BEWEEGREDEN. Vakblad voor Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "BEWEEGREDEN. Vakblad voor Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck"

Transcriptie

1 BEWEEGREDEN Vakblad voor Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck Jaargang 6, uitgave 1, maart 2010

2 Mijn verzekeringen zijn op orde! Colofon REDACTIONEEL Dankzij de speciale arbeidsongeschiktheidsverzekering voor oefentherapeuten. Een zeer concurrerende premie voor leden van de VvOCM. De voordelen van deze speciale arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn onder andere: Meer informatie? Kijk op onze website of stuur deze bon in een envelop naar: Antwoordnummer WB Den Haag Naam Adres - Beroepsarbeidsongeschiktheid - Gratis ongevallendekking - Extra aanvangskorting - Gunstige zwangerschapsregeling - Premiekorting in pakket met andere verzekeringen - Verhogen zonder medische verklaring - Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid - Mede tot stand gekomen door uw beroepsvereniging Frisia Verzekeringen is uitvoerder mantelcontract VvOCM BEWEEGREDEN, het vakblad voor oefentherapeuten Cesar en Mensendieck is een uitgave van de Nederlandse Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck (VvOCM). Het blad verschijnt vier maal per jaar. Niets uit deze uitgave mag vermeld of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie. Losse abonnementen 30,- per jaar Redactie Petronella Haga Annemiek van der Kamp Ingrid de Wilt Nicole Wolvenne Viola Zegers Redactieadres Ingrid de Wilt Kaap Hoorndreef AV UTRECHT Tel Advertenties Advertentiemateriaal dient uiterlijk 2 maanden voor de verschijningsdatum van het blad digitaal aangeleverd te worden. Advertentietarieven op aanvraag. Advertenties kunnen zonder opgave van reden worden geweigerd. Extra exemplaren van Beweegreden zijn tegen betaling te bestellen bij het secretariaat. Informatie voor auteurs Kopij dient uiterlijk twee maanden voor de verschijningsdatum van het blad digitaal aangeleverd te worden op het redactieadres. Het recht wordt voorbehouden artikelen niet te plaatsen dan wel te redigeren. In het laatste geval zal de auteur gevraagd worden goedkeuring te verlenen aan het geredigeerde artikel. Verschijningsdata in 2010 Maart Juli November Vormgeving Studio Trebor Drukwerk Eco Digital Publishing B.V. De redactie van het vakblad werkt op basis van een openbaar redactiestatuut. De redactie werkt conform de beleidslijnen van de VvOCM, maar kent een eigen verantwoordelijkheid. De artikelen in dit tijdschrift verschijnen onder verantwoordelijkheid van de redactie en/of de auteur. Slechts voor zover de artikelen verschijnen onder het kopje VvOCM-bestuur vertegenwoordigt de inhoud van dit tijdschrift standpunten van het VvOCM-bestuur. Van de redactie De eerste Beweegreden van 2010 ligt voor u. Deze keer was het lastig om de artikelen op tijd binnen te krijgen. Een maand voor de deadline had de redactie een tiental mogelijke artikelen uitstaan, maar ze werden niet op tijd aangeleverd. Griep, feestdagen, familie omstandigheden, het is zo druk in de praktijk! We hebben al onze mogelijke contacten aangesproken met de vraag een bijdrage te leveren. Uiteindelijk kwam het, zoals gewoonlijk, prima in orde. De redactie hoopt dat u haar mening deelt: het eerste nummer van 2010 is een mooi blad. De uitgave van juli zal een Special worden over vernieuwingen in de zorg. We weten dat veel collega oefentherapeuten met vernieuwende dingen bezig zijn. Het zou toch geweldig zijn als hierover artikelen in ons vakblad komen te staan? Als alle collega s kennis kunnen nemen van uw visie op bewegen, van uw innovatieve ideeën of over uw onderzoek kunnen lezen? Begin nu, zet uw eerste invallen op papier, sla ze op en kijk er met enige regelmaat naar en vul het stuk aan. Zo groeit het artikel. U kunt de ruwe versie naar de redactie sturen en wie weet staat straks uw artikel in Beweegreden, ons vakblad, en kunnen alle collega s het lezen. Beweegreden: Vernieuwingen in de zorg. Zou uw artikel daar in passen? Veel leesplezier! Nicole Wolvenne Postcode Plaats Frisia Verzekeringen T Javastraat 1a F Telefoon 2585AA Den Haag E. 2 BEWEEGREDEN december BEWEEGREDEN december

3 COLUMN Inhoud SOMOI Nieuws Als Obruni in Ghana Oefentherapie Door Cliënten Bekeken Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag? Oefentherapeuten Noorderbad Door Cliënten Bekeken Oefentherapie en patiëntveiligheid Het meten van angst om te vallen met de falls efficacy scale-international (FES-I) Rationeel-Emotieve Training (RET) in de praktijk van de oefentherapeut Samenvatting van de RCT Wear your true lifestyle Het meten van de arbeidsbelastbaarheid met functionele capaciteitsevaluaties Functionele anatomie in revalidatie van chronische lage rugklachten Recensies SOMOI NIEUWS Auteur: Marianne Verhage Voor Somoi was het afgelopen jaar anders dan anders. Na ruim een half jaar werving, promotie en het regelen van informatiebijeenkomsten meldden de twee nieuwe vrijwilligers voor de periode juni 2009 t/m maart 2010 zich niet aan. Voor SOMOI een moment om stil te staan bij de huidige werkzaamheden en te kijken naar de toekomst. Waar zijn we nu en waar willen we naartoe werken? Sinds begin juli zijn er geen vrijwilligers meer in Pontianak. We hebben het project korte tijd losgelaten en contact onderhouden via en telefoon. Intussen zijn we in Nederland bezig geweest om de visie van de stichting te verduidelijken en ons meer te professionaliseren. Ongeveer 6 maanden heeft de plaatselijke bevolking doorgewerkt zonder de ondersteuning van de SOMOI vrijwilligers. Voor hen en voor ons een spannende tijd! Is het hun gelukt om de boel overeind te houden? Is de ondersteuning tot nu toe voldoende geweest? Zouden ze ons nog nodig hebben, of kunnen ze het al helemaal zelfstandig? We zullen het gaan zien want twee van onze bestuursleden zullen terugkeren naar Pontianak! Het is bijna zover, 31 januari 2010 vertrekken Corine Hesseling en Anje Eilander SOMOI is een stichting opgericht door oefentherapeuten Mensendieck die zich inzet voor gehandicapte kinderen in Indonesië. De stichting bestaat geheel uit vrijwilligers die zowel in Nederland als Indonesië werkzaam zijn. Zij bieden directe hulp aan gehandicapte kinderen. Op kleinschalige wijze proberen de vrijwilligers de deelname van deze kinderen aan de gemeenschap te bevorderen. De vrijwilligers zijn oefentherapeuten Mensendieck/Cesar, fysiotherapeuten en/of ergotherapeuten. Sinds november 2005 is SOMOI werkzaam in de stad Pontianak op Kalimantan. (huidige bestuursleden) opnieuw naar Pontianak. Corine en Anje zullen de projecten weer bezoeken om te horen hoe de afgelopen maanden zijn verlopen en of er nog nieuwe hulpvragen zijn. Tevens gaan zij op zoek naar meer lokale mensen die bereid zijn om van ons te leren. Hoe meer geïnteresseerden, hoe breder het draagvlak! Een kort overzicht van de verschillende werkplekken: Weeshuis Hier heeft SOMOI de afgelopen 5 jaar hard gewerkt samen met de zusters. Er is sprake geweest van kennisoverdracht, veel samenwerking en de bouw van het nieuwe therapiecentrum, naast het weeshuis! De laatste vrijwilligers (vertrokken in juli 2009) hebben samen met de zusters gekeken naar de toekomst van de therapie in het weeshuis. Besloten is dat de zusters op eigen voet verder kunnen. Het nieuwe therapiecentrum is een prachtig geschenk waar ze graag gebruik van maken! Bij terugkomst van SOMOI in 2010 zal er weer contact gezocht worden en is terugkeer mogelijk, mocht er een hulpvraag zijn. SLB Ook op de school gaf het bestuur aan het werk zelfstandig te willen voortzetten. De verkregen kennis via SOMOI zal toegepast worden en meegenomen worden in de behandelingen. Uiteraard zal de school in 2010 bezocht worden door de nieuwe vrijwilligers om te horen hoe het gaat! Puskesmas Het was een grote verrassing toen de huidige SOMOI vrijwilligers enkele maanden terug een geïnteresseerde fysiotherapeut ontmoetten, die graag op het gezondheidcentrum therapie wilde komen geven. Een prachtig moment om de kennis aan hem toe te vertrouwen en zijn werk vanuit Nederland te ondersteunen. In 2010 zal het werk samen met hem worden hervat. Vanaf maart 2010 gaan Karlien Buis en Linda de Haan, beide ergotherapeuten, zich 9 maanden inzetten voor SOMOI in Indonesië. Corine en Anje zullen deze twee meiden inwerken op verschillende gebieden (taal, cultuur, werkplekken), zodat zij samen het mooie project voort kunnen zetten! Misschien op de oude werkplekken maar misschien ook wel op een nieuwe werkplek! 4 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

4 Oefentherapie door clienten bekeken Een methode voor kwaliteitsverbetering vanuit patiëntperspectief Auteurs: Dr. C.P. van Linschoten en drs. M. Cardol ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV Ir. T. Schoen Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) De methode Door Cliënten Bekeken is de afgelopen jaren met veel succes toegepast bij apotheken en gezondheidscentra. Na een haalbaarheidsstudie in 2008 hebben ARGO en NPCF in opdracht van VvOCM een pilot met de methode Oefentherapie door Cliënten Bekeken (OCB) uitgevoerd bij 10 praktijken. Met veel enthousiasme, inzet en nieuwsgierigheid hebben de deelnemers de pilot tot een succes gemaakt. Uiteraard valt er ook nog het één en ander te verbeteren. De opbrengsten en de verbeterpunten worden in dit artikel op een rijtje gezet. Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck werken aan de verbetering van de kwaliteit van de paramedische zorg in Nederland. Ervaringen van cliënten kunnen daarbij een belangrijke bijdrage leveren. Patiëntervaringen prikkelen zorgverleners om aan de slag te gaan met het verbeteren van de kwaliteit van het professioneel handelen. Het OCB traject in de pilot De pilot vond plaats in juni - november 2009 en bestond uit een aanpassing van de Door Cliënten Bekeken-methode voor oefentherapeuten. De proef vond plaats bij 10 extramuraal werkende oefentherapeuten in 2 groepen ( noord en midden ). Per groep werd het volgende traject doorlopen: 1. startbijeenkomst en instructie 2. online meting en rapportage 3. workshop van meten naar verbeteren 4. aanvullend kwalitatief onderzoek 5. presentatie verbeterplan 6. gestructureerde online evaluatie De resultaten In dit artikel bespreken we de resultaten van de pilot. We gaan eerst in op de patiëntervaringen met oefentherapie. Daarna geven we de ervaringen van oefentherapeuten met de methode weer. Er wordt besloten met een advies voor implementatie van de methode. Methode: onderzoek via internet Onderzoek via internet biedt de mogelijkheid om snel en efficiënt inzicht te krijgen in wat er leeft bij cliënten. Het internet wordt daarom steeds vaker gebruikt voor allerlei vormen van onderzoek. Deze methode kent echter ook nadelen. Via internetonderzoek worden ouderen en mensen zonder internetverbinding niet bereikt. Toepassing van internet is voor de cliëntenpopulatie van oefentherapeuten echter op een aantal punten minder riskant. De populatie is verhoudingsgewijs jong. Het feit dat er sprake is van een oefentherapeutische behandeling in een OCB-traject biedt de kans dat de cliënt makkelijker het adres aan de zorgverlener toevertrouwt in vergelijking met bijvoorbeeld een openbare apotheek. Benadering van cliënten In de periode van juni tot september 2009 vond de online dataverzameling plaats. Aan alle cliënten die in deze periode een behandeling bij één van de deelnemende oefentherapeuten kregen, is gevraagd om deel te nemen aan het onderzoek. Cliënten van 12 tot en met 17 jaar konden met toestemming van hun ouders meedoen. Alle cliënten die aan het onderzoek wilden deelnemen, kregen na minstens vier behandelingen een uitnodiging per toegestuurd. Een week later werd een herinnering verstuurd. De vragenlijst was gebaseerd op (a) de recente versie van de CQI fysiotherapie, inclusief verbetervoorstellen (mei 2009) (b) een aantal items aangedragen vanuit de beroepsgroep. Er werd gekozen voor antwoordcategorieën die het verbeterpotentieel in kaart brengen: in hoeverre vindt de cliënt dat de praktijk op dit onderwerp kan verbeteren? En zo ja, wat zijn dan de verbetersuggesties van de cliënt? Daartoe bevatte de vragenlijst voldoende ruimte om eigen ervaringen op te schrijven. De gegevens werden geanalyseerd met SPPS 16 for Windows. Respondenten Van de in totaal 703 cliënten werden 624 mensen uitgenodigd voor het onderzoek. Er was sprake van een zeer goede respons van 78% op de uitnodiging. De 81 cliënten die niet werden uitgenodigd hadden vrijwel zonder uitzondering geen internet als reden. Deze cliënten zijn significant ouder dan de cliënten mét internet. Uit ander onderzoek met DCB-vragenlijsten komt naar voren dat ouderen de neiging hebben wat positiever te oordelen over de zorg. De samenhang is echter zwak en de invloed op de uitkomsten per oefentherapeut is te verwaarlozen. Het onderzoek geeft een representatief beeld van de patiëntervaringen met de oefentherapie bij de 10 praktijken die aan de pilot hebben deelgenomen Patiëntervaringen met oefentherapie Algemeen oordeel Cliënten beoordelen de oefentherapie zeer positief. Dit blijkt zowel uit het algemene rapportcijfer als uit een aantal andere indicatoren. Bijna de helft van de cliënten (47,3%) geeft een rapportcijfer 9 of 10. Het percentage cliënten dat tijdens de behandeling wel eens ontevreden is geweest, is vrijwel nihil. In grafiek 1 is het ja vermeld. Naast de gemiddelde score is de laagst en hoogst scorende praktijk weergegeven. Bij gemiddeld zo n 70% heeft de hulp van de oefentherapeut het gewenst resultaat gehad. Meer dan 80% zou de volgende keer weer naar deze therapeut gaan en adviseert de therapeut aan anderen. De zorgverlening door de oefentherapiepraktijken in de pilot wordt in het algemeen daarom zeer positief beoordeeld. Hoe is de beoordeling van afzonderlijke kwaliteitsaspecten? Bereikbaarheid en toegankelijkheid Ten aanzien van bereikbaarheid komen aanzienlijke verschillen tussen oefentherapeuten naar voren in de mate waarin het mogelijk is om afspraken te maken buiten kantooruren of op een door de cliënt gewenst tijdstip. Ook op aspecten van de accommodatie, zoals comfort, zitplaatsen en bereikbaarheid, komen grote verschillen tussen de praktijken naar voren. Ter illustratie zijn in grafiek 2 een aantal uitkomsten grafisch weergegeven. Communicatie en informatie Oefentherapeuten worden zeer goed beoordeeld op de wijze waarop de cliënt wordt bevraagd over zijn/haar probleem. Er treden echter aanzienlijke verschillen in patiëntervaringen tussen de verschillende oefentherapeuten op betreffende de communicatie over het behandeltraject en het verwachte verloop van de klacht. De uitleg van de behandeling van de oefentherapeuten door cliënten zeer goed wordt beoordeeld. De onderlinge verschillen tussen de praktijken zijn gering. Uitzondering hierop vormt het item heeft verteld waar ik informatie kan vinden over de oefeningen/adviezen. Bejegening Niet alleen communicatie, ook bejegening vormt een sterk punt van de oefentherapeuten in de pilot. Er treden nauwelijks verschillen op tussen de praktijken die aan de pilot hebben meegedaan. Bijna alle cliënten antwoorden positief op items betreffende bejegening. De enige uitzondering hierop vormt de therapeut besteedde voldoende tijd aan mij. Hier is de range tussen minimale (85% ja ) en maximale waarde (100% ja ) iets groter. Oefentherapeuten werken samen met de cliënt aan het bereiken van behandeldoelen: gemiddeld ervaart zo n 90% van de cliënten samen- Grafiek 1: algemene uitkomsten Grafiek 2: accommodatie (%ja) Grafiek 3: effecten van de behandeling (% mee eens) 6 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

5 Oefentherapie door clienten bekeken werking met de therapeut. De minimale en maximale waarden op deze items liggen tussen de 80%-100%. Deskundigheid Het vertrouwen in de vakbekwaamheid van de oefentherapeut is hoog: 93% van de cliënten zegt altijd vertrouwen in de deskundigheid te hebben gehad. Dit percentage varieert van 89,5% tot 100%. Nauwelijks negatieve ervaringen Er zijn twee vragen gesteld over negatieve patiëntervaringen: zijn er storende telefoontjes tussendoor en gaf de oefentherapeut tegenstrijdige informatie? Patiënten rapporteren deze negatieve ervaringen niet of nauwelijks. Effecten van de behandeling Met een aantal items die specifiek voor de oefentherapie zijn geformuleerd, werden de ervaringen van de cliënten met de effecten van de behandeling in kaart gebracht. Daarbij wordt aangetekend dat het onderzoek bij alle praktijken plaatsvond minimaal 4 weken na aanvang van de therapie. Toch treden aanzienlijke verschillen op in de mate waarin cliënten effect van de behandeling ondervinden (grafiek 3). Procesevaluatie Hoe is de pilot verlopen en welke verbeterpunten komen naar voren? Met de deelnemende oefentherapeuten is een gestructureerde evaluatie uitgevoerd. Totaalbeeld Het totale OCB-traject wordt positief beoordeeld. Van de 11 deelnemers geven 9 praktijken een 8 of 9 aan het totale traject; twee deelnemers geven een 6 respectievelijk een 7. Oorzaken voor een lagere waardering zijn: te weinig nieuwe inzichten (in combinatie met vragenlijst die onvolledig is) in relatie tot de kosten/tijdsinvestering. Een ruime meerderheid geeft aan dat de kosten opwegen tegen de opbrengsten. Ik ben zeer tevreden en het was voor mij tevens een bevestiging dat ik goed bezig ben. De antwoorden en opmerkingen waren soms verrassend, maar dat was juist het leuke hiervan. Ik kan het iedereen aanraden om mee te doen! De tijdsbesteding viel de deelnemers erg mee. Ik dacht dat ik aan een enorme klus was begonnen, maar het viel reuze mee. De investering was ongeveer 1 uur per maand, aldus een deelnemer. In de toekomst zal de tijdsbesteding uur bedragen. DCB leidt tot kwaliteitsverbetering In hoeverre wordt met het OCB-traject kwaliteitsverbetering in gang gezet? Er zijn per praktijk gemiddeld bijna 3 acties geformuleerd naar aanleiding van het onderzoek. De acties hebben betrekking op een breed scala aan kwaliteitsaspecten: accommodatie, bereikbaarheid, informatievoorziening, een meer gestructureerde aanpak en communicatie/overleg met de patiënt. Op het gebied van bejegening zijn nauwelijks actiepunten geformuleerd. Hiervoor leverde de meting weinig aanknopingspunten op. Aanpassing van de methode Het veldwerk De oefentherapeuten vonden dat het onderzoek makkelijk uit te leggen was aan de patiënt, dat de poster in de wachtkamer ondersteunend werkte en dat het veldwerk niet lastig was. Driekwart van de deelnemers vond dat het verzamelen van de adressen niet tijd kostte. De hoge response geeft aan dat de online aanpak via adressen voor oefentherapeuten zeer geschikt is. Aandachtspunten zijn: het moment van uitreiken van de vragenlijst. De voorkeur gaat uit naar 8 weken (in plaats van 4) na aanvang van de behandeling (7 deelnemers). een papieren versie naast de online vragenlijst, indien men alle patiënten de kans wil geven om mee te doen. uitsluiting van kinderen jonger dan 12 jaar: kan een vorm met hulp van ouders worden gevonden? Vragenlijst De vragenlijst was gebaseerd op de CQI Fysiotherapie. De antwoordcategorieën waren in deze pilot afkomstig uit de DCB-vragenlijst voor apotheken. Uit de weergave van resultaten bleek dat een aantal items zeer positief wordt beoordeeld. Deze scheefheid van de antwoordverdeling vormt een aandachtspunt. Aanbevolen wordt om bij structurele toepassing de vragenlijst aan te passen en CQI-antwoordcategorieën te gebruiken om meer variatie in de antwoorden te krijgen. Alle deelnemende oefentherapeuten vonden de vragenlijst begrijpelijk; de inhoud kan echter nog beter aansluiten op de oefentherapie. Rapportage Iedere deelnemer ontving een rapportage over de eigen praktijk. Door zowel de uitkomsten voor de eigen praktijk te presenteren, als te vergelijken met de hoogste, laagste en gemiddelde score op dat item, worden aanknopingspunten voor kwaliteitsverbetering geboden. De rapportage is door de deelnemers goed beoordeeld: deze was (zeer) goed leesbaar, (zeer) duidelijk en (zeer) informatief. Bij zeven van de 11 respondenten heeft de rapportage nieuwe inzichten opgeleverd; 4 deelnemers antwoorden hier neutraal. Workshop Er werd per groep een bijeenkomst van 2 uur gehouden om de uitkomsten te bespreken en aanknopingspunten voor kwaliteitsverbetering te identificeren. De aandacht ging niet alleen uit naar verbeteren maar ook naar waarborgen : hoe hangt een positieve patiëntervaring samen met de werkwijze van de praktijk? De bijeenkomst heeft de deelnemers gemotiveerd om met de uitkomsten aan de slag te gaan, aldus 10 van de 11 deelnemers, en heeft aanknopingspunten voor kwaliteitsverbetering opgeleverd (8 van de 11 praktijken; 3 deelnemers antwoorden hier neutraal ). Kwalitatief onderzoek Respondenten konden zich via de online meting beschikbaar stellen voor een aanvullende kwalitatieve activiteit. Gemiddeld stelden 5 mensen per praktijk zich kandidaat. In de pilot vond één cliëntenpanel plaats met deelnemers van twee oefentherapiepraktijken. Deelnemers werden vooraf geïnformeerd over doel en opzet van het panel en vertrouwelijkheid. Er waren geen oefentherapeuten bij het panel aanwezig. Onder voorzitterschap van een gespreksleider van ARGO werd punten besproken die door de therapeuten waren aangedragen: het verstrekken van schriftelijke informatie; wat bepaalt de kwaliteit van een oefentherapeut? Het verslag werd door ARGO opgesteld en aan alle oefentherapeuten g d. In de pilot bleek de samenstelling met cliënten vanuit verschillende praktijken een meerwaarde te hebben. De omvang van een panel dient 8-12 personen te zijn; dit aantal werd in de pilot niet gehaald wegens grote reisafstanden tussen de praktijken. Aanbevolen wordt om in de toekomst een panel met cliënten van 3 oefentherapiepraktijken te organiseren. Een voorwaarde hiervoor is dat praktijken in dezelfde regio/stad liggen. Elektronisch declareren met e-devop Eenvoudig Gebruiksvriendelijk en volledig Patiëntgegevens Directe controle ziektekostenverzekering Gestandaardiseerd Conform actuele Vektis standaard Meerdere versies Eén- of meerdere disciplines / Netwerkversie Prijzen in 2010 Vanaf slechts 140,- per jaar incl. btw. Uitproberen Gratis download via Helpdesk Kostenloos ondersteuning op werkdagen Telefoon Internet , keuze 2 Advertenties Conclusie en implementatie In deze rapportage zijn de resultaten van een pilot met de methode Door Cliënten Bekeken voor oefentherapeuten Cesar en Mensendieck gepresenteerd. De pilot Oefentherapie door Cliënten Bekeken (OCB) is succesvol verlopen en heeft een aantal aanknopingspunten voor verbetering opgeleverd. Wanneer deze verbeterpunten worden aangepakt is het OCBtraject een inspirerende en effectieve aanpak om patiëntervaringen te betrekken bij kwaliteitsverbetering van de oefentherapie. OCB zet de deelnemers aan tot actie op een breed scala van kwaliteitsaspecten die voor patiënten van belang zijn. Op basis van de ervaringen in de pilot wordt aanbevolen om de methode Oefentherapie Door Cliënten Bekeken op een aantal punten aan te passen. NPCF en VvOCM hebben naar aanleiding van de pilot in december 2009 een implementatieplan opgesteld. Het plan beschrijft de wijze waarop VvOCM, NPCF en ARGO-RuG de implementatie van OCB zullen bevorderen, de kwaliteit zullen bewaken en hoe ingespeeld wordt op actuele ontwikkelingen. Meer informatie? Wanneer u meer informatie wenst over het onderzoek kunt u zich wenden tot het bureau van de VvOCM ( ) of met de NPCF ( UVA UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM 8 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

6 De Movement ABC test is speciaal ontwikkeld om kinderen te identificeren en te evalueren die een lichte tot middelmatige motorische achterstand hebben Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag? Verschillende kinderen in de basisschoolleeftijd ervaren motorische problemen die een negatieve invloed hebben op hun schoolse en/of dagelijkse activiteiten. In de wetenschappelijke literatuur spreekt men bij deze kinderen veelal van Developmental Coordination Disorder (DCD). Kinderen krijgen de diagnose DCD wanneer de motorische problemen niet veroorzaakt worden door een neurologische aandoening en er geen sprake is van mentale retardatie (IQ<70) 1. DCD komt bij 5 tot 10 procent van de kinderen in de basisschoolleeftijd in Nederland voor 2. Auteurs: Johannes Noordstar & Mignon Biesta Kinderen met motorische problemen worden vaak gezien door de kinderfysio- of kinderoefentherapeut. De gebruikte behandelmethoden kunnen grofweg worden onderverdeeld in stoornisgerichte behandelmethoden (bottom-up) en taakgerichte behandelmethoden (top-down). Binnen de stoornisgerichte behandelmethoden gaat men ervan uit dat de oorzaak van de motorische problemen voortkomt uit onderliggende stoornissen of (sensorische)processen. De therapie richt zich dan ook op deze onderliggende (sensorische)processen met als doel het opheffen van de motorische problemen van het kind3. De wetenschappelijke literatuur laat echter zien dat het effect van stoornisgerichte behandelmethoden bij kinderen met DCD zwak tot nihil is 4-6. De taakgerichte behandelmethoden gaan uit van de specifieke vaardigheid waar het kind in zijn dagelijkse leven problemen mee ervaart. De therapeut analyseert de specifieke vaardigheid en deelt deze op in kleinere deelvaardigheden. De deelvaardigheden waar het kind moeite mee heeft worden afzonderlijk geoefend. Vervolgens worden de geoefende deelvaardigheden weer in de specifieke vaardigheid geïntegreerd. Wanneer het kind de specifieke vaardigheid voldoende beheerst, wordt deze in verschillende contexten geoefend 6. Ook de kinderoefentherapie kan geschaard worden onder de taakgerichte behandelmethoden. Zo vraagt de therapeut aan het begin van de behandelreeks de hulpvraag van het kind uit. Wanneer de hulpvraag komt vanuit de ouder(s) of leerkracht, spreekt men van een secundaire hulpvraag. Vanuit de hulpvraag bepaalt de therapeut, zoveel mogelijk in samenspraak met het kind, de behandeldoelen. Deze doelen zijn erop gericht om de activiteiten en participatie in het dagelijks leven van het kind te verbeteren. Tijdens de behandeling wordt het behandeldoel in kleinere domeinen uit elkaar gehaald en afzonderlijk behandeld. Hierbij verliest de therapeut het grotere behandeldoel nooit uit het oog. Tussentijds evalueert de therapeut en past eventueel zijn behandeling aan. Aan het einde van de behandelreeks kijkt de therapeut of de behandelde domeinen de oorzaak waren van de motorische problemen door na te gaan of de behandeldoelen behaald zijn. Er zijn verschillende studies bekent naar het effect van taakgerichte kinderfysiotherapie. Zo is in de studie van Niemeijer et al. (2007) 7 het effect van de in Nederland ontwikkelde behandelmethode Neuromotor Task Training (NTT) onderzocht. In het De doelen zijn erop gericht om de activiteiten en participatie in het dagelijks leven van het kind te verbeteren. onderzoek werden twee groepen kinderen met DCD van het regulier basisonderwijs met elkaar vergeleken. De interventiegroep (n=26) kreeg negen weken een kinderfysiotherapeutische behandeling volgens de NTT-methode. De controlegroep (n=13) kreeg geen therapie. De kinderen uit de interventiegroep bleken na negen weken significant vooruit te zijn gegaan in vergelijking met de controlegroep op het motorisch functioneren7. Ook andere studies laten een positief effect van taakgerichte kinderfysiotherapie zien 7-9. Tot op heden is er geen wetenschappelijke studie gedaan naar het effect van kinderoefentherapie. Omdat de kinderoefentherapeut veel kinderen met motorische problemen in zijn praktijk behandelt, is het van groot belang om inzicht te krijgen in de effectiviteit hiervan. Binnen dit onderzoek zal daarom onderzocht worden of er een vooruitgang zichtbaar is in de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag in de basisschoolleeftijd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar leeftijd en motorische deelvaardigheden zodat er een specifiek beeld over de vooruitgang gegeven kan worden. Methode Procedure Via de website van de Vereniging voor Oefentherapie Cesar en Mensendieck (VvOCM) zijn alle geregistreerde kinderoefentherapeuten uit het land benaderd. De kinderoefentherapeuten ontvingen via de VVOCM een brief waarin zij werden uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. Zodra een kinderoefentherapeut toestemming gaf om deel te nemen kreeg hij een uitgebreide informatiebrief waarin het doel en wijze van het onderzoek werd uitgelegd. De kinderoefentherapeuten die meewerkten aan het onderzoek volgden de volgende procedure: wanneer een nieuw kind met een motorische hulpvraag de praktijk binnenkwam werd de Movement Assessment Battery for Children (Movement ABC)10 afgenomen (T0). De kinderoefentherapeut behandelde het kind vervolgens achttien weken volgens de visie van de kinderoefentherapie binnen de eigen praktijk. Na achttien behandelingen werd de Movement ABC opnieuw afgenomen (T1). Wanneer het kind minder dan achttien behandelingen nodig had, werd de score aan het einde van de behandelreeks doorgegeven. Voor de deelnemende kinderen golden de volgende inclusiecriteria: 1 leeftijd van het kind ligt tussen de vier en twaalf jaar 2 motorische achterstanden zijn niet het gevolg van een neurologisch aantoonbare aandoening (zoals bv CP of Spina Bifida) Meetinstrument Binnen dit onderzoek is gebruik gemaakt van de Movement ABC. Deze test is speciaal ontwikkeld om kinderen te identificeren en te evalueren die een lichte tot middelmatige motorische achterstand hebben 10. De test maakt een onderverdeling in vier (verschillende) leeftijdscategorieën; 4-6 jaar, 7-8 jaar, 9-10 jaar en jaar. Elke leeftijdscategorie heeft andere opdrachten om de motoriek te beoordelen. In totaal voert een kind acht verschillende opdrachten uit waarop hij wordt beoordeeld. Drie opdrachten beslaan samen het domein van de handvaardigheid. Twee opdrachten geven inzicht in het domein balvaardigheid en eens drie oefeningen geven een beeld van het domein evenwicht. Binnen iedere leeftijdscategorie wordt onderscheid gemaakt naar het levensjaar van het kind om de kwantiteit van een beweging te beoordelen. Voor iedere opdracht kan het kind een score halen van 0 (goed) tot 5 (slecht). Nadat de ruwe scores zijn omgezet in percentielscores kunnen de resultaten van het kind worden vergeleken met een gestandaardiseerde groep van kinderen in eenzelfde leeftijdscategorie. Deze vergelijking kan worden gemaakt per domein of in zijn geheel (totaalscore). Totaalscores die op of onder het 5e percentiel vallen, kunnen beschouwd worden als een indicatie van bewegingsproblemen. De vorm van behandeling kan afhankelijk zijn van de scores op de domeinen. Scores tussen het 5e en 15e percentiel duiden op het grensgebied van bewegingsproblemen. Kinderen met een totaalscore boven het 15e percentiel worden geacht over een leeftijdsadequate of bovengemiddelde motoriek te beschikken. 10 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

7 Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag? De test-hertest scores liggen voor de verschillende leeftijdsgroepen tussen de.90 en.96 (Rs) bij een interval van 2 weken 10. De inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid van de Movement ABC is goed. Bij een studie in Hongkong werden 79 kinderen beoordeeld door twee verschillende beoordelaars. Er bleek een gemiddelde overeenkomst te zijn op de verschillende items van.96 (Rp) 11. Om de validiteit te bepalen is de Movement ABC vergeleken met de Korper Koordinationstest für Kinder (KTK). Hieruit bleek een correlatie van.62 (Rp) 12. Data-analyse Allereerst is onderzocht welke eigenschappen er binnen de populatie kinderen bestaan. Hierbij is gekeken naar het geslacht en type onderwijs (regulier of speciaal basisonderwijs). Vervolgens is er met behulp Tabel 1 patiëntkenmerken 4-6 jaar 7-8 jaar 9-10 jaar jaar totaal Aantal kinderen Jongens/meisjes 83 / / 9 19 / 14 1 / /62 Regulieronderwijs/speciaal basisonderwijs 100 / 8 59 / 9 21 /12 5 / /30 Tabel 2 Vooruitgang ruwe score Movement ABC totale populatie kinderen Tabel 3: Vooruitgang ruwe score Movement ABC voor leeftijdscategorie 4-6 en 7-8 jaar 4-6 jaar (SD) T0 (n=108) Handvaardigheid 4,59 (3,69) Balvaardigheid 3,38 (2,51) Evenwicht 6,03 (3,76) Totaal 14,04 (6,53) *significant bij P < jaar (SD) T1 (n=108) 3,15 (2,71) 2,00 (2,08) 2,87 (2,98) 8,01 (5,47) Verschil Sig. (2 tailed) 1,44 (3,18) 1,38 (2,70) 3,16 (3,15) 6,03 (5,15) 7-8 jaar (SD) T0 (n=68) 0.000* 5,10 (3,21) 0.000* 4,10 (2,56) 0.000* 2,99 (2,77) 0.000* 12,32 (5,52) 7-8 jaar Verschil Sig. (2 (SD) T1 tailed) (n=68) 3,65 (3,22) 2,10 (2,33) 1,10 (1,93) 6,85 (5,14) 1,45 (3,07) 2,00 (2,57) 1,89 (2,40) 5,47 (5,27) Tabel 4: Vooruitgang ruwe score Movement ABC voor leeftijdscategorie 9-10 en jaar Handvaardigheid 6,94 (3,86) Balvaardigheid 3,32 (2,97) Evenwicht 4,33 (2,45) Totaal 14,59 (6,63) *significant bij P < 0.05 Totale populatie (SD) (n=215) T Verschil Sig. (2 jaar (SD) jaar (SD) tailed) T0 (n=33) T1 (n=33) 5,58 (4,46) 1,88 (2,53) 2,14 (2,00) 9,59 (6,40) 1,36 (4,14) 1,44 (2,60) 2,19 (2,21) 5,00 (5,14) Totale populatie (SD) (n=215) T jaar (SD) jaar (SD) T0 T1 (n=6) (n=6) ,42 (3,25) 0.003* 3,00 (2,43) 0.000* 4,33 (3, 01) 0.000* 17,75 (6,11) Verschil 6,92 (2,75) 1,75 (1,41) 2,25 (1,75) 10,92 (3,46) Sig. (2-tailed) Handvaardigheid 5,27 (3,73) 3,79 (3,3) 1,48 (3,30) 0.000* Balvaardigheid 3,59 (2,60) 2,01 (2,21) 1,58 (2,63) 0.000* Evenwicht 4,76 (3,52) 2,18 (2,62) 2,58 (2,87) 0.000* Totaal 13,68 (6,29) 7,96 (5,54) 5,72 (5,16) 0.000* Totaal percentiel 11,24 (14,63) 29,92 (25,96) 18,68 (22,01) 0.000* *significant bij P < * 0.000* 0.000* 0.000* Verschil Sig. (2 tailed) 3,50 (2,90) 1,25 (2,36) 2,08 (4,31) 6,83 (4,79) 0.032* * van de gepaarde T-Test onderzocht of de kinderen vooruit zijn gegaan op de ruwe score van de Movement ABC. Dit is zowel voor de totale populatie kinderen onderzocht als per leeftijdscategorie. Daarnaast wordt onderzocht hoeveel kinderen van categorie zijn gewisseld zoals beschreven in de Movement ABC ( <5e percentiel, 5e -15e percentiel, >15e percentiel). Als laatst wordt onderzocht of er per leeftijdscategorie een vooruitgang is op de totale percentielscore. Voor de verschillende analyses is gebruik gemaakt van het statistiek programma SPSS 17. Resultaten In totaal hebben 45 kinderoefentherapeuten uit Nederland zich opgegeven om deel te nemen aan dit onderzoek. Vijfentwintig kinderoefentherapeuten hebben in de periode van april 2009 tot januari 2010 ook daadwerkelijk gegevens van kinderen ingestuurd. Van 277 kinderen zijn de gegevens via de mail of per post door de projectleider ontvangen. Hiervan voldeden 62 kinderen niet aan de gestelde in- en exclusiecriteria, waardoor het totale aantal kinderen op 215 kinderen kwam. Tabel 5: verschuivingen motorische categorieën per leeftijdsgroep Tabel 6: Vooruitgang gemiddelde percentielscores per leeftijdscategorie 4-6 jaar (n=108) 7-8 jaar (n=68) 9-10 jaar (n=33) jaar (n=6) Totaal (n=215) *significant bij P < (T0) 5-15 (T0) Percentielscore (SD) T0 11,27 (13,58) 12,46 (15,33) 10,03 (17,47) 3,67 (4,08) 11,24 (14,63) >15 (T0) Percentielscore (SD) T1 30,21 (25,87) 33,00 (25,24) 25,94 (28,55) 11,83 (11,74) 29,92 (25,96) 0-5 (T1) Verschil (SD) 18,94 (22,77) 20,54 (20,86) 15,91 (23,35) 8,16 (8,50) 18,68 (22,01) 5-15 (T1) Sig. (2 tailed) 0.000* 0.000* 0.000* * >15 (T1) 4-6 jaar (n=108) Handvaardigheid Balvaardigheid Evenwicht Totaalscore jaar (n=68) Handvaardigheid Balvaardigheid Evenwicht Totaalscore jaar (n=33) Handvaardigheid Balvaardigheid Evenwicht Totaalscore jaar (n=6) Handvaardigheid Balvaardigheid Evenwicht Totaalscore De populatie kinderen bestond uit 153 jongens en 62 meisjes. In totaal zaten 185 kinderen op het regulier basisonderwijs en 30 kinderen op het speciaal basisonderwijs. In tabel 1 staan de patiëntkenmerken per leeftijdscategorie van de Movement ABC weergegeven. Motorische vooruitgang op de ruwe score van de totale populatie Door middel van de gepaarde T-test is de vooruitgang op de ruwe score van de Movement ABC tussen het eerste (T0) en tweede (T1) meetmoment met elkaar vergeleken bij de totale populatie kinderen. De kinderen bleken significant vooruit te zijn gegaan op de totaalscore van de Movement ABC (p=0.000). Ook wanneer er onderscheid wordt gemaakt naar de domeinen handvaardigheid (p=0.000), balvaardigheid (p=0.000) en evenwicht (p=0.000) is de totale populatie kinderen significant vooruitgegaan. (zie tabel 2) Motorische vooruitgang op de ruwe score naar leeftijdscategorie Vervolgens is de totale populatie kinderen verdeeld over de vier leeftijdscategorieën van de Movement ABC. Door middel van de gepaarde T-test is onderzocht of de kinderen per leeftijdcategorie vooruit zijn gegaan tussen T0 en T1 op de Movement ABC. Voor alle leeftijdscategorieën werd een significante verbetering gevonden op de totaalscore van de Movement ABC. Wanneer werd gekeken naar de afzonderlijke motorische domeinen was er een significante verbetering op het domein handvaardigheid (p=0.000), balvaardigheid (p=0.000) en evenwicht (p=0.000) bij de kinderen in de leeftijdscategorie 4-6 jaar en 7-8 jaar (zie tabel 3). Bij de kinderen in de leeftijdscategorie 9-10 jaar werd geen significante vooruitgang gevonden op het domein handvaardigheid (p=0.068). Wel was er een significante vooruitgang op de domeinen balvaardigheid (p=0.003) en evenwicht (p=0.000). Bij de kinderen in de leeftijdscategorie jaar was er een significante vooruitgang op het domein van handvaardigheid (p=0.032), maar niet voor de domeinen balvaardigheid (p=0.251) en evenwicht (p=0.289) (zie tabel 4). Verandering van motorisch niveau per leeftijdscategorie Om te kunnen bepalen of de kinderen ook klinisch vooruit zijn gegaan, is onderzocht of er verschuivingen tussen de motorische categorieën hebben plaatsgevonden. Bij elke leeftijdscategorie is het aantal kinderen met een score onder het 5e percentiel afgenomen na het krijgen van kinderoefentherapie. Voor de leeftijdsgroepen 4-6 jaar, 7-8 jaar en 9-10 jaar geldt dit ook voor de kinderen met een score tussen het 5e en 15e percentiel bij de T0-meting. Bij de leeftijdsgroep jaar is het aantal kinderen in deze categorie gelijk gebleven. Het aantal kinderen dat een score heeft boven het 15e percentiel is bij alle leeftijdsgroepen gestegen (zie tabel 5). Vooruitgang percentielscores per leeftijdscategorie Om inzicht te krijgen in de vooruitgang van de percentielscores is gebruik gemaakt van de gepaarde T-test. De totale populatie kinderen is significant vooruit gegaan (p=0.000). Wanneer onderscheid wordt gemaakt naar leeftijdscategorieën hebben de leeftijdscategorie 4-6 jaar, 7-8 jaar en 9-10 jaar een significant hogere percentielscore na de interventie kinderoefentherapie (p=0.000). De kinderen in de leeftijdscategorie jaar hebben ook een hogere percentielscore na de interventie kinderoefentherapie, maar dit verschil is niet significant (p=0.065) (zie tabel 6). Discussie Kinderoefentherapie heeft een positief effect op de motorische vaardigheden van kinderen in de basisschoolleeftijd ongeacht de leeftijd van het kind. Wanneer onderscheid wordt gemaakt naar de domeinen handvaardigheid, balvaardigheid en evenwicht is er binnen de leeftijdscategorie 4-6 jaar en 7-8 jaar een significante vooruitgang zichtbaar op de alle drie de domeinen. Binnen de leeftijdscategorie 9-10 jaar wordt geen significante vooruitgang gevonden op het domein handvaardigheid en bij de leeftijdscategorie jaar geen significante vooruitgang op de domeinen balvaardigheid en evenwicht. Er zijn geen andere wetenschappelijke artikelen over het effect van kinderoefentherapie bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Wel is er onderzoek gedaan naar het effect van kinderfysiotherapie bij kinderen met DCD. Zo kregen in het onderzoek van Schoemaker et al. (2003) 13 kinderen met DCD in de leeftijd van zeven tot tien jaar een taakgerichte behandeling van de kinderfysiotherapeut. De kinderen werden bij aanvang, na negen en na achttien weken kinderfysiotherapie gemeten met de Movement ABC. Na negen weken bleken de kinderen niet significant vooruit te zijn gegaan op de Movement ABC. Na achttien weken werd een significante vooruitgang gevonden op de domeinen handvaardigheid (p=0.028) en balvaardigheid (p=0.018), maar niet voor het domein evenwicht (p=0.108). Deze resultaten zijn lastig te vergelijken met de resultaten uit onderhavige studie. De kinderoefentherapeut heeft een andere visie op het stimuleren van de motorische ontwikkeling van kinderen in de basisschoolleeftijd. Daarnaast is binnen deze studie onderscheid gemaakt naar de verschillende leeftijdscategorieën van de Movement ABC. Hierdoor wordt een specifiek beeld gegeven over de motorische vaardigheden van kinderen in de basisschoolleeftijd. De resultaten uit dit onderzoek zijn positief te noemen. Volgens Henderson et al. (2007) kan er gesproken worden van een significant klinische verandering op het moment dat er een vooruitgang is van > 4 12 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

8 punten op de Movement ABC 10. Binnen dit onderzoek laten de leeftijdscategorieën een vooruitgang op de Movement ABC zien tussen de 5,00 en 6,83. De klinische vooruitgang is tevens zichtbaar in de verandering van de percentielscores. De leeftijdscategorieën 4-6 jaar, 7-8 jaar en 9-10 jaar hadden bij de T0-meting een gemiddelde percentielscore die viel binnen de motorische categorie grensgebied van bewegingsproblemen. Na de interventie vallen de scores van alle drie de leeftijdsgroepen in de motorische categorie leeftijdsadequate motoriek. De kinderen in de leeftijdscategorie jaar hadden een gemiddelde percentielscore in de categorie indicatie van bewegingsproblemen. Deze groep kreeg na de interventie een score in de motorische categorie grensgebied van bewegingsproblemen. Binnen deze studie is er gewerkt met een grote onderzoekspopulatie waardoor er een duidelijk overzicht kan worden gegeven van de motorische vaardigheden van kinderen met een motorische hulpvraag in de basisschoolleeftijd. Een groot aantal kinderoefentherapeuten heeft zich via de mail opgegeven om aan het onderzoek deel te nemen. Deze kinderoefentherapeuten waren verdeeld over heel Nederland. De resultaten zijn hierdoor meer generaliseerbaar naar de volledige populatie kinderen met een motorische hulpvraag in de basisschoolleeftijd in Nederland. Er is door de onderzoekers geen invloed uitgeoefend op de wijze van behandelen, waardoor iedere kinderoefentherapeut zijn eigen keuzes met betrekking tot het behandelproces kon maken. Hierdoor bestaat het gevaar dat er op verschillende manieren behandeld is door de kinderoefentherapeuten in het land. Echter, alle deelnemende kinderoefentherapeuten hebben dezelfde 1,5- jarige opleiding Kinderoefentherapie gevolgd in Utrecht. Hierin komen de visie en wijze van werken als kinderoefentherapeut prominent aan bod. De kinderoefentherapeuten hebben een groot aantal gegevens aan de projectleider doorgegeven. Hierdoor zijn de resultaten uit dit onderzoek betrouwbaar te noemen. In totaal voldeden 215 kinderen aan de gestelde in- en exclusiecriteria. Hiervan hadden 86 kinderen minder dan achttien behandelingen kinderoefentherapie nodig om, volgens de kinderoefentherapeut, weer leeftijdsadequaat te kunnen bewegen. Omdat deze studie een beeld wil geven over de invloed van kinderoefentherapie op de motorische vaardigheden is, ondanks de verschillen in behandelduur, besloten om deze kinderen te laten deelnemen aan het onderzoek. Opvallend is dat bij de kinderen in leeftijdscategorie jaar geen significante vooruitgang kan worden aangetoond voor zowel de ruwe totaalscore als de percentielscore, ondanks het feit dat de groep wel vooruit is gegaan. Een mogelijke oorzaak is het lage aantal kinderen (n=6) in deze leeftijdcategorie, waardoor een significante vooruitgang lastig aan te tonen is. Een andere reden kan zijn dat kinderen in deze Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag? Ook de kinderoefentherapie kan geschaard worden onder de taakgerichte behandelmethoden. leeftijd een hulpvraag hebben die gericht is op de schrijfvaardigheden. Hierdoor heeft de kinderoefentherapeut zich tijdens de behandeling mogelijk vooral gericht op de handvaardigheid bij deze kinderen. Voor dit domein is namelijk wel een significante vooruitgang gemeten. Binnen deze studie is gebruik gemaakt van de Movement ABC om de motoriek van het kind te objectiveren. Dit meetinstrument geeft een goed beeld van kwantitatieve scores. Naast de kwantiteit van bewegen hecht de kinderoefentherapeut waarde aan de kwaliteit van het bewegen. De kwaliteit van bewegen wordt door de Movement ABC niet geobjectiveerd en kon in dit onderzoek dus niet worden meegenomen. Het zou voor de beroepsgroep interessant zijn om te zien of er ook een verbetering op de kwaliteit van bewegen plaatsvindt na een interventie kinderoefentherapie. Dit onderzoek heeft een eerste stap gezet naar het in kaart brengen van de invloed van kinderoefentherapie op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag in de basisschoolleeftijd. Vervolgonderzoek zou zich moeten richten op effect van kinderoefentherapie door naast een interventiegroep een controlegroep te formeren die geen therapie krijgt. Op die manier kan daadwerkelijk het effect van kinderoefentherapie worden aangetoond. Dankwoord Deze studie is mogelijk gemaakt door het Vormingsfonds Oefentherapie Cesar. Daarnaast dank aan alle deelnemende kinderoefentherapeuten voor het verzamelen en bijhouden van de gegevens. Extra dank gaat uit naar Nienke Smorenburg voor het structuren en invoeren van alle data. Literatuurlijst 1 American Psychiatric Association. Diagnostic and statistical manual of mental disorders 4th edition. Washington DC: American Psychiatric Association; Geuze RH, Jongmans MJ, Schoemaker MM, Smits-Engelsman BCM. Clinical and research diagnostic criteria for developmental coordination disorder: a review and discussion. Human Movement Science 2001;20: Sugden DA, Dunford C. Intervention and the role of theory, empiricism and experience in children with motor impairment. Disability and Rehabilitation 2007;29(1): Barnhart RC, Davenport MJ, Epps SB, Nordquist VM. Developmental Coordination Disorder. Physical Therapy 2003;83: Polatajko HJ, Cantin N. Developmental Coordination Disorder (Dyspraxia): An Overview of the State of the Art. Seminars in Pediatric Neurology 2006;12: Sugden DA. Current approached to intervention in children with Developmental Coordination Disorder. Developmental Medicine & Child Neurology 2007;49: Niemeijer AS, Smits-Engelsman BCM, Schoemaker MM. Neuromotor task training for children with developmental coordination disorder: a controlled trail. Developmental Medicine & Child Neurology 2007;49: Miller LT, Polatajko HJ, Missiuna C, Mandich AD, Macnab JJ. A pilot trail of a cognitive treatment for children with developmental coordination disorder. Human Movement Science 2001;20: Schoemaker MM, Niemeijer AS, Reynders K, Smits-Engelsman BCM. Effectiveness of Neuromotor Task Training for Children with Developmental Coordination Disorder. Neural Plasticy 2003;10(1-2): Henderson SE, Sugden DA. Handleiding Movement Assessment Battery for Children.: Swets test publishers; Chow SM, Henderson SE. Interrater and test-retest reliability of the Movement Assessment Battery for Chinese preschool Children. American Journal for Occupational Therapy 2003;57 ( 5): Smits-Engelsman BCM, Henderson SE, Michels CGJ. The assessment of children with Developmental Coordination Disorder in the Netherlands: The relationship between the Movement Assessment Battery for Children and the Korperkoordinations Test fur Kinder. Human Movement Science 1998;17: Schoemaker MM, Niemeijer AS, Reynders K, Smits-Engelsman BCM. Effectiveness of neuromotor task training for children with developmental coordination disorder: a pilot study. Neural Plasticity 2003;10(1-2): Oefentherapeuten noorderbad Auteur: Annemiek Uneken Wat was de aanleiding om mee te doen? Wij doen elk jaar een patiënttevredenheidsonderzoek. We waren net aan het nadenken over de enquête van dit jaar, toen deze pilot door onze beroepsvereniging werd aangekondigd. We konden zo instappen. Hoe hebben jullie het ervaren? We dachten dat het heel veel tijd zou kosten, maar dat viel reuze mee. Er hebben 80 mensen meegedaan. Wij verzamelden hun mailadressen en gaven die door aan ARGO. ARGO heeft de internetenquête uitgezet. Daar hoefden wij niets voor te doen. Zij hebben de gegevens verwerkt en kwamen met een rapport. En nu zijn wij aan zet. Wij moeten aan de slag met het verbeterplan. Zijn de uitkomsten van het rapport herkenbaar? Zitten er eyeopeners tussen? Een deel is herkenbaar, maar er zitten ook nieuwe punten tussen. Punten die je zelf minder belangrijk vindt, of waar je zelf een reden voor hebt om ze niet te doen. Oefeningen op papier bijvoorbeeld. Wij geven oefeningen aan mensen mee, maar doen dat niet standaard op een papiertje. Dat blijken patiënten toch graag te willen. Een aantal verbeterpunten hebben we al opgepakt. Typisch van die dingen die in de drukte van alledag blijven liggen: een nieuw stofje op de stoelen, een likje verf, een losse stoeptegel. Het is goed dat je daar even op gewezen wordt. Maar er zijn ook meer ingewikkelde punten en de vraag is hoe je die op wil pakken. Doen we dat met z n drieën; vinden we ze alle drie even belangrijk, of juist niet? Neem die oefeningen op papier, daar denken we verschillend over. Gaan we dat standaard doen of alleen als mensen erom vragen? Daar zijn we nog niet uit. Ons verbeterplan wordt later deze maand besproken met de NPCF en ARGO. En ook met de andere deelnemers aan de pilot. Alle verbeterplannen liggen dan op tafel en dat is natuurlijk erg leerzaam. Wij zijn erg benieuwd hoe zij het gedaan hebben. Vinden zij andere dingen belangrijk dan wij? Daarna komt de implementatie en natuurlijk het keurmerk zelf. door clienten bekeken Oefentherapie Cesar 't Noorderbad deed mee aan de pilot. ELANN (Eerste Lijns Advies Noord Nederland) vroeg Annemiek Uneken naar de ervaringen van de medewerkers van het Noorderbad. Kun je deelname aanbevelen? Absoluut. Je gaat namelijk uit van de patiënt en niet van jezelf. Het gaat erom wat de patiënt wil. Het is goed te bedenken waarom je dingen doet of niet doet. Je kunt niet meer klakkeloos doen wat jij vindt dat goed is. Als de patiënt het anders wil, moet je dat niet negeren. 14 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

9 Zorg kan altijd beter Het gaat daarbij om de organisatie van de zorg en de wijze waarop de zorg wordt uitgevoerd Oefentherapie Auteur: Nelleke van Ederen In dit artikel wordt achtereenvolgens ingegaan op het begrip patiëntveiligheid, een recent onderzoek naar de incidentie van patiëntonveilige situaties in de eerstelijn en een onderzoek naar de betekenis van patiëntveiligheid in de eerstelijn. Tot slot wordt ingegaan op de verschillende activiteiten, in het bijzonder in het programma Zorg voor Veilig dat door het Netwerk Eerstelijnsorganisaties (de VvOCM is hierbij aangesloten) en de Landelijke Vereniging voor de Geïntegreerde Eerstelijn wordt uitgevoerd. Definitie patiëntveiligheid Een veel gebruikte definitie van patiëntveiligheid luidt: en patientveiligheid Eén van de speerpunten van de huidige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Klink, is (het bevorderen van) patiëntveiligheid. Bij patiëntonveilige situaties denk je niet direct aan oefentherapie. Fouten bij operaties (het verkeerde been amputeren als klassiek voorbeeld) maar ook fouten in het voorschrijven van medicijnen zijn voorbeelden die tot de verbeelding spreken, vrijwel allemaal afkomstig uit de tweede lijn. Toch komen ook in de eerstelijn en daarmee ook bij oefentherapie patiëntonveilige situaties voor. Het (nagenoeg) ontbreken van (de kans op) aan de patiënt toegebrachte schade (lichamelijk/psychisch) die is ontstaan door het niet volgens de professionele standaard handelen van zorgverleners en/ of door tekortkoming van het zorgsysteem. Deze definitie heeft betrekking op twee aspecten. Het gaat om het zorgsysteem, dat wil zeggen de organisatie van de zorg. Een patiëntveilige situatie ontstaat wanneer de organisatie van de zorg goed is. Dat betekent dat er goede dossiervorming is, dat de overdracht van de ene naar de andere zorgvuldig en volledig is, dat de praktijk- en behandelruimte schoon is, geen gladde vloeren enzovoort. Het andere aspect is dat van het professioneel, methodisch handelen. Patiëntveiligheid betekent ook, dat geen diagnose wordt gemist, dat aanvullend onderzoek zorgvuldig wordt verricht, dat behandelingen goed plaatsvinden en dat niet onnodig of zonder resultaat doorbehandeld wordt. In tegenstelling tot de tweede lijn komt ernstige schade, zoals blijvende beperkingen of overlijden in de eerste lijn zelden voor. Zowel in de tweede als in de eerste lijn vinden zorgverleners veilig werken een basisvoorwaarde: natuurlijk werk je veilig! Anders gezegd: niemand werkt bewust onveilig. Dat wil echter niet zeggen, dat er geen onveilige situaties ontstaan. Soms wordt schade of mogelijke schade niet herkend of is schade moeilijk vast te stellen. Onderzoeken naar patiëntveiligheid Op woensdag 9 december 2009 zijn aan het Ministerie van VWS twee rapporten aangeboden. In het eerste rapport, getiteld Patiëntveiligheid in de Nederlandse eerstelijnszorg anno 2009 ( IQ- Healthcare, universiteit van Nijmegen) komen de onderzoekers tot de conclusie dat de Nederlandse eerstelijnszorg veilig is. De kans op schade door toedoen van een zorgverlener in de eerstelijn is klein, zeker de kans op blijvende schade of overlijden. Eén van de andere uitkomsten van het onderzoek is dat een substantieel deel van de incidenten betrekking had op diagnostiek, behandeling of monitoring. Als voorbeeld wordt een probleem in diagnostiek genoemd, dat een inadequate behandeling en het onterecht aanhouden van een afwachtend beleid tot gevolg had. Het andere onderzoek, uitgevoerd door het Instituut voor Beleid en Management in de Gezondheidszorg (IBMG) (Erasmusuniversiteit Rotterdam) was getiteld: Vragen voor veiligheid. De betekenis van patiëntveiligheid in de eerste lijn. Dit onderzoek was ingegeven door vragen van zorgverleners in de eerste lijn. Zorgverleners relateren het begrip patiëntveiligheid niet aan hun eigen praktijksituatie. Schade of mogelijke schade wordt niet herkend en wat de schade precies inhoudt is ook moeilijk voor te stellen. Natuurlijk is het vervelend voor de patiënt als hij een keer extra moet komen omdat het een onderzoek niet goed is uitgevoerd, maar een zorgverlener ziet dat niet als een incident als het gaat om patiëntveiligheid. De onderzoekers geven aan, dat het van belang is niet alleen te focussen op incidenten. Incidenten leiden vaak tot meer regels, procedures en protocollen. Dat leidt zeker tot verbetering van kwaliteit. Het is echter ook belangrijk dat zorgverleners zich bewust zijn van hun werkwijze en daarbij voortdurend proberen te verbeteren met het oog op patiëntveiligheid. Mogelijke risico s moeten bespreekbaar zijn in bestaande overlegvormen. Wat betekent het project patiëntveiligheid voor de oefentherapie? In recente Nieuwsbrieven zijn de leden van de VvOCM geïnformeerd over het project patiëntveiligheid, waar de VvOCM aan deelneemt. Op 20 oktober 2009 hebben alle eerstelijnsorganisaties, waaronder de VvOCM, een bestuurlijk convenant met VWS ondertekend, waarin zij aangeven dat zij het onderwerp patiëntveiligheid onderdeel laten uitmaken van het beleid. Ook zal een procedure worden ontwikkeld waarbij incidenten veilig kunnen worden gemeld. Dit zal bijvoorbeeld gebeuren in een nationale meldweek voor alle zorgverleners in de eerste lijn in De VvOCM is daarbij betrokken. De VvOCM is daarnaast betrokken bij het project Zorg voor Veilig, waarbij voor zorgverleners diverse hulpmiddelen worden ontwikkeld en aangereikt om patiëntveilig(er) te kunnen werken. Een voorbeeld daarvan is informatie aan patiënten. Veilige zorg betekent namelijk ook dat een patiënt volledige informatie geeft of dat hij aangeeft wanneer een behandeling niet volgens afspraak verloopt. Ook zal via een website informatie beschikbaar komen, bijvoorbeeld over een veilige praktijk/werkplek. Binnen de VvOCM zal regelmatig aandacht worden besteed aan het onderwerp. Relatie met andere onderdelen van het kwaliteitsbeleid Zorg kan altijd beter. Het gaat daarbij om de organisatie van de zorg en de wijze waarop de zorg wordt uitgevoerd. De komende jaren wordt van oefentherapie steeds meer verwacht ( door overheid, verzekeraars, maar vooral patiënten) dat de zorg transparant is. Wat doet een oefentherapeut, hoe zit de behandeling in elkaar, wat kan ik van een oefentherapeut verwachten, zijn vragen die steeds vaker gesteld worden en waar een duidelijk en helder antwoord op moet komen. Bij de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren en het certificatieschema van de Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector (HKZ) wordt patiëntveiligheid een item. Ook denkt de VvOCM na over het ontwikkelen van een module patiëntveiligheid voor de Intercollegiaal Overleggroepen. Conclusie Patiënten van oefentherapeuten bevinden zich over het algemeen niet in risicovolle situaties. Dat betekent echter niet dat dit onderwerp geen aandacht verdient van oefentherapeuten. Zorg kan altijd beter en ook veiliger. Bewustwording, maar vooral ook integratie van veiligheid in het professionele handelen en de organisatie van werk, is daarbij van belang. De VvOCM probeert daarbij het onderwerp zoveel mogelijk te integreren in het bestaande kwaliteitsbeleid en de te ontwikkelen instrumenten. 16 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

10 Het meten van angst om te vallen met de Falls Efficacy Scale-International (FES-I) Achtergrond en psychometrische kenmerken G.I.J.M. Kempen, G.A.R. Zijlstra, J.C.M. van Haastregt a Deze samenvatting is eerder gepubliceerd in het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie jaargang 38, nummer and Angst om te vallen (of valangst) komt vaak voor bij ouderen. Buitenlands onderzoek heeft laten zien dat de prevalentie van valangst bij ouderen varieert van 20% tot 60%.1-18 Valangst kan vooral een probleem worden als het leidt tot (onnodig) vermijden van lichamelijke en sociale activiteiten. Studies laten zien dat vermijding van activiteiten als gevolg van valangst bij ouderen veel voorkomt. De schattingen hiervan lopen uiteen van 15% tot 55%. 1,2,6,8,9,14 Recent Nederlands onderzoek onder 4197 zelfstandig wonende ouderen van 70 jaar en ouder bevestigt deze buitenlandse bevindingen19: 5% rapporteert zeer vaak, 10% rapporteert vaak en 37% rapporteert soms bang te zijn om te vallen. Voor het vermijden van activiteiten als gevolg van valangst bedragen de percentages respectievelijk 5%, 10% en 24%. Er zijn verschillende methoden ontwikkeld om valangst bij ouderen te meten. Ten behoeve van prevalentie studies is valangst vaak met slechts één vraag bepaald die veelal met ja of nee wordt beantwoord. 4,11,20-21 De vraag luidt dan bijvoorbeeld Bent u bezorgd om te vallen? Er bleek echter behoefte te zijn aan meer gedifferentieerde meetinstrumenten waarmee: a) gradaties in het niveau van valangst vastgesteld kunnen worden; b) de typen activiteiten die valangst oproepen vastgesteld kunnen worden; en c) veranderingen in valangst door de tijd gemeten kunnen worden. Het eerste en verreweg meeste bekende instrument dat om deze redenen ontwikkeld werd is de Falls Efficacy Scale (FES). 7 De FES bepaalt hoeveel vertrouwen (of competentie) ouderen hebben om bepaalde activiteiten te kunnen uitvoeren zonder daarbij te vallen. Hoewel de The assessment of fear of falling with the Falls Efficacy Scale-International (FES-I). Development and psychometric properties in Dutch elderly. Fear of falling is common in older persons. Different methods have been developed to assess fear of falling. The most well-know measure is the 10-item Falls Efficacy Scale (FES). However, the FES items (a) focus on low functioning older persons and particularly on in-home activities, (b) do not comprise social activities, and (c) were developed from a US perspective so that translation in European languages is hampered. To solve these issues, the 16-item Falls Efficacy Scale-International (FES-I) was recently developed within the Prevention of Falls Network Europe (ProFaNE). In this article, the Dutch version of the FES-I is presented and the psychometric properties in 213 Dutch persons aged 70 years of age and over are described. The FES-I showed to be unidimensional and internally consistent; the Cronbach alpha coefficient was The 4 week test-retest intra-class correlation coefficient was The associations of the FES-I sumscores with age, gender, falls history and overall fear of falling was as expected, indicating construct validity. In addition, the FES-I discriminated in the same extent as the original 10-item FES scale. We conclude that the FES-I showed acceptable reliability and construct validity and may be useful in cross-national research. Future studies should focus on the sensitivity to change of FES-I. Tijdschr Gerontol Geriatr 2007; 38: psychometrische eigenschappen van de FES goed bleken te zijn, ook voor de Nederlandse versie, 22 lijkt de FES op een aantal punten te verbeteren te zijn. 23 Allereerst bevat de FES voornamelijk basale activiteiten van het dagelijks leven die over het algemeen binnenshuis worden uitgevoerd. Daarmee kan de FES wel discrimineren binnen de groep functioneel beperkte ouderen, maar veel minder goed binnen de algemene populatie ouderen. 23 Weliswaar zijn er verschillende pogingen ondernomen om dit probleem op te lossen door bijvoorbeeld vragen toe te voegen aan de oorspronkelijke FES of nieuwe instrumenten te ontwikkelen zoals de SAFFE en ABC 9,24-28, maar geen van alle zijn vanuit psychometrisch oogpunt zo adequaat en uitvoerig onderzocht als de oorspronkelijke FES. Ten tweede heeft geen van de vragen in de FES (of in de andere instrumenten waaraan hierboven wordt gerefereerd) betrekking op de Samenvatting Angst om te vallen komt frequent voor bij ouderen. In het verleden zijn hiervoor verschillende meetmethoden ontwikkeld. Een bekend en veelgebruikt instrument om angst om te vallen bij ouderen te meten is de Falls Efficacy Scale (FES). De FES blijkt echter (a) met name gericht te zijn op slechter functionerende ouderen en op activiteiten binnenshuis en minder geschikt te zijn voor ouderen uit de algemene populatie, (b) geen betrekking te hebben op sociale activiteiten die verband kunnen houden met valangst, en (c) te zijn ontwikkeld vanuit Amerikaans perspectief waardoor een eenduidige vertaling in verschillende Europese talen wordt bemoeilijkt. Binnen het Prevention of Falls Network Europe (ProFaNE) is de 16-item Falls Efficacy Scale- International (FES-I) ontwikkeld om tegemoet te komen aan deze bezwaren. In dit artikel wordt de Nederlandse versie van de FES-I gepresenteerd en wordt verslag gedaan van de psychometrische kwaliteiten van de FES-I in een Nederlandse steekproef van 213 ouderen van 70 jaar en ouder. De FES-I blijkt unidimensioneel en intern consistent te zijn; de test-hertest betrouwbaarheid is goed. De samenhang met leeftijd, geslacht, valincidenten en bezorgdheid om te vallen wordt zoals verwacht aangetroffen. Het discriminerend vermogen van de FES-I is vergelijkbaar met de oorspronkelijke FES. Geconcludeerd kan worden dat de FES-I een betrouwbaar en valide instrument is om angst om te vallen bij ouderen vast te stellen. Toekomstig onderzoek zal moeten uitwijzen of de FES-I ook gevoeliger is dan de FES voor het vaststellen van veranderingen in angst om te vallen. a Respectievelijk hoogleraar, promovendus en postdoc bij het Care and Public Health Research Institute (CAPHRI), Faculty of Health, Medicine and Life Sciences, Universiteit Maastricht Correspondentie: Prof.dr. G.I.J.M. Kempen, Care and Public Health Research Institute, Universiteit Maastricht, Postbus 616, 6200 MD Maastricht. unimaas.nl. Trefwoorden: angst, vallen, ouderen, psychometrie, FES-I Valangst kan vooral een probleem worden als het leidt tot (onnodig) vermijden van lichamelijke en sociale activiteiten invloed van valangst op sociale aspecten van het dagelijks leven van ouderen. 24 De angst voor de sociale gevolgen van vallen, zoals schaamte, blijkt nagenoeg evenveel voor te komen als de angst voor de fysieke gevolgen (zoals letsel of fysieke beperkingen), en blijkt een eigenstandig effect te hebben op het vermijden van activiteiten. 17 Het lijkt derhalve van belang ook sociale activiteiten te betrekken in een meetinstrument voor valangst. 23 Ten derde is de FES in Amerika en dus in het Amerikaans ontwikkeld waardoor een eenduidige vertaling in verschillende Europese talen wordt bemoeilijkt. Een kritische beschouwing van de tien FES-vragen vanuit verschillende talen, culturen en omstandigheden kan de toepassing van de FES verbreden. 29,30 Het meten van angst om te vallen met de Falls Efficacy Scale-International (FES-I). Achtergrond en psychometrische kenmerken. 205 Deze drie argumenten zijn aanleiding geweest om de oorspronkelijke FES aan te passen en meer geschikt te maken voor toepassing in verschillende ouderenpopulaties en verschillende landen. Hiertoe is de Falls Efficacy Scale- International (FES-I) ontwikkeld.in dit artikel wordt de Nederlandse versie van de FES-I gepresenteerd en wordt verslag gedaan van de psychometrische kwaliteiten (betrouwbaarheid, constructvaliditeit, discriminerend vermogen) van de FES-I in een Nederlandse steekproef van 213 ouderen van 70 jaar en ouder. Ontwikkeling van de Falls Efficacy Scale-International (FES-I) De FES-I is ontwikkeld gedurende een drietal bijeenkomsten van leden van ProFaNE (Prevention of Falls Network Europe; eu.org), een door de Europese Unie gefinancierd netwerk van Europese experts op het terrein van valpreventie bij ouderen. 31 Deze leden waren afkomstig uit Engeland, Denemarken, Duitsland, Nederland en Zwitserland. Gedurende de bijeenkomsten zijn de vragen uit de oorspronkelijk FES kritisch besproken voor wat betreft bruikbaarheid in en vertaling naar de eigen culturele context. Besloten is de tien oorspronkelijke vragen uit de FES te handhaven vanwege de grote bekendheid en het intensieve gebruik van de FES. Vragen die niet zonder meer in verschillende talen vertaalbaar bleken zijn enigszins aangepast op basis van deze bespreking. Vervolgens zijn vragen toegevoegd die betrekking hebben op meer complexe en/of sociale activiteiten. Tevens werd een meer evenwichtige verdeling tussen activiteiten binnenshuis en buitenshuis beoogd. De toegevoegde vragen zijn afkomstig uit andere meetinstrumenten (zoals SAFFE 24 en ABC 9 ) of zijn geformuleerd op basis van de expertise van de leden van ProFaNE. Dit resulteerde in de Engelstalige versie van de FES-I die bestaat uit zestien vragen: tien 18 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

11 Het meten van angst om te vallen met de Falls Efficacy Scale-International (FES-I). Achtergrond en psychometrische kenmerken enigszins aangepaste vragen uit de oorspronkelijke FES (vraag een tot en met tien) en zes toegevoegde vragen (vraag elf tot en met zestien). Naast de zestien vragen is eveneens consensus bereikt over de inleidende instructie voor ouderen bij het invullen van de vragenlijst (uniformiteit hierin voor de FES ontbrak), over eenduidige antwoordmogelijkheden en een eenduidige stijl voor afname (lettertype Times New Roman grootte 14 en het gebruik van aankruishokjes). Vervolgens is de FES-I naar het Nederlands vertaald overeenkomstig een gestructureerd protocol dat binnen ProFaNE is vastgesteld. Hiertoe is de Engelstalige FES-I (inleiding, vragen, antwoordmogelijkheden) door drie personen (auteurs GIJMK, JCMvH, GARZ) onafhankelijk van elkaar vanuit het Engels vertaald. In een consensusbijeenkomst zijn verschillen herleid tot een voorlopige versie. Vervolgens heeft elk de voorlopige Nederlandse versie door drie ouderen afzonderlijk laten invullen. Ervaringen met het invullen van de FES-I en eventueel ervaren problemen zijn direct na het invullen met de ouderen doorgesproken ( Waren alle vragen duidelijk?, Waren alle antwoordmogelijkheden duidelijk?, etc). In een tweede consensusbijeenkomst van genoemde auteurs is een volgende versie van de FES-I gecreëerd. Daarna is de FES-I terugvertaald naar het Engels door een tweetalige professionele vertaler met Engels als moedertaal. Aan de hand van deze vertaling, de oorspronkelijke Engelstalige versie en consultatie van laatstgenoemde vertaler is de uiteindelijke Nederlandse versie van de FES-I tot stand gekomen. Inmiddels is de FES-I op dezelfde wijze vanuit het Engels vertaald naar het Braziliaans, Deens, Duits, Fins, Frans, Grieks, Hindi, Noors, Punjabi, Spaans, Urdu, Zweeds en Zwitsers/Frans.De Nederlandse versie van de FES-I wordt beschreven in bijlage 1. Een somscore wordt berekend door de scores op de zestien vragen te sommeren; de minimale somscore bedraagt 16, de maximale bedraagt 64. Het maximum aantal vragen dat voor een persoon mag worden gemist om toch een somscore te berekenen bedraagt vier (25%). Mocht een persoon vier of minder vragen niet hebben ingevuld, dan wordt voor ieder van de missende itemscores het gemiddelde van de bekende itemscores voor die persoon toegekend. Vervolgens wordt de somscore voor de betreffende persoon afgerond. De inhoud van dit artikel is deels eerder gepubliceerd in een artikel over de ontwikkeling van de Engelstalige versie van de FES-I 23 en deels in een artikel waarin FES-I gegevens uit Engeland, Duitsland en Nederland worden vergeleken. 30 Methode Onderzoekspopulatie en meetinstrument In september 2004 is een aselecte steekproef van 300 personen van 70 jaar en ouderen getrokken uit het bevolkingsregister van de gemeente Heerlen. 30 Deze personen hebben naast een begeleidende brief een korte schriftelijke vragenlijst ontvangen waarin naast de FES-I enkele vragen waren opgenomen over geslacht, leeftijd, valincidenten ( Hoe vaak bent u in het afgelopen jaar gevallen? ; antwoordmogelijkheden: helemaal niet, een keer en twee keer of meer ) en bezorgdheid om te vallen ( Hoe bezorgd bent u dat u zult kunnen vallen? ; antwoordmogelijkheden: helemaal niet, een beetje, nogal en heel erg ) De FES bepaalt hoeveel vertrouwen (of competentie) ouderen hebben om bepaalde activiteiten te kunnen uitvoeren zonder daarbij te vallen (T1 meting). Exact vier weken na de eerste meting is opnieuw een schriftelijke vragenlijst met alleen de FES-I verstuurd naar de personen die de eerste vragenlijst hadden geretourneerd (T2 meting). 206 Tijdschr Gerontol Geriatr 2007; 38 Statistische analyse De interne structuur van de FES-I is onderzocht met behulp van principale componenten analyse. De betrouwbaarheid van de FES-I is geanalyseerd aan de hand van interne consistentie op T1 (Cronbachs alfa coëfficiënt), gemiddelde inter-itemcorrelaties op T1, gemiddelde somscores en bijbehorende standaarddeviaties op T1 en T2, en de intraclass correlatiecoëfficiënt (model oneway random ) tussen de FES-I scores op T1 en T2. Vervolgens zijn de gemiddelde itemscores over de vragen een tot en met tien ( grand mean ; oorspronkelijke FES-vragen) vergeleken met de gemiddelde itemscores over de vragen elf tot en met zestien (de toegevoegde vragen over meer complexe en sociale activiteiten). De constructvaliditeit is onderzocht door de FES-I scores voor verschillende subgroepen met elkaar te vergelijken: naar leeftijd (70-79 jaar versus 80+), naar geslacht (mannen versus vrouwen), valincidenten in afgelopen jaar (helemaal niet, een keer, twee keer of meer) en gerapporteerde bezorgdheid om te kunnen vallen (helemaal niet, een beetje, nogal, heel erg). Het discriminerend vermogen (of discriminerende validiteit) van de FES-I in vergelijking met de oorspronkelijke FES (waarbij alleen de tien eerste items voor het berekenen van de somscore werden gebruikt) is onderzocht aan de hand van effect size coëfficiënten. Deze drukken de grootte van een verschil in scores tussen twee groepen deelnemers uit: ze weerspiegelen het verschil in gemiddelde scores van categorieën deelnemers (bijvoorbeeld mannen en vrouwen) gedeeld door de standaarddeviatie die behoort bij de gemiddelde score van deelnemers in beide categorieën ( gepoolde standaarddeviatie). De effect size coëfficiënten werden berekend voor leeftijd (70-79 jaar versus 80+), voor geslacht (mannen versus vrouwen), voor valincidenten (0, 1, >1 incidenten) en bezorgdheid om te vallen (helemaal niet, een beetje, nogal, heel erg). Een coëfficiënt van 0,20 wordt gezien als zwak, een coëfficiënt van 0,50 als middelmatig en een coëfficiënt van 0,80 als sterk. 32 De verwachting is dat de FES-I als gevolg van de aanpassingen beter zal differentiëren dan de FES. Resultaten Respons en achtergrondkenmerken In totaal hebben 213 (71%) personen de eerste vragenlijst teruggestuurd en zijn van 193 personen de FES-I gegevens compleet. Van 179 personen zijn de gegevens uit de tweede vragenlijst compleet. 30 De gemiddelde leeftijd van de 213 deelnemers is 76,6 jaar (standaarddeviatie 5,3); de leeftijd varieert van 70 tot 92 jaar. Het percentage vrouwen bedraagt 61,5%. Van de deelnemers rapporteert 58,3% in het afgelopen jaar niet te zijn gevallen, 28,4% geeft aan eenmaal te zijn gevallen; voor 13,3% van de deelnemers is dat twee keer of meer. Van de deelnemers rapporteert 26,5% helemaal niet bezorgd te zijn om te vallen, 44,1% rapporteert een beetje bezorgd te zijn om te vallen, voor respectievelijk 18,5% en 10,9% is dat nogal en heel erg. Gemiddelde scores FES-I De gemiddelde somscore op de FES-I bedraagt 28,2 (standaarddeviatie 11,4); de minimum en maximum te behalen scores op de FES-I bedragen 16 en 64. In tabel 1 worden de gemiddelde scores met bijbehorende standaarddeviaties per item weergegeven. De drie hoogste gemiddelde scores worden behaald op lopen op een gladde ondergrond (2,7), lopen op oneffen ondergrond (2,5) en op- of aflopen van een helling (2,2). De drie gemiddelde scores van de toegevoegde items die betrekking hebben op sociale activiteiten zijn beduidend lager (1,5), en ook lager dan verschillende oorspronkelijke FES items.de gemiddelde itemscore over de eerste tien vragen van de FES-I (de oorspronkelijke FES vragen) bedraagt 1,6 (niet in tabel opgenomen). De gemiddelde itemscore over de vragen elf tot en met zestien (de toegevoegde, meer complexe activiteiten) bedraagt 2,0. Interne structuur en test-hertest betrouwbaarheid Een principale componenten analyse waarin de zestien items van de FES-I zijn opgenomen levert een percentage verklaarde variantie voor de eerste factor op van 65,7%; voor een tweede factor bedraagt het percentage 7,4%. Alle componentladingen op de eerste factor (ongeroteerd) zijn 0,70 of hoger. De Cronbachs alfa bedraagt 0,96 en de gemiddelde correlatie tussen de zestien items bedraagt 0,64; de minimale correlatiecoëfficiënt is 0,34 en de maximale correlatiecoëfficiënt is 0,85. De gemiddelde FES-I score op T1 (28,2 met standaarddeviatie 11,4) is vrijwel gelijk aan de FES-I score op T2 (28,1 met standaarddeviatie 11,1); voor de test-hertest betrouwbaarheid analyses zijn de gegevens van 193 deelnemers gebruikt. De intra-class correlatiecoëfficiënt bedraagt 0,82 (p< 0,05). Constructvaliditeit Tabel 2 bevat de gemiddelde FES-I scores op T1 naar leeftijd, geslacht, het aantal valincidenten in het afgelopen jaar en de bezorgdheid om te vallen. De oudere deelnemers scoren significant hoger dan de jongere deelnemers; hetzelfde geldt voor de vrouwen in vergelijking met de mannen. Het aantal gerapporteerde valincidenten is significant gerelateerd aan de score op de FES-I: de gemiddelde score loopt op met het aantal valincidenten. Ten slotte is er een dui delijk patroon in de gerapporteerde bezorgdheid om te vallen en de scores op de FES-I: de deelnemers die niet bezorgd zijn om te vallen scoren gemiddeld 18,7 (standaarddeviatie 2,5) (met een theoretisch minimum van 16), de deelnemers die daarentegen heel erg bezorgd zijn om te vallen scoren gemiddeld bijna 50 (standaarddeviatie 10,5) op de FES-I, hetgeen overeenkomt met een gemiddelde itemscore van 3,1. Discriminerend vermogen van FES-I en FES Tabel 3 geeft een overzicht van de effect size coëfficiënten naar leeftijd, geslacht, valincidenten en bezorgdheid om te vallen voor de FES-I en de FES. In alle gevallen zijn deze coëfficiënten hoger voor de FES-I in vergelijking met de FES hoewel de verschillen niet groot zijn. Discussie De Falls Efficacy Scale-International (FES-I) is ontwikkeld om (a) zowel te kunnen differentiëren in angst om te vallen bij ouderen met beperkingen als bij gezonde ouderen, (b) ook de angst voor de sociale gevolgen van vallen mee te nemen bij de meting van de mate van angst om te vallen en (c) de vergelijkbaarheid van gegevens uit verschillende landen en Tabel 1 Gemiddelde scores en standaarddeviaties (sd) van FES-I items (n = 193). gemiddelde sd itemscore Schoonmaken in huis 1,6 0,9 Aan- of uitkleden 1,4 0,7 Klaarmaken van eenvoudige maaltijden 1,3 0,7 Nemen van een bad of douche 2,0 0,9 Doen van boodschappen 1,7 0,9 In of uit een stoel komen 1,4 0,7 Op- of aflopen van een trap 2,0 1,0 Maken van een wandeling in de buurt 1,7 0,9 Reiken naar iets boven het hoofd of naar iets op de grond 1,9 1,0 Beantwoorden van de telefoon 1,4 0,7 Lopen op een gladde ondergrond 2,7 1,0 Bezoeken van vriend(in), kennis of familielid 1,5 0,8 Lopen op een plek waar veel mensen zijn 1,5 0,8 Lopen op oneffen ondergrond 2,5 1,0 Op- of aflopen van een helling 2,2 1,1 Bezoeken van een sociale gelegenheid 1,5 0,9 Tabel 2 Gemiddelde somscores en standaarddeviaties (SD) van de FES-I naar leeftijd, geslacht, valincidenten en bezorgdheid om te vallen en voor de gehele onderzoeksgroep. n gemiddelde somscore SD leeftijd geslacht man vrouw valincidenten in afgelopen jaar bezorgdheid om te vallen geen een twee of meer helemaal niet een beetje nogal heel erg ,7 a 33,0 25,2 a 30,1 26,1 b 28,4 38,5 18,7 b 26,1 36,8 49,6 10,5 13,1 9,7 12,1 10,4 10,2 14,3 2,5 6,4 9,2 10,5 totale groep 193 c 28,2 11,4 a Verschillen naar leeftijd en geslacht zijn getoetst met de Mann-Whitney U-toets, p<.05. b Verschillen naar valincidenten en bezorgdheid om te vallen zijn getoetst met de Kruskal Wallis toets, p<.05. c Van personen ontbreken de scores voor valincidenten en bezorgdheid om te vallen. Tabel 3 Effect size coëfficiënten voor leeftijd, geslacht, valincidenten en bezorgdheid om te vallen voor de FES-I en de FES (n=193) a. FES-I 16 items leeftijd versus 80+ 0,55 0,53 geslacht man versus vrouw 0,43 0,31 valincidenten in afgelopen jaar bezorgdheid om te vallen 0 versus 1 0 versus > 1 1 versus > 1 helemaal niet versus een beetje helemaal niet versus nogal helemaal niet versus heel erg een beetje versus nogal een beetje versus heel erg nogal versus heel erg 0,22 1,03 0,82 1,16 1,69 2,09 1,23 2,01 1,12 FES 10 items 0,21 1,01 0,81 1,08 1,65 2,00 1,22 1,92 0,99 a Effect size coëfficiënten weerspiegelen het verschil in gemiddelde score voor twee categorieën gedeeld door de standaarddeviatie die behoort bij het gemiddelde voor deze twee categorieën. FES-I betreft somscores over de 16 items. FES betreft somscores over de eerste 10. Hogere coëfficiënten impliceren een beter onderscheidend vermogen. Van twee personen ontbreken de scores voor valincidenten en bezorgdheid om te vallen. 20 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

12 Het meten van angst om te vallen met de Falls Efficacy Scale-International (FES-I). Achtergrond en psychometrische kenmerken culturen op dit terrein te bevorderen. De resultaten van deze studie laten zien dat de FES-I een betrouwbaar instrument is, zowel wat betreft de interne consistentie als wat betreft de test-hertest betrouwbaarheid. Er is sprake van homogeniteit van de zestien items.de interne consistentie is hoger dan eerder werd gerapporteerd over de Nederlandse FES. 22 Dit kan deels verklaard worden door het groter aantal items van de FES-I in vergelijking met de FES. Echter ook de gemiddelde interitem correlatie in onderhavig onderzoek (0,64, minimaal 0,34 en maximaal 0,85) is hoger dan eerder over de Nederlandse FES werd gerapporteerd (0,45, minimaal 0,36 en maximaal 0,68). 22 Dit kan er op wijzen dat de FES-I ingekort kan worden waarbij de nieuwe toegevoegde elementen (complexe activiteiten en sociale activiteiten) vanzelfsprekend wel in het instrument vertegenwoordigd moeten blijven (zie naschrift hieronder). Toekomstig (internationaal vergelijkend) onderzoek waarin ook de gevoeligheid voor verandering (responsiviteit) van de FES-I wordt onderzocht kan hierover meer duidelijkheid verschaffen. De constructvaliditeit van de FES-I is acceptabel. Eerder onderzoek heeft laten zien dat valangst samenhangt met leeftijd en geslacht (hogere scores voor oudere personen en vrouwen in vergelijking met jongere personen en mannen) 4,11,22, hetgeen in onderhavig onderzoek wordt bevestigd. Het discriminerend vermogen van de FES-I met betrekking tot leeftijd, geslacht, valincidenten en bezorgdheid om te vallen is vergelijkbaar met die van de FES (berekend aan de hand van de eerste tien items van de FES-I). Daarbij behoort overigens wel te worden opgemerkt dat in de vragenlijst niet nader is gespecificeerd wat onder valincidenten moet worden verstaan. De FES-I is vanuit internationaal, crosscultureel perspectief ontwikkeld en in tegenstelling tot de FES mede bedoeld voor ouderen met hogere niveaus van dagelijks functioneren. De gekozen, cross-nationale werkwijze bij het tot stand brengen van de FES-I draagt bij aan de inhoudsvaliditeit. De mogelijkheden voor crossnationale vergelijkingen worden hiermee bevorderd. Inmiddels zijn vergelijkbare onderzoeken uitgevoerd met de FES-I in Engeland en in Duitsland. 30 De resultaten hiervan zijn vergelijkbaar met de resultaten in Nederland. Hoewel de FES-I recentelijk in verschillende andere Europese talen is vertaald en wordt gebruikt in onderzoek in verschillenden landen, zijn resultaten hieruit nog niet voorhanden. Geconcludeerd kan worden dat de FES-I een betrouwbaar en valide instrument is om angst om te vallen bij ouderen vast te stellen. Toekomstig onderzoek zal moeten uitwijzen of de FES-I ook geschikt is voor het vaststellen van veranderingen in angst om te vallen. Naschrift Inmiddels is er binnen ProFaNE ook een verkorte 7-item versie van de FES-I ontwikkeld en gevalideerd: de Short FES-I.De Short FES-I omvat de vragen 2, 4, 6, 7, 9, 15 en 16 van de complete FES-I. Afhankelijk van het doel kunnen clinici en onderzoekers een keuze maken tussen de FES-I en de Short FES-I.De Nederlandstalige Short FES-I is verkrijgbaar bij de eerste auteur. Dankbetuiging Dit onderzoek maakt deel uit van een project dat werd gesubsidieerd door ZonMw ( ). De ontwikkeling van de Falls Efficacy Scale- International (FES-I) is uitgevoerd in het kader van het Prevention of Falls Network Europe (ProFaNE) dat wordt ondersteund door het vijfde EU kaderprogramma (QLK6-CT ). De auteurs bedanken de ProFaNE leden dr. Nina Beyer, dr. Klaus Hauer, prof. Chantal Piot-Ziegler, prof. Chris Todd en prof. Lucy Yardley voor hun bijdragen in de ontwikkeling van de Falls-Efficacy Scale-International. Literatuur 1 Howland J, Peterson EW, Levin WC, et al. Fear of falling among the communitydwelling elderly. J Aging Health 1993;5: TinettiME, Speechley M, Ginter SF. Risk factors for falls among elderly persons living in the community.n Engl J Med 1988;319: Maki BE, Holliday PJ, Topper AK. Fear of falling and postural performance in the elderly. J Gerontol 1991;46:M Arfken CL, Lach HW, Birge SJ, et al. The prevalence and correlates of fear of falling in elderly persons living in the community.amj Public Health 1994;84: Cumming RG, Salkeld G, Thomas M, et al. Prospective study of the impact of fear of falling on 210 Tijdschr Gerontol Geriatr 2007; 38 activities of daily living, SF-36 scores, and nursing home admission. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2000;55:M Friedman SM, Munoz B,West SK, et al. Falls and fear of falling: which comes first? J AmGeriatr Soc 2002;50: TinettiME, Richman D, Powell L. Falls efficacy as a measure of fear of falling. J Gerontol 1990;45:P Walker JE, Howland J. Falls and fear of falling among elderly persons living in the community: occupational therapy interventions.amj Occup Ther 1991;45: Powell LE, Myers AM. The Activities-specific Balance Confidence (ABC) Scale. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 1995;50a:M Vellas BJ,Wayne SJ, Romero LJ, et al. Fear of falling and restriction of mobility in elderly fallers. Age Ageing 1997;26: Howland J, LachmanME, Peterson EW, et al. Covariates of fear of falling and associated activity curtailment. Gerontologist 1998;38: Drozdick LW, Edelstein BA. Correlates of fear of falling in older adults who have experienced a fall. J Clin Geropsychol 2001;7: Kressig RW,Wolf S L, Sattin RW, et al. Associations of demographic, functional, and behavioral characteristics with activity-related fear of falling among older adults transitioning to frailty. JAm Geriatr Soc 2001;49: Bruce DG, Devine A, Prince RL. Recreational physical activity levels in healthy older women: The importance of fear of falling. JAm Geriatr Soc 2002;50: Li F, McAuley E, Fisher KJ, et al. Self-efficacy as a mediator between fear of falling and functional ability in the elderly. J Aging Health 2002;14: Murphy SL,Williams CS, Gill TM. Characteristics associated with fear of falling and activity restriction in community-living older persons. J Am Geriatr Soc 2002;50: Yardley L, Smith H.A prospective study of the relationship between feared consequences of falling and avoidance of activity in communityliving older people. Gerontol. 2002;42: Fletcher PC, Hirdes JP. Restriction in activity associated with fear of falling among community-based seniors using home care services. Age Ageing 2004;33: Zijlstra GAR, Haastregt JCMvan, Eijk JThM van, Rossum E van, Stalenhoef PA, Kempen GIJM. Prevalence and correlates of fear of falling, and associated avoidance of activity in the general population of community-living older people. Age Ageing 2007; 36: Franzoni S, Rozzini R, Boffelli S et al. Fear of falling in nursing home patients. Gerontology 1994;40: Liddle J, Gilleard C. The emotional consequences of falls for older people and their families. Clin Rehabil 1995;9: Bosscher RJ, Raymakers ERPM, Tromp EAM, Smit JH. Angst om te vallen: psychometrische aspecten van Tinetti s Falls Efficacy Scale. Tijdschr Gerontol Geriatr 2005;36: Yardley L, Beyer N, Hauer K, Kempen GIJM, Piot-Ziegler C, Todd C. Development and initial validation of the Falls Efficacy Scale- International (FES-I). Age Ageing 2005;34: LachmanME, Howland J, Tennstedt S et al. Fear of falling and activity restriction: the survey of activities and fear of falling in the elderly (SAFFE). J Gerontol B Psychol Sci Soc Sci 1998b;53:S Hill KD, Schwarz JA, Kalogeropoulos AJ et al. Fear of falling revisited. Arch Phys Med Rehabil 1996;77: LusardiMM, Smith EV. Development of a scale to assess concern about falling and applications to treatment programs. J Outcome Meas 1997;1: Parry SW, Steen N, Galloway SR et al. Falls and confidence related quality of life outcome measures in an older British cohort. Postgrad Med J 2001;77: Velozo CA, Peterson EW. Developing meaningful fear of falling measures for community dwelling elderly.amj Phys Med Rehabil 2001;80: Sperber AD. Translation and validation of study instruments for cross-cultural research. Gastroenterology 2004;126:S Kempen GIJM, Todd CJ, Haastregt JCMvan, et al. Cross-cultural validation of the Falls Efficacy Scale International (FES-I) in older people. Disabil Rehabil 2007; 29: Skelton DA, Becker C, Lamb SE, et al. Prevention of Falls Network Europe: a thematic network aimed at introducing good practice in effective falls prevention across Europe. Eur J Ageing 2004;1: Cohen J.A power primer. Psychol Bull 1992;112: Rationeel-Emotieve Training (RET) Auteur: Wouter Backx, RET-psycholoog en psychotherapeut Instituut RET Haarlem Dit is een voorbeeld van een typische RETinterventie die verwijst naar een in de RET veel aangehaalde uitspraak van de Griekse filosoof Epictetus, gedaan aan het begin van onze jaartelling: Het zijn niet de dingen die in de wereld gebeuren die ons van slag brengen, maar onze gedachten daarover. in de praktijk van de oefentherapeut Dat niemand mij in die groep aardig vindt maakt mij depressief. Nee, niet het feit dat niemand jou aardig vindt maakt je depressief, maar het feit dat jij eist dat er mensen móeten zijn die jou aardig vinden en dat jij vindt dat jij anders niet aardig bént, maakt jou depressief! Waarom RET voor oefentherapeuten? Het nut van de RET voor hulpverleners is gelegen in de mogelijkheid om in korte tijd psychische problemen te analyseren om vervolgens op grond daarvan al enige interventies te doen. De RET maakt gebruik van directieve interventies, die effectief en efficiënt blijken te zijn. Daarnaast biedt het de oefentherapeut een alternatieve gesprekstechniek om te gebruiken tijdens de behandeling. Anders dan de gebruikelijke non-directieve benadering (cliëntgerichte of Rogeriaanse gesprekstechniek), richt de RET zich niet op het volledig en onvoorwaardelijk volgen van de patiënt in zijn klachtenreeks. De RET confronteert de cliënt en stelt houdingen en gedachten van de cliënt ter discussie. Belangrijk is om de cliënt zoveel mogelijk zelf zijn verantwoording te laten nemen voor zijn psychische reageren op negatieve gebeurtenissen. De hulpverlener kan laten zien dat het ongezonde deel van de reactie van de cliënt op een gebeurtenis onder invloed staat van een zekere gedachte of houding die niet klopt en die we daarom irrationeel noemen. Deze irrationele gedachte of houding kan de cliënt leren te veranderen, waarna een gezondere reactie op de negatieve gebeurtenis mogelijk wordt. Wanneer de hulpverlener deze techniek enigszins kan toepassen, zal dat veel energie kunnen besparen tijdens de behandeling, 22 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

13 Denken, voelen en doen De schoudergordel is, met uitzondering van het sternoclaviculair gewricht, alleen via spieren verbonden met de thorax zijn met elkaar verweven en hebben een belangrijke invloed op pijn en vitaliteit omdat het eindeloze volgen van de patiënt in z n klachten daardoor wordt beperkt. Verder blijkt dat hulpverleners de RET ook succesvol op zichzelf kunnen toepassen, wat vooral z n nut heeft bewezen als middel tegen stress en burn-out van de hulpverlener zelf. Waar komt RET vandaan? RET is een cognitieve gedragstherapie die in 1955 ontwikkeld is door de Amerikaanse psycholoog Albert Ellis ( ). Anno 2009 heeft de cognitieve gedragstherapie (CGT) een stevige plaats verworven naast andere vormen van psychotherapie. Goed en uitgebreid wetenschappelijk onderzoek heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd; men spreekt van evidence based. Uitgangspunten Het uitgangspunt van de RET is dat ons denken een belangrijke rol speelt in wat we doen en hoe we ons voelen. Als iemand problemen ervaart in gedrag of gevoel, kan gekeken worden welke gedachten daaraan ten grondslag liggen. Als het gedrag of gevoel gestoord is, dan is het denken dat ook. Correcties in het denken leiden dan tot verandering in wat men doet en hoe men zich voelt. Vaak is een cliënt zich niet bewust van de storende gedachten, die ook wel irrationele gedachten worden genoemd. De bewustwording van deze gedachten op zich helpt al om het probleem de baas te worden, maar is pas de eerste stap. Vervolgens wordt de cliënt geholpen een discussie met zich zelf aan te gaan over die gedachten. Dit houdt in dat de cliënt vragen worden gesteld die de onhoudbaarheid van de irrationele gedachten laten zien. Daarna worden naar aanleiding van die discussie nieuwe, effectievere gedachten gezocht, die de cliënt kan gebruiken in plaats van de aanwezige storende gedachten. Deze nieuwe gedachten leiden dan tot productiever gedrag en minder storende emoties. Samen met deze cognitieve aanpak worden de principes van de klassieke gedragstherapie toegepast: datgene wat als ongewenste reacties in gevoel en gedrag is aangeleerd, kan ook weer worden afgeleerd, maar dat lukt meestal pas goed na veel oefenen. Een voorbeeld Als iemand bij het verlies van een voor hem belangrijke persoon depressief wordt, kan de daarbij horende storende gedachte de volgende zijn: Deze persoon had niet uit mijn leven mogen verdwijnen en nu dat wel zo is, kan ik niet meer van het leven genieten. Deze gedachte is vaak impliciet aanwezig in de houding van de cliënt (zonder dat hij of zij zich dat realiseert) en wordt dan door de hulpverlener expliciet gemaakt. Als dat is gelukt, voelt de cliënt als het ware dat hij door zo te denken zichzelf depressief maakt. Na een discussie over wat er niet klopt aan deze gedachte, kunnen cliënt en hulpverlener samen een nieuwe gedachte formuleren: Hoe rot ik het ook vind, die persoon moest blijkbaar overlijden en die zal ik helaas moeten missen. Toch kan ik nog steeds genieten van leuke dingen in het leven, maar misschien tijdelijk minder. Alleen hoef ik het niet erger te maken door niet te accepteren hoe de werkelijkheid nu eenmaal is. Het zal duidelijk zijn dat deze laatste gedachte niet gemakkelijk tot depressieve gevoelens leidt en de eerste wel. Let erop hoe deze laatste gedachte wél alle ruimte laat voor verdriet. Verdriet kan in dit verband als een gezonde en heel adequate reactie van de cliënt worden beschouwd op het verlies. Fouten in ons denken De RET beschouwt alleen bepaalde fouten in het denken als oorzaak voor het ontstaan van ongezonde gevoelens en disfunctioneel gedrag. De RET confronteert de cliënt en stelt houdingen en gedachten van de cliënt ter discussie Een voorbeeld maakt dit duidelijk: Stel ik denk dat niemand mij aardig vindt in een groep en voel mij daar down onder. Volgens de RET is die gedachte niet de reden dat ik down ben en die wordt dan ook niet irrationeel genoemd. Het kan immers waar zijn, dat niemand mij aardig vindt, hoewel de kans dat echt niemand mij aardig vindt niet erg groot is. Gezonde tegenover ongezonde reacties Wat de RET wil weten is hoe iemand down wordt of zich minder voelt, als hij meent dat niemand hem aardig vindt in een groep. Down zijn is zeker niet de enig mogelijke reactie, want iemand kan ook reageren met teleurgesteld of verdrietig zijn, hetgeen als een gezonde reactie kan worden gezien. Het is nu van belang om het onderscheid te maken tussen gevoelens van down zijn en minderwaardigheid, die schadelijk zijn voor het individu, en aan de andere kant gevoelens van teleurstelling en verdriet, die weliswaar niet prettig zijn, maar die geen schade berokkenen en gezond en constructief zijn. Wat leidt nu tot het één en wat tot het ander? Eisende gedachten Het antwoord van de RET op die vraag is dat de gedachten die tot ongezonde gevoelens leiden bijna altijd een eis, ofwel een moeten bevatten. Het is de druk die iemand opbouwt met behulp van dat moeten die psychische schade berokkent: depressiviteit, woede, angsten, schaamte en schuldgevoelens zijn het gevolg. Eisende gedachten leiden ook tot disfunctioneel gedrag en ook tot vervelende lichamelijke reacties: de perfectionist, die van zichzelf geen fouten mag maken, zet zichzelf zo onder druk op het werk, dat hij snel overspannen raakt, niet goed meer slaapt en onverklaarbaar moe wordt. Gedachten die een willen bevatten maar die open staan voor het niet lukken van wat men wil, leiden tot gezondere reacties als verdriet, teleurstelling, irritatie, bezorgdheid en spijt. Bij het eerder genoemde voorbeeld maakt de gedachte dat niemand mij aardig vindt mij niet down. De gedachte of houding Er MOETEN in deze groep mensen zijn die mij aardig vinden, anders bén ik niet aardig, veroorzaakt de druk waardoor ik mij zo down voel. Zou ik denken ik wil graag dat er mensen zijn die mij aardig vinden, maar dat hoeft niet per se dan word ik niet gauw down, maar ben ik eerder teleurgesteld of verdrietig. Interviewstijl De gespreksvoering bij de RET wijkt nog al eens af van wat gebruikelijk is tussen hulpverlener en cliënt. Van het begin af aan is de RET erop gericht geweest om zo snel mogelijk resultaat te bereiken en daarom wordt geprobeerd zo efficiënt mogelijk te werk te gaan. Belangrijk is daarbij om de cliënt zijn verantwoording zo snel en zo veel mogelijk zelf te laten nemen voor zijn of haar psychische reageren op negatieve gebeurtenissen. Vandaar dat de uitspraak van de Griekse filosoof Epictetus aan het begin van dit artikel zo belangrijk is. Voorbeeld. Cliënt: Die man maakt mij razend! Hulpverlener: Nee, jij maakt jezelf kwaad óver die man door op een bepaalde manier te denken. De RET confronteert de cliënt en stelt houdingen en gedachten van de cliënt ter discussie. Het gevolg is dat vooral aan de buitenkant een RET-gesprek er wel eens hard uit kan zien. De cliënt ervaart dat echter zelden zo. Het onderbreken van wat de patiënt zegt, het tegenspreken of ter discussie stellen, wordt meestal als erg steunend ervaren, omdat het erop is gericht om de storende gedachtestroom te stoppen. En juist van die storende gedachten wil de patiënt af, omdat die verantwoordelijk zijn voor die ongezonde gevoelens. Het ABC-model Om problemen te analyseren maakt de RET gebruik van het zogenoemde ABC-model: De A staat voor Activerende gebeurtenis en slaat op de situatie of de omstandigheden die aanleiding zijn voor de ongezonde gevoelens en het disfunctionele gedrag in C. Voorbeeld: ik zit in een groep en meen dat niemand mij aardig vindt. De B staat voor Beschouwingen of gedachten over de A die leiden tot de C. Er moeten in deze groep mensen zijn die mij aardig vinden, anders bén ik onaardig. de C staat voor Consequenties (gevoelens en/ of gedrag) waar de cliënt mee zit: Ik voel me down. We krijgen dan: Activerende gebeurtenis Beschouwing Consequentie (het ABC-model). Bij de B gaat het dan om irrationele gedachten en bij de C om ongezonde (ook wel niet productieve) reacties in gevoel en gedrag. Vervolgens worden de irrationele gedachten uitgedaagd of ter discussie gesteld bij D. Als dit lukt wordt de onhoudbaarheid van de irrationele gedachten aangetoond. Daarna kan een nieuwe Effectieve gedachte E worden geformuleerd, die kan worden gebruikt om de B (de irrationele gedachte) uit te schakelen. De E is de weerslag van een andere houding naar hetzelfde probleem, die niet meer leidt tot gevoel en gedrag dat ons in de weg zit. Dit is de eerste stap op weg naar verandering. Het is nu mogelijk om een trainingsprogramma op te stellen, waarin die nieuwe gedachte een belangrijke rol speelt. Gevoel, gedrag en gedachte RET gebruikt niet alleen de cognitieve aanpak, maar richt zich ook direct op gedragsverandering en verandering van gevoelens. Gedrag, gedachte en gevoel vormen als het ware een drie-eenheid die vanuit een van de drie of combinaties van de drie kan worden beïnvloed. Cursist en cursusorganisator Iwan Kind, oefentherapeut Mensendieck: Ik kwam in aanraking met RET door mijn afstudeerscriptie over omgaan met chronische pijn. Sindsdien heb ik een aantal cursussen voor collega s georganiseerd met Wouter Backx waarvan ik de meeste ook zelf heb bijgewoond. Elke keer heb ik weer veel geleerd, niet in de laatste plaats over mezelf! RET is voor mij een belangrijk hulpmiddel voor de behandeling van cliënten en de re-integratie van werknemers. Denken, voelen en doen zijn met elkaar verweven en hebben een belangrijke invloed op pijn en vitaliteit. Als oefentherapeut kun je middels RET in de praktijk laten zien wat en hoe je iets kunt beïnvloeden en wat het verschil is tussen een gezonde reactie en een ongezonde reactie op een gebeurtenis. Door gezonde en ongezonde reacties te onderscheiden en inzichtelijk te maken, leert de cliënt reacties beter te herkennen en te interpreteren. Een disfunctionele manier van reageren op een gebeurtenis of op pijn heeft een schadelijke, verlammende uitwerking en is een belangrijke veroorzaker van meer klachten of de instandhouding daarvan. What you resist persist en steeds duidelijker blijkt dat je pijn vanuit het brein kan verminderen door acceptatie en dat inadequate emoties o.a. pijn negatief beïnvloeden. Door de cliënt inzicht in de relatie tussen emoties, vitaliteit en pijn te verschaffen, staat de cliënt open voor een aanpak die uit meer bestaat dan oefeningen en houdingscorrectie. Dit biedt de mogelijkheid om gebeurtenissen en omstandigheden, waarvan de cliënt aangeeft dat deze mede oorzaak zijn van de klacht, kritisch te onderzoeken en uit te dagen. Negatieve emoties zijn op zich geen probleem zolang ze maar adequaat zijn. Zijn ze schadelijk, verlammend en destructief, of zijn ze gezond, helpend en ondersteunend? Kan de cliënt de situatie zoals die nu is accepteren of niet? Is de cliënt eigenlijk verdrietig of depressief? Reageert de cliënt vanuit irritatie of vanuit woede? Is de cliënt misschien gehecht geraakt aan zijn probleem? Zit er een willen of een (verborgen) moeten achter een wens of doel? Door een methodische manier van werken leer je cliënten hun irrationele, niet productieve gedachten op te sporen en vervolgens te vervangen door meer realistische gedachten. Als dat lukt heeft de hele therapie een betere kans van slagen. Inmiddels combineer ik RET met lichaamsgerichte aanpak en gebruik ik een hartcoherentie meter om de fysiologische effecten van emoties inzichtelijk te maken. Een heel leuke combinatie die soms tot verrassende resultaten leidt: Bij een overleg met een huisarts vertelde deze dat de cliënt met hoofdpijnklachten blij was dat ze van haar hoofdpijn verlost was, maar nog meer met het verdwijnen van haar depressie! RET sluit prima aan bij de oefentherapeut die ook de irrationele gedachten achter de klacht wil behandelen. Het biedt een extra mogelijkheid voor cliënten die blijven hangen in hun klacht of probleem of gefixeerd blijven in patronen. Meer weten? 'Moeten Maakt Gek, pak zelf uw emotionele problemen aan', van Ellis en Backx, 2008, Ambo, ISBN 'Beren op de weg, spinsels in je hoofd.' van IJzermans en Dirkx, 2002 Thema, ISBN RET op een rijtje (waaier) Theo IJzermans, Alice Zandbergen ISBN RET in de praktijk van de oefentherapeut Beweegreden VvOCM jaargang 2, uitgave 6 (Engelstalig) 24 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

14 Samenvatting van de rct effecten van een groepsinterventie op valangst en activiteitenvermijding Vallen is een veel voorkomend verschijnsel bij ouderen, en letsel als gevolg van een val is een grote zorg binnen de volksgezondheid. Ook worden ouderen na een valincident vaak bang om te vallen en gaan ze uit de angst om te vallen activiteiten vermijden. Hierdoor komt de oudere vaak in een neerwaartse spiraal, zowel fysiek als mentaal. Dat zorgt ook voor ongewenste, hoge kosten binnen de gezondheidszorg. Daarom zijn effectieve strategieën noodzakelijk om te voorkomen dat ouderen mensen in deze neerwaartse spiraal terechtkomen of om verdere achteruitgang te voorkomen. Een effectieve strategie m.b.t. valangst en dientengevolge het vermijden van activiteiten zou uit meerdere (psychologische, lichamelijke en sociale) componenten moeten bestaan. Het bewijs van de effectiviteit van dergelijke interventies is er bijna niet. De oorspronkelijke RCT laat zowel het korte- als het lange termijn effect zien van een, uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapeutische groepsinterventie gericht op het verminderen van valangst en de activiteitvermijding van zelfstandig wonende ouderen in Nederland. De interventie is een verbeterde versie van een cognitief gedragsmatige interventie eerder ontworpen en getest. Methode Proefopzet Een gerandomiseerde gecontroleerde vergelijking (RCT) werd uitgevoerd in 2 steden in Nederland. Gegevens werden bij aanvang verzameld en na 6 en 12 maanden. Deelnemers en werving Er werden vragenlijsten gerandomiseerd gestuurd naar de potentiële deelnemers. Adressen werden verkregen via lokale thuiszorgorganisaties. De deelnemers die aanmerking kwamen, waren zelfstandig wonend met thuiszorg in de leeftijd 70 en ouder. Ze hadden tenminste enige angst om te vallen en als gevolg daarvan vermeden zij activiteiten. Mensen die bedlegerig waren of beperkt door het permanent gebruik van rolstoel, wachtend op verpleeghuis toelating, of degenen die deelnamen aan andere interventie studies werden uitgesloten van deelname. Randomisatie Na een 0- meting heeft een onafhankelijke, geblindeerde onderzoeker randomisatie uitgevoerd met behulp van een via de computer gegenereerde willekeurige toewijzing. Deelnemers toegewezen aan de interventie groep kregen de cognitieve gedragstherapie en deelnemers die toegewezen waren aan de controlegroep kregen de gebruikelijke zorg. Interventie De cognitieve gedragstherapeutische en uit meerdere componenten bestaande groepsinterventie bestond uit acht wekelijkse sessies van 2 uur en een booster sessie 6 maanden na de achtste sessie. Er werden vier strategieën gebruikt: 1. het valrisico en de valangst als controleerbaar leren zien; 2. realistische doelen stellen voor het verhogen van het activiteitenniveau (rekening houdend met de individuele mogelijkheden van de deelnemers); 3. het veranderen van de woonomgeving om het valrisico te verminderen; 4. het bevorderen van lichaamsbeweging om kracht en evenwicht te verbeteren. Er werd gebruik gemaakt van verschillende technieken en materialen (lezingen, video's, groepsgesprekken, assertiviteitstraining, etc.). De deelnemers ontvingen na elke sessie, thuisopdrachten met o.a. fysieke oefeningen. Over het algemeen is de Nederlandse interventie vergelijkbaar met een eerder ontwikkelde interventie. Echter, de Nederlandse interventie werd uitgebreid met in de eerste plaats een boostersessie op basis van de ervaringen en aanbevelingen van de vorige studie. Ten tweede werd de sessiefrequentie veranderd van tweemaal naar eenmaal per week, zodat de deelnemers meer tijd hadden om het geleerde te integreren in hun ADL. Meetmomenten Bij aanvang, 2 maanden en na 8 en 14 maanden zijn de gegevens verzameld die verkregen zijn d.m.v. vragenlijsten en gestructureerde telefonische interviews. Metingen Er werd doorgevraagd over valangst en het vermijden van activiteiten als gevolg van die angst. Deelnemers gaven aan of ze vaak of heel vaak bang waren om te vallen en daarom activiteiten vermeden. Er werd gevraagd in te schatten in hoeverre er controle bestond om vallen te voorkomen. Deze onderwerpen werden gebruikt om de vergelijking van de resultatengemakkelijker te vergelijken met de bevindingen van de vorige studie. Het vermijden van activiteiten in het dagelijks leven is beoordeeld met de Frenchay Activities Index. Deze index richt zich specifiek op beperkingen in meer complexe activiteiten. Door Annemiek v.d. Kamp en Nicole Wolvenne Waargenomen gevolgen werden beoordeeld volgens twee subschalen: de perceptie van het verlies van functionele onafhankelijkheid subschaal en de waargenomen schade aan de identiteit subschaal. Valgegevens werden verzameld. Algemene gegevens over leeftijd, geslacht, woonsituatie, opleidingsniveau, cognitieve status, ervaren algemene gezondheid en valgeschiedenis werden beoordeeld bij aanvang. Steekproefomvang Op basis van bevindingen uit eerdere studies én eventuele uitval (35%) meegerekend, bleek dat er tenminste 142 deelnemers nodig waren voor elke groep. Statistische analyses Alle analyses werden uitgevoerd en de data van de 0- meting en de data van de follow-up zijn geïncludeerd volgens de gemodificeerde voornemen om te behandelen. Ontbrekende item scores werden behandeld volgens de voorschriften. Volgens protocol van te voren vastgestelde analyses werden uitgevoerd om de resultaten van de deelnemers die tenminste vijf sessies van de interventie aanwezig waren te vergelijken met de resultaten van de controle groep. Op basis van eerdere onderzoek werd vijf sessies beschouwd als minimaal voldoende interventie. Resultaten Deelnemers Van de 540 ingeschreven deelnemers werden 260 willekeurig toegewezen aan de controlegroep en 280 aan de interventiegroep. De interventie- en controlegroepen waren op de meeste kenmerken vergelijkbaar. Tijdens de proefperiode, vielen er in totaal 135 deelnemers uit. De interventie werd uitgevoerd volgens protocol. Twintig groepen van gemiddeld 10 deelnemers hebben aan de interventie deelgenomen. Gezondheidsproblemen waren de belangrijkste redenen voor uitval. Tweeënzeventig deelnemers trokken zich terug voor de start van de interventie en 34 deelnemers tijdens de interventie na het bijwonen van een of meer sessies. Bijna 60 % van de deelnemers voerde de geleerde lichamelijke oefeningen meer dan eenmaal per week uit. Ruim 57% van de deelnemers voert de geleerde lichamelijke oefeningen nog steeds uit. Uitkomsten Bij de interventiegroep zijn geen bijwerkingen gemeld. Analyses toonden (een aantal statistisch significant) grotere verbeteringen in de interventie groep dan in de controlegroep. De effecten van de interventie werden waargenomen voor valangst, het vermijden van activiteiten, bezorgdheid over vallen, dagelijkse activiteiten en beide subschalen voor waargenomen valconsequenties. Over het algemeen waren de effecten klein tot middelgroot. Valgegevens vanaf de nulmeting tot 14 maanden, lieten beduidend minder terugkerende vallers zien in de interventiegroep. Geen (statistisch significante) verschillen tussen de interventie- en controlegroep werden gevonden voor het aantal vallers tijdens de test voor binnen en buiten lopen en het aantal keren dat medische zorg nodig was wegens valincidenten. Discussie Op basis van de gunstige resultaten van een cognitief gedragsmatige interventie en de mogelijkheden voor de verbetering ervan werd een verbeterde cognitieve, uit meerdere componenten bestaande, gedragstherapeutische interventie ontwikkeld. De gevolgen daarvan werden geëvalueerd in Nederland. Hoewel de Amerikaanse interventie en deze Nederlandse versie voor een groot deel vergelijkbaar zijn, blijkt uit de cijfers dat de Nederlandse interventie daadkrachtiger was. In de Amerikaanse interventie bleken de effecten vooral uit de deelnemers die zich aansloten bij het programma, de Nederlandse interventie liet duurzaamheid van de interventie-effecten zien in de toegewezen interventiegroep. Dit resultaat kan verklaard worden door uitbreiding van de Nederlandse interventie; de boostersessie en door de tweewekelijkse sessie. Zo hadden de deelnemers meer tijd het geleerde te integreren in hun dagelijks leven. De kracht van deze, uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapeutische interventie is dat deze niet alleen is toegespitst op valangst en valrisico, maar ook om de ADL-activiteiten uit te kunnen voeren zonder te vallen. Het aantal terugkerende vallers was significant lager in de interventiegroep dan in de controlegroep, gemeten één jaar na de interventie. In dit onderzoek was vallen niet het primaire eindpunt, de valgegevens werden verzameld voor de veiligheid van toezicht, maar de, uit meerdere Tabel 1 Behandelbare componenten die uit de diagnostische fase naar voren kunnen komen Doel: Ontwerp: Achtergrond: Deelnemers: Interventie: Metingen: Resultaten: Conclusie: De evaluatie van de effecten van, een uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapeutische groepsinterventie op valangst en activiteitenvermijdend gedrag bij ouderen. Randomized Controlled Trial. Community dwelling (zelfstandig wonend) in Nederland. 540 volwassenen in de leeftijd van 70 jaar en ouder die bekend zijn met valangst en uit angst activiteiten vermijden (280 interventiegroep, 260 controlegroep). Een, uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapeutische groepsinterventie bestaande uit acht wekelijkse sessies en een booster sessie (= een tussentijdse sessie als stimulans voor de deelnemers). De sessies hadden tot doel de ouderen een realistische visie op vallen en bewegen aan te leren, valrisico s te verminderen, ze meer actief te maken en veilig gedrag aan te leren. Gegevens over valangst, vermijding van activiteiten, bezorgdheid over vallen, het gevoel hebben controle te hebben wat betreft het vallen, en de dagelijkse activiteiten zijn verzameld bij aanvang van de studie en vervolgens na 2, 8 en 14 maanden. Na 2 maanden waren er belangrijke verschillen tussen de groepen wat betreft de angst om te vallen, het vermijden van activiteiten, de bezorgdheid om te vallen en de dagelijkse activiteiten. Na 8 maanden waren er significante verschillen tussen de groepen op alle punten en na 14 maanden was er verschil wat betreft de angst om te vallen, de vermeende controle over het vallen, regelmatig vallen, maar er waren geen verschillen het vermijden van activiteiten, de bezorgdheid om te vallen, de dagelijkse activiteit, of het aantal vallers. Deze, uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapeutische groepsinterventie liet positieve en duurzame effecten zien wat betreft valangst en aanverwant vermijden van activiteiten bij zelfstandig wonende ouderen. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op verbetering van de inbedding van de interventie, het bereiken van zwakkere populaties en op het bepalen van de mogelijke effecten op functionele resultaten. componenten bestaande, cognitieve gedragstherapie lijkt tot vermindering van vallen te leiden. Zo kan deze, uit meerdere componenten bestaande interventie beschouwd worden als een nieuw instrument t.b.v. valpreventie. Het bepalen van de klinische relevantie van de interventie effecten is ingewikkeld, omdat er geen criteria bestaan voor de niveaus van valangst en de bijbehorende vermijding van activiteiten. Daarom zijn er in het onderzoek effectmaten gemeld. Zelfs een klein effect kan van betekenis zijn in de ADL en heeft persoonlijke voordelen. Dit kan leiden tot voordelen op de korte en langere termijn. De thuisopdrachten en de langere duur van de interventie zijn belangrijke kenmerken voor effectieve interventies bij ouderen als gevolg van verminderd leren en geheugencapaciteit in deze populatie. Uit dit onderzoek zijn een aantal aanbevelingen voor onderzoek en praktijk voortgevloeid. Er kan vervolgonderzoek gedaan worden naar het optimaliseren van de interventiekenmerken zoals aantal, frequentie en duur van de sessies en de naleving van huiswerkoefeningen. Toekomstig onderzoek kan zich ook richten op aanvullende interventie effecten in andere domeinen, zoals angst, depressie en invaliditeit. Bovendien kan de effectiviteit van specifieke interventie componenten worden bestudeerd om de componenten met meer effect te benadrukken. Voor bijvoorbeeld aan huis gebonden ouderen met een potentieel hogere kans op vallen en valgerelateerde verwondingen, voor mensen die niet geïnteresseerd zijn in groepsinterventies, of de ontwikkeling en evaluatie van een interventie aan huis. Praktisch gesproken ondersteunen de uitkomsten van dit onderzoek de integratie van een, uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapie in de reguliere zorg. Deze interventie wordt momenteel toegepast in geriatrische zorginstellingen in Nederland. De interventie kan ook waardevol zijn voorafgaande aan andere valinterventies. Kortom: de uit meerdere componenten bestaande, cognitieve gedragstherapeutische interventie liet positieve en duurzame effecten zien op valangst en het bijbehorende vermijden van activiteiten bij de groep zelfstandig wonende ouderen. Positieve effecten zijn ook aangetoond voor verschillende andere, met vallen verband houdende resultaten, met inbegrip van terugkerende val. De interventie kan een waardevolle aanvulling zijn op de huidige geriatrische zorg. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op verbetering van het rendement van de interventie, het bereiken van kwetsbare bevolkingsgroepen en het onderzoeken of deze interventie ook de resultaten binnen andere domeinen positief kan beïnvloeden zoals angst, depressie of invaliditeit. 26 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN mei

15 Het prototype is gebaseerd op buigsensoren die bestaan uit verschillende soorten textiel Wear your true lifestyle Hoe kan een interactief product de lichaamshouding van jongeren positief beïnvloeden? Hoe speelt negatieve identiteit hierbij een rol? Gordon Tiemstra, 1e-jaars master student aan de Technische Universiteit Eindhoven zocht dit uit tijdens het afstudeerproject voor zijn bachelor in Industrial Design. Industrial Design, wat is dat precies? De faculteit Industrial Design is opgericht in 2001 en kan daarom beschouwd worden als een relatief jonge opleiding. In tegenstelling tot klassieke opleidingen in product ontwerpen, focust Industrial Design zich op het integreren van nieuwe technologieën die de stijl van leven van de gebruiker moeten verbeteren. Speciale focus hierbij is het ontwerpen van intelligente en interactieve producten, systemen en diensten, producten die bepaalde gedragingen van een gebruiker kunnen analyseren en die hierop kunnen anticiperen. Draagbare Technologie? Sinds 2008 werkt de opleiding volgens verschillende thema s. Enkele hiervan zijn: Discovery & Learning waar de focus ligt op zogeheten leerzame producten. Medical Care hier worden producten gecreëerd voor ziekenhuizen en medische thuiszorg en Wearable Senses waar gebruik gemaakt wordt van draagbare technologie om intelligente kleding te ontwikkelen. Draagbare technologie is de laatste tijd erg actueel omdat er zich steeds meer mogelijkheden voordoen. Om een voorbeeld te geven: vroeger kocht je hartslagmeters die je met moeite om kon doen, tegenwoordig Auteur: Gordon Tiemstra is de hartslagmeter geïntegreerd in het sportshirt. Sensoren en displays zijn flexiebel en wasbaar geworden. Denk ook aan Nike+ * Apple, zij houden via een sensor in je schoen allerlei data bij over je looppatroon om een gezonde levensstijl te stimuleren. Deze producten worden mede mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van micro sensoren, chips en stroomgeleidend textiel. Waarover gaat het Wear your true lifestyle project? Als afstudeerproject voor mijn bachelor met als thema Wearable Senses heb ik van februari tot augustus 2009 gewerkt aan een product voor jongeren die last hebben van een negatieve identiteit. Met onder andere de hulp van de faculteit Algemene Sociale Wetenschappen (universiteit Utrecht) en enkele psychologen startte ik mijn onderzoek door allereerst te analyseren waar identiteit eigenlijk voor staat, hoe jongeren hiermee bezig zijn, hoe het zich uit en hoe het zich laat beïnvloeden. Zoals verwacht bleek identiteit een erg moeilijk samen te vatten begrip omdat het erg complex is en het op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden. Toch werd het snel duidelijk waar een negatieve identiteit/negatief zelfbeeld door de buitenwereld veelal aan herkend kan worden: een onzekere lichaamshouding. Dit was het punt waarop ik me realiseerde dat ik de onzekerheid van jongeren deels weg zou kunnen nemen door hun houding te verbeteren met behulp van een intelligent kledingstuk. Dit kledingstuk zou uiteindelijk niet alleen interessant moeten zijn voor jongeren die een verkeerde lichaamshouding hebben wegens hun mentale status, maar ook voor jongeren met fysieke klachten, en uiteindelijk misschien zelfs ouderen. Verkeerde lichaamshouding Om voor mezelf uit te zoeken wat een verkeerde lichaamshouding precies inhield besloot ik jongeren op de foto te zetten, waarbij ik ze vroeg hun natuurlijke houding aan te nemen. Vervolgens heb ik die foto s meegenomen naar Wietske ten Cate, oefentherapeut Cesar in Nieuwegein. Samen met haar analyseerde ik de verschillende houdingen zorgvuldig. Zij kon me onder andere vertellen dat er twee delen van het lichaam zijn die een slechte lichaamshouding veroorzaken: de stand van het onderlichaam (o.a. de positie van de benen ten opzichte van het bekken) en die van het bovenlichaam (o.a. het bovenste deel van de rug bleek hierin belangrijk, die een nauwe relatie heeft met de schouderbladen, nek, armen en hoofd). Omdat ik me op een van de twee moest focussen besloot ik een kledingstuk te ontwerpen dat het mogelijk zou maken de houding van het bovenlichaam te analyseren. De kromming van de rug zou uiteindelijk mijn referentiepunt worden. De oplossing Wat ik heb ontwikkeld tijdens mijn afstudeerproject is een prototype geworden dat de mogelijkheden aantoont tussen het verbeteren van houding en intelligente kleding. Het prototype is gebaseerd op buigsensoren die bestaan uit verschillende soorten textiel. Door deze op verschillende plekken achter in een shirt te plaatsen kan informatie worden verkregen over de kromming. Door die informatie in een microchip te verwerken is het vervolgens mogelijk vast te stellen of de persoon gebogen staat, en op welke plek die buiging plaatsvindt. Tot dusver was dit alleen maar analysewerk. Na gekeken te hebben naar verschillende bestaande producten die lichaamshouding verbeteren viel het me op dat ze een negatieve lading hebben. Ze richten zich op het corrigeren van de lichaamshouding; ze geven feedback zodra er slecht gepresteerd wordt. Naar mijn mening werkt dit niet motiverend. Daarom heb ik ervoor gekozen dat de persoon die het shirt met de sensoren draagt pas feedback krijgt zodra hij zijn lichaamshouding verbetert. Dat gebeurt in de vorm van een masserend gevoel dat gecreëerd wordt door micro-vibrerende motortjes. De sensoren nemen waar of de lichaamshouding verbetert of verslechtert. Verbetert de houding dan begint de feedbackcyclus van 1 minuut. De persoon die het shirt draagt zal dit als prettig ervaren, en zich vertrouwd gaan voelen in die positie. Het shirt is zeker niet bedoeld als corrigerend, het is de bedoeling dat de persoon die het shirt draagt zelf gaat ontdekken wanneer hij feedback krijgt en door middel daarvan de juiste lichaamshouding gaat vinden. Het is een hulpje dat ondersteunt en motiveert. Daarnaast heb ik getracht het ontwerp er minder medisch uit te laten zien dan andere medische kledingstukken. Het moet ook gedragen kunnen worden boven de kleding, omdat het niet per se op de huid hoeft te zitten. Op het moment bestaat er 1 prototype van het shirt met deze functie: een beginstadium. Voor het verder ontwikkelen van een product als dit zal alles tot in precisie ontwikkeld moeten worden: de sensoren, de plaatsing van de vibraties, de designs, de betrouwbaarheid, etc. Voor de faculteit is dit een interessante optie omdat met een eventueel effectief functionerend product op de markt een product is ontwikkeld dat de levensstijl van jongeren kan verbeteren. De mogelijkheden voor oefentherapie Cesar/Mensendieck De jongeren die in behandeling zijn hebben gemiddeld 1 à 2 keer per week een sessie bij hun therapeut. De rest van de week zijn ze op zichzelf aangewezen waarbij ze oefeningen uitvoeren die het houdingsbewustzijn moeten bevorderen. Voor sommigen is het lastig de motivatie te vinden om te oefenen, anderen hebben echt steun nodig tijdens de oefeningen. Het is voor de therapeut niet mogelijk de jongeren in de tussenliggende periodes te observeren; ze moeten het doen met de 2 uurtjes per week. Met behulp van draagbare technologie, oftewel kleding met sensoren, is het mogelijk gedurende de hele week data te verzamelen over de houdingen van de patiënt. Door deze data te bespreken tijdens de wekelijkse sessies biedt het de mogelijkheid te analyseren waar verbeteringen plaats kunnen vinden en op welke momenten er bijvoorbeeld verslechtering van de houding optreedt. Met behulp van dit soort technologieën is de therapeut beter op de hoogte van de vorderingen van de patiënt waardoor de therapie effectiever kan verlopen. Door het commercieel maken van een dergelijk product (kledingstuk) en het met de juiste PR op de markt te introduceren, kan ook nog eens een grotere groep aangesproken worden, die voorheen niet zouden denken aan oefentherapie Cesar/Mensendieck. 28 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

16 VAN DE WERKVLOER Auteur: Lobke Mienis Het meten van de arbeidsbelastbaarheid met functionele capaciteits evaluaties Chronische (a)-specifieke pijn van het bewegingsapparaat vormt een groot probleem in de samenleving. In 2000 rapporteerde 44 procent van de Nederlandse bevolking chronische pijn (CP). De invloed van CP op mensen kan zich op alle vlakken van het functioneren uiten. Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid zijn in toenemende mate een bron van zorg voor werknemers, werkgevers en overheden (1;2). De totale kosten in Nederland voor chronische pijn werden in 2002 geschat op ruim 6 miljard euro wat neerkomt op ongeveer 400,- per persoon, per jaar (1). Om chronische pijn te verklaren kunnen veel modellen gebruikt worden. Een hiervan is het model van belasting en belastbaarheid (Figuur 1 (3) ). Dit model wordt veel gebruikt binnen paramedische disciplines zoals de fysiotherapie en de oefentherapie. Volgens dit model leiden fysieke maar ook psychosociale overbelasting, afhankelijk van de belastbaarheid, tot korte termijn effecten die kunnen verdwijnen bij herstel of chronisch kunnen worden. Een blijvende disbalans tussen belasting en belastbaarheid kan zodoende leiden tot langdurige beperkingen met verlaagde (arbeids-) participatie tot gevolg (3). In de revalidatie van mensen met chronische pijn is gebleken dat multidisciplinaire revalidatie een effectieve methode is om het functioneren te verbeteren in werk en privé, de kwaliteit van leven te verhogen en soms ook de pijn te verminderen. Om patiënten zo goed mogelijk te revalideren proberen therapeuten en medici objectieve data over de belasting en belastbaarheid te verkrijgen. Daarvoor zijn goede meetinstrumenten nodig om een valide beeld te krijgen van het functioneren van patiënten en zo beter op de patiënt afgestelde revalidatieprogramma s op te zetten. Om de belastbaarheid te meten kunnen clinici onder andere gebruik maken van Functionele Capaciteits Evaluaties (FCE s). FCE s zijn samengestelde tests om de capaciteit van arbeidsgerelateerde activiteiten te meten en zijn ontworpen om deze capaciteit van mensen in relatie tot de arbeidsbelasting in kaart te brengen. De eerste FCEs komen uit de Verenigde Staten en worden daar ongeveer sinds de jaren Figuur 1 Model van arbeidsbelasting / belastbaarheid (3) Arbeidsbelasting Korte termijn effecten Lange termijn effecten Arbeidscapaciteit Om de belastbaarheid te meten kunnen clinici onder andere gebruik maken van Functionele Capaciteits Evaluaties (FCE s). Auteur: dr. Remko Soer Ontwikkelcentrum Pijnrevalidatie Centrum voor revalidatie Universitair Medisch Centrum Groningen Postbus RA Haren Tel: gebruikt. In Nederland worden FCE s sinds de jaren 90 steeds vaker ingezet om de arbeidsbelastbaarheid te bepalen. Dit gebeurt voornamelijk in de revalidatie, maar ook bijvoorbeeld voor het meten van arbeidsbelastbaarheid in verzekeringskundige onderzoeken over arbeidsongeschiktheid. FCE s bestaan uit maximaal 25 tests die worden uitgevoerd door een fysio-, oefen- of ergotherapeut. Er wordt steeds van de patiënt gevraagd om een maximale inspanning te leveren. De therapeut heeft verschillen mogelijkheden, zoals het observeren van spiergebruik, om te waarborgen dat een maximale inspanning geleverd wordt. Al deze verschillende tests beogen een arbeidsgerelateerde activiteit te meten. Zo wordt een objectief beeld verkregen van onder andere de tilcapaciteit, spierkracht, statische houdingen, coördinatie en conditie. Op de foto ziet u een aantal verschillende tests die gebruikt worden in de FCE. In de afgelopen 10 jaar, is er veel onderzoek gedaan naar de meeteigenschappen van de FCE en is er nu bewijs dat de FCE een toegevoegde waarde kan hebben in het objectiever vaststellen van de arbeidsbelastbaarheid van patiënten met CP (4-7). Deze meeteigenschappen zijn de veiligheid, de betrouwbaarheid, de validiteit, het nut en de uitvoerbaarheid (8). Hoewel er meerdere FCE s beschikbaar zijn is het onderzoek dat hier beschreven staat één FCE protocol, dit is de FCE volgens de WorkWell methode (9). De WorkWell FCE is een FCE- protocol uit de Verenigde Staten, waarnaar aanzienlijk onderzoek is verricht. Hoewel er veel informatie uit wetenschappelijke literatuur beschikbaar is gekomen over de meeteigenschappen, zijn er ook nog veel onduidelijkheden. Dit artikel beschrijft een promotiestudie waarin dieper wordt ingegaan op enkele van deze onduidelijkheden op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid, validiteit, nut en uitvoerbaarheid. Het onderzoek In het onderzoek is gebruik gemaakt van gezonde proefpersonen. Data van patiënten met CP zijn veelal gebruikt als vergelijkingsma- teriaal. In totaal hebben 701 gezonde proefpersonen deelgenomen aan het onderzoek. De proefpersonen waren tussen de 20 en 60 jaar oud en minimaal 20 uur per week werkzaam. De proefpersonen hadden minder dan 5% ziekteverzuim in het jaar voorafgaand aan het onderzoek. Voor aanvang van het onderzoek vulden de proefpersonen verschillende vragenlijsten in betreffende persoonsgegevens, beleving van de arbeidssituatie (VBBA) zelfgerapporteerde gezondheid (RAND-36) en zelfgerapporteerde fysieke activiteiten (Baecke vragenlijst). De FCE die werd afgenomen bestond uit 12 verschillende tests: tillen hoog, tillen laag, dragen, repetitief reiken, repetitief buigen, statisch bovenhands werken, gebogen werken, handknijpkracht, vingerkracht, Purdue Pegboard Task, Complete Minnesota Dexterity Test en het Bruce loopband protocol. Een volledige beschrijving van de tests of resultaten waarin een normering is opgenomen, is te vinden in het proefschrift dat u kosteloos kunt verkrijgen bij de auteur. Resultaten Veiligheid: De FCE in dit onderzoek wordt veilig bevonden op basis van de lichamelijke reactie na de FCE die gezonde werknemers aangeven en die patiënten met chronische lage rugpijn aangeven. Deze pijnreactie blijkt met elkaar overeen te komen en kan worden aangeduid als spierpijn (10,11). Uitvoerbaarheid en nut: In dit proefschrift is een protocol ontwikkeld om de arbeidsbelastbaarheid van patiënten met klachten aan arm, nek en schouder (KANS) te meten. Het betreft een protocol dat relatief kort, specifiek en eenvoudig kan worden afgenomen. Dit verkorte protocol kan een waardevolle uitbreiding zijn voor het evalueren van de belastbaarheid van patiënten met pijnklachten aan de bovenste extremiteit (12). Op het gebied van de betrouwbaarheid is bovenstaand FCE- protocol getest. Het protocol blijkt betrouwbaar te zijn op de test- hertest betrouwbaarheid op 23 van de 26 sub- tests (13). Validiteit: Validiteit kent vele vormen. In de meest brede vorm staat validiteit voor: meet het instrument wat het beoogd te meten? In dit onderzoek is bewijs geleverd voor de inhoudsvaliditeit door een studie te beschrijven waarin door FCE- experts getracht is consensus te bereiken over FCE- gerelateerde terminologie en een theoretisch kader waarbinnen de terminologie geplaatst kan worden. De experts kwamen tot consensus dat de International Classifcation of Functioning, Disability and Health (ICF) een geschikt theoretisch kader biedt waarbinnen de FCE ingebed kan worden. Er is over 19 definities overeenstemming bereikt (14). Om normaalwaarden voor de FCE te creëren zijn 701 gezonde proefpersonen, werkzaam in meer dan 180 verschillende beroepen, getest (15). Deze normaalwaarden maken vergelijkingen tussen capaciteit van patiënten en gezonde proefpersonen mogelijk. Zo kan, wanneer de testprestatie van een patiënt gelijk of hoger dan de laagste normscore is, er aangenomen worden dat de capaciteit van de patiënt voldoende is om in de desbetreffende klasse van arbeidsbelasting te werken. Op deze manier kan de therapeut de arbeidsgeschiktheid van patiënten beter intepreteren. Deze waarden zorgen ervoor dat de belastbaarheid van de patiënt kan worden vergeleken met een normgroep werkzaam in dezelfde categorie van fysieke arbeidsbelasting. Aanbevolen wordt om deze normgegevens indicatief te gebruiken, omdat verder onderzoek met betrekking tot validiteit vereist is. De proefpersonen werden geclassificeerd in Tabel 1 Classificatie van de DOT. Fysieke arbeidsbelasting* Af en toe 0-33% van de werkdag Regelmatig 34-66% van de werkdag Constant % van de werkdag DOT 1: Zeer licht 4.5 kg verwaarloosbaar verwaarloosbaar DOT 2: Licht 9.1 kg 4.5 kg verwaarloosbaar DOT 3: Matig 22.7 kg 9.1 kg 4.5 kg DOT 4: Zwaar/zeer zwaar 45.4 kg 22.7 kg 9.1 kg *; de fysieke arbeidsbelasting wordt berekend op basis van tillen, dragen, duwen of trekken. Voorbeeld; DOT 1: secretaresse, manager; DOT 2: receptionist, docent; DOT 3: onderhoudsmonteur klein elektrisch, verpleegkundige; DOT 4/5: bakker, metselaar, boer. 30 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

17 Het meten van de arbeidsbelastbaarheid met functionele capaciteits evaluaties groepen met verschillende arbeidsbelasting volgens de Dictionary of Occupational Titles (DOT). De DOT is een uitgave van het ministerie van Arbeid uit de Verenigde Staten waarin meer dan beroepen worden ingedeeld op basis van de fysieke belasting. In Tabel 1 staat beschreven hoe de indeling gemaakt is. Normaalwaarden voor 448 mannen en 253 vrouwen werkzaam in vier verschillende klassen arbeidsbelasting zijn zodoende gemaakt. Conclusie FCEs worden steeds vaker gebruikt bij het in kaart brengen van belastbaarheid en als aanvulling op de beoordeling van arbeidsgeschiktheid van patiënten met klachten aan het houdings-, en bewegingsapparaat. Een belangrijk model van de FCE is het vergelijken van de arbeidsbelasting met de arbeidsbelastbaarheid van patiënten. Om uitspraken te doen over de arbeidsbelastbaarheid kunnen FCE s wellicht een rol spelen. Het proefschrift wat beschreven staat in dit artikel, heeft een bijdrage geleverd aan de verdere validering en toepassing van de FCE. De inhoudsvaliditeit van de Workwell FCE is door de studies in Hoofdstuk 2 en 3 bevestigd. Er is consensus van experts bereikt over een theoretisch kader en veel operationele definities. Sommige meeteigenschappen van de FCE blijken echter moeilijk in kaart te brengen. Mede vanwege de afwezigheid van een gouden standaard voor Functionele Capaciteit en het daaraan gekoppelde meervoudig taalgebruik zijn gegevens vaak moeilijk te interpreteren. De International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF), blijkt een goed theoretisch kader te bieden waarbinnen FCE- terminologie geclassificeerd kan worden. Consensus in operationele definities blijkt van groot belang voor het interpreteren van data. Normaalwaarden van de FCE dragen bij aan een betere interpretatie van de clinicus betreffende de Functionele Capaciteit van patiënten. Deze waarden zorgen ervoor dat de belastbaarheid van de patiënt kan worden vergeleken met een normgroep die werkzaam is in dezelfde categorie van fysieke arbeidsbelasting. Op deze manier kan inzicht worden verkregen in de balans tussen arbeidsbelasting en arbeidsbelastbaarheid van de patiënt. Deze normaalwaarden dragen bij aan de uitvoerbaarheid en het nut van de FCE. Aanbevolen wordt om deze normgegevens indicatief te gebruiken, omdat verder onderzoek met betrekking tot validiteit vereist is. Voor een succesvolle revalidatie en / of terugkeer naar werk is afname van een FCE echter niet voldoende. Het sterk fysieke karakter van deze evaluatie lijkt onvoldoende inzicht te geven in de complexe problematiek waarin patiënten met aspecifieke chronische pijn zich bevinden. Voor deze problematiek, waar de meest effectieve aanpak lijkt te bestaan uit multidisciplinaire revalidatieprogramma s, liggen barrières voor verbetering in functioneren en daaraan gekoppelde werkhervatting vaak mede in psychosociale factoren. De FCE dient hierin dus geen stand- alone functie te bekleden maar kan één van de voorwaarden zijn voor een succesvol opgezet revalidatieprogramma. Naast het fysieke aspect van de FCE kan de FCE ook als potentiële gedragstest worden gebruikt, waarin beweeggedrag kan worden geobjectiveerd. Hiervoor is echter nog onvoldoende bewijs beschikbaar. Wilt u meer informatie over FCE of de behandeling van patiënten met chronische pijn, dan kunt u contact opnemen met de auteur of kijken op onder de link onderzoek/onderwijs. R. Soer. Functional Capacity Evaluation: Measurement qualities and normative values. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen. ISBN: Promotoren: Prof. dr. Jan H.B. Geertzen Prof. dr. Johan W. Groothoff Copromotoren: dr. Michiel F. Reneman dr. Cees P. van der Schans Referenties 1 Dagenais S, Caro J, Haldeman S. A systematic review of low back pain cost of illness studies in the United States and internationally. Spine J 2008; 8(1): White AG, Birnbaum HG, Mareva MN, Henckler AE, Grossman P, Mallett DA. Economic burden of illness for employees with painful conditions. J Occup Environ Med 2005; 47(9): Dijk van T, Dormolen van M, Kompier M, Meyman T. Herwaardering model belasting-belastbaarheid (Revaluation of the model of work load and work capacity). Tijdschr Soc Gezondheidsz 1990; 68(1): Brouwer S, Dijkstra PU, Stewart RE, Goeken LN, Groothoff JW, Geertzen JH. Comparing self-report, clinical examination and functional testing in the assessment of work-related limitations in patients with chronic low back pain. Disabil Rehabil 2005; 27(17): Reneman MF, Jorritsma W, Schellekens JM, Goeken LN. Concurrent validity of questionnaire and performance-based disability measurements in patients with chronic nonspecific low back pain. J Occup Rehab 2002; 12(3): Wind H. Assessment of physical work ability: the utility of Functional Capacity Evaluation for insurance physicians. Thesis. Academic Medical Center, Universiteit van Amsterdam, department: Coronel Institute of Occupational Health, Amsterdam, the Netherlands, ISBN: Reneman MF. Functional Capacity Evaluation in patients with chronic low back pain: Reliability and Validity. Thesis. University of Groningen, University Medical Center Groningen, The Netherlands, ISBN: Hart DL, Isernhagen SJ, Matheson LN. Guidelines for Functional Capacity Evaluation of people with medical conditions. J Orthop Sports Phys Ther 1993; 18(6): WorkWell Systems INC. Functional Capacity Evaluation V Soer R, Groothoff JW, Geertzen JHB, van der Schans CP, Reesink DD, Reneman MF. Pain Response of healthy workers following a Functional Capacity Evaluation and implications for Clinical Interpretation. J Occup Rehab. 2008; 18(3): Soer R, Geertzen JHB, van der Schans CP, Groothoff JW, Reneman MF. Can muscle soreness after intensive work-related activities be predicted? Clin J Pain 2009; 25(3): Reneman MF, Soer R, Gerrits EH. Basis for an FCE methodology for patients with work-related upper limb disorders. J Occup Rehab 2005; 15(3): Soer R, Gerrits EH, Reneman MF. Test-retest reliability of a WRULD functional capacity evaluation in healthy adults. Work 2006; 26(3): Soer R, Schans van der CP, Groothoff JW, Geertzen JH, Reneman MF. Towards consensus in operational definitions in Functional Capacity Evaluation: A Delphi Survey. J Occup Rehab 2008; 18(4): Soer R, van der Schans CP, Geertzen JHB, Brouwer S, Dijkstra PU, Groothoff JW, Reneman MF. Normative values for a Functional Capacity Evaluation. Arch Phys Med Rehab 2009; 90(10): Functionele anatomie in revalidatie van chronische lage rugklachten Het biopsychosociale model in balans Bijna 30% van de Nederlandse bevolking van 25 jaar en ouder heeft langer dan drie maanden last van rug of nek, meer dan 3 miljoen mensen hebben chronische lage rugklachten (Bron: Rivm, KAB studie 2000). Het vinden van een adequate behandeling voor deze chronische aspecifieke rugpijn is voor veel mensen een groot probleem. In de 70-er jaren introduceerde de Amerikaanse psychiater George Engel, uit ontevredenheid over de beperkte mogelijkheden van het traditionele biomedische model, het biopsychosociale model. Dit nieuwe model biedt de mogelijkheid naast fysieke ook psychische en sociale factoren te betrekken in etiologie van chronische klachten, waaronder rugklachten. Gestimuleerd door dit model en teleurgesteld in de, op dat moment beperkte resultaten van meer fysiek gerichte behandelingen, gingen (para) medici steeds meer psychosociale aspecten in de behandeling van chronische rugklachten betrekken. De aandacht voor de lichamelijke kant van rugklachten nam daarbij sterk af. Deze tendens heeft ertoe geleid dat veel hedendaagse behandelingen voor chronische (rug)klachten zich hoofdzakelijk richten op psychosociale factoren. Fysieke training en/of oefening staan hierbij meestal ten dienste van de gedragsgeoriënteerde behandeling en zijn daaraan ook ondergeschikt. Een verregaande consequentie van deze ontwikkeling is dat lichamelijke klachten zoals a- specifieke lage rug- of bekkenklachten, waarvoor vaak geen anatomisch substraat kan worden aangetoond nogal eens als primair psychisch probleem worden bestempeld. Het is de vraag of een dergelijke conclusie terecht is en of het biopsychosociale model in de huidige toepassingsvormen niet uit balans is. Op 11 november 2009 heeft Jan-Paul van Wingerden, bestuurder van het in Rotterdam gevestigde revalidatiecentrum het Spine & Joint Centre, zijn proefschrift: Functionele anatomie in revalidatie van chronische lage rugklachten verdedigd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In dit proefschrift wordt een aanzet gegeven tot herwaardering van fysieke aspecten binnen het biopsychosociale model. Vooral functioneel anatomische kennis zou meer aandacht verdienen bij diagnostiek en behandeling van chronische aspecifieke rugklachten. Deze stellingname baseert Van Wingerden op de toenemende stroom publicaties die laat zien dat verstoringen van spiercoördinatie rond bekken en wervelkolom kunnen bijdragen aan het ontstaan en voortduren van klachten in dit gebied. Deze verstoringen in spierfunctie zijn niet zichtbaar te maken met gangbare beeldvormende technieken als röntgen of MRI, maar wel met bijvoorbeeld electromyografie op basis van naaldelektroden. Het betrekken van deze kennis over fysieke functie kan bijdragen aan verbetering van kwaliteit van diagnostiek en het resultaat van behandeling van chronische rugklachten. Zo laat een van de onderzoeken in het proefschrift zien dat er bij vrouwen met chronische bekkenklachten geen relatie is tussen de mate van bewegingsangst (gemeten met de Tampa scale for kinesiophobia) en de mate van fysieke beperking van het bekken (gemeten met de Active Straight Leg Raise Test). Dit impliceert dat de interactie van psychische en fysieke factoren niet consequent tot dezelfde mate van bewegingsangst leidt. Bij patiënten met chronische bekkenklachten, maar waarschijnlijk ook bij andere Auteur: J.P. van Wingerden In Beweegreden nr. 2 van dit jaar kunt u een interview verwachten met J.P. van Wingerden vormen van chronische klachten is het daarom van belang tijdens het diagnostisch proces de mate van fysieke beperking te inventariseren. Aannemen dat bewegingsangst voornamelijk psychisch bepaald wordt is een kunstfout. Ten aanzien van toepassing van functionele anatomie in de behandeling wordt in het proefschrift een behandeling voor ernstige, chronische rugpatiënten beschreven zoals die wordt toegepast in het Rotterdamse revalidatiecentrum het Spine & Joint Centre. Uitgangspunt van deze behandeling is herstel van functie van de rug. Het effect van deze behandeling is onderzocht op 245 patiënten met ernstige chronische rugklachten die uitbehandeld waren in de eerste en de tweede lijn. Hoewel het onderzoek is gebaseerd op reguliere behandeling en daarom niet als RCT is opgezet, zijn de eerste resultaten van dit onderzoek veelbelovend: volgens het minimal clinical important chance criterium (MCIC) heeft na 8 weken behandeling 53% van de patiënten minder pijn en is 62% minder beperkt in zijn dagelijkse activiteiten. Dit effect is drie maanden na beëindiging van de behandeling nog steeds aanwezig. Voor beroepsgroepen als oefentherapeuten Cesar en Mensendieck is dit proefschrift van belang omdat het laat zien dat nieuwe ontwikkelingen op het gebied van functioneel anatomische kennis substantieel kunnen bijdragen aan verbetering van de kwaliteit van diagnostiek en behandeling van chronische rugklachten. Dit kan het aantal gevallen of de duur van rugklachten aanzienlijk verminderen. Het biopsychosociale model maakt een holistische benadering van de patiënt en zijn klacht mogelijk. In de hedendaagse toepassing van het model lijken psychosociale factoren echter vaak oververtegenwoordigd. Psychosociale factoren dienen zeker te moeten worden meegenomen in de behandeling van lichamelijke klachten. Het fysieke aspect mag hierbij niet vergeten worden. Het is de taak en verantwoordelijkheid van fysiek georiënteerde beroepsgroepen zoals oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, maar ook fysiotherapeuten om hiervoor te waken. 32 BEWEEGREDEN december 2009 BEWEEGREDEN december

18 De meerwaarde van Recensies De recensies zijn van Joke Schat De ziekte van Huntington en verwant erfelijke neuropsychiatrische aandoeningen Auteurs: E.L. Vervoort en F.J. van Zuuren Uitgeverij: Van Gorcum ISBN: Prijs: 65,00 Dit boek bundelt alle verschijnselen, medische en erfelijke achtergronden van de ziekte van Huntington. De problemen komen aan het licht door veel verhalen van mensen die aan het ziekte lijden. Ook met betrekking tot het DNA onderzoek, het dilemma van het ondergaan van de test op aanwezigheid van de ziekte van Huntington. Beide auteurs komen uit het psychologenwerkveld. Uit het boek spreekt veel aandacht voor de verschillende manieren waarop mensen omgaan met hun ziekte en het omschrijft mogelijke interventies om dit voor hen en hun omgeving te verbeteren. Zie ook de VvOCM flyer Huntington! Het diabetes formularium Auteurs: Prof. dr. G.E.H.M. Rutten en dr. K. Reenders Uitgever: Bohn, Stafleu, Van Loghum ISBN: Prijs: 15,00 2e herziende druk, BEWEEGREDEN december 2009 Een klein, handzaam boekje met veel informatie over diabetes mellitus type 2. Voor collega s die zich bezighouden met deze patiëntengroep, bijvoorbeeld in protocollen om meer te gaan bewegen en de beweegkuur, is dit een goed boekje om op de hoogte te komen van de complicaties bij diabetes 2 en de huidige zorg, zoals gebruikte medicamenten en hun bijwerkingen en leefstijladviezen. Het COPD formularium Auteurs: Dr. N.H. Chavannes en dr. J.W.M. Muris Uitgever: Bohn, Stafleu, Van Loghum ISBN: e druk, 2009 Een qua uitvoering gelijkend boekje op het beschreven diabetes formularium, nu met COPD als onderwerp. Een absolute aanrader voor diegene die met COPD patiënten werkt of wil gaan werken (ketenzorg COPD). In het multidisciplinair overleg met bijv. de praktijkondersteuner heb je hiermee een goede basis. Extremiteiten Auteurs: D.L. Egmond en R. Schuitemaker Uitgever: Bohn, Stafleu, Van Loghum ISBN: bladzijden Prijs: 130,00 10e herziende druk De ondertiteling van dit boek is Manuele therapie in enge en ruime zin. Door toepassing van het MDBB-model als basis van het klinisch redeneren en update informatie over ICF, ICD, neurofysiologische en biomechanische aspecten is dit boek zeer zeker ook leerzaam voor onze beroepsgroep. Het geeft een schat aan achtergrondinformatie over de anatomie en bewegingen en beschrijft op een duidelijke manier de vele testen en interpretaties van de uitkomsten. De diverse rekoefeningen (passief maar ook actief!) van bindweefselplaten uit het gehele lichaam zijn zeker, indien voldoende gemotiveerd, in ons beroep te gebruiken. De nadruk ligt op de eigen activiteit van de patiënt en ook huiswerkoefeningen worden beschreven en getoond. De DVD met filmpjes over de diverse toepassingen is een waardevolle aanvulling. De prijs is voor een dik boek, met deze wetenschappelijke informatie en duidelijke tekeningen en foto s niet aan de hoge kant. De DVD is eventueel voor 40,00 apart bestelbaar bij de uitgever. Doen en blijven doen Voorlichting en compliancebevordering door paramedici Auteurs: M. van der Burgt, F.Verhulst Uitgever: Bohn Stafleu van Loghum ISBN: Prijs: 29,00 4e herziende druk Deze vierde, herziende versie beschrijft de actuele kennis over de gedragsmatige voorlichting door paramedici. Voorlichting aan mensen met een beperkte gezondheidsvaardigheid, een andere culturele achtergrond en zelfmanagement bij chronische ziekten (COPD, diabetes, artrose en obesitas) worden hier ook duidelijk beschreven en toegelicht. Geheel up to date, met een beschrijving van de technieken van de Motivational Interviewing, is dit boek een aanrader. Ook voor diegene die een voorgaande druk van dit boek heeft bestudeerd. gebruiksvriendelijke software Intramed, complete praktijksoftware voor de Oefentherapeut Cesar/Mensendieck! Verslaglegging Oefentherapie volgens richtlijnen VvOCM (ook geschikt voor DTO) Standaard prijslijst Oefentherapie Jaarverslag praktijk & kwaliteit Vrije tarieven registratie per verzekeraar Een Service Centrum waar u deskundig en vriendelijk wordt geholpen, ook s avonds! Beveiligd declareren bij alle zorgverzekeraars Elektronisch controleren waar uw patiënt verzekerd is En er is nog veel meer! Wilt u zelf zien wat Intramed te bieden heeft? U kunt de software drie maanden in de praktijk gebruiken, inclusief elektronisch declareren. Dit is zonder kosten en zonder verdere verplichtingen. U vindt een aanvraagformulier op de website of u kunt bellen. Wij sturen u de software binnen drie werkdagen toe. Noordkade GA Waddinxveen T F Het gemak van Intramed

19 Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck Kaap Hoorndreef AV UTRECHT Telefoon: / Bestuur: Micha van Veggel Nienke de Heus Erna Hiddink Debby van Rijn Pieter Scholten Voorzitter Secretaris Bestuurslid professionaliteit en wetenschap Kandidaat bestuurslid samenwerking en bekendheid Penningmeester

Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag.

Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag. Heeft kinderoefentherapie invloed op de motorische vaardigheden bij kinderen met een motorische hulpvraag. Johannes Noordstar & Mignon Biesta Inleiding Verschillende kinderen in de basisschoolleeftijd

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Groepspraktijk Huizen

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Groepspraktijk Huizen Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Rapportage voor: Groepspraktijk Huizen Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV www.argo-rug.nl INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor tandartspraktijken. Informatie en stappenplan

Door Cliënten Bekeken voor tandartspraktijken. Informatie en stappenplan Door Cliënten Bekeken voor tandartspraktijken December 2012 Informatie en stappenplan Door Cliënten Bekeken voor tandartspraktijken is hét traject voor kwaliteitsverbetering van de mond zorg vanuit het

Nadere informatie

Deelrapportage "Apotheken door Cliënten Bekeken" Vorige en huidige meting Apotheek Den Hoorn

Deelrapportage Apotheken door Cliënten Bekeken Vorige en huidige meting Apotheek Den Hoorn Deelrapportage "Apotheken door Cliënten Bekeken" Vorige en huidige meting Apotheek Den Hoorn E Inhoud 1. Inleiding en methode 1 1.1. Achtergrond 1 1.2. Doel van het kwaliteitstraject: meten en verbeteren

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra. Samenvatting Gezondheidscentra Medi-Mere

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra. Samenvatting Gezondheidscentra Medi-Mere Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Samenvatting Gezondheidscentra Medi-Mere Dit onderzoek is uitgevoerd door: ARGO BV in opdracht van: Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie Landelijke Vereniging

Nadere informatie

Twee en een half jaar Kwaliteitsmeting in de Fysiotherapie

Twee en een half jaar Kwaliteitsmeting in de Fysiotherapie Twee en een half jaar Kwaliteitsmeting in de Fysiotherapie Feiten en cijfers tot nu toe Managementsamenvatting Na twee en een half jaar kwaliteitsmetingen in de fysiotherapie is het een geschikt moment

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra. Samenvatting Medimere

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra. Samenvatting Medimere Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Samenvatting Medimere Dit onderzoek is uitgevoerd door: ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV in opdracht van: Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie Landelijke

Nadere informatie

Cliëntervaringen in beeld

Cliëntervaringen in beeld Cliëntervaringen in beeld Jaarrapportage contactpersonen de Herbergier 2011 dr. C.P. van Linschoten drs. M. Cardol drs. W. Betten februari 2012 ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV Inhoudsopgave 1. INLEIDING

Nadere informatie

Is er verschil in de motoriek tussen actieve en minder actieve kinderen in de leeftijd 9-10 jaar?

Is er verschil in de motoriek tussen actieve en minder actieve kinderen in de leeftijd 9-10 jaar? Is er verschil in de motoriek tussen actieve en minder actieve kinderen in de leeftijd 9-10 jaar? Patty Fleming, Laura Visser School of Cesartherapy specialized in Children, Department of Health Education,

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Medisch Centrum 't Sant - Huisarts van Sichem

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Medisch Centrum 't Sant - Huisarts van Sichem Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Samenvatting rapportage voor: Medisch Centrum 't Sant - Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV www.argo-rug.nl SAMENVATTING

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Huisartsenpraktijk Medistate - Huisarts Naber

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Huisartsenpraktijk Medistate - Huisarts Naber Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Samenvatting rapportage voor: Huisartsenpraktijk Medistate - Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV www.argo-rug.nl SAMENVATTING

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Huisartspraktijk Stationsstraat

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Huisartspraktijk Stationsstraat Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Samenvatting rapportage voor: Huisartspraktijk Stationsstraat Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO BV www.argo-rug.nl SAMENVATTING VAN DE BELANGRIJKSTE

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Huisartsenpraktijk Wormerveer

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Huisartsenpraktijk Wormerveer Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Samenvatting rapportage voor: Huisartsenpraktijk Wormerveer Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO BV www.argo-rug.nl SAMENVATTING VAN DE BELANGRIJKSTE

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Medisch Centrum 't Sant - Huisartsen van den Heuvel en de Koning

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Medisch Centrum 't Sant - Huisartsen van den Heuvel en de Koning Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Samenvatting rapportage voor: Medisch Centrum 't Sant - Huisartsen van den Heuvel en de Koning Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO BV www.argo-rug.nl

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Leonard Springer

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Leonard Springer Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Leonard Springer Deze rapportage kunt u plaatsen in uw Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra werkmap achter tabblad 5. Denkt u eraan deze werkmap mee

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Gezondheidscentrum Levinas

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Gezondheidscentrum Levinas Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Gezondheidscentrum Levinas Deze rapportage kunt u plaatsen in uw Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra werkmap achter tabblad 5. Denkt u eraan deze werkmap

Nadere informatie

Evaluatie Back to Basics: De Nieuwe Koers

Evaluatie Back to Basics: De Nieuwe Koers Evaluatie Back to Basics: De Nieuwe Koers nderzoek uitgevoerd in opdracht van: Gemeente Goirle DIMENSUS beleidsonderzoek April 2012 Projectnummer 488 Het onderzoek De gemeente Goirle is eind april 2010

Nadere informatie

Eén op de vijf patiënten vindt oefentherapeut zonder verwijzing Factsheet Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg, maart 2009

Eén op de vijf patiënten vindt oefentherapeut zonder verwijzing Factsheet Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg, maart 2009 Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL De gegevens mogen met bronvermelding (Margit K Kooijman, Ilse CS Swinkels, Chantal J Leemrijse. Eén op de vijf patiënten vindt oefentherapeut zonder verwijzing.

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken Huisartsenpraktijk. Huisartspraktijk Beenakker en Soerland

Door Cliënten Bekeken Huisartsenpraktijk. Huisartspraktijk Beenakker en Soerland Door Cliënten Bekeken Huisartsen Samenvatting rapportage voor: Huisarts Beenakker en Soerland Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV www.argo-rug.nl SAMENVATTING VAN

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Medisch Centrum Parklaan

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Medisch Centrum Parklaan Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Medisch Centrum Parklaan Deze rapportage kunt u plaatsen in uw Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra werkmap achter tabblad 5. Denkt u eraan deze werkmap

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken Huisartsenpraktijk. Huisartspraktijk Weidevenne - Huisarts Konijn

Door Cliënten Bekeken Huisartsenpraktijk. Huisartspraktijk Weidevenne - Huisarts Konijn Door Cliënten Bekeken Huisartsen Samenvatting rapportage voor: Huisarts Weidevenne - Huisarts Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV www.argo-rug.nl SAMENVATTING VAN

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Gezondheidscentrum Leonard Springer

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Gezondheidscentrum Leonard Springer Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Gezondheidscentrum Leonard Springer Deze rapportage kunt u plaatsen in uw Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra werkmap achter tabblad 5. Denkt u eraan

Nadere informatie

Klanttevredenheid consultatiebureaus Careyn

Klanttevredenheid consultatiebureaus Careyn Klanttevredenheid consultatiebureaus Careyn Klanten van Careyn over het consultatiebureau Inhoud: 1. Conclusies 2. Algemene dienstverlening 3. Het inloopspreekuur 4. Telefonische dienstverlening 5. Persoonlijk

Nadere informatie

Workshop. Ervaringen van migranten als onderdeel Door Cliënten Bekeken aanpak

Workshop. Ervaringen van migranten als onderdeel Door Cliënten Bekeken aanpak Workshop Ervaringen van migranten als onderdeel Door Cliënten Bekeken aanpak Agenda 1. Voorstelronde 2. Door Cliënten Bekeken (DCB) 3. Pilot: telefonische interviews; ervaringen 4. DCB workshop 5. Afsluiting

Nadere informatie

DE CLIËNTENRAAD BEOORDEELD. Onderzoek naar de tevredenheid met het functioneren van de cliëntenraad

DE CLIËNTENRAAD BEOORDEELD. Onderzoek naar de tevredenheid met het functioneren van de cliëntenraad DE CLIËNTENRAAD BEOORDEELD Onderzoek naar de tevredenheid met het functioneren van de cliëntenraad DE CLIËNTENRAAD BEOORDEELD Onderzoek naar de tevredenheid met het functioneren van de cliëntenraad -

Nadere informatie

Fries burgerpanel Fryslân inzicht

Fries burgerpanel Fryslân inzicht Fries burgerpanel Fryslân inzicht Wij gaan er van uit dat we zo lang mogelijk in onze eigen woonomgeving kunnen blijven. Wij gaan er van uit dat we zo lang mogelijk in onze eigen woonomgeving kunnen blijven.

Nadere informatie

Developmental Coordination Disorder. Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts

Developmental Coordination Disorder. Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts Developmental Coordination Disorder Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts 11-06-2015 Inhoud Developmental Coordination Disorder Criteria Kenmerken Comorbiditeiten Pathofysiologie Behandeling Prognose

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Samenvatting (Summary in Dutch) Achtergrond Het millenniumdoel (2000-2015) Education for All (EFA, onderwijs voor alle kinderen) heeft in ontwikkelingslanden veel losgemaakt. Het

Nadere informatie

Aan de slag! Deel 1 van 3 > Aan de slag Deel 2 van 3 > Verdieping Deel 3 van 3 > Verbeteren

Aan de slag! Deel 1 van 3 > Aan de slag Deel 2 van 3 > Verdieping Deel 3 van 3 > Verbeteren Aan de slag! Gebruikershandleiding voor patiëntervaringsonderzoek voor fysiotherapeuten Deel 1 van 3 > Aan de slag Deel 2 van 3 > Verdieping Deel 3 van 3 > Verbeteren Welkom! Qualizorg biedt u het inzicht

Nadere informatie

Compensatie eigen risico is nog onbekend

Compensatie eigen risico is nog onbekend Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (M. Reitsma-van Rooijen, J. de Jong. Compensatie eigen risico is nog onbekend Utrecht: NIVEL, 2009) worden gebruikt. U

Nadere informatie

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success Leercentrum Nijmegen Oberon, november 2012 1 Inleiding Playing for Success heeft, naast het verhogen van de taal- en rekenprestaties van de

Nadere informatie

Cliëntervaringsonderzoek

Cliëntervaringsonderzoek Cliëntervaringsonderzoek Hoofdrapportage Stichting Het Lichtpunt Meting april 2014 Uw consultant Carolien Wannyn E: carolien.wannyn@effectory.com T: +31 (0)20 30 50 100 Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1. Inleiding

Nadere informatie

Kinderdagverblijf ChouChou Klanttevredenheidsonderzoek 2013

Kinderdagverblijf ChouChou Klanttevredenheidsonderzoek 2013 Kinderdagverblijf ChouChou Klanttevredenheidsonderzoek 2013 Rapport klanttevredenheidsonderzoek Den Haag, Maart 2014 1 INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Opbouw rapport 3 1.2 Werkwijze onderzoek 3

Nadere informatie

Rapport Kindermishandeling en Huiselijk Geweld. Peiling bij Fysiotherapeuten, Oefentherapeuten en Ergotherapeuten

Rapport Kindermishandeling en Huiselijk Geweld. Peiling bij Fysiotherapeuten, Oefentherapeuten en Ergotherapeuten Rapport Kindermishandeling en Huiselijk Geweld Peiling bij Fysiotherapeuten, Oefentherapeuten en Ergotherapeuten Stichting STUK Door Nicole de Haan en Lieke Popelier 2013 Algemene informatie Uit recent

Nadere informatie

Fysiotherapeutisch zorggebruik door patiënten met een chronische aandoening in de periode 2006-2009 Achtergrond

Fysiotherapeutisch zorggebruik door patiënten met een chronische aandoening in de periode 2006-2009 Achtergrond Dit factsheet is een uitgave van het NIVEL De gegevens mogen met bronvermelding worden gebruikt (M.K. Kooijman, I.C.S. Swinkels, J.A. Barten, C Veenhof. Fysiotherapeutisch zorggebruik door patiënten met

Nadere informatie

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Samenvatting Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Hoofdstuk 1 bevat de algemene inleiding van dit proefschrift. Dit hoofdstuk

Nadere informatie

Handreiking actieve patiëntenparticipatie. voor zorgaanbieders in de eerstelijnszorg

Handreiking actieve patiëntenparticipatie. voor zorgaanbieders in de eerstelijnszorg Handreiking actieve patiëntenparticipatie voor zorgaanbieders in de eerstelijnszorg 10 juli 2012 1 Inleiding en toelichting In deze handreiking vindt u methoden die u kunnen helpen om de wensen van uw

Nadere informatie

Mate van tevredenheid van deelnemers aan de training in de cursuskalender

Mate van tevredenheid van deelnemers aan de training in de cursuskalender Mate van tevredenheid van deelnemers aan de training in de cursuskalender Digitaal Cursisten - Panelonderzoek 1 WoonWerk Jonna Stasse Woerden, mei 2007 In geval van overname van het datamateriaal is bronvermelding

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Praktijk Jonker & Koetsier

Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken. Praktijk Jonker & Koetsier Door Cliënten Bekeken voor Huisartsenpraktijken Rapportage voor: Praktijk Jonker & Koetsier Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer ARGO Rijksuniversiteit Groningen BV www.argo-rug.nl INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK

Nadere informatie

Effecten van cliëntondersteuning. Samenvatting van een haalbaarheidsonderzoek naar de meetbaarheid van door de cliënt ervaren effecten

Effecten van cliëntondersteuning. Samenvatting van een haalbaarheidsonderzoek naar de meetbaarheid van door de cliënt ervaren effecten Effecten van cliëntondersteuning Samenvatting van een haalbaarheidsonderzoek naar de meetbaarheid van door de cliënt ervaren effecten MEE Nederland, 4 februari 2014 1. Inleiding In deze samenvatting beschrijven

Nadere informatie

Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken Medi-Mere Stad (Bartok)

Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken Medi-Mere Stad (Bartok) Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken Medi-Mere Stad (Bartok) Deze rapportage kunt u plaatsen in uw Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken werkmap achter tabblad 5. Denkt u eraan deze werkmap

Nadere informatie

CarePower Cliënttevredenheidsonderzoek Carepower 2010

CarePower Cliënttevredenheidsonderzoek Carepower 2010 CarePower Cliënttevredenheidsonderzoek Carepower 2010 Datum : 01-02-2011 Auteur : Versie : 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Vraagstelling 4. De onderzoeksresultaten. Samenvatting

Nadere informatie

Toolkit Cliëntenparticipatie Zorg en Welzijn

Toolkit Cliëntenparticipatie Zorg en Welzijn Toolkit Cliëntenparticipatie Zorg en Welzijn De toolkit Cliëntenparticipatie Zorg en Welzijn bevat vier praktische instrumenten om samen met cliënten te werken aan verbetering of vernieuwing van diensten

Nadere informatie

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra. Vervolgmeting. Rapportage Gezondheidscentrum Maarn-Maarsbergen

Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra. Vervolgmeting. Rapportage Gezondheidscentrum Maarn-Maarsbergen Door Cliënten Bekeken voor Gezondheidscentra Vervolgmeting Rapportage Gezondheidscentrum Maarn-Maarsbergen ARGO BV 2014 Vervolgmeting Door Cliënten Bekeken In het gezondheidscentrum is een vervolgmeting

Nadere informatie

Rapport. Cardiovasculair risicomanagement. Simvastatine: keuze en dosering 2009-2010

Rapport. Cardiovasculair risicomanagement. Simvastatine: keuze en dosering 2009-2010 Rapport Cardiovasculair risicomanagement Simvastatine: keuze en dosering 2009-2010 Colofon Auteur Daniëlla Theunissen, apotheker Met medewerking van Marianne Nijpels, apotheker Illustratie Len Munnik september

Nadere informatie

Onderzoek klanttevredenheid Proces klachtbehandeling 2011... Antidiscriminatievoorziening Limburg

Onderzoek klanttevredenheid Proces klachtbehandeling 2011... Antidiscriminatievoorziening Limburg Proces klachtbehandeling 2011................................................................... Antidiscriminatievoorziening Limburg Mei 2012...................................................................

Nadere informatie

Onderzoek tevredenheid medewerkers FICTIEF. 2012 Rapportage. Walvis ConsultingGroep Amersfoort, maart 2012 Onderzoeker: drs.

Onderzoek tevredenheid medewerkers FICTIEF. 2012 Rapportage. Walvis ConsultingGroep Amersfoort, maart 2012 Onderzoeker: drs. Onderzoek tevredenheid medewerkers FICTIEF 2012 Rapportage Walvis ConsultingGroep Amersfoort, maart 2012 Onderzoeker: drs. Ronald Zwart Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding en leeswijzer... 3 1.1 Inleiding:

Nadere informatie

samenvatting 127 Samenvatting

samenvatting 127 Samenvatting 127 Samenvatting 128 129 De ziekte van Bechterew, in het Latijn: Spondylitis Ankylopoëtica (SA), is een chronische, inflammatoire reumatische aandoening die zich vooral manifesteert in de onderrug en wervelkolom.

Nadere informatie

Onderzoek Passend Onderwijs

Onderzoek Passend Onderwijs Rapportage Onderzoek passend onderwijs In samenwerking met: Algemeen Dagblad Contactpersoon: Ellen van Gaalen Utrecht, augustus 2015 DUO Onderwijsonderzoek drs. Liesbeth van der Woud drs. Tanya Beliaeva

Nadere informatie

Het motorisch onhandige kind

Het motorisch onhandige kind Workshop Het motorisch onhandige kind Signalering en doorverwijzing door de leerkracht 01-10-2014 Ester Litjens, Ergotherapeute Pia Hoezen, Kinderfysiotherapeute (Master Pediatric Physical Therapy MPPT)

Nadere informatie

RAPPORTAGE ONDERZOEK CLIËNTTEVREDENHEID 2009. april 2009, uitgevoerd door: www.xs2quality.nl info@xs2quality.nl

RAPPORTAGE ONDERZOEK CLIËNTTEVREDENHEID 2009. april 2009, uitgevoerd door: www.xs2quality.nl info@xs2quality.nl RAPPORTAGE ONDERZOEK CLIËNTTEVREDENHEID 2009 april 2009, uitgevoerd door: www.xs2quality.nl info@xs2quality.nl INHOUDSOPGAVE Inleiding 3 Onderzoeksvariabelen - Algemene gegevens 4 - Contact en omgang 6

Nadere informatie

Protocol Kinderoefentherapie binnen een onderwijssetting 2014 versie 1.0

Protocol Kinderoefentherapie binnen een onderwijssetting 2014 versie 1.0 Protocol Kinderoefentherapie binnen een onderwijssetting 2014 versie 1.0 Een uitgave van VvOCM/ Platform Kinderoefentherapie Kaap Hoorndreef 56 3563 AV Utrecht Tel: (030)26 25 627 E-mail: info@vvocm.nl

Nadere informatie

Resultaat tevredenheidsonderzoek externe relaties Odion

Resultaat tevredenheidsonderzoek externe relaties Odion Resultaat tevredenheidsonderzoek externe relaties Odion Resultaat externe tevredenheidsmeting Pagina 1 Rinske Rill en Dea Bobeldijk. 21 mei 1 Inhoud Samenvatting... 1. Inleiding... 4 2. Aantallen respondenten...

Nadere informatie

Rapportage Dagbesteding en Vervoer. www.triqs.nl

Rapportage Dagbesteding en Vervoer. www.triqs.nl Rapportage Dagbesteding en Vervoer Versie 1.0.0 Juli 2012 Drs. J.J. Laninga DBV2.0 www.triqs.nl VOORWOORD Met genoegen bieden wij u hierbij de rapportage aan over de uitgevoerde meting. Deze rapportage

Nadere informatie

Tevredenheidsonderzoek diensten PGO Support

Tevredenheidsonderzoek diensten PGO Support Tevredenheidsonderzoek diensten PGO Support Esther Poort en Annemarie Venemans Maart, 2014 Leiden: De Onderzoekerij www.onderzoekerij.nl 1 1. Inleiding Deze rapportage beschrijft de resultaten van een

Nadere informatie

Klanttevredenheidsonderzoek Wmo - de kanteling. Gemeente Groesbeek Juni 2014

Klanttevredenheidsonderzoek Wmo - de kanteling. Gemeente Groesbeek Juni 2014 Klanttevredenheidsonderzoek Wmo - de kanteling Gemeente Groesbeek Juni 2014 Colofon Uitgave : I&O Research BV Zuiderval 70 7500 AN Enschede Tel. (053) 4825000 www.ioresearch.nl Rapportnummer : 2014/050

Nadere informatie

Managementsamenvatting

Managementsamenvatting Managementsamenvatting CQI Oncologie Generiek 2014 Significant Thorbeckelaan 91 3771 ED Barneveld +31 342 40 52 40 KvK 3908 1506 info@significant.nl www.significant.nl Stichting Miletus Barneveld, 18 juni

Nadere informatie

Rapport Thermometer cliëntwaarderingsonderzoek

Rapport Thermometer cliëntwaarderingsonderzoek Rapport Thermometer cliëntwaarderingsonderzoek RVZe: Fornhese Regio: Amersfoort Meetmoment: juni 2013 Meetprocedure: Thermometerweken Inleiding In juni 2013 is gedurende twee weken de Thermometer cliëntwaardering

Nadere informatie

Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012

Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012 Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012 Auteurs: Dr. Gert-n Meerkerk Dr. Tim M. Schoenmakers Rotterdam, november 2012 IVO Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen en

Nadere informatie

Patiëntervaringen met de huisartspraktijk. Huisartsenpraktijk van Wijngaarden

Patiëntervaringen met de huisartspraktijk. Huisartsenpraktijk van Wijngaarden Patiëntervaringen met de huisartspraktijk Rapportage voor: Huisartsenpraktijk van Wijngaarden te AMSTERDAM september 2015 ARGO BV www.argo-rug.nl INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1. INLEIDING... 5 1.1 Patiëntervaringen...

Nadere informatie

De invloed van de Monitor Fertiliteitszorg op de kiezende zorgconsument

De invloed van de Monitor Fertiliteitszorg op de kiezende zorgconsument De invloed van de Monitor Fertiliteitszorg op de kiezende zorgconsument Jolien van Heek : Marjan Faber : Jan Kremer : Hanneke Nusselder : Annique van de Lindeloof: IQ healthcare, UMC St. Radboud, Nijmegen

Nadere informatie

Zorgbarometer 7: Flexwerkers

Zorgbarometer 7: Flexwerkers Zorgbarometer 7: Flexwerkers Onderzoek naar de positie van flexwerkers in de zorg Uitgevoerd door D. Langeveld, MSc Den Dolder, mei 2012 Pagina 2 Het auteursrecht op dit rapport berust bij ADV Market Research

Nadere informatie

Wat vinden uw cliënten van de zorg thuis?

Wat vinden uw cliënten van de zorg thuis? Wat vinden uw cliënten van de zorg thuis? onderzoek naar ervaringen met de zorg Opdrachtgever: dr. D.H.M. Frijters D.J. Homberg, MSc dr. H.C.M. Kamphuis drs. S.J.W. de Kroon drs. J.J.A. Stavenuiter drs.

Nadere informatie

Tevredenheidsonderzoek schooljaar 2011/2012: een inspectiebreed beeld

Tevredenheidsonderzoek schooljaar 2011/2012: een inspectiebreed beeld Tevredenheidsonderzoek schooljaar 2011/2012: een inspectiebreed beeld 1. Inleiding De Inspectie van het Onderwijs voert al lange tijd tevredenheidsonderzoeken uit onder besturen en scholen in de sectoren

Nadere informatie

Online enquête Kennisplein Omgevingsvergunning

Online enquête Kennisplein Omgevingsvergunning Ministerie van VROM Kennisplein Omgevingsvergunning Online enquête Kennisplein Omgevingsvergunning Rijnstraat 8 Postbus 30945 2500 GX Den Haag Interne postcode IPC 660 http://omgevingsvergunning.vrom.nl

Nadere informatie

Uitgebreide toelichting van het meetinstrumenten

Uitgebreide toelichting van het meetinstrumenten 1 Uitgebreide toelichting van het meetinstrumenten Life Habits 22 September 2010 Review: 1) E. Bernges, M. Bertrand, L. Patelski 2) Sandra Joeris Invoer: Eveline van Engelen 1 Algemene gegevens Lichaamsregio

Nadere informatie

Medewerkerstevredenheidsonderzoek Fictivia 2008.V.

Medewerkerstevredenheidsonderzoek Fictivia 2008.V. Medewerkerstevredenheidsonderzoek Fictivia 2008.V. Opdrachtgever: Uitvoerder: Plaats: Versie: Fictivia B.V. Junior Consult Groningen Fictief 1 Inhoudsopgave Inleiding 3 Directieoverzicht 4 Leiderschap.7

Nadere informatie

Oordeel van patiënten over het bezoek aan de tandartspraktijk

Oordeel van patiënten over het bezoek aan de tandartspraktijk Oordeel van patiënten over het bezoek aan de tandartspraktijk KNMT Onderzoek & Informatievoorziening Nieuwegein juni 2015 Inleiding Sinds 2013 is de patiëntenenquête van de KNMT vernieuwd. 1 De organisatie

Nadere informatie

Onderzoeksresultaten. Pensioenbeleving deelnemers Stichting BMS Pensioenfonds. april 2011. 2010 Towers Watson. All rights reserved.

Onderzoeksresultaten. Pensioenbeleving deelnemers Stichting BMS Pensioenfonds. april 2011. 2010 Towers Watson. All rights reserved. Onderzoeksresultaten Pensioenbeleving deelnemers Stichting BMS Pensioenfonds april 2011 2010 Towers Watson. All rights reserved. Inhoud Context onderzoek Samenvatting Resultaten Communicatiemiddelen Uniform

Nadere informatie

Rapport Polisprofiel November 2015

Rapport Polisprofiel November 2015 Rapport Polisprofiel November 2015 1 2 Inhoudsopgave 1 Vragenlijst Polisprofiel... 4 1.1 Interpreteren van de resultaten... 4 1.2 Opzet... 4 2 Resultaten... 5 2.1 Profiel deelnemers... 5 2.2 Onderwerpen

Nadere informatie

Opzetten medewerker tevredenheid onderzoek

Opzetten medewerker tevredenheid onderzoek Opzetten medewerker tevredenheid onderzoek E: info@malvee.com T: +31 (0)76 7002012 Het opzetten en uitvoeren van een medewerker tevredenheid onderzoek is relatief eenvoudig zolang de te nemen stappen bekend

Nadere informatie

Percentage overstappers van zorgverzekeraar 3%. Ouderen wisselen nauwelijks van zorgverzekeraar

Percentage overstappers van zorgverzekeraar 3%. Ouderen wisselen nauwelijks van zorgverzekeraar Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (L. Vos & J. de Jong. Percentage overstappers van 3%. Ouderen wisselen nauwelijks van. Utrecht: NIVEL, 2009) worden gebruikt.

Nadere informatie

Klanttevredenheidsonderzoek DBC COPD - Eerste lijn (2011)

Klanttevredenheidsonderzoek DBC COPD - Eerste lijn (2011) Klanttevredenheidsonderzoek DBC COPD - Eerste lijn (2011) Inhoudsopgave Verslag 2-4 Grafieken 5-10 Samenvatting resultaten 11-16 Bijlage - Vragenlijst 17+18 Cohesie Cure and Care Hagerhofweg 2 5912 PN

Nadere informatie

Clienttevredenheid verslavingskliniek Solutions Voorthuizen, een tussenrapportage

Clienttevredenheid verslavingskliniek Solutions Voorthuizen, een tussenrapportage Clienttevredenheid verslavingskliniek Solutions Voorthuizen, een tussenrapportage Auteurs: Dr. Gert-n Meerkerk Dr. Tim M. Schoenmakers Rotterdam, december 2011 IVO Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen

Nadere informatie

De gegevens die worden gebruikt door de benchmark worden door de gemeente zelf aangeleverd. De burgerpeiling levert een deel van deze gegevens aan.

De gegevens die worden gebruikt door de benchmark worden door de gemeente zelf aangeleverd. De burgerpeiling levert een deel van deze gegevens aan. Burgerpeiling 2013 Eind 2013 is onder 2000 inwoners van de gemeente Noordoostpolder een enquete verspreid ten behoeve van de benchmark waarstaatjegemeente.nl. De enquete vormt een onderdeel van de benchmark.

Nadere informatie

Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012

Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012 Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012 Auteurs: Dr. Gert-n Meerkerk Dr. Tim M. Schoenmakers Rotterdam, oktober 2012 IVO Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen en Verslaving

Nadere informatie

Gemeente Woerden. Klanttevredenheid Wmo over 2013. 31 juli 2014

Gemeente Woerden. Klanttevredenheid Wmo over 2013. 31 juli 2014 Gemeente Woerden Klanttevredenheid Wmo over 2013 31 juli 2014 DATUM 31 juli 2014 TITEL Klanttevredenheid Wmo over 2013 ONDERTITEL OPDRACHTGEVER Gemeente Woerden Boulevard Heuvelink 104 6828 KT Arnhem Postbus

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Het is een uitdaging om ouderen te identificeren die baat kunnen hebben bij een interventie gericht op de preventie van beperkingen in het dagelijks leven op het moment dat dergelijke

Nadere informatie

Vrouwen In maatschappelijke Besluitvorming (VIB 2010) Onderzoeksverantwoording. Sociaal en Cultureel Planbureau

Vrouwen In maatschappelijke Besluitvorming (VIB 2010) Onderzoeksverantwoording. Sociaal en Cultureel Planbureau Vrouwen In maatschappelijke Besluitvorming (VIB 2010) Onderzoeksverantwoording In opdracht van: Sociaal en Cultureel Planbureau Datum: 20 augustus 2010 Referentie: 14665.PW/SD/ND GfK Panel Services Benelux

Nadere informatie

Hoe uiten klachten waarmee patiënten bij de fysiotherapeut komen zich? Factsheet Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg, 2011

Hoe uiten klachten waarmee patiënten bij de fysiotherapeut komen zich? Factsheet Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg, 2011 Dit factsheet is een uitgave van het NIVEL De gegevens mogen met bronvermelding worden gebruikt (Factsheet Hoe uiten klachten waarmee patiënten bij de fysiotherapeut komen zich? JA Barten, ICS Swinkels,

Nadere informatie

Kennis en rolopvatting van professionals gedurende Alcohol mij n zorg?!

Kennis en rolopvatting van professionals gedurende Alcohol mij n zorg?! Kennis en rolopvatting van professionals gedurende Alcohol mij n zorg?! Integrale aanpak vroegsignalering alcoholgebruik bij ouderen in de eerstelijn Drs. Myrna Keurhorst Dr. Miranda Laurant Dr. Rob Bovens

Nadere informatie

SAMENVATTING. Samenvatting

SAMENVATTING. Samenvatting SAMENVATTING. 167 Met de komst van verpleegkundigen gespecialiseerd in palliatieve zorg, die naast de huisarts en verpleegkundigen van de thuiszorg, thuiswonende patiënten bezoeken om te zorgen dat patiënten

Nadere informatie

Ervaringen thuiszorgcliënten V&V Huize het Oosten Gemeten met de CQI index

Ervaringen thuiszorgcliënten V&V Huize het Oosten Gemeten met de CQI index Ervaringen thuiszorgcliënten V&V Huize het Oosten Gemeten met de CQI index April 2014 Samenstelling: drs. Jeroen J. Haamers, Versie: april 2014 Inhoudsopgave 1. Inleiding 1 CQI-onderzoek; achtergrond en

Nadere informatie

Tevredenheid over MEE. Brancherapport 2011. Een onderzoek in opdracht van MEE Nederland. Marieke Hollander Betty Noordhuizen BA3913

Tevredenheid over MEE. Brancherapport 2011. Een onderzoek in opdracht van MEE Nederland. Marieke Hollander Betty Noordhuizen BA3913 Tevredenheid over MEE Brancherapport 2011 Een onderzoek in opdracht van MEE Nederland Marieke Hollander Betty Noordhuizen BA3913 Zoetermeer, 21 december 2011 De verantwoordelijkheid voor de inhoud berust

Nadere informatie

Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken Medi-Mere Poort

Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken Medi-Mere Poort Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken Medi-Mere Poort Deze rapportage kunt u plaatsen in uw Eerstelijns zorgcentra door Cliënten Bekeken werkmap achter tabblad 5. Denkt u eraan deze werkmap mee

Nadere informatie

Resultaten tevredenheidsonderzoeken cliënten en medewerkers

Resultaten tevredenheidsonderzoeken cliënten en medewerkers Resultaten tevredenheidsonderzoeken cliënten en medewerkers Ervaring in de driehoek Cello heeft in de periode mei juni van dit jaar onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen van cliënten, ouders / vertegenwoordigers

Nadere informatie

INSTRUMENTEN PATIËNTENPARTICIPATIE

INSTRUMENTEN PATIËNTENPARTICIPATIE INSTRUMENTEN PATIËNTENPARTICIPATIE JUNI 2013 Inleiding Er zijn verschillende instrumenten om patiëntenparticipatie toe te passen in de eerstelijnszorg. Patiëntenparticipatie is een onderwerp dat steeds

Nadere informatie

Onderscheid door Kwaliteit

Onderscheid door Kwaliteit Onderscheid door Kwaliteit 2010 Algemeen Binnen de intensieve overeenkomst fysiotherapie 2010 verwachten wij van u 1, en de fysiotherapeuten vallend onder uw overeenkomst, een succesvol afgeronde toets

Nadere informatie

OBS A.M.G. Schmidt 7 februari 2014

OBS A.M.G. Schmidt 7 februari 2014 OBS A.M.G. Schmidt 7 februari 2014 Managementrapportage Scholengemeenschap Veluwezoom wil periodiek meten hoe de tevredenheid is onder haar belangrijkste doelgroepen: leerlingen, ouders, leerkrachten en

Nadere informatie

Nederlanders aan het woord

Nederlanders aan het woord Nederlanders aan het woord Veteranen en de Nederlandse Veteranendag 2014 Trends, Onderzoek en Statistiek (TOS) Directie Communicatie Documentnummer: TOS-14-066a Belangrijkste inzichten Nederlander hecht

Nadere informatie

Informatiebrochure gebruik van de Flexibiliteits Index Test (FIT-60)

Informatiebrochure gebruik van de Flexibiliteits Index Test (FIT-60) Informatiebrochure gebruik van de Flexibiliteits Index Test (FIT-60) Auteurs: T. Batink, G. Jansen & H.R.A. De Mey. 1. Introductie De Flexibiliteits Index Test (FIT-60) is een zelfrapportage-vragenlijst

Nadere informatie

Werkbelevingsonderzoek 2013

Werkbelevingsonderzoek 2013 Werkbelevingsonderzoek 2013 voorbeeldrapport Den Haag, 17 september 2014 Ipso Facto beleidsonderzoek Raamweg 21, Postbus 82042, 2508EA Den Haag. Telefoon 070-3260456. Reg.K.v.K. Den Haag: 546.221.31. BTW-nummer:

Nadere informatie

Gemeente Landsmeer. Wmo-klanttevredenheid over 2013. 5 juni 2014

Gemeente Landsmeer. Wmo-klanttevredenheid over 2013. 5 juni 2014 Gemeente Landsmeer Wmo-klanttevredenheid over 2013 5 juni 2014 DATUM 5 juni 2014 TITEL Wmo-klanttevredenheid over 2013 ONDERTITEL OPDRACHTGEVER Gemeente Landsmeer Boulevard Heuvelink 104 6828 KT Arnhem

Nadere informatie

Resultaten vrijwilligerstevredenheidsonderzoek SZMK 2013

Resultaten vrijwilligerstevredenheidsonderzoek SZMK 2013 Resultaten vrijwilligerstevredenheidsonderzoek SZMK 21 Oktober 21 1 Inhoudsopgave H1 Inleiding H2 Aantal vrijwilligers per sector/locatie en respons H Resultaten vrijwilligerstevredenheidsonderzoek 21

Nadere informatie

Evaluatierapport. Workshop. Bewust en positief omgaan met ADHD. Universiteit van Tilburg Forensische psychologie. 23 april 2010

Evaluatierapport. Workshop. Bewust en positief omgaan met ADHD. Universiteit van Tilburg Forensische psychologie. 23 april 2010 Evaluatierapport Workshop Bewust en positief omgaan met ADHD Universiteit van Tilburg Forensische psychologie 23 april 2010 Drs. Arno de Poorter (workshopleider) Drs. Anne van Hees (schrijver evaluatierapport)

Nadere informatie

Screening en behandeling van psychische problemen via internet. Viola Spek Universiteit van Tilburg

Screening en behandeling van psychische problemen via internet. Viola Spek Universiteit van Tilburg Screening en behandeling van psychische problemen via internet Viola Spek Universiteit van Tilburg Screening en behandeling van psychische problemen via internet Online screening Online behandeling - Effectiviteit

Nadere informatie

Individuele creatieve therapie als onderdeel van de oncologische revalidatie

Individuele creatieve therapie als onderdeel van de oncologische revalidatie Individuele creatieve therapie als onderdeel van de oncologische revalidatie Eveline Bleiker Minisymposium Oncologische Creatieve therapie in ontwikkeling 26 mei 2015 Achtergrond Even voorstellen Creatieve

Nadere informatie

Werkinstructie voor de CQI Naasten op de IC

Werkinstructie voor de CQI Naasten op de IC Werkinstructie voor de CQI Naasten op de IC 1. De vragenlijst Waarvoor is de CQI Naasten op de IC bedoeld? De CQI Naasten op de IC is bedoeld is bedoeld om de kwaliteit van de begeleiding en opvang van

Nadere informatie

Hoofdstuk 1. Inleiding.

Hoofdstuk 1. Inleiding. 159 Hoofdstuk 1. Inleiding. Huisartsen beschouwen palliatieve zorg, hoewel het maar een klein deel van hun werk is, als een belangrijke taak. Veel ongeneeslijk zieke patiënten zijn het grootse deel van

Nadere informatie