RAADSBESLUIT. gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d ;

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "RAADSBESLUIT. gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d ;"

Transcriptie

1 RAADSBESLUIT Onderwerp: Dagtekening: nummer: 1e wijziging Verordening toeslagen en verlagingen WWB Asten februari De raad van de gemeente Asten; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d ; gehoord het advies van de COMMISSIE BURGERS d.d ; b e s l u i t: Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand (WWB) Vast te stellen de 1e wijziging Verordening toeslagen en verlagingen WWB Asten Artikel I De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Asten 2010 wordt gewijzigd als volgt: A. Artikel 2 Toepasselijkheid wordt gewijzigd en komt te luiden: Eerste lid: De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn. Tweede lid: De bepalingen van de artikelen 3 tot en met 6 laten de toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet. B. In het tweede lid van artikel 3 Toeslagen wordt de zinsnede één ander gewijzigd in een ander. C. Het derde lid van artikel 3 Toeslagen wordt gewijzigd en komt te luiden: Voor de toepassing van dit artikel worden thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. D. Het vierde lid van artikel 3 Toeslagen komt te vervallen. E. Het derde lid van artikel 4 Verlaging gehuwden wordt gewijzigd en komt te luiden: Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.

2 -2- F. Artikel 7 Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar komt te vervallen. G. Artikel 8 Inwerkingtreding wordt vernummerd tot artikel 7. Wijzigingen in de Algemene toelichting op de verordening 1. In onderdeel 2 Norm, toeslag en verlaging van de algemene toelichting op de verordening wordt onder het kopje Norm de zinsnede Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar gewijzigd in Voor personen van 27 jaar tot en met 65 jaar. Onder het kopje Verlagingen komt de tekst van het 4 e bolletje te vervallen. 2. In onderdeel 3 De Toeslagenverordening van de algemene toelichting op de verordening komt onder het kopje Categorieën de 2 e alinea als volgt te luiden: In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden van 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar. Wijzigingen in de Artikelsgewijze toelichting 1. Omdat in verband met de inwerkingtreding van de WIJ de WWB in beginsel is afgesloten voor jongeren tot 27 jaar en deze jongeren geen algemene bijstand meer kunnen ontvangen, geldt de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Asten 2010 alleen voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn. In verband hiermee komen de 1 e en de 2 e alinea van de toelichting op artikel 2 Toepasselijkheid te vervallen. 2. In de 3 e zin van de 3 e alinea van de toelichting op artikel 3 Toeslagen wordt de zinsnede één ander gewijzigd in een ander. 3. De 4 e en 5 e alinea van de toelichting op artikel 3 Toeslagen komen te vervallen. In plaats hiervan komt in de toelichting de navolgende alinea. Per 1 januari 2010 is zowel aan artikel 25, eerste lid, als aan artikel 26 van de WWB een zin toegevoegd luidende: Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering Deze wijzigingen vloeien voort uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 april 2007 (LJN: BA5045, nr. 06/965 WWB) waarin is bepaald dat ouders geen woonkosten kunnen delen met een thuisinwonend niet ten laste komend kind dat enkel inkomsten uit studiefinanciering heeft. Uit de uitspraak van de CRvB valt af te leiden dat deze inkomsten uit studiefinanciering de basisbeurs, een aanvullende beurs en een aanvullende rentedragende lening omvatten. Dit komt overeen met de opbouw van het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs voor thuisinwonenden. Met de wijziging van artikel 25 en 26 WWB heeft de Staatssecretaris SZW deze jurisprudentie willen codificeren, en daarbij de hoogte van het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs als norminkomen aan te merken, hetgeen inhoudt dat ook inkomsten uit andere inkomstenbronnen tot ten hoogste het norminkomen hier onder vallen. Het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud is in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 voor thuisinwonenden vastgesteld op 604,15 (per 1 januari 2010) per maand. Sinds september 2007 kent de Wet studiefinanciering 2000 één normbedrag voor levensonderhoud, waarin geen onderscheid wordt gemaakt naar aparte normbedragen voor levensonderhoud of leermiddelen.

3 -3- Genoemd normbedrag bestaat uit de basisbeurs ( 95,61), maximale aanvullende beurs ( 219,16) en de basislening ( 289,38). Het bepaalde in artikel 3 betekent dus dat ouders geen woonkosten kunnen delen met een thuisinwonend niet ten laste komend kind dat enkel inkomsten heeft ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 3.18 WSF Dat kan een inkomen uit studiefinanciering zijn maar ook andere inkomstenbronnen ter hoogte van dat bedrag. Het betreft een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 WSF Deze kinderen vanaf 18 jaar worden niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 3. In de 2 e alinea van de toelichting op artikel 4 Verlaging gehuwden wordt de laatste zin gewijzigd en deze komt te luiden: Ter zake wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3, derde lid. 4. In de 2 e alinea van de toelichting op artikel 6 Verlaging schoolverlaters komt onder het kopje Onderdeel c de zinsnede (bv. 21/22 jarigen) te vervallen. 5. Na de laatste alinea wordt aan de toelichting op artikel 6 Verlaging schoolverlaters de volgende alinea toegevoegd: In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB , nr. 07/5712 WWB, 09/1061 WWB; LJN: BI5349) overweegt de CRvB dat de WWB zich niet verzet tegen de combinatie van de schoolverlatersverlaging met andere verlagingen, maar dat zonodig de bijstand met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB moet worden afgestemd. Voorts overweegt de CRvB dat in de Memorie van Toelichting bij artikel 28 WWB is vermeld dat de bijstand - veelal aanmerkelijk - hoger ligt dan de bedragen voor het levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen de noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt. In de Nota naar aanleiding van het verslag is hierover vermeld dat de hoogte van de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens de studie niet verandert door een bijbaantje of stagevergoeding en dat bij de bepaling van de uitkeringshoogte van een schoolverlater die inkomsten om die reden geen rol mogen spelen. De omstandigheid dat het totale inkomen van belanghebbende vóór toekenning van de bijstand hoger was vormt volgens de CRvB daarom onvoldoende reden om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB in afwijking van de Toeslagenverordening geheel of gedeeltelijk af te zien van de schoolverlatersverlaging. De CRvB accepteert echter niet dat door de combinatie van de lagere toeslag en de schoolverlaterskorting de bijstandsnorm van belanghebbende wordt vastgesteld op een lager niveau dan de norm van de studiefinanciering voor een uitwonende student die belanghebbende ontving. Van een dergelijke verlaging van de norm kan niet worden gezegd dat deze nog aansluit bij noodzakelijke bestaanskosten. Het college had daarom met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand vast moeten stellen naar de betreffende norm voor een uitwonende student. De omstandigheid dat het totale inkomen van een schoolverlater vóór toekenning van de bijstand hoger was vormt onvoldoende reden om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB in afwijking van de Toeslagenverordening geheel of gedeeltelijk af te zien van de schoolverlatersverlaging. 6. De toelichting op artikel 7 Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar komt te vervallen. Artikel II De wijziging van deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 juli 2010.

4 -4- Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet werk en bijstand; b. gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de wet. Artikel 2 Toepasselijkheid 1. De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn. 2. De bepalingen van de artikelen 3 tot en met 6 laten de toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet. Hoofdstuk 2 criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm Artikel 3. Toeslagen 1. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft. 3. Voor de toepassing van dit artikel worden thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag Artikel 4. Verlaging gehuwden 1. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf heeft. 2. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.

5 -5-3. Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5. Verlaging woonsituatie De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt: a. een bedrag gelijk aan het bedrag van de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbenden geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn; b. als sprake is van extra kosten samenhangend met het ontbreken van kosten van huur of hypotheeklasten kan de verlaging worden verminderd met een bedrag dat met die extra kosten overeenkomt. Artikel 6. Verlaging schoolverlaters De verlaging bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt: a. het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief de toeslag als bedoeld in artikel 3, en het van toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid van de wet bij aanvang van de bijstandsverlening; b. de verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag; c. bij samenloop met andere verlagingen prevaleert de in dit artikel vermelde verlaging. Hoofdstuk 4 Slotbepalingen Artikel 7. Inwerkingtreding Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 juli Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Asten d.d. 1 februari De raad voornoemd, de griffier, ir. C.W.J.B. Verborg de voorzitter, ir. J. Beenakker dict: typ: RV.MO.11.AC.001 coll: