Inspectierapport. Het Middenhonk B.V. (KDV) Middenweg 90 H 1097 BS Amsterdam Registratienummer:

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inspectierapport. Het Middenhonk B.V. (KDV) Middenweg 90 H 1097 BS Amsterdam Registratienummer:"

Transcriptie

1 Inspectierapport Het Middenhonk B.V. (KDV) Middenweg 90 H 1097 BS Amsterdam Registratienummer: Toezichthouder: GGD Amsterdam In opdracht van: Gemeente Amsterdam Datum inspectie: Type onderzoek: Jaarlijks onderzoek Status: definitief Datum vaststellen inspectierapport: Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

2 Inhoudsopgave Het onderzoek Observaties en bevindingen Pedagogisch klimaat Personeel en groepen Veiligheid en gezondheid Accommodatie en inrichting Ouderrecht Inspectie-items Gegevens voorziening Gegevens toezicht Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

3 Het onderzoek Onderzoeksopzet Op 11 augustus 2015 is op grond van artikel 1.62, tweede lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen een onaangekondigd jaarlijks onderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van het voor dit kindercentrum opgestelde risicoprofiel is een volledig onderzoek op alle domeinen uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een documentenonderzoek en een bezoek aan de locatie. Tijdens het bezoek is onder andere het pedagogisch handelen van de beroepskrachten geobserveerd en zijn er gesprekken gevoerd met de beroepskrachten en de vestigingsmanager. Beschouwing De organisatie Het kindercentrum is onderdeel van Kinderhonk, een organisatie met zes vestigingen in Amsterdam. De vestigingen bestaan uit kinderdagverblijven en/of buitenschoolse-opvanglocaties en behoren tot verschillende besloten vennootschappen. Deze worden bestuurd door de holding Rabenswaay Beheer B.V. Het inspectieonderzoek heeft plaatsgevonden bij kinderdagverblijf Het Middenhonk B.V.; deze vestiging behoort samen met de buitenschoolse opvang die op hetzelfde adres is gevestigd tot Het Middenhonk B.V. De organisatie heeft een directeur die verantwoordelijk is voor de algemene beleidsvoering. Er is daarnaast een kwaliteitsfunctionaris aangesteld die verantwoordelijk is voor het opstellen en implementeren van het beleid met betrekking tot onder andere veiligheid, gezondheid en pedagogiek. Deze persoon is tevens aangesteld als aandachtsfunctionaris kindermishandeling en vertrouwenspersoon voor zowel het personeel als de ouders. Een functieomschrijving hiervan is schriftelijk vastgelegd en krijgen ouders bij de intake mee. Iedere locatie heeft verder een vestigingsmanager die verantwoordelijk is voor de dagelijkse aansturing van de beroepskrachten. Ook is er bij de organisatie een administratief medewerker die tevens klachtencoördinator is. De locatie Het kinderdagverblijf bestaat uit een babygroep met 9 kindplaatsen, een babygroep met 12 kindplaatsen, een dreumesgroep met 15 kindplaatsen en een peutergroep met 13 kindplaatsen. In het afgelopen jaar zijn er verschillende vestigingsmanagers aangesteld geweest. Er is een tijdelijke vestigingsmanager geweest, en toen deze met verlof ging hebben verschillende managers van andere vestigingen van Het Kinderhonk de taken overgenomen. Sinds enkele maanden is er een nieuwe vestigingsmanager aangesteld. In het huidige onderzoek is geconstateerd dat er in de peutergroep 14 kinderen worden opgevangen, terwijl er voldoende binnenspeelruimte is voor maximaal 13 kinderen. Dit is reeds eerder geconstateerd en hiervoor heeft de gemeente al eens handhavend opgetreden. Ook zijn er overtredingen geconstateerd op het gebied van het pedagogisch beleidsplan, verklaring omtrent het gedrag, veiligheid en gezondheid en de informatie aan ouders. Aan de overige kwaliteitseisen is wel voldaan. Oudercommissie Op 19 augustus 2015 heeft de toezichthouder een telefoongesprek gevoerd met een lid van de oudercommissie. Deze geeft aan tevreden te zijn over de kwaliteit van de opvang. Zo zijn de beroepskrachten competent en wordt er individuele aandacht aan de kinderen geschonken. Wanneer er sprake is van problemen in de ontwikkeling, wordt overleg gepleegd met ouders en denken de beroepskrachten mee over hoe zij de opvang zodanig kunnen structureren dat het kind in zijn of haar behoeftes wordt voorzien en de ontwikkeling wordt gestimuleerd. Het lid heeft verder aangegeven dat de oudercommissie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen, maar dat de belangen van de oudercommissie en de houder regelmatig verschillen. Zo vindt het lid het spijtig dat de theaterzaal nu een babygroep is geworden. Ook de communicatie en informatie aan ouders was regelmatig onduidelijk. Nadat de directrice een vergadering van de oudercommissie heeft bijgewoond is dit verbeterd. Advies aan college van B&W De toezichthouder adviseert om vanwege de geconstateerde overtredingen handhavend op te treden conform het handhavingsbeleid van de gemeente. Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

4 Observaties en bevindingen Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleidsplan Er is een algemeen pedagogisch beleidsplan opgesteld voor de hele organisatie. Deze is in maart 2015 herzien. Daarnaast is er voor iedere locatie een pedagogisch werkplan opgesteld. Het werkplan van het Middenhonk, dat van toepassing is op het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang, is vastgesteld in mei In dit document staat onder andere de kenmerkende visie van Het Kinderhonk, te weten: 'Het opvangen van kinderen in een situatie waarin hun ontwikkeling wordt bevorderd. Dit door hen in groepsverband en onder deskundige leiding samen te brengen in speciaal voor hen ingerichte ruimtes, in goed overleg met de ouders'. In het pedagogisch beleidsplan is verder in duidelijke en observeerbare termen beschreven hoe er uitvoering wordt gegeven aan de vier pedagogische basisdoelen. Over het waarborgen van de emotionele veiligheid wordt onder andere beschreven dat de beroepskrachten reageren op de signalen van de kinderen en structuur en duidelijkheid bieden. De persoonlijke en sociale competentie wordt gestimuleerd doordat er leeftijdsgericht speelmateriaal wordt aangeboden, de samenwerking wordt gestimuleerd en kinderen worden aangemoedigd hun grenzen te verkennen en verleggen. Normen en waarden worden onder andere overgedragen doordat beroepskrachten het juiste voorbeeld geven. Tevens is onder andere het wenbeleid en de achterwachtregeling beschreven. Ook staat er in het beleidsplan dat de beroepskrachten worden ondersteund door vestigingsmanagers, huishoudelijk medewerkers en hoofdkantoormedewerkers. Sinds juli 2015 zijn er twee extra voorwaarden gesteld aan het pedagogisch beleidsplan. Er dient beschreven te zijn hoe beroepskrachten bijzonderheden in de ontwikkeling of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar een passende instantie, en hoe zij worden toegerust voor deze taak. Aan de eerste voorwaarde is voldaan. Zo is in het pedagogisch beleidsplan beschreven dat beroepskrachten door middel van observaties dergelijke problemen in kaart brengen. Zij bespreken dit vervolgens met het team en verwijzen ouders eventueel door middel van een persoonlijk gesprek naar een instantie. Hoe de beroepskrachten worden toegerust voor deze taken is echter niet in het pedagogisch beleidsplan beschreven. In het pedagogisch beleidsplan is daarnaast beschreven dat kinderen in een andere dan de eigen stamgroep kunnen worden opgevangen, bijvoorbeeld als een beroepskracht ziek is of er weinig kinderen aanwezig zijn. Deze bedrijfseconomische reden (het opvangen van kinderen in een andere stamgroep, zodat er minder beroepskrachten ingezet hoeven te worden om aan de vereiste beroepskracht-kind-ratio te voldoen) staat echter haaks op het doel van de regelgeving. De mogelijkheid tot het opvangen in een tweede basisgroep is namelijk specifiek bedoeld om kinderen op extra dagdelen te kunnen opvangen indien er geen plaats is in de eigen stamgroep, zodat ouders niet hoeven uit te wijken naar een ander kindercentrum. In het pedagogisch werkplan is onder andere beschreven hoe er uitvoering wordt gegeven aan het vierogenprincipe en wat de maximale grootte en leeftijdsopbouw van de stamgroepen is. Tevens is er beschreven dat het in vakantieperiodes en op vrijdagen kan voorkomen dat de babygroepen worden samengevoegd als er in totaal weinig kinderen aanwezig zijn. In de praktijk kan dit leiden tot een overtreding van de voorwaarde met betrekking tot de opvang in groepen. Het samenvoegen van stamgroepen mag namelijk alleen structureel, en niet incidenteel, plaatsvinden. In de vakanties mag er op verschillende dagen worden samengevoegd, mits ouders voorafgaand aan de vakantieperiode hierover zijn geïnformeerd en dit beleid ter advies is voorgelegd aan de oudercommissie. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de wijze waarop beroepskrachten in de dagopvang worden toegerust voor de taak van signaleren en doorverwijzen en op welke wijze zij daarbij ondersteund worden. (art 1.50 lid 2 sub f Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 5 lid 4 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 7 lid 1 sub j Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) Pedagogische praktijk Het inspectiebezoek heeft plaatsgevonden van 9.00 tot uur. Het (pedagogisch) handelen van de beroepskrachten van de babygroepen is geobserveerd tijdens het verschonen en voeden van kinderen. In de dreumesgroep is geobserveerd tijdens het buiten spelen. De beroepskrachten van de peutergroep zijn geobserveerd tijdens het opruimen en klaarmaken voor een wandeling, en tijdens het middageten in de tuin. Er blijkt dat voldoende uitvoering wordt gegeven aan het pedagogisch beleidsplan en de vier pedagogische basisdoelen. Hieronder zijn enkele voorbeelden beschreven waarop dit is gebaseerd. Met name in de peutergroep scheppen de beroepskrachten een klimaat waarin de kinderen zich emotioneel veilig voelen. Er heerst een aangename, ontspannen sfeer en alle kinderen zijn vrolijk. De beroepskrachten spelen actief mee met de kinderen, maken grapjes en zorgen er daarna voor dat alle kinderen betrokken zijn bij het opruimen. Een kind kruipt bijvoorbeeld tijdens het opruimen in een bak en een beroepskracht zegt grappend 'opgeruimd Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

5 staat netjes'. Wanneer de andere beroepskracht het speelkeukentje heeft opgeruimd, vraagt de beroepskracht aan de kinderen of de beroepskracht nu een sticker heeft verdiend. Alle kinderen moeten lachen, want de beroepskracht heeft al een sticker op haar hoofd geplakt. Ook tilt een van de beroepskrachten een kind op, zodat deze een knuffel hoog kan opbergen. Tevens houden de beroepskrachten het dagschema aan met dagelijkse routines en actviteiten. De beroepskrachten zingen voorafgaand aan ieder onderdeel een liedje, zodat het herkenbaar is voor de kinderen wat er komen gaat. Na het opruimen zingen de beroepskrachten bijvoorbeeld een liedje dat alle kinderen voor de kast moeten gaan zitten. Er wordt verteld dat de kinderen eerst naar het toilet kunnen gaan, dan hun schoenen aantrekken en vervolgens naar het park zullen wandelen. Wanneer zij terugkomen zal de lunch klaarstaan. Tijdens het buiten spelen hebben de dreumessen voldoende ruimte om eigen ervaringen op te doen. Een gedeelte van de buitenspeelruimte is voor deze leeftijdsgroep ingericht. Er staat een laag speeltoestel met een korte glijbaan, een speelhuisje en een kleine picknicktafel. De kinderen krijgen voldoende los speelmateriaal aangeboden van de beroepskrachten, zoals auto's. De ruimte is omheind en de kinderen mogen zich vrij bewegen door de tuin. De beroepskrachten hebben zich verspreid over de ruimte en ondersteunen de kinderen tijdens het spelen. Een beroepskracht doet bijvoorbeeld het geluid na van een ambulance, wanneer een kind met een speelgoedambulance haar kant op rijdt. Een andere beroepskracht stimuleert een kind van de glijbaan te glijden. Uit deze voorbeelden blijkt dat de ontwikkeling van de persoonlijke competentie voldoende wordt gestimuleerd. In een van de babygroepen krijgen zes kinderen tegelijk een fles. Twee beroepskrachten zitten op een stoel aan een zijde van de ruimte en hebben een kind in de armen. Een beroepskracht voedt een kind op de bank aan de andere zijde van de ruimte. De drie oudere kinderen liggen in een voedingskussen, met hun gezicht naar de bank. De flessen zijn zo gepositioneerd dat ze eruit kunnen drinken. Een van de beroepskrachten verklaart dat er voor deze werkwijze is gekozen, omdat zij het belangrijker vindt dat de kinderen hun eigen voedingstijd aanhouden, dan dat zij moeten wachten op een fles en en door een beroepskracht gevoed kunnen worden. Hierdoor heeft de helft van de kinderen tijdens dit verzorgingsmoment minimaal contact met de beroepskrachten. Soms valt een fles en dan legt de beroepskracht die achter de kinderen zit deze weer goed. Door de wijze van opstellen kunnen de baby's elkaar ook niet zien. Dit stemt niet overeen met wat in het pedagogisch beleidsplan is beschreven, namelijk dat 'de pedagogisch medewerker contact stimuleert door baby's in elkaars nabijheid te brengen, bijvoorbeeld door ze tegenover elkaar te zetten'. Ook stemt het niet overeen met wat er in de informatie aan ouders is opgenomen. Hierin staat namelijk: 'Zo gaat het bij het voeden niet alleen om het toedienen van voedsel en bij het verschonen om meer dan een schone luier. Het spel met voetjes, handjes en gezicht geeft de baby een gevoel van vertrouwen, warmte en veiligheid' en 'Het werk op de babygroep bestaat zeker niet alleen uit voeden en verzorging. Tijdens het verzorgen zelf kunnen er activiteiten ondernomen worden, zoals bij het verschonen, kiekeboe spelen, teentjes tellen, er komt een muisje aangelopen etc'. Hoewel bovengenoemde situatie niet bevorderlijk is voor het gevoel van emotionele veiligheid van de kinderen, is er geen sprake van een overtreding. Over het algemeen wordt de emotionele veiligheid van de kinderen namelijk wel voldoende gewaarborgd. Tijdens het verschonen wordt er bijvoorbeeld gepraat met de kinderen en verwoordt de beroepskracht haar handelen. Een nieuw kind dat komt wennen op de babygroep krijgt extra aandacht, en de beroepskrachten bespreken eigenschappen van het kind. In de andere babygroep, die grenst aan de tuin, gaan de beroepskrachten voldoende in op de signalen van de kinderen. De beroepskracht helpt bijvoorbeeld een kind dat probeert te staan. Wanneer een kind richting de tuin kruipt, moedigt de beroepskracht het kind aan om verder te gaan. Een huilend kind wordt getroost door het te knuffelen en te vragen wat er is gebeurd. Gebruikte bronnen: - Pedagogisch beleidsplan Het Kinderhonk (versie maart 2015; ontvangen op 13 augustus 2015) - Pedagogisch werkplan Het Middenhonk (versie mei 2015; ontvangen op 13 augustus 2015) - Observaties - Inspectiebezoek - Gesprekken met de beroepskrachten - Samenvatting pedagogisch beleidsplan voor ouders (ongedateerd; ontvangen op 19 augustus 2015) Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

6 Personeel en groepen Verklaring omtrent het gedrag De toezichthouder heeft op basis van een steekproef de verklaringen omtrent het gedrag (VOG) van de personen die werkzaam zijn bij het kindercentrum beoordeeld. Deze steekproef omvat het personeel dat sinds het laatste jaarlijkse inspectieonderzoek in dienst is getreden en het personeel dat op de dag van het inspectiebezoek aanwezig is. De beroepskrachten en de vestigingsmanager beschikken over een geldige VOG die voor aanvang van de werkzaamheden is overgelegd en op dat moment niet ouder is dan twee maanden. De huishoudelijke hulp, die dagelijks en ook tijdens van het inspectiebezoek voor de kinderen kookt, beschikt echter over een VOG die niet op de juiste functieaspecten is getoetst. Alle personen werkzaam bij het kindercentrum dienen gecontroleerd te worden op functieaspect 84: 'belast zijn met zorg voor minderjarigen'. De huishoudelijke hulp is hierop niet gecontroleerd en de VOG is daarom niet geldig. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: De houder en personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het kindercentrum exploiteert zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven na 1 maart (art 1.50 lid 3 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.) Passende beroepskwalificatie De toezichthouder heeft op basis van een steekproef beoordeeld dat alle beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals in de cao Kinderopvang is opgenomen. Deze steekproef omvat het personeel dat sinds het laatste reguliere inspectiebezoek in dienst is getreden en het personeel dat op de dag van het inspectiebezoek aanwezig is. Er zijn ten tijde van het inspectiebezoek geen stagiairs werkzaam bij het kindercentrum. Opvang in groepen Er zijn vier stamgroepen. In babygroep 1 en babygroep 2 worden respectievelijk maximaal 9 en 12 kinderen opgevangen van 0 tot 1,5 à 2 jaar oud. In de dreumesgroep worden maximaal 15 kinderen opgevangen van ongeveer 1,5 tot 2,5 jaar oud. In de peutergroep worden volgens het beleid maximaal 13 kinderen van ongeveer 2,5 tot 4 jaar oud opgevangen. In de praktijk worden er echter 14 kinderen in deze groep opgevangen, terwijl er onvoldoende binnenspeelruimte beschikbaar is voor dit aantal kinderen. Dit is beoordeeld onder domein 4 van dit onderzoek. Ieder kind is geplaatst in één van de vaste stamgroepen. De kinderen worden echter niet dagelijks in de eigen groepen opgevangen. Het kan voorkomen dat een baby bij de afname van een extra opvangdag of ruildag in de andere dan de eigen stamgroep wordt opgevangen, als er op de betreffende dag geen plaats is op de eigen groep. Ouders geven hier dan schriftelijk toestemming voor en deze werkwijze is daarom toegestaan. Uit de presentielijsten blijkt dat de babygroepen tevens op enkele dagen in de zomervakantie zijn samengevoegd. Dit is toegestaan. Van tevoren is geïnventariseerd hoeveel kinderen er gedurende de vakantie per dag aanwezig zijn. Ouders zijn vervolgens via een nieuwsbrief geïnformeerd over de wijze van samenvoegen. In de babygroepen en dreumesgroep zijn drie vaste beroepskrachten werkzaam en in de peutergroep twee. Dagelijks is er minimaal één van hen aanwezig. Van 7.45 tot 8.00 uur vangt de opvang aan in de dreumesgroep. Vanaf 8.00 uur worden de kinderen in de eigen groepsruimte opgevangen. Zij maken dus gebruik van maximaal twee groepsruimtes per week. Beroepskracht-kind-ratio Op de dag van het inspectiebezoek worden er voldoende beroepskrachten ingezet voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen. Er worden namelijk in babygroep 1 acht kinderen opgevangen door twee beroepskrachten. In babygroep 2 worden er negen kinderen opgevangen door twee beroepskrachten. Wanneer er een extra kind op de groep wordt opgevangen omdat deze enkele uren komt wennen wordt de vestigingsmanager ingezet als derde beroepskracht. Zij beschikt over een passend diploma om te worden ingezet als beroepskracht. In de dreumesgroep worden dertien kinderen opgevangen door drie beroepskrachten. In de peutergroep worden er dertien kinderen opgevangen door twee beroepskrachten. Uit een steekproef van de presentielijsten van 1 juni tot en met 10 augustus 2015, waarop zowel de aanwezige kinderen als beroepskrachten zijn genoteerd, blijkt dat er ook in deze periode voldoende beroepskrachten zijn ingezet voor het aantal op te vangen kinderen. Wanneer er twee beroepskrachten worden ingezet op een groep werken zij van 7.45 tot uur en van 9.00 tot uur. Eén beroepskracht pauzeert van tot uur en één van tot uur. Wanneer er drie beroepskrachten op een groep worden ingezet werken zij van 7.45 of 8.00 tot of uur, van 8.45 tot uur en van 9.30 tot uur. Zij pauzeren na elkaar veertig minuten tussen en uur. Met deze werk- en pauzetijden wordt er op de toegestane tijdstippen afgeweken van de beroepskracht-kind-ratio. Ook wordt minimaal de helft van het aantal vereiste beroepskrachten ingezet wanneer er wordt afgeweken van de vereiste beroepskracht-kind-ratio. De voorwaarde met betrekking tot de duur van de afwijking van de beroepskracht-kind-ratio is beoordeeld in een nader onderzoek (d.d. 18 augustus 2015), in verband met een lopende handhavingsprocedure. Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

7 Het kindercentrum wordt om 7.45 uur geopend door twee beroepskrachten. Om 8.00 uur zijn er vier beroepskrachten in het pand aanwezig. Het kinderdagverblijf wordt afgesloten door minimaal twee beroepskrachten. Op dat moment is ook het personeel van de buitenschoolse opvang in het pand aanwezig. In geval van een calamiteit kunnen de beroepskrachten een beroep doen op de vestigingsmanager of de medewerkers van het hoofdkantoor. De beroepskrachten zijn op de hoogte van deze achterwachtregeling. Gebruik van de voorgeschreven voertaal Gedurende de hele opvang wordt door alle beroepskrachten Nederlands gesproken. Gebruikte bronnen: - Gesprekken met de beroepskrachten en leidinggevende - Steekproef afschriften verklaringen omtrent het gedrag (ingezien op de locatie) - Steekproef afschriften beroepskwalificaties (ingezien op de locatie) - Inspectiebezoek - Roosters beroepskracht juni, juli en augustus 2015 (ontvangen op 18 augustus 2015) - Presentielijsten 1 juni tot 10 augustus 2015 (ontvangen op 18 augustus 2015) - Gesprekken met de beroepskrachten - Gesprek met de vestigingsmanager - Adviesaanvraag oudercommissie samenvoegen (d.d. 5 februari 2015; ontvangen op 19 augustus 2015) Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

8 Veiligheid en gezondheid Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid In augustus 2014 is een risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid uitgevoerd. De risico-inventarisatie veiligheid betreft de actuele situatie, en de veiligheidsrisico's zijn geïnventariseerd voor alle voor de kinderen toegankelijke ruimtes, zoals de groepsruimtes, speelhal, tuin en omgeving. In de inventarisatie ontbreken echter op enkele thema's risico's. Zo ontbreken de risico's die zich voordoen bij het openzetten van de nooddeur in de leefruimte van de peutergroep om te luchten. De veiligheidsrisico's met betrekking tot de omgeving zijn voornamelijk gericht op peuters. Risico's die samenhangen met het wandelen met baby's zijn niet geïnventariseerd, terwijl de beroepskrachten dagelijks wandelen met de kinderen. De gezondheidsrisico's zijn per leeftijdsgroep geïnventariseerd op de thema's ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen. Hierin is het opmerkelijk dat de risico's op het verblijven in een bedompte, en muf ruikende ruimte als klein zijn ingeschat in de peutergroep, want tijdens het inspectiebezoek is gebleken dat dit risico in de praktijk groot is. Er zijn diverse werkinstructies en protocollen opgesteld, waarin de maatregelen zijn beschreven die het personeel dient uit te voeren om veiligheids- en gezondheidsrisico's te reduceren. Dit vormt het plan van aanpak en is onderdeel van de risico-inventarisatie. De vestigingsmanager zorgt er voldoende voor dat de personen die werkzaam zijn bij het kindercentrum hier kennis van kunnen nemen. Wanneer een medewerker nieuw in dienst komt van het Middenhonk B.V. dient deze al het beleid door te nemen en een toets hierover te maken. Tevens is er iedere zes weken een vergadering, waarin enkele werkinstructies en/of protocollen worden besproken. Ook is het veiligheids- en gezondheidsbeleid in iedere groepsruimte aanwezig. In het plan van aanpak dient te worden aangegeven welke maatregelen op welk moment worden genomen in verband met de veiligheids- en gezondheidsrisico's, en er dient samenhang te zijn tussen de risico's en maatregelen. Deze kwaliteitseisen zijn beoordeeld op basis van een steekproef. Op het gebied van veiligheid zijn de maatregelen beoordeeld die worden getroffen om de veiligheid van de kinderen te waarborgen tijdens het wandelen. Op het gebied van gezondheid zijn de maatregelen beoordeeld om een gezond binnenmilieu te waarborgen. Dagelijks wandelen de beroepskrachten van de babygroep met de kinderen. De maatregelen die de beroepskrachten dienen te treffen om de veiligheid te waarborgen zijn vastgelegd in de werkinstructie 'wandelen kinderen'. Er gaan altijd minimaal twee beroepskrachten mee en de kinderen worden vervoerd in wandelwagens met zes zitplaatsen, maar er gaan maximaal vijf baby's per beroepskracht mee. De beroepskrachten hebben verklaard dat zij niet gaan wandelen als het kouder is dan 8 graden Celcius of als het regent. Kinderen vanaf vijf maanden oud mogen mee. De beroepskrachten nemen onder meer EHBO-spullen, presentielijsten, telefoonnummers van de ouders en een mobiele telefoon mee. Ook de peuters gaan weleens wandelen. De beroepskrachten hebben verklaard dan dezelfde spullen mee te nemen. Tien kinderen worden vervoerd in een bolderwagen en de oudste kinderen lopen aan de hand van de beroepskrachten. De maatregelen reduceren de risico's voldoende. In de werkinstructie 'ventilatie en luchten' is onder andere beschreven dat er altijd een luchttoevoer, zoals een raam of een rooster, geopend moet zijn in een ruimte. In de slaapkamers, babygroepen en de dreumesgroep zijn voldoende ventilatiemogelijkheden. De toezichthouder heeft in deze ruimtes een meting van de CO2-waarde gedaan en deze duidt erop dat er voldoende kan worden geventileerd in de ruimtes. In de peutergroep kan deze maatregel echter niet worden getroffen. Er is in de binnenspeelruimte een raampje, drie ventilatieroosters en één nooddeur die geopend kunnen worden. In verband met de veiligheid van de kinderen mag de nooddeur volgens het beleid alleen geopend worden als de kinderen niet in de ruimte zijn of wanneer zij aan tafel zitten. Op alle andere momenten wordt er daardoor beperkt geventileerd. Tijdens het inspectiebezoek heeft de toezichthouder in de peutergroep een CO2-waarde gemeten van 1830 part per million (ppm). Een waarde boven de 1400 ppm is onacceptabel en duidt op slechte ventilatie. De beroepskrachten hebben verklaard de ruimte als benauwd te ervaren en hebben regelmatig klachten, zoals hoofdpijn. Met name in de herfst en winter is hiervan sprake, omdat het dan voorkomt dat er door de weersomstandigheden niet buiten wordt gespeeld en er dus nog minder tijdstippen zijn waarop de deur kan worden opengezet. De beroepskrachten hebben dit in het verleden al aangegeven bij de vestigingsmanager, maar de ventilatiemogelijkheden zijn niet uitgebreid. Samenvattend: In de risico-inventarisatie veiligheid ontbreken risico's die zich in de praktijk wel voordoen. Tevens kunnen niet alle maatregelen voor het waarborgen van een gezond binnenmilieu worden uitgevoerd. In de peutergroep zijn ontoereikende ventilatiemogelijkheden. De maatregelen die zijn beschreven in het plan van aanpak betreffen daarom niet de maatregelen die in de praktijk worden genomen en zijn tevens onvoldoende effectief. Hierdoor is beoordeeld dat er onvoldoende samenhang is tussen de risico's en de maatregelen in het plan van aanpak gezondheid. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: De houder beschrijft de veiligheidsrisico s op de thema s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden. (art 1.49 lid 1 art 1.50 lid 1 lid 2 sub a art 1.51 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 1 sub a lid 2 sub a Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 2 lid 1 Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) In het plan van aanpak geeft de houder aan welke maatregelen op welk moment zijn respectievelijk worden genomen in verband met de gezondheidsrisico s, alsmede de samenhang tussen de gezondheidsrisico s en de Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

9 maatregelen. (art 1.50 lid 1 lid 2 sub a Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 1 sub b Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) Meldcode kindermishandeling Er wordt bij het kindercentrum gebruikgemaakt van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling van de Brancheorganisatie Kinderopvang. Deze is vastgesteld voor de organisatie en voorzien van een ingevulde sociale kaart. De meldcode voldoet aan de wettelijk gestelde eisen. De meldcode is op de locatie aanwezig en de beroepskrachten hebben verklaard deze thuis te hebben. Eenmaal per jaar worden de beroepskrachten tijdens de studiedag geïnformeerd over de meldcode. Tijdens het inspectiebezoek is een beroepskracht aanwezig die recentelijk in dienst is gekomen. Zij heeft de meldcode bestudeerd voorafgaand aan de werkzaamheden en kan vertellen wanneer zij deze dient te raadplegen. Twee andere beroepskrachten benoemen tijdens het bezoek verschillende mogelijke signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld en verklaren bij zorgen de kinderen te observeren. Hiervan wordt verslaglegging gedaan. Vierogenprincipe Het kindercentrum wordt geopend en afgesloten door minimaal twee beroepskrachten. De groepsruimtes van de dreumes- en peutergroep zijn voorzien van een deur met ramen naar de gang. Regelmatig loopt de huishoudelijke dienst, andere beroepskrachten of de vestigingsmanager die minimaal twee dagen per week aanwezig is, door de gang. Babygroep 1 heeft een raam naar de ruimte van de dreumesgroep. Op deze manier kunnen de beroepskrachten in deze ruimtes gezien en gehoord worden door andere volwassenen. De groepsruimte van babygroep 2 grenst met een deur met een raam erin aan het kantoor van de vestigingsmanager. De vestigingsmanager is echter niet dagelijks in het kindercentrum aanwezig. Aan het begin en aan het einde van de dag, tijdens het wandelen, in de pauze en soms op rustige dagen komt het voor dat er in deze ruimtes één beroepskracht aanwezig is. Er wordt dan gebruikgemaakt van een babyfoon, waarvan de ontvanger op een van de andere groepen wordt geplaatst. Ook tijdens het wandelen en buiten spelen wordt er voldoende uitvoering gegeven aan het vierogenprincipe. Bij het wandelen gaan er altijd minimaal twee beroepskrachten mee. De beroepskrachten van de babygroepen kijken uit op de tuin. In de slaapkamers wordt gebruikgemaakt van een babyfoon. Gebruikte bronnen: - Inspectiebezoek - Gesprekken met de beroepskrachten - Gesprek met de vestigingsmanager - Werkinstructie 'ventileren en luchten' (ingezien op de locatie) - Werkinstructie 'wandelen kinderen' (ingezien op de locatie) - Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling kinderdagverblijf en naschoolse opvang (augustus 2013) - Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid (versie augustus 2014; ontvangen op 19 augustus 2015) Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

10 Accommodatie en inrichting Binnenspeelruimte Uit de plattegrond van het kindercentrum blijkt bijvoorbeeld dat de stamgroepsruimte van babygroep 1 een oppervlakte heeft van 34,2 m². Dit is voldoende oppervlakte voor de opvang van maximaal 9 kinderen. In babygroep 2 is er in totaal 43,4 m² binnenspeelruimte beschikbaar, wat voldoende is voor de opvang van maximaal twaalf kinderen. De stamgroepsruimte van de dreumesgroep heeft een oppervlakte van 47,2 m². Dit is voldoende voor de opvang van maximaal 13 kinderen. De dreumesgroep maakt daarnaast gebruik van de leeshoek in de gang van 6 m². Een beroepskracht heeft verklaard dat wanneer er meer dan 13 kinderen aanwezig zijn in de dreumesgroep, één beroepskracht tijdens alle speelmomenten met een groepje kinderen speelt in de leeshoek. Er wordt dan bijvoorbeeld duplo meegenomen of voorgelezen. Door deze werkwijze is er in totaal voldoende binnenspeelruimte beschikbaar voor maximaal 15 dreumesen. De peutergroepsruimte bestaat uit 46,3 m² en is daarmee geschikt voor de opvang van maximaal dertien kinderen. Uit de presentielijsten blijkt echter dat er op 18, 22 en 25 juni kinderen in deze groep zijn opgevangen. Dit is niet toegestaan. Het betreft een herhaalde overtreding, want dit is eerder dit jaar geconstateerd in een incidenteel onderzoek (d.d. 8 januari 2015). Uit de bezettingslijsten van augustus 2015, waarop het aantal verwachte kinderen per groep zijn genoteerd, blijkt bovendien dat ook in deze maand veertien kinderen op dinsdag en donderdag worden verwacht in de peutergroep. De binnenspeelruimtes zijn passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. In de babygroepen liggen speelkleden en is een hangwiegje aanwezig waarin kinderen van 3 tot 4 à 5 maanden oud in kunnen slapen. In de dreumes- en peutergroep is verschillende speelmateriaal aanwezig, zoals een keukentje en een winkeltje. Er zijn diverse grote, gehaakte knuffels aanwezig en er is een ruim aanbod aan ontwikkelingsgericht speelgoed van hout. De ruimtes zijn niet ingericht in speelhoeken, maar het speelgoed is langs de zijkanten van de groepsruimtes geplaatst. Babygroep 1, babygroep 2 en de dreumesgroep beschikken over een afzonderlijke slaapruimte. In de slaapruimtes zijn respectievelijk 10, 12 en 12 bedden aanwezig. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: Per aanwezig kind in het kindercentrum is ten minste 3,5 m² binnenspeelruimte beschikbaar, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte. (art 1.50 lid 1 lid 2 sub g sub h Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 6 lid 1 lid 2 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 8 lid 1 Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) Buitenspeelruimte De toegankelijke en aangrenzende buitenruimte heeft een oppervlakte van 450 m². Deze wordt door zowel het kinderdagverblijf als de buitenschoolse opvang gebruikt. Er is voldoende oppervlakte beschikbaar voor het aantal op te vangen kinderen (89). De buitenruimte is zodanig ingericht dat kinderen van verschillende leeftijden veilig tegelijkertijd buiten kunnen spelen. Er is een gedeelte afgeschermd voor de baby's en er is een omheind gedeelte met een speelhuis en een klein speeltoestel. Ook zijn er achter in de tuin twee trampolines in de grond geplaatst, maar deze zijn ten tijde van het inspectiebezoek kapot en moeten vervangen worden. In een gedeelte dat is bestemd voor de bso staat een klimrek. Dit gedeelte wordt ook soms door de peutergroep gebruikt. Er stonden twee lage picknicktafels in, maar omdat deze kapot waren zijn deze verwijderd en niet vervangen. Tijdens het inspectiebezoek eten de kinderen daarom aan de tafel van de bso. Dit is niet gewenst, omdat sommige kinderen op hun knieën moeten zitten om goed te kunnen eten. Gebruikte bronnen: - Inspectiebezoek - Gesprekken met de beroepskrachten - Plattegronden m.b.t. de aanvraag omgevingsvergunning brandveilig gebruik - Presentielijsten 1 juni tot 10 augustus 2015 (ontvangen op 18 augustus 2015) - Bezettingslijsten juni, juli en augustus 2015 (ontvangen op 18 augustus 2015) Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

11 Ouderrecht Informatie De houder informeert de ouders door middel van de website Hierop is informatie opgenomen over onder meer de klachtenregeling, de beroepskracht-kind-ratio en het veiligheids- en gezondheidsbeleid. De vestigingsmanager heeft verklaard dat ouders bij het intakegesprek een informatiemap meekrijgen, waarin aanvullende informatie is opgenomen over bijvoorbeeld het pedagogisch beleid. Tevens is het pedagogisch beleidsplan inzichtelijk op de locatie in het kantoor van de vestigingsmanager. Op de website is het rapport geplaatst van het vorige jaarlijkse inspectieonderzoek (d.d. 22 mei 2015). Hierna zijn er bij het Middenhonk echter diverse incidentele en nadere inspectieonderzoeken geweest. Het laatste rapport hiervan dient eveneens op de website te worden geplaatst. Dit is niet gedaan. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: De houder informeert ouders en personeel over het inspectierapport door het zo spoedig mogelijk na ontvangst op de eigen website te plaatsen. Indien geen website aanwezig is legt de houder een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. (art 1.54 lid 2 lid 3 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.) Oudercommissie De houder heeft een oudercommissie ingesteld, waarin drie leden zitting hebben. De oudercommissie vergadert samen met twee andere vestigingen van de organisatie. Iedere oudercommissie heeft een eigen reglement. Hierin is onder andere opgenomen dat de oudercommissie uit minimaal twee ouders bestaat, dat ouders worden gekozen voor een periode van twee jaar en maximaal twee keer herkiesbaar zijn. De oudercommissie bepaalt zelf haar werkwijze die is vastgelegd in een huishoudelijk reglement. De oudercommissie is in het afgelopen jaar in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het uitbreiden van het kinderdagverblijf met de tweede babygroep, het terugbrengen van het aantal kindplaatsen van de buitenschoolse opvang in het pand en de tariefswijzigingen. Ook is er advies gevraagd over wijzigingen in het pedagogisch beleid en het samenvoegen van de groepen. Klachten De houder heeft een klachtenregeling voor ouders ingesteld. Deze regeling is te vinden op de website De houder is aangesloten bij een onafhankelijke klachtencommissie, namelijk de skk. De houder dient ouders er op attent te maken dat zij te allen tijde een klacht kunnen indienen bij de onafhankelijke klachtencommissie. In de klachtenregeling van Het Kinderhonk is dit als volgt opgenomen: 'Wij hechten er waarde aan om eventuele klachten direct zelf met u op te lossen, wanneer u echter zelf deze stap om welke reden dan ook niet wilt of kunt volgen kunt u de onafhankelijke klachtencommissie zelfstandig benaderen'. Ook voor de oudercommissie is de houder aangesloten bij de onafhankelijke klachtencommissie, zoals is beschreven op de website van de organisatie. De houder heeft het openbare klachtenverslag van de oudercommissie en ouders aan de toezichthouder toegezonden op respectievelijk 3 en 4 februari Dit is één verslag van alle vestigingen die tot Het Kinderhonk behoren. Er zijn in 2014 geen klachten ingediend bij de skk. Gebruikte bronnen: - Website (geraadpleegd op 18 agustus 2015) - Website (geraadpleegd op 18 augustus 2015) - Klachtenregeling Het Kinderhonk (geraadpleegd via op 18 augustus 2015) - Jaarverslag klachten ouders 2014 (ontvangen op 4 februari 2015) - Jaarverslag klachten oudercommissie 2014 (ontvangen op 3 februari 2015) - Reglement van de oudercommissie van Het Middenhonk KDV (vastgesteld op 7 februari 2013; ontvangen op 18 augustus 2015) - Adviesaanvragen aan de oudercommissie (ontvangen op 19 augustus 2015) Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

12 Inspectie-items Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleidsplan De houder heeft een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven. In het pedagogisch beleidsplan staat in duidelijke en observeerbare termen het volgende beschreven: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de werkwijze, de maximale omvang en de leeftijdsopbouw van de stamgroep. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen bij welke (spel)activiteiten kinderen hun stamgroep verlaten. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen hoe ondersteuning is vormgegeven indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin zij zullen worden opgevangen. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen het beleid ten aanzien van het gebruikmaken van kinderopvang gedurende extra dagdelen. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de wijze waarop het vierogenprincipe is vormgegeven. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de wijze waarop beroepskrachten in de dagopvang bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de wijze waarop beroepskrachten in de dagopvang worden toegerust voor de taak van signaleren en doorverwijzen en op welke wijze zij daarbij ondersteund worden. Pedagogische praktijk De houder draagt zorg voor uitvoering van het pedagogisch beleidsplan. De houder draagt zorg voor het waarborgen van emotionele veiligheid. De houder draagt er zorg voor dat de kinderen de mogelijkheid krijgen om tot ontwikkeling van persoonlijke competentie te komen. De houder draagt er zorg voor dat de kinderen de mogelijkheid krijgen om tot ontwikkeling van sociale competentie te komen. De houder draagt zorg voor de overdracht van normen en waarden. Personeel en groepen Verklaring omtrent het gedrag Een verklaring omtrent het gedrag van de houder is bij het indienen van de aanvraag tot registratie aan het college van B&W overgelegd en is op dat moment niet ouder dan twee maanden. De houder en personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het kindercentrum exploiteert zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven na 1 maart Een verklaring omtrent het gedrag van een persoon werkzaam bij de onderneming is vóór aanvang van de werkzaamheden bij het kindercentrum overgelegd en is op dat moment niet ouder dan twee maanden. Een verklaring omtrent het gedrag van een stagiaire, uitzendkracht of vrijwilliger werkzaam bij de onderneming is niet ouder dan twee jaar. Passende beroepskwalificatie Alle beroepskrachten beschikken over de voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals in de cao kinderopvang is opgenomen. Opvang in groepen De opvang vindt plaats in stamgroepen. A. De stamgroep bestaat uit maximaal 12 kinderen tot 1 jaar. Of B. De stamgroep bestaat uit maximaal 16 kinderen van 0 tot 4 jaar waarvan maximaal 8 kinderen tot 1 jaar. Kinderen worden alleen met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders in een overeengekomen Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

13 periode in één andere stamgroep opgevangen. Ieder kind heeft maximaal drie vaste beroepskrachten waarvan er dagelijks minimaal één werkzaam is op de groep van het kind. Ieder kind maakt van maximaal twee stamgroepruimtes gebruik gedurende een week. Beroepskracht-kind-ratio De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste: - 1 beroepskracht per 4 aanwezige kinderen tot 1 jaar; - 1 beroepskracht per 5 aanwezige kinderen van 1 tot 2 jaar; - 1 beroepskracht per 8 aanwezige kinderen van 2 tot 3 jaar; - 1 beroepskracht per 8 aanwezige kinderen van 3 tot 4 jaar. Bij kinderen van verschillende leeftijden in één groep wordt het minimale aantal beroepskrachten berekend met de rekentool op De houder heeft geregeld dat een andere volwassene telefonisch bereikbaar is en binnen 15 minuten aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit, indien conform de beroepskracht-kindratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. De drie uur afwijkende inzet betreft uitsluitend de tijd voor 9.30 en na uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze. De afwijking betreft maximaal anderhalf aaneengesloten uren voor 9.30 en na uur en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke middagpauze gedurende maximaal twee uur aaneengesloten. Minstens de helft van het aantal vereiste beroepskrachten wordt ingezet wanneer er tijdelijk wordt afgeweken van de beroepskracht-kind-ratio. Gebruik van de voorgeschreven voertaal A. De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt. Of B. Er wordt een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in deze specifieke omstandigheid daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode. Veiligheid en gezondheid Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid De houder stelt jaarlijks een risico-inventarisatie veiligheid op voor alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, waaronder de buitenspeelruimte. De houder heeft een risico-inventarisatie veiligheid betreffende de actuele situatie. De houder beschrijft de veiligheidsrisico s op de thema s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden. In het plan van aanpak geeft de houder aan welke maatregelen op welk moment zijn respectievelijk worden genomen in verband met de veiligheidsrisico s, alsmede de samenhang tussen de veiligheidsrisico s en de maatregelen. De registratie van ongevallen bevat per ongeval de aard en plaats van het ongeval, het jaar waarin het ongeval zich heeft voorgedaan en een overzicht van getroffen maatregelen. De houder zorgt ervoor dat personen werkzaam bij het kindercentrum kennis kunnen nemen van de vastgestelde risico-inventarisatie veiligheid. De houder stelt jaarlijks een risico-inventarisatie gezondheid op. De houder heeft een risico-inventarisatie gezondheid betreffende de actuele situatie. De houder beschrijft de gezondheidsrisico s op de thema s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen. In het plan van aanpak geeft de houder aan welke maatregelen op welk moment zijn respectievelijk worden genomen in verband met de gezondheidsrisico s, alsmede de samenhang tussen de gezondheidsrisico s en de maatregelen. De houder zorgt ervoor dat personen werkzaam bij het kindercentrum kennis kunnen nemen van de vastgestelde risico-inventarisatie gezondheid. Meldcode kindermishandeling De houder heeft een meldcode kindermishandeling vastgesteld welke voldoet aan de beschreven eisen. De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. Vierogenprincipe De houder organiseert de opvang op zodanige wijze, dat de beroepskracht of de beroepskracht in opleiding de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. Accommodatie en inrichting Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17

14 Binnenspeelruimte Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste groepsruimte. Per aanwezig kind in het kindercentrum is ten minste 3,5 m² binnenspeelruimte beschikbaar, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte. De binnenruimte is passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar. De slaapruimte is afgestemd op het aantal op te vangen kinderen. Buitenspeelruimte Per aanwezig kind in het kindercentrum is ten minste 3 m² buitenspeelruimte beschikbaar. De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk. De buitenspeelruimte is aangrenzend aan het kindercentrum. De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen. Ouderrecht Informatie De houder informeert de ouders over het te voeren beleid. De houder informeert ouders en personeel over het inspectierapport door het zo spoedig mogelijk na ontvangst op de eigen website te plaatsen. Indien geen website aanwezig is legt de houder een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. Oudercommissie De houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld. In het reglement omvat regels omtrent het aantal leden. Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen van de leden. Het reglement omvat regels omtrent de zittingsduur van de leden. Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie. De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie. De houder heeft een oudercommissie ingesteld. De houder en personen werkzaam bij het kindercentrum, zijn geen lid. De leden worden gekozen uit en door de ouders. De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen. De houder stelt de oudercommissie in staat haar advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot de genoemde onderwerpen in artikel 1.60 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft. Van een gevraagd advies van de oudercommissie wijkt de houder alleen af indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet. Klachten De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van ouders die voldoet aan de beschreven eisen. De houder brengt de klachtenregeling voor ouders op passende wijze bij hen onder de aandacht. De houder ziet erop toe dat de klachtencommissie voor ouders werkt met een reglement. De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar klachtenverslag van ouders wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen wordt aangegeven. De houder zendt het klachtenverslag van ouders voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD. De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 1.60, eerste lid die voldoet aan de beschreven eisen De houder brengt de klachtenregeling oudercommissie op passende wijze bij hen onder de aandacht. De houder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar klachtenverslag oudercommissie wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen wordt aangegeven. De houder zendt het klachtenverslag oudercommissie voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de GGD. Het Middenhonk B.V. - Jaarlijks onderzoek /17