kennis gemaakt met het doen van wetenschappelijk kwalitatief onderzoek. Daarnaast zijn we er trots op dat we de pleegkinderen, door middel van onze interviews, een stem hebben kunnen geven. Met dit onderzoek hopen wij dan ook een bijdrage te leveren aan vervolgonderzoek waarbij de verhalen van pleegkinderen centraal zullen staan. Graag willen we van de gelegenheid gebruik maken om een aantal mensen te bedanken. Allereerst de pleegkinderen voor hun medewerking, hun verhalen en openhartigheid. Ook willen wij de pleegouders bedanken die hun toestemming hebben gegeven om de kinderen te mogen interviewen en ons bij hen thuis hebben ontvangen. Dit was niet mogelijk geweest zonder de samenwerking met Elker en Vitree. Graag willen wij bedanken gedragswetenschappers Elianne Zijlstra en Marjolein van Nieuwenhuizen en managers Margreet Bolwijn en Willem Kanbier. Daarnaast willen wij Prof. dr. Hans Grietens vanuit de universiteit hartelijk danken voor zijn enthousiasme, sturing, betrokkenheid en de tijd die hij aan onze begeleiding heeft besteed. Ten slotte willen we uiteraard elkaar bedanken voor de gezellige en toch kritische samenwerking waardoor deze masterthesis tot stand heeft kunnen komen. Daarbij bedanken we ook de steun die wij hebben ontvangen van mensen uit onze eigen omgeving. Eline Brugman en Karin Slagter Groningen, juni

5 Samenvatting Het doel van deze masterthesis was het onderzoeken van de verhalen van pleegkinderen over pleegzorg. Centraal stond hierbij de vraag: Hoe ervaren pleegkinderen het om pleegkind te zijn? Er werden 20 pleegkinderen uit twee pleegzorgdiensten betrokken bij het onderzoek in de leeftijd van 8 tot 12 jaar. Bij alle kinderen is een semi-gestructureerd interview afgenomen, waarbij vooraf vragen werden opgesteld aan de hand van in de literatuur relevant geachte thema s: relaties, pleegzorg en toekomst. Bij het interview is gebruik gemaakt van instrumenten als: een relatiediagram, stamboom en een tekening. Aan de hand van de interviewtranscripten werd een codeerschema opgesteld. Zo kon gekeken worden naar overeenkomsten en verschillen in de verschillende verhalen van de kinderen. Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat het per kind verschillend is hoe het ervaren wordt om pleegkind te zijn. Verder komen een aantal factoren naar voren die op de beleving van kinderen van invloed kunnen zijn. Zo blijkt onder andere dat de leeftijd bij de uithuisplaatsing van belang is en het verleden van het kind een rol speelt. Ook acceptatie vanuit het kind zelf en zijn omgeving is een belangrijke factor. Hoewel al deze factoren van invloed zijn op de beleving van pleegkinderen, zal per kind verschillen hoe dit tot uiting komt. Om de zorg te optimaliseren is het daarom van groot belang dat pleegzorgbegeleiders en andere betrokkenen voldoende de tijd nemen om te luisteren naar het verhaal van ieder pleegkind. 5

6 Abstract The aim of this master thesis was to study stories of foster children in foster care. The main research question was: How do foster children experience being a foster child? Twenty foster children (between 8 and 12 years old) from two different foster care agencies were involved in the study. All children were interviewed, using a semi-structured format, with questions on topics that were considered to be relevant according to the foster care literature: relationships, foster care and future perspectives. In addition to the interview children were asked to draw and fill out a relationship diagram and a family tree. Interview transcripts were coded, using a coding scheme. This enabled us to look for similarities and differences in the children s stories. Results showed that there are differences in how children experience being a foster child. A number of factors affected children experiences, for instance age at the time of out-of-home placement or children s history. Self-acceptance as well as acceptance by the environment also played an important role. Although general factors affecting foster children s perceptions could be distinguished, results showed that each foster child has a unique story with unique factors affecting his/her experience of being a foster child. Therefore, to optimize care, it is important that foster care professionals and other people involved take sufficient time to listen to the story of each foster child. 6

7 Inhoudsopgave Voorwoord... 4 Samenvatting... 5 Abstract... 6 Hoofdstuk 1 Inleiding Probleemstelling Doelstelling, onderzoeksvraag en deelvragen Leeswijzer Hoofdstuk 2 Theoretisch kader Pleegzorg in Nederland Wat is pleegzorg? Vormen van pleegzorg Plaatsing in pleegzorg Cijfers over pleegzorg Complexiteit pleegzorg Driehoeksconcept Hechting Loyaliteit Bevindingen uit bestaand onderzoek vanuit pleegkindperspectief De stem van het pleegkind onderzoeken Hoofdstuk 3 Methode Kwalitatief onderzoek Selectieprocedure Instrumentarium Interview Relatiediagram

8 3.3.3 Stamboom Wondervraag Tekening Procedure Interviewverloop Data-analyse Analyseren van interviews Analyseren van relatiediagram Analyseren stamboom Analyseren van tekeningen Respondenten Hoofdstuk 4 - Resultaten Thema relaties Hoe ziet het sociale netwerk van het pleegkind eruit? Van wie krijgen ze steun en hoe ziet deze steun eruit? Wat voor contacten hebben pleegkinderen met hun biologische ouders? Hoe ziet dit contact eruit? Hoe ervaren pleegkinderen dit contact met de biologische ouders? Thema Pleegzorg Hoe geeft een pleegkind betekenis aan pleegkind zijn? Wat weet een pleegkind over pleegzorg? Wat vindt een pleegkind van de hulp die aangeboden wordt? Uithuisplaatsing Thema toekomst Welk toekomstbeeld hebben pleegkinderen voor ogen? Relatiediagram Stamboom Tekeningen

9 Hoofdstuk 5 Discussie Bevindingen onderzoek Relaties Pleegzorg Toekomst Kritische reflectie Aanbevelingen voor onderzoek en praktijk Aanbevelingen voor vervolgonderzoek Aanbevelingen voor de praktijk Hoofdstuk 6 Conclusie Literatuur Bijlagen Bijlage 1: Brieven Bijlage 2: Interview Bijlage 3: Codeerschema Bijlage 4: Stamboom Bijlage 5: Relatiediagram Bijlage 6: Quality4Care Standaarden Bijlage 7: Tekeningen Bijlage 8: Ingevulde relatiediagrammen

10 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Probleemstelling Binnen de jeugdzorg wordt naar samenwerking en betrokkenheid met de cliënt gestreefd. Volgens Golding, Dent, Nissim en Stott (2006) wordt er verwacht dat er geluisterd wordt naar de cliënt en is er sprake van samenwerking. Dit blijkt echter niet vanzelfsprekend. Uit onderzoek van Fahlberg (1991, zoals beschreven in Fernandez, 2007) blijkt dat participatie van kinderen bij besluitvorming hen zelfvertrouwen geeft. Toch blijkt uit onderzoek van de Joseph Rowntree Foundation (Stuart & Baines, 2004 zoals beschreven in Golding et al., 2006) dat kinderen en jongeren nog steeds onvoldoende worden geconsulteerd over beslissingen die van grote invloed zijn op hun leven. Om erachter te komen wat een pleegkind vindt van pleegzorg, zal het kind zelf aan het woord moeten komen: One of the first steps in making children feel empowered is to seek out their input and to value their opinions (Wilson & Conroy, 1999, p. 54). Om de zorg van kinderen die niet meer thuis kunnen wonen te verbeteren, zijn er 19 kwaliteitsstandaarden opgesteld door SOS-Kinderdorf International (2007). Eén standaard hiervan geeft aan dat kinderen gestimuleerd moeten worden om deel te nemen aan het besluitvormingsproces. Zo moet onder andere onderzocht worden wat de mening van het kind is, moet deze mening gerespecteerd en op een zorgvuldige manier in overweging genomen worden (SOS-Kinderdorf International, 2007). Echter, het hebben van een principe alleen zorgt niet meteen voor een goede uitvoering ervan. Uit de beoordelingsboog van Choy en Schulze (2009) valt op te maken dat het niet altijd noodzakelijk gevonden wordt te vragen naar de mening van pleegkinderen. De beoordelingsboog dient ter ondersteuning bij het kunnen adviseren tot thuisplaatsing vanuit de hulpverleningsvariant. In deze boog worden 12 factoren afzonderlijk van elkaar beoordeeld, waarna gekomen kan worden tot een advies. Deze 12 factoren bestaan onder andere uit: vraag en verwachtingen ouders en kind, competentie van ouders, belang van het kind, 10

11 mening van de hulpverlener en mening van het pleegzorgteam (Choy & Schulze, 2009). Bij uitleg over de factor vraag en verwachtingen ouders en kind wordt beschreven dat de mening van het kind verkregen wordt door individuele gesprekken met het kind. Volgens Choy en Schulze (2009) is het echter alleen zinvol in gesprek te gaan als het kind kan bevatten wat uithuisplaatsing betekent, wat volgens hen vanaf ongeveer negen jaar verwacht mag worden. Wanneer het kind onder de negen jaar is, adviseren zij dan ook de wens van het kind in te schatten door middel van observaties van het kind in relatie met ouders. Hieruit valt op te maken dat het voorkomt dat er in de plaats van pleegkinderen wordt gedacht door hulpverleners en pleegouders, zonder werkelijk te weten wat het kind hier zelf van vindt. Onderzoek van Golding et al.(2006) bevestigt dit. Ook zijn er andere redenen te bedenken waarom de mening en wens van kinderen niet altijd besproken wordt. Mogelijk leidt de hoge werkdruk ertoe dat hulpverleners steeds minder tijd over houden om te luisteren naar de mening en wens van het kind. Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek van Le Grand (2007, zoals beschreven in Winter, 2009) dat er sprake is van toenemende ontevredenheid over het werk en burn- out in de hulpverlening. Dit zou mogelijk zijn ontstaan door een hoge depersonalisatie, rolconflicten, stress, werkdruk, gebrek aan autonomie en bureaucratische controle. Hierdoor zou tevens de mogelijkheid om consistente, duurzame en zinvolle relaties met de cliënt op te bouwen steeds beperkter zijn geworden (Houston & Knox 2004; Gupta & Blewitt 2007 zoals beschreven in Winter, 2009). Uit onderzoek (Houston & Knox 2004; Blewitt et al. 2007; Le Grand 2007 zoals beschreven in Winter, 2009) blijkt dat dit een negatief effect heeft op zowel hulpverleners, kinderen als familieleden. Golding et al. (2006) geven dan ook aan dat het van belang is dat er tijd vrij gemaakt wordt om met hen in gesprek te gaan en actief te luisteren. Het doel van dit onderzoek is dan ook met pleegkinderen in gesprek te gaan en te luisteren naar het verhaal van het kind. Dit om de stem van het pleegkind te laten gelden. 11

12 1.2 Doelstelling, onderzoeksvraag en deelvragen Vanuit deze probleemstelling is onze onderzoeksvraag ontstaan. Deze luidt: Hoe ervaren pleegkinderen het om pleegkind te zijn? Om deze onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, is er gekeken naar factoren die de ervaringen van kinderen in zorg kunnen beïnvloeden. Zo is er onder andere vergelijkbaar kwalitatief onderzoek gedaan naar de ervaringen van kinderen en jongeren in zorg in Noord-Ierland (Mullan, McAlister, Rollock & Fitzsimons, 2007). Daaruit blijkt onder andere dat een ondersteunend netwerk van familie als zeer belangrijke factor gezien wordt. Daarnaast is ook het aantal vrienden in het netwerk van het kind van belang. Verder wordt genoemd dat eerlijkheid en informatie, zoals procedures over de zorg, ook als factor gezien kan worden die invloed heeft op de ervaring van het kind. Bovenstaande factoren zijn meegenomen bij het opstellen van deelvragen. Hieruit zijn de thema s relaties en (kennis over) pleegzorg naar voren gekomen. Daarnaast hebben we ervoor gekozen ook aandacht te besteden aan het toekomstperspectief van het kind. Uit onderzoek van Wilson en Conroy (1999) blijkt namelijk dat kinderen weinig gevraagd wordt naar hun toekomstdroom. Aan de hand van deze thema s zijn deelvragen opgesteld. Relaties: Hoe ziet het sociale netwerk van het pleegkind eruit? Van wie krijgen ze steun en hoe ziet deze steun eruit? Wat voor contacten hebben pleegkinderen met hun biologische ouders? Hoe ziet dit contact eruit? Hoe ervaren pleegkinderen dit contact met de biologische ouders? 12

13 Pleegzorg: Hoe geeft een pleegkind betekenis aan pleegkind zijn? Wat weet een pleegkind over pleegzorg? Wat vindt een pleegkind van de hulp die aangeboden wordt? Toekomstperspectief: Welk ideale toekomstbeeld hebben pleegkinderen voor ogen? Welk reële toekomstbeeld hebben pleegkinderen voor ogen? 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de theoretische achtergrond van dit onderzoek beschreven. Dit bestaat uit een beschrijving van pleegzorg in Nederland, de complexiteit van pleegzorg, bevindingen uit bestaand onderzoek en op welke manier pleegkinderen aan het woord kunnen komen. De methode van ons onderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hier wordt eerst beschreven wat kwalitatief onderzoek inhoudt, daarna de procedure van het selecteren van pleegkinderen. Ook staat in dit hoofdstuk beschreven welke instrumenten, procedure en de data-analyse zijn gebruikt. Ten slotte wordt een omschrijving van de respondenten gegeven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten beschreven aan de hand van de thema s relaties, pleegzorg en toekomst. Ook worden de resultaten van het relatiediagram, de stamboom en de tekeningen weergegeven. De discussie komt aan bod in hoofdstuk 5. Hierin worden de resultaten per thema vergeleken met bevindingen uit ander onderzoek. Ook wordt er een kritische reflectie gegeven met positieve punten en beperkingen van dit onderzoek. Hierna volgen aanbevelingen voor vervolgonderzoek en de praktijk. In het laatste hoofdstuk volgt een conclusie met betrekking tot het onderzoek. Daarna volgen de literatuurlijst en de bijlagen. 13

14 Hoofdstuk 2 Theoretisch kader In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt ingegaan hoe pleegzorg er in Nederland uitziet. Dit bestaat uit een omschrijving van pleegzorg, de verschillende hulpvormen van pleegzorg en enkele cijfers. In paragraaf 2.2 wordt ingegaan op de complexiteit van pleegzorg door middel van de begrippen driehoeksconcept, hechting en loyaliteit. In paragraaf 2.3 wordt weergegeven welk vergelijkbaar onderzoek er reeds gedaan is. Hoe dergelijk onderzoek het beste uitgevoerd kan worden, is te vinden in paragraaf Pleegzorg in Nederland Wat is pleegzorg? Wanneer het voor een kind niet meer mogelijk is om in het biologische gezin op te groeien, zijn er pleeggezinnen die tijdelijk voor het kind zorgen. Bij pleegzorg staat het recht van kinderen om in een gezin op te kunnen groeien centraal. Allereerst wordt er gekeken of er in de eigen familie of bij bekenden een plekje is voor het kind. Als dit niet lukt, dan gaat de instelling voor pleegzorg op zoek naar een geschikt pleeggezin (Pleegzorg Nederland, 2011). De Commissie Harmonisatie van Normen geeft vanuit een hulpverleningskader een omschrijving van pleegzorg: Pleegzorg is een vorm van zorg waarin activiteiten van pleegouders (het bieden van verblijf, verzorging en vervanging van de oorspronkelijke opvoedingssituatie) en activiteiten van (veelal) ambulante hulpverleners (begeleiding, soms behandeling) worden gecombineerd (1991, zoals beschreven in Strijker, 2009, p.15). In de wet op de Jeugdhulpverlening uit 1989 (Deerenberg, 1990 zoals beschreven in Strijker, 2009) is pleegzorg de hulpverlening bestaande uit het bieden van opneming in een pleeggezin en daarmee verband houdende begeleiding van pleegkinderen, pleegouders, ouders en stiefouders (p.15). 14

15 2.1.2 Vormen van pleegzorg Er zijn verschillende vormen van pleegzorg. Allereerst de hulpverleningsvariant. Deze variant wordt ingezet wanneer de opvoedingsproblemen zo groot zijn, dat het kind niet meer thuis kan blijven wonen. In deze hulpverleningsvariant wordt geprobeerd om de oorspronkelijke gezinssituatie te herstellen en is nog niet besloten wie er in de toekomst voor het kind gaat zorgen. Voor het kind en de biologische ouders wordt intensieve hulp ingezet en het doel van het pleeggezin is om de gewenste veranderingen in gang te zetten en te bereiken. Het uitgangspunt van deze variant is een zo kort mogelijke plaatsing (Steensma, 2004 zoals beschreven in De Baat & Bartelink, 2011). Van tevoren wordt een termijn van maximaal een half jaar gesteld en in die tijd wordt er intensief met de ouders van het kind gewerkt. Als na dit half jaar blijkt dat het niet mogelijk is om het kind weer terug bij zijn ouders te plaatsen, volgt er een doorplaatsing naar de opvoedingsvariant van pleegzorg of naar een andere vorm van jeugdzorg (Pleegzorg Nederland, 2010). Naast de hulpverleningsvariant is er ook deeltijdpleegzorg. Deze variant, waarbij de kinderen nog thuis wonen, dient vaak als aanvulling voor de zorg en opvoeding die voor de ouders zwaar vallen. Het wordt vaak gebruikt als preventieve hulp en ter voorkoming van een definitieve uithuisplaatsing. Voorbeelden van deeltijdpleegzorg zijn onder andere weekend- of vakantiepleegzorg. Deze vorm van pleegzorg kan ook ingezet worden ter ontlasting van een pleeggezin of voor kinderen die op een groep wonen (Choy & Schulze, 2009). Daarnaast is er de opvoedingsvariant. Voor deze variant is geconcludeerd dat het kind voor langere tijd niet meer thuis kan wonen. Ook is besloten wie de opvoeding van het kind in de toekomst op zich neemt. De pleegouders zullen het kind opvoeden tot het meerderjarig is (De Baat & Bartelink, 2011). Het uitgangspunt bij pleegzorg is het recht van het kind op een stabiele opvoedingssituatie en continuïteit in de opvoeding. Met andere woorden, de ontwikkeling bij de ouder blijft ondergeschikt aan het belang/ recht van het kind op een permanente/ continue verblijfplaats (Strijker, 2009 p. 34). Wel spelen 15

16 biologische ouders nog vaak een rol in het leven van hun kind door bijvoorbeeld een bezoekregeling. De intensiteit van dit contact varieert per kind Plaatsing in pleegzorg Bureau Jeugdzorg is de toegangspoort voor daghulp, ambulante hulp, residentiële zorg en pleegzorg (Strijker, 2009). Voor de toegang naar pleegzorg is een indicatiestelling nodig door Bureau Jeugdzorg. Pleegzorg is dan ook niet vrij toegankelijk. Een kind wordt dus niet zomaar opgenomen binnen pleegzorg. Naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdzorg wordt door Bureau Jeugdzorg een onderzoek uitgevoerd naar de problemen van het kind of de jongere. Het kan zijn dat uit dit onderzoek naar voren komt dat een vorm van jeugdzorg noodzakelijk is. Vastgesteld wordt welke vorm van jeugdzorg dit zal moeten worden, bijvoorbeeld pleegzorg. De instelling voor pleegzorg gaat op zoek naar een geschikt pleeggezin, indien de indicatie van Bureau Jeugdzorg binnen is (Strijker, 2009). Er kan ook sprake zijn van een vrijwillige plaatsing. Dan zoeken ouders zelf hulp en stemmen ermee in dat hun kind in een pleeggezin geplaatst mag worden. Als de kinderrechter beslist dat een kind in een pleeggezin geplaatst moet worden, spreekt men van een justitiële plaatsing (Pleegzorg Nederland, 2011) Cijfers over pleegzorg In Nederland zijn er 28 instellingen die pleegzorg bieden. Elke instelling (Strijker, 2009, p. 33): - is verantwoordelijk voor de opvang van kinderen bij pleegouders; - biedt verschillende vormen van opvang voor pleegkinderen, zoals weekendopvang, vakantieopvang, dagopvang, crisisopvang en opvang voor korte of voor langere duur; - geeft voorlichting aan geïnteresseerden op scholen en aan pleegkinderen, pleegouders en ouders; - werft nieuwe pleegouders en bereidt hen voor op het pleegouderschap; 16

17 - ondersteunt en begeleidt pleegouders en hun kinderen, pleegkinderen en ouders. Het aantal kinderen dat gebruik maakt van pleegzorg is in de afgelopen tien jaar verdubbeld. Zo lag het aantal pleegkinderen in 1999 nog rond de , terwijl dit in 2007 rond de lag (Strijker, 2009). Deze forse groei, die al een aantal jaren terug begon, gaat door. (Pleegzorg Nederland, 2010). Hieronder volgt een grafiek (figuur 1) die het totaal aantal pleegkinderen per jaar van 2000 tot 2009 weergeeft en een grafiek (figuur 2) die het aantal nieuwe plaatsingen per jaar van 1998 tot 2009 weergeeft: Figuur 1: Totaal aantal pleegkinderen per jaar (Pleegzorg Nederland, 2010) Figuur 2: Nieuwe plaatsingen per jaar (Pleegzorg Nederland, 2010) 17

18 Er is een grote groep kinderen die maar kort gebruik maakt van pleegzorg. In 2009 heeft ruim een derde van de pleegkinderen korter dan drie maanden bij pleegouders gewoond. Bijna de helft van de plaatsingen duurde korter dan een half jaar. Daarnaast is er ook een groep die voor lange tijd in een pleeggezin opgevangen werd. Zo verbleef 19% langer dan twee jaar in een pleeggezin (Maaskant & Reinders, 2010). Ruim een vijfde van de nieuwe pleegzorgplaatsingen betreft crisisopvang. Van de plaatsingen betreft 13% deeltijdpleegzorg (meestal weekend- en vakantieopvang) en 64% voltijd plaatsingen (Pleegzorg Nederland, 2010). De verdeling van de pleegzorgplaatsingen is overzichtelijk weergegeven in figuur 3. Figuur 3: Nieuwe pleegzorgplaatsingen die in 2009 zijn gerealiseerd, naar soort opvang (Pleegzorg Nederland, 2010) 2.2 Complexiteit pleegzorg Driehoeksconcept Normaliter is de relatie tussen kind en ouders exclusief, in het geval van pleegzorg is er sprake van een derde partij, namelijk pleegouders. Dit wordt ook wel het driehoeksconcept genoemd (Choy & Schulze, 2009). Dit concept wordt in de hulpverlening gezien als een klein relatienetwerk dat de complexe dynamiek tussen de partijen weergeeft. Binnen pleegzorg is er sprake van een spanningsveld in de onderlinge relaties binnen deze driehoek. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen spanningen op inhoud- en betrekkingsniveau. Wanneer men op inhoudsniveau 18

19 problemen ondervindt, hoeft dit niet direct invloed uit te oefenen op de betrekkingen. Bij problemen op het niveau van betrekkingen, zijn echter de gevolgen direct zichtbaar op het inhoudsniveau (Choy & Schulze, 2009). Er zal niet meer goed gecommuniceerd kunnen worden over de inhoud, wanneer de betrekkingen verstoord zijn. Het is daarom noodzakelijk aandacht te besteden aan de betrekkingen binnen de driehoek. Afgezien van het feit dat de betrekkingen goed moeten zijn om inhoudelijk te kunnen communiceren, is het voor het pleegkind van groot belang dat ouders en pleegouders met elkaar overweg kunnen. Wanneer dit niet het geval is, zal het kind het gevoel kunnen krijgen te moeten kiezen tussen ouders of pleegouders (Bastiaensen, 2001). Het kind zal dan last kunnen krijgen van een loyaliteitsconflict (zie paragraaf 2.2.3). Naast deze drie partijen, zijn er echter nog meer personen betrokken bij de pleegzorgplaatsing. Te denken valt aan een medewerker van Bureau Jeugdzorg en een pleegzorgbegeleider. Ook zij oefenen invloed uit op zowel inhoud- als betrekkingsniveau. Al deze verschillende partijen maken dat de kans op spanningen en onderlinge betrekkingen vergroot wordt. Volgens Choy en Schulze (2009) moet men er echter niet vanuit gaan dat de relaties altijd spanningsval zijn, alleen omdat het kind in pleegzorg zit. Het moet dan ook gezien worden als een risicofactor. Voor meer informatie over dit driehoeksconcept en de onderlinge relaties wordt verwezen naar Choy en Schulze (2009) Hechting Volgens Bowlby is ieder kind genetisch voorbestemd om hechting tot stand te brengen, waardoor hechting van nature ontstaat (Strijker, 2009). Zodra het kind geboren wordt, is het afhankelijk van een volwassene om te overleven. Het kind heeft deze volwassene nodig, totdat het groot genoeg is om voor zichzelf te zorgen. Het hechtingsproces is dan ook evolutionair tot stand gekomen (Juffer, 2010). 19

20 De kern van de hechtingstheorie van Bowlby is dat ouders die sensitief inspelen op de signalen van het kind bijdragen aan de totstandkoming van een veilige hechting (Juffer, 2010). Deze veilige hechting maakt dat kinderen hun emoties beter kunnen reguleren en betere sociale vaardigheden ontwikkelen dan kinderen die onveilig gehecht zijn. De sensitiviteit van ouders die hiervoor nodig is, wordt door Ainsworth, Blehar, Waters en Wall (1978) omschreven als de vaardigheid om gehechtheidssignalen vroegtijdig waar te nemen en hierop adequaat te reageren. Wanneer de omstandigheden waarin het kind opgroeit, erbarmelijk zijn zal het kind zich alsnog hechten aan volwassenen (Juffer, 2010). Ook in opvoedingssituaties waarin verwaarlozing of mishandeling voorkomt, vindt hechting plaats. Al is de kans groot dat de hechting onveilig zal zijn. Dit komt ook naar voren in het onderzoek van Van IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg (2009, zoals beschreven in Juffer, 2010) waaruit blijkt dat er tientallen studies zijn die laten zien dat kinderen zich hechten aan ouders, ondanks de kwaliteit van de hechting. Het is de genetische aanleg voor hechting in het kind wat maakt dat er hechting plaatsvindt. Of de hechting zich veilig of onveilig ontwikkelt, wordt beïnvloed door de opvoedingsomgeving. Er zijn vier soorten gehechtheid volgens Ainsworth (1978, zoals beschreven in Belsky, 2007). Er kan sprake zijn van veilige, angstig-vermijdende, angstig-ambivalente en gedesorganiseerde gehechtheid. Wanneer een kind veilig gehecht is zal het zich veilig voelen om de wereld te verkennen. Veilige hechting ontstaat wanneer de ouder sensitief en responsief reageert op het kind en het kind de ruimte biedt de wereld te ontdekken (Maaskant & Reinders, 2010). Ook kan er sprake zijn van onveilige hechting. Bij angstig-vermijdende gehechtheid is er sprake van afwijzing vanuit de ouder. De ouder negeert het kind of reageert niet op de behoeften van het kind. Het kind kan hierdoor niet vertrouwen op de ouder. Het kind laat weinig positieve, maar ook weinig negatieve signalen van gehechtheid zien (Belsky, 2007). Wanneer een ouder wisselend sensitief en responsief reageert op het kind kan het kind zich angstigambivalent hechten. De ouder is onvoorspelbaar voor het kind, waardoor het 20

21 kind claimend gedrag laat zien (Maaskant & Reinders, 2010). Als laatste vorm van onveilige gehechtheid kan er sprake zijn van gedesorganiseerde hechting. Deze vorm van hechting komt vaak voor bij kinderen die voortdurend wisselende verzorgers hebben gehad, mishandeld of verwaarloosd zijn. Er is sprake van tegenstrijdig gedrag van het kind. Zo zoekt het contact en nabijheid, terwijl het tegelijkertijd een hoge mate van vermijding en weerstand laat zien (Strijker, 2009). Elk kind heeft meerdere gehechtheidpersonen waarbij de gehechtheidskwaliteit per relatie kan verschillen (Juffer, 2010). De meerdere gehechtheidsrelaties worden ook wel gehechtheidsnetwerk genoemd. Volgens Van IJzendoorn (2008, zoals beschreven in Juffer, 2010) bestaat dit netwerk uit bijvoorbeeld de relatie met moeder, vader, grootouders en een vertrouwde gastouder of kinderopvangleidster. Kinderen laten hun gehechtheid zien op momenten van nood, waarbij gedacht kan worden aan angst, verdriet, onzekerheid of ziekte. Op deze momenten zullen kinderen contact zoeken met een specifieke opvoeder (Van den Bergh & Weterings, 2010). Uit onderzoek is gebleken dat hechting van invloed is op het sociaalemotioneel gebied op latere leeftijd (Juffer, 2010). Dat er een significant verband is tussen onveilige gehechtheid en externaliserende gedragsproblemen, blijkt uit onderzoek van Fearon, Bakermans-Kranenburg, Van IJzendoorn, Lapsley en Roisman (2010, zoals beschreven in Juffer, 2010). Dat kinderen die voor hun eerste verjaardag uit het biologische gezin verplaatst zijn, vaak even veilig gehecht zijn als kinderen in biologische verwante gezinnen blijkt uit onderzoek van Van den Dries, Juffer, Van IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg (2009, zoals beschreven in Juffer, 2010) naar de hechting tussen kind en pleegouders of adoptieouders. Kinderen die na hun eerste verjaardag verhuisden naar een nieuw gezin, bleken vaker onveilig gehecht te zijn. Door een scheiding van het kind met ouders loopt dat wat voor het kind als veilige thuishaven van het kind ervaren wordt, gevaar (Juffer, 2010). Wanneer de ouders niet aanwezig zijn om het kind troost en zorg te bieden, ontstaat er een acute alarmsituatie bij het kind. Dit uit zich in angst en verdriet. 21

22 Kinderen hebben dan ook belang bij een stabiele relatie met een persoon die continue beschikbaar is (Van IJzendoorn, 2008, zoals beschreven in Juffer, 2010) Loyaliteit Loyaliteit wordt in de meeste gevallen geassocieerd met gevoelens van trouw en verbondenheid (Govaerts, 2011). De Hongaarse gezinstherapeut Boszormenyi-Nagy maakt onderscheid tussen twee soorten loyaliteit: existentiële en verworven loyaliteit. Existentiële loyaliteit ontstaat vanuit de biologische ouder- kind relatie. Er is sprake van een unieke existentiële band tussen ouder en kind. Deze vorm van loyaliteit blijft bestaan, ook na jaren van fysieke scheiding. Het kind hoort door de bloedband bij zijn ouders. Men noemt deze verbondenheid dan ook wel zijnsloyaliteit (Van den Bergh & Weterings, 2010). Verworven loyaliteit heeft te maken met de investeringen die de verzorger doet voor zijn kind. Het kind is emotioneel loyaal aan degene die voor hem zorgt (Van den Bergh & Weterings, 2010, p. 44). Voor deze emotionele loyaliteit is een (veilige) gehechtheidsrelatie essentieel. Het kind zal op basis van de gehechtheidsrelatie bijvoorbeeld zijn verzorger verkiezen boven iemand anders (Van den Bergh & Weterings, 2010). Een pleegkind heeft te maken met loyaliteit naar zijn biologische ouders en pleegouders. Naar zijn biologische ouders is het (zijns) loyaal en naar de pleegouder is het (verworven loyaal). Als beide vormen van loyaliteit met elkaar concurreren, ontstaat er een loyaliteitsconflict bij het kind (Strijker, 2009, p. 88). Als er sprake is van een loyaliteitsconflict kan het kind zich niet binden. Voor het kind betekent het binden aan de ene ouder, ontrouw zijn aan de andere ouder. Er zijn drie typen loyaliteitsconflicten bij pleegkinderen volgens Bastiaensen (2001). Gespleten loyaliteit, overloyaliteit en onzichtbare loyaliteit. Gespleten loyaliteit komt voor als de biologische ouder de pleegzorgplaatsing niet accepteert of als de pleegouder de biologische ouders afwijst. Er kan sprake zijn van overloyaliteit als het pleegkind de biologische ouders idealiseert of 22

23 probeert te beschermen. Er kan ook sprake zijn van het conflict van de onzichtbare loyaliteit. Dit kan ontstaan als de pleegouders grote moeite hebben met de loyaliteit van het kind aan de biologische ouders (Strijker, 2009). 2.3 Bevindingen uit bestaand onderzoek vanuit pleegkindperspectief Voor het verzamelen van informatie over bestaand onderzoek waar pleegkinderen aan het woord komen, is gezocht naar enkele boeken en artikelen. Voor artikelen is er gezocht in de database EBSCO Publishing. Er is gezocht op onder andere de trefwoorden: foster care, out-of-home care, satisfaction, children, experiences en qualitative research. Ook is er gezocht via Google Scholar naar Nederlandse literatuur. Hierbij is er gezocht met onder andere de volgende trefwoorden: pleegzorg, pleegkinderen, ervaringen, hechting en loyaliteit. Ook hebben we literatuur, in de vorm van boeken en artikelen, aangeleverd gekregen van Prof. dr. Hans Grietens. Uit de verkregen literatuur zijn er acht onderzoeken naar voren gekomen waarin de stem van het kind centraal staat. Een selectie van drie van deze onderzoeken zal één voor één aan bod komen. De onderzoeken die genoemd worden, zijn geselecteerd omdat deze zeer nauw aansluiten bij onze onderzoeksvragen. Het eerste onderzoek is van Burgess, Rossvoll, Wallace en Daniel (2010). Zij hebben onderzoek gedaan naar de ervaringen van kinderen in netwerkpleegzorg in Schotland. Dit is een kleinschalig kwalitatief onderzoek waarin vijf mannen en zeven vrouwen (N=12) tussen de 11 en 17 jaar zijn betrokken. Het doel van dit onderzoek is om begrip te ontwikkelen over de ervaringen van kinderen in netwerkpleegzorg en om deze kinderen de kans te geven hun mening te uiten over wat zij belangrijk achten in hun leefsituatie. Daarnaast is als doel gesteld om de bevindingen uit het onderzoek te kunnen gebruiken in de praktijk en bij beleidsontwikkelingen. Er is gebruik gemaakt van semi- gestructureerde interviews met kinderen in de thuissituatie. Ook kon het interview op kantoor plaatsvinden wanneer dit door het kind wenselijk werd geacht. Het interview 23

24 bestond uit de thema s: vroegere en huidige leefsituatie, verbondenheid, contact met familie, het sociale netwerk van het kind en de ervaringen omtrent het wonen in netwerkpleegzorg. Om ervoor te zorgen dat de kinderen voldoende in staat waren te reflecteren en dit kunnen verwoorden, is er gekozen voor de leeftijdsgroep 11 tot 17 jaar. Resultaten uit dit onderzoek laten onder andere zien dat pleegkinderen uit dit onderzoek zich niet anders voelen dan andere leeftijdsgenoten. De meerderheid van de kinderen gaf aan niet de behoefte te hebben om terug te keren naar biologische ouders. Ook vonden zij dat hun leven verbeterd was ten opzichte van de thuissituatie. Een uitzondering hierop was een kind dat nog steeds gevoelens van rouw ervoer en er soms nog naar verlangde weer te wonen bij zijn biologische ouders. Er zijn een aantal kinderen geweest die gevoelens van teleurstelling ervoeren en die zich in de steek gelaten voelden door ouders. Uit het onderzoek komt naar voren dat kinderen met herinneringen van de vroegere thuissituatie zich veiliger voelden in de huidige thuissituatie. Sommige kinderen gaven aan dat de vroegere thuissituatie hen gevoelens gaf van onveiligheid, waardoor zij opgelucht zijn dat de situatie is veranderd. De meeste kinderen in het onderzoek hebben aangegeven dat zij een sterkere emotionele band ervoeren met hun huidige verzorgers dan met hun biologische ouders. Pleegouders en directe familie werden als belangrijke steun ervaren. Alle kinderen in het onderzoek hebben goede vrienden die op de hoogte zijn van de persoonlijke situatie, dit werd als zeer belangrijk ervaren. In welke mate de verdere omgeving op de hoogte was van deze persoonlijke situatie was per kind verschillend. Een aantal kinderen gaf aan dit niet te willen delen met anderen. Sommige kinderen gaven aan dat het te ingewikkeld is om uit te leggen. Daarnaast is er ook een meisje geweest dat haar persoonlijke verhaal op papier heeft gezet, zodat haar klasgenoten dit konden lezen. Het tweede onderzoek is van Fernandez (2007). In dit onderzoek werden 59 kinderen (29 jongens en 30 meisjes) geselecteerd voor The Growing Up in Care Project. Dit is een longitudinale studie over kinderen in een lange termijn 24

25 pleegzorg programma van Barnardos Australië. Door middel van meerdere interviews met pleegkinderen, casemanagers en pleegouders werd de relatie van de kinderen met de pleeg- en biologische familie en de hulpverleningsgeschiedenis onderzocht. Dit met als doel de behoeften en sterke punten van het hulpverleningsproces te kunnen beoordelen. Dit werd gedaan in verschillende stadia van het hulpverleningsproces: vier maanden na intreden van hun huidige plaatsing en 18 tot 24 maanden daarna. Er is gekozen voor een leeftijdsgroep van 7 tot 15 jaar ten tijde van het eerste interview. De onderwerpen die onderzocht werden waren: aanpassingsvermogen van het kind, zelfbeoordelingsvaardigheden om adaptieve relaties te ontwikkelen, concentratie, gedragsproblemen, angst, dominante, positieve en negatieve emoties. Resultaten laten onder andere zien dat de meerderheid van de betrokken pleegkinderen aangaf goed op te kunnen schieten met hun pleeggezin. Meer dan een kwart wist niet goed hoe de band met één van beide pleegouders was. Op het moment van het tweede interview gaven bijna alle kinderen aan goed op te kunnen schieten met hun pleegouders. Een kleine minderheid gaf aan niet goed met hen op te kunnen schieten. De meerderheid van de kinderen wilde meer contact met biologische familie, het meest genoemd werden broers, zussen en ouders of één van beide ouders. De minderheid van de kinderen wenste minder of geen contact, in de meeste gevallen gold dit voor het contact met vader. Daarnaast geven de kinderen aan het als vervelend te hebben ervaren dat de uithuisplaatsing tot gevolg heeft gehad dat het contact met oude vrienden verbroken werd. Het derde onderzoek is van Wilson en Conroy (1999). Zij hebben van 1993 tot en met 1996 onderzoek gedaan naar 1100 kinderen die uit huis geplaatst waren, in opdracht van de staat Illinois. Dit is een tevredenheidonderzoek in de vorm van een interview omtrent de plaatsing en de hulpverleners. De leeftijdsgroep bestond uit kinderen van 5 tot 18 jaar. Dit interview werd één- op- één bij hen thuis afgenomen, tenzij het kind graag een ander persoon bij het interview wilde hebben. Het interview bestond uit 49 gesloten schaalvragen en zeven open 25

26 vragen. Voorbeelden van thema s uit dit onderzoek zijn: tevredenheid met hun leven, de zorg, de plaatsing, de relatie met familieleden en de hulpverleners. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de meerderheid van de kinderen tevreden was met hun huidige leefsituatie. Ook gaf de meerderheid aan dat hun leven was verbeterd door de uithuisplaatsing. Zo deden ze het beter op school, hadden ze vrienden, was hun zelfvertrouwen vergroot en gaven ze aan dat ze genoeg te eten kregen in het huidige gezin. Wanneer gevraagd werd wat als minder leuk ervaren werd, noemden meerdere kinderen dat ze hun ouders, broers en zussen minder zagen. Ook het verliezen van vrijheid en het gepest worden door andere kinderen werd als minder leuk ervaren. Over het algemeen waren de kinderen tevreden over hun hulpverleners. Punten van kritiek waren onbereikbaarheid, te weinig beschikbaarheid en het niet nakomen van beloftes. Iets meer dan een kwart van de kinderen gaf aan betrokken te zijn geweest bij de besluitvorming rondom de plaatsing. 2.4 De stem van het pleegkind onderzoeken Het zoeken naar de mening van kinderen over het proces van adoptie, pleegzorg of residentiële zorg is een belangrijk onderdeel van inzicht in de behoeften en wensen van kinderen (Golding et al., 2006). Hoewel Dubowitz in 1994 (zoals beschreven in Barbell & Wright, 1999) aangaf dat kinderen een belangrijke bron van informatie kunnen zijn die onderschat wordt, blijkt uit onderzoek van Golding et al.(2006) dat recent onderzoek nog steeds schaars is. Volgens Delfos (2010) ziet een interview met een kind er op vele aspecten anders uit dan bij een volwassene. De onderzoeker moet zich volgens haar bewust zijn van deze verschillen om een interview af te kunnen nemen bij kinderen. Hiervoor is kennis over de ontwikkelingsfase van het kind essentieel om goed te kunnen afstemmen op het kind. De ontwikkelingstheorie kan hierbij helpen. Onderzoek van Piaget (1973, zoals beschreven in Golding et al., 2006) laat zien dat de mogelijkheid om je in te leven in een ander mede wordt bepaald door goede sociale relaties op jonge leeftijd. 26

27 Kinderen die op jonge leeftijd te maken hebben gehad met het disfunctioneren in de opvoeding en separatie van de ouders, hebben meer kans op moeilijkheden bij het inleven in een ander. Kinderen in een gezin met opvoedingsproblemen kunnen dan ook moeilijkheden ervaren bij het denken, het vinden van de juiste woorden en het begrijpen van gevoelens. Kennis over de ontwikkelingsfase van het kind en de hierbij horende mogelijkheden en moeilijkheden, maakt dat het makkelijker wordt met het kind te communiceren en om deze communicatie van waarde te laten zijn (Schofield, 2005 zoals beschreven in Golding et al., 2006). Het interviewen van kinderen, in het bijzonder pleegkinderen, vraagt dan ook extra aandacht van de interviewer. Traumatische ervaringen en het verlies van vertrouwen in volwassenen maakt dat het extra tijd en geduld kost om deze kwetsbare groep te interviewen (Golding et al., 2006). Volgens Schofield (2005, zoals beschreven in Golding et al., 2006) is het luisteren naar een kind een proces van begrijpen van de ervaringen van het kind, zijn ontwikkelingsmogelijkheden en zijn kijk op de wereld. Mayall (1999, zoals beschreven in Eder & Fingerson, 2002) geeft dan ook aan dat het helpend kan zijn om als onderzoeker te controleren bij jonge kinderen of de interpretatie van het gesprek door de volwassene klopt. Bij de communicatie van een kind met een volwassene, heeft het kind veelal bepaalde aannames en verwachtingen, wat invloed kan hebben op de antwoorden die het geeft. Fine en Sandstrom (1988, zoals beschreven in Eder & Fingerson, 2002) sluiten hierbij aan. Zij geven aan dat geen enkele vorm van participatie met een kind gelijkwaardig kan zijn, omdat kinderen hun hele leven al horen dat ze moeten luisteren naar volwassen en hen moeten gehoorzamen. Voorbeelden van aannames die het kind kan hebben zijn: er zijn foute antwoorden, de volwassene weet het antwoord op de vraag, het is beter een willekeurig antwoord te geven dan geen antwoord (Golding et al., 2006). Het is daarom belangrijk dat de interviewer de tijd neemt om uit te leggen dat deze aannames niet van toepassing zijn op het gesprek. Daarnaast moet er op gelet worden dat de omgeving waarin het onderzoek plaatsvindt niet doet denken aan een klaslokaal. Dit kan associaties opwekken met vragen tijdens de les waarbij 27

28 er maar één goed antwoord is (Eder & Fingerson, 2002). Gevolg hiervan zou kunnen zijn dat het kind wenselijke antwoorden gaat geven, in plaats van te vertellen wat het echt denkt. Het moet ook duidelijk worden aan het begin van het interview dat het kind zijn mening en zijn gevoelens erg belangrijk zijn. Het kind moet duidelijk gemaakt worden dat hij de expert tijdens het gesprek is en niet de volwassene (Finkelhor & Kendall-Tackett, 1977 zoals beschreven in Golding et al., 2006). Een ander aandachtspunt tijdens het interview is de hogere mate van gevoeligheid voor suggestiviteit van kinderen (Delfos, 2010; Jones, 2003 zoals beschreven in Golding et al., 2006). Kinderen nemen veel informatie die ze tot zich krijgen aan voor waar, ongeacht of de bron betrouwbaar is. Dit maakt dat gesprekken die ze hebben gehad veel invloed kunnen hebben op de antwoorden die ze geven. Ook het interview zelf zal invloed kunnen hebben, de interviewer zal daarom extra alert moeten zijn niet zijn eigen mening te uiten zodat een beter beeld ontstaat van het perspectief van het kind. Uit andere bronnen (Peterson, 1999; Fivush, Sales, Goldberg, Bahrick & Parker, 2004 zoals beschreven in Delfos, 2010) valt op te maken dat suggestiviteit bij kinderen minder speelt wanneer zij vertellen over een stressvolle gebeurtenis waarin zij zelf betrokken zijn geweest. Het is daarom aan te raden van tevoren een aantal gegevens van het kind te weten. De afkomst van het kind, de cultuur en familieachtergrond zijn voorbeelden hiervan. Dit zijn aspecten die het perspectief van het kind beïnvloeden. Het is van belang dat het perspectief van het kind bekend is, wil de onderzoeker het kind goed kunnen begrijpen (Golding et al., 2006). Er moet goed nagedacht worden over de locatie van het interview, de houding van de interviewer en de intentie van de vragen die gesteld worden. Volgens Finkelhor en Kendall-Tackett (1997, zoals beschreven in Golding et al., 2006), moet het kind goed worden ingelicht over de structuur van het interview. Ook Elbers (1991, zoals beschreven in Delfos, 2010) geeft aan dat het van groot belang is het gesprekskader duidelijk te maken om de kwaliteit van het gesprek te kunnen waarborgen. Dit omdat kinderen door alledaagse gesprekken gewend zijn dat de volwassene sturend is in het gesprek en ook geholpen kan worden 28

29 door de volwassene. Wanneer kinderen duidelijkheid hebben over wat van hen verwacht wordt in het gesprek en welke sociale regels gelden, zullen ze beter presteren (Delfos, 2010). Uit onderzoek van Thomas, Beckford, Lowe & Murch (1999, zoals beschreven in Golding et al., 2006; Eder & Fingerson, 2002) blijkt dat het cruciaal kan zijn om het kind invloed te laten hebben op het interview. Volgens hen moet het mogelijk zijn voor het kind om vragen te stellen en eventuele angst of onzekerheid omtrent het interview te uiten. Zo wil het helpend zijn om: Er een bekende volwassene bij te hebben ter ondersteuning; de tijd te nemen om uit te leggen wat de reden van het interview is; het kind invloed te laten uitoefenen wanneer en hoe het interview wordt uitgevoerd; het tempo van het kind leidend te laten zijn en gestructureerde pauzes te nemen; goed oogcontact te maken om aandachtsproblemen te verminderen; te tolereren dat het kind eerst uittest of de interviewer betrouwbaar is; bewust te zijn van je lichaamshouding, het kind is gevoelig voor signalen van afkeuring en verveling; het kind te volgen en kansen aangrijpen om verder te exploreren wanneer dit mogelijk is; stiltes te accepteren, niet te haasten door het gesprek en interrupties te voorkomen. Tammivaraara en Enright (1986, zoals beschreven in Eder & Fingerson, 2002) adviseren bij het interviewen van kinderen om gedrag van het kind, wat als storend ervaren kan worden, niet te corrigeren. Dit wordt geassocieerd met gedrag van leraren, wat niet wenselijk is tijdens het interview. Reinharz (1992, zoals beschreven in Eder & Fingerson, 2002) geeft aan dat de interviewer niet bezig moet zijn met antwoorden krijgen op de vragen, maar moet proberen te begrijpen wat het kind daadwerkelijk zegt. Ook Eder en Fingerson (2002), maken duidelijk dat het belangrijk is om het interview een natuurlijk beloop te laten hebben. Hoewel de onderzoeker bepaalde vragen van 29

30 tevoren heeft opgesteld, is flexibiliteit erg belangrijk. Op die manier komen er nieuwe vragen naar boven. Ook is het belangrijk om eventuele vragen niet te stellen, wanneer tijdens het interview blijkt dat deze vragen ongepast of niet van toepassing zijn op het individu (Eder & Fingerson, 2002). Kinderen zullen altijd gevoelens en meningen hebben over zaken die hen bezig houden, hoe jong ze ook zijn. Kinderen zijn echter minder gericht op het communiceren van deze gevoelens en meningen dan volwassenen (Delfos, 2010). Een reden om te kiezen voor een interview met kinderen kan dan ook zijn om onderwerpen te bespreken die niet tijdens dagelijkse gesprekken aan de orde komen (Eder & Fingerson, 2002). Delfos (2010) geeft echter aan dat gespreksvoering met kinderen een hachelijke zaak wordt zodra we op informatie uit zijn en zodra we over moeilijke of gevoelige onderwerpen communiceren (p.39). Dit omdat de omstandigheden en (impliciete) regels voor gespreksvoering in de weg staan om vrije communicatie tussen volwassene en kind mogelijk te maken. Holmes (1998, zoals beschreven in Eder & Fingerson, 2002) sluit hierbij aan, zij maakt geen gebruik van formele interviews met kinderen, maar interviewt kinderen tijdens het spelen of tekenen. Doverborg en Pramling Samuelsson (2003, zoals beschreven in Einarsdottir, Dockett & Perry, 2009) geven aan dat attributen als speelgoed, papier, klei, poppen en foto s bruikbaar kunnen zijn tijdens het interview. Uit ander onderzoek blijkt ook dat creatieve manieren helpend kunnen zijn om de mening van hele jonge kinderen te kunnen achterhalen en hen te helpen zich te uiten (Golding et al., 2006). Tekeningen kunnen onder andere gebruikt worden om toegang te krijgen tot de visie van kinderen die we tijdens een interview willen achterhalen, door aandacht te geven aan hun verhalen en interpretaties tijdens het tekenen (Clark, 2005a, 2005b; Dockett & Perry, 2005a; Punch, 2002; Veale, 2005, zoals beschreven in Einarsdottir, Dockett & Perry, 2009). Specifieke aandacht voor de verhalen die zij ontwikkelen tijdens het tekenen, zijn van belang (Kress, 1997; Steele, 1999, zoals beschreven in Einarsdottir, Dockett & Perry, 2009). Dit omdat volgens recent onderzoek van Ring (2006, zoals beschreven in Einarsdottir, 30

31 Dockett & Perry, 2009) blijkt dat kindertekeningen niet alleen gezien moeten worden als uiting van ontwikkelingsfasen, maar als uiting van ergens betekenis aan kunnen geven en kunnen begrijpen. Net als kinderen flexibel zijn in denken en het veranderen van hun mening, zijn kinderen ook flexibel over verhalen rondom de tekening en de betekenis ervan. Cox (2005, zoals beschreven in Einarsdottir, Dockett & Perry, 2009) omschrijft tekenen dan ook als een proces van denken in actie (p.218). 31

32 Hoofdstuk 3 Methode In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe dit onderzoek is uitgevoerd. In paragraaf 3.1 wordt weergegeven waarom voor kwalitatief onderzoek gekozen is en wat kwalitatief onderzoek inhoudt. In paragraaf 3.2 wordt omschreven hoe de proefpersonen geselecteerd zijn, inclusief de opgestelde inclusie- en exclusiecriteria. De gebruikte instrumenten worden genoemd in paragraaf 3.3. De procedure van het onderzoek staat beschreven in paragraaf 3.4. Hoe de data is geanalyseerd staat in paragraaf 3.6. Ten slotte wordt er in paragraaf 3.7 een omschrijving gegeven van de betrokken respondenten in dit onderzoek. 3.1 Kwalitatief onderzoek Voor deze thesis is gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek. Er is gekozen voor deze vorm van onderzoek, omdat het door middel van kwalitatief onderzoek mogelijk gemaakt wordt de beleving, meningen en ervaringen van pleegkinderen te achterhalen en te rapporteren. Door middel van een interview is er gevraagd naar de mening en ideeën van pleegkinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar. Het geeft inzicht in hoe pleegkinderen denken over bepaalde onderwerpen en waarom. Om ervoor te zorgen dat kwalitatief onderzoek reproduceerbaar is, is het van groot belang om alle stappen van het onderzoek zo gedegen mogelijk uit te leggen en om het onderzoek transparant te maken voor de lezer (Mortelmans, 2007). Glaser en Straus stellen dat de kunst van het uitvoeren van kwalitatief onderzoek is cyclisch te werk gaan en voortdurend de methode aan te passen aan eerder gevonden resultaten (1978, zoals beschreven in Mortelmans, 2007). Om van empirische gegevens tot een theorie te komen achten zij een bepaalde theoretische gevoeligheid van belang. Theoretische gevoeligheid verwijst naar de kennis en capaciteiten van de onderzoeker om van ruwe gegevens categorieën of thema s te maken en dimensies en eigenschappen hiervan te ontwikkelen. Het gaat over in staat zijn om betekenis te geven aan de data en 32

33 om deze in abstractere eenheden te kunnen vatten (Glaser & Strauss, zoals beschreven in Mortelmans, 2007, p. 354). 3.2 Selectieprocedure Voor dit onderzoek is gezocht naar pleegkinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar. Met behulp van de instellingen Elker te Groningen en Vitree te Lelystad zijn de kinderen geselecteerd. Elker is een jeugdzorginstelling met meerdere hulpvormen, waaronder pleegzorg. Elker biedt op dit moment ondersteuning aan ongeveer 500 pleegkinderen. Vitree is ook een jeugdzorginstelling die onder andere pleegzorg biedt. Vitree biedt op dit moment ondersteuning aan ongeveer 400 pleegkinderen. Bij de steekproef is gebruik gemaakt van een getrapte steekproef, met de instellingen Elker en Vitree als eerste trap en de kinderen binnen de pleeggezinnen als tweede trap. Er is gestreefd naar een gelijke verdeling van jongens en meisjes per leeftijdsgroep. Echter, door de inclusie- en exclusiecriteria bleef er een kleine groep kinderen over die we konden benaderen waardoor dit niet waargemaakt kon worden. Daarnaast waren er pleegzorgbegeleiders die aangaven dat er bepaalde factoren meespeelden bij het kind of in het pleeggezin, waardoor het niet verstandig was alle geselecteerde kinderen te benaderen. De kinderen die zijn meegenomen binnen dit onderzoek zijn niet random gekozen uit de pleegzorginstellingen Elker Groningen en Vitree Flevoland. Er is sprake van een belangrijk inclusiecriterium, namelijk de leeftijd. Alleen pleegkinderen binnen de leeftijd van 8 tot 12 jaar zijn benaderd voor dit onderzoek. Er zijn ook pleegkinderen die uitgesloten zijn van het onderzoek. Dit zijn kinderen binnen netwerkpleegzorg, kinderen die korter dan zes maanden in het huidig pleeggezin wonen, of kinderen die meerdere plaatsingen hebben gehad. Een korte crisisplaatsing is hierbij door de vingers gezien. Ook kinderen waarmee communicatie niet goed mogelijk is, zijn uitgesloten van deelname. 33

34 3.3 Instrumentarium Binnen dit onderzoek heeft men te maken met kinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar. Uit onderzoek blijkt dat creatieve manieren helpend kunnen zijn om de mening van jonge kinderen te kunnen achterhalen (Golding et al., 2006). Om deze reden is de keuze gemaakt om naast het stellen van vragen ook gebruik te maken van overige instrumenten. Om te kunnen achterhalen hoe pleegkinderen pleegzorg ervaren is gekozen voor de volgende instrumentaria ; een interview, een relatiediagram, stamboom, wondervraag en tekening. Deze instrumenten zullen in deze paragraaf kort besproken worden Interview Bij ieder pleegkind die aan dit onderzoek heeft meegedaan, is een interview afgenomen. Er is gebruik gemaakt van een semi-gestructureerd interview, omdat er op deze manier de ruimte bestaat om ook andere dingen te vragen en om meer mee te kunnen gaan in wat het kind vertelt. Er zijn vooraf vragen opgesteld rondom de thema s relaties, pleegzorg en toekomst. Een compleet overzicht van deze vooraf opgestelde vragen is te vinden in bijlage 2. Vragen die gaan over het thema relaties hebben als doel het sociale netwerk van het kind in kaart te brengen. Voorbeelden van vragen bij het thema relaties zijn: kun je wat over je pleegouders vertellen?, met wie kun je goed opschieten thuis? en je biologische ouders, zie je die nog?. Bij het thema pleegzorg worden vragen gesteld om te achterhalen wat voor kennis het kind heeft over pleegzorg. Zo werd bijvoorbeeld gevraagd: als iemand aan je vraagt wat is pleegzorg?, wat voor antwoord geef je dan? en weet je ook wat een pleegzorgbegeleider doet?. Een voorbeeld van een vraag bij het thema toekomst is: denk je dat je dan je biologische ouders nog ziet? en denk je dat je dan je pleegouders nog ziet?. Dit om te bevragen hoe de pleegkinderen hun toekomst voor zich zien. 34

35 3.3.2 Relatiediagram Het relatiediagram (zelf opgesteld) wordt in dit onderzoek gebruikt om te kijken hoe het kind tegen zijn sociale relaties aankijkt en er wordt gelet op de nabijheid. Het diagram bestaat uit 4 cirkels. In de binnenste cirkel staat het woord ik. De volgende vraag wordt gesteld aan het kind: Stel je voor, je gaat op vakantie. In de binnenste cirkel schrijft het kind namen van mensen uit zijn omgeving die hij heel erg gaat missen; in de tweede cirkel komen namen van mensen te staan die het kind wat minder zal missen; in de derde cirkel schrijft het kind de namen van mensen die het niet gaat missen Stamboom De stamboom (Zwiers & Van Emstede, 2001) is een tekening van een boom met allemaal poppetjes erin. De één zit naast iemand op een tak van de boom, een ander hangt op zijn kop, weer een ander zit helemaal alleen op een tak heel hoog in de boom. Sommige poppetjes doen niets, maar er zijn er ook die iemand anders helpen, boos of juist blij zijn. Aan het kind wordt gevraagd welk poppetje op hem of haar lijkt. Ook wordt er gevraagd welke poppetjes de belangrijke naasten zouden zijn. Hierdoor wordt duidelijk welke rol iemand aanneemt (volgens het kind). Ook spelen specifieke emoties een belangrijke rol Wondervraag De kracht van deze vraag is dat je je focust op de oplossing van een probleem en niet op het probleem zelf (Berg, 2007). De wondervraag zou op verschillende manieren gesteld kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is: Stel je voor, jij ligt te slapen en er vindt een wonder plaats waardoor je problemen zijn opgelost. Als je wakker wordt, wat zullen dan de eerste dingen zijn waaraan je merkt dat het wonder heeft plaatsgevonden? Wij willen de wondervraag meer richten op de toekomst. Wij stellen deze vraag daarom als volgt: Stel je voor je hebt liggen slapen en als je wakker wordt, ben je tien jaar ouder. Hoe zal je leven er dan uitzien? 35

36 3.3.5 Tekening Tijdens het interview wordt er aan het kind gevraagd om een tekening te maken van een huis, een boom en zichzelf. De tekeningen worden vervolgens geanalyseerd en worden gebruikt als aanvullende informatie. 3.4 Procedure Het streven was om de verhalen van 30 pleegkinderen in de leeftijd van 8 tot 11 jaar mee te nemen in het onderzoek. De kinderen werden benaderd via Elker en Vitree. Na overleg met de betreffende pleegzorgbegeleiders werd er een selectie gemaakt welke kinderen benaderd konden worden voor het onderzoek. De pleegzorgbegeleider gaf aan wanneer er kindfactoren meespeelden waardoor het afnemen van een interview ernstig kan worden bemoeilijkt. Hierbij valt te denken aan kinderen met een ernstig beperkt cognitief vermogen, gedragsproblemen of stoornissen waardoor communicatie niet goed mogelijk is. Vervolgens werden de pleegouders van de betreffende pleegkinderen per brief geïnformeerd over het onderzoek. Hen werd gevraagd toestemming te geven voor deelname van hun pleegkind aan het onderzoek. Hierbij zat ook een brief voor het pleegkind zelf, waarin werd gevraagd of ze het leuk zouden vinden om mee te werken. Er is aan pleegouders gevraagd deze brief aan het pleegkind te geven. Na het versturen van de brieven is er telefonisch contact opgenomen om te informeren of de pleegouders en het pleegkind nog vragen hadden en of ze mee wilden werken aan het onderzoek. Vanuit Elker zijn er na de selectie met de pleegzorgbegeleiders 19 brieven verstuurd. Bij Vitree waren dit er tien. Er zijn meer brieven verstuurd vanuit Elker, omdat er bij Vitree te weinig kinderen overbleven na de selectieprocedure. Uiteindelijk zijn er 20 kinderen geweest die wilden meewerken aan het onderzoek. Hiervan zijn zes kinderen geïnterviewd vanuit Vitree en 14 kinderen vanuit Elker. 36

37 We hebben eerst allebei drie interviews als pilot afgenomen. Vervolgens hebben we deze met elkaar vergeleken, zodat we zoveel mogelijk dezelfde werkwijze zouden hanteren. Ditzelfde hebben we gedaan bij het coderen van de interviews. Na drie coderingen per persoon zijn deze met elkaar vergeleken. Hieruit bleek dat er een aantal codes toegevoegd moest worden. Ook zijn er afspraken gemaakt over codes die op meerdere manieren geïnterpreteerd konden worden. 3.5 Interviewverloop De interviews werden steeds één-op-één afgenomen. De interviews waren semigestructureerd. De interviews waren zo opgesteld dat ze een half uur tot een uur zouden duren. In de meeste gevallen duurden het een uur. De interviews werden bij de kinderen thuis in het pleeggezin afgenomen. Bij de meerderheid gebeurde dit in een aparte ruimte waar de kinderen vrij waren om te spreken. Waar dit niet mogelijk was, waren er soms andere gezinsleden in de buurt aanwezig ten tijde van het interview. In sommige gevallen gaven pleegkinderen expliciet aan graag andere mensen, zoals een pleegmoeder, bij het interview te willen hebben. Voorafgaand aan het interview werd uitgelegd wat de reden van het interview was. Ook werd er aan de kinderen uitgelegd dat ze mochten aangeven wanneer ze een vraag niet wilden beantwoorden. Daarnaast werd het gebruik van de voicerecorder om het gesprek op te nemen uitgelegd. Omdat er ook een tekenopdracht bij het interview zat, werd aan het kind gevraagd of het tijdens het interview wilde tekenen of liever daarna. Na afloop van het interview werd aan de kinderen gevraagd hoe ze het hadden ervaren. Ook werd aan de pleegouders gevraagd of ze interesse hadden in de uiteindelijke thesis, zodat we die nog na kunnen sturen. 37

38 3.6 Data-analyse Analyseren van interviews Alle interviews zijn opgenomen met een voicerecorder waarna ze letterlijk zijn uitgetypt. De interviews zijn eerst verticaal uitgewerkt, daarna horizontaal. Voor de verticale analyse, werden de interviews gestructureerd en axiaal gecodeerd: The process of relating categories to their subcategories termed axial because coding occurs around the axis of a category, linking categories at the level of properties and dimension (Strauss & Corbin, 1990 zoals beschreven in Mortelmans, 2007, p. 356). Per kind is gekeken naar wat het gezegd heeft. Er zijn codes opgesteld om de gesprekken per onderwerp te kunnen analyseren. Tijdens het opstellen van de codes is rekening gehouden met de drie vooraf opgestelde thema s; relaties, kennis over pleegzorg en toekomst. Vervolgens zijn de citaten uit het interview onder de juiste codes geplakt. Met behulp van deze codering kon worden overgegaan op de horizontale analyse. Er is allereerst gekeken welke codes bij welke deelvragen hoorden. Daarna zijn de citaten van alle kinderen per code onder elkaar gezet. Op deze manier is er per onderwerp gezocht naar patronen en overeenkomsten in de citaten en verhalen van de kinderen Analyseren van relatiediagram Bij het analyseren van het relatiediagram zijn de gegevens verwerkt in tabellen. Daarin valt af te lezen welke personen genoemd worden. Hierdoor werd duidelijk hoe de diagrammen zijn ingevuld door de kinderen. Daarna kon gekeken worden of er opvallende patronen en overeenkomsten te herkennen waren. Zo is er onder andere geteld hoe vaak bepaalde mensen in de eerste, tweede en derde cirkel voorkwamen Analyseren stamboom Bij het analyseren van de stamboom hebben alle poppetjes een nummer gekregen. Vervolgens is er in een tabel weergegeven welke nummers de 38

39 kinderen kozen voor mensen uit hun omgeving. Op deze manier is gekeken of er bepaalde poppetjes vaker werden gekozen voor een bepaald persoon Analyseren van tekeningen Voor het analyseren van de tekeningen is gebruik gemaakt van het boek van Foks- Appelman (2005). Dit boek heeft echter alleen gediend ter voorbereiding en inspiratie. Dit boek is niet gebruikt bij de uiteindelijke analyse, omdat de tekeningen anders te veel vanuit één theoretische benadering de analytische psychologie van Jung - geanalyseerd zouden worden. Als aanvulling op de verticale analyse is per kind allereerst een korte beschrijving gegeven over wat opvalt in de tekening. Ook is per kind gekeken of de tekening bij het verhaal van het kind past. Daarna zijn de tekeningen per leeftijdsgroep naast elkaar gelegd, om te zoeken naar patronen en overeenkomsten. Ook is er gekeken of de kinderen dingen hebben getekend, die specifiek met pleegzorg te maken hebben. 3.7 Respondenten De 20 pleegkinderen die betrokken zijn in het onderzoek zijn kinderen van 8 tot 12 jaar. Negenjarige kinderen kwamen niet in het onderzoek voor. In figuur 4 wordt de verdeling van de leeftijd overzichtelijk weergegeven. Figuur 4: Verdeling van de leeftijd van de respondenten. 39

Parlan heeft verschillende vormen van jeugdzorg, van licht tot zwaar:

Parlan heeft verschillende vormen van jeugdzorg, van licht tot zwaar: Pleegzorg bij Parlan Parlan is een organisatie voor Jeugd en opvoedhulp in Noord-Holland. Het werkgebied van Parlan omvat drie regio s, de regio Kop van Noord-Holland, de regio West-Friesland en de regio

Nadere informatie

Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland

Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland Beste pleegouder, U heeft aangegeven graag op de hoogte gehouden te

Nadere informatie

Perspectief in Pleegzorg:

Perspectief in Pleegzorg: Perspectief in Pleegzorg: hoe lang zoekend en hoe snel biedend? Peter van den Bergh Pleegzorg Laatste 20 jaar populair Verdubbeling van het aantal plaatsingen Weinig onderzoek naar effectiviteit Veel retrospectief

Nadere informatie

Pleegzorg en De Rading; informatie voor aspirant pleegouders

Pleegzorg en De Rading; informatie voor aspirant pleegouders Pleegzorg en De Rading; informatie voor aspirant pleegouders Pleegzorg en De Rading; Ieder kind heeft het recht om op te groeien in een gezin. Soms zijn er thuis problemen en is het beter als een kind

Nadere informatie

Pleegzorg Kompaan en De Bocht

Pleegzorg Kompaan en De Bocht Pleegzorg Kompaan en De Bocht Informatie voor mensen die mogelijk pleegouder willen worden Pleegzorg Kompaan en De Bocht (2012) 3 april 2012 Pleegzorg Kompaan en De Bocht (2012) 2 Inhoud 1. Wat is pleegzorg?

Nadere informatie

JEUGDIGEN. Hulp na seksueel misbruik. vooruitkomen +

JEUGDIGEN. Hulp na seksueel misbruik. vooruitkomen + > vooruitkomen + Hulp na seksueel misbruik JEUGDIGEN Heb jij seksueel misbruik meegemaakt of iemand in jouw gezin, dan kan daarover praten helpen. Het kan voor jou erg verwarrend zijn hierover te praten,

Nadere informatie

Marja Cozijn MSc o.l.v. Dr. Peter van den Bergh Universiteit Leiden In opdracht van Pleegzorg Advies Nederland

Marja Cozijn MSc o.l.v. Dr. Peter van den Bergh Universiteit Leiden In opdracht van Pleegzorg Advies Nederland Een presentatie van kwalitatief onderzoek Sy m p o s i u m P l e e g z o r g 2 0 1 4 t e E d e Marja Cozijn MSc o.l.v. Dr. Peter van den Bergh Universiteit Leiden In opdracht van Pleegzorg Advies Nederland

Nadere informatie

Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening. Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H.

Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening. Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H. Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H. Leloux-Opmeer Voorwoord Inhoudsopgave Een tijd geleden hebben Stichting Horizon

Nadere informatie

Perceelbeschrijving 3 Pleegzorg

Perceelbeschrijving 3 Pleegzorg Perceelbeschrijving 3 Pleegzorg Samenwerkende gemeenten Friesland Achtkarspelen Ameland het Bildt Dantumadiel Dongeradeel Ferwerderadiel Franekeradeel De Friese Meren Harlingen Heerenveen Kollumerland

Nadere informatie

Colofon MEER KLEUR IN DE PLEEGZORG. een hart met ruimte

Colofon MEER KLEUR IN DE PLEEGZORG. een hart met ruimte Colofon Redactie en samenstelling: * Marjo Daniëls (Maecon Advies en Management) * Bestuur SMKK Deze brochure is mede mogelijk dankzij een financiële ondersteuning van de Provincie Limburg MEER KLEUR IN

Nadere informatie

Wat beantwoordt. De Pleegouder Pleegkind Interventie. (Over stress en reactie) Door H.W.H. van Andel; GGZ Dimence

Wat beantwoordt. De Pleegouder Pleegkind Interventie. (Over stress en reactie) Door H.W.H. van Andel; GGZ Dimence Wat beantwoordt De Pleegouder Pleegkind Interventie (Over stress en reactie) Door H.W.H. van Andel; GGZ Dimence Symposium Pleegzorg 12-06-2012 1 Risico s voor jonge kinderen die in pleegzorg komen Life

Nadere informatie

Uw kind gaat naar een pleeggezin. Pleegzorg Parlan

Uw kind gaat naar een pleeggezin. Pleegzorg Parlan Uw kind gaat naar een pleeggezin Pleegzorg Parlan Voor u en uw zoon of dochter is een plaatsing in een pleeggezin een ingrijpende gebeurtenis. U zit waarschijnlijk vol met vragen en gevoelens en uw kind

Nadere informatie

Hulp voor jonge ouders. Informatie voor professionals

Hulp voor jonge ouders. Informatie voor professionals Hulp voor jonge ouders Informatie voor professionals Zorg voor kwetsbare meiden Meiden tussen de 16 en 27 jaar die zwanger zijn, of een kind hebben gekregen, kunnen terecht bij Vitree. Het gaat om kwetsbare

Nadere informatie

doordat er op dat moment geen leeftijdsgenootjes aanwezig zijn. Als ze iets mochten veranderen gaven ze aan dat de meeste kinderen iets aan de

doordat er op dat moment geen leeftijdsgenootjes aanwezig zijn. Als ze iets mochten veranderen gaven ze aan dat de meeste kinderen iets aan de SAMENVATTING Er is onderzoek gedaan naar de manier waarop kinderen van 6 8 jaar het best kunnen worden geïnterviewd over hun mening van de buitenschoolse opvang (BSO). Om hier antwoord op te kunnen geven,

Nadere informatie

Kinderstudies ACK. Gehechtheid aan pleegouders. Amsterdams Centrum voor. vrije Universiteit amsterdam

Kinderstudies ACK. Gehechtheid aan pleegouders. Amsterdams Centrum voor. vrije Universiteit amsterdam Amsterdams Centrum voor Kinderstudies ACK interdisciplinair onderzoek naar kinderen, ouders en samenleving Gehechtheid aan pleegouders vrije Universiteit amsterdam Gehechtheid aan pleegouders De relatie

Nadere informatie

vooruitkomen + Hulp na seksueel misbruik

vooruitkomen + Hulp na seksueel misbruik > vooruitkomen + Hulp na seksueel misbruik OUDERS & OPVOEDERS Als er binnen uw gezin sprake is van seksueel misbruik, heeft dat grote invloed. Er is veel verdriet, boosheid, wantrouwen en schuldgevoel.

Nadere informatie

INFORMATIE VOOR ASPIRANT PLEEGOUDERS. Pleegzorg bij De Rading

INFORMATIE VOOR ASPIRANT PLEEGOUDERS. Pleegzorg bij De Rading INFORMATIE VOOR ASPIRANT PLEEGOUDERS Pleegzorg bij De Rading Ieder kind heeft het recht om op te groeien in een gezin. Soms zijn de problemen thuis zo groot, dat het beter is als een kind tijdelijk of

Nadere informatie

Het pleegkind in beeld

Het pleegkind in beeld Het pleegkind in beeld Workshop pleegzorgsymposium 19 juni 2014 Petra de Vries (De Rading) Anny Havermans (SAV) 1 Programma Welkom Project gehechtheid in beeld bij pleegzorg Inleiding op gehechtheid en

Nadere informatie

Pleegzorg: een evidente keuze?

Pleegzorg: een evidente keuze? Pleegzorg: een evidente keuze? Prof. Dr. J. Vanderfaeillie Faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen Vakgroep Klinische en Levenslooppsychologie 22-11-2013 pag. 1 Inhoud Aanleiding van de spreekbeurt

Nadere informatie

Samenvatting Het draait om het kind

Samenvatting Het draait om het kind Samenvatting Het draait om het kind Visie op monitoring in de opvoedingsvariant van pleegzorg Inleiding Aangezien de pleegzorg een onvoldoende geobjectiveerd overzicht heeft van hoe het met de jeugdige

Nadere informatie

18-04- 2010. Wat moeten adop1eouders meer hebben dan goed genoeg ouderschap? Een aantal belangrijke factoren voor goed verlopende adoptie

18-04- 2010. Wat moeten adop1eouders meer hebben dan goed genoeg ouderschap? Een aantal belangrijke factoren voor goed verlopende adoptie Wat moeten adop1eouders meer hebben dan goed genoeg ouderschap? Gera ter Meulen adoc@fsw.leidenuniv.nl Een aantal belangrijke factoren voor goed verlopende adoptie Een goede voorbereiding van adoptieouders

Nadere informatie

Wennen in een pleeggezin

Wennen in een pleeggezin Vraag 15 RESULTATEN DATUM: info@pleegzorgpanel.nl Wennen in een pleeggezin In 2010 hebben 24.150 kinderen voor korte of langere tijd in een pleeggezin gewoond. Sommige kinderen woonden toen al in een pleeggezin,

Nadere informatie

Q&A PLEEGZORG NEDERLAND SUPERGEWONEMENSENGEZOCHT.NL. Voor de nieuwe publiekscampagne 2015:

Q&A PLEEGZORG NEDERLAND SUPERGEWONEMENSENGEZOCHT.NL. Voor de nieuwe publiekscampagne 2015: Q&A PLEEGZORG NEDERLAND Voor de nieuwe publiekscampagne 2015: SUPERGEWONEMENSENGEZOCHT.NL INHOUD 1. DE CAMPAGNE: SUPERGEWONE MENSEN GEZOCHT 2. VRAGEN OVER DE LANDELIJKE CAMPAGNE 3. VOOR (POTENTIELE) PLEEGOUDERS

Nadere informatie

Kwaliteitsstandaarden jeugdzorg Q4C : wat kinderen en jongeren belangrijk vinden als ze niet thuis wonen.

Kwaliteitsstandaarden jeugdzorg Q4C : wat kinderen en jongeren belangrijk vinden als ze niet thuis wonen. Kwaliteitsstandaarden jeugdzorg Q4C : wat kinderen en jongeren belangrijk vinden als ze niet thuis wonen. Bron: Kwaliteitsstandaarden jeugdzorg Q4C : wat kinderen en jongeren belangrijk vinden als ze niet

Nadere informatie

gezinsvormen [ behandeling in een gezin ]

gezinsvormen [ behandeling in een gezin ] gezinsvormen [ behandeling in een gezin ] 03 Gezinshuis meestal een passend antwoord op een uithuisplaatsing voorwoord Ambiq biedt specialistische zorg aan kinderen, jongeren, hun ouders en volwassenen

Nadere informatie

Pedagogisch beleidsplan gastouderbureau Kind-Zijn

Pedagogisch beleidsplan gastouderbureau Kind-Zijn Pedagogisch beleidsplan gastouderbureau Kind-Zijn Kind zijn in de wereld van vandaag, waarin ouders ook werken en studeren. Wij zorgen voor kleinschalige en flexibele opvang in een gezinssituatie. Onze

Nadere informatie

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Meedoen& Meetellen Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Samenstelling trainingsmodule Eline Roelofsen Roel Schulte www.verwondering.nu Illustratie

Nadere informatie

Inhoud 20-10-2011. Gehechtheidstheorie: Cees Janssen Gevaar van chronische stress Bewijs: onderzoek Sterkenburg

Inhoud 20-10-2011. Gehechtheidstheorie: Cees Janssen Gevaar van chronische stress Bewijs: onderzoek Sterkenburg 1 Inhoud Gehechtheidstheorie: Cees Janssen Gevaar van chronische stress Bewijs: onderzoek Sterkenburg Praktijk: Tineke Pilon Consequenties voor praktijk: alles is liefde 2 Definitie Gehechtheidsband Met

Nadere informatie

Goed voorbeeld doet volgen. Martine Noordegraaf 6-3-2015

Goed voorbeeld doet volgen. Martine Noordegraaf 6-3-2015 Goed voorbeeld doet volgen Martine Noordegraaf 6-3-2015 Welk type ouderschap ziet u het meest in de gehandicaptensector? Adequaat ouderschap Verstoord ouderschap Problematisch ouderschap Overvraagd ouderschap

Nadere informatie

NIEUWSBRIEF 2. Het Onderzoek

NIEUWSBRIEF 2. Het Onderzoek NIEUWSBRIEF 2 ZonMw akkoord met Onderzoek Van maart tot juli 2009 hebben we een vooronderzoek uitgevoerd om een eerste indruk te krijgen over hoe het nu gaat met binnen Nederland geadopteerden en hun adoptieouders.

Nadere informatie

Er wel/niet zijn voor je pleegkind. Symposium Pleegzorg Waar blijft het kind 19 juni 2014 Ede

Er wel/niet zijn voor je pleegkind. Symposium Pleegzorg Waar blijft het kind 19 juni 2014 Ede Er wel/niet zijn voor je pleegkind Symposium Pleegzorg Waar blijft het kind 19 juni 2014 Ede 22-6-2014 de Zeeuw & Brok Inhoud 1. Lawaaiboek 2. Zorg voor het kind: houdt rekening met gevolgen van Verlating

Nadere informatie

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind.

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Bullying among Students with Autism Spectrum Disorders in Secondary

Nadere informatie

Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur

Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur M. Zander MSc. Eerste begeleider: Tweede begeleider: dr. W. Waterink drs. J. Eshuis Oktober 2014 Faculteit Psychologie en Onderwijswetenschappen

Nadere informatie

Pleeggrootouders maken het verschil

Pleeggrootouders maken het verschil Pleeggrootouders maken het verschil Indeling presentatie Kader onderzoek Opzet en verloop onderzoek Resultaten Conclusies Discussie Onderzoeksvraag Wat zijn de ervaringen van grootouders wanneer zij als

Nadere informatie

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource.

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource. Open Universiteit Klinische psychologie Masterthesis Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: De Leidinggevende als hulpbron. Emotional Job Demands, Vitality and Opportunities

Nadere informatie

DE OUDER-KIND RELATIE EEN KWALITATIEVE ANALYSE VAN GESPREKKEN MET AWEL

DE OUDER-KIND RELATIE EEN KWALITATIEVE ANALYSE VAN GESPREKKEN MET AWEL DE OUDER-KIND RELATIE EEN KWALITATIEVE ANALYSE VAN GESPREKKEN MET AWEL HALLO Hallo. Ik ben een meisje van 12, mijn ouders zijn gescheiden en mijn moeder heeft nu een nieuwe man en ik kan hem niet goed

Nadere informatie

HULPVRAAG Doelgroepen Doelstellingen

HULPVRAAG Doelgroepen Doelstellingen Zorgmodule Fasehuis Zorgaanspraak: Zorgaanbieder: Verblijf met behandeling Entréa HULPVRAAG Doelgroepen De doelgroep bestaat uit normaal begaafde jeugdigen van 16-18 jaar, woonachtig in de regio Gelderland-Midden

Nadere informatie

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effects of Contact-oriented Play and Learning in the Relationship between parent and child with autism Kristel Stes Studentnummer:

Nadere informatie

De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen.

De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen. De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen. The Relationship between Intimacy, Aspects of Sexuality and Attachment

Nadere informatie

RUZIE MET VRIENDEN, LIEFDESVERDRIET EN DE RELATIE TOT DE OUDERS AAN DE LIJN OF OP HET SCHERM BIJ AWEL.

RUZIE MET VRIENDEN, LIEFDESVERDRIET EN DE RELATIE TOT DE OUDERS AAN DE LIJN OF OP HET SCHERM BIJ AWEL. RUZIE MET VRIENDEN, LIEFDESVERDRIET EN DE RELATIE TOT DE OUDERS AAN DE LIJN OF OP HET SCHERM BIJ AWEL. HALLO Hallo. Ik ben een meisje van 12, mijn ouders zijn gescheiden en mijn moeder heeft nu een nieuwe

Nadere informatie

Cambriana online hulpprogramma

Cambriana online hulpprogramma Dit is deel 1 van het online hulpprogramma van Cambriana. Verwerking van een scheiding 'Breaking up is hard to do' Neil Sedaka Een scheiding is een van de pijnlijkste ervaringen die je kunt meemaken in

Nadere informatie

Als opvoeden een probleem is

Als opvoeden een probleem is Als opvoeden een probleem is Inhoud 3 > Als opvoeden een probleem is 3 > De Raad voor de Kinderbescherming 4 > Maakt u zich zorgen over een kind? 5 > Opvoedingsproblemen 6 > De rol van de Raad 10 > Maatregelen

Nadere informatie

De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit. The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility.

De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit. The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility. RELATIE ANGST EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1 De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility Jos Kooy Eerste begeleider Tweede

Nadere informatie

E 1.2 Reguliere pleegzorg, inclusief netwerkpleegzorg E 1.3 Crisispleegzorg E 2 Logeren/kortdurend verblijf

E 1.2 Reguliere pleegzorg, inclusief netwerkpleegzorg E 1.3 Crisispleegzorg E 2 Logeren/kortdurend verblijf E. Verblijf (gezinsvervangende opvang) Verblijf is bedoeld voor jeugdigen voor wie wonen in een (veilige) thuissituatie tijdelijk of langdurig niet mogelijk is. Aanbieders en lokale teams streven ernaar

Nadere informatie

Algemene informatie over Parlan en pleegzorg

Algemene informatie over Parlan en pleegzorg Algemene informatie over Parlan en pleegzorg Parlan is een organisatie voor Jeugd en opvoedhulp in Noord-Holland. Het werkgebied van Parlan omvat drie regio s, de regio Kop van Noord-Holland, de regio

Nadere informatie

In overleg met de toeleider worden noodzaak en vorm van overbruggingszorg besproken en indien nodig- gerealiseerd.

In overleg met de toeleider worden noodzaak en vorm van overbruggingszorg besproken en indien nodig- gerealiseerd. Programma van Eisen A. Raamwerk Programma van Eisen Functie Pleegzorg Levering van de zorg 1. Termijn Na aanmelding bij de pleegzorgaanbieder wordt direct gestart met het plaatsingsproces, hetzij binnen

Nadere informatie

Emoties, wat is het signaal?

Emoties, wat is het signaal? Emoties, wat is het signaal? Over interpretatie en actieplan dr Frits Winter Functie van Emoties Katalysator, motor achter gedrag Geen emoties, geen betrokkenheid, geen relaties Te veel emoties, te veel

Nadere informatie

18-11-2013. Even voorstellen. Inhoud. De visual cliff experiment. Pleegzorg voor jonge kinderen, meer dan opvoeden alleen. De aanleiding tot de PPI

18-11-2013. Even voorstellen. Inhoud. De visual cliff experiment. Pleegzorg voor jonge kinderen, meer dan opvoeden alleen. De aanleiding tot de PPI Even voorstellen Pleegzorg voor jonge kinderen, meer dan opvoeden alleen De waarde van de Pleegouder Pleegkind Interventie (PPI) Hans van Andel Kinder- en Jeugdpsychiater Dimence Directeur GGZ, eerste

Nadere informatie

1 Inleiding. 1.1 Pleegzorg in Nederland

1 Inleiding. 1.1 Pleegzorg in Nederland 1 Inleiding 1.1 Pleegzorg in Nederland Pleegzorg is een vorm van jeugdhulpverlening waarbij een jeugdige wordt geplaatst in een ander gezin dan het gezin van herkomst (Tilanus, 1997) en heeft tot doel

Nadere informatie

Als opvoeden een probleem is

Als opvoeden een probleem is Als opvoeden een probleem is Inhoud 3 > Als opvoeden een probleem is 3 > De Raad voor de Kinderbescherming 4 > Maakt u zich zorgen over een kind? 5 > Opvoedingsproblemen 6 > De rol van de Raad 10 > Maatregelen

Nadere informatie

Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders

Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders Leony Coppens Carina van Kregten Symposium Pleegzorg 2014 Waar blijft het kind? 11 maart 2014 Wat gaan we vandaag doen? Wie zijn wij?

Nadere informatie

Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen. bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar

Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen. bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar Gender Differences in Crying Frequency and Psychosocial Problems in Schoolgoing Children aged 6

Nadere informatie

Pedagogisch beleid Flexkidz

Pedagogisch beleid Flexkidz Pedagogisch beleid Flexkidz Voor u ligt het verkorte pedagogisch beleidsplan van Flexkidz. Hier beschrijven we in het kort de pedagogische visie en uitgangspunten. In dit pedagogisch beleidsplan beschrijven

Nadere informatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie Carlo Schuengel, Orthopedagogiek VU Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging Signaleren verstoord gehechtheidsgedrag Verschillende betekenissen van gehechtheid Band Gedrag Interactie Relatie

Nadere informatie

Q&A PLEEGZORG NEDERLAND SUPERGEWONEMENSENGEZOCHT.NL. Voor de nieuwe publiekscampagne 2015:

Q&A PLEEGZORG NEDERLAND SUPERGEWONEMENSENGEZOCHT.NL. Voor de nieuwe publiekscampagne 2015: Q&A PLEEGZORG NEDERLAND Voor de nieuwe publiekscampagne 2015: SUPERGEWONEMENSENGEZOCHT.NL INHOUD 1. DE CAMPAGNE: SUPERGEWONE MENSEN GEZOCHT 2. VRAGEN OVER DE LANDELIJKE CAMPAGNE 3. VOOR (POTENTIELE) PLEEGOUDERS

Nadere informatie

Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten

Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten Difference in Perception about Parenting between Parents and Adolescents and Alcohol Use of Adolescents

Nadere informatie

24 uurshulp. Met Cardea kun je verder!

24 uurshulp. Met Cardea kun je verder! 24 uurshulp Met Cardea kun je verder! Met Cardea kun je verder! 24 UURSHULP De meeste kinderen en jongeren wonen thuis bij hun ouders totdat ze op zichzelf gaan wonen. Toch kunnen er omstandigheden zijn,

Nadere informatie

De Modererende Invloed van Sociale Steun op de Relatie tussen Pesten op het Werk. en Lichamelijke Gezondheidsklachten

De Modererende Invloed van Sociale Steun op de Relatie tussen Pesten op het Werk. en Lichamelijke Gezondheidsklachten De Modererende Invloed van Sociale Steun op de Relatie tussen Pesten op het Werk en Lichamelijke Gezondheidsklachten The Moderating Influence of Social Support on the Relationship between Mobbing at Work

Nadere informatie

Vraag 4 Wat vind jij de meest geschikte houding? Vergelijk je antwoord met dat van je medestudenten. Typ het antwoord in in het antwoordformulier.

Vraag 4 Wat vind jij de meest geschikte houding? Vergelijk je antwoord met dat van je medestudenten. Typ het antwoord in in het antwoordformulier. Open vragen bij Casus Marco Vraag 1 Bekijk scène 1 nogmaals. Wat was jouw eerste reactie op het gedrag van Marco in het gesprek met de medewerker van Bureau HALT? Wat roept zijn gedrag op aan gedachten,

Nadere informatie

Perceelbeschrijving. VERBLIJF Perceel moet nog aanpast worden met residentieel en crisisopvang. Samenwerkende gemeenten Holland Rijnland:

Perceelbeschrijving. VERBLIJF Perceel moet nog aanpast worden met residentieel en crisisopvang. Samenwerkende gemeenten Holland Rijnland: Perceelbeschrijving VERBLIJF Perceel moet nog aanpast worden met residentieel en crisisopvang Samenwerkende gemeenten Holland Rijnland: Alphen aan den Rijn Hillegom Kaag en Braassem Katwijk Leiden Leiderdorp

Nadere informatie

Relaties. HDYO heeft meer informatie beschikbaar over de Ziekte van Huntington voor jongeren, ouders en professionals op onze website: www.hdyo.

Relaties. HDYO heeft meer informatie beschikbaar over de Ziekte van Huntington voor jongeren, ouders en professionals op onze website: www.hdyo. Relaties HDYO heeft meer informatie beschikbaar over de Ziekte van Huntington voor jongeren, ouders en professionals op onze website: www.hdyo.org Relaties kunnen een belangrijke rol spelen bij het omgaan

Nadere informatie

Disclosure. Wie doorbreekt de cirkel van mishandeling? Kindermishandeling. Comorbiditeit. Prevalentie in Nederland. Prevalentie in Nederland

Disclosure. Wie doorbreekt de cirkel van mishandeling? Kindermishandeling. Comorbiditeit. Prevalentie in Nederland. Prevalentie in Nederland Disclosure Wie doorbreekt de cirkel van? Prof.dr. Lenneke Alink Kinder Kinder is elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die

Nadere informatie

Tijdschrift Kindermishandeling April 2013 Onderwijsspecial deel 2. 8 tips voor een goed gesprek met je leerling

Tijdschrift Kindermishandeling April 2013 Onderwijsspecial deel 2. 8 tips voor een goed gesprek met je leerling 8 tips voor een goed gesprek met je leerling Edith Geurts voor Tijdschrift Kindermishandeling Het kan zijn dat je als leerkracht vermoedt dat een kind thuis in de knel zit. Bijvoorbeeld doordat je signalen

Nadere informatie

Het verhaal van pleegzorg

Het verhaal van pleegzorg Het verhaal van pleegzorg Welke variatie in pleegzorg is er? Wat is pleegzorg en wat betekent het voor kinderen, ouders, pleegouders en gemeenten? Wat is pleegzorg? Pleegzorg betekent dat een kind gaat

Nadere informatie

De Invloed van Kenmerken van ADHD op de Theory of Mind: een Onderzoek bij Kinderen uit de Algemene Bevolking

De Invloed van Kenmerken van ADHD op de Theory of Mind: een Onderzoek bij Kinderen uit de Algemene Bevolking Kenmerken van ADHD en de Theory of Mind 1 De Invloed van Kenmerken van ADHD op de Theory of Mind: een Onderzoek bij Kinderen uit de Algemene Bevolking The Influence of Characteristics of ADHD on Theory

Nadere informatie

Jantine Spilt, Conferentie SBOwerkverband 2012

Jantine Spilt, Conferentie SBOwerkverband 2012 Jantine Spilt, Conferentie SBOwerkverband 2012 Gedragsproblemen in context Gedragsproblemen in context Gedragsproblemen in context Gedragsproblemen in context PROBLEEM Probleemgedrag 5 Faculteit der Psychologie

Nadere informatie

Gezinspedagogiek. Specialisatie. Faculteit der Sociale Wetenschappen. MSc Education and Child Studies

Gezinspedagogiek. Specialisatie. Faculteit der Sociale Wetenschappen. MSc Education and Child Studies Specialisatie Gezinspedagogiek MSc Education and Child Studies Faculteit der Sociale Wetenschappen Universiteit Leiden. Universiteit om te ontdekken. Gezinspedagogiek MSc Education and Child Studies Graad

Nadere informatie

De Invloed van Religieuze Coping op. Internaliserend Probleemgedrag bij Genderdysforie. Religious Coping, Internal Problems and Gender dysphoria

De Invloed van Religieuze Coping op. Internaliserend Probleemgedrag bij Genderdysforie. Religious Coping, Internal Problems and Gender dysphoria De Invloed van Religieuze Coping op Internaliserend Probleemgedrag bij Genderdysforie Religious Coping, Internal Problems and Gender dysphoria Ria de Bruin van der Knaap Open Universiteit Naam student:

Nadere informatie

Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders. Leony Coppens Carina van Kregten

Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders. Leony Coppens Carina van Kregten Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders Leony Coppens Carina van Kregten Het zuurstofmasker Doe de zelfzorgcheck Wat gaan we vandaag doen? Wie zijn wij? Wat gaan we vandaag doen?

Nadere informatie

PLEEGZORGCONTRACT. Naam instelling : Naam pleegzorgbegeleider : Adres : Postcode : Plaats : Tel. : Fax : E-mail : Pleegouder(s):

PLEEGZORGCONTRACT. Naam instelling : Naam pleegzorgbegeleider : Adres : Postcode : Plaats : Tel. : Fax : E-mail : Pleegouder(s): PLEEGZORGCONTRACT De Rading stelt het zeer op prijs dat u zich als pleegouder beschikbaar heeft gesteld. Zonder pleegouders is het voor De Rading niet mogelijk om kinderen een pleeggezin te bieden. Aan

Nadere informatie

Zorg voor een kind van familie of bekende

Zorg voor een kind van familie of bekende Zorg voor een kind van familie of bekende Netwerkpleegzorg Folder bestemd voor: netwerk pleegouders 0-18 jaar U neemt de zorg voor een kind van een familielid of bekende (tijdelijk) over. Dat noemen we

Nadere informatie

Hulp voor vluchtelingenkinderen en hun ouders. Wat kan Altra bieden?

Hulp voor vluchtelingenkinderen en hun ouders. Wat kan Altra bieden? Hulp voor vluchtelingenkinderen en hun ouders Wat kan Altra bieden? Problemen & Risico s Beschermende factoren Bouwstenen jeugdhulp van Altra Verlies familie en verlatingsangst Veilige basis, vertrouwen

Nadere informatie

Veiligheid en welbevinden. Hoofdstuk 1

Veiligheid en welbevinden. Hoofdstuk 1 30 Veiligheid en welbevinden Kees (8) en Lennart (7) zitten in de klimboom. Kees geeft Lennart een speels duwtje en Lennart geeft een duwtje terug. Ze lachen allebei. Maar toch kijkt Lennart even om naar

Nadere informatie

Week tegen de kindermishandeling. Thema: conflictscheiding

Week tegen de kindermishandeling. Thema: conflictscheiding Week tegen de kindermishandeling Thema: conflictscheiding Welkom Cindy de Rijke Kompaan en De Bocht Ouderschapsbemiddelaar Peter Verbeeten Instituut voor Maatschappelijk werk medewerker kinderen en scheiden

Nadere informatie

Stigmatisering van Mensen met Keelkanker: de Rol van Mindfulness van de Waarnemer

Stigmatisering van Mensen met Keelkanker: de Rol van Mindfulness van de Waarnemer Met opmaak: Links: 3 cm, Rechts: 2 cm, Boven: 3 cm, Onder: 3 cm, Breedte: 21 cm, Hoogte: 29,7 cm Stigmatisering van Mensen met Keelkanker: de Rol van Mindfulness van de Waarnemer Stigmatisation of Persons

Nadere informatie

Schuingedrukte woorden worden uitgelegd in een woordenlijst op pagina 4.

Schuingedrukte woorden worden uitgelegd in een woordenlijst op pagina 4. Voogdijmaatregel Informatie voor jeugdigen over voogdij Kinderen moeten altijd iemand hebben die het gezag over hen heeft. Dit gezag ligt meestal bij je ouder(s). Maar wat als je ouder(s) overlijden of

Nadere informatie

De Relatie tussen Dagelijkse Stress, Negatief Affect en de Invloed van Bewegen

De Relatie tussen Dagelijkse Stress, Negatief Affect en de Invloed van Bewegen De Relatie tussen Dagelijkse Stress, Negatief Affect en de Invloed van Bewegen The Association between Daily Hassles, Negative Affect and the Influence of Physical Activity Petra van Straaten Eerste begeleider

Nadere informatie

even VoorSTELLEN Met Cardea kun je verder!

even VoorSTELLEN Met Cardea kun je verder! even VoorSTELLEN Met Cardea kun je verder! Als we over cliënten praten, bedoelen we kinderen, jongeren en hun ouders. Als we over ouders praten, bedoelen we ook eenoudergezinnen, verzorgers, voogden en/of

Nadere informatie

even Als kinderen en ouders geen raad meer weten

even Als kinderen en ouders geen raad meer weten even Als kinderen en ouders geen raad meer weten Het ene kind is het andere niet. En de ene ouder is de andere niet. In Nederland groeien de meeste kinderen gelukkig op en hebben een veilig thuis. Voor

Nadere informatie

Pedagogisch Beleidsplan CKO De Herberg

Pedagogisch Beleidsplan CKO De Herberg Pedagogisch Beleidsplan CKO De Herberg Hoofdstuk 1: Missie, visie en doelstellingen Voorwoord Onze Missie en Identiteit Onze Visie Pedagogische hoofddoelstellingen Een goed pedagogisch klimaat Hoofdstuk

Nadere informatie

De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie

De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en Discrepantie The Relationship between Involvement in Bullying and Well-Being and the Influence of Social Support

Nadere informatie

STABLE LOVE, STABLE LIFE?

STABLE LOVE, STABLE LIFE? STABLE LOVE, STABLE LIFE? De rol van sociale steun en acceptatie in de relatie van paren die leven met de ziekte van Ménière Oktober 2011 Auteur: Drs. Marise Kaper Master Sociale Psychologie, Rijksuniversiteit

Nadere informatie

Info avond. Pleegzorg Oost-Vlaanderen Kortrijksepoortstraat 252 B 9000 Gent 0471/91.91.02 www.pleegzorgoostvlaanderen.be

Info avond. Pleegzorg Oost-Vlaanderen Kortrijksepoortstraat 252 B 9000 Gent 0471/91.91.02 www.pleegzorgoostvlaanderen.be Info avond Pleegzorg Oost-Vlaanderen Kortrijksepoortstraat 252 B 9000 Gent 0471/91.91.02 www.pleegzorgoostvlaanderen.be SAMENWERKINGSVERBAND Open Gezin Open Thuis Open Haard Opvang Dienst Gezinsplaatsing

Nadere informatie

Kleinschalige woon- en onderwijsvormen. Opvang van kinderen met eigen-aardig gedrag

Kleinschalige woon- en onderwijsvormen. Opvang van kinderen met eigen-aardig gedrag Kleinschalige woon- en onderwijsvormen Opvang van kinderen met eigen-aardig gedrag Doenersdreef Zorg Kinderen in Hilversum en Almere Sommige kinderen hebben iets bijzonders. Iets dat ze nét een beetje

Nadere informatie

Rapport (verkort) Naar aanleiding van de feitelijke uithuisplaatsing van een zesjarige jongen.

Rapport (verkort) Naar aanleiding van de feitelijke uithuisplaatsing van een zesjarige jongen. Rapport (verkort) Naar aanleiding van de feitelijke uithuisplaatsing van een zesjarige jongen. Oordeel De Kinderombudsman is van mening dat Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant vestiging Oss en de politie Oost-Brabant

Nadere informatie

Veiligheid en bescherming bij geweld in relaties

Veiligheid en bescherming bij geweld in relaties Veiligheid en bescherming bij geweld in relaties Arosa biedt veiligheid en bescherming bij geweld in relaties. Vrouwen, mannen en hun kinderen kunnen bij Arosa terecht voor opvang en begeleiding. Arosa

Nadere informatie

Tevredenheidsonderzoek onder mensen met een manisch depressieve stoornis en hun betrokkenen

Tevredenheidsonderzoek onder mensen met een manisch depressieve stoornis en hun betrokkenen Tevredenheidsonderzoek onder mensen met een manisch depressieve stoornis en hun betrokkenen Patiënt redelijk tevreden, maar snelheid en betrokkenheid bij behandeling kan beter Index 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethode

Nadere informatie

Werkbeleving. Naam: Bea Voorbeeld. Datum:

Werkbeleving. Naam: Bea Voorbeeld. Datum: Werkbeleving Naam: Bea Voorbeeld Datum: 16.07.2015 Bea Voorbeeld / 16.07.2015 / Werkbeleving (QWBN) 2 Hoe beleef je je werk? Je hebt een vragenlijst ingevuld met vragen over je werkbeleving. Hierbij is

Nadere informatie

Over kalveren en vlinders

Over kalveren en vlinders Woord vooraf Over kalveren en vlinders Woord vooraf a Over kalveren en vlinders 9 Kalverliefde : de eerste verliefdheid, de eerste keren vlinders in de buik, de verliefdheid van de puberteit. Denk jij

Nadere informatie

Signaalkaart Jongeren

Signaalkaart Jongeren Signaalkaart Jongeren Naam: Mike de Boer Inhoudsopgave Inleiding... 3 Signaalkaart Mike... 5 Toelichting op de uitslag... 6 Pagina 2 van 8 Inleiding Op 14 maart 2014 heeft Mike de Boer de Signaalkaart

Nadere informatie

De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim

De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim The Relationship between Work Pressure, Mobbing at Work, Health Complaints and Absenteeism Agnes van der Schuur Eerste begeleider:

Nadere informatie

u Stel een zorgteam samen (zie hoofdstuk 5).

u Stel een zorgteam samen (zie hoofdstuk 5). Het pleegzorgproces 1 Op deze werkkaart vind je een globaal overzicht van het pleegzorgproces. Per stap geven we enkele belangrijke aandachtspnten en verwijzen we voor meer informatie naar het betreffende

Nadere informatie

RESULTATEN VRAGENLIJST ROZE OUDERSCHAP

RESULTATEN VRAGENLIJST ROZE OUDERSCHAP RESULTATEN VRAGENLIJST ROZE OUDERSCHAP Deze vragenlijst is opgesteld en uitgezet door Stichting Meer dan Gewenst in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam t.b.v. de Europese Verkiezingen op 22

Nadere informatie

Inzicht in loyaliteit bij pleegkinderen

Inzicht in loyaliteit bij pleegkinderen Inzicht in loyaliteit bij pleegkinderen Aan de hand van het Relatiediagram van het PSI-P Master Education and Child Studies Orthopedagogiek Masterproject Pleegzorg 2010-2012 Begeleiders: Dr. P.M. van den

Nadere informatie

Betekenis van vaderschap

Betekenis van vaderschap Betekenis van vaderschap Conferentie vader-empowerment G.O.Helberg Kinder-en Jeugdpsychiater Materiaal ontleed aan onderzoek: Prof. dr. Louis Tavecchio Afdeling POWL, Universiteit van Amsterdam Een paar

Nadere informatie

Als uw kind onder toezicht gesteld wordt

Als uw kind onder toezicht gesteld wordt Als uw kind onder toezicht gesteld wordt Inhoud 3 > Als uw kind onder toezicht gesteld wordt 3 > Ondertoezichtstelling 4 > Maatregel van kinderbescherming 5 > De rol van de Raad 6 > De rechter 6 > De gezinsvoogd

Nadere informatie

Doelgroepanalyse Centrum voor Trauma en Gezin

Doelgroepanalyse Centrum voor Trauma en Gezin Doelgroepanalyse Centrum voor en Gezin Efua Campbell & Inez Berends December 2013 PI Research is gevraagd om voor het Centrum voor en Gezin van de Bascule een doelgroepanalyse uit te voeren. Aan de hand

Nadere informatie

Inhoud. Colofon Tekst: Spirit, januari 2014 Ontwerp: Zeeman Reclamegroep Foto s: Mike Bink, Jan Willem Steenmeijer, Shutterstock.

Inhoud. Colofon Tekst: Spirit, januari 2014 Ontwerp: Zeeman Reclamegroep Foto s: Mike Bink, Jan Willem Steenmeijer, Shutterstock. Pleegouder worden Inhoud Wat is pleegzorg? 3 Verschillende vormen van pleegzorg 4 Voorwaarden en criteria 5 Pleegouder worden 6 Informatiebijeenkomst 7 Aanmelden 7 Voorbereiding: intakegesprek en STAP-training

Nadere informatie

Het hechtingsproces. bij kinderen tussen de 0 en 2 jaar. Kindergeneeskunde. Hechting. Hoe verloopt het hechtingsproces?

Het hechtingsproces. bij kinderen tussen de 0 en 2 jaar. Kindergeneeskunde. Hechting. Hoe verloopt het hechtingsproces? Het hechtingsproces bij kinderen tussen de 0 en 2 jaar Kindergeneeskunde In deze brochure leest u meer over de hechtingsprocessen bij baby s in de leeftijd van 0 tot 12 maanden. Daar waar ouders staat

Nadere informatie

Bijlage x Uitwerking producten, doel en kwaliteit. A. Kennis en advies voor professionals (Christie) B. Diagnostiek (Rosèl)

Bijlage x Uitwerking producten, doel en kwaliteit. A. Kennis en advies voor professionals (Christie) B. Diagnostiek (Rosèl) Bijlage x Uitwerking producten, doel en kwaliteit A. Kennis en advies voor professionals (Christie) B. Diagnostiek (Rosèl) C. Begeleiding (Christie en Albert) D. Behandeling (Rosèl) E. Verblijf Product

Nadere informatie