16 augustus 2004, 72e jaargang, nr. 8. Actualiteiten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "16 augustus 2004, 72e jaargang, nr. 8. Actualiteiten"

Transcriptie

1 U I T G A V E V A N H E T B U R E A U V O O R D E I N D U S T R I E } L E E I G E N D O M augustus 2004, 72e jaargang, nr. 8 I N H O U D Actualiteiten Voor-voorgebruik en kwade trouw (blz. 347). Jurisprudentie inbreukmakende handelingen, doch toekomstige handelingen moeten zonder twijfel inbreuk op verbod opleveren; merkinbreuk door plakken sticker over de laatste twee letters van het merk, waardoor de reputatie van het merk kan worden geschaad; ompakker mag niet de onjuiste indruk wekken dat merkhouder met ompakken heeft ingestemd). Rechterlijke uitspraken 3 Modelrecht 1 Octrooirecht Geen 2 Merkenrecht Nr. 51 Hof s-gravenhage, 5 juni 2003, Nauta Dutilh/ Lensen Advocaten e.a. (stip van Nauta is niet geschikt om diensten van een onderneming te onderscheiden; veronderstellenderwijs er van uitgegaan dat door gebruik de stip onderscheidend vermogen heeft verkregen; de stip van Lensen met toevoeging van Lensen en advocaten stemt niet overeen; de stip van Nauta is geen sterk of bekend merk). Nr. 52 Hof Arnhem, 30 okt. 2001, Nauta Dutilh/Nysingh Dijkstra De Graaf (de stip is niet geschikt om te onderscheiden; mogelijk heeft de stip door inburgering onderscheidend vermogen gekregen). Nr. 56 Hof s-gravenhage, 27 maart 2003, Johntoy/ Toyservice Nederland (springtouwhandgreep heeft generieke vorm en banaal uiterlijk; publiek zal handgreep niet als onderscheidingsteken zien; wel onnodige verwarring en onrechtmatig handelen). 4 Auteursrecht Nr. 57 Hof s-gravenhage, 4 sept. 2003, Church of Spritual Technology e.a./dataweb e.a. (werken van Scientology niet rechtmatig openbaar gemaakt ; leden hadden geen toestemming werken te verspreiden onder derden; openbaarmaking middels Fishman Affadavit niet met toestemming Scientology en dus niet rechtmatig; beroep op art. 10 EVRM slaagt, auteursrecht moet i.c. wijken voor belang informatievrijheid; verbod afgewezen) (met noten A.A. Q.). 5 Onrechtmatige daad Nr. 53 Hoge Raad, 14 nov. 2003, Flügel Enterprises/W&S Company (feitelijke vaststelling door Hof dat een rood wodkadrankje noodzakelijkerwijs de kleur rood heeft en dat de vorm van het flesje niet bijdraagt aan verwarringsgevaar; bij beoordeling verwarringsgevaar is de kleur rood terecht buiten beschouwing gelaten; punten van overeenstemming ondergeschikt). Nr. 54 Rechtbank s-gravenhage, 19 maart 2003, Flügel Enterprises/W&S Company (vormmerk Flügel-flesje sterk onderscheidend en ingeburgerd; overeenstemmende punten met inbegrip van de kleur rood zijn niet ondergeschikt, daarmee is het verwarringsgevaar gegeven; art. 13A, 1c BMW is ook van toepassing op soortgelijke waren). Nr. 55 Hoge Raad, 5 april 2002, Euromedica e.a./merck & Co. e.a. (in algemene termen verbod niet beperkt tot eerdere Nr. 58 Vzr. Rechtbank Arnhem, 18 maart 2004, Accell Group/Kon. Gazelle (mededeling s werelds eerste stadsfiets met verlichting zonder dynamo is onjuist en misleidend, niet de mededeling de enige met een perfecte zithouding ). Wetgeving Besluit van 6 juli 2004, houdende vaststelling van het tijdstip waarop de Rijksoctrooiwet vervalt (blz. 407). (Vervolg inhoud op pag. 346)

2 3 4 6 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S C O L O F O N Bijblad bij Verschijnt maandelijks, rond de 16e Abonnementsprijs: EUR 79, per jaar met inbegrip van het jaarregister; aan abonnees buiten Nederland wordt EUR 22,50 per jaar aan verzendkosten in rekening gebracht; prijs per los nummer EUR 7,90 Nieuwe abonnementen: gaan in bij het begin van een kalenderjaar; aan tussentijdse nieuwe abonnees worden de eerder verschenen nummers van de jaargang alsnog geleverd. Nieuwe aanmeldingen dienen, bij voorkeur schriftelijk, te worden gericht aan de administratie Beëindiging abonnement: door schriftelijke opzegging bij de administratie uiterlijk zes weken vóór het begin van een nieuw kalenderjaar. Zonder tijdige opzegging wordt het abonnement automatisch verlengd Administratie: Bureau voor de Industriële Eigendom, Patentlaan 3, Postbus 5820, 2280 HV Rijswijk (Z.H.) Telefoonnummer (070) , Faxnummer (070) , Rabobank Bankrekeningnummer Kopij: zoals artikelen en interessante uitspraken kunt u naar het redactie-adres sturen t.a.v. de secretaris Overname publicaties: na schriftelijke toestemming van de redactie De Industriële Eigendom Redactie: prof. mr. J.J. Brinkhof mr. J.L. Driessen dr. J.H.J. den Hartog jhr. mr. J.L.R.A. Huydecoper mr. P. Neleman prof. mr. C.J.J.C. van Nispen prof. mr. A.A. Quaedvlieg prof. mr. J.H. Spoor mr. P.J.M. Steinhauser mr. D.W.F. Verkade prof. mr. D.J.G. Visser mr. ir. J.H.F. Winckels Correspondenten: F. Henning-Bodewig (verbonden aan het Max-Planck-Institut, München) H. Laddie (mr. Justice, High Court London) R.J. Prins (advocaat te Parijs) Redactie-secretaris (waarnemend): mr. J.L. Driessen; Redactie-adres: Patentlaan 3, Postbus 5820, 2280 HV Rijswijk (Z.H.) Telefoonnr. (070) Telefax (070) Vormgeving en druk: DeltaHage bv, Den Haag Auteursrecht voorbehouden Berichten Cursus Handhaving van octrooirechten (blz. 408). Officiële mededelingen Register van octrooigemachtigden. Schikking van Madrid en Protocol. Laatste octrooi onder de Row (1910) uitgereikt.

3 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M A C T U A L I T E I T E N Voor-voorgebruik en kwade trouw Het Benelux-Gerechtshof heeft op 25juni jl. uitspraak gedaan in de zaak Unilever en Iglo-Mora tegen Artic en Frisia. In deze zaak had de Hoge Raad bij arrest van 23 januari 2003, BIE 2003, blz. 487 (no. 82), prejudiciële vragen van uitleg gesteld omtrent artikel 4, aanhef en onder 6 BMW. Het gaat om de kwestie of zogenaamd voor-voorgebruik van een merk zonder meer dan wel onder bepaalde omstandigheden tot gevolg heeft dat van kwade trouw bij het depot van dat merk door de voor-voorgebruiker geen sprake kan zijn. Het antwoord luidt: zonder meer. Het Hof overweegt in ovv : 19 In het in de eerste vraag bedoelde geval doet zich de situatie voor dat er sprake is van voorgebruik door een derde, terwijl die derde evenwel ten opzichte van de deposant niet de eerste gebruiker (de voorgebruiker) van het merk is, doch in die verhouding de deposant zelf de eerste gebruiker was (de voor-voorgebruiker). 20 Derhalve maakt de eerste gebruiker die het merk niet tijdig heeft gedeponeerd geen misbruik wanneer hij het merk alsnog deponeert. 21 Hieruit volgt dat er voor de derde/voorgebruiker geen grond is om zich te beroepen op de aanwezigheid van kwade trouw bij de deposant. A.G. Langemeijer had geconcludeerd tot verwijzing van de zaak naar het Europese Hof van Justitie, maar daartoe zag het Benelux-Gerechtshof dus geen reden. C.v. N. J U R I S P R U D E N T I E Nr. 51 Gerechtshof te s-gravenhage, 5 juni 2003* (Nauta Dutilh /Lensen Advocaten) Mrs. J.C. Fasseur-van Santen, A.D. Kiers-Becking en D. den Hertog Art. 1 BMW Rb.: De stip van Nauta is gewoon een stip, die op zichzelf voor juridische en fiscale diensten geen onderscheidend vermogen bezit. Echter, de stip van Nauta heeft zich door consequent, intensief en langdurig gebruik ontwikkeld tot een deugdelijk, zij het zwak onderscheidend merk. Hof: Het teken, de stip, is zodanig eenvoudig dat het niet geschikt is om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Het onderscheidend vermogen van een merk moet worden beoordeeld ten aanzien van de waren of diensten waarvoor de inschrijving van het merk is aangevraagd. Dit brengt echter niet mee dat een teken dat voor elke waar en dienst onderscheidend vermogen mist, als van huis uit onderscheidend moet worden aangemerkt om de enkele reden dat het ongebruikelijk is om de desbetreffende diensten met enig teken te onderscheiden. Dat het relevante publiek niet gewend is de herkomst van de onderhavige diensten af te leiden uit een teken, rechtvaardigt veeleer de conclusie dat het gebruik van een teken in de perceptie van het relevante publiek niet zal worden opgevat als zijnde geschikt om de desbetreffende dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming te onderscheiden. Het hof gaat er veronderstellerderwijs van uit dat de stip door het gebruik dat ervan is gemaakt onderscheidend vermogen heeft verkregen. Art. 13A, lid 1a, b en c BMW Rb.: De beschermingsomvang dient gerelateerd te worden aan het feit dat het gaat om een zwak merk. Daarbij gebruikt Lensen de stip uitsluitend als decoratief element. Gezien de beperkte beschermingsomvang en de wijze waarop de stip door Lensen wordt gebruikt is geen sprake van inbreuk op de merkrechten van Nauta. Art. 13A, lid 1a BMW Hof: Een teken is gelijk aan een merk wanneer het zonder wijziging of toevoeging alle bestanddelen van het merk afbeeldt of wanneer het in zijn geheel beschouwd verschillen vertoont die dermate onbeduidend zijn dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument ontsnappen. Het merk van Nauta bestaat uit een enkele stip. Niet gezegd kan worden dat de toevoeging van de woorden LENSEN en ADVOCATEN dermate onbeduidend is dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument kan ontsnappen. Art. 13A, lid 1b BMW Hof: Er is geen sprake van een zodanige overeenstemming met de solitaire stip van Nauta, dat door het gebruik van het teken bij de gemiddelde consument van de betrokken diensten directe of indirecte verwarring kan ontstaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat de stip van Nauta niet een sterk of bekend merk is geworden, waardoor een geringe mate van overeenstemming zou kunnen worden gecompenseerd. Dit geldt temeer nu blijkt dat door andere fiscale en juridische dienstverleners ook relatief grote stippen worden gebruikt in combinatie met woorden. Art. 13A, lid 1c BMW Hof: De stip van Nauta is geen bekend merk geworden in de zin van artikel 13A lid 1 sub c BMW. Van bekendheid is sprake wanneer het merk bekend is bij een aanmerkelijk deel van het publiek waarvoor de betrokken waren of diensten bestemd zijn. Het relevante publiek dient meer te omvatten dan slechts de kring van cliënten en potentiële cliënten van de betrokken kantoren. Nauta Dutilh te Amsterdam, appellante, procureur mr. H.J.A. Knijff, advocaat mr. W.A. Hoyng te Amsterdam, tegen 1 Lensen Advocaten BV te Terneuzen, * Cassatie ingesteld. Red.

4 3 4 8 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S Mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen, geïntimeerden, procureur mr. R.W. de Vos van Steenwijk, advocaat mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen. a Rechtbank te Middelburg, 28 juni 2000 (mr. B.A. Meulenbroek) 2 De feiten 2.1 Nauta Dutilh [eiseres; Red.] is een groot internationaal opererend advocaten- en notarissenkantoor. Door Nauta van Haersolte, rechtsvoorgangster van Nauta Dutilh, is op 19 januari 1988 een beeldmerk bestaande uit de afbeelding van een stip gedeponeerd, dat onder nummer in het Benelux-Merkenregister is ingeschreven voor de diensten het geven van fiscale adviezen door advocaten en notarissen en diensten van advocaten en notarissen. De inschrijving is sedertdien vernieuwd. Het beeldmerk is steeds intensief gebruikt in allerlei schriftelijke stukken en publiciteitsmateriaal van uiteenlopende aard. 2.2 Lensen is een klein advocatenkantoor dat zich voornamelijk richt op Zeeuwsch-Vlaanderen. Sinds 1996 wordt op schriftelijke stukken en in publiciteitsmateriaal een logo gebruikt bestaande uit de woorden LENSEN en ADVOCATEN waartussen een rode stip die ongeveer even groot is als de O. 2.3 Bij brief van 4 december 1998 heeft Nauta Dutilh Lensen verzocht af te zien van het gebruik van de stip. In juli en augustus 1999 is hierover tussen partijen enige correspondentie gevoerd. Lensen was, en is, niet bereid aan het verzoek van Nauta Dutilh te voldoen. 3 Het geschil (...) 4 De beoordeling 4.1 Beide partijen hebben verwezen naar een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 23 januari 1997 (Nauta Dutilh/Van Dort en Dito) en een vonnis van de rechtbank te Arnhem van 30 maart 2000 (Nauta Dutilh/Nysingh Dijkstra De Graaf) waarin eveneens het onderscheidend vermogen van het beeldmerk van Nauta Dutilh aan de orde was. In het arrest van 23 januari 1997 wordt onder meer het volgende overwogen: 4.8 Door dit consequente, intensieve en langdurige gebruik acht het hof voldoende aannemelijk geworden, dat de door Nauta Dutilh gedeponeerde stip, ondanks zijn eenvoud en elementaire vorm, bij het hier in aanmerking komende publiek bekendheid is gaan genieten als merk van het advocatenkantoor van Nauta Dutilh en aldus onderscheidend vermogen heeft verworven. Dat onderscheidend vermogen heeft deze stip, die zoals gezegd een naar zijn aard bescheiden teken is, evenwel naar het oordeel van het hof alleen verkregen voor zover deze specifiek en consequent wordt gebruikt als karakteristieke, herkenbare aanduiding van de door Nauta Dutilh verrichte diensten. Met name acht het hof deze ingeburgerde herkomstaanduidingsfunctie van de stip aanwezig bij het specifieke gebruik ervan, steeds in dezelfde grootte en op dezelfde plaats, op het briefpapier van Nauta Dutilh als hiervoor onder 4.3 omschreven. Dit geldt evenzeer voor het gebruik op vervolgvellen, waarop enkel de stip en niet de naam van Nauta Dutilh is afgedrukt. 4.9 Tegen dergelijk gebruik van de stip door derden kan Nauta Dutilh zich dan ook op grond van het haar toekomende merkrecht verzetten. Voor overige gebruikstoepassingen, dus anders dan onder 4.8 weergegeven, heeft in beginsel te gelden dat de stip als zodanig onvoldoende onderscheidend vermogen heeft om als merk te kunnen worden beschermd. Niet ieder gebruik van de stip kan door Nauta Dutilh worden gemonopoliseerd [...] Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de onder nummer gedeponeerde stip door voormeld stelselmatig gebruik, in het licht van de onderscheidende kracht ervan moet worden beoordeeld, zich heeft ontwikkeld tot een deugdelijk, zij het zwak onderscheidingsteken dat in verband met dat gebruik als merk ingeburgerd is geraakt. De beschermingsomvang van dit merk dient hieraan te worden gerelateerd. In het vonnis van 30 maart 2000 wordt onder meer het volgende overwogen: 4.5 Door dit consequente, intensieve en langdurige gebruik is de door Nauta gedeponeerde stip, ondanks zijn eenvoud en elementaire vorm, indeloopderjarengaanfungerenalskarakteristiekonderscheidingsteken en in zekere zin een eigen leven gaan leiden. De rechtbank acht het daarom voldoende aannemelijk dat de stip bij het hier in aanmerking komende publiek bekendheid is gaan genieten als merk van het kantoor van Nauta en aldus enig onderscheidend vermogen heeft verworven. 4.6 Dat onderscheidend vermogen van de stip is echter beperkt tot die gevallen waarin door de combinatie met de naamsvermelding van Nauta duidelijk is dat de stip afkomstig is van Nauta. Dit is met name het geval bij het specifieke gebruik ervan, steeds in dezelfde grootte en op dezelfde plaats, op het briefpapier en procespapier van Nauta, zoals hiervoor omschreven. Het geldt evenzeer voor vervolgvellen, waarop alleen de stip en niet de naam van Nauta is afgedrukt, maar waarbij de combinatie met het voorblad steeds duidelijk op de herkomst van Nauta duidt. Ook in andere gevallen, waar Nauta de stip gebruikt in combinatie met haar naam, al dan niet op enige afstand ervan, kan daaraan enig onderscheidend vermogen worden toegekend. Voorzover Nauta anders dan hiervoor omschreven gebruik maakt van een geïsoleerde stip, heeft de stip naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderscheidend vermogen om als merk te kunnen worden beschermd. Daarvoor is de stip als teken te eenvoudig, te elementair van vorm en als zodanig te algemeen in gebruik. 4.2 Bij het pleidooi heeft Nauta Dutilh mede naar aanleiding van deze uitspraken benadrukt dat het door haar gedeponeerde beeldmerk vanaf de aanvang onderscheidend vermogen bezat. Volgens haar gaat het hier om een voor juridische en fiscale diensten van een kantoor als dat van Nauta Dutilh ongebruikelijk, verrassend, ongewoon en enigszins prikkelend onderscheidingsteken: juist daardoor wordt een op zich bescheiden teken als een stip opvallend en dus onderscheidend, terwijl het door intensief gebruik nog aan kracht heeft gewonnen. In het taalgebruik verwijst het naar de uitdrukkingen als met stip en to the point. Nauta Dutilh kan zich niet vinden in de relativeringen in de twee geciteerde uitspraken, in die zin dat een verband wordt gelegd met het gebruik van haar naam of met de karakteristieke plaats ervan. Lensen heeft in dit verband naar voren gebracht dat het gebruik van een stip door een advocatenkantoor (ook) destijds niet zo bijzonder was en een aantal voorbeelden genoemd van kantoren die een of meer stippen gebruikten. 4.3 De rechtbank kan zich niet vinden in het standpunt van Nauta Dutilh met betrekking tot het onderscheidend vermogen van de door haar gedeponeerde stip. Het bijzondere, opvallende en daardoor onderscheidende van haar stip wordt door haar overdreven: het is en blijft gewoon een stip, die op zich zelf (ook) voor juridische en fiscale diensten nog

5 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M geen onderscheidend vermogen bezit. Iets anders is, of door inburgering enig onderscheidend vermogen is verworven. Wat dat aangaat sluit de rechtbank zich aan bij de geciteerde uitspraken en verwerpt zij op de daarin vermelde gronden die zij overneemt het primaire verweer van Lensen. 4.4 Voor wat betreft de consequenties hiervan sluit de rechtbank zich aan bij rechtsoverweging 4.10 van het arrest van 23 januari 1997: de beschermingsomvang dient gerelateerd te worden aan het feit dat het gaat om een zwak merk. In het onderhavige geval gaat het om de vraag of Nauta Dutilh zich op grond van dit merkrecht kan verzetten tegen het gebruik van een stip door Lensen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is betwist dat Lensen de stip uitsluitend gebruikt als onderdeel van haar logo met de woorden Lensen en Advocaten. De rechtbank beschouwt in deze combinatie de stip, anders dan Nauta Dutilh betoogt, als louter decoratief element. Gezien enerzijds de beperkte beschermingsomvang waarop Nauta Dutilh aanspraak kan maken en anderzijds de wijze waarop Lensen de stip gebruikt ziet de rechtbank daarin geen gebruik waartegen Nauta Dutilh zich op grond van haar merkrecht dan wel op enige andere door haar aangevoerde grond kan verzetten. Van aanhaken of verwatering als door Nauta Dutilh aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank om dezelfde redenen evenmin sprake. Dit betekent dat het subsidiaire verweer van Lensen opgaat en dat de vordering van Nauta Dutilh afgewezen dient te worden. Nauta Dutilh dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding. 5 De beslissing De rechtbank: wijst af de vordering van Nauta Dutilh; veroordeelt Nauta Dutilh in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Lensen begroot op ƒ 400, aan verschotten en op ƒ 2.580, aan salaris procureur. Enz. b Het Hof, enz. Beoordeling van het hoger beroep 1 De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis als vaststaand aangemerkte feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 2 Met de grieven beoogt Nauta Dutilh het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. 3 Nauta Dutilh (althans haar rechtsvoorgangster) heeft een donker gekleurd rondje/een relatief grote donkere stip hierna ook aan te duiden als de stip op 19 januari 1988 als beeldmerk gedeponeerd en vordert Lensen te bevelen elk gebruik van het beeldmerk van Nauta Dutilh en daarmee overeenstemmende tekens voor identieke of soortgelijke waren te staken en gestaakt te houden. Zij stelt daartoe dat Lensen door het gebruik van het teken LENSEN ADVOCATEN inbreuk maakt op haar merkrechten als bedoeld in artikel 13A, lid 1, onder a, b, c, en d, BMW en voorts onrechtmatig handelt. Onderscheidend vermogen 4 Partijen twisten over het onderscheidend vermogen van de stip. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stip van huis uit geen onderscheidend vermogen bezit en uitgegaan moet worden van een, door inburgering verkregen, zwak onderscheidend vermogen. 5Het hof is van oordeel dat de stip een teken is dat van huis uit elk onderscheidend vermogen mist. Het teken is zodanig eenvoudig dat het niet geschikt is om waren of diensten van een onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Hierbij is mede van belang dat relatief grote stippen, al dan niet in combinatie met andere tekens of tekst, gewoonlijk en op grote schaal gebruikt worden voor functionele doeleinden (om de aandacht te vestigen, als bullet points of als verbindingsteken tussen namen) of ter decoratie. Nauta Dutilh heeft aangevoerd dat het tot in het betrekkelijk recente verleden ongebruikelijk was om de diensten van juridische en fiscale dienstverleners met enig teken (of logo) te onderscheiden en dat Nauta Dutilh door haar diensten niettemin te onderscheiden door middel van een stip zich presenteert op een manier die als effectief onderscheidend moet worden opgevat. Voorzover Nauta Dutilh hiermee wil betogen dat de stip hierdoor van huis uit onderscheidend vermogen bezit, kan het hof haar niet volgen. Op zichzelf is juist dat het onderscheidend vermogen van een merk moet worden beoordeeld ten aanzien van de waren of diensten waarvoor de inschrijving van het merk is aangevraagd. Dat kan meebrengen dat een bepaald teken, dat voor bepaalde waren of diensten uitsluitend beschrijvend en niet onderscheidend is, voor andere waren of diensten wel onderscheidend kan zijn. Dit brengt echter niet mee dat een teken, dat naar het oordeel van het hof voor elke waar en dienst onderscheidend vermogen mist, als van huis uit onderscheidend moet worden aangemerkt om de enkele reden dat het ongebruikelijk is om de desbetreffende diensten met enig teken te onderscheiden. De stelling dat het relevante publiek niet gewend is om de herkomst van de onderhavige diensten af te leiden uit een (enig) teken, rechtvaardigt veeleer de conclusie dat het gebruik van een teken en zeker van een eenvoudig teken als een stip in de perceptie van het relevante publiek niet zal worden opgevat als zijnde geschikt om de desbetreffende dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming te onderscheiden. Tenslotte wijst het hof er nog op dat in de EXAMINATION GUIDELINES, 26/3/96 van de OHIM (Office for the Harmonisation of the Internal Market) onder ABSOLUTE GROUNDS FOR REFUSEL is vermeld: Simple designs such as circles or squares, whether on their own or in conjunction with descripive elements, are generally considered to be devoid of distinctive character. 6 Het bovenstaande neemt niet weg dat een teken, dat van huis uit onderscheidend vermogen mist, in relatie tot de waren of diensten onderscheidend vermogen kan krijgen door het gebruik dat ervan gemaakt is. Nauta Dutilh heeft gesteld dat zij haar merk al meer dan 10 jaar consequent gebruikt op al haar uitingen bij de verlening van haar diensten, dat zij ook overigens (in advertenties en in het kader van diverse acquisitie-activiteiten) de stip gebruikt, dat zij toch gauw 10-15% van alle (middel)grote bedrijven bedient en dat zij het grootste advocaten- en notarissenkantoor van de Benelux is. Nauta Dutilh stelt dat er sprake is van een sterk merk en het merk door inburgering een bekend merk (in de zin van artikel 13A, lid 1, sub c, BMW) is geworden.

6 3 5 0 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S Zij heeft zich daartoe beroepen op een bij grieven overgelegd rapport van een onderzoek door drs. P.H. van Westendorp van augustus De conclusie van dit onderzoek luidt dat 43% van de ondervraagde bedrijfsjuristen de stip spontaan identificeert als door Nauta Dutilh gebruikt (merk)teken. Uit het rapport blijkt dat in totaal 53 juristen zijn ondervraagd bij 28 grote bedrijven en instellingen in West-Nederland. Van bekendheid is sprake als het merk bekend is bij een aanmerkelijk deel van het publiek waarvoor de betrokken waren of diensten bestemd zijn. Mede gelet op de eigen stelling van Nauta Dutilh (in punt 13 van de grieven) dat het relevante publiek aanzienlijk meer omvat dan, bijvoorbeeld, de kring van cliënten en potentiële cliënten van de betrokken kantoren, is het hof van oordeel dat voormelde stellingen en het resultaat van voormeld onderzoek veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid daarvan onvoldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van een sterk of bekend merk. Het hof gaat aan de stelling van Nauta Dutilh dat sprake is van een sterk of bekend merk als onvoldoende onderbouwd voorbij, nu zij daarvan geen concreet bewijs heeft aangeboden (zij heeft bij pleidooi in hoger beroep aangeboden te bewijzen 1.) dat het merk door inburgering in de gehele Benelux onderscheidend vermogen heeft verkregen (zonder dit aanbod te concretiseren) en 2.) dat het rapport een juiste weergave is van wat er daadwerkelijk (aan onderzoek) heeft plaatsgevonden). 7 In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het merk van huis uit geen onderscheidend vermogen bezit en dat het merk door het gebruik daarvan niet een sterk of bekend merk is geworden. Veronderstellenderwijs zal het hof er bij de beoordeling van de inbreukvraag van uitgaan dat de stip door gebruik normaal onderscheidend vermogen heeft verkregen. Merkinbreuk 8 Nauta Dutilh stelt dat Lensen inbreuk maakt op haar merkrechten als bedoeld in artikel 13A, lid 1, onder a, b, c, en d, BMW. Niet gesteld of gebleken is dat Lensen haar gewraakte stip anders gebruikt dan als onderdeel van het teken LENSEN ADVOCATEN. Lensen heeft onbetwist gesteld dat zij de stip nooit of te nimmer geïsoleerd gebruikt, maar steeds in combinatie met de woorden LENSEN en ADVOCATEN. Het door Lensen gebruikte teken dat bij de inbreukvraag in aanmerking moet worden genomen is dan ook het teken LENSEN ADVOCATEN in zijn geheel. Nauta Dutilh heeft zich (en in eerste aanleg aanvankelijk uitsluitend) op het standpunt gesteld dat Lensen het teken LENSEN ADVOCATEN gebruikt als merk, ter onderscheiding van diensten, hetgeen vereist is voor een beroep op het bepaalde in de artikelen 13A, lid 1, sub a, b en c, BMW. Dat (daarnaast) sprake is van ander gebruik, zoals vereist voor een beroep op artikel 13A, lid 1, sub d BMW heeft zij naar het oordeel van het hof niet voldoende onderbouwd. Bij pleidooi in hoger beroep heeft haar raadsman bovendien gesteld (in noot 17, pagina 23 pleitnotities) dat er zijns inziens geen sprake is van ander gebruik. Artikel 13A, lid 1, sub a BMW 9 Artikel 13A, lid 1, sub a, BMW bepaalt dat de merkhouder zich kan verzetten tegen elk gebruik, dat in het economische verkeer van het merk wordt gemaakt voor de(zelfde) waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven. Het Hof van Justitie EG heeft ten aanzien van het met artikel 13A, lid 1, sub a, BMW overeenstemmende artikel 5, lid 1, sub a van de Eerste Richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten hierna: de Richtlijn in zijn uitspraak van 20 maart 2003 inzake LTJ Diffusion SA/Sadas Verbaudet SA het volgende (in rechtsoverwegingen 50 tot en met 54) overwogen: Het criterium van gelijkheid tussen teken en merk moet strikt worden uitgelegd. De definitie van het begrip gelijkheid houdt immers als zodanig in dat de twee vergeleken bestanddelen in elk opzicht overeenstemmen. De absolute bescherming die artikel 5, lid 1, sub a, van de richtlijn verleent, wanneer een teken dat gelijk is aan het merk wordt gebruikt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, kan overigens niet worden uitgebreid tot situaties waarvoor zij niet bedoeld is, in het bijzonder niet tot die situaties waarin een specifieke bescherming geldt op grond van artikel 5, lid 1, sub b, van de richtlijn. Een teken is dus gelijk aan een merk wanneer het zonder wijziging of toevoeging alle bestanddelen het merk afbeeldt. (...) Aangezien de waarneming van gelijkheid van een teken en een merk niet berust op een rechtstreekse vergelijking van alle kenmerken van de vergeleken bestanddelen, kunnen onbeduidende verschillen tussen een teken en een merk aan de aandacht van de gemiddelde consument ontsnappen. Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 5, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een teken gelijk is aan een merk wanneer het zonder wijziging of toevoeging alle bestanddelen van het merk afbeeldt, of wanneer het in zijn geheel beschouwd verschillen vertoont die dermate onbeduidend zijn dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument kunnen ontsnappen. In casu gaat het om het merk van Nauta Dutilh dat bestaat uit een enkele stip, terwijl Lensen gebruik maakt van het teken LENSEN ADVOCATEN. Niet gezegd kan worden dat de toevoeging van de woorden LENSEN en ADVOCATEN dermate onbeduidend is dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument (van de onderhavige diensten) kan ontsnappen. Het beroep op artikel 13A, lid 1, sub a, BMW faalt dan ook. Artikel 13A, lid 1, sub b, BMW 10 Voor een geslaagd beroep op artikel 13A, lid 1, sub b, BMW is vereist dat het door Lensen gebruikte teken LEN- SEN ADVOCATEN zodanig met het merk (de stip) van Nauta Dutilh overeenstemt dat door het gebruik van dat teken bij het in aanmerking komende publiek de gemiddelde, normaal geïnformeerde, oplettende en omzichtige consument van de betrokken diensten (hierna: de gemiddelde consument) directe of indirecte verwarring kan ontstaan. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat bij de waardering van de uitkomst van de vergelijking van het merk en het teken meer gewicht dient te worden gehecht aan de punten van overeenstemming dan aan de punten van verschil en dat het verwarringsgevaar globaal dient te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient te berusten op het

7 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M totaalbeeld dat door het betrokken merk en teken wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Ook dient rekening te worden gehouden met het onderscheidend vermogen en, in verband daarmee, de mate van bekendheid van het merk en de door derden gebruikte tekens in verband met soortgelijke diensten. De rechter moet het verwarringsgevaar, waarvan het bewijs moet worden geleverd, positief vaststellen. 11 Het hof is van oordeel dat van het door Lensen gebruikte teken het woord LENSEN het (meest) onderscheidende en dominerende bestanddeel vormt. Het gaat hier immers om een eigennaam. Daarnaast valt het woord ADVOCATEN op door de lengte van het woord. Mede doordat de stip tussen de in hoofdletters gedrukte woorden LENSEN en ADVOCA- TEN is geplaatst en ongeveer even groot is als de letters van deze woorden, is die stip voor het totaalbeeld van ondergeschikte betekenis en zal die stip door het relevante publiek veelal worden opgevat als een verbindingsteken of decoratief element. Het totaalbeeld wordt derhalve in het bijzonder bepaald door het woord LENSEN en in mindere mate door het woord ADVOCATEN. Hieraan kan niet, althans onvoldoende afdoen dat een deel van het publiek een (vage/ onvaste) herinnering aan de (solitaire) stip van Nauta Dutilh met zich meedraagt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen sprake is van zodanige overeenstemming met de solitaire stip van Nauta Dutilh, dat door het gebruik van het teken bij de gemiddelde consument van de betrokken diensten directe verwarring of indirecte verwarring kan ontstaan. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de stip van Nauta Dutilh niet een bekend of sterk merk is geworden, waardoor een geringe mate van overeenstemming zou kunnen worden gecompenseerd. Hetgeen hiervoor is overwogen geldt temeer, nu uit door Lensen in het geding gebrachte stukken blijkt dat door andere juridische en fiscale dienstverleners ook relatief grote stippen werden en worden gebruikt in combinatie met woorden. Nauta Dutilh heeft terzake van het verwarringsgevaar geen concreet bewijs aangeboden. Het bovenstaande brengt mee dat ook het beroep op artikel 13A, lid 1, sub b, BMW faalt. Artikel 13A, lid 1, sub c, BMW 12 Het beroep op artikel 13A lid 1, sub c BMW faalt reeds omdat ervan moet worden uitgegaan dat, zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is overwogen, geen sprake is van een bekend merk in de zin van die bepaling. goodwill van dat merk, afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen van dat merk en gevaar voor verwarring en/ of associatie veroorzaakt. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is er geen sprake van verwarringsgevaar. Lensen heeft betwist dat zij aanhaakt, profiteert, afbreuk doet of associatiegevaar veroorzaakt. Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de verschillen tussen de solitaire stip van Nauta Dutilh en het door Lensen gebruikte teken en over het gebruik door aanbieders van soortgelijke diensten van relatief grote stippen, alsmede gelet op de niet betwiste stelling van Lensen dat het werkgebied van haar kantoor nagenoeg alleen Zeeuws-Vlaanderen is, hetgeen niet een markt is waarop Nauta Dutilh buitengewoon actief is, had het op de weg gelegen van Nauta Dutilh om haar stellingen nader te onderbouwen. Nauta Dutilh heeft terzake ook geen bewijs aangeboden. Bovendien heeft zij niet, althans niet voldoende onderbouwd, gesteld waarom het gestelde aanhaken, profiteren, afbreuk doen en associatie(gevaar) veroorzaken in dit geval onrechtmatig zou zijn. In het licht van het bovenstaande gaat het hof aan de stelling van Nauta Dutilh dat Lensen onrechtmatig handelt als onvoldoende onderbouwd voorbij. 16 Op het beroep van Lensen op nietigheid van het merk en op rechtsverwerking behoeft niet meer te worden ingegaan. 17 Het bovenstaande brengt mee dat de vordering van Nauta Dutilh ook naar het oordeel van het hof dient te worden afgewezen. De grieven kunnen derhalve niet tot vernietiging leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van Nauta Dutilh in de kosten van het hoger beroep. Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank te Middelburg van 28 juni 2000; veroordeelt Nauta Dutilh in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lensen begroot op 2.528,55 en verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; enz. Artikel 13A, lid 1, sub d, BMW 13 Het beroep op artikel 13A, lid 1, sub d, BMW faalt reeds omdat, zoals hiervoor in rechtsoverweging 8 is overwogen, onvoldoende gemotiveerd gesteld is dat sprake is van ander gebruik. 14 Het hof is derhalve van oordeel dat Lensen door het gebruik van het teken LENSEN ADVOCATEN geen inbreuk maakt op de onderhavige merkrechten van Nauta Dutilh. 15Nauta Dutilh heeft nog gesteld dat Lensen onrechtmatig handelt. Zij stelt daartoe dat Lensen aanhaakt aan de bekendheid van de stip van Nauta Dutilh, profiteert van de

8 3 5 2 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S Nr. 52 Gerechtshof te Arnhem, 30 oktober 2001* (stip van Nauta vs. stip van Nysingh) Mrs. A.P.M. Houtman, A.M.C. Groen en C.M. Hilverda Art. 1 BMW De onderhavige stip ontbeert op zichzelf een zodanig individueel karakter dat dit teken geschikt zou zijn om de diensten van Nauta te onderscheiden van soortgelijke diensten van andere ondernemingen. Doordat Nauta consequent, op ruime schaal, intensief en langdurig gebruik heeft gemaakt van de stip is het mogelijk dat dit teken alsnog door inburgering voldoende onderscheidend vermogen heeft verkregen, namelijk indien een aanzienlijk deel van het publiek waarvoor de onder dat teken aangeboden diensten zijn bestemd, de stip als een herkomstaanduiding van Nauta is gaan zien. Het hof neemt zich voor vragen te stellen aan het Benelux- Gerechtshof, onder meer of voor inburgering vereist is dat deze in de gehele Benelux of een wezenlijk deel van de Benelux heeft plaatsgevonden, dan wel in een aanmerkelijk deel van het grondgebied van een lidstaat van de Benelux; wat onder een wezenlijk deel van de Benelux respectievelijk een aanmerkelijk deel van het grondgebied is te verstaan; en wat onder een aanzienlijk deel van het relevante publiek moet worden verstaan. Nauta Dutilh te Amsterdam, appellante, incidenteel geïntimeerde, procureur mr. J.M. Bosnak, advocaat mr. J.H. Spoor te Amsterdam, tegen Nysingh Dijkstra De Graaff te Apeldoorn, geïntimeerde, incidenteel appellante, procureur mr. J.C.N.B. Kaal, advocaat mr. J.A.A. Oomens te Rotterdam. a Rechtbank te Arnhem, 30 maart 2000 (mrs. D.A. van Steenbeek, H. Wammes en A.W.M. van Hoof) 2 De vaststaande feiten 2.1 Nauta [eiseres; Red.] is een maatschap van advocaten en notarissen. (De rechtsvoorgangster van) Nauta heeft op 19 januari 1988 een beeldmerk, bestaande uit de afbeelding van een stip, bij het Benelux-Merkenbureau gedeponeerd. Het merk is onder nummer ingeschreven voor de klassen 36 (het geven van fiscale adviezen) en 42 (diensten van advocaten en notarissen). De inschrijving is in 1998 voor tien jaar vernieuwd. 2.2 Nauta gebruikt dit beeldmerk door afbeelding ervan op van haar kantoren uitgaande stukken. Op briefpapier en conclusies is de stip bovenaan de bladzijde geplaatst, ongeveer in het midden, terwijl links daarvan op enige afstand maar op dezelfde hoogte en in letters van ongeveer gelijke grootte de naam van Nauta staat. Op vervolgvellen wordt de stip telkens geïsoleerd afgebeeld op dezelfde plaats op de bladzijde. De stip heeft een donkergroene of zwarte kleur. Hieronder wordt een voorbeeld weergegeven. De stip is voorts afgebeeld op akten, visitekaartjes, nieuwsbrieven, informatiebulletins, uitnodigingen voor bijeenkomsten, advertenties en publiciteitsmateriaal, meestal in combinatie met de naam op enige afstand ervan, zij het niet altijd in dezelfde vlakverdeling, en soms geïsoleerd. * Zaak na dit tussenarrest geroyeerd. Red. 2.3 Nysingh is net als Nauta een maatschap van advocaten en notarissen. Zij treedt sinds het najaar van 1998 naar buiten met een huisstijl waarvan een stip onderdeel uitmaakt. De stip van Nysingh heeft in origineel een rode kleur. Deze stip is vrijwel steeds geplaatst onder de naam van de maatschap en tussen de woorden advocaten en notarissen. Het geheel staat op briefpapier en stukken alsmede op de vervolgvellen telkens rechts bovenaan de bladzijde. Alleen op de visitekaartjes wordt de rode stip tevens geïsoleerd afgebeeld. Hieronder wordt een afbeelding van de huisstijl en van een visitekaartje weergegeven. [hier niet weergegeven. Red.] 3 De vorderingen en het geschil in conventie en reconventie 3.1 Nauta stelt zich op het standpunt dat zij exclusief rechthebbende is ten aanzien van het beeldmerk van de stip. Door het gebruik van een stip in haar huisstijl maakt Nysingh inbreuk op dit exclusieve recht van Nauta. Hierdoor ontstaat gevaar voor verwarring tussen beide maatschappen en loopt Nauta het risico van verwatering van het beeldmerk. Op grond hiervan vordert Nauta in conventie Nysingh bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen elk gebruik van het beeldmerk van Nauta en van daarmee overeenstemmende tekens voor diensten, identiek of soortgelijk aan die waarvoor het beeldmerk gedeponeerd is, te staken en gestaakt te houden, met veroordeling van Nysingh in de proceskosten. 3.2 Nysingh voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van de vordering. Zij stelt in de eerste plaats dat de door Nauta onder de nummers en gedeponeerde merken nietig zijn, dat het beeldmerk van de stip onvoldoende onderscheidend vermogen heeft en dat Nauta zich daarom niet kan verzetten tegen het gebruik door Nysingh van een stip in haar huisstijl. Nysingh betwist verder dat er gevaar voor verwarring of voor verwatering zou bestaan. In reconventie vordert Nysingh het door Nauta onder nummers en ingeschreven stipmerk nietig te verklaren en doorhaling van de inschrijving te gelasten alsmede te verklaren voor recht dat Nysingh door gebruik van haar logo en huisstijl en het daartoe behorende stipelement geen inbreuk maakt op Nauta s merken (ingeschreven onder nummers , en ), met veroordeling van Nauta in de kosten van deze procedure. 4 De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie ambtshalve 4.1 De bevoegdheid tot kennisneming van de vordering terzake het merkrecht vloeit voort uit het bepaalde in artikel 37 onder A. van de Eenvormige Beneluxwet op de merken (BMW). nietigheid merk 4.2 Nysingh heeft betoogd dat het door Nauta gedeponeerde beeldmerk van de stip nietig zou zijn, omdat dit overeenstemt met het symbool van de Japanse vlag. Dit betoog gaat niet op. De Japanse vlag bestaat uit een (rode) stip van, in verhouding met de stip zoals Nauta die op haar briefpapier gebruikt, aanzienlijke omvang op een rechthoekig wit dundoek. Om overeenstemming met deze vlag aan te kunnen nemen, moet er gelijkenis zijn met die vlag in zijn totaliteit. De enkele kleine donkere stip van Nauta voldoet daar in het geheel niet aan.

9 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M geschiktheid als merk, onderscheidend vermogen en inburgering 4.3 Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag of een stip, zoals door Nauta bij het Benelux-Merkenbureau gedeponeerd, als merk in de zin van artikel 1 BMW beschouwd kan worden. De vraag die in dat verband moet worden beantwoord is of een enkele stip voldoende is om de diensten van Nauta te onderscheiden. 4.4 Vooropgesteld wordt dat de stip een eenvoudig teken met een zeer elementaire vorm is, dat niet onmiddellijk opvalt als individueel onderscheidingsteken. Onder omstandigheden kan een dergelijk bescheiden teken echter toch onderscheidende kracht toekomen. In dit verband is van belang dat Nauta (het beeldmerk van) de stip sinds 1990 consequent en op ruime schaal op al haar briefpapier, processtukken, notities, visitekaartjes, folders, bulletins, advertenties en andere, van haar afkomstige, stukken gebruikt. Ook heeft Nauta de stip duidelijk en zichtbaar op gevels van haar kantoor geplaatst. Voorts is van belang dat het teken wordt gebruikt voor specifieke diensten, namelijk voor het verlenen van diensten door advocaten en notarissen. Er is voor deze diensten geen andere stip als merk gedeponeerd en Nauta heeft stelselmatig bezwaar gemaakt tegen ieder gebruik door anderen van een stip voor soortgelijke diensten. Nauta gebruikt de stip doorgaans, maar niet altijd, in combinatie met haar naam. Geïsoleerd gebruik van de stip vindt consequent plaats op de vervolgvellen van haar briefpapier en van haar processtukken. Daarnaast wordt de stip incidenteel ook geïsoleerd gebruikt in andere gevallen, waaronder relatiegeschenken en door haar geplaatste advertenties. Daarbij valt echter steeds, door vermelding van de naam van Nauta op een andere plaats, uit het geheel op te maken dat de stip afkomstig is van Nauta. 4.5Door dit consequente, intensieve en langdurige gebruik is de door Nauta gedeponeerde stip, ondanks zijn eenvoud en elementaire vorm, in de loop der jaren gaan fungeren als karakteristiek onderscheidingsteken en in zekere zin een eigen leven gaan leiden. De rechtbank acht het daarom voldoende aannemelijk dat de stip bij het hier in aanmerking komende publiek bekendheid is gaan genieten als merk van het kantoor van Nauta en aldus enig onderscheidend vermogen heeft verworven. 4.6 Dat onderscheidend vermogen van de stip is echter beperkt tot die gevallen waarin door de combinatie met de naamsvermelding van Nauta duidelijk is dat de stip afkomstig is van Nauta. Dit is met name het geval bij het specifieke gebruik ervan, steeds in dezelfde grootte en op dezelfde plaats, op het briefpapier en procespapier van Nauta, zoals hiervoor omschreven. Het geldt evenzeer voor het gebruik op de vervolgvellen, waarop alleen de stip en niet de naam van Nauta is afgedrukt, maar waarbij de combinatie met het voorblad steeds duidelijk op de herkomst van Nauta duidt. Ook in andere gevallen, waar Nauta de stip gebruikt in combinatie met haar naam, al dan niet op enige afstand ervan, kan daaraan enig onderscheidend vermogen worden toegekend. Voorzover Nauta anders dan hiervoor omschreven gebruik maakt van een geïsoleerde stip, heeft de stip naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderscheidend vermogen om als merk te kunnen worden beschermd. Daarvoor is de stip als teken te eenvoudig, te elementair van vorm en als zodanig te algemeen in gebruik. merkinbreuk 4.7 Het voorgaande brengt met zich mee dat Nauta zich op grond van haar exclusieve recht kan verzetten tegen gebruik van de stip door Nysingh, indien komt vast te staan dat de door Nysingh gebruikte stip gelijk is aan die van Nauta of daarmee overeenstemt. 4.8 Nauta stelt zich kort gezegd op het standpunt: een stip is een stip. Dit gaat niet op. Nauta kan niet zonder meer iedere stip monopoliseren. Toegegeven wordt dat een stip altijd een rond meetkundig figuur is dat vanuit het middelpunt gemeten tot ieder punt op de rand even groot is. Toch kunnen ook stippen onderling van elkaar verschillen door variatie in kleur, grootte en gebruik. Juist door de eenvoud van de stip kunnen simpele aanpassingen relatief ingrijpend zijn en een volstrekt andere totaalindruk geven. 4.9 Bij een zo bescheiden teken als een stip moet daarom niet alleen gekeken worden naar het karakter van het teken, maar ook naar de uiterlijke presentatie en de wijze waarop van de stip gebruik gemaakt wordt. De stip van Nauta is donker(groen) of zwart van kleur. De grootte is telkens ongeveer even groot als de gebruikte lettertekens en zowel de letters als de stip zijn afhankelijk van het papierformaat groter of kleiner. De stip van Nysingh wordt nagenoeg uitsluitend ook op vervolgbladen gebruikt in combinatie met de naam van de maatschap en als scheidingsteken tussen de woorden advocaten en notarissen. Deze stip is rood van kleur en opvallend groter dan de lettertekens van de woorden advocaten en notarissen ervoor en erachter. De stip is in verhouding tot het gebruikte papierformaat ook groter dan de stip van Nauta. Waar de stip van Nauta als bescheiden valt aan te merken, moet de stip van Nysingh vet genoemd worden; de stip van Nysingh neemt op papier een veel preponderantere plaats in dan de stip van Nauta. Er zijn dus belangrijke verschillen tussen de stip van Nauta en de stip van Nysingh. De rode en grotere stip van Nysingh is niet identiek aan de kleinere donker gekleurde stip van Nauta. Daaruit volgt dat van gebruik van het merk van Nauta door Nysingh als bedoeld in artikel 13A, eerste lid, aanhef en onder a BMW geen sprake is Ook de vraag of er sprake is van overeenstemming tussen beide stippen moet op grond van het voorgaande ontkennend worden beantwoord. Van overeenstemming is sprake wanneer mede gezien de bijzondere omstandigheden van het geval en met name de onderscheidende kracht van het merk merk en teken, elk in zijn geheel en in onderling verband beschouwd, auditief visueel of begripsmatig zodanige gelijkenis vertonen dat reeds daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij iemand die met het teken van Nysingh wordt geconfronteerd verwarring tussen dat teken en het merk van Nauta ontstaat. Tegenover de uit de aard van een stip voortvloeiende overeenstemmende eigenschappen, zijn de onderlinge verschillen van de beide stippen en de duidelijk andere plaatsing en wijze van gebruik te groot om te kunnen concluderen dat merk en teken elk in zijn geheel beschouwd met elkaar overeenstemmen. Zelfs bij oppervlakkige beschouwing lijken de twee stippen niet op elkaar. Gevaar voor verwarring hoeft Nauta dan ook niet te vrezen. Dat geldt ook voor de door Nysingh op de visitekaartjes als sluitmechanisme gebruikte geïsoleerde stip. Hoewel in die situatie op het oog sprake lijkt te zijn van vergelijkbaar ge-

10 3 5 4 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S bruik (omdat het stipteken dat Nysingh hanteert, op die plaats los staat van de naam van de maatschap en niet wordt gehanteerd als koppelteken tussen de woorden advocaten en notarissen ), levert dat niet op dat er verwarringsgevaar ontstaat (omdat op dat kaartje óók de naam van de maatschap is geplaatst met daaronder de woorden advocaten en notarissen, gekoppeld door de rode stip die Nysingh in haar kantoorstijl hanteert). Zoals hiervoor al is overwogen lijkt de stip van Nysingh in het geheel niet op de stip van Nauta. Afgezien van de gelijke meetkundige eigenschappen is de stip van Nysingh vetter, anders van kleur en heeft deze stip een andere verhouding tot het papierformaat en de lettertekens. Het is bovendien door de naamsaanduiding elders steeds duidelijk dat de vette rode stip behoort bij Nysingh, net zoals Nauta steeds duidelijk maakt dat de kleine donkere stip van haar afkomstig is. Ook voor het overige zijn de door Nysingh gebruikte stippen niet als overeenstemmende tekens in de zin van de wet te beschouwen. Niet alleen is de omvang en de kleur van de stippen afwijkend, maar met name ook is de plaatsing ervan in directe combinatie met de naam van Nysingh van dien aard, dat niet valt aan te nemen dat hier bij het publiek de gedachte opkomt aan een onderscheidingsteken afkomstig van Nauta of een met haar gelieerde onderneming. Nauta kan zich dus evenmin op grond van artikel 13A, eerste lid, aanhef en onder b BMW verzetten tegen het stip-teken van Nysingh Het beroep van Nauta op de bescherming die artikel 13A, eerste lid, aanhef en onder c BMW biedt tegen verwatering van een merk door gebruik van een merk of overeenstemmend teken voor waren die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven, slaagt reeds niet, omdat Nysingh het stip-teken gebruikt voor dezelfde juridische diensten als waarvoor Nauta haar merk heeft gedeponeerd Op grond van al het voorgaande zal de vordering van Nauta worden afgewezen. Nauta zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. de beoordeling in reconventie 4.13 Uit het voorgaande volgt tevens dat de vordering in reconventie, voorzover die strekt tot nietigverklaring van het onder gedeponeerde beeldmerk van de stip zal worden afgewezen. De vordering tot verklaring voor recht dat Nysingh ten aanzien van dit beeldmerk geen inbreuk maakt is echter, gezien het voorgaande, wel voor toewijzing vatbaar Ten aanzien van de onder en ingeschreven merken van Nauta heeft Nysingh geen enkele informatie verstrekt. Het is dus onduidelijk in hoeverre de vorm en inhoud van dit merk gelijk zijn aan of afwijken van het merk dat onder nummer is ingeschreven. De vordering van Nysingh ten aanzien van deze beide merken zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. 4.15Aangezien partijen in reconventie ieder voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze. 5 De beslissing De rechtbank, In conventie wijst de vordering van Nauta af; veroordeelt Nauta in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Nysingh begroot op ƒ 2.580, (3 punten x ƒ 860, ) voor salaris van haar procureur en op ƒ 400, wegens griffierecht; verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; In reconventie verklaart voor recht dat het door Nysingh gebruikte stipteken in haar logo geen inbreuk maakt op het merkrecht van Nauta zoals dat is gedeponeerd bij het Benelux Merkenbureau onder nummer ; compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. Enz. b Het Hof, enz. 3 De vaststaande feiten Tegen de overwegingen van de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 inzake de vaststaande feiten zijn geen grieven gericht, zodat die feiten ook in hoger beroep vaststaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat Nauta op 8 mei 1990 bij het Benelux-Merkenbureau een woordbeeldmerk, bestaande uit de woorden NAUTA DUTILH en op enige afstand daarvan de afbeelding van een stip, heeft gedeponeerd onder nummer voor de klassen 36 (het geven van fiscale adviezen door advocaten en notarissen) en 42 (diensten van advocaten en notarissen). Voorts heeft Nauta op 10 januari 1996 bij het Benelux-Merkenbureau een beeldmerk van een stip gedeponeerd onder nummer , eveneens voor de klassen 36 (naast de voormelde diensten mede omvattend: diensten van belastingadviseurs) en 42. Dit beeldmerk is identiek aan het beeldmerk dat (de rechtsvoorgangster van) Nauta sinds 19 januari 1988 als beeldmerk heeft gedeponeerd bij het Benelux-Merkenbureau onder nummer , voor de klassen 36 (het geven van fiscale adviezen) en 42 (diensten van advocaten en notarissen). 4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep in het principaal en in het incidenteel appèl 4.1TussenpartijenisallereerstingeschilofdestipdieNauta als beeldmerk heeft gedeponeerd, onderscheidend vermogen heeft. 4.2 Het hof is van oordeel dat de stip geen onderscheidend vermogen heeft. De stip is een eenvoudig teken met een zeer elementaire vorm. Dit teken wordt in tal van aanduidingen gebruikt, waardoor het zich niet snel leent tot identificatie van waren of diensten. De onderhavige stip ontbeert op zichzelf een zodanig individueel karakter dat dit teken geschikt zou zijn om de diensten van Nauta te onderscheiden van soortgelijke diensten van andere ondernemingen en dus als herkomstaanduiding dienst te doen. Een stip zonder iets extra s is daarvoor te gewoon. De stelling van Nauta dat het hierna onder 4.4 te noemen onderzoek in de eerste plaats aantoont dat het stipmerk onderscheidend vermogen bezit, is in dit verband niet van belang, nu dit onderzoek slechts betrekking heeft op de hui-

11 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M dige situatie, dus na het aanhoudende en intensieve gebruik dat Nauta gedurende een reeks van jaren van de stip heeft gemaakt. 4.3 Doordat Nauta consequent, op ruime schaal, intensief en langdurig gebruik heeft gemaakt van de stip is het mogelijk dat dit teken alsnog door inburgering voldoende onderscheidend vermogen heeft verkregen, namelijk indien een aanzienlijk deel van het publiek waarvoor de onder dat teken aangeboden diensten zijn bestemd, de stip als een herkomstaanduiding van Nauta is gaan zien. Hierbij is van belang dat de stip wordt gebruikt voor specifieke diensten, namelijk het verlenen van diensten door advocaten en notarissen. 4.4 Volgens Nauta is de stip na 10 jaar een begrip geworden en herkent ruim 40% van de doelgroep de stip spontaan als onderscheidingsteken van Nauta. Nauta baseert dit op een marktonderzoek dat zij in de periode van half juni 2001 tot eind juli 2001 heeft laten uitvoeren onder een publiek van bedrijfsjuristen, te weten 53 bedrijfsjuristen van grote bedrijven en instellingen in West-Nederland (productie 17 van Nauta). Nauta verbindt daaraan de conclusie dat het stipmerk niet slechts onderscheidend vermogen bezit, maar dat het tevens een bekend merk is. 4.5Nysingh heeft een aantal bezwaren tegen voormeld onderzoeksrapport dat buiten haar om is totstandgekomen naar voren gebracht en betwist dat uit het onderzoeksrapport kan worden afgeleid dat de stip voldoende is ingeburgerd. In dit kader heeft Nysingh erop gewezen dat inburgering de gehele Benelux zou moeten betreffen en dat het onderzoeksrapport daaraan niet voldoet, omdat dit rapport beperkt is tot de regio West-Nederland. Voorts, aldus Nysingh, is er geen sprake van dat voor een aanzienlijk deel van het relevante publiek de stip een onderscheidingsfunctie heeft verkregen, omdat voor een aanzienlijk deel moet worden gedacht aan percentages van boven de 50%, terwijl volgens het onderzoeksrapport 43% van de ondervraagde bedrijfsjuristen de stip als afkomstig van Nauta heeft herkend en de ondervraagde bedrijfsjuristen in het geheel niet representatief zijn voor het voor de diensten van Nauta relevante publiek. Nysingh heeft ook bezwaar tegen de methode van onderzoek, onder meer is bij de vraagstelling aangegeven dat het getoonde teken wordt gebruikt als huisstijl door een maatschap van advocaten en notarissen. 4.6 In verband met het verweer dat inburgering de gehele Benelux zou moeten betreffen, wenst het hof de volgende vragen van uitleg te stellen aan het Benelux-Gerechtshof: a is voor erkenning van een merk door het verkrijgen van onderscheidend vermogen via inburgering vereist dat de inburgering in de gehele Benelux moet hebben plaatsgevonden? b indien vraag a ontkennend wordt beantwoord, is het dan voldoende dat die inburgering in een aanmerkelijk gedeelte van het grondgebied van een lidstaat van de Benelux heeft plaatsgevonden? c indien vraag b bevestigend wordt beantwoord, kan het Benelux-Gerechtshof nader preciseren wat onder een aanmerkelijk gedeelte van het grondgebied is te verstaan (bijvoorbeeld: méér dan de helft van het grondgebied van een lidstaat dan wel een of meer regio s)? d indien vraag b ontkennend wordt beantwoord, dient die inburgering dan in een wezenlijk deel van de Benelux te hebben plaatsgevonden en kan het Benelux-Gerechtshof nader preciseren wat daaronder is te verstaan (bijvoorbeeld: in ten minste één van de drie lidstaten of in wezenlijke delen van elk van de lidstaten)? e dient onder een aanzienlijk deel van het relevante publiek te worden verstaan: een meerderheid van dit publiek of kan het ook op een lager percentage betrekking hebben? 4.7 Partijen verschillen voorts van mening over de uitleg van artikel 13 A lid 1 onder c van de Eenvormige Beneluxwet op de merken, namelijk of dit artikel ook van toepassing is, indien het met het bekende merk overeenstemmende teken wordt gebruikt voor waren of diensten die (wèl) soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven. Het hof acht het wenselijk om ook die vraag voor te leggen aan het Benelux-Gerechtshof. 4.8 Alvorens daartoe over te gaan zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen van het hof om voormelde vragen van uitleg te stellen en om eventueel ook harerzijds nadere vragen voor te stellen. 4.9 Intussen zal elke verdere beslissing worden aangehouden. 5 De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: verwijst de zaak naar de rolzitting van 11 december 2001 voor uitlating door partijen bij akte zoals aangegeven in rechtsoverweging 4.8; houdt elke verdere beslissing aan. Enz. Nr. 53 Hoge Raad der Nederlanden, 14 november 2003* (kleur- en vormmerk Flügel -flesje II) Mrs. P. Neleman, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en E.J. Numann Art. 13A, lid 1 BMW De vaststelling van het hof dat W&S onbetwist heeft gesteld dat haar product een rood wodkadrankje is dat nu eenmaal noodzakelijkerwijs de in het geding zijnde kleur rood heeft, berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de stukken van het geding. Hetzelfde geldt voor de overweging dat het hof het verweer van W&S aldus begrijpt dat W&S stelt dat zij de rode kleur niet gebruikt ter onderscheiding van waren of diensten (als merk) en er dus geen sprake is van de haar verweten inbreuk als bedoeld in artikel 13A, lid 1 onder a en b BMW. Het hof heeft zijn oordeel kennelijk en niet onbegrijpelijk gebaseerd op de overweging dat de kleur van een product gewoonlijk wordt gezien als een eigenschap van dat product en niet als een onderscheidingsteken (vgl. HvJEG, 6 mei 2003, zaak C-104/01 (Libertel) BIE 16 juli 2004, nr. 50, blz. 305, nt. A.A.Q.). Dat een kleur wel onderscheidend vermogen kàn hebben doet hieraan niet af. Het hof heeft overwogen dat bij de beoordeling of er sprake is van verwarringsgevaar moet worden uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument van de betrokken * Zie ook Pres. Rb. s-gravenhage, 22 maart 2001, BIE 2002, nr. 71, blz Red.

12 3 5 6 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S soort producten. Het hof heeft de vraag onderzocht of zich in het onderhavige geval een uitzondering op dit uitgangspunt voordoet, omdat de producten van partijen (ook) worden verkocht in slecht verlichte gelegenheden, en heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval het publiek de rode kleur in het geheel niet als een element van de herkomstaanduiding van het product zal opvatten, maar uitsluitend als eigenschap van het product zelf. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de kleur rood niet behoort tot de relevante omstandigheden, waarmee bij de beoordeling van het verwarringsgevaar rekening moet worden gehouden. Door aan dit een en ander de slotsom te verbindendatdekleurroodbijdebeoordelingvanhetverwarringsgevaar buiten beschouwing moet worden gelaten, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft aannemelijk geacht dat meer soortgelijke drankjes worden aangeboden in doorzichtige 20 ml-flesjes die soortgelijk zijn aan het Flügel-flesje. Deze vaststelling van het hof berust op een aan het hof voorbehouden waardering van omstandigheden van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk is. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de vorm van het flesje niet een relevante omstandigheid is, waarmee bij de beoordeling van het verwarringsgevaar rekening moet worden gehouden. Het hof heeft het juiste criterium bij zijn beoordeling tot uitgangspunt genomen dat bij de vergelijking van het merk en Toppertje meer gewicht dient te worden toegekend aan de punten van overeenstemming dan aan de punten van verschil. Het hof heeft zonder miskenning van deze maatstaf kunnen oordelen dat in het onderhavige geval de punten van overeenstemming van zo ondergeschikte betekenis zijn dat de totaalindruk in hoofdzaak wordt bepaald door de van elkaar afwijkende etiketten die duidelijke direct opvallende verschillen vertonen, waarbij de volledig verschillende namen van de producten direct in het oog springen. De Hoge Raad verwerpt het beroep. A.G. mr. Huydecoper: Voor vaststelling van het hof dat de in het geding zijnde drankjes noodzakelijkerwijs een rode kleur hebben en dat het product van W&S rood is omdat het bestaat uit een combinatie van wodka met rode vruchtenschap, ontbreekt grondslag in de in de procedure gestelde feiten. Aangezien deze vaststelling niet houdbaar is, kon het hof niet tot het oordeel komen dat sprake is van een geldige reden voor het gebruik van de rode kleur van het product in de zin van artikel 13A, lid 1 sub d BMW. Concludeert tot vernietiging. Flügel Enterprises NV te Maassluis, eiseres tot cassatie, advocaat mr. W.E. Pors, tegen W&S Company BV te Wateringen, verweerster in cassatie, advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens. is voorts voorzien van een (fel)geel gekleurde dop. De achtergrond van het etiket is zwart van kleur, terwijl het etiket is voorzien van een gele rand. De letters op het etiket zijn wit. De op het etiket afgebeelde figuur is uitgevoerd in felle kleuren (paars en oranje). b Het Flügel-flesje ziet er als volgt uit: c Flügel heeft het flesje, zoals hierboven afgebeeld, op 16 november 2000 als vormmerk gedeponeerd bij het Benelux- Merkenbureau voor de klassen 32 en 33 (alcoholhoudende dranken). In dat depot worden de kleuren roze, oranje, geel, wit en zwart vermeld. Flügel heeft een overeenkomstig vormmerk op 23 april 2001 onder nummer geregistreerd. d In januari 2001 heeft W&S een roodgekleurde energydrink, bevattende wodka, in een flesje van 20 ml. op de markt gebracht onder de naam Surfertje. Dit flesje (hierna ook aan te duiden als: het Surfertje-flesje) was voorzien van een zwart etiket met een gele rand, waarop witte letters en een figuur in felle kleuren (geel en roze). Het Surfertje-flesje zag er als volgt uit: a President Rechtbank te s-gravenhage, 21 december 2001 (mr.j.w.dupon) De feiten 1 In dit kort geding kan van de volgende feiten worden uitgegaan: a Flügel [eiseres; Red.] brengt een zogenaamde energydrink op de markt, verpakt in een flesje (hierna ook te noemen: het Flügel-flesje) van 20 ml. De drank is (fel)rood van kleur en bevat (onder meer) wodka. Het flesje is transparant, waardoor de kleur van de drank goed zichtbaar is. Het flesje

13 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M e Bij vonnis in kort geding van 22 maart 2001 heeft de president dezer rechtbank (samengevat) W&S bevolen om elke inbreuk op de merkrechten en auteursrechten van Flügel, bestaande uit het aanbieden van het Surfertje-flesje, te staken en gestaakt te houden. Daartoe heeft de president onder meer het volgende overwogen: Inbreuk op merkrecht? (...) 8 Subsidiair beroept Flügel zich op artikel 13 A lid 1 onder b BMW. Ingevolge van dat artikel kan de merkhouder zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen elk gebruik dat in het economisch verkeer van het merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor waren waarvoor het merk is ingeschreven of voor soortgelijke waren, indien daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie wordt gewekt tussen merk en teken. De te hanteren maatstaf bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overeenstemmende tekens of merk en teken, globaal beoordeeld naar de totaalindruk die beide maken, auditief, visueel of begripsmatig, zodanige gelijkenis vertonen dat daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij het in aanmerking komende publiek verwarring wordt gewekt tussen merk en teken (directe verwarring) dan wel de indruk wordt gewekt dat enig verband bestaat tussen de rechthebbende op merk en teken (indirecte verwarring). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overeenstemming dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen. 9 Vaststaat dat het Surfertje-flesje in het economisch verkeer wordt gebruik voor dezelfde waren als waarvoor het merk van Flügel is ingeschreven. Voorst is op voorhand aannemelijk dat het merk van Flügel is te beschouwen als een sterk merk, gelet op de onbetwist grote omzet van het Flügel-flesje in de Benelux (16 miljoen flesjes per jaar). De omstandigheid dat een transparant flesje van 20 ml vrij verkrijgbaar is en als zodanig weinig onderscheidende kracht heeft waarop W&S terecht heeft gewezen doet aan de onderscheidende kracht als geheel van het merk niet af, nu die onderscheidende kracht wordt bepaald door de combinatie van het flesje met de kleurstelling van het product als geheel en de uitvoering van het etiket in het bijzonder. 10 Dat laatste in aanmerking genomen wordt voorshands geoordeeld dat het Surfertje-flesje moet worden aangemerkt als een met het merk overeenstemmend teken door het gebruik waarvan verwarringsgevaar ontstaat. Daartoe is redengevend dat niet alleen het formaat van het flesje en de kleur van de drank en de schroefdop van het Surfertje-flesje volstrekt overeenstemmen met het merk, doch ook de uitvoering van het etiket aanmerkelijk meer punten van overeenstemming vertoont dan punten van verschil. Immers stemmen overeen: - de kleur van het etiket (zwart) - de kleur (geel) en formaat van de rand van het etiket; - de kleur (wit) en de uitvoering (dansend) van de letters; - de aard van de afbeelding (een stripfiguur); - de kleurstelling van de afbeelding ( felle kleuren); - de positionering van de afbeelding (iets buiten het etiket tredend). 11 Door deze visueel overeenstemmende kenmerken is sprake van een zodanig overeenstemmende totaalindruk van merk en teken dat daardoor bij het in aanmerking komende publiek op zijn minst de indruk zal kunnen worden gewekt dat er enig verband bestaat tussen Flügel als rechthebbende op het merk en het Surfertje-flesje, waarmee het indirecte verwarringsgevaar is gegeven. De punten van verschil in het etiket (een gedeeltelijk andere tekst en een afwijkende figuur) doen daaraan niet af. 12 Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat de vordering van Flügel, voorzover gegrond op haar merkrecht, toewijsbaar is. Inbreuk op auteursrecht? 13 Voorlopig oordelend beroep Flügel zich terecht op een haar toekomend auteursrecht, zij het dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat een dergelijk auteursrecht zich verder uitstrekt dan tot het etiket van het Flügel-flesje. Het ontwerp van dat etiket valt immers aan te merken als een werk met een eigen oorspronkelijk karakter dat het persoonlijk stempel van de maker draagt. Gelet op de in r.o. 10 vermelde overeenkomsten tussen het etiket van het Surfertje-flesje en dat van het Flügel-flesje moet het etiket van het Surfertje-flesje worden aangemerkt als een verveelvoudiging in gewijzigde vorm van het ontwerp van het Flügel-etiket, zodat sprake is van inbreuk op het aan Flügel toekomende auteursrecht. De vordering van Flügel die er toe strekt aan die inbreuk een halt toe te roepen is dan ook toewijsbaar. f Naar aanleiding van voormeld kort gedingvonnis heeft W&S de productie en het verhandelen van het Surfertjeflesje gestaakt. In mei 2001 heeft W&S evenwel andermaal een roodgekleurde energy-drink, bevattende wodka, in een flesje van 20 ml. op de markt gebracht, ditmaal onder de naam Toppertje. Dit flesje (hierna ook aan te duiden als: het Toppertje-flesje) is voorzien van een geel etiket met een zwarte rand, met daarop het woord Toppertje in rode letters en dezelfde figuur in dezelfde kleuren als die op het Surfertje-flesje stond afgebeeld. Het Toppertje-flesje ziet er als volgt uit:

14 3 5 8 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S g Flügel heeft op 12 december 2001 bij het Benelux- Merkenbureau de kleuren rood en geel gedeponeerd voor waren in de klassen 32 (Bieren, minerale en gazeuse waren en andere alcoholvrije dranken; vruchtendranken en vruchtensappen; siropen en andere preparaten voor de bereiding van dranken) en 33 (Alcoholhoudende dranken, uitgezonderd bieren). De vordering, de grondslag daarvoor en het verweer 2 Flügel vordert (samengevat) dat W&S zal worden bevolen elke inbreuk op de merkrechten en auteursrechten van Flügel alsmede onrechtmatig handelen, bestaande uit het aanbieden van het Toppertje-flesje, te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom en met nevenvorderingen. 3 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten legt Flügel aan die vordering ten grondslag dat W&S door het verhandelen van het Toppertje-flesje inbreuk maakt op de merkrechten van Flügel alsmede op haar auteursrecht, althans jegens haar onrechtmatig handelt. 4 W&S heeft tegen de vordering van Flügel gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voorzover van belang, in het onderstaande nader worden ingegaan. Beoordeling van het geschil Inbreuk op merkrecht? 5De president stelt met toepassing van artikel 37 van de Benelux-Merkenwet (BMW) vast dat hij bevoegd is van de vordering kennis te nemen nu gedaagde in het arrondissement s-gravenhage is gevestigd. 6 Voorzover Flügel haar vordering mede heeft bedoeld te gronden op het te elfder ure (twee dagen voor de behandeling van dit kort geding) gedeponeerde kleurmerk bestaande in de combinatie rood/geel, gaat de president daaraan voorbij. In aanmerking genomen de jurisprudentie (onder meer van deze rechtbank) inzake kleurmerken moet het voorshands onwaarschijnlijk worden geacht dat een dergelijk depot tot een geldig merkrecht zal leiden. 7 De president neemt over en handhaaft al hetgeen hij in de vorige zaak heeft overwogen en beslist (zoals in het vorenstaande onder 1e weergegeven) omtrent de onderscheidende kracht van het merk van Flügel en het inbreukmakend karakter van het Surfertje-flesje. Het komt er in de onderhavige zaak derhalve op aan of W&S met het Toppertje-flesje wèl voldoende afstand heeft genomen van het merk van Flügel. 8 Voorshands oordelend beantwoordt de president die vraag bevestigend. Het etiket van het Toppertje-flesje vertoont een aantal in het oog springende verschillen met het merk van Flügel. De (hoofd)kleur van het etiket is verschillend (geel in plaats van zwart) en dat geldt ook voor de kleur van de rand van het etiket (zwart in plaats van geel). De letters zijn in een andere kleur gesteld (rood in plaats van wit) en de stripfiguur treedt niet buiten het etiket. Die verschillen, gevoegd bij de verschillen die ook al bij het Surfertje-flesje aanwezig waren (een ander woordmerk en een andere stripfiguur) maken dat er thans geen gevaar bestaat dat het in aanmerking komende publiek op grond van de totaalindruk van het Toppertje-flesje omtrent de herkomst daarvan in verwarring wordt gebracht. De nog bestaande overeenstemmende kenmerken in het etiket (waarbij het vooral gaat om het feit dat er een stripfiguur wordt afgebeeld in felle kleuren) is, tegenover de geconstateerde verschillen, onvoldoende om verwarringsgevaar uit te kunnen afleiden, en hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het gaat om een rode vloeistof in een flesje van een bepaald formaat met een gele dop, nu dit voor de betreffende waar kenmerken zijn met een aanzienlijk geringer onderscheidend vermogend dan de overige kenmerken van het vormmerk, waar het Surfertje-flesje nu juist (te zeer) mee overeenstemde. Flügel heeft nog gesteld dat er verwarringsgevaar zou bestaan in verband met nawerking door de gelijkenis van het Toppertje-flesje met het inbreukmakend geachte Surfertjeflesje, doch ook dat is een omstandigheid die de balans niet ten gunste van Flügel kan laten doorslaan. Daarbij is van belang dat W&S heeft aangevoerd dat het Surfertje-flesje slechts kort op de markt is geweest en Flügel daar geen gedocumenteerde feiten tegenover heeft gesteld die in een andere richting wijzen. 9 Uit het vorenoverwogene volgt dat de vordering van Flügel, voorzover gegrond op haar merkrecht, niet toewijsbaar is. Inbreuk op auteursrecht? 10 Ook hier handhaaft de president hetgeen in de vorige zaak is overwogen en beslist, meer in het bijzonder dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het aan Flügel toekomende auteursrecht zich verder uitstrekt dan tot het etiket van het Flügel-flesje. Gelet op de in het vorenstaande geconstateerde verschillen tussen het etiket van het Flügel-flesje en dat van het Toppertje-flesje kan het etiket van het Toppertje-flesje niet worden aangemerkt als een verveelvoudiging in gewijzigde vorm van het ontwerp van het Flügel-etiket. Er is dan ook voorshands niet gebleken van inbreuk op het aan Flügel toekomende auteursrecht, zodat de op dat recht gestoelde vordering van Flügel niet toewijsbaar is.

15 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M Onrechtmatige daad 11 Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden die tot het oordeel kunnen voeren dat het verhandelen van het Toppertje-flesje, afgezien van merk- en auteursrechten, jegens Flügel onrechtmatig is. Ook deze grondslag kan derhalve niet leiden tot toewijzing van de vordering van Flügel. Slotsom 12 De vordering van Flügel zal worden afgewezen met haar veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure. Beslissing: De president: Wijst de vordering af; Veroordeelt eiseres in de op deze procedure vallende kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op ƒ 427, aan verschotten en ƒ 1.550, aan procureurssalaris. Enz. b Gerechtshof te s-gravenhage, 28 maart 2002 (mrs. J.C. Fasseur-van Santen, A.D. Kiers-Becking en S.U. Ottevangers) Beoordeling van het hoger beroep 1 De door de president in rechtsoverweging 1 (a tot en met g) van het bestreden vonnis als vaststaand aangenomen feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 2 Voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep heeft Flügel melding gemaakt van twee in februari 2002 gedeponeerde merken, met de depotnummers en Onduidelijk is of Flügel haar vorderingen thans tevens mede wenst te baseren op deze merken, nu zij geen melding maakt van een eiswijziging. Op de behandeling van deze zaak in hoger beroep is het nieuwe procesrecht (Stb. 2001, 623) van toepassing, nu de appèldagvaarding na 1 januari 2002 is uitgebracht. Nu Flügel (de grondslag van) haar eis niet op de voorgeschreven wijze heeft gewijzigd, gaat het hof ervan uit dat zij haar vordering niet tevens op deze depots baseert. Kennelijk is ook W&S ervan uitgegaan dat geen sprake is van een eiswijziging nu zij niet op de nieuwe depots is ingegaan. Het hof zal derhalve deze nieuwe depots buiten beschouwing laten bij zijn beoordeling. Voor het geval daarover wegens de aard van dit kort geding anders moet worden geoordeeld, is het hof overigens van oordeel dat een zodanige eiswijziging wegens strijd met de goede procesorde (ambtshalve zoals 130 Rv (nieuw) mogelijk maakt) buiten beschouwing moet worden gelaten, nu W&S door het late moment waarop Flügel zich op deze depots heeft beroepen niet in staat is geweest daarop nog adequaat te reageren. 3 Grief 1 richt zich, kort gezegd, tegen de verwerping door de president van het beroep van Flügel op het op 12 december 2001 gedeponeerde rood/gele kleurmerk (depotnummer ). Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het onderhavige kleurmerk onderscheidend vermogen bezit en als merk kan dienen, overweegt het hof het volgende. W&S heeft onbetwist gesteld dat haar product een rood wodkadrankje is dat nu eenmaal noodzakelijkerwijs de in het geding zijnde kleur rood heeft. Ter nadere toelichting heeft zij gesteld dat haar drankje een combinatie is van wodka met rode vruchten- (bessen- en/of kersen-) sap. Het hof begrijpt dit verweer aldus, dat W&S stelt dat zij de rode kleur niet gebruikt ter onderscheiding van waren of diensten (als merk) en er dus geen sprake is van de haar verweten inbreuk als bedoeld in artikel 13A, lid 1, onder a en b, BMW. De wezenlijke functie van het merk is daarin gelegen dat aan de consument met betrekking tot de gemerkte waren (of diensten) de identiteit van de oorsprong wordt gewaarborgd, in dier voege dat hij deze zonder gevaar voor verwarring van waren (of diensten) van andere herkomst kan onderscheiden. Het hof acht voorshands aannemelijk dat het in aanmerking komende publiek de rode kleur van een rodevruchtendrankje ook niet zal aanmerken als (deel van) een onderscheidingsteken. De gemiddelde consument zal naar het voorlopig oordeel van het hof in het algemeen de kleur van een drank al niet snel opvatten als (deel van) een onderscheidingsteken, maar zeker niet als het gaat om de natuurlijke kleur van de vruchten waarvan de drank gemaakt is. Het bovenstaande brengt mee dat geen sprake is van gebruik voor (ter onderscheiding van) waren en diensten als bedoeld in artikel 13A, lid 1, onder a en b, BMW en de daarop gebaseerde vorderingen van Flügel niet kunnen slagen. Dit brengt mee dat de grief niet tot vernietiging kan leiden. Ook een beroep op artikel 13A, lid 1, sub d, BMW zou Flügel overigens niet baten, reeds omdat W&S een geldige reden voor het gebruik van de rode kleur heeft. 4 Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de president dat W&S door het op de markt brengen van Toppertje geen inbreuk maakt op de rechten van Flügel op het op 16 november 2000 gedeponeerde beeld (tevens vorm)merk van het gevulde flesje met etiket (Beneluxdepotnummer /inschrijvingsnummer ). Dit merk is ook internationaal gedeponeerd op 23 april Flügel stelt dat sprake is van inbreuk als bedoeld in artikel 13A, lid 1, sub b BMW. Het hof dient derhalve te beoordelen of Toppertje zodanig met dit merk van Flügel overeenstemt dat door het gebruik van Toppertje bij het publiek (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan, waarbij de rechter moet onderzoeken of reëel aantoonbaar verwarringsgevaar bestaat. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat bij de waardering van de uitkomst van de vergelijking van het merk en Toppertje meer gewicht dient te worden gehecht aan de punten van overeenstemming dan aan de punten van verschil en dat het verwarringsgevaar globaal dient te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient te berusten op de totaalindruk die door het betrokken merk en teken wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. De indruk die bij de gemiddelde consument van de betrokken soort waren achterblijft speelt een beslissende rol in de globale beoordeling van het verwarringsgevaar. Ook dient rekening gehouden te worden met het onderscheidend vermogen en, in verband daarmee, de mate van bekendheid van het merk en het uiterlijk van de overige op de markt verkrijgbare soortgelijke waren. Voor voormelde globale beoordeling

16 3 6 0 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S moet worden uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van de betrokken soort producten. 5Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat de rode kleur van de drank door het publiek niet als onderscheidingsteken zal worden opgevat. Deze kleur is dan ook naar het voorlopig oordeel van het hof geen onderscheidend bestanddeel dat bepalend is voor de totaalindruk van het merk en teken. Op grond van de door W&S overgelegde afbeeldingen van flesjes wodkadrankjes met een soortgelijke vorm als het merk (productie 2 in eerste aanleg en productie 10 bij de conclusie van antwoord in de bodemzaak met rolnummer 01/3108, welke conclusie in hoger beroep is overgelegd), acht het hof voorshands aannemelijk dat meer soortgelijke (alcoholische) drankjes, worden aangeboden in soortgelijke doorzichtig glazen 20 ml-flesjes en ook de vorm van het flesje geen onderscheidend bestanddeel is. Weliswaar is ter zitting in hoger beroep duidelijk geworden dat een aantal van de afgebeelde flesjes (zoals de nummers 1, 8, 9, 10 en 11 van voormelde productie 10) door de leverancier van W&S wordt geproduceerd en door W&S wordt verspreid als special editions voor bepaalde (groepen) uitgaansgelegenheden en is daarvan niet aannemelijk dat het gaat om relevante hoeveelheden, maar dan nog is aannemelijk dat in ieder geval een aantal van de afgebeelde flesjes wel op de markt voorkomt en een vorm heeft die (min of meer) gelijk is aan de vorm van het merk. Ook het(getoonde) flesje van Kleiner Feigling(vergelijk ook productie 3 van W&S in eerste aanleg en productie 12 bij voormelde conclusie van antwoord) heeft een soortgelijke vorm. Kleine Feigling is weliswaar geen rode wodkadrank, maar wel een zogenaamde shooter. Onderscheidende bestanddelen zijn naar het voorlopig oordeel van het hof het etiket en de dop. Het etiket van het merk van Flügel vertoont grote verschillen met het etiket van Toppertje. Allereerst verschillen de daarop geprononceerd vermelde (merk)namen Flügel en Toppertje. Daarnaast verschillen de daarop afgebeelde figuurtjes. Daarnaast verschilt het gebruik van de kleuren: het etiket van Flügel is zwart met een gele rand en witte letters, terwijl het etiket van Toppertje geel is met een zwarte rand en rode/roze letters. Tenslotte verschilt de vorm van de etiketten. De doppen hebben dezelfde gele kleur. 6 Het hof is voorshands van oordeel dat de totaalindruk die bij het publiek van het merk en Toppertje achterblijft in het bijzonder wordt bepaald door de van elkaar afwijkende etiketten en dat de gelijkgekleurde doppen daarbij slechts een rol van ondergeschikte betekenis vervullen. Nu deze etiketten duidelijke, direct opvallende verschillen vertonen, waarbij de volledig verschillende namen van de producten direct in het oog springen, is het hof voorshands van oordeel dat(ook) bij globale beoordeling geen sprake is van reëel gevaar voor verwarring. In dit geval acht het hof de punten van verschil meer bepalend voor de totaalindruk dan de punten van overeenstemming. Het hof acht niet aannemelijk dat een relevant deel van deze drankjes in zodanig donkere uitgaansgelegenheden wordt verkocht dat door een relevant deel van het publiek de punten van verschil niet zouden worden opgemerkt. W&S heeft dit betwist en Flügel stelt zelf dat Flügel in 90% van alle slijterijen wordt verkocht. Ook als ervan wordt uitgegaan dat (zoals de president in principaal appèl onbestreden heeft overwogen) het merk van Flügel als een sterk merk is te beschouwen, kan dit niet tot een ander oordeel leiden, nu de onderscheidende kracht van dit merk naar het voorlopig 0ordeel van het hof juist wordt bepaald door het etiket en door het daarop voorkomende woord(merk) Flügel. Ook de (grote) soortgelijkheid van de producten kan aan voormeld oordeel onvoldoende afdoen. Aan voormeld oordeel kan evenmin afdoen het feit dat W&S in de periode van januari tot eind maart 2001 Surfertje op de markt heeft gebracht, waardoor zij naar het oordeel van de president inbreuk maakte op de onderhavige merkrechten van Flügel. Op zichzelf is juist dat bij de beantwoording van de vraag of Toppertje overeenstemt met de merken van Flügel in aanmerking dient te worden genomen dat W&S (naar het oordeel van de president) eerder met Surfertje inbreuk heeft gemaakt op het merkrecht van Flügel en daardoor de kans op verwarring bij het in aanmerking komende publiek met betrekking tot Toppertje kan zijn vergroot (vergl. HR 30 november 2001, NJ 2002, 37). Naar het voorlopig oordeel van het hof is echter niet aannemelijk dat deze kans zich in casu heeft gerealiseerd, nu Surfertje slechts ongeveer drie maanden op de markt is geweest, terwijl Flügel tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft erkend dat W&S in totaal slechts ongeveer flesjes heeft verkocht, omdat van de totale omzet van flesjes de terug te halen flesjes moeten worden afgetrokken (vergelijk productie 6 van Flügel in hoger beroep). Mede de aard van het product (bedoeld voor snelle consumptie) en de stelling van Flügel dat zij zelf ongeveer 23 miljoen flesjes Flügel per jaar in de Benelux verkoopt in aanmerking nemende, gaat het slechts om een gering aantal flesjes. Deze periode en dit aantal is naar het voorlopig oordeel van het hof te weinig om nawerking aannemelijk te achten, terwijl door Flügel ook geen omstandigheden zijn aangevoerd of stukken zijn overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De stelling van Flügel dat het Surfertje flesje maar weinig verschilt van het Toppertje flesje doet er niet aan af dat Surfertje maar kort en in beperkte omvang op de markt is geweest, terwijl deze stelling bovendien niet juist is nu de etiketten belangrijke verschillen vertonen wat betreft de kleurstelling en de daarop vermelde naam. 7 Het bovenstaande brengt mee dat het hof voorshands van oordeel is dat W&S door het op de markt brengen van Toppertje geen inbreuk maakt op voormeld merkrecht van Flügel en grief 2 faalt. Ook grief 3, gericht tegen de afwijzing door de president van het beroep op nawerking, faalt. 8 Grief 4 richt zich tegen de afwijzing van de vorderingen van Flügel. Als toelichting daarop wordt slechts gesteld dat de grief is bedoeld om het vonnis in eerste aanleg in volle omvang ter discussie te stellen, voorzover Flügel daarin in het ongelijk is gesteld. Deze grief, die geacht moet worden gericht te zijn tegen de verwerping van het beroep op auteursrecht en onrechtmatige daad, faalt naar het voorlopig oordeel van het hof op de door de president in rechtsoverweging 10 en 11 van het bestreden vonnis aangegeven gronden. Hieraan voegt het hof nog toe dat naar zijn voorlopig oordeel, op de hiervoor aangegeven gronden, geen sprake is van verwarringsgevaar, zodat ook om die reden het beroep op slaafse nabootsing niet kan slagen. 9 Aan het bewijsaanbod van Flügel gaat het hof voorbij, nu voor bewijslevering in dit (spoed) kort geding geen plaats is.

17 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M Op grond van het bovenstaande falen de principale grieven. Nu het incidenteel appèl voorwaardelijk is ingesteld, kennelijk (nu W&S stelt dat zij zich met de uitkomst van het vonnis kan verenigen) voor het geval de principale grieven tot vernietiging zouden leiden en deze voorwaarde zich niet voordoet, behoeft het incidenteel appèl geen behandeling. 11 Nu de principale grieven falen zal het vonnis worden bekrachtigd, met veroordeling van Flügel in de kosten van het hoger beroep. Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis van de president van de rechtbank s-gravenhage van 21 december 2001; veroordeelt Flügel in de kosten van het geding in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van W&S begroot op 2.545,. Enz. c Conclusie A.-G. mr. J.L.R.A. Huydecoper, 5september 2003 Feiten en procesverloop 1 In deze zaak vorderde de eiseres tot cassatie, Flügel, in kort geding voorzieningen ten laste van de verweerster in cassatie, W&S, op grond van de stelling dat de door W&S op de markt gebrachte shooter 1 die wordt aangeduid als Toppertje (en die ik hierna dus ook maar zo zal noemen), inbreuk maakt op merkrechten die Flügel aan verschillende merkendepots ontleent. 2, 3 2 Zowel de President (het vonnis in eerste aanleg is nog juist vóór 1 januari 2002 gewezen, zodat deze titel nog onder het oude recht mag worden neergeschreven) als in appèl het hof, hebben Flügel s vorderingen niet-toewijsbaar geoordeeld. De beoordeling door deze rechterlijke autoriteiten 1 Uit het dossier valt te leren dat een shooter een (alcoholhoudende) mengdrank is die (vooral) in discotheken e.d. in kleine flesjes wordt aangeboden, en waarvan de verpakking/uitstalling (daarom) is toegesneden op het jeugdige uitgaande publiek. Ik merk op dat ook wordt gesteld (en in cassatie wordt benadrukt) dat de inhoud van een shooter zou bestaan uit energydrank en alcohol (naar ik begrijp: meestal wodka); maar dat ik uit het dossier niet heb kunnen afleiden wat de kenmerkende eigenschappen van een energydrank zijn. Misschien verraadt dat onwetendheid aan mijn kant, en is dit tegenwoordig algemeen bekend maar ik houd het ervoor dat in cassatie niet kan worden vastgesteld wat precies met energydrank bedoeld wordt. Daaraan verbind ik dan maar meteen de slotsom dat aan klachten, dat het hof met stellingen over de energydrank in de producten van partijen onbegrijpelijk zou zijn omgesprongen, de grond ontvalt. Met name vind ik onaannemelijk dat het hof uit de (veelvuldig herhaalde) stelling dat de producten van partijen uit energydrank (en wodka) bestaan, zou hebben moeten begrijpen dat met energydrank iets werd bedoeld dat beslist géén bessen- of kersensap kon zijn. Wat mij betreft zouden kersen- of bessensap heel wel tot de energydranken gerekend kunnen worden wisten wij maar wat daarmee bedoeld wordt. 2 Flügel baseerde haar vorderingen ook op de stelling dat W&S inbreuk op auteursrecht van Flügel maakte en ten opzichte van Flügel onrechtmatig handelde; maar deze aspecten van Flügel s vordering(en) zijn in cassatie niet meer aan de orde. 3 In de stukken wordt verwezen naar een eerder in kort geding tussen partijen beoordeeld conflict over een (enigszins) vergelijkbaar product van W&S. Het in die zaak gewezen vonnis is gepubliceerd in BIE 2002, 71 (p. 406 e.v.). Bij die publicatie bevinden zich ook kleurafbeeldingen van de destijds beoordeelde producten. Ik vermeld dat (ook) omdat die afbeeldingen kunnen bijdragen tot begrip van de in deze zaak aangevoerde stellingen en de (door het hof) daarover gegeven oordelen. zag evenals het debat dat te hunnen overstaan gevoerd is vooral op de mate van onderscheidend vermogen die aan (elementen van) de ten gunste van Flügel gedeponeerde merken toekomt, en in het verlengde daarvan: op de vraag van overeenstemming tussen Flügel s merken, en het in het Toppertje -product belichaamde teken. 3 Flügel is tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Namens W&S is tot verwerping geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunten uitgebreid schriftelijk laten toelichten. Bespreking van het cassatiemiddel 4 Zoals in het licht van de zojuist summier weergegeven voorgeschiedenis enigszins voor de hand ligt, betreffen ook de klachten in cassatie aspecten van het onderscheidend vermogen van de ten gunste van Flügel gedeponeerde merken, en de vraag van overeenstemming tussen Flügel s merk(en) en het door W&S gebruikte teken in de vorm van het Toppertje -product. Mij er wel van bewust dat ik daarmee aan een aanzienlijk gedetailleerder betoog (nog) niet voldoende recht doe wedervaren, stel ik voorop dat een belangrijk onderdeel van het debat zowel in de feitelijke instanties als in cassatie de vraag betreft, in hoeverre aan de kleuren die in de Flügelmerken naar voren komen, onderscheidend vermogen toekomt; en in verband daarmee, hoe de rechter de overeenstemming tussen merken en als inbreukmakend voorgedragen tekens moet beoordelen. Op beide onderwerpen wordt licht geworpen door (betrekkelijk) recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HJEG). Het lijkt mij daarom goed om, voor ik op de middelonderdelen inga, een overzicht van die rechtspraak te geven. Onderscheidend vermogen 5De vraag wanneer (en in welke mate) aan een als merk of merkbestanddeel gepresenteerd 4 teken onderscheidend vermogen toekomt, is in een aantal varianten door het HJEG beoordeeld. 5 Het komt niet slecht uit om de beslissingen van het HJEG op dit thema in hun chronologische volgorde te bespreken: 4 Deze woordkeus impliceert geen keuze met betrekking tot de (omstreden) vraag, in hoeverre het voor merkenbescherming van belang is dat een teken door het publiek niet slechts als onderscheidend ( herkomstaanduidend ) wordt gepercipieerd, maar ook als merk (wat zo ongeveer wil zeggen: als teken dat specifiek met het oog op onderscheiding/ herkomstaanduiding wordt gebruikt); zie daarover bijvoorbeeld HR 12 oktober 2001, NJ 2002, 12, rov. 5(vraag 2 sub b) en, in enigszins ander verband, BenGH 16 december 1991, NJ 1992, 596 m.nt. DWFV ( Burberry-II ), rov Deze kwestie is in de onderhavige zaak niet aan de orde; ik meen er daarom aan voorbij te kunnen gaan. 5 Ik vermeld, ongetwijfeld ten overvloede, dat het merkenrecht in de lidstaten van de EG geharmoniseerd is op basis van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, Pb L 40, p. 1 e.v. (hierna te noemen: de richtlijn). De Eenvormige Beneluxwet op de merken (hierna: BMW) is bij Protocol van 2 december 1992, Trb. 1993, 12 (en bij daar weer op gebaseerde uitvoeringswetgeving) aan de richtlijn aangepast. Voor uitlegging van de desbetreffende bepalingen van de BMW zijn de bepalingen van de richtlijn die daardoor worden geïmplementeerd, maatgevend; wat weer betekent dat de uitleg die het HJEG aan de richtlijn geeft, richtinggevend is voor de uitleg die aan overeenkomstige bepalingen van de BMW moet worden gegeven.

18 3 6 2 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S HJEG 4 mei 1999, NJ 2000, 269 m.nt. DWFV gaat over de vraag in hoeverre een geografische aanduiding (in dit geval de aanduiding Chiemsee, die ziet op een in de buurt van München gelegen meer dat daar als recreatiegebied populair is) als merk(bestanddeel) voor (sport)kleding aan het vereiste van onderscheidend vermogen kan voldoen. Uit de uitvoerige overwegingen van het HJEG haal ik naar voren dat de regel die beschrijvende tekens van merkenbescherming uitsluit, namelijk art. 3 lid 1 sub c van de richtlijn, een doel van algemeen belang nastreeft, te weten: dat beschrijvende tekens door een ieder ongestoord kunnen worden gebruikt, óók als (elementen van) merken. Daarbij is echter niet van belang of er een concrete, actuele of ernstige behoefte om de benaming vrij te houden ( Freihaltebedürfnis ) bestaat (rov ). Voor geografische aanduidingen betekent dit dat moet worden beoordeeld of de aanduiding in de opvatting van de betrokken kringen met de in aanmerking komende waren in verband wordt gebracht óf dat dat in de toekomst redelijkerwijs te verwachten is (rov ). 6 Intussen kan het gebeuren dat een geografische aanduiding door (intensief) gebruik als merk, alsnog onderscheidend vermogen verkrijgt, wat in dit verband betekent: zich (alsnog) leent om de waar waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, als afkomstig van een bepaalde onderneming te identificeren en van die van andere ondernemingen te onderscheiden. Daarvan is sprake als de betrokken kringen, of althans een aanzienlijk deel ervan, de waar op basis van het merk als van een bepaalde onderneming afkomstig identificeren (rov ). Om onderscheidend vermogen te beoordelen moeten alle factoren worden onderzocht waaruit kan blijken dat het merk geschikt is (geworden) om de betrokken waar als afkomstig van een bepaalde onderneming te identificeren en die dus van waren van andere ondernemingen te onderscheiden (rov. 49). (Uit rov. 22 van het hierna in alinea 7.3 te bespreken arrest HJEG 22 juni 1999, NJ 1999, 375m.nt. DWFV blijkt dat (ook) in dit verband het merk globaal moet worden beoordeeld.) In HJEG 20 september 2001, NJ 2001, 139 m.nt. DWFV onder nr. 140, ging het om de eis van onderscheidend vermogen met betrekking tot het als gemeenschapsmerk gedeponeerde teken Baby-dry voor (wegwerp)babyluiers. (De regels die de Gemeenschapsmerkenverordening 7 met betrekking tot het onderscheidend vermogen van (gemeenschaps)merken geeft, komen geheel overeen met de regels voor onderscheidend vermogen uit de richtlijn.) In dit arrest overwoog het HJEG dat de bedoelde regels ertoe strekken, te voorkomen dat merken worden ingeschreven die wegens hun overeenkomst met de gebruikelijke wijze van aanduiding van de betrokken waren of diensten of van de eigenschappen daarvan, niet de functie kunnen vervullen van identificatie van de onderneming die ze op de markt 6 Verkade, noot onder NJ 2002, 140, alinea 7, betoogt op aannemelijke gronden dat de toets voor het beschrijvend karakter van geografische aanduidingen uit dit arrest strenger is, dan voor tekens met een beschrijvende inhoud overigens geldt. Die gedachte strookt met de uit de aanstonds te bespreken latere rechtspraak van het HJEG blijkende leer, dat bij de uitleg van de weigeringsgronden voor merken wegens gebrek aan onderscheidend vermogen, de algemeen-belang aspecten die bij de betreffende weigeringsgrond aan de orde zijn, in aanmerking moeten worden genomen. Naar gelang van het algemene belang dat in een gegeven geval aan de orde is kan men dan, allicht, tot verschillen in de te hanteren toetsingsnorm komen. 7 Verordening 40/94/EG van 20 december 1993, Pb L 11, p. 1 e.v. brengt, en dus het onderscheidend vermogen missen die (ik zou zeggen: dat) voor deze functie vereist is (rov. 37). Het in rov. 37 gebruikte woord overeenkomst moet echter eng worden opgevat: alleen aanduidingen/tekens die de betreffende waren of diensten rechtstreeks aanduiden of essentiële eigenschappen daarvan vermelden, zijn daaronder begrepen, waarbij nog de precisering geldt dat er niet van toevoegingen of van een wijze van presentatie sprake is die het geheel onderscheidt van de gebruikelijke wijze van aanduiding (rov. 39). Bij een woordmerk zoals in deze zaak te beoordelen was, is elk merkbaar verschil tussen de woordcombinatie waarvoor inschrijving wordt gevraagd en de terminologie die in het normale taalgebruik van de betrokken consumenten wordt gehanteerd, geschikt om deze woordcombinatie onderscheidend vermogen te verlenen (rov. 40) HJEG 4 oktober 2001, NJ 2002, 140 m.nt. DWFV, is van vergelijkbare strekking. In dat arrest ging het (onder meer) om de vraag of Bravo als merk moest worden geweigerd omdat het hier gaat om een reclameslogan, kwaliteitsaanduiding of aansporing tot kopen. Uit rov. 40 blijkt dat die kwalificaties niet aan inschrijving als merk (en dus aan het aannemen van het bezit van onderscheidend vermogen) in de weg staan. 5.2 HJEG 18 juni 2002, Jur I p e.v. (zie ook IER 2002, 42 m.nt. FWG). In deze zaak ging het om een vormmerk, bestaande uit (de kop van) een scheerapparaat met drie in een gelijkzijdige driehoek geplaatste roterende scheerkoppen. Uit de overwegingen van het HJEG haal ik naar voren dat bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van een teken (nl: een vormmerk) rekening moet worden gehouden met de vermoedelijke perceptie van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument (rov. 63); dat de in art. 3 lid 1 sub b d van de richtlijn omschreven ( beschrijvende ) tekens wèl door intensief gebruik het vereiste onderscheidend vermogen kunnen krijgen, maar dat dat voor de in die bepaling sub e omschreven categorieën niet geldt. In dit verband wordt opgemerkt zie ook voetnoot 6 hiervóór dat de verschillende in art. 3 van de richtlijn opgesomde gronden moeten worden uitgelegd in het licht van het algemeen belang dat aan elk van die gronden ten grondslag ligt (rov ). 5.3 HJEG 8 april 2003, IER 2003, 48 m.nt. HMHS. In deze zaak, die drie verzoeken om inschrijving van (zeer verschillende) vormmerken betrof, gaf het HJEG aan dat, waar geen beletsel als bedoeld in art. 3 lid 1 sub e van de richtlijn bestaat, aan het onderscheidend vermogen van vormmerken dezelfde eisen moeten worden gesteld als voor andere merken gelden; maar dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een vorm(merk) minder gauw geëigend zal zijn om waren of diensten als afkomstig van een bepaalde onderneming te onderscheiden, dan een woord- of beeldmerk (rov ); de overweging dat bij de beoordeling van de verschillende weigeringsgronden, het daaraan ten grondslag liggende algemeen belang in aanmerking moet worden genomen(zie het vorige arrest) wordt herhaald en verder uitgewerkt, rov

19 1 6 A U G U S T U S B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M HJEG 6 mei 2003, zaak C-104/01( Libertel ), IER 2003, 50 m.nt. ChG. 8 Dit arrest gaat over de bescherming van de enkele kleur (oranje) als merk (in dit geval: voor diensten op het gebied van (mobiele) telefonie). Uit de overwegingen haal ik naar voren: een kleur kan niet vermoed worden een teken te zijn. Gewoonlijk is een kleur niet meer dan een eigenschap van voorwerpen; maar dat kàn wel anders zijn (rov. 27). Consumenten zijn niet gewend de herkomst van waren bij gebreke van enig grafisch of tekstueel element af te leiden uit de kleur, omdat een kleur in het hedendaags handelsgebruik in beginsel niet gebruikt wordt als identificatiemiddel (rov. 65). kleuren kunnen gedachteassociaties oproepen maar zijn nauwelijks geëigend om nauwkeurige informatie over te brengen. Desondanks valt niet uit te sluiten dat een kleur als zodanig de herkomst van de waren of diensten van een onderneming kan aanduiden. Onder de voormelde voorwaarden kan een kleur als zodanig een merk vormen (rov ). het aantal kleuren dat het gewone publiek kan onderscheiden is beperkt, en het aantal als merk beschikbare kleuren moet daarom gering worden geacht. De mogelijkheid om een merk in te schrijven kan om redenen van openbaar belang beperkt worden. Er moet een algemeen belang worden erkend dat de beschikbaarheid van kleuren niet ongerechtvaardigd wordt beperkt voor andere deelnemers aan de zelfde markt. Met dat feit moet bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van een kleur als merk rekening worden gehouden (rov ). (Ook) een kleur kan door (intensief) gebruik een onderscheidend vermogen krijgen dat aanvankelijk ontbrak, onder dezelfde voorwaarden als in het Chiemsee -arrest zijn onderzocht (rov. 67). 8 (In niet-officiële vorm) ook kenbaar via de website van het HJEG, curia.eu.int; zie voor een samenvatting BIE 2003, p. 259 e.v. Het arrest bevat de antwoorden op de vragen die bij HR 23 februari 2001, NJ 2001, 276 waren gesteld. 9 Zie bijvoorbeeld alinea s 5-7 van de noot van Verkade onder NJ 2000, 269; zie hierover ook mijn bijdrage in BMM-bulletin 1999, p. 181 e.v. 6 Een bekend merkenrechtelijk punt van twijfel lijkt met deze beslissingen van het HJEG althans voor een belangrijk deel te zijn opgehelderd. Ik bedoel dan de vraag of het onderscheidend vermogen van merken moet worden beoordeeld (alleen) aan de hand van het (feitelijke) gegeven of het desbetreffende teken al of niet in verband met intensief gebruik daarvan geëigend is om door het relevante publiek als onderscheidingsteken te worden gepercipieerd, dan wel of daarbij mede in aanmerking moet worden genomen dat het betreffende teken met het oog op aan het algemeen belang ontleende gronden moet worden vrij gehouden een gegeven dat een relevante normatieve component in zich bergt. 9 Het HJEG lijkt, in het bijzonder in het Chiemsee - arrest, aan de eerstgenoemde leer voorrang te geven: het gaat om de feitelijke geëigendheid, als onderscheidingsteken te werken. 6.1 Uit het scheerkop -arrest blijkt dat het anders ligt als het gaat om (vorm)merken die krachtens art. 3 lid 1 sub e van de richtlijn van bescherming zijn uitgesloten en in dat verband wijst het HJEG er (dan ook) op dat bij de uitleg van de verschillende regels terzake van onderscheidend vermogen het door ieder van die regels beoogde (algemene) belang in aanmerking moet worden genomen. Hier krijgt de aan het algemeen belang ontleende regel (die merkenbescherming uitsluit) voorrang, ook als het betreffende teken door intensief gebruik feitelijk als onderscheidingsteken is gaan functioneren. 6.2 In het arrest betreffende de oranje kleur neemt het HJEG, naar ik meen, een als compromis te duiden positie in: bij monopolisering van loutere kleuren als merk komt aan het daar in aanmerking te nemen algemeen belang een nader gewicht toe (en sluipt er in de beoordeling dus wèl een normatieve component); maar dat staat er niet aan in de weg dat kleuren door intensief gebruik (feitelijk) onderscheidend vermogen kunnen krijgen zodat de aan het algemeen belang ontleende overweging dan, zo begrijp ik het, soms terugtreedt ten gunste van de feitelijke positie die het betreffende teken zich in het verkeer heeft verworven. 10 Het arrest geeft er intussen op meerdere plaatsen blijk van dat het HJEG de kans dat een kleur werkelijk die positie verwerft, in abstracto de concrete beoordeling is niet aan het HJEG niet groot vindt. De beoordeling van overeenstemming 11 /verwarringsgevaar 7 Ook over dit onderwerp heeft het HJEG een reeks recente(re) uitspraken gedaan. Ook die lenen zich voor chronologische bespreking (en ook hier beperk ik mij ertoe, de voor de huidige zaak relevante elementen uit het betreffende arrest naar voren te halen): 7.1 HJEG 11 november 1997, NJ 1998, 523 m.nt. DWFV. Dit is het in de Benelux enigszins beruchte arrest Puma/Sabel, waarin het HJEG het daarvóór in de Benelux aanvaarde associatiecriterium als maatstaf voor de beoordeling van merkenrechtelijke overeenstemming heeft verworpen. Het HJEG gaf daarbij aanwijzingen voor de beoordeling van verwarringsgevaar (het criterium dat in de uitleg van het HJEG bepalend is voor inbreuk als bedoeld in art. 5lid 1 sub b van de richtlijn inhoudelijk overeenkomend met het (overigens anders geformuleerde zie het in voetnoot 11 genoemde arrest van het BenGH) art. 13A lid 1 sub b BMW): verwarringsgevaar dient globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden (rov. 22); deze globale beoordeling dient wat de visuele, auditieve of begripsmatige gelijkenis betreft te berusten op de totaalindruk die door de merken wordt opgeroepen, daarbij onder meer rekening houdend met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. De indruk die bij de gemiddelde consument achterblijft speelt een beslissende rol; deze 10 Al. 63 van de conclusie van A-G Jacobs van 10 juli jl. in de zaak Adidas/Fitnessworld kan men zo lezen, dat daarin wordt aangenomen dat aan het algemeen belang ontleende overwegingen over de hele linie een beletsel voor het rechtens erkennen van onderscheidend vermogen kunnen opleveren. Over de(ze) vraag van de verhouding tussen het feitelijke effect dat een teken als onderscheidingsmiddel heeft enerzijds, en het algemeen belang bij voorkoming van monopolie-rechten m.b.t. tekens ( Freihaltebedürfnis ) anderzijds, in niet geheel eensluidende zin: Speyart, annotatie bij IER 2003, 48 en Gielen, annotatie bij IER 2003, Art. 5lid 1 sub b van de richtlijn geeft het inbreukcriterium aan terzake van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met het ingeschreven merk en worden gebruikt voor (soort)gelijke waren of diensten. Art. 13 A. lid 1 sub b BMW, dat de overeenkomstige regel van Beneluxrecht inhoudt (zie BenGH 2 oktober 2000, NJ 2001, 246 m.nt. DWFV ), spreekt van het merk of een overeenstemmend teken. Ik gebruik daarom overeenstemming als begrip dat aanduidt, wanneer een merk en een teken een ontoelaatbare mate van gelijkenis vertonen.

20 3 6 4 B I J B L A D I N D U S T R I E} L E E I G E N D O M 1 6 A U G U S T U S consument neemt een merk gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details daarvan (rov. 23). Het verwarringsgevaar is groter naarmate het onderscheidend vermogen van het oudere merk sterker is (rov. 24). 7.2 HJEG 29 september 1998, NJ 1999, 393 m.nt. DWFV (merk Canon): (Globale) beoordeling van verwarringsgevaar veronderstelt een zekere onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren, met name tussen de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben. Een geringe mate van soortgelijkheid kan worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming tussen de merken, en omgekeerd. 7.3 HJEG 22 juni 1999, NJ 2000, 375m.nt. DWFV. Deze zaak betrof de criteria voor de beoordeling van verwarringsgevaar in een conflict betreffende de (woord)merken Lloyd en Loint s voor schoenen. Het HJEG gaf aan zoals overigens al in eerdere beslissingen was gebeurd dat van verwarringsgevaar sprake is wanneer het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn (rov. 17). Het HJEG herhaalde ook overigens een aantal van de overwegingen uit de hiervóór besproken arresten (zie rov en rov. 25). 12 Voor de ( globale ) beoordeling van verwarringsgevaar moet worden uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van de betrokken soort producten. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat deze consument zelden de mogelijkheid heeft, verschillende merken rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar aanhaakt bij het onvolmaakte beeld dat bij hem is achtergebleven. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat het aandachtsniveau van de consument kan variëren naar gelang van de soort waren of diensten waarom het gaat. In Verkade s annotatie, alinea s 2 en 3, wordt erop gewezen dat de door het HJEG omschreven consument een zekere mate van oplettendheid aan de dag legt, zodat productaanduidingen (waaronder merken) met een voor mij nieuwe, maar beeldende aanduiding niet idiotensicher hoeven te zijn. 8 Uit de besproken arresten komen enkele gegevens naar voren die, denk ik, bij de beoordeling van het cassatieberoep in deze zaak van belang zijn: de beoordeling van onderscheidend vermogen en van verwarringsgevaar moet globaal 13 geschieden, met inachtneming van de totaalindruk die de betreffende merken of 12 HJEG 22 juni 2000, NJ 2000, 712, rov , bevat eveneens verwijzingen naar of herhalingen van de overwegingen uit een aantal van de eerder genoemde arresten. 13 Het woord globaal wordt hier gebruikt in de betekenis van allesomvattend niet in zijn in het Nederlands ook wel aanvaarde betekenis van oppervlakkig of bij benadering. Dat blijkt, voorzoveel nog nodig, uit de woordkeus in de procestaal (Duits) van de eerste arresten. Daarin wordt voor het in de Nederlandse vertaling met globaal weergegeven begrip, het woord umfassend gebruikt. tekens op het relevante publiek maken; 14 waarbij rekening moet worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen; en overigens met inachtneming van alle relevante omstandigheden. 9 Bij de beoordeling van de klachten van het middel is verder in aanmerking te nemen dat beslissingen over de hiervóór besproken gegevens onderscheidend vermogen, overeenstemming, verwarringsgevaar in het concrete geval, in sterke mate door feitelijke appreciatie worden bepaald, zodat inhoudelijke toetsing van zulke beslissingen in cassatie, tenzij het de daarbij toegepaste beoordelingsmaatstaven en eventueel de begrijpelijkheid van de beslissing of de motivering daarvan betreft, niet mogelijk is. 15 Ook is van belang dat het in deze zaak om een beslissing in kort geding gaat. Dat betekent immers dat aan de motivering niet de eisen gesteld mogen worden die voor beslissingen ten gronde worden aangehouden. 16 Het in cassatie bestreden arrest 10 Hoewel het cassatiemiddel uitgebreid en gedetailleerd is, betreft het ik gaf dat al aan in belangrijke mate één aspect van het in cassatie bestreden arrest, namelijk: de beoordeling, door het hof, van de rol van de rode kleur van de door beide partijen aangeboden dranken (die door Flügel ook als onderdeel/element van de te haren gunste gedeponeerde merken wordt verdedigd). Het lijkt mij daarom goed, het oordeel van het hof over dit gegeven vooral het in rov. 3 gemotiveerde oordeel nader in beschouwing te nemen. Volgens mij geeft het hof in deze rov. twee van elkaar te onderscheiden oordelen, die ieder (in van elkaar verschillende opzichten) gevolgen hebben voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen van dit aspect van de ten gunste van Flügel gedeponeerde merken: 10.1 In de eerste plaats overweegt het hof dat onweersproken zou zijn dat het door W&S aangeboden wodkadrankje (dwz. het als Toppertje aangeduide product) noodzakelijkerwijs de in geding zijnde rode kleur heeft. Die vaststelling (waarvan het middel overigens de deugdelijkheid bestrijdt) kan weer twee verschillende consequenties hebben: hij kan meebrengen dat het onaanvaardbaar is dat een beroep op merkenrecht met betrekking tot de kleur wordt 14 Dat is ook een vuistregel die bij de beoordeling van merken algemeen pleegt te worden gehanteerd en die bovendien enigszins voor de hand liggend kan worden genoemd (als men de wijze waarop het publiek de indruk van een merk en van een daarmee (beweerdelijk) overeenstemmend teken ervaart als beslissend aanmerkt, moet men allicht uitgaan van de tekens zoals het publiek die waarneemt, en rekening houden met de manier waarop het publiek tekens pleegt waar te nemen; en komt het niet in aanmerking om onderscheidingen en splitsingen aan te brengen die niet stroken met de manier waarop de tekens door het publiek (plegen te) worden waargenomen); zie, over deze vuistregel bijvoorbeeld Wichers Hoeth, Kort Begrip van het intellectuele eigendomsrecht, 2001, nrs ; Van Empel Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, 1999, p. 90; Fezer, Markenrecht, 2001, 14, rndnrs. 148 en 148b (zie echter over de Duitse rechtsleer ook Ingerl, GRUR Int. 2001, p. 587); Chavanne Burst, Droit de la Propriété Industrielle, 1993, rndnr Zie bijvoorbeeld alinea 2.41 van de conclusie van A-G Bakels voor HR 20 november 1998, NJ 1999, Recente voorbeelden van de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad hierover zijn HR 20 december 2002, NJ 2003, 141 m.nt. Ma, rov ; HR 20 september 2002, JOL 2002, 475rov. 3.3 en HR 22 maart 2002, RvdW 2002, 61, rov. 3.5, en 3.8.

zaaknummer / rolnummer: 268564 / KG ZA 06-833

zaaknummer / rolnummer: 268564 / KG ZA 06-833 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 268564 / KG ZA 06-833 Vonnis in kort geding van in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid URBAN

Nadere informatie

Partijen zullen hierna ZorgSaam, SZVK en Stichting Zorgzaam genoemd worden en SZVK c.s. (om gedaagden gezamenlijk aan te duiden).

Partijen zullen hierna ZorgSaam, SZVK en Stichting Zorgzaam genoemd worden en SZVK c.s. (om gedaagden gezamenlijk aan te duiden). ZorgSaam - Zorgzaam DomJur 2006-273 Rechtbank Zuthpen Rolnummer: 78046 / KG ZA 06-119 Datum 30 juni 2006 Vonnis in kort geding in de zaak van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ZORGSAAM VERENIGING

Nadere informatie

NMLK Didio DomJur 2013-971. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/540039/KG ZA 13-458 SP/PV Datum:21 mei 2013. In de zaak van

NMLK Didio DomJur 2013-971. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/540039/KG ZA 13-458 SP/PV Datum:21 mei 2013. In de zaak van NMLK Didio DomJur 2013-971 Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/540039/KG ZA 13-458 SP/PV Datum:21 mei 2013 In de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMLK B.V. h.o.d.n.

Nadere informatie

2.3. Today s is onderdeel van de Todays s Groep, eveneens een online broker.

2.3. Today s is onderdeel van de Todays s Groep, eveneens een online broker. Caesar Capital Todays Vermogensbeheer DomJur 2011-679 Rechtbank Amsterdam, Sector civiel recht Zaaknummer/rolnummer: 483704 / KG ZA 11-314 P/PV Datum: 14 april 2011 Vonnis in kort geding van 14 april 2011

Nadere informatie

: 200.172.944/01 : oppositie nr. 2009064

: 200.172.944/01 : oppositie nr. 2009064 beschikking GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht zaaknummer beslissing BBIE : 200.172.944/01 : oppositie nr. 2009064 Beschikking van 26 januari 2016 inzake: PACOGI NETHERLANDS B.V., gevestigd te

Nadere informatie

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)

Nadere informatie

HET BENELUX-GERECHTSHOF. in de zaak A 94/1

HET BENELUX-GERECHTSHOF. in de zaak A 94/1 HET BENELUX-GERECHTSHOF in de zaak A 94/1 1. Gelet op het op 18 maart 1994 door de Hoge Raad der Nederlanden uitgesproken arrest in de zaak nr. 15.276 van de te Amsterdam gevestigde vennootschap Linguamatics

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 362303 / KG ZA 10-384

zaaknummer / rolnummer: 362303 / KG ZA 10-384 vonnis RECHTBANK S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 362303 / KG ZA 10-384 Vonnis in kort geding van in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KROON

Nadere informatie

Domeinnaam-jurisprudentie.nl Deutsche Telekom - Checkmate DomJur 2001-62

Domeinnaam-jurisprudentie.nl Deutsche Telekom - Checkmate DomJur 2001-62 Domeinnaam-jurisprudentie.nl Deutsche Telekom - Checkmate DomJur 2001-62 Pres. Rb. 's-gravenhage 4 augustus 2000 Rolnummer KG 00/741 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: de vennootschap naar Duits

Nadere informatie

"In naam des Konings!" vonnis. Team kanton en handelsrecht. Zittingsplaats Arnhem. zaaknummer I rolnummer: CI051278117 I KG ZA 15-67

In naam des Konings! vonnis. Team kanton en handelsrecht. Zittingsplaats Arnhem. zaaknummer I rolnummer: CI051278117 I KG ZA 15-67 vonnis "In naam des Konings!" RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer I rolnummer: CI051278117 I KG ZA 15-67 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten

Nadere informatie

Vertaling C-125/14-1. Zaak C-125/14. Verzoek om een prejudiciële beslissing. Fővárosi Törvényszék (Hongarije)

Vertaling C-125/14-1. Zaak C-125/14. Verzoek om een prejudiciële beslissing. Fővárosi Törvényszék (Hongarije) Vertaling C-125/14-1 Zaak C-125/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 18 maart 2014 Verwijzende rechter: Fővárosi Törvényszék (Hongarije) Datum van de verwijzingsbeslissing: 10

Nadere informatie

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014 arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer :200.140.465101 KG zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke

Nadere informatie

Eiseres wordt hieronder aangeduid als de Jaarbeurs. Gedaagde sub 1 wordt aangeduid als Rodi en gedaagde sub 2 als LR.

Eiseres wordt hieronder aangeduid als de Jaarbeurs. Gedaagde sub 1 wordt aangeduid als Rodi en gedaagde sub 2 als LR. Jaarbeurs - Rodi DomJur 2004-190 Rechtbank Dordrecht Zaak-/rolnummer : 51777 / KG ZA 03-218 Datum : 22-01-2004 Vonnis in kort geding in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=bx5433

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=bx5433 pagina 1 van 5 LJN: BX5433, Rechtbank Utrecht, 320331 / HA ZA 12-317 Datum uitspraak:22-08-2012 Datum 04-09-2012 publicatie: Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie:Merkenrecht;

Nadere informatie

~ A 2005/1/9. ARREST van 29 juni 2006. Procestaal : Nederlands. ARRÊT du 29 juin 2006 BOVEMIJ VERZEKERINGEN N.V.

~ A 2005/1/9. ARREST van 29 juni 2006. Procestaal : Nederlands. ARRÊT du 29 juin 2006 BOVEMIJ VERZEKERINGEN N.V. COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ A 2005/1/9 ARREST van 29 juni 2006 Inzake : BOVEMIJ VERZEKERINGEN N.V. tegen BENELUX-MERKENBUREAU Procestaal : Nederlands En cause : ARRÊT du 29 juin 2006 BOVEMIJ

Nadere informatie

Hyporama heeft Divoza doen dagvaarden in kort geding bij dagvaarding van 10 februari 2000.

Hyporama heeft Divoza doen dagvaarden in kort geding bij dagvaarding van 10 februari 2000. Hyporama Divoza Ruitersport DomJur 2000-25 Pres. Rechtbank Groningen Zaak-/rolnummer: 44301 / KG ZA 00-60 Datum: 25-02-2000 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte

Nadere informatie

2.1. Centrum Vastgoed is een beleggingsmaatschappij die onder meer zelf onroerende zaken inkoopt en verkoopt.

2.1. Centrum Vastgoed is een beleggingsmaatschappij die onder meer zelf onroerende zaken inkoopt en verkoopt. Centrum Vastgoed Zibb c.s. DomJur 2004-194 Rechtbank Utrecht Zaak-/rolnummer: 174114/ KG ZA 04-150/ YT Datum: 30 maart 2004 Vonnis in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: / HA ZA Partijen zullen hierna Henkel en Dramers genoemd worden.

zaaknummer / rolnummer: / HA ZA Partijen zullen hierna Henkel en Dramers genoemd worden. vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 290903 / HA ZA 07-2143 Vonnis van in de zaak van 1. de vennootschap naar buitenlands recht HENKEL KGaA, gevestigd te Düsseldorf,

Nadere informatie

Bambini Aquaris DomJur 2012-903. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 519891 / KG ZA 12-863 MW/TF Datum: 4 oktober 2012

Bambini Aquaris DomJur 2012-903. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 519891 / KG ZA 12-863 MW/TF Datum: 4 oktober 2012 Bambini Aquaris DomJur 2012-903 Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 519891 / KG ZA 12-863 MW/TF Datum: 4 oktober 2012 Vonnis In kort geding van 4 oktober 2012 in de zaak van de besloten vennootschap met

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden '" 13 februari 2015 Eerste Kamer in naam des Konings 10/02162 LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: l. LEIDSEPLEIN BEHEER B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. Hendrikus Jacobus Marinus DE VRIES,

Nadere informatie

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 98/2/17) GRIFFIE REGENTSCHAPSSTRAAT 39 1000 BRUSSEL

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove... Rechtspraak.nl Print uitspraak 1 of 5 071215 09:02 Zoekresultaat inzien document ECLI:NL:RBOVE:2013:1448 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Rechtbank Overijssel

Nadere informatie

Dealerdiensten Automotive B.V. Dealer Verzekerd B.V. DomJur 2014-1070

Dealerdiensten Automotive B.V. Dealer Verzekerd B.V. DomJur 2014-1070 Dealerdiensten Automotive B.V. Dealer Verzekerd B.V. DomJur 2014-1070 Rechtbank Zeeland-West-Brabant Zaak-/rolnummer: C/02/278898 / KG ZA 14-160 Datum: 29 april 2014 Vonnis in kort geding in de zaak van

Nadere informatie

~ A 98/2/21. Arrest van 1 december 2004 in de zaak A 98/2 BENELUX MERKENBUREAU. Arrêt du 1 er décembre 2004 dans l'affaire A 98/2

~ A 98/2/21. Arrest van 1 december 2004 in de zaak A 98/2 BENELUX MERKENBUREAU. Arrêt du 1 er décembre 2004 dans l'affaire A 98/2 COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ A 98/2/21 Arrest van 1 december 2004 in de zaak A 98/2 Inzake : CAMPINA tegen BENELUX MERKENBUREAU Procestaal : Nederlands Arrêt du 1 er décembre 2004 dans l'affaire

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: C/09/455764 / KG ZA 13-1383

zaaknummer / rolnummer: C/09/455764 / KG ZA 13-1383 vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel - voorzieningenrechter Zittingsplaats Den Haag zaaknummer / rolnummer: C/09/455764 / KG ZA 13-1383 Vonnis in kort geding van in de zaak van 1. de besloten vennootschap

Nadere informatie

~ A 2003/1/13. Arrest van 25 juni 2004 in de zaak A 2003/1. Arrêt du 25 juin 2004 dans l'affaire A 2003/1. UNILEVER N.V. et IGLO-MORA GROEP B.V.

~ A 2003/1/13. Arrest van 25 juni 2004 in de zaak A 2003/1. Arrêt du 25 juin 2004 dans l'affaire A 2003/1. UNILEVER N.V. et IGLO-MORA GROEP B.V. COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ A 2003/1/13 Arrest van 25 juni 2004 in de zaak A 2003/1 Inzake : UNILEVER N.V. en IGLO-MORA GROEP B.V. tegen ARTIC N.V. en N.V. FRISA Procestaal : Nederlands Arrêt

Nadere informatie

1. de naamloze vennootschap Amsterdam Exchanges N.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres bij dagvaarding van 7 oktober 1999, verweerster in reconventie,

1. de naamloze vennootschap Amsterdam Exchanges N.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres bij dagvaarding van 7 oktober 1999, verweerster in reconventie, Tijd Beursmedia - Blue Seven DomJur 2000-4 Pres Rechtbank Amsterdam Zaak/ rolnummer: KG 99/2553VB Datum: 04-11-1999 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: 1. de naamloze vennootschap Amsterdam Exchanges

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 395096 / KG ZA 11-593

zaaknummer / rolnummer: 395096 / KG ZA 11-593 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 395096 / KG ZA 11-593 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RACE HARDWARE

Nadere informatie

Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 van

Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 van Gemeente Haarlemmermeer Baan Kleef Aan DomJur 2008-432 Rechtbank Haarlem Zaak-/rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 en 151565 / KG ZA 08-641 Datum: 22 december 2008 Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer

Nadere informatie

1. Gedaagde 1, wonende te Velserbroek, gedaagde, verschenen in persoon, 2. Gedaagde 2, wonende te Sliedrecht, gedaagde, niet verschenen.

1. Gedaagde 1, wonende te Velserbroek, gedaagde, verschenen in persoon, 2. Gedaagde 2, wonende te Sliedrecht, gedaagde, niet verschenen. Philips - Gedaagde DomJur 2008-354 Rechtbank s-gravenhage Zaaknummer / rolnummer: 298334 / KG ZA 07-1346 Datum: 21 december 2007 Vonnis in kort geding in de zaak van tegen De naamloze vennootschap KONINKLIJKE

Nadere informatie

Partijen zullen hierna [eiser] en F.T. Promotions genoemd worden.

Partijen zullen hierna [eiser] en F.T. Promotions genoemd worden. Elektro-online F.T. Promotions B.V. DomJur 2009-484 Rechtbank Haarlem Zaak-/rolnummer: 163316 / KG ZA 09-639 Datum: 18-12-2009 Vonnis in kort geding van 18 december 2009 in de zaak van [Eiser], wonende

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: C/09/438805 / KG ZA 13-267

zaaknummer / rolnummer: C/09/438805 / KG ZA 13-267 vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zittingsplaats Den Haag zaaknummer / rolnummer: C/09/438805 / KG ZA 13-267 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

Partijen hebben voorts ter zitting hun stellingen mondeling nader toegelicht.

Partijen hebben voorts ter zitting hun stellingen mondeling nader toegelicht. Keukenfactory Mandemakersgroep DomJur 2005-215 Rechtbank Breda Zaak-/rolnummer: 138934 / KG ZA 04-570 Datum: 25 november 2004 Vonnis in kort geding in de zaak van: 1. de besloten vennootschap DE KEUKENFACTORY

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 197863 / KG ZA 10-191

zaaknummer / rolnummer: 197863 / KG ZA 10-191 vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 197863 / KG ZA 10-191 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENERGY CIRCLE

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx LJN: BR1312, Rechtbank Almelo, 120704 / KG ZA 11-114 Datum uitspraak: 11-07-2011 Datum publicatie: Rechtsgebied: 12-07-2011 Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Vordering overdracht

Nadere informatie

b es chikking AM DER KONINQIN Afdeling Civic! recht Rekestnummer: 200.109.899/01 inzake tegen

b es chikking AM DER KONINQIN Afdeling Civic! recht Rekestnummer: 200.109.899/01 inzake tegen AM DER KONINQIN b es chikking GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civic! recht Rekestnummer: 200.109.899/01 Beschikking d.d. 29 januari 2013 inzake de buitenlandse vennootschap STRELLSON A.G., gevestigd to Kreuzlingen,

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

Partijen zullen verder worden genoemd "Swiss Sense" respectievelijk "De Ondernemer".

Partijen zullen verder worden genoemd Swiss Sense respectievelijk De Ondernemer. Swiss Sense De Ondernemer DomJur 2011-710 Rechtbank Alkmaar Zaak-/rolnummer: 127425/KG ZA 11-90 Datum: 07-04-2011 Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding in de zaak van: de besloten

Nadere informatie

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende akte aanvulling van eis, strekt ertoe:

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende akte aanvulling van eis, strekt ertoe: Gratiz - Martix DomJur 2003-180 Gerechtshof Leeuwarden Zaak-/rolnummer: 0200263 Datum: 23-07-2003 Vonnis in hoger beroep in de zaak van: [appellant], handelende onder de naam Gratiz.nl Internet Diensten,

Nadere informatie

Verweerder is M. Kerst uit Enschede, Nederland, vertegenwoordigd door Parick advocatuur, Nederland.

Verweerder is M. Kerst uit Enschede, Nederland, vertegenwoordigd door Parick advocatuur, Nederland. Herbalife International - verweerder DomJur 2011-646 WIPO Arbitration and Mediation Center Zaak-/rolnummer: DNL2010-0066 Datum: 31-01-2011 1. Partijen Eiser is Herbalife International, lnc., gevestigd

Nadere informatie

@ 2012-2015 Taxi Centrale Midden Nederland B.V. -Alle rechten voorbehouden

@ 2012-2015 Taxi Centrale Midden Nederland B.V. -Alle rechten voorbehouden [Eiser] TCMN DomJur 2015-1154 Rechtbank Midden-Nederland Zaak-/rolnummer: C/16/396430 / KG ZA 15-520 ECLI:NL:RBMNE:2015:6242 Datum: 24 augustus 2015 Vonnis in kort geding in de zaak van [eiser], h.o.d.n.

Nadere informatie

Orthodontic Services - Integrated Dentistry DomJur 2014-1086

Orthodontic Services - Integrated Dentistry DomJur 2014-1086 Orthodontic Services - Integrated Dentistry DomJur 2014-1086 Gerechtshof Amsterdam Zaak-/rolnummer: 200.128.747/01 zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : 516778 / HA ZA 12-574 ECLI:NL:GHAMS:2014:1331 Datum:

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 319584 / KG ZA 08-1168

zaaknummer / rolnummer: 319584 / KG ZA 08-1168 vonnis RECHTBANK S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 319584 / KG ZA 08-1168 Vonnis in kort geding van in de zaak van de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VERENIGING EERSTE HULP BIJ

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: C/09/445893 / KG ZA 13-752

zaaknummer / rolnummer: C/09/445893 / KG ZA 13-752 vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel - voorzieningenrechter Zittingsplaats Den Haag zaaknummer / rolnummer: C/09/445893 / KG ZA 13-752 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten vennootschap

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 371238 / KG ZA 10-891

zaaknummer / rolnummer: 371238 / KG ZA 10-891 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 371238 / KG ZA 10-891 Vonnis in kort geding van 17 november 2010 in de zaak van 1. de vennootschap onder firma DIGI-D, gevestigd

Nadere informatie

vonnis In naam des Konings RECHTBANK AMSTERDAM Vonnis van 6 augustus 2014 1. De procedure Sector civiel recht

vonnis In naam des Konings RECHTBANK AMSTERDAM Vonnis van 6 augustus 2014 1. De procedure Sector civiel recht I vonnis In naam des Konings RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer I rolnummer: Cl131539507 I HA ZA 13-406 Vonnis van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 331731 / KG ZA 09-268

zaaknummer / rolnummer: 331731 / KG ZA 09-268 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 331731 / KG ZA 09-268 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEWFIGURE

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 279867 / KG ZA 07-29

zaaknummer / rolnummer: 279867 / KG ZA 07-29 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 279867 / KG ZA 07-29 Vonnis in kort geding van in de zaak van JOSEPHUS JOHANNUS MARTINUS BAX, wonende te Bergeijk, eiser, procureur

Nadere informatie

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233

Nadere informatie

dit vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alle vorderingen van VNU zal af wijzen;

dit vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alle vorderingen van VNU zal af wijzen; Intermediair Uitzendbureau VNU Business Publications DomJur 2002-155 Gerechtshof te Arnhem Zaak-/rolnummer: 2000/889 Datum: 15-10-2002 Arrest in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:gharl...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:gharl... 1 of 5 31-01-16 21:27 Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:GHARL:2013:5729 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Datum uitspraak 30-07-2013 Datum publicatie 01-08-2013

Nadere informatie

In naam van de Koning

In naam van de Koning 26. OKT. 2015 16:13 TEAM KORT GEDING RECHTBANK A'DAM In naam van de Koning 0 vonnis NR. 5896 P. 2/6 RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel 2aakmtmmer I rolnummer: Cl13/592744/

Nadere informatie

ECLI:NL:GHDHA:2013:2617

ECLI:NL:GHDHA:2013:2617 ECLI:NL:GHDHA:2013:2617 InstantieGerechtshof Den HaagDatum uitspraak23-07-2013datum publicatie24-07-2013 Zaaknummer200.099.698-01 RechtsgebiedenCiviel recht Bijzondere kenmerkenhoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

Kleding B.V. Cyrus I B.V. DomJur 2014-1045

Kleding B.V. Cyrus I B.V. DomJur 2014-1045 Kleding B.V. Cyrus I B.V. DomJur 2014-1045 Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/559151 / KG ZA 14-207 CB/JWR Datum: 2 april 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

Partijen zullen hierna Alpha Computers en [gedaagde] genoemd worden.

Partijen zullen hierna Alpha Computers en [gedaagde] genoemd worden. Alpha Computers [gedaagde] DomJur 2007-307 Rechtbank Zutphen Rolnummer: 83546 / KG ZA 07-32 Datum: 23 februari 2007 Vonnis in kort geding in de zaak van tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 429233 / KG ZA 12-1139

zaaknummer / rolnummer: 429233 / KG ZA 12-1139 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 429233 / KG ZA 12-1139 Vonnis in kort geding van in de zaak van X, h.o.d.n. PUBLIEC, wonende te Delft, eiseres, advocaat mr. O.R.

Nadere informatie

[gedaagde]. Wonende te Voorburg en aldaar zaak doende onder de naam 'E-Motion Internet Services'. Gedaagde, procureur mr. A. Vijftigschild.

[gedaagde]. Wonende te Voorburg en aldaar zaak doende onder de naam 'E-Motion Internet Services'. Gedaagde, procureur mr. A. Vijftigschild. Leidsenhage E-motion Internet Services DomJur 2000-15 Pres. Rechtbank s-gravenhage Zaak-/rolnummer: KG 00/510 Datum: 20-06-2000 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: de vereniging met volledige

Nadere informatie

5 Op grond van art 23p ROW 1995 overweegt de voorzitter van de Raad het volgende:

5 Op grond van art 23p ROW 1995 overweegt de voorzitter van de Raad het volgende: Beslissing Mw. A. - B. Per brief van 31 juli 2003 richt mw. A. (hierna A.) zich tot de Raad van Toezicht voor Octrooigemachtigden (hierna de Raad) met een klacht wegens niet geleverde diensten en het hiervoor

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013 Datum van inontvangstneming : 04/03/2013 Vertaling C-49/13 1 Zaak C-49/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 29 januari 2013 Verwijzende instantie: Úřad průmyslového vlastnictví

Nadere informatie

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak Datum uitspraak: 06-07-2007 Datum publicatie: 06-07-2007 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Eiseres

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM 1 februari 2007 bij vervroeging download: https://spiegeler.com/ Spiegeler Advocaten Oranjestraat 8 2514 JB s-gravenhage 070-2170200 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 05/16 Bindend advies in de zaak van: A., wonende te Z., eiser, gemachtigde: mr. Th.F.M. Pothof tegen De Stichting B., gevestigd te IJ., verweerster, gemachtigde:

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 346026 / HA ZA 09-2833

zaaknummer / rolnummer: 346026 / HA ZA 09-2833 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 346026 / HA ZA 09-2833 Vonnis van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRESENT SIERADEN B.V.,

Nadere informatie

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden.

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden. beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter zittinghoudende te Utrecht zaaknummer: 2534388 UE VERZ 13805 GD/4243 Beschikking van 13 december 2013 inzake X wonende te Arnhem,

Nadere informatie

1 Het geding in feitelijke instanties

1 Het geding in feitelijke instanties Uitspraak 14 februari 2014 nr. 13/00475 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te s-gravenhage van 18 december 2012, nr. 12/00169,

Nadere informatie

De Taartenkamer De Taartenmaker DomJur 2011-708. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 491443 / KG ZA 11-840 MW/LO Datum: 13-07-2011

De Taartenkamer De Taartenmaker DomJur 2011-708. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 491443 / KG ZA 11-840 MW/LO Datum: 13-07-2011 De Taartenkamer De Taartenmaker DomJur 2011-708 Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 491443 / KG ZA 11-840 MW/LO Datum: 13-07-2011 Vonnis in kort geding van 13 juli 2011 in de zaak van [eiseres], wonende

Nadere informatie

Eiser is Medec Benelux N.V. uit Aalst, België, vertegenwoordigd door Hofhuis Alkema Advocaten, Nederland.

Eiser is Medec Benelux N.V. uit Aalst, België, vertegenwoordigd door Hofhuis Alkema Advocaten, Nederland. Medec Benelux N.V. Medicare Uitgeest B.V. DomJur 2013-963 Wipo Arbitration and Mediation Center Zaak/rolnummer: DNL2013-0009 Datum:15 mei 2013 1. Partijen Eiser is Medec Benelux N.V. uit Aalst, België,

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: 387525 / HA ZA 11-520

zaaknummer / rolnummer: 387525 / HA ZA 11-520 vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 387525 / HA ZA 11-520 Vonnis in incident van in de zaak van 1. de rechtspersoon naar vreemd recht BJÖRN BORG BRANDS AB, gevestigd

Nadere informatie

Franz Paul Krampf, wonende te Capelle aan den IJssel, gedaagde, procureur mr. W. Haagman, advocaat mr. M.G. van Westrenen.

Franz Paul Krampf, wonende te Capelle aan den IJssel, gedaagde, procureur mr. W. Haagman, advocaat mr. M.G. van Westrenen. Boomtechniek Krampf DomJur 2004-201 Rechtbank Rotterdam Zaak-/rolnummer 192134/ HA ZA 03-505 Datum: 28-04-2004 Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

sss^v v^nnis m&,o J NAAM PER KQNINGISM RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 140689 / HA ZA 08-49

sss^v v^nnis m&,o J NAAM PER KQNINGISM RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 140689 / HA ZA 08-49 sss^v v^nnis m&,o J NAAM PER KQNINGISM RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 140689 / HA ZA 08-49 Vonnis van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

2.2. Simply Colors biedt haar waren aan op internet onder de domeinnaam www.simplycolors.nl.

2.2. Simply Colors biedt haar waren aan op internet onder de domeinnaam www.simplycolors.nl. Simply Colors Simply Small DomJur 2007-335 Rechtbank Utrecht Zaaknummer / rolnummer: 224140 / KG ZA 07-1 Datum: 9 februari 2007 Vonnis in kort geding in de zaak van: tegen 1. STEPHANIE PETERS-DIJKSTRA,

Nadere informatie

Eiser in conventie zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen afzonderlijk [A] en [B] worden genoemd en gezamenlijk [A] en [B].

Eiser in conventie zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen afzonderlijk [A] en [B] worden genoemd en gezamenlijk [A] en [B]. Eiser - Gedaagden DomJur 2009-485 Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: 433147 / KG ZA 09-1503 P/EB Datum: 03-09-2009 Vonnis in kort geding van 3 september 2009 in de zaak van [eiser], wonende en zaak doende

Nadere informatie

SAS Institute Sas ICT Consultancy DomJur 2001-119

SAS Institute Sas ICT Consultancy DomJur 2001-119 SAS Institute Sas ICT Consultancy DomJur 2001-119 Pres. Rechtbank Alkmaar Zaak-/rolnummer: 361/2001 AD Datum: 08-11-2001 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte

Nadere informatie

1. In dit kort geding kan van het volgende worden uitgegaan:

1. In dit kort geding kan van het volgende worden uitgegaan: XS Consultants - RDWeb DomJur 2001-50 Pres. Rechtbank 's-gravenhage Zaak-/rolnummer: KG 00/448 Datum: 26-04-2000 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap Creative Alliance

Nadere informatie

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten,

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten, Vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 371218 CV EXPL i 1-5231 vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2012 inzake X wonende te eiser. procederende met toevoeging.

Nadere informatie

1. DE REGERING IN BALLINGSCHAP VAN DE REPUBLIEK DER ZUID-MOLUKKEN (RMS), gevestigd te Amsterdam, hierna: RMS,

1. DE REGERING IN BALLINGSCHAP VAN DE REPUBLIEK DER ZUID-MOLUKKEN (RMS), gevestigd te Amsterdam, hierna: RMS, LJN: BU5105, Gerechtshof 's-gravenhage, 200.077.445/01 Datum uitspraak: 22-11-2011 Datum publicatie: 22-11-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Kort geding Republiek

Nadere informatie

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 mei 2001 wordt van het volgende uitgegaan.

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 mei 2001 wordt van het volgende uitgegaan. TMF Sam/Sam Music DomJur 2001-94 Pres. Rechtbank s-gravenhage Zaak-/rolnummer: KG 0110459 Datum: 14-06-2001 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: 1. de vennootschap onder firma The Music Factory

Nadere informatie

vonnis RECHTBANK S-GRAVENHAGE Sector civiel recht Enkelvoudige Kamer zaaknummer / rolnummer: 301871 / HA ZA 08-84

vonnis RECHTBANK S-GRAVENHAGE Sector civiel recht Enkelvoudige Kamer zaaknummer / rolnummer: 301871 / HA ZA 08-84 vonnis RECHTBANK S-GRAVENHAGE Sector civiel recht Enkelvoudige Kamer zaaknummer / rolnummer: 301871 / HA ZA 08-84 Vonnis in incident van in de zaak van tegen 1. de rechtspersoon naar vreemd recht EUROPEAN

Nadere informatie

vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 244269 / KG ZA 12-171 Vonnis in kort geding van 16 april 2012

vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 244269 / KG ZA 12-171 Vonnis in kort geding van 16 april 2012 vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 244269 / KG ZA 12-171 Vonnis in kort geding van in de zaak van de vennootschap onder firma VAN HOOF VOF, gevestigd te Asten,

Nadere informatie

Verweerder is Office 1 Amersfoort, gevestigd te Amersfoort, Nederland, vertegenwoordigd door Liefferink & Partners Advocaten, Nederland.

Verweerder is Office 1 Amersfoort, gevestigd te Amersfoort, Nederland, vertegenwoordigd door Liefferink & Partners Advocaten, Nederland. Office 1 Office 1 DomJur 2010-610 WIPO Arbitration and Mediation Center Zaak-/rolnummer: DNL2010-0021 Datum: 16-07-2010 1. Partijen Eiser is de buitenlandse vennootschap Office 1 Superstores International

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 augustus 1985,

Nadere informatie

Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK

Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK op het beroep van de Stichting X te Y tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid

Nadere informatie

Domeinnaam-jurisprudentie.nl Gratiz.nl Internetdiensten Martix DomJur 2002-134

Domeinnaam-jurisprudentie.nl Gratiz.nl Internetdiensten Martix DomJur 2002-134 Domeinnaam-jurisprudentie.nl Gratiz.nl Internetdiensten Martix DomJur 2002-134 Rechtbank Groningen 15 februari 2002 Sector Civiel Recht - Meervoudige Kamer Zaaknummer 53031 / HA ZA 1-516 Vonnis in de zaak

Nadere informatie

Partijen zullen hierna worden aangeduid respectievelijk als "[eiser]" en "Dutch Horse B.V.".

Partijen zullen hierna worden aangeduid respectievelijk als [eiser] en Dutch Horse B.V.. Eiser Dutch Horse DomJur 2001-90 Pres. Rechtbank s-hertogenbosch Zaak-/rolnummer: 63777 / KG ZA 01-204 Datum: 07-06-2001 Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van: [eiser], gevestigd te Vinkel, eiser

Nadere informatie

The clash of the Bulls. The Bull Dog vs. Red Bull: het begrip geldige reden nader verklaard door HvJ EU. I. Inleiding

The clash of the Bulls. The Bull Dog vs. Red Bull: het begrip geldige reden nader verklaard door HvJ EU. I. Inleiding The clash of the Bulls The Bull Dog vs. Red Bull: het begrip geldige reden nader verklaard door HvJ EU I. Inleiding Met de uitspraak van het Europese Hof op 6 februari jongstleden is het dan zo ver...

Nadere informatie

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen: '"Sr "- AANTEKENEN Hoge Raad der Nederlanden Postbus 20303 2500 EH 'S-GRAVENHAGE Datum Referentie Betreft beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (08/00041) op het hoger beroep

Nadere informatie

Gerechtshof s-gravenhage Zaak-/rolnummer: 200.006.594/01 243999/HA ZA 05-2251 Datum: 16-02-2010

Gerechtshof s-gravenhage Zaak-/rolnummer: 200.006.594/01 243999/HA ZA 05-2251 Datum: 16-02-2010 TIB Rotterdam TBI c.s. DomJur 2010-541 Gerechtshof s-gravenhage Zaak-/rolnummer: 200.006.594/01 243999/HA ZA 05-2251 Datum: 16-02-2010 arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 16 februari 2010 inzake B.V.

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 0 0 3 i 0 4 januari 1991 Eerste Kamer Nr. 14.449 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Rudolph Jan ROMME, wonende te Bosch en Duin, gemeente Zeist, EISER tot cassatie, advocaat: Mr. J.W.

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

LMR Advocaten - LR Advocaten DomJur 2014-1082

LMR Advocaten - LR Advocaten DomJur 2014-1082 LMR Advocaten - LR Advocaten DomJur 2014-1082 Rechtbank Oost-Brabant ECLI:NL:RBOBR:2014:5553 Zaak-/rolnummer: 2743182/251 Datum: 14 maart 2014 in de zaak van: de maatschap L[persoonsnaam] M[persoonsnaam]

Nadere informatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak Datum uitspraak: 10-10-2008 Datum publicatie: 10-10-2008 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verkoop van (gebruikte) goederen

Nadere informatie

Eiseres is Stichting Den Haag Marketing uit Den Haag, Nederland, vertegenwoordigd door GMW Advocaten B.V., Nederland.

Eiseres is Stichting Den Haag Marketing uit Den Haag, Nederland, vertegenwoordigd door GMW Advocaten B.V., Nederland. Stichting Den Haag Marketing Verweerder DomJur 2011-700 WIPO Arbitration and Mediation Center Zaak-/rolnummer: DNL2011-0017 Datum: 10-06-2011 1. Partijen Eiseres is Stichting Den Haag Marketing uit Den

Nadere informatie

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instantiën, te begroten volgens het gebruikelijke tarief. "

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instantiën, te begroten volgens het gebruikelijke tarief. Cogas geïntimeerde DomJur 2002-136 Gerechtshof Leeuwarden Zaak-/rolnummer: 0000379 Datum: 19-09-2001 Arrest in de zaak van: de naamloze vennootschap Centraal Overijsselse Nuts Bedrijven N.V., gevestigd

Nadere informatie

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JAN ZANDBERGEN B.V., gevestigd te Veenendaal, gedaagde, advocaat: mr. A.A. Bart.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JAN ZANDBERGEN B.V., gevestigd te Veenendaal, gedaagde, advocaat: mr. A.A. Bart. Ferdinand Zandbergen Jan Zandbergen DomJur 2010-586 Rechtbank Utrecht Zaak-/rolnummer: 2237737/HA ZA 07-1877 Datum: 3 september 2008 Vonnis in de zaak van tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx pagina 1 van 5 LJN: BP2860, Rechtbank 's-gravenhage, 366594 - HA ZA 10-1807 Datum uitspraak: 02-02-2011 Datum publicatie: 02-02-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2014:3049

ECLI:NL:GHAMS:2014:3049 1 van 7 20-8-2014 9:27 ECLI:NL:GHAMS:2014:3049 Instantie Datum uitspraak 15-07-2014 Datum publicatie 04-08-2014 Gerechtshof Amsterdam Zaaknummer 200.100.003-01 Rechtsgebieden Civiel recht Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: C/09/440897 / KG ZA 13-395

zaaknummer / rolnummer: C/09/440897 / KG ZA 13-395 vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zittingsplaats Den Haag zaaknummer / rolnummer: C/09/440897 / KG ZA 13-395 Vonnis in kort geding van in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

"Gelet op het bovenstaande zijn de conventionele vorderingen A, B en C uit de inleidende dagvaarding ten onrechte afgewezen (onderdeel 5.1 dictum).

Gelet op het bovenstaande zijn de conventionele vorderingen A, B en C uit de inleidende dagvaarding ten onrechte afgewezen (onderdeel 5.1 dictum). Sports World The Netherlands Sport Direct DomJur 2011-685 Gerechtshof Arnhem Zaaknummer: 200.042.372/01 Datum: 17-05-2011 Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: de besloten vennootschap

Nadere informatie

1. Procedure. 2. Feiten

1. Procedure. 2. Feiten Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 153 d.d. 23 augustus 2010 (mr. V. van den Brink, voorzitter, en de heren G.J.P. Okkema en prof. drs. A.D. Bac RA) 1. Procedure De Commissie

Nadere informatie