Tweede taalverwerving en taalgebruik onder Turkse en Marokkaanse immigranten in Nederland: investering of gelegenheid?

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Tweede taalverwerving en taalgebruik onder Turkse en Marokkaanse immigranten in Nederland: investering of gelegenheid?"

Transcriptie

1 Tweede taalverwerving en taalgebruik onder Turkse en Marokkaanse immigranten in Nederland: investering of gelegenheid? Frank van Tubergen & Matthijs Kalmijn* 1 Taalverwerving en taalgebruik: investering of gelegenheid? Waarom beheersen sommige immigranten de taal van het ontvangende land perfect en andere immigranten niet of nauwelijks? En waarom gebruiken sommige immigranten die tweede taal, terwijl anderen communiceren in hun moedertaal? Het zijn twee vragen die centraal staan in het onderzoek naar de taal van immigranten (Espinosa & Massey, 1997). De bestudering van vaardigheid in de tweede taal wordt vooral relevant gevonden in verband met de economische kansen van migranten. Immigranten die de tweede taal schriftelijk en mondeling beheersen, hebben immers een hoger inkomen dan migranten die niet of nauwelijks vaardig zijn in de tweede taal (Park, 1999). Het gebruik van de tweede taal wordt met name onderzocht vanuit het oogpunt van etnische identiteit en culturele verwantschap (Alba, 1990; Gordon, 1964). Immigranten die de moedertaal blijven spreken, voelen zich meer betrokken bij de cultuur van het land van herkomst en zouden die etnische en culturele identiteit vaker door willen geven aan hun kinderen dan immigranten die volledig overgestapt zijn naar de tweede taal. Omdat taalverwerving te maken heeft met economische ongelijkheid en taalgebruik met culturele integratie, hebben onderzoekers tot op heden taalverwerving en taalgebruik afzonderlijk bestudeerd en bovendien ter verklaring van beide verschijnselen verschillende theorieën gebruikt. Deze inhoudelijke verdeling komt overeen met een disciplinaire verdeling. Overeenkomstig de economische dimensie van taal, hebben economen het leren van de tweede taal verklaard met het economisch nut dat iemand daarvoor in de toekomst kan verwachten (Carliner, 1999; Chiswick, 1991). In deze economische benadering wordt taalvaardigheid opgevat als een vorm van human capital. De theorie van het menselijk kapitaal, of economische investeringstheorie, zegt hier dat immigranten investeren in het leren van de tweede taal al naar gelang die investering profijtelijk is voor de arbeids- en beroepsloopbaan. Overeenkomstig de culturele dimensie van taal stellen sociologen dat immigranten een voorkeur hebben om hun eigen taal te spreken, maar dat de mogelijkheden daartoe door structurele omstandigheden beperkt zijn (Evans, 1988, Stevens, 1992). Volgens deze structurele gelegenheidstheorie komen immigranten terecht in een samenleving waarin hun moedertaal niet of nauwelijks wordt gesproken. Hoe vaak immigranten de tweede taal spreken, hangt volgens deze theorie af van de mate waarin immigranten in de gelegenheid komen om dat te doen. Factoren zoals de relatieve omvang en ruimtelijke scheiding van de eigen groep, zouden dan bepalend zijn voor de mogelijkheid om de eigen taal te blijven spreken. Onderzoeksbevindingen uit het buitenland wijzen uit dat de investeringstheorie en de gelegenheidstheorie ieder op hun eigen terrein succesvol zijn. In overeenstemming met de investeringstheorie blijkt bijvoorbeeld dat de genoten opleiding in het land van bestemming een positieve invloed heeft op het bereikte taalniveau (Carliner, 1999; Espenshade & Fu, 1997). De gelegenheidstheorie wordt ondersteund door een onderzoek naar 16 immigrantengroepen in de Verenigde Staten, waaruit blijkt dat de grootte en segregatie van een etnische groep een positieve invloed hebben op het gebruik van de eerste taal (Stevens, 1992). Dus hoe groter en meer ruimtelijk gescheiden de eigen etnische groep, des te vaker gebruikt men de moedertaal. In dit artikel bestuderen we taalverwerving en taalgebruik tegelijkertijd. Hiermee brengen we vragen en theorieën over taalverwerving in verband met vragen en theorieën over taalgebruik. Uit de investeringstheorie worden hypothesen afgeleid over taalgebruik en de gelegenheidstheorie passen we toe op tweede taalverwerving. Met deze kruisbestuiving hopen we na te gaan in hoeverre taalgebruik en taalverwerving onderhevig zijn aan verschillende dan wel gemeenschappelijke oorzaken. De eerste onderzoeksvraag luidt derhalve: in hoeverre zijn de economische investeringstheorie en de structurele gelegenheidstheorie van toepassing op taalverwerving en taalgebruik? Een andere wijze waarop we bijdragen aan eerder onderzoek is door de context van het taalgebruik te problematiseren. Hiermee grijpen we terug op een klassieke vraag van de sociolinguïst Fishman (1965): Who speaks what language to whom and when? Fishman s vraag benadrukt dat gesproken talen variëren naar de persoon met wie en de setting waarin men spreekt. Eerder onderzoek gaat vooral over taalgebruik in het algemeen zodat weinig kan worden gezegd over structurele effecten op taalgebruik in de privé-sfeer. In dit artikel concentreren we ons op het taalgebruik thuis en analyseren we afzonderlijk het taalgebruik

2 tussen partners en tussen ouder en kind. De tweede onderzoeksvraag luidt: in hoeverre beïnvloeden structurele factoren het taalgebruik thuis, tussen partners en tussen ouder en kind? Ons onderzoek heeft betrekking op migranten in Nederland. Het grootste deel van de literatuur over taalverwerving en taalgebruik van immigranten heeft betrekking op de klassieke immigratielanden, met name de Verenigde Staten (Espinshade & Fu, 1997; Fishman, Nahirny, Hoffman & Hayden, 1966; Solé, 1990; Veltman, 1983). Het onderzoek in Nederland is voornamelijk afkomstig uit taalkundige hoek en richt zich vooral op kinderen (Broeder & Extra, 1999; Extra & Verhoeven, 1996). De taalkundige benadering richt zich bovendien meer op de inhoudelijk kant van taal, terwijl de sociaal-wetenschappelijke benadering meer aandacht heeft voor culturele en economische dimensies van taal. We zullen ons in dit artikel beperken tot sociologische en economische theorieën en laten daarmee sociaal-psychologische (Robinson & Giles, 2001) en politicologische (De Swaan, 2001) benaderingen buiten beschouwing. Er is evenwel weinig sociologisch en economisch onderzoek gedaan naar taalverwerving en taalgebruik van immigranten in Nederland. Het onderzoek heeft zich tot op heden beperkt tot het weergeven van bivariate samenhangen tussen taalgebruik en taalverwerving enerzijds en bijvoorbeeld etnische groepering, generatie en opleiding anderzijds (Ankersmit, Roelandt & Veenman, 1989; CBS, 1988; Dagevos, 2001; Tesser, Merens, & Van Praag, 1999; Tesser, Van Dugteren, & Merens, 1998). In dit artikel maken we gebruik van twee grootschalige enquêtes, afgenomen in 1991 en 1994 onder de vier grote immigrantengroepen in Nederland (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen). Een bijzondere eigenschap van de enquêtes is dat tolken zijn gebruikt. We richten onze aandacht op de Turkse en Marokkaanse populatie, twee groepen met een grote taalachterstand. We hopen aldus meer inzicht te krijgen in de economische en structurele determinanten van taalbeheersing en taalgebruik onder immigranten in Nederland. 2 Taalverwerving en taalgebruik: investering of gelegenheid? In deze paragraaf formuleren we hypothesen over taalverwerving en taalgebruik aan de hand van de investeringstheorie en de gelegenheidstheorie. Onze hypothesen over taalgebruik spitsen we toe op de taal waarin immigranten met hun partner en met hun kinderen communiceren. We bespreken de hypothesen aan de hand van figuur 1. Daarin staat het causale model van de invloed van investeringen en gelegenheid op taalgebruik en taalverwerving. Figuur 1. Causaal model van de invloed van investeringen en gelegenheid op taalvermogen en taalgebruik. Investeringen Gelegenheden a b e d Taalverwerving c Taalgebruik f De economische investeringstheorie voorspelt dat levenskansen afhankelijk zijn van menselijk kapitaal, zoals iemands opleiding, kennis of gezondheid (Becker, 1964). De theorie voorspelt bovendien dat mensen zich bewust zijn van die afhankelijkheid en daar rationeel op inspelen. Individuen zouden alleen in zichzelf investeren indien zij verwachten daar later van te profiteren. Deze theorie is allereerst met veel succes toegepast op arbeidsmarktgedrag. Met wisselend succes heeft men deze theorie later ook toegepast op nieteconomische verschijnselen, zoals trouwpatronen, taakverdeling in het huishouden en vruchtbaarheidscijfers (Becker, 1977, 1981). De econoom Chiswick (1977, 1978) was de eerste die de investeringstheorie introduceerde in het onderzoek naar taalverwerving. Uit zijn onderzoek bleek dat immigranten die de tweede taal beheersen meer 2

3 inkomen verwerven dan immigranten die de tweede taal niet kunnen spreken. Als migranten rationeel handelen, zo veronderstelde Chiswick, dan zouden ze investeren in het leren van de tweede taal naar de mate waarin dit voor hen op termijn profijtelijk zou zijn (Chiswick, 1991; Chiswick & Miller, 1995, 1996, 1998). De human capital benadering van taalverwerving werd in recente studies voortgezet door de economen Dustmann (1994, 1997) en Carliner (1999). In dit artikel passen we de theorie van het menselijk kapitaal toe op taalverwerving en taalgebruik. We verwachten in eerste instantie een direct positief effect van investeringen in het leren van de Nederlandse taal op Nederlandse taalbeheersing (pijl a in figuur 1). Hoe sterker immigranten verwachten dat investeringen in taal economische aantrekkelijk zijn, des te meer zullen ze investeren in het leren van de Nederlandse taal, bijvoorbeeld door een cursus Nederlands te volgen, en des te beter zullen ze het Nederlands beheersen. We verwachten verder een indirect effect van investeringen op taalverwerving, via het taalgebruik thuis (pijlen b en c). De gedachte is dat immigranten met het oog op de economische opbrengsten die beheersing van het Nederlands met zich meebrengen, vaker Nederlands spreken met de partner en de kinderen. Het spreken in het Nederlands kan immers een manier zijn om de taal onder de knie te krijgen. Met deze gedachte hebben we tevens beargumenteerd waarom de investeringstheorie doet verwachten dat investeringen een direct effect hebben op taalgebruik thuis (pijl b). De tweede theorie die we aanwenden ter verklaring van taalverwerving en taalgebruik is de structurele gelegenheidstheorie van de socioloog Blau (Blau, 1977, 1994; Blau & Schwartz, 1984). Blaus theorie stelt dat gelegenheden om relaties tot stand te brengen tussen mensen van verschillende groepen afhankelijk zijn van structurele kenmerken van die groepen. Deze theorie werd met succes gebruikt ter verklaring van gemengde huwelijken en zelfs voor misdaden begaan tussen leden van verschillende groepen. Zo bleek dat naarmate de groep waartoe men behoort groter en meer ruimtelijk is gescheiden van andere groepen, leden van die groep een kleinere kans hebben buiten de eigen groep te trouwen (Blau, Blum & Schwartz, 1982) en een kleinere kans hebben het slachtoffer te worden van misdaden begaan door leden van andere groeperingen (Sampson, 1984; South & Messner, 1986). De sociologen Evans (1988) en Stevens (1992) introduceerden Blaus theorie in het onderzoek naar taalgebruik van immigranten. Volgens hen zullen structurele kenmerken van groepen niet alleen de kans op positieve (trouwen) en negatieve (misdaad) relaties tussen leden van verschillende groepen beïnvloeden, maar tevens effect sorteren voor de taal waarin men met anderen communiceert. In grote en ruimtelijk geconcentreerde groepen ontmoeten immigranten vaker hun groepsgenoten, wat hen in staat stelt hun eigen taal vaker op straat, in winkels en op het werk te gebruiken. Toch behoeft de gelegenheidstheorie een uitbreiding wil deze van toepassing zijn op het taalgebruik in de privé-setting. Het is immers niet zo plausibel dat structureel-demografische factoren, zoals groepsgrootte en ruimtelijke concentratie, van invloed zijn op het taalgebruik in contact met de partner en met de kinderen. Het is eerder aannemelijk dat de kansen om de moedertaal te spreken variëren per setting en wel zo dat naarmate meer leden in een bepaalde setting de moedertaal beheersen, er meer gelegenheden zijn in die setting om die taal te spreken. Met deze verfijning van Blaus theorie verwachten we bijvoorbeeld dat groepsgrootte nauwelijks een invloed heeft op het taalgebruik thuis, terwijl de Nederlandse taalvaardigheid van partner en kinderen van cruciaal belang zijn. In dit artikel passen we de gelegenheidstheorie toe op taalgebruik en taalverwerving. Pijl d specificeert het directe effect van gelegenheden om de eigen taal dan wel het Nederlands te spreken op het feitelijk taalgebruik. De invloed van gelegenheden op taalgebruik loopt ook indirect, via de taalvaardigheid (pijlen b en f). De gedachte achter de invloed van gelegenheden op taalverwerving (pijl b), is dat men een taal passief kan leren door te luisteren naar het taalgebruik van anderen. Men kan dan denken aan collegae op het werk die converseren in het Nederlands. De assumptie vervat in de invloed van taalvaardigheid op taalgebruik (pijl f) luidt dat immigranten gebruik zullen maken van hun Nederlandse taalkennis naar de mate waarin ze het beheersen. Als immigranten niet of nauwelijks de Nederlandse taal machtig zijn, zullen ze eerder teruggrijpen op hun moedertaal om te communiceren met hun partner en kinderen. 2.1 Hypothesen over investeringen We beginnen met hypothesen die zijn afgeleid uit de investeringstheorie. Hiervoor moeten we eerst bijkomende veronderstellingen formuleren over de verwachte kosten en baten van het verwerven van de tweede taal. We veronderstellen dat immigranten die naar Nederland zijn gekomen om een opleiding te 3

4 volgen, de opleidingsmigranten, het meest profiteren van het verwerven en spreken van de Nederlandse taal. Immers, alleen met kennis van het Nederlands kan men met succes een opleiding volgen. We nemen verder aan dat arbeidsmigranten in iets mindere mate gebaat zijn bij het leren en spreken van het Nederlands, aangezien beheersing van het Nederlands niet voor alle beroepen een sine qua non is. Verder nemen we aan dat familiemigranten, immigranten die naar Nederland zijn gekomen vanwege familieredenen, zoals huwelijk, gezinshereniging of met hun ouders mee zijn gegaan (Hooghiemstra & Manting, 1997; Sprangers, 1994), de minste aandrang hebben om Nederlands te leren en te spreken. Op grond van deze veronderstellingen voorspellen we dat opleidingsmigranten de beste Nederlandse vaardigheden hebben verworven, gevolgd door arbeidsmigranten, terwijl familiemigranten het minst het Nederlands beheersen (H1). We voorspellen dezelfde volgorde voor Nederlands taalgebruik met de partner en met de kinderen. Ook de arbeidsmarktpositie beïnvloedt de aantrekkelijkheid om te investeren in de Nederlandse taal. Mensen die werken zullen meer baat hebben bij het beheersen van de Nederlandse taal dan mensen zonder werk, want op het werk wordt vrijwel altijd Nederlands gesproken. Onder de mensen die werken, zullen hoofdarbeiders meer dan handarbeiders willen investeren in het aanleren van Nederlands, aangezien van hoofdarbeiders betere beheersing van het Nederlands wordt gevraagd. 1 Op grond hiervan verwachten we dat hoofdarbeiders de grootste vaardigheden hebben in het Nederlands, gevolgd door handarbeiders en door werklozen (H2). Dezelfde hypothese geldt voor het taalgebruik met de gezinsleden. Een andere veronderstelling luidt dat het leren van de Nederlandse taal aantrekkelijker wordt naarmate immigranten verwachten langer in Nederland te blijven. Immigranten die van plan zijn op de korte termijn terug te keren naar hun land van herkomst, zouden minder baat hebben bij het beheersen van de Nederlandse taal dan immigranten die zich permanent in Nederland vestigen. We voorspellen derhalve dat naarmate immigranten een langere tijdshorizon in Nederland hebben, zij beter het Nederlands beheersen en vaker Nederlands praten met hun gezinsleden (H3). 2.2 Hypothesen over gelegenheden Welke hypothesen worden afgeleid uit Blaus structurele gelegenheidstheorie? In dit artikel bestuderen we de invloed van verschillende contexten op taalgebruik en taalbeheersing: de buurt, de werkkring en het gezin. Voor taalbeheersing zullen alle contexten waarschijnlijk wel een rol spelen, maar voor taalgebruik in de privé-sfeer verwachten we dat kenmerken van de private setting meer de doorslag geven en de structurele eigenschappen van publieke contexten niet of minder. Aangezien in voorgaand onderzoek vooral de nadruk werd gelegd op deze publieke settings, zullen we ze in onderhavig onderzoek eveneens bestuderen. We beginnen met de invloed van de buurt. Een veelvuldig in de literatuur beschreven verschijnsel is dat migranten sterk ruimtelijk geconcentreerd zijn. Die geografische segregatie biedt migranten de mogelijkheid om hun eigen taal te blijven spreken op straat, in winkels en op het werk. En andersom: ruimtelijke scheiding maakt het moeilijker om de tweede taal te leren. We voorspellen dat naarmate het percentage van de eigen groep groter is in de buurt, de beheersing van het Nederlands slechter is en men minder vaak Nederlands praat met de gezinsleden (H4). De tweede setting betreft het werk. Mensen brengen een groot deel van hun tijd door op het werk en de invloed van structurele kenmerken van de werksetting op de Nederlandse taalvaardigheid kan belangrijk zijn. Te denken valt aan het percentage allochtonen in het beroep. We veronderstellen dat naarmate het percentage allochtonen in het beroep groter is, migranten meer in de gelegenheid worden gesteld de eigen taal te spreken en men minder Nederlands zal leren en spreken. We komen uit op de hypothese dat naarmate het percentage allochtonen in het beroep groter is, men minder vaardig is in de Nederlandse taal en men minder vaak Nederlands spreekt met de gezinsleden (H5). De gezinssituatie wordt in kaart gebracht door te kijken naar de partnerstatus en de aanwezigheid en kenmerken van kinderen. De partnerstatus wordt uiteengelegd in vier groepen: geen partner, een allochtone partner, een autochtone partner, en een partner in het buitenland. We veronderstellen dat de gelegenheid om de Nederlandse taal te leren en te spreken minder aanwezig is als er een partner is. De aanwezigheid van de partner is eerder een gelegenheid en oefening om de moedertaal te spreken. We voorspellen dus dat immigranten met een partner slechter en minder frequent in het Nederlandse communiceren dan immigranten zonder partner (H6a). We denken verder dat kenmerken van de partner een rol spelen. Mensen die getrouwd zijn met een 4

5 Nederlandse partner zullen beter het Nederlands beheersen en vaker Nederlands spreken met de kinderen dan mensen die getrouwd zijn met een partner uit de eigen groep (H6b). Tot slot bestaat er nog een kleine groep mannen wiens partner in het buitenland woont. Deze groep zou qua taalniveau moeten lijken op mensen zonder partner; ook zij zijn immers alleenstaand en hebben daarmee minder gelegenheid de eigen taal te spreken. We voorspellen dat immigranten met een in het buitenland woonachtige partner beter Nederlands spreken en vaker Nederlands praten met hun kinderen dan immigranten met een thuiswonende allochtone partner (H6c). Terwijl een partner gelegenheid biedt om vooral de eigen taal te spreken, zullen kinderen gelegenheid geven om de Nederlandse taal te spreken. Kinderen van immigranten beheersen meestal de tweede taal beter dan hun moedertaal, in tegenstelling tot hun ouders (Portes & Rumbaut, 2001). We voorspellen derhalve dat immigranten met kinderen beter Nederlands spreken dan immigranten zonder kinderen (H7a). We verwachten bovendien een effect op het taalgebruik met de partner. Mensen met kinderen zullen wellicht vaker ook met de partner Nederlands spreken dan mensen zonder kinderen, bijvoorbeeld om het goede voorbeeld te geven. We verwachten voorts dat kenmerken van de kinderen ertoe doen. In de eerste plaats maakt het uit waar de kinderen wonen. Men zal meer omgaan met thuiswonende kinderen dan met uitwonende kinderen zodat men meer leert en vaker Nederlands spreekt indien de kinderen thuis wonen (H7b). Een additionele reden dat we minder effect verwachten van uitwonende kinderen is dat een deel van deze immers reeds volwassen kinderen niet in Nederland op school is geweest en dus de Nederlandse taal minder zal beheersen. In de tweede plaats verwachten we dat de leeftijd van thuiswonende kinderen ertoe doet. Jonge kinderen zullen immers minder goed de Nederlandse taal beheersen dan oudere, schoolgaande kinderen. We verwachten derhalve dat immigranten met oudere thuiswonende kinderen vaardiger zijn in het Nederlands en meer in het Nederlands communiceren dan immigranten met jongere kinderen (H7c). 2.3 Gelijksoortige hypothesen Er zijn factoren waarin gelegenheden en investeringen samengaan. Zo kunnen met de gelegenheidstheorie hypothesen worden afgeleid die overeenkomen met voorspellingen van de investeringstheorie. De hoogte van de opleiding, of men in Nederland is opgeleid, het aantal jaren dat men werkzaam is geweest in Nederland, en het aantal jaren dat men in Nederland verblijft kan men opvatten als vormen van investeringen in de Nederlandse samenleving. Evengoed kan men echter beargumenteren dat mensen op school, op het werk, en in de samenleving als geheel, de gelegenheid hebben gekregen om de taal te oefenen en te leren. We komen derhalve uit op de volgende gelijksoortige voorspellingen: men spreekt de Nederlandse taal vaker en beter naarmate men een hogere opleiding heeft (H8), in Nederland op school heeft gezeten (H9), langer in Nederland werkt (H10) en woont (H11). 2.4 De theorieën tegenover elkaar In tabel 1 staan de mogelijke toepassingen van beide theorieën weergegeven. We hebben tot nu toe verondersteld dat beide theorieën een even grote invloed hebben op beide domeinen (de effecten in cel A zijn gelijk aan die in cel B en idem voor C en D). We denken echter dat investeringen in de eerste plaats een economische waarde hebben en meer van invloed zijn op taalverwerving (A) dan op taalgebruik (B). Verder voorspellen we dat gelegenheden juist meer van invloed zijn op taalgebruik (D) dan op het leren van een taal (C). We verwachten voorts dat hypothesen die zowel uit de investeringstheorie als de gelegenheidstheorie worden afgeleid een even sterke invloed hebben op taalvaardigheid (E) als taalgebruik (F). Tabel 1. Indeling van hypothesen naar theorie en domein. Theorie Taalvaardigheid Taalgebruik Investeringen A B Gelegenheden C D Investeringen + gelegenheden E F 5

6 In de analyses zullen we kijken naar de effecten van investeringen en gelegenheden op taalverwerving en taalgebruik, onder constanthouding van respectievelijk taalgebruik en taalvermogen. We onderzoeken of de gelegenheid om de Nederlandse taal te leren een direct positieve invloed heeft op taalvaardigheid. Als dat zo is, dan moet dat effect blijven bestaan na rekening te hebben gehouden met het vermeend positieve verband tussen taalgebruik en taalvaardigheid. Met dezelfde redenering voorspellen we dat investeringen van invloed zijn op taalgebruik, zelfs na rekening te hebben gehouden met het positieve verband tussen taalgebruik en taalverwerving. 3 Analyses en resultaten De gegevens zijn afkomstig van het grootschalige landelijke en periodiek gehouden survey Sociale Positie en Voorzieningengebruik Allochtonen en Autochtonen (SPVA) (Veenman, 1999). Onze analyses hebben betrekking op Turkse en Marokkaanse mannen die behoren tot de eerste generatie en die zijn geïnterviewd in 1991 en Hoewel in het SPVA onderzoek tevens Surinaamse en Antilliaanse migranten zijn ondervraagd, hebben we deze groepen, vanwege hun grote kennis van de Nederlandse taal op moment van migratie, buiten de analyses gelaten. 2 De beperking tot mannen is praktisch: het SPVA heeft alleen taalvragen gesteld aan hoofden van huishoudens en dat zijn vrijwel allemaal mannen. Voor de eerste generatie is gekozen omdat we een aantal factoren willen bekijken die specifiek zijn voor de eerste generatie, zoals migratiemotief, verblijfsduur en het al dan niet in Nederland op school hebben gezeten. Personen die na hun vijfde jaar naar Nederland kwamen worden tot de eerste generatie gerekend. We bekijken vier afhankelijke variabelen: (a) de moeite die men naar eigen zeggen heeft met het spreken van Nederlands, (b) de moeite die men naar eigen zeggen heeft met het lezen van Nederlands, (c) het Nederlands taalgebruik in contact met de partner, en (d) het gebruik van het Nederlands in contact met de kinderen. Bij taalvaardigheid zijn de antwoordcategorieën: (1) vaak/altijd moeite met Nederlands of spreekt geen Nederlands, (2) soms moeite met Nederlands, (3) nooit moeite met Nederlands. Bij taalgebruik zijn de antwoordcategorieën: (1) spreekt nooit Nederlands, (2) spreekt soms Nederlands (3) en spreekt vaak/altijd Nederlands. Tabel 2. Descriptieve verdeling van afhankelijke variabelen per immigrantengroep. Turken Moeite met Nederlands spreken Marokkanen Vaak 40.9 (546) 35.0 (472) Soms 38.0 (507) 40.1 (541) Nooit 21.1 (282) 24.9 (335) Moeite met Nederlands lezen Vaak 45.0 (603) 40.1 (541) Soms 35.0 (469) 34.6 (467) Nooit 19.9 (267) 25.3 (341) Nederlands spreken met partner Nooit 63.9 (742) 67.1 (742) Soms 29.2 (341) 23.7 (262) Vaak/altijd 6.9 (80) 9.1 (101) Nederlands spreken met kind(eren) Nooit 43.1 (449) 48.9 (464) Soms 44.4 (463) 38.4 (364) Vaak/altijd 12.5 (130) 12.8 (121) In tabel 2 staan enkele cijfers over het taalgebruik en de taalbeheersing van Turken en Marokkanen (vergelijk Tesser e.a., 1999). We kunnen uit de tabel aflezen dat zowel Turkse als Marokkaanse mannen iets vaker moeite hebben met Nederlands lezen dan met het spreken in het Nederlands. Eveneens zien we 6

7 dat Turken en Marokkanen vaker Nederlands praten met hun kinderen dan met hun partner. Ongeveer tweederde spreekt nooit Nederlands met de partner, terwijl minder dan de helft in de moedertaal communiceert met de kinderen. De bivariate correlatie tussen de twee taalvaardigheidsitems samen en de twee taalgebruiksitems samen bedraagt De correlaties binnen de twee dimensies zijn duidelijk hoger. Tussen lezen en schrijven bestaat er een samenhang van 0.68, tussen taalgebruik met partner en kind is de correlatie In tabel 3 staan de descriptieve verdelingen van de onafhankelijke variabelen. De invloed van de onafhankelijke variabelen op taalbeheersing en taalgebruik wordt bepaald via lineaire regressie-analyses. Aangezien de afhankelijke variabelen op ordinaal niveau zijn gemeten en er sprake is van een continuüm, moet men de analyses eigenlijk uitvoeren met cumulatieve logistische regressie technieken. We hebben deze aanpak achterwege gelaten, omdat de dan verkregen resultaten in vergelijking met de hier gepresenteerde resultaten nauwelijks verschillen. Bespreking van lineaire regressie-analyses is bovendien eenvoudiger. Tabel 3. Descriptieve verdelingen van onafhankelijke variabelen van eerste generatie Turkse en Marokkaanse immigranten in Nederland, 1991 en Bereik Minimum Maximum Gemiddelde Std. deviatie Immigrantengroep Turks Marokkaans Leeftijd migratie 5-hoger Opleidingsniveau Migratie motief Familie Arbeid Opleiding Overig Terugkeerwensen Verzorging herkomstland In Nederland op school gezeten Jaren werk in Nederland 0-hoger Duur Duur Arbeidsactiviteit Werkloos Handarbeid Hoofdarbeid Partner Geen Allochtoon Gemengd Buitenland Kinderen Geen Thuiswonend-jong Thuiswonend-oud Allen uitwonend Percentage niet-westers in beroep Percentage eigen groep in buurt Tabel 4 bevat de resultaten voor taalbeheersing, tabel 5 bevat de resultaten voor taalgebruik. Met betrekking tot taalbeheersing, maken we een onderscheid tussen leesvaardigheid (modellen 1, 2, 3) en spreekvaardigheid (modellen 4, 5, 6). Op een soortgelijke manier onderscheiden we het taalgebruik in contact met de partner (modellen 7 en 8) en in contact met de kinderen (modellen 9 en 10). Bij de modellen voor taalbeheersing beginnen we met analyses voor de hele populatie (modellen 1 en 4), vervolgen met een subset voor mensen met partner en kinderen (modellen 2 en 5) en eindigen met een analyse waarin taalgebruik is opgenomen (modellen 3 en 6). Bij de uitgangsmodellen 7 en 8 voor taalgebruik met partner en kinderen zijn mensen zonder partner respectievelijk zonder kinderen buiten beschouwing gelaten. We sluiten de analyses van taalgebruik af met modellen waarin taalvaardigheid is opgenomen (modellen 8 en 10). 7

8 Tabel 4. OLS Regressie-analyse van leesvaardigheid (modellen 1, 2 en 3) en spreekvaardigheid (modellen 4, 5 en 6) onder eerste generatie Marokkaanse en Turkse mannen in Nederland, 1991 en Model 1 Model 4 Lezen Spreken Investeringen Reden migratie Familie Model 2 Lezen Subset Model 3 Lezen Subset +Gebruik Model 5 Spreken Subset Model 6 Spreken Subset +Gebruik Werk ** * * ** ** ** Opleiding * ** Overig * Hoofdactiviteit Werkloos Handarbeid **0.137 **0.142 **0.139 Hoofdarbeid **0.232 **0.191 *0.166 **0.368 **0.321 **0.295 Terugkeerwensen ** * ** ** Verzorgt personen in buitenland * * * ** * * Gelegenheden Partner Geen Allochtoon b b b b Gemengd ** **0.315 ** Buitenland Kinderen Geen Thuiswonend-jong b b b b Thuiswonend-oud * Elders wonend ** Percentage eigen groep in buurt ** ** ** ** ** ** Percentage niet-westers in beroep Investeringen en gelegenheden Verblijfsduur (per 10 jaar) **0.466 **0.326 **0.400 **0.702 **0.620 **0.682 Verblijfsduur 2 ** ** ** ** ** ** Jaren werk *0.076 **0.123 ** * Opleidingsniveau **0.157 **0.183 **0.165 **0.133 **0.166 **0.144 In Nederland op school gezeten **0.471 **0.164 **0.148 **0.371 **0.333 **0.283 Controle Marokkaans (versus Turks) **0.274 **0.292 **0.294 **0.291 **0.325 **0.326 Leeftijd migratie ** ** ** ** ** ** Taalgebruik met partner **0.114 **0.108 Taalgebruik met kinderen **0.077 **0.117 N R 2 (adjusted) *=p<0.05, **=p<0.01, a =referentiecategorie, b =niet van toepassing, Bron: SPVA 1991 en 1994, eigen bewerkingen Noot: Alle continue variabelen, met uitzondering van verblijfsduur, zijn gestandaardiseerd, evenals de afhankelijke variabelen. 8

9 Tabel 5. OLS Regressie-analyse van Nederlands taalgebruik met partner (modellen 7 en 8) en met kinderen (modellen 9 en 10) onder eerste generatie Marokkaanse en Turkse mannen in Nederland, 1991 en Investeringen Reden migratie Familie Model 7 Partner Model 8 Partner +Vaardigheid Model 9 Kinderen Model 10 Kinderen +Vaardigheid Werk Opleiding Overig Hoofdactiviteit Werkloos Handarbeid Hoofdarbeid **0.191 * Terugkeerwensen ** ** ** ** Verzorgt personen in buitenland Gelegenheden Partner Geen Allochtoon b b Gemengd **1.816 **1.750 **0.894 **0.796 Buitenland * * Kinderen Geen Thuiswonend-jong Thuiswonend-oud Elders wonend Percentage eigen groep in buurt ** * * Percentage niet-westers in beroep ** * Investeringen en gelegenheden Verblijfsduur (per 10 jaar) ** ** Verblijfsduur 2 **0.016 ** Jaren werk * Opleidingsniveau ** **0.142 **0.106 In Nederland op school gezeten **0.197 *0.121 * Controle Marokkaans (versus Turks) Leeftijd migratie ** ** * Leesvaardigheid ** Spreekvaardigheid **0.125 **0.157 N R 2 (adjusted) *=p<0.05, **=p<0.01, a =referentiecategorie, b =niet van toepassing Bron: SPVA 1991 en 1994, eigen bewerkingen Noot: Alle continue variabelen, met uitzondering van verblijfsduur, zijn gestandaardiseerd, evenals de afhankelijke variabelen. 9

10 We controleren voor de leeftijd waarop men is gemigreerd, omdat migratie op jongere leeftijd gunstig blijkt te zijn voor het verwerven van de tweede taal (Stevens, 1999). Voorts maken we een onderscheid tussen Turken en Marokkanen, waarbij de Turken de referentiecategorie vormen. De uitkomsten van de regressie-analyses worden hieronder per onafhankelijke variabele besproken; in de conclusie komen we terug op de implicaties van onze resultaten voor de theorieën over investeringen en gelegenheden. Volgens onze eerste hypothese zullen migranten die naar Nederland zijn gekomen om een opleiding te volgen, beter Nederlands spreken dan zij die voor werk zijn weggegaan en dat migranten die vanwege familieredenen overkwamen het minst vaardig zijn in het Nederlands. In tabel 4 is het voornaamste motief voor migratie opgenomen in het model. We zien dat Turkse en Marokkaanse migranten die naar Nederland zijn gekomen om een opleiding te volgen, inderdaad beter Nederlands lezen en spreken dan de arbeidsmigranten en zij die vanwege gezinshereniging of huwelijk zijn gemigreerd. Bij het spreken met partner en kinderen vinden we geen effect, hetgeen in overeenstemming is met het idee dat migratiemotieven vooral een invloed hebben via overwegingen over de verwachte opbrengst van taalvaardigheid. In tegenspraak met onze hypothese is dat arbeidsmigranten, veruit de grootse groep, minder goed Nederlands lezen en spreken dan degenen die vanwege familieredenen zijn overgekomen. Arbeidsmigranten spreken overigens niet minder vaak Nederlands met hun gezinsleden dan familiemigranten. Onze tweede hypohese ging over de arbeidsmarktpositie van migranten. Uit tabel 4 blijkt dat hoofdarbeiders beter Nederlands spreken dan handarbeiders en dat handarbeiders op hun beurt weer beter Nederlands spreken dan werklozen. Dit is in overeenstemming met onze hypothese. Indien we echter kijken naar de effecten op lezen, zien we geen verschil meer tussen handarbeiders en werklozen. Bij taalgebruik zien we verschillende uitkomsten, afhankelijk van de vraag of het gaat om partners of kinderen. Hoofdarbeiders spreken vaker Nederlands met hun partner dan zowel handarbeiders als werklozen, terwijl de beroepspositie geen enkele invloed heeft op het spreken van Nederlands met de kinderen. We kunnen overigens wel concluderen dat de beroepspositie meer invloed heeft op taalvaardigheid dan op taalgebruik, in overeenstemming met onze meer algemene gedachte dat investeringen een sterkere invloed hebben op taalbeheersing dan op taalgebruik. Terugkeerwensen zijn zowel direct als indirect gemeten. Ten eerste is aan mensen gevraagd of en zo ja in hoeverre, men terug wil keren naar het land van herkomst. De schaal varieert van niet (1), misschien (2), tot wel (3). Daarnaast is mensen gevraagd of zij personen in het land van herkomst financieel ondersteunen. We beschouwen dit als een indirecte maat voor de band met het land van herkomst. Beide maten hebben in het algemeen significante effecten op beheersing en gebruik van de Nederlandse taal, maar de sterkte van de effecten varieert over de modellen. Uit tabel 4 blijkt dat mensen die graag willen terugkeren en mensen die banden met het land van herkomst hebben, minder goed Nederlands lezen en spreken. Als we kijken naar taalgebruik, zien we alleen effecten van de directe maat. Mensen die zeggen te willen terugkeren spreken minder vaak Nederlands thuis, maar mensen die banden met het land van herkomst onderhouden spreken niet minder vaak Nederlands. Dat de effecten van terugkeerwensen op taalgebruik zwakker zijn dan op taalverwerving komt overeen met onze veronderstelling dat investeringsgedachten meer effect sorteren op taalverwerving dan op taalgebruik. Met de gegevens is het mogelijk enkele belangrijke contexten te problematiseren. De eerste context is de buurt. We hebben gegevens over het percentage Turken en Marokkanen op postcodeniveau in 1995 en hebben dit gekoppeld aan de respondent op basis van het postcodegebied waarin hij woont (CBS, 2001). Dezelfde procedure hebben we gevolgd voor de woongemeente. In tabel 4 en 5 hebben we in de eerste plaats de compositie op buurtniveau opgenomen. Hieruit blijkt dat naarmate het aantal mensen uit de eigen groep in een buurt groter is, de leden van deze groep in die buurt slechter Nederlands lezen en spreken. Opvallend is dat de etnische compositie ook een duidelijk effect heeft op het taalgebruik in de privé-sfeer. Migranten in meer allochtone wijken spreken ook thuis minder vaak Nederlands. Als we dezelfde analyses uitvoeren met de gemeente als geografische eenheid zijn de resultaten niet significant (niet gepresenteerd in de tabellen). Het verschil valt wellicht te verklaren uit de voorkeur die mensen hebben om op een bepaalde locatie te wonen en de kosten die het met zich meebrengt om te verhuizen. Minder goed geïntegreerde migranten zullen vaker een meer homogene buurt kiezen dan een homogene gemeente, want de kosten om op korte afstand te verhuizen zijn geringer. Derhalve zal zelfselectie een grotere rol spelen bij de invloed van kleine geografische eenheden zoals de buurt dan bij grotere geografische eenheden zoals de gemeente (Kalmijn, 1998). Dit kan verklaren waarom de invloed sterker is bij de buurt. 10

11 Als we tot slot weer de vergelijking trekken tussen de modellen voor gebruik en die voor taalvaardigheid zien we, tegen onze verwachting in, dat het percentage van de eigen groep in de buurt geen sterkere effecten hebben op taalgebruik dan op taalvermogen. Alle effecten zijn weliswaar significant, maar iets sterker voor vaardigheid dan voor gebruik. Een andere belangrijke context uit de gelegenheidstheorie is het beroep. Naarmate het aandeel groepsgenoten in het eigen beroep groter is, zou de kennis en het gebruik van de Nederlandse taal moeten afnemen. Om deze voorspelling te toetsen, zou men idealiter gebruik maken van gegevens over het aantal contacten met groepsgenoten op het werk. Bij gebrek aan dergelijke data, hebben we met gegevens uit de Enquête Beroepsbevolking (CBS, 1993) berekend wat het percentage niet-westerse immigranten is in een gedetailleerde beroepsgroep volgens de driecijferige beroepenclassificatie van het CBS. Deze gegevens zijn gekoppeld aan de respondent via het huidige beroep of, als de respondent niet werkt, aan zijn meest recente beroep in Nederland. De meetassumptie luidt dat een groter aandeel niet-westerse immigranten in een beroepsgroep, migranten in die beroepsgroep minder in de gelegenheid stelt het Nederlands te leren en te spreken. De hypothese wordt niet bevestigd voor taalverwerving en taalgebruik met de partner, maar wel voor taalgebruik met de kinderen. Hoe meer niet-westerse immigranten in een beroepsgroep, des te minder vaak spreken Turkse en Marokkaanse immigranten in die beroepsgroep thuis in het Nederlands met hun kinderen. Het gezin is een andersoortige context die invloed kan hebben op het taalniveau. We voorspelden dat immigranten met een partner in Nederland, slechter en minder vaak Nederlands spreken dan immigranten zonder partner. De partner is immers iemand met wie men de eigen taal kan blijven gebruiken, en dat zou de ontwikkeling van de vaardigheid in het Nederlands kunnen remmen. Verder verwachtten we dat migranten die met een Nederlander zijn getrouwd, beter Nederlands lezen en spreken en tevens vaker Nederlands praten dan migranten die met een allochtoon zijn getrouwd. Ten slotte voorspelden we dat indien de partner niet thuis woont, migranten beter Nederlands spreken dan als de (allochtone) partner wel thuis woont. De bevindingen gepresenteerd in tabellen 4 en 5 laten zien dat immigranten die getrouwd zijn met een autochtone partner inderdaad de meeste Nederlandse vaardigheden hebben. Immigranten uit gemengde huwelijken blijken bovendien vaker in het Nederlands te communiceren met hun gezinsleden. Beide effecten liggen natuurlijk voor de hand en blijken dan ook vrij sterk te zijn. Voorts zien we dat immigranten zonder partner niet taalvaardiger zijn dan immigranten met een partner. De relatief kleine groep immigranten waarvan de partner elders woont, blijkt tot slot slechter Nederlands te lezen en minder vaak Nederlands te spreken met de kinderen dan immigranten zonder partner. We vinden hier overigens geen aanwijzingen voor de gedachte dat gelegenheden sterker van invloed zijn op taalgebruik dan op taalverwerving. Hebben de kinderen ook een invloed op de taal die hun ouders spreken? We voorspelden dat migranten zonder kinderen slechter af zijn in het Nederlands en minder vaak Nederlands praten met hun partner dan migranten met kinderen. De tweede generatie brengt het Nederlands thuis, zo was het idee. De uitkomsten van de regressievergelijkingen komen echter niet met deze hypothese overeen. Evenmin vinden we aanwijzingen voor de veronderstelde positieve invloed die oudere kinderen in het huishouden zouden hebben. Migranten met thuiswonende kinderen ouder dan 12 jaar blijken niet vaker Nederlands te praten en ook niet beter Nederlands te kunnen dan migranten met jonge kinderen of kinderen die reeds zelfstandig wonen. We formuleerden verder hypothesen die zowel tot de investeringstheorie als de gelegenheidstheorie gerekend kunnen worden. De eerste soortgelijke voorspelling luidde dat men vaker en beter de Nederlandse taal spreekt naarmate men een hogere opleiding heeft genoten. Het opleidingseffect blijkt in alle modellen sterk positief te zijn. Hoe hoger de genoten opleiding, des te beter beheerst men het Nederlands en des te vaker communiceert men in het Nederlands met de gezinsleden. Een andere voorspelling is dat migranten die in Nederland op school hebben gezeten, beter Nederlands lezen en spreken en tevens vaker in het Nederlands spreken met hun partner en kinderen. Ook dit blijkt bevestigd te worden door onze analyses. Immigranten die in Nederland op school hebben gezeten zijn vaardiger in het Nederlands en gebruiken deze taal frequenter thuis. Een derde hypothese stelde dat met de arbeidservaring in Nederland, de beheersing en het gebruik van de Nederlandse taal toenemen. Die voorspelling gaat op voor de Nederlandse leesvaardigheid, spreekvaardigheid (rondom significantie) en het taalgebruik met de kinderen. Het aantal jaren dat men in Nederland werkzaam is, blijkt echter niet het Nederlands taalgebruik met de partner te doen toenemen. Tot slot voorspelden we dat met de duur van het verblijf in Nederland, de Nederlandse 11

12 taalvaardigheid en taalgebruik eveneens toenemen. Die voorspelling komt uit met betrekking tot het kunnen lezen en spreken in het Nederlands. Opmerkelijk genoeg wordt ze sterk tegengesproken voor wat betreft het taalgebruik. Met de lengte van het verblijf in Nederland neemt het Nederlands spreken met de partner niet toe, maar af. Met de duur van het verblijf verloopt de communicatie met de kinderen wel vaker in het Nederlands, maar het effect is niet significant. Overigens laten tabellen 4 en 5 andere interessante bevindingen zien waarover geen hypothesen zijn geformuleerd. Zo blijkt dat Marokkanen het Nederlands beter beheersen dan Turken, zowel wat betreft lezen als spreken. Dit is opmerkelijk, aangezien in tabel 4 gecontroleerd is voor belangrijke individuele kenmerken, zoals verblijfsduur en opleidingsniveau, en relevante contextuele kenmerken, zoals percentage groepsgenoten in de buurt. Tabel 5 laat verder zien dat ondanks het feit dat Marokkanen het Nederlands beter beheersen dan Turken, er geen verschil is tussen beide groepen in het gebruik van de Nederlandse taal. In hoeverre verandert de invloed van investerings- en gelegenheidsfactoren op taalgebruik en taalbeheersing, nadat rekening is gehouden met de wederzijdse relatie tussen taalgebruik en taalbeheersing? We bespreken alleen de kruiseffecten (invloed investeringen op taalgebruik, en invloed gelegenheden op vaardigheid) en niet de parallelle effecten (invloed investeringen op vaardigheid, invloed gelegenheden op gebruik). Om te beginnen kijken we naar de effecten van gelegenheden op taalbeheersing na rekening te hebben gehouden met taalgebruik (tabel 4). Allereerst zien we in de kolom onder model 3 dat Nederlands taalgebruik een positief effect heeft op Nederlands taalvermogen. Die bevinding komt overeen met de eerder geopperde gedachte dat het spreken van de Nederlandse taal met partner en kinderen leidt tot betere beheersing van het Nederlands. Voorts laat tabel 4 zien dat na opname van Nederlands taalgebruik in het analysemodel de invloed van contexten afneemt. Het effect van de buurt op lezen en spreken wordt kleiner tussen model 2 en 3 en tussen model 5 en 6. Ook de invloed van het gemengde huwelijk op taalvaardigheid neemt af na controle voor taalgebruik. Hoewel de afname niet altijd even groot is, wijzen deze bevindingen er wel op dat de invloed van gelegenheden op taalverwerving deels loopt via taalgebruik, in overeenstemming met onze verwachting. Een andere vraag gaat over de effecten van investeringen op taalgebruik na rekening te hebben gehouden met taalbeheersing (tabel 5). De twee indicatoren van taalvaardigheid blijken een positieve invloed te hebben op taalgebruik. Zoals te verwachten viel, heeft met name de vaardigheid in het spreken een sterke invloed op de frequentie van het Nederlands taalgebruik. Een voorspelling bij deze modellen was dat investeringen ook indirect van invloed zijn op taalgebruik. Investeringsfactoren zouden via taalvermogens een invloed hebben op taalgebruik. We zien inderdaad dat investeringen zoals een hoge opleiding, een Nederlandse diploma, en een aanzienlijke baan een positieve invloed blijven hebben op Nederlands taalgebruik na controle voor taalbeheersing. Belangrijker is echter dat deze effecten kleiner worden tussen model 7 en 8 en tussen model 9 en 10. Met andere woorden, hun invloed verloopt deels indirect, via taalbeheersing. Dit is in overeenstemming met de verwachting. Voor factoren die zowel gelegenheden als investeringen meten, kunnen we met de uitgebreide modellen uit tabellen 4 en 5 ook verder komen. Zo is het effect van opleidingsniveau op taalvaardigheid na controle voor taalgebruik nog steeds significant (model 3 en 6). We zien echter dat na controle voor taalvaardigheid het opleidingsniveau geen of een duidelijk minder sterk effect heeft op taalgebruik. Het directe effect van het opleidingsniveau is dan ook groter in het model van taalvaardigheid dan in het model van taalgebruik. Hieruit concluderen we dat de rol van het opleidingsniveau vooral moet worden geïnterpreteerd vanuit de investeringstheorie en niet vanuit de gelegenheidstheorie. Dezelfde patronen zien we voor de overige factoren die zowel gelegenheden en investeringen meten. De duur van het verblijf in Nederland, het hebben gevolgd van een Nederlandse opleiding, en de werkervaring in Nederland blijken sterkere directe effecten te hebben op taalbeheersing dan op taalgebruik. 6 Conclusie en discussie We hebben in dit artikel op twee manieren geprobeerd een bijdrage te leveren aan het onderzoek naar migrantentalen. Ten eerste hebben we vragen en theorieën over taalverwerving in verband gebracht met vragen en theorieën over taalgebruik. Met deze kruisbestuiving onderzochten we of theorieën over taalverwerving niet alleen van toepassing zijn op taalverwerving maar ook op taalgebruik en vice versa. Ten tweede hebben we taalgebruik willen contextualiseren. Dit betekent dat taalgebruik bestudeerd wordt in 12

13 een bepaalde context (in ons geval: in het gezin), tussen bepaalde mensen (in ons geval: met partner en kinderen), en verklaard wordt met kenmerken van deze en andere contexten (in ons geval: buurt, beroep, gezin). In hoeverre zijn de investeringstheorie en de gelegenheidstheorie van toepassing op taalverwerving en taalgebruik? We onderscheiden: (1) hypothesen die voortkomen uit de theorie van het menselijk kapitaal, (2) hypothesen afgeleid uit de gelegenheidstheorie en (3) hypothesen die uit beide theorieën worden afgeleid. In tabel 6 hebben we de hypothesen en de bevindingen samengevat. Tabel 6. Overzicht van hypothesen en bevindingen over taalvaardigheid en taalgebruik. Theorie Taalvaardigheid Taalgebruik Investeringen Reden migratie 0 0 Hoofdactiviteit Terugkeerwensen Verzorging personen ++ 0 Gelegenheden Buurt Beroep 0 + Partner 0 0 Gemengd huwelijk + ++ Kinderen 0 0 Investeringen en gelegenheden Verblijfsduur ++ 0 Jaren werk in Nederland + + Opleidingsniveau In Nederland op school gezeten =hypothesen bevestigd, 0=hypothese tegengesproken Beginnen we met de eerste set van hypothesen die exclusief behoren tot de theorie van het menselijk kapitaal. We zien dat de hoofdactiviteit, de terugkeerwensen en de verzorging van personen in het thuisland - alle drie investeringsfactoren - het verwachte effect hebben op taalvaardigheid. In tegenspraak met deze theorie is de bevinding dat arbeidsmigranten het Nederlands slechter beheersen en minder vaak in het Nederlands communiceren dan familiemigranten. We hebben geen verklaring waarmee we deze twee tegenspraken te boven kunnen komen. Verder zien we dat de investeringsfactoren in mindere mate van invloed zijn op taalgebruik. Dit komt overeen met het idee dat investeringsoverwegingen meer van invloed zijn op taalverwerving dan op taalgebruik. De tweede set van hypothesen is afgeleid uit de meer sociologisch georiënteerde gelegenheidstheorie. We verfijnden de theorie, zodat we verwachtten dat met name de gezinssituatie van invloed is op het taalgebruik met de partner en kinderen. Kenmerken van de buurt en het beroep zouden minder van invloed zijn. We zien echter dat de gezinssituatie er niet of nauwelijks toe doet. Alleen de betere beheersing en het frequenter gebruik van het Nederlands in gemengde huwelijken wijzen op het belang van de gezinssituatie. Verder wijzen onze analyses uit dat de buurt wel een duidelijke invloed heeft op het taalgebruik met de gezinsleden. Wellicht komt dit doordat partners met elkaar en met hun kinderen communiceren in het bijzijn van leden van de eigen groep. Als er meer groepsgenoten in de buurt wonen, zullen ze minder vaak overgaan tot het Nederlands en meer in hun eigen taal spreken. Verder vinden we enige steun voor de gedachte dat gelegenheden meer van toepassing zijn op taalgebruik dan op taalbeheersing. Waarom vinden we nauwelijks steun voor de gedachte dat de beroeps- en gezinscontext van invloed zijn op taalgebruik en taalvaardigheid? De bevinding dat het percentage niet-westerse migranten in het beroep alleen van invloed is op het taalgebruik met de kinderen is opmerkelijk. Mensen brengen veel tijd door op het werk en contacten met Nederlanders en groepsgenoten worden daar grotendeels gevormd. Wellicht valt de afwezigheid van sterke effecten toe te schrijven aan de geringe differentiatie van het aandeel migranten per beroepsgroep; misschien ook zijn de gebruikte indicatoren te indirect. Theoretisch hebben we geen verklaring voor de (gedeeltelijke) tegenspraak. Opmerkelijk is verder de bevinding dat de gezinssituatie niet of nauwelijks het taalgebruik en de taalvaardigheid beïnvloedt. De aanwezigheid van oudere kinderen thuis blijkt de Nederlandse leesvaardigheid niet ten goede te komen, maar zelfs te verslechteren. Het kan zijn dat kinderen weliswaar de Nederlandse taal in huis brengen, maar dat de ouders daar niet van leren. Het invullen van formulieren en het schrijven van brieven in het Nederlands zou dan een taak zijn van de 13

14 kinderen, zodat ouders minder baat hebben bij investeringen in de Nederlandse taal (Tesser e.a., 1999). De derde set van hypothesen hebben we afgeleid uit beide theorieën. De verblijfsduur in Nederland, de arbeidsmarktervaring, het opleidingsniveau en het in Nederland op school hebben gezeten, kunnen zowel als gelegenheden als investeringen worden opgevat. Tabel 6 laat zien dat het opleidingsniveau en het in Nederland op school hebben gezeten zowel van invloed zijn op taalvaardigheden als taalgebruik. Het aantal jaren dat men in Nederland heeft gewerkt heeft alleen een invloed op leesvaardigheid en taalgebruik met de kinderen. Opmerkelijk is dat de verblijfsduur een positieve invloed heeft op de Nederlandse taalvaardigheid, geen invloed heeft op het taalgebruik met de kinderen en een negatieve invloed heeft op het taalgebruik met de partner. De vier factoren blijken, zeker nadat rekening gehouden is met het wederzijdse effect tussen taalvaardigheid en taalgebruik, beter te passen in het investeringsidee dan in de gelegenheidstheorie. We concluderen dat gelegenheden om de Nederlandse taal te leren, zoals de buurt, niet alleen van invloed zijn op het gebruik maar ook op de vaardigheid in het Nederlands. En we kunnen stellen dat investeringsoverwegingen om de Nederlandse taal te leren niet alleen de beheersing van het Nederlands bepalen, maar ook de frequentie waarin men het Nederlands gebruikt. De kruisrelaties kunnen ten dele, maar niet helemaal, worden toegeschreven aan het wederzijdse effect van taalbeheersing en taalgebruik. De bevindingen laten derhalve zien dat zowel investeringen als gelegenheden een rol spelen in taalverwerving en taalgebruik. Voor de economische en sociologische onderzoekstradities houdt dit in dat ter verklaring van taalverwerving gelegenheidshypothesen moeten worden geïntroduceerd en ter verklaring van taalgebruik investeringsideeën. Er zijn ook andere manieren om vooruitgang te boeken op onderhavige studie. In dit onderzoek zijn we uitvoerig ingegaan op taalgebruik en taalverwerving van eerste generatie migranten in Nederland. Kennis hieromtrent is in de eerste plaats belangrijk voor hun kansen op de arbeidsmarkt. Evenzeer valt te verwachten dat hun beheersing en gebruik van het Nederlands de kansen van de tweede generatie beïnvloeden. Het gezin is een belangrijke context om het Nederlands te leren en de mate waarin ouders met elkaar en met hun kinderen Nederlands spreken kan van invloed zijn op de Nederlandse taalvaardigheid en opleidingsachterstand van de tweede generatie (Wolbers & Driessen, 1996; Tesser e.a., 1999). In dat opzicht is het ook belangrijk om de invloed van kenmerken van andere structurele contexten, zoals de etnische compositie van scholen en buurten, op taalgebruik en taalverwerving van de tweede generatie te onderzoeken. De tweede generatie heeft weliswaar een sterke voorkeur om de tweede taal te leren en spreken (Portes & Rumbaut, 2001), de mogelijkheden om die voorkeur te verwezenlijken worden wellicht door structurele factoren beperkt. Noten * Frank van Tubergen is aio aan de Capaciteitsgroep Sociologie/ICS van de Universiteit Utrecht. Zijn promotieonderzoek betreft een landenvergelijkende studie naar culturele en economische integratie van immigranten. Mathijs Kalmijn is hoogleraar sociologie aan de Katholieke Universiteit Brabant. Hij deed onderzoek naar etnisch gemengde huwelijken en de invloed van cultureel en sociaal kapitaal op het opleidingsniveau van etnische minderheden. 1 We achten de hypothese dat hoofdarbeiders meer baat hebben bij investeringen in de Engelse taal, zoals gesuggereerd door De Swaan (2001) en Tesser e.a. (1999), minder van toepassing op Turkse en Marokkaanse immigranten. Veel hooggeschoolde Nederlanders spreken weliswaar Engels, maar de Nederlandse taalgemeenschap is voor Turkse en Marokkaanse immigranten groter dan de Engelse. Het is immers onwaarschijnlijk dat zij in de toekomst verder migreren naar Engelstalige landen. 2 De bevinding dat Surinaamse en Antilliaanse migranten het Nederlands goed beheersen bij aankomst in Nederland, komt overigens overeen met de investeringstheorie en de gelegenheidstheorie. De gelegenheid om het Nederlands te leren in Suriname en op de Antillen is immers groot, aangezien daar veel mensen Nederlands spreken en het op scholen wordt onderwezen. Het besluit om naar Nederland te migreren is vanuit investeringsoverwegingen inzichtelijk, daar de verworven kennis van het Nederlands optimaal gebruikt kan worden. 14

15 Literatuur Alba, R.D. (1990). Ethnic Identity: The Transformation of White America. London: Yale University Press. Ankersmit, T., Roelandt, T. & Veenman, J. (1989). Minderheden in Nederland. Den Haag: SDU Uitgeverij. Becker, G.S. (1964). Human Capital. New York: Columbia University Press. Becker, G.S. (1977). The Economic Approach to Human Behavior. Chicago: University of Chicago Press. Becker, G.S. (1981). A Treatise on the Family. Cambridge: Harvard University Press. Blau, P.M. (1977). Inequality and Heterogeneity: A Primitive Theory of Social Structure. New York: Free Press. Blau, P.M. (1994). Structural Contexts of Opportunities. Chicago: The University of Chicago Press. Blau, P.M., Blum, T.C. & Schwartz, J.E. (1982). Heterogeneity and Intermarriage. American Sociological Review, 47, Blau, P.M. & Schwartz, J.E. (1984). Cross-cutting Social Circles: Testing a Macrostructural Theory of Intergroup Relations. New York: Academic Press. Broeder, P. & Extra, G. (1999). Language, Ethnicity and Education: Case Studies on Immigrant Minority Groups and Immigrant Minority Languages. Clevedon: Multilingual Matters LTD. Carliner, G. (1999). The Language Ability of U.S. Immigrants: Assimilation and Cohort Effects. International Migration Review, 34, CBS (1988). De leefsituatie van Surinamers en Anillianen in Nederland. Den Haag: SDU Uitgeverij. CBS (1993). Documentatie microbestand Enquête Beroepsbevolking Heerlen: CBS. CBS (2001). Statistisch Bestand Nederlandse Gemeenten. Voorburg: CBS. Chiswick, B. (1977). Sons of Immigrants: Are They at Earnings Disadvantage? American Economic Review, 67, Chiswick, B. (1978). The Effect of Americanization on the Earnings of Foreign-born Men. Journal of Political Economy, 86, Chiswick, B. (1991). Speaking, Reading, and Earnings among Low-skilled Immigrants. Journal of Labor Economics, 9, Chiswick, B. & Miller, P.W. (1995). The Endogeneity between Language and Earnings: International Analyses. Journal of Labor Economics, 13, Chiswick, B. & Miller, P.W. (1996). Ethnic Networks and Language Proficiency among Immigrants. Journal of Population Studies, 9, Chiswick, B. & Miller, P.W. (1998). English Language Fluency Among Immigrants in the United States. Research in Labor Economics, 17, Dagevos, J. (2001). Perspectief op integratie: Over de sociaal-culturele en structurele integratie van etnische minderheden in Nederland. Den Haag: WRR Werkdocumenten nr. W121. Dustmann, C. (1994). Speaking fluency, writing fluency and earnings of migrants. Journal of Population Economics, 7, Dustmann, C. (1997). The Effects of Education, Parental Background and Ethnic Concentration on Language. Quarterly Review of Economics & Finance, 37, Espinosa, K. & Massey, D. (1997). Determinants of English Proficiency among Mexican Migrants to the United States. International Migration Review, 31,

16 Espenshade, T.J. & Fu, H. (1997). An Analysis of English-Language Proficiency Among U.S.-Immigrants. American Sociological Review, 62, Evans, M.D.R. (1988). Sources of immigrants language proficiency: Australian results with comparisons to the Federal Republic of Germany and the United States of America. European Sociological Review, 2, Extra, G. & Verhoeven, L. (1996). Processen van taalverandering bij etnische minderheidsgroepen. In H. Heeren, P. Vogel, & H. Werdmölder (red.) Etnische minderheden en wetenschappelijk onderzoek. Amsterstam/Meppel: Boom. Fishman, J. (1965). Who speaks what language to whom and when? La Linguistique, 2, Fishman, J., Nahirny, V., Hoffman, J. & Hayden, R. (1966). Language Loyalty in the United States. Den Haag: Mouton. Gordon, M.M. (1964). Assimilation in American Life: The Role of Race, Religion, and National Origins. New York: Oxford University Press. Hooghiemstra, E. & Manting, D. (1997). Turkse en Marokkaanse huwelijksmigranten. Maandstatistiek bevolking, 10, Kalmijn, M. (1998). Intermarriage and Homogamy: Causes, Patterns, Trends. Annual Review of Sociology, 24, Park, J.H. (1999). The Earnings of Immigrants in the United States: The Effect of English-Speaking Ability. American Journal of Economics & Sociology, 58, Portes, A. & Rumbaut, R.G. (2001). Legacies: The Story of the Immigrant Second Generation. Berkeley: University of California Press. Robinson, W.P. & Giles, H. (2001). The New Handbook of Language and Social Psychology. Londen: John Wiley & Sons Ltd. Sampson, R.J. (1984). Group Size, Heterogeneity, and Intergroup Conflict: A Test of Blau s Inequality and Heterogeneity. Social Forces, 62, Solé, Y. R. (1990). Bilingualism: Stable or Transitional? The Case of Spanish in the United States. International Journal of the Sociology of Language, 84, South, S.J. & Messner, S.F. (1986). Structural Determinants of Intergroup Association: Interracial Marriage and Crime. American Journal of Sociology, 91, Sprangers, A.H. (1994). Gezinsherenigende en gezinsvormende migratie Maandstatistiek bevolking, 10, Stevens, G. (1992). The Social and Demographic Context of Language Use in the United States. American Sociological Review, 57, Stevens, G. (1999). Age at immigration and second language proficiency among foreign-born adults. Language in Society, 28, Swaan, A. de (2001). Words of the World: The Global Language System. Cambridge: Polity Press. Tesser, P.T.M., Dugteren, F. van & Merens, J.G.F. (1998). Rapportage minderheden Rijswijk: SCP. Tesser, P.T.M., Merens, J.G.F, & Van Praag, C.S. (1999). Rapportage minderheden 1999: positie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Rijswijk: SCP. Veenman, J. (1999). Participatie en perspectief. Verleden en toekomst van etnische minderheden in Nederland. Houten: Bohn Stafleu/Van Loghum. Veltman, C. (1983). Language Shift in the United States. New York: Mouton. Wolters, M. & Driessen, G. (1996). Milieu of migratie? Determinanten van schoolloopbaanverschillen tussen allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs. Sociologische Gids, 43,

Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders

Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders Suzanne Peek Gescheiden moeders stoppen twee keer zo vaak met werken dan niet gescheiden moeders. Ook beginnen ze vaker met werken. Wanneer er

Nadere informatie

Thuis voelen in Nederland: stedelijke verschillen bij allochtonen

Thuis voelen in Nederland: stedelijke verschillen bij allochtonen Thuis voelen in Nederland: stedelijke verschillen bij allochtonen Jeroen Nieuweboer Allochtonen in, en voelen zich minder thuis in Nederland dan allochtonen elders in Nederland. Marokkanen, Antillianen

Nadere informatie

Bijlage bij hoofdstuk 4 Opleiding en taal

Bijlage bij hoofdstuk 4 Opleiding en taal Jaarrapport integratie 7 Jaco Dagevos en Mérove Gijsberts Sociaal en Cultureel Planbureau, november 7 Bijlage bij hoofdstuk 4 Opleiding en taal Monique Turkenburg en Mérove Gijsberts B4.1 Een vergelijking

Nadere informatie

Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen

Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen 1 Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen Peter van der Meer Samenvatting In dit onderzoek is geprobeerd antwoord te geven op de vraag in hoeverre het mogelijk is verschillen

Nadere informatie

4. Kans op echtscheiding

4. Kans op echtscheiding 4. Kans op echtscheiding Niet-westerse allochtonen hebben een grotere kans op echtscheiding dan autochtonen. Tussen de verschillende groepen niet-westerse allochtonen bestaan in dit opzicht echter grote

Nadere informatie

Conclusie. Over de relatie tussen laaggeletterdheid en armoede. Ingrid Christoffels, Pieter Baay (ecbo) Ineke Bijlsma, Mark Levels (ROA)

Conclusie. Over de relatie tussen laaggeletterdheid en armoede. Ingrid Christoffels, Pieter Baay (ecbo) Ineke Bijlsma, Mark Levels (ROA) Conclusie Over de relatie tussen laaggeletterdheid en armoede Ingrid Christoffels, Pieter Baay (ecbo) Ineke Bijlsma, Mark Levels (ROA) ecbo - De relatie tussen laaggeletterdheid en armoede A 1 conclusie

Nadere informatie

Religieuze participatie en geloof van immigranten in Nederland Nieuwe toetsingen van oude theorieën

Religieuze participatie en geloof van immigranten in Nederland Nieuwe toetsingen van oude theorieën Religieuze participatie en geloof van immigranten in Nederland Nieuwe toetsingen van oude theorieën Frank van Tubergen 1 Summary Religious participation and belief among immigrants in the Netherlands:

Nadere informatie

De integratie van Antillianen in Nederland. Presentatie 9 juni: De Caribische demografie van het Koninkrijk der Nederlanden

De integratie van Antillianen in Nederland. Presentatie 9 juni: De Caribische demografie van het Koninkrijk der Nederlanden De integratie van Antillianen in Nederland Presentatie 9 juni: De Caribische demografie van het Koninkrijk der Nederlanden De integratie van Antillianen in Nederland Willem Huijnk - Wetenschappelijk onderzoeker

Nadere informatie

Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt

Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt s op de arbeidsmarkt Moniek Coumans De arbeidsdeelname van alleenstaande moeders is lager dan die van moeders met een partner. Dit verschil hangt voor een belangrijk deel samen met een oververtegenwoordiging

Nadere informatie

Factsheet Maatschappelijke positie van Voormalig Antilliaanse / Arubaanse Migranten in Nederland

Factsheet Maatschappelijke positie van Voormalig Antilliaanse / Arubaanse Migranten in Nederland Factsheet Maatschappelijke positie van Voormalig Antilliaanse / Arubaanse Migranten in Nederland Onderwijs Het aandeel in de bevolking van 15 tot 64 jaar dat het onderwijs reeds heeft verlaten en hun onderwijscarrière

Nadere informatie

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen Arie de Graaf en Suzanne Loozen In 25 telde Nederland 4,2 miljoen personen van 18 jaar of ouder die zonder partner woonden. Eén op de drie volwassenen woont dus niet samen met een partner. Tussen 1995

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH)

SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) Sinds de jaren zestig is het aandeel migranten in de Nederlandse bevolking aanzienlijk gegroeid. Van de totaal 16,3 miljoen inwoners in

Nadere informatie

WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER?

WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER? WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER? Amsterdam, november 2011 Auteur: Dr. Christine L. Carabain NCDO Telefoon (020) 5688 8764 Fax (020) 568 8787 E-mail: c.carabain@ncdo.nl 1 2 INHOUDSOPGAVE Samenvatting

Nadere informatie

10. Veel ouderen in de bijstand

10. Veel ouderen in de bijstand 10. Veel ouderen in de bijstand Niet-westerse allochtonen ontvangen 2,5 keer zo vaak een uitkering als autochtonen. Ze hebben het vaakst een bijstandsuitkering. Verder was eind 2002 bijna de helft van

Nadere informatie

Bevolkingstrends 2014. Allochtonen en geluk. Karolijne van der Houwen Linda Moonen Oktober 2014 CBS Bevolkingstrends oktober 2014 1

Bevolkingstrends 2014. Allochtonen en geluk. Karolijne van der Houwen Linda Moonen Oktober 2014 CBS Bevolkingstrends oktober 2014 1 Bevolkingstrends 2014 Allochtonen en geluk Karolijne van der Houwen Linda Moonen Oktober 2014 CBS Bevolkingstrends oktober 2014 1 1. Inleiding Economische welvaart draagt bij aan welzijn, maar ook niet-economische

Nadere informatie

Meer of minder uren werken

Meer of minder uren werken Meer of minder uren werken Jannes de Vries Een op de zes mensen die minstens twaalf uur per week werken (de werkzame beroeps bevolking) wil meer of juist minder uur werken. Van hen heeft minder dan de

Nadere informatie

Fact sheet. Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Eigen woningbezit 1e en 2e generatie allochtonen. Aandeel stijgt, maar afstand blijft

Fact sheet. Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Eigen woningbezit 1e en 2e generatie allochtonen. Aandeel stijgt, maar afstand blijft Dienst Wonen, Zorg en Samenleven Fact sheet nummer 1 januari 211 Eigen woningbezit 1e en Aandeel stijgt, maar afstand blijft Het eigen woningbezit in Amsterdam is de laatste jaren sterk toegenomen. De

Nadere informatie

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014 Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos

Nadere informatie

Jongeren op de arbeidsmarkt

Jongeren op de arbeidsmarkt Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding

Nadere informatie

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald 7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van

Nadere informatie

Arbeidsmarkttransities van recente niet-westerse immigranten in Nederland

Arbeidsmarkttransities van recente niet-westerse immigranten in Nederland Arbeidsmarkttransities van recente niet-westerse immigranten in Nederland Jennissen, R.P.W. & Oudhof, J. (Reds.). 2007. Ontwikkelingen in de maatschappelijke participatie van allochtonen: Een theoretische

Nadere informatie

8. Werken en werkloos zijn

8. Werken en werkloos zijn 8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,

Nadere informatie

szw0001052 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid s-gravenhage, 23 november 2000 Aanleiding

szw0001052 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid s-gravenhage, 23 november 2000 Aanleiding szw0001052 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid s-gravenhage, 23 november 2000 Aanleiding Naar aanleiding van vragen over de hoge arbeidsongeschiktheidspercentages

Nadere informatie

Samenvatting. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd:

Samenvatting. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: Samenvatting In Westerse landen vormen niet-westerse migranten een steeds groter deel van de bevolking. In Nederland vertegenwoordigen Surinaamse, Turkse en Marokkaanse migranten samen 6% van de bevolking.

Nadere informatie

Partnerkeuze bij allochtone jongeren

Partnerkeuze bij allochtone jongeren Partnerkeuze bij allochtone jongeren Inleiding In april 2005 lanceerde de Koning Boudewijnstichting een projectoproep tot voorstellen om de thematiek huwelijk en migratie te onderzoeken. Het projectvoorstel

Nadere informatie

Bedrijfsscholing: scholen voor de concurrent?

Bedrijfsscholing: scholen voor de concurrent? Onderwijs en opleiding Bedrijfsscholing: scholen voor de concurrent? Wolff, Ch. J. de, R. Luijkx en M.J.M. Kerkhofs (2002), Bedrijfsscholing en arbeidsmobiliteit, OSA A-186, Tilburg. Scholing van werknemers

Nadere informatie

HOOFDSTUK 2 ORIENTATIE OP HET LAND VAN HERKOMST EN NEDERLAND

HOOFDSTUK 2 ORIENTATIE OP HET LAND VAN HERKOMST EN NEDERLAND HOOFDSTUK 2 ORIENTATIE OP HET LAND VAN HERKOMST EN NEDERLAND In dit hoofdstuk zullen we een beschrijving geven van verschillende cultuurspecifieke kenmerken naar sekse, leeftijd, opleiding, SES, religie

Nadere informatie

Uitgevoerd in opdracht van de afdeling Beleid, dienst Sociale Zaken en Werk, gemeente Groningen

Uitgevoerd in opdracht van de afdeling Beleid, dienst Sociale Zaken en Werk, gemeente Groningen Meer of Minder Heden Verschillen tussen, en trends in, de verhouding allochtone en autochtone klanten van de dienst SOZAWE Alfons Klein Rouweler Ard Jan Leeferink Louis Polstra Uitgevoerd in opdracht van

Nadere informatie

Zorggebruik. 5.1 Inleiding. 5.2 Contact eerste lijn

Zorggebruik. 5.1 Inleiding. 5.2 Contact eerste lijn Dit rapport is een uitgave van het NIVEL in 2004. De gegevens mogen met bronvermelding (H van Lindert, M Droomers, GP Westert.. Een kwestie van verschil: verschillen in zelfgerapporteerde leefstijl, gezondheid

Nadere informatie

Demografische gegevens ouderen

Demografische gegevens ouderen In dit hoofdstuk worden de demografische gegevens van de doelgroep ouderen beschreven. We spreken hier van ouderen indien personen 55 jaar of ouder zijn. Dit omdat gezondheidsproblemen met name vanaf die

Nadere informatie

Uit huis gaan van jongeren

Uit huis gaan van jongeren Arie de Graaf en Suzanne Loozen Jaarlijks verlaten bijna een kwart miljoen jongeren het ouderlijk huis. Een klein deel van hen is al vóór de achttiende verjaardag uit huis gegaan. De meeste jongeren gaan

Nadere informatie

Samenvatting. Wat is de kern van de Integratiekaart?

Samenvatting. Wat is de kern van de Integratiekaart? Samenvatting Wat is de kern van de Integratiekaart? In 2004 is een begin gemaakt met de ontwikkeling van een Integratiekaart. De Integratiekaart is een project van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie

Nadere informatie

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/133633

Nadere informatie

FORUM Factsheet Jeugdwerkloosheid,

FORUM Factsheet Jeugdwerkloosheid, FORUM Factsheet Jeugdwerkloosheid, @ FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, september 29 Samenvatting De werkloosheid onder de 1 tot 2 jarige Nederlanders is in het 2 e kwartaal van 29 met

Nadere informatie

Herintreders op de arbeidsmarkt

Herintreders op de arbeidsmarkt Herintreders op de arbeidsmarkt Sabine Lucassen Voor veel herintreders is het lang dat ze voor het laatst gewerkt hebben. Herintreders zijn vaak vrouwen in de leeftijd van 35 44 jaar en laag of middelbaar

Nadere informatie

Wat is armoede? Er zijn veel verschillende theorieën en definities over wat armoede is. Deze definities zijn te verdelen in categorieën.

Wat is armoede? Er zijn veel verschillende theorieën en definities over wat armoede is. Deze definities zijn te verdelen in categorieën. Wat is armoede? Er zijn veel verschillende theorieën en definities over wat armoede is. Deze definities zijn te verdelen in categorieën. Absolute en relatieve definities Bij de absolute definities wordt

Nadere informatie

Wisselingen tussen werkloosheid en nietberoepsbevolking

Wisselingen tussen werkloosheid en nietberoepsbevolking Wisselingen tussen werkloosheid en nietberoepsbevolking Ronald van Bekkum (UWV), Harry Bierings en Robert de Vries In arbeidsmarktbeleid en in statistieken van het CBS wordt een duidelijk onderscheid gemaakt

Nadere informatie

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann Overwerken in Nederland Ingrid Beckers en Clemens Siermann In 4 werkte 37 procent de werknemers in Nederland regelmatig over. Bijna een derde het overwerk is onbetaald. Overwerk komt het meeste voor onder

Nadere informatie

monitor Marokkaanse Nederlanders in Maassluis bijlage(n)

monitor Marokkaanse Nederlanders in Maassluis bijlage(n) Raadsinformatiebrief (openbaar) gemeente Maassluis Aan de leden van de gemeenteraad in Maassluis Postbus 55 3140 AB Maassluis T 010-593 1931 E gemeente@maassluis.nl I www.maassluis.nl ons kenmerk 2010-4748

Nadere informatie

Eindexamen maatschappijleer 2 vmbo gl/tl 2006 - I

Eindexamen maatschappijleer 2 vmbo gl/tl 2006 - I Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. DE MULTICULTURELE SAMENLEVING 1p 1 Het aantal asielaanvragen is sinds 2000 gedaald. Waardoor is het aantal asielzoekers in Nederland

Nadere informatie

Zie De Graaf e.a. 2005 voor een uitgebreide onderzoeksverantwoording van het onderzoek Seks onder je 25ste.

Zie De Graaf e.a. 2005 voor een uitgebreide onderzoeksverantwoording van het onderzoek Seks onder je 25ste. 6 Het is vies als twee jongens met elkaar vrijen Seksuele gezondheid van jonge allochtonen David Engelhard, Hanneke de Graaf, Jos Poelman, Bram Tuk Onderzoeksverantwoording De gemeten aspecten van de seksuele

Nadere informatie

Oudere minima in Amsterdam en het gebruik van de AIO

Oudere minima in Amsterdam en het gebruik van de AIO Oudere minima in Amsterdam en het gebruik van de AIO In opdracht van: DWI Projectnummer: 13010 Anne Huizer Laure Michon Clemens Wenneker Jeroen Slot Bezoekadres: Oudezijds Voorburgwal 300 Telefoon 020

Nadere informatie

De arbeidsmarktpositie van allochtone vrouwen in internationaal vergelijkend perspectief 1

De arbeidsmarktpositie van allochtone vrouwen in internationaal vergelijkend perspectief 1 De arbeidsmarktpositie van allochtone vrouwen in internationaal vergelijkend perspectief 1 Frank van Tubergen* Inleiding Veel allochtone vrouwen van niet-westerse komaf hebben in Nederland een zwakke positie

Nadere informatie

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009 FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 29 Groei van werkloosheid onder zet door! In het 2 e kwartaal van 29 groeide de werkloosheid onder (niet-westers)

Nadere informatie

Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam

Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Leen Heylen, CELLO, Universiteit Antwerpen Thomas More Kempen Het begrip eenzaamheid Eenzaamheid is een pijnlijke, negatieve ervaring die zijn oorsprong vindt in een

Nadere informatie

Opgave 1 Heeft het vrijwilligerswerk toekomst?

Opgave 1 Heeft het vrijwilligerswerk toekomst? Opgave 1 Heeft het vrijwilligerswerk toekomst? Bij deze opgave horen tekst 1 en 2 en de tabellen 1 tot en met 3 uit het bronnenboekje. Inleiding In Nederland zijn ruim 4 miljoen mensen actief in het vrijwilligerswerk.

Nadere informatie

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau 4. Het doel van deze studie is de verschillen in gezondheidsverwachting naar een socio-economisch gradiënt, met name naar het hoogst bereikte diploma, te beschrijven. Specifieke gegevens in enkel mortaliteit

Nadere informatie

Hoofdstuk 2. Profiel Leidenaar

Hoofdstuk 2. Profiel Leidenaar Hoofdstuk 2. Profiel Leidenaar Samenvatting Hoofdstuk 2 geeft een profiel van de inwoners van Leiden. Dit hoofdstuk is gebaseerd op zowel kerncijfers uit de Gemeentelijke Basis Administratie zoals aantal

Nadere informatie

Opgave 2 Religie en integratie

Opgave 2 Religie en integratie Opgave 2 Religie en integratie Bij deze opgave horen tekst 3 en figuur 1 en 2 uit het bronnenboekje. Inleiding Zijn Islamieten die geïntegreerd zijn minder religieus? Is integreren moeilijker als iemand

Nadere informatie

Geen tekort aan technisch opgeleiden

Geen tekort aan technisch opgeleiden Geen tekort aan technisch opgeleiden Auteur(s): Groot, W. (auteur) Maassen van den Brink, H. (auteur) Plug, E. (auteur) De auteurs zijn allen verbonden aan 'Scholar', Faculteit der Economische Wetenschappen

Nadere informatie

Pensioenaanspraken in beeld

Pensioenaanspraken in beeld Pensioenaanspraken in beeld Deel 1: aanspraken naar geslacht en burgerlijke staat Elisabeth Eenkhoorn, Annelie Hakkenes-Tuinman en Marije vandegrift bouwen minder pensioen op via een werkgever dan mannen.

Nadere informatie

Inge Aarnoudse & Sible Andringa Het belang van het Staatsexamen NT2

Inge Aarnoudse & Sible Andringa Het belang van het Staatsexamen NT2 Inge Aarnoudse & Sible Andringa Het belang van het Staatsexamen NT2 Onderzoek naar de motieven van Staatsexamenkandidaten Modellen van taalverwerving (Gardner 2001; Schumann 1986; Spolksy, 1989) Aarnoudse

Nadere informatie

Opgave 1 Jeugdwerkloosheid in Europa

Opgave 1 Jeugdwerkloosheid in Europa Opgave 1 Jeugdwerkloosheid in Europa 1 maximumscore 4 Het verrichten van flexibele arbeid kan een voorbeeld zijn van positieverwerving als de eigen keuze van de jongeren uitgaat naar flexibele arbeid in

Nadere informatie

Scholen in de Randstad sterk gekleurd

Scholen in de Randstad sterk gekleurd Scholen in de Randstad sterk gekleurd Marijke Hartgers Autochtone en niet-westers allochtone leerlingen zijn niet gelijk over de Nederlandse schoolvestigingen verdeeld. Dat komt vooral doordat niet-westerse

Nadere informatie

10 ALLOCHTONE OUDEREN

10 ALLOCHTONE OUDEREN 10 ALLOCHTONE OUDEREN Jaco Dagevos 10.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de leefsituatie van allochtone ouderen. Wellicht wekt dit de verwachting dat in dit hoofdstuk de specifieke

Nadere informatie

Zelfstandig ondernemerschap onder immigranten in Nederland

Zelfstandig ondernemerschap onder immigranten in Nederland Zelfstandig ondernemerschap onder immigranten in Nederland Begeleider: Drs. A. Kanas Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen Bachelor Sociologie, juni 2009 Auteurs: M.H. Brak 3147118 S.S.

Nadere informatie

Allochtonenprognose 2002 2050: bijna twee miljoen niet-westerse allochtonen in 2010

Allochtonenprognose 2002 2050: bijna twee miljoen niet-westerse allochtonen in 2010 Allochtonenprognose 22 25: bijna twee miljoen niet-westerse allochtonen in 21 Maarten Alders Volgens de nieuwe allochtonenprognose van het CBS neemt het aantal niet-westerse allochtonen toe van 1,6 miljoen

Nadere informatie

Gebruik van kinderopvang

Gebruik van kinderopvang Gebruik van kinderopvang Saskia te Riele In zes van de tien gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar hebben de ouders hun werk en de zorg voor hun kinderen zodanig georganiseerd dat er geen gebruik hoeft

Nadere informatie

Dienst Ruimtelijke Ordening Fact sheet Demografische ontwikkelingen: blijvende groei Amsterdamse bevolking

Dienst Ruimtelijke Ordening Fact sheet Demografische ontwikkelingen: blijvende groei Amsterdamse bevolking Dienst Ruimtelijke Ordening Fact sheet nummer 7 november 2005 Demografische ontwikkelingen: blijvende groei Amsterdamse bevolking Het inwonertal van Amsterdam is in 2004 met ruim 4.000 personen tot 742.951

Nadere informatie

Wat motiveert u in uw werk?

Wat motiveert u in uw werk? Wat motiveert u in uw werk? Begin dit jaar heeft u kunnen deelnemen aan een online onderzoek naar de motivatie en werktevredenheid van actuarieel geschoolden. In dit artikel worden de resultaten aan u

Nadere informatie

Tabel 2.1 Overzicht van de situatie op de arbeidsmarkt van de onderzochte personen op 30/06/97. Deelpopulatie 1996

Tabel 2.1 Overzicht van de situatie op de arbeidsmarkt van de onderzochte personen op 30/06/97. Deelpopulatie 1996 Dit deel van het onderzoek omvat alle personen tussen de 18 en 55 jaar oud (leeftijdsgrenzen inbegrepen) op 30 juni 1997, wiens dossier van het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met

Nadere informatie

Artikelen. Een terugblik op het ouderlijk gezin. Arie de Graaf

Artikelen. Een terugblik op het ouderlijk gezin. Arie de Graaf Artikelen Een terugblik op het ouderlijk gezin Arie de Graaf Driekwart van de kinderen die in de jaren zeventig zijn geboren, is opgegroeid bij twee ouders. Een op de zeven heeft een scheiding van de ouders

Nadere informatie

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2014

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2014 1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2014 Fact sheet juni 2015 De werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is voor het eerst sinds enkele jaren weer gedaald. Van de bijna 140.000 Amsterdamse jongeren

Nadere informatie

Afhankelijk van een uitkering in Nederland

Afhankelijk van een uitkering in Nederland Afhankelijk van een uitkering in Nederland Harry Bierings en Wim Bos In waren 1,6 miljoen huishoudens voor hun inkomen afhankelijk van een uitkering. Dit is ruim een vijfde van alle huishoudens in Nederland.

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Het tablet is om vele redenen een populaire toedieningsvorm van geneesmiddelen. Het gebruikersgemak en het gemak waarmee ze grootschalig kunnen worden geproduceerd zijn slechts twee van de

Nadere informatie

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen nen geven veel vaker leiding dan vrouwen Astrid Visschers en Saskia te Riele In 27 gaf 14 procent van de werkzame beroepsbevolking leiding aan of meer personen. Dit aandeel is de afgelopen jaren vrijwel

Nadere informatie

MIGRANTEN EN DE ARBEIDSMARKT: DOET

MIGRANTEN EN DE ARBEIDSMARKT: DOET MIGRANTEN EN DE ARBEIDSMARKT: DOET ALLEEN OPLEIDING ERTOE? SEOR WORKING PAPER NO. 2012/2 Jaap de Koning Rémon van Ommen Olivier Tanis Rotterdam, juni 2012 Contact Olivier Tanis Adres SEOR, Erasmus Universiteit

Nadere informatie

CBS-berichten: Arbeidsmigratie naar en uit Nederland

CBS-berichten: Arbeidsmigratie naar en uit Nederland André Corpeleijn* Inleiding Arbeidsmigratie is de laatste tien jaar weer in de belangstelling gekomen. De uitbreiding van de Europese Unie en de komst van Oost-Europese werknemers naar Nederland hebben

Nadere informatie

Proefschrift Girigori.qxp_Layout 1 10/21/15 9:11 PM Page 129 S u m m a r y in Dutch Summary 129

Proefschrift Girigori.qxp_Layout 1 10/21/15 9:11 PM Page 129 S u m m a r y in Dutch Summary 129 S u m m a r y in Dutch Summary 129 Gedurende de geschiedenis hebben verschillende factoren zoals slavernij, migratie, de katholieke kerk en multinationals zoals de Shell raffinaderij de gezinsstructuren

Nadere informatie

Arbeidsparticipatie van de allochtone vrouw

Arbeidsparticipatie van de allochtone vrouw Arbeidsparticipatie van de allochtone vrouw Welke factoren geven een duidelijke verklaring voor het verschil in arbeidsparticipatie tussen allochtone en autochtone vrouwen? ERASMUS UNIVERSITY ROTTERDAM

Nadere informatie

De Meerjarige aanvullende uitkering 2013 t/m 2015

De Meerjarige aanvullende uitkering 2013 t/m 2015 De Meerjarige aanvullende uitkering 2013 t/m 2015 Utrecht, 12 februari 2013 Martin Heekelaar, tel 06-23152767 Ad Baan, tel 06-55364740 1 Gemeenten kunnen (feitelijk: moeten) een MAU aanvragen als: Voldoen

Nadere informatie

Grafiek 26.1a Het vóórkomen van verschillende vormen van discriminatie in Leiden volgens Leidenaren, in procenten 50% 18% 19% 17% 29%

Grafiek 26.1a Het vóórkomen van verschillende vormen van discriminatie in Leiden volgens Leidenaren, in procenten 50% 18% 19% 17% 29% 26 DISCRIMINATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het vóórkomen en melden van discriminatie in Leiden en de bekendheid van en het contact met het Bureau Discriminatiezaken. Daarnaast komt aan de orde

Nadere informatie

Fact sheet Overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam Groei overige niet-westerse allochtonen, 1992-2005 (procenten)

Fact sheet Overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam Groei overige niet-westerse allochtonen, 1992-2005 (procenten) Fact sheet nummer 2 februari 2006 Overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam Tussen 1992 en 2005 is de groep overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam met maar liefst 86% toegenomen. Tot deze

Nadere informatie

Informatie over de deelnemers

Informatie over de deelnemers Tot eind mei 2015 hebben in totaal 45558 mensen deelgenomen aan de twee Impliciete Associatie Testen (IATs) op Onderhuids.nl. Een enorm aantal dat nog steeds groeit. Ook via deze weg willen we jullie nogmaals

Nadere informatie

A c. Dutch Summary 257

A c. Dutch Summary 257 Samenvatting 256 Samenvatting Dit proefschrift beschrijft de resultaten van twee longitudinale en een cross-sectioneel onderzoek. Het eerste longitudinale onderzoek betrof de ontwikkeling van probleemgedrag

Nadere informatie

5. Onderwijs en schoolkleur

5. Onderwijs en schoolkleur 5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone

Nadere informatie

Ziekteverzuim het laagst bij werknemers met een hoge mate van autonomie en veel steun van collega's en leidinggevenden

Ziekteverzuim het laagst bij werknemers met een hoge mate van autonomie en veel steun van collega's en leidinggevenden Ziekteverzuim het laagst bij werknemers met een hoge mate van autonomie en veel steun van collega's en leidinggevenden Martine Mol en Jannes de Vries Een hoge werkdruk onder werknemers komt vooral voor

Nadere informatie

De relatie tussen leerkrachten-tekort en de taal- en natuurkundekennis en -vaardigheden van 15 jarige leerlingen.

De relatie tussen leerkrachten-tekort en de taal- en natuurkundekennis en -vaardigheden van 15 jarige leerlingen. De relatie tussen -tekort en de taal- en natuurkundekennis en -vaardigheden van 15 jarige leerlingen. Jaap Dronkers 1 Leerstoel International comparative research on educational performance and social

Nadere informatie

Samenvatting, conclusies en discussie

Samenvatting, conclusies en discussie Hoofdstuk 6 Samenvatting, conclusies en discussie Inleiding Het doel van het onderzoek is vast te stellen hoe de kinderen (10 14 jaar) met coeliakie functioneren in het dagelijks leven en wat hun kwaliteit

Nadere informatie

Eindexamen aardrijkskunde vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen aardrijkskunde vmbo gl/tl 2006 - II Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. MIGRATIE EN DE MULTICULTURELE SAMENLEVING kaarten 1 en 2 Spreiding allochtonen in Den Haag kaart 1 kaart 2 uit Indonesië totaal

Nadere informatie

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen.

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. ADHD Wachtkamerspecial Onderbehandeling van ADHD bij allochtonen: kinderen en volwassenen N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. Inleiding

Nadere informatie

Integratiemonitor Zwijndrecht 2009

Integratiemonitor Zwijndrecht 2009 Integratiemonitor Zwijndrecht 2009 0-meting Onderzoekcentrum Drechtsteden drs. I.A.C. Soffers drs. D.M. Verkade dr. J.W. Metz drs. F.W. Winterwerp juli 2010 Colofon Opdrachtgever Tekst Drukwerk Informatie

Nadere informatie

Eindexamen aardrijkskunde havo 2002-i

Eindexamen aardrijkskunde havo 2002-i LET OP: Je kunt dit examen maken met de 51e druk of met de 52e druk van de atlas. Schrijf op de eerste regel van je antwoordblad welke druk je gebruikt, de 51e of de 52e. Bij elke vraag is aangegeven welke

Nadere informatie

Sociaal kapitaal: slagboom of hefboom? Samenvatting. Wil van Esch, Régina Petit, Jan Neuvel en Sjoerd Karsten

Sociaal kapitaal: slagboom of hefboom? Samenvatting. Wil van Esch, Régina Petit, Jan Neuvel en Sjoerd Karsten Sociaal kapitaal: slagboom of hefboom? Samenvatting Wil van Esch, Régina Petit, Jan Neuvel en Sjoerd Karsten Colofon Titel Auteurs Tekstbewerking Uitgave Ontwerp Vormgeving Bestellen Sociaal kapitaal in

Nadere informatie

Welke basisscholen geven te hoge adviezen in vergelijking met hun CITO-score?

Welke basisscholen geven te hoge adviezen in vergelijking met hun CITO-score? Welke basisscholen geven te hoge adviezen in vergelijking met hun CITO-score? Jaap Dronkers Hoogleraar Onderwijssociologie Universiteit Maastricht E- mail: j.dronkers@maastrichtuniversity.nl Twitter: @dronkersj

Nadere informatie

Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder allochtone Nederlanders

Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder allochtone Nederlanders Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne Onderzoek onder allochtone Nederlanders Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne Onderzoek onder allochtonen 1) Integratiecampagne

Nadere informatie

Samenvatting SBO2007. SBO A.J. Schreuderschool/ Rotterdam. Schoolgebouw. Omgeving van de school. Kennisontwikkeling. Begeleiding

Samenvatting SBO2007. SBO A.J. Schreuderschool/ Rotterdam. Schoolgebouw. Omgeving van de school. Kennisontwikkeling. Begeleiding SBO A.J. Schreuderschool/ Rotterdam Samenvatting Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) A.J. Schreuderschool Enige tijd geleden heeft onze school A.J. Schreuderschool deelgenomen aan de oudertevredenheidspeiling.

Nadere informatie

Bewegen en overgewicht in Purmerend

Bewegen en overgewicht in Purmerend Bewegen en overgewicht in Purmerend In opdracht van: Spurd, Marianne Hagenbeuk Uitgevoerd door: Monique van Diest Team Beleidsonderzoek en Informatiemanagement Gemeente Purmerend mei 2009 Verkrijgbaar

Nadere informatie

Verzorgende beroepen psychisch en fysiek zwaar belastend

Verzorgende beroepen psychisch en fysiek zwaar belastend Verzorgende beroepen psychisch en fysiek zwaar belastend Lian Kösters In 27 gaf ruim een derde van de werkzame beroepsbevolking aan regelmatig te maken te hebben met een psychisch hoge werkdruk. Iets minder

Nadere informatie

Slachtoffers van woninginbraak

Slachtoffers van woninginbraak 1 Slachtoffers van woninginbraak Fact sheet juli 2015 Woninginbraak behoort tot High Impact Crime, wat wil zeggen dat het een grote impact heeft en slachtoffers persoonlijk raakt. In de regio Amsterdam-Amstelland

Nadere informatie

Ontmoetingsplaatsen en kern-netwerkleden van Nederlanders

Ontmoetingsplaatsen en kern-netwerkleden van Nederlanders Ontmoetingsplaatsen en kern-netwerkleden van Nederlanders Gerald Mollenhorst Beate Volker Henk Flap (ICS/UU) NOSMO Methodologendag vrijdag 25 nov. 2005 Inleiding Het ontstaan van persoonlijke relaties

Nadere informatie

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Mensen die als afwijkend worden gezien zijn vaak het slachtoffer van vooroordelen, sociale uitsluiting, en discriminatie.

Nadere informatie

K I N D E R E N O N D E R Z O E K : 0-1 1 J A A R

K I N D E R E N O N D E R Z O E K : 0-1 1 J A A R VOEDING, BEWEGING EN GEWICHT K I N D E R E N O N D E R Z O E K : 0-1 1 J A A R Jeugd 2010 6 Kinderenonderzoek 2010 Om inzicht te krijgen in de gezondheid van de inwoners in haar werkgebied, heeft de GGD

Nadere informatie

Buitenlandse arbeidskrachten en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt van Curaçao.

Buitenlandse arbeidskrachten en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt van Curaçao. Buitenlandse arbeidskrachten en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt van Curaçao. Zaida Lake Inleiding Via de media zijn de laatste tijd discussies gaande omtrent de plaats die de buitenlandse arbeidskrachten

Nadere informatie

Samenvatting. Aanleiding tot het onderzoek

Samenvatting. Aanleiding tot het onderzoek Samenvatting Aanleiding tot het onderzoek In de periode 2008 tot en met maart 2010 heeft het Wetenschappelijk Onderzoeken Documentatiecentrum (WODC) voor het eerst uitgebreid onderzoek gedaan naar de vraag

Nadere informatie

Welke bijstandsontvangers willen aan het werk?

Welke bijstandsontvangers willen aan het werk? Welke bijstandsontvangers willen aan het werk? Maaike Hersevoort en Mariëtte Goedhuys Van alle bijstandsontvangers van 15 tot en met 64 jaar is het grootste deel alleenstaand. Het gaat daarbij voor een

Nadere informatie

/hpm. Onderzoek werkstress, herstel en cultuur. De rol van vrijetijdsbesteding. 6 februari 2015. Technische Universiteit Eindhoven

/hpm. Onderzoek werkstress, herstel en cultuur. De rol van vrijetijdsbesteding. 6 februari 2015. Technische Universiteit Eindhoven Onderzoek werkstress, herstel en cultuur De rol van vrijetijdsbesteding 6 februari 2015 Technische Universiteit Eindhoven Human Performance Management Group ir. P.J.R. van Gool prof. dr. E. Demerouti /hpm

Nadere informatie

Arbeidsparticipatie van vrouwen rond de echtscheiding

Arbeidsparticipatie van vrouwen rond de echtscheiding Anne Marthe Bouman Ooit gescheiden moeders werken even vaak als gehuwd gebleven moeders, ongeacht of ze na de geboorte van hun jongste kind werkten of niet. De cijfers laten zien dat gescheiden moeders

Nadere informatie

FACTSHEET. Buurtveiligheidsonderzoek AmsterdamPinkPanel

FACTSHEET. Buurtveiligheidsonderzoek AmsterdamPinkPanel Resultaten LHBT-Veiligheidsmonitor 2015: Kwart maakte afgelopen jaar een onveilige situatie mee; veiligheidsgevoel onder transgenders blijft iets achter. De resultaten van het jaarlijkse buurtveiligheidsonderzoek

Nadere informatie