PROVINCIE FLEVOLAND. Mededeling. Uw Staten is toegezegd dat zij van de ontwikkelingen rond de Omgevingswet op de hoogte wordt gehouden.

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "PROVINCIE FLEVOLAND. Mededeling. Uw Staten is toegezegd dat zij van de ontwikkelingen rond de Omgevingswet op de hoogte wordt gehouden."

Transcriptie

1 PROVINCIE FLEVOLAND Mededeling i l Onderwerp Omgevingswet - stand van zaken Kern mededeling: Uw Staten is toegezegd dat zij van de ontwikkelingen rond de Omgevingswet op de hoogte wordt gehouden. De Tweede Kamer heeft 1 juli 2015 Ingestemd met de Omgevingswet. Naar aanleiding daarvan is ook een traject voor implementatie in gang gezet. Eerdere mededelingen: Juli 2013 (nr ): aankondiging dat het Rijk een Omgevingswet opstelt. September 2014 (nr ): melding dat de Omgevingswet aan de Tweede Kamer is aangeboden. Mededeling: Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer Ingestemd met het voorstel voor een Omgevingswet. Het gewijzigd voorstel van wet is vervolgens aan de Eerste Kamer gezonden. Het Rijk mikt op invoering van de Omgevingswet In Registratienummer Daium,1 september 2015 Auteur iffii ]M ^Rerk;:::;s ^ Afdeling/Bureau-^-- >i:re Openbaarheid! Passief openbaar /Porte feuillehouder-^^ Lodders, J. Ter kennisname aan PS en burgerleden Op dit moment wordt nog gewerkt aan de uitvoeringsregels (AMvB's). In het voorjaar van 2015 hebben zogenoemde 'botsproeven' plaatsgevonden. De uitkomsten worden gebruikt bij het opstellen van de AMvB's. Concept-teksten hiervoor zullen naar verwachting in oktober 2015 worden vrijgegeven voor een ambtelijke consultatieronde. In IPO-verband zijn er nog vraagpunten waarvoor bij het Rijk aandacht wordt gevraagd. Dat betreft het financiële instrumentarium en de procedure als de provincie vanwege provinciale belangen wil ingrijpen in een gemeentelijk omgevingsplan. Bij het financiële instrumentarium wordt Ingezet op behoud van de mogelijkheid om aan fondsvorming te doen (de bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen). Bij ingrijpen vanwege provinciale belangen lijkt het erop dat de termijn waarbinnen de provincie kan Ingrijpen en de termijn dat een burger beroep kan Instellen gelijk lopen. Als er dus daadwerkelijk moet worden Ingegrepen leidt dat tot onduidelijke situaties: in de eerste plaats wordt vanuit de overheid richting burger niet met één mond gesproken en in de tweede plaats is het voor een burger niet duidelijk wanneer hij waarop moet reageren. Onder de Omgevingswet wordt digitaal werken de norm. Beleid, regels en informatie over de stand van zaken van de fysieke leefomgeving moeten digitaal beschikbaar worden gesteld. Aanvragen van vergunningen worden in principe digitaal ingediend afgehandeld, waarbij de overheden in gezamenlijke digitale dossiers gaan samenwerken. Om dit te bewerkstelligen wordt gewerkt aan een digitaal stelsel - ook wel bekend onder de naam Laan voor de leefomgeving. Bij de Invoering van de Omgevingswet moet het digitaal stelsel minimaal het huidige voorzieningenniveau kunnen bieden van ruimtel1jkeplannen.nl, het omgevingsloket (OLO) en de activiteitenbesluit Internet module (AIM). De doorontwikkeling van het stelsel zal echter nog tot in 2024 doorgaan. In de laan voor de leefomgeving wordt alle (digitale) Informatie thema-gewijs gerangschikt in zogenoemde Informatiehulzen. Nog niet alle Informatiehulzen zijn bekend, maar er komen in ieder geval Informatiehulzen voor: geluld, water bodem, natuur, externe veiligheid, lucht, cultureel erfgoed, ruimte, bouwen en afval. Bij een Informatiehuls wordt informatie gehaald en gebracht. Elk Informatiehuis krijgt een beheerder. De provincies gezamenlijk zijn in beeld om beheer-

2 Mededeling Bladnummer 2 Registratienummer der te worden van Informatiehuizen natuur en externe veiligheid. Op dit moment wordt in IPOverband verkend wat dat beheer Inhoudt. De Koepelorganisaties (IPO, VNG, UvW) h ebben met het Rijk een Bestuursakkoord over de implementatie van de Omgevingswet gesloten. Deze wordt op onderdelen - met name financiën - nog uitgewerkt. Eind 2015 is meer inzicht in de financiën verwacht. Voor het in kaart brengen van de dlgitaliseringskosten wordt daarbij uitgegaan van het voorzieningenniveau bij invoering van de Omgevingswet. Mede in het kader van het hiervoor genoemde bestuursakkoord wordt In IPO-verband een impactanalyse van de Omgevingswet opgesteld. Binnen de provincie wordt bezien hoe er kan worden geanticipeerd op de Omgevingswet. De gedachten gaan ernaar uit om daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij lopende trajecten Inzake aanpassing van beleid en regels. Hierover worden uw Staten nog nader geïnformeerd. Het Idee Is om eind dit jaar nader met u op de Omgevingswet in te gaan tijdens een beeldvormende ronde. Bijlagen Naam bijlage: edocs nummer: Openbaar in de zin van de WOB (ja/nee aangeven) Bestuursakkoord ja Mededeling juli Ja Mededeling september ja Stul<ken op internet: Document of site: url Gewijzigd voorstel van wet Overzicht wetgeving f4f8c-d6bd-4615-a961 -c894298bc781 Ter inzage in de leesl<amer Naam bijlage: edocs nummer: Openbaar in de zin van de WOB (ja/nee aangeven)

3 WATCa V^r-X'füqnq van.mïcefiarïciie.oefne&ntfii Rijksoverheid

4 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 1. De Minister van Infrastructuur en Milieu, mevrouw drs. M.H. Schultz van Haegen, handelend in de hoedanigheid van bestuursorgaan; 2. De vereniging het Interprovinciaal Overleg, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer J.W. Remkes voorzitter van het bestuur, hierna te noemen: het IPO; 3. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer mr J.H.C. van Zanen voorzitter van het bestuur, hierna te noemen: de VNG; 4. De Unie van Waterschappen, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer mr. drs. P.C.G. Glas, voorzitter van het dagelijks bestuur, hierna te noemen: UvW; Bestuursakkoord impïementatie Omgevingswet 1/36

5 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 1. Gezamenlijke ambitie Nederland staat aan de vooravond van een grootschalige modernisering van het Omgevingsrecht. Deze vernieuwing is hard nodig om antwoord te kunnen geven op de uitdagingen van vandaag en morgen. Nederland herstelt van de zwaarste economische crisis in de afgelopen tientallen jaren. Tegelijk behoort de aanpassing aan een veranderend klimaat tot de grootste uitdagingen van deze eeuw. Om deze uiteenlopende opgaven op de juiste wijze met elkaar te verbinden is wet- en regelgeving nodig, die niet onnodig complex is. Gezamenlijk streven we naar een Omgevingswet die het gebruiksgemak dient van burger, bedrijf en overheid, die de bestuurlijke afweging in handen legt van die overheid en daarmee initiatieven van onderop maximaal ruimte biedt, de publieke besluitvorming over projecten in de leefomgeving versnelt en tot navolgbare beslissingen leidt. Met een goede digitale ondersteuning van de Omgevingswet moeten we de maximale winst kunnen verzilveren: minder onderzoekslasten, minder bestuurslasten, meer ruimte voor privaat initiatief en meer omgevingskwaliteit. Dat is wat ons bindt, dat is de gezamenlijkheid waarmee we met volle overtuiging inzetten op de invoering van een moderne en op ons land toegesneden Omgevingswet. Een Omgevingswet die is ontwikkeld in de beste tradities die dit land te bieden heeft: kennis, organiserend vermogen en een mentaliteit waarbij denken en doen hand in hand gaan. Zo blijven we met elkaar goed wonen, werken en recreëren. Met de Omgevingswet wordt Nederland wendbaar en weerbaar! Daarbij is het telkens zoeken naar de juiste balans. Balans tussen ruimte geven aan ontwikkeling en bieden van bescherming. Balans tussen korte termijn gewin en lange termijn winst. Balans tussen de verschillende bestuursorganen die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de fysieke leefomgeving met respect voor ieders taak, rol en bevoegdheid. Gezonde bestuurlijke verhoudingen vragen om bestuurlijke omgangsvormen, die gebaseerd zijn op kenbaarheid, tijdigheid, voorspelbaarheid, terughoudendheid en wederkerigheid. Zo kunnen overheden gezamenlijk koers bepalen door elkaar ruimte te bieden en te gunnen. Dit bestuursakkoord heeft als doel om de gezamenlijke koers te bepalen daar waar het gaat om de implementatie van de Omgevingswet. Een duidelijk beeld waar partijen gezamenlijk naartoe werken en (werk)afspraken die ervoor moeten zorgen dat dit op een goede en efficiënte manier kan gebeuren. Bestuursakkoord iirtplementatie Orngeving.'iwet 2/36

6 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Uitleg opzet bestuursakkoord In dit bestuursakkoord zijn aan de hand van vijf onderwerpen afspraken tussen partijen weergegeven. De afspraken variëren van afspraken over ambitie en samenwerking tot concrete afspraken over acties. In de blauwe kaders zijn afspraken weergegeven die directe inspanning van één of meer partijen vragen. Met de ondertekening van dit akkoord geven partijen aan dat ze de afspraken in dit bestuursakkoord onderschrijven en dat partijen elkaar hier bestuurlijk op kunnen aanspreken. De afspraken in de blauwe kaders binden partijen dus bestuurlijk, maar ze zijn niet juridisch afdwingbaar. Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet

7 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 2. Invoering Met de Omgevingswet kan integraal omgevingsbeleid op decentraal niveau vorm krijgen. Door grotere keuzevrijheid op lokaal niveau kan beter worden ingespeeld op de behoeften van initiatiefnemers en belanghebbenden. Om dit resultaat te bereiken is niet alleen een goede wet nodig maar moeten alle partijen hun werkwijze aanpassen aan de bedoelingen van de wet. De invoeringsbegeleiding moet alle overheidspartijen in staat stellen om de Omgevingswet^ vanaf het moment van invoering op goede wijze toe te passen. Aanpak invoeringsbegeleiding De invoeringsbegeleiding richt zich op twee onderdelen: 1. ondersteuning bij invoering van de digitale voorzieningen zoals GOAL^ 2. ondersteuning bij het transitieproces bij de bevoegde gezagen. Beide elementen zijn cruciaal voor het doen slagen van de invoering van de Omgevingswet en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze kennen echter een andere dynamiek en vragen om een eigen manier van sturing, in het hoofdstuk over governance (hoofdstuk 0) is hier aandacht aan besteed door daar twee aparte deelstromen voor te benoemen. De Omgevingswet heeft grote gevolgen voor de uitvoeringspraktijk van de bevoegde gezagen. Er is geen sprake van één uniforme behoefte voor invoeringsbegeleiding. Bij het vormgeven van de invoeringsbegeleiding staan daarom de behoeften van de onderscheiden doelgroepen (gemeenten, waterschappen, provincies. Rijk) centraal evenals het onderscheid binnen deze doelgroepen (bestuur, management, organisatie). Het moet voor een belangrijk deel 'van onderop' worden opgebouwd. Voor alle duidelijkheid: het is aan de bevoegde gezagen zelf om vorm te geven aan hun werkwijze en bestuurscultuur. Maar burgers en bedrijven - en ook de overheden zelf - hebben belang bij een zekere eenheid van overheidshandelen. In dat perspectief past ook de afspraak over het onderscheid tussen provinciale en gemeentelijke belangen: Het provinciaal belang, vastgesteld door Provinciale Staten, moet altijd kenbaar zijn én gemotiveerd worden. Uit de motivering moet duidelijk worden dat het Provinciaal belang niet doelmatig en doeltreffend door het gemeentelijk bevoegd gezag kan worden behartigd. Provincies zullen hier terughoudend mee om gaan. Over de aanpak van de invoeringsbegeleiding maken partijen de volgende afspraken: Omdat de wetgeving nog in ontwikkeling is en omdat de bevoegde gezagen daardoor nog geen duidelijk omschreven ondersteuningsbehoeften kunnen formuleren, wordt het invoeringsprogramma opgedeeld in jaartranches. De programmering kan daardoor plaatsvinden op basis van voortschrijdend inzicht. Het invoeringsprogramma wordt inhoudelijk voorbereid in de 'Programmaraad implementatie' en ter besluitvorming voorgelegd aan het Opdrachtgevend Beraad/ Bestuurlijk Overleg. Er wordt door één partij regie gevoerd op de samenhang tussen de ondersteuning bij de invoering van de digitale voorzieningen en de ondersteuning bij het transitieproces. Deze ^ De Omgevingswet ligt momenteel als wetsvoorstel in de Tweede Kamer ^ Gegevensvoorziening voor Activiteiten In de Leefomgeving Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet 4/36

8 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet regievoerende partij is Rijkswaterstaat als uitvoeringsorganisatie van het ministerie van lenm. Deze partij is voorzitter van een op te richten 'Programmaraad Implementatie' waarin als deelnemers het Rijk, VNG, IPO, UvW en RWS zijn vertegenwoordigd. De Programmaraad Implementatie handelt binnen de kaders voor invoering zoals die zijn vastgelegd in bijlage A van deze bestuursovereenkomst. Activiteiten buiten deze kaders worden niet eerder gestart dan nadat hierover is besloten in het Opdrachtgevend Beraad / Bestuurlijk overleg. Omdat de uitvoering cruciaal is voor het succes van de Omgevingswet, komt er in het kader van de implementatie een meerjarige monitor voor de uitvoering van de wet. Doel hiervan is het verbeteren van het werken met de Omgevingswet door het in een leerproces stelselmatig verzamelen en benutten van ervaringen uit de uitvoeringspraktijk. De monitor maakt het ook mogelijk de realisatie van de bedoelingen van de wet te monitoren en levert informatie op over de toepasbaarheid van de nieuwe regelgeving in de dagelijkse praktijk. Deze informatie wordt enerzijds benut bij het vormgeven van het jaarlijkse invoeringsprogramma. Anderzijds worden praktische knelpunten, afhankelijk van het stadium waarin de ontwerp wet- en regelgeving zich bevindt en de ruimte die dat biedt, meegenomen bij het ontwerp van die regelgeving. Met de koepels zal worden afgestemd welke gegevens worden uitgevraagd waarbij er naar wordt gestreefd om de monitoringsdruk en dus ook de monitoringskosten te beperken. De uitvraag van monitoringsgegevens zal gecoördineerd via de koepels plaatsvinden. Algemene afspraken over invoeringsbegeleiding s Termijn Met maatschappelijke partners zoals VNO/NCW worden vanaf Vanaf de zomer 2015 de zomer verkennende gesprekken gevoerd over de wijze waarop zij hun achterban ondersteunen bij de invoering van de wet en hoe daarin kan worden samengewerkt. Hierbij kunnen ook onderwijsinitiatieven worden betrokken. De Programmaraad Implementatie zal het initiatief nemen voor i dezejesprekken. i Alle overheidspartijen moeten zelf nagaan wat de gevolgen van ^ Uiterlijk 31 december 2015 de invoering van de wet voor de transitie van de eigen hebben alle overheidspartijen organisatie zijn, waar de verschillen optreden met de huidige de impactanalyse afgerond. manier van werken en waar zich nieuwe kansen voordoen. Er wordt reeds gezamenlijk opgetrokken bij de inventarisatie in de vorm van de impactanalyse. Deze richt zich zowel op de digitale i voorzieningen als op het transitieproces èn vormt de basis voor 1 de keuzes welke invoeringsbegeleiding nuttig en nodig is. i Wanneer partijen van mening zijn dat aanvullende inventarisatie nodig is dan organiseren ze dit zelf in afstemming met de Programmaraad Implementatie. 1» Het invoeringsprogramma voor het transitieproces voor de Uiterlijk 1 juli2015 tweede helft van 2015 wordt door de'programmaraad 1 ( Implementatie'opgesteld. Het invoeringsprogramma wordt j vraaggericht vormgegeven op grond van de behoefte van de bevoegde gezagen en binnen de kaders van deze ( bestuursovereenkomst. In ieder geval wordt aandacht besteed j ( aan: ) bedoelingen van de wet; j ( bewustwording en doordenken van de gevolgen van de 1 Bestuursakkoord implemientatie Omgevingswet 5/36

9 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet interbestuurlijke samenwerking. Het Rijk, VNG, IPO en UvW nemen regie voor de invoeringsondersteuning van het transitieproces voor hun eigen achterban. ^ ^ i t Rijkswaterstaat zal regie voeren op de samenhang tussen de t Looptijd implementatie digitale voorzieningen en de ondersteuning bij het I transitieproces Rijkswaterstaat start met het samenvoegen van de bestaande Rijkshelpdesks tot éénjnformatiepunt _ De Programmaraad Implementatie ontwikkelt een meerjarige monitor _ i Bestuursakkoord implemientatie Omgevingswet 6/36

10 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 3. Digitalisering Digitalisering is een onlosmakelijk onderdeel van de (invoering van de) Omgevingswet. Zonder goede digitale ondersteuning zullen de voordelen van de Omgevingswet voor burgers en bedrijven minder groot zijn. Een omgevingswet met goede digitale ondersteuning draagt bij aan de doelstelling om te komen tot vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven^. Een stapsgewijze ontwikkeling van de digitalisering is van belang voor een goede projectbeheersing. Ambitie De activiteiten met betrekking tot de digitalisering kennen een lange tijdshorizon (ontwikkeling tot ca. 2024) met de daarbij horende onzekerheid over het exacte uitwerkingsniveau van het eindproduct. Tegelijkertijd moeten er, rekening houdend met die onzekerheid, op korte termijn concrete stappen worden gezet om in 2018 met de Omgevingswet te kunnen werken. Om concrete stappen op korte termijn in perspectief te kunnen plaatsen is een gezamenlijk eindbeeld van belang. Gedurende de uitwerkingsperiode zal gezamenlijk worden bezien, aan de hand van go/no-go momenten en door middel van een incrementele, pragmatische aanpak, of dit eindbeeld bijgesteld moet worden. Partijen maken over de ambitie de volgende afspraken: Partijen delen de ambitie om in 2024 alle relevante beschikbare informatie, zowel over de van toepassing zijnde wet- en regelgeving als de gegevens over de fysieke omgevingskwaliteit ter plaatse, met één klik op de kaart beschikbaar te hebben en begrijpelijk te tonen. De hiervoor benodigde digitale voorzieningen worden vormgegeven in een helder samenhangend stelsel dat eenduidig wordt bestuurd en gefinancierd. Het digitale stelsel draagt op deze wijze bij aan de doelen van de Omgevingswet. Als stap op weg hier naartoe committeren partijen zich aan de doelstelling om bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (2018) digitaal met de Omgevingswet te werken, waarbij het huidige dienstverleningsniveau gehandhaafd blijft en de eerste winst met het digitale stelsel bereikt wordt (scenario 2"). Partijen spreken verder af om te onderzoeken welke onderdelen van scenario 3^ aanvullend gerealiseerd kunnen worden. Partijen spreken af om op basis van businesscases en go/no-go besluiten voor zowel scenario 2 als de mogelijk aanvullende elementen van scenario 3 gezamenlijk te beslissen hoe het digitale stelsel exact wordt uitgewerkt. Hierbij wordt gewerkt met 'plateaus' van uitwerking. Aanpak Het continueren en (mogelijk) uitbouwen van de digitale ondersteuning vraagt om actie van veel verschillende partijen. Systemen moeten in technisch opzicht op elkaar worden aangesloten, en werkprocessen moeten worden aangepast. Hierbij speelt ook nog dat de (nog lopende) uitwerking van de wet van invloed kan zijn op de uiteindelijke systeem- en procesarchitectuur. Om dit proces goed te laten verlopen maken partijen de volgende afspraken: Partijen spreken af dat er een bestuurlijke en informatiekundige uitvoeringstoets plaatsvindt om zicht te geven op haalbaarheid en risico's. ^ In het Bestuursakkoord is tussen kabinet en koepels afgesproken om jaarlijks te komen tot een vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven van 5% In bijlage C zijn de uitgewerkte scenario's opgenomen. Bestuursakkoord implemientatie Omgevingswet 7/36

11 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet De gebruiker^ staat te allen tijde centraal en wordt actief betrokken bij de uitwerking. Om te komen tot een digitaal stelsel is het een voorwaarde dat dat ook als één stelsel wordt georganiseerd, bestuurd en gefinancierd. Er wordt onder architectuur en toekomstvast gebouwd. Overheden sluiten aan via een centraal aansluitpunt wat de complexiteit vermindert. Om een goede digitale ondersteuning van de Omgevingswet te waarborgen zijn twee jaar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet de ontwerp AMvB's en de ontwerp Invoeringswet (beide Raad van State versies) alsmede de inhoud van de ontwerp ministeriële regelingen gereed en is één jaar voor inwerkingtreding een stabiele versie van de wet- en regelgeving randvoorwaardelijk. De minister van lenm bereidt de nodige uitvoerings-, invoerings- en overgangsregelgeving voor en betrekt daarbij stakeholders waaronder de koepels. De koepels zetten zich er richting hun leden voor in dat het vastgestelde niveau van digitalisering op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt gerealiseerd. Partijen spreken af dat als één van de als kritiek benoemde knooppunten (standaardisatie, digitaal werken, kanteling enz) niet behaald wordt dit tijdig in het Opdrachtgevend Beraad / Bestuurlijk Overleg geagendeerd wordt. De data binnen de Omgevingswet zijn in principe open data en er wordt niet onderling verrekend voor het gebruik van data. Een uitzondering hierop zijn o.a. data die privacygevoelig zijn, data die de openbare veiligheid raken of bedrijfsvertrouwelijke / intellectueel eigendom bevatten. Indien er nog belemmerende factoren zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de levering van data van of aan het Kadaster, dan dienen die voor de inwerkingtreding van de wet opgelost te zijn. Partijen gaan na of de afspraken van de Nationaal Commissaris Digitale Overheid op het gebied van governance en financiën behulpzaam zijn voor de afspraken op het gebied van governance en financiën voor de Omgevingswet. Dit om maximaal hergebruik van nationale generieke digitale infrastructuur en voorzieningen te bevorderen. Ook wordt de samenhang met het programma Digitaal 2017 geborgd. Concrete afspraken ten behoeve van het uitwerkingsniveau 2018 Op dit moment is er ook digitale ondersteuning voor burgers, bedrijven en overheden als er initiatieven zijn die een relatie hebben met de vigerende ruimtelijke wetgeving. Om dit dienstverleningsniveau te handhaven onder de nieuwe Omgevingswet is het noodzakelijk om de drie bestaande voorzieningen (ruimtelijke plannen.nl, AIM en OLO^) te integreren en te laten functioneren als één loket. Naast concrete afspraken om dit voor elkaar te krijgen is het ook van belang om aan het begin van deze aanpassingen uitgangspunten over 'standaarden', digitaal zaakgericht werken en de informatiehuizen vastte leggen. Standaarden Partijen onderschrijven dat als randvoorwaarde voor een succesvolle implementatie en uitvoering van de Omgevingswet, met name wat betreft de voordelen voor versnelling van digitalisering en reductie van de kosten van digitalisering, standaarden op het vlak van semantiek en techniek noodzakelijk zijn en in de uitvoeringsregelgeving moeten worden verankerd. Per in te voeren standaard wordt via een impactanalyse nagegaan wat er voor nodig is om deze in te voeren. ^ Gebruikers zijn het bevoegd gezag, de initiatiefnemer en de belanghebbende. ^ AIM: Activiteitenbesluit Internet Module, OLO: Omgevingsloket Online Bestuursakkoord impiem,entatie Omgevingswet 8/36

12 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Standaarden worden beleidsneutraal opgesteld en doen geen afbreuk aan de lokale afwegingsruimte. Digitaal werken in de keten Digitaal en zaakgericht samenwerken in de keten is van groot belang voor de digitalisering. Digitaal werken in de keten is een randvoorwaarde om de baten van de Omgevingwet te kunnen incasseren. Bij de invoeringsondersteuning moet hier expliciet aandacht voor zijn. Informatiehuizen De informatiehuizen leveren alleen data die betrouwbaar, bestendig en beschikbaar zijn. Informatiehuizen zijn verantwoordelijk voor de invulling van de interne governance. Vanuit het digitale stelsel wordt gestuurd op aansluitvoorwaarden, gebruikerswensen, dienstenniveau en gebruik van generieke technische functies. Op basis van businesscases en een Gateway review wordt in het bestuurlijk overleg een go/nogo beslissing genomen of een informatiehuis mag aansluiten op de infrastructuur van het stelsel. De informatiehuizen komen gefaseerd beschikbaar. Afspraken ten behoeve van het uitwerkingsniveau 2018 I Afspraak ^ ^ j Partijen committeren zich aan de doelstelling om in 2018 f digitaal met de omgevingswet te werken, waarbij het huidige dienstverleningsniveau gehandhaafd blijft (scenario 2'). Partijen spreken af dat er voor een uitgewerkt programmaplan van het kwartiermakersteam GOAL ligt dat inzicht geeft in de kosten, baten en benodigde activiteiten van het eerste^lateau^van^d^ _ ^ Partijen spreken af dat er voor een uitgewerkt programmaplan voor de informatiehuizen ligt. Hierin wordt aangegeven van welke informatiehuizen verwacht wordt dat de baten het hoogst zijn, dan wel waar het snelst resultaten geboekt kunnen worden^. Ook wordt hierin een globale planning opgenomen voor de aanlevering van de businesscases van de informatiehuizen. Daarnaast is opgenomen hoe gegevens ontsloten worden die noodzakelijk zijn voor de inwerkingtreding van de wet en is onderzocht aan welke datasets de meeste behoefte is (bijvoorbeeld geluid, water en natuur).van elk informatiehuis zal gefaseerd een verdiepende businesscase worden op ebteld Partijen onderschrijven dat anderhalf jaar voor de inwerkingtreding van de wet de spelregels, aansluitvoorwaarden en de governance van de informatiehuizen geregeld moeten zijn. Om dit te bereiken zal na ondertekening van het Bestuursakkoord een proces ingericht worden waar dit wordt georganiseerd. Het Ministerie van lenm zal hier initiatief in nemen. Termijn Uiterlijk 31 december 2015 Uiterlijk 31 december 2015 j anderhalf jaar voor de ï inwerkingtreding van de wet '' In bijlage C zijn de uitgewerkte scenario's opgenomen. ^ Onderdelen van dit programmaplan die van belang zijn voor het financiële onderzoek (zie hoofdstuk 5) dienen tijdig gereed te zijn zodat het financiële onderzoek uiterlijk eind november 2015 kan worden afgerond. ^ In bijlage C zijn deze informatiehuizen opgenomen. vstuursakkoord im.plemientatie Omgevingswet 9/36

13 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Een half jaar voor inwerkingtreding van de wet is het informatiehuis ruimte gereed. lenm zal hiervoor de benodigde activiteiten in ang zetten Het Ministerie van lenm heeft een half jaar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet het landelijk register omgevingsdocumenten ontsloten via het stelsel, zodat de nieuwe omgevingsdocumenten in het register opgenomen kunnen worden. De oude bestemmingsplannen blijven ook digitaal ontsloten. half jaar voor inwerkingtreding halfjaar voor inwerkingtreding van de wet van de wet 1,. =, Partijen spreken af om uiterlijk 1 juli 2016 gezamenlijk een overgangstermijn af te spreken om nieuwe omgevingsdocumenten in het register o^t jierrien. _ ^ Partijen komen overeen een werkgroep Standaardisatie Omgevingswet in te stellen die als taak heeft om de standaardisatie (model, semantisch en technisch) aan te jagen en bestuurlijk te laten bekrachtigen in het bestuurlijk overleg. uiterlijk 1 juli 2016 Op 31 december 2015 moeten de afspraken over de eerste set! Uiterlijk 31 december 2015 standaarden gemaakt zijn om het plateau 2018 tijdig te kunnen realiseren. Partijen spreken af dat er een bestuurlijke en informatiekundige uitvoeringstoets plaatsvindt om zicht te geven op haalbaarheid en risico's. I 1 Uiterlijk 31 december 2015 Bestuursakkoord implemientatie Omgeving.rwet 10/36

14 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 4. Governance Samenwerking is niet ofte dwingen met een governance-model. Tijdens de totstandkoming van de Omgevingswet is al gebleken dat partijen constructief en met respect voor ieders verantwoordelijkheid samenwerken. De implementatie van de Omgevingswet luidt een nieuwe fase in waarbij partijen meer en meer initiatieven zullen starten richting eigen achterban. Regie op de samenhang tussen deze initiatieven, wat betreft inhoud en timing, is belangrijk om gezamenlijk toe te kunnen werken naar de inwerkingtreding van de wet. Naast samenwerking is een duidelijke scheiding tussen opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap van belang om verantwoordelijkheden helder te houden. Het governance-model moet hier goede invulling aan geven. hihaudatiike stjrv>g en fpeaah'pfüjscteft In bijlage B is een grotere weergave van tiet governance-model opgenomen Bij de totstandkoming van het model is een aantal algemene uitgangspunten leidend geweest: de governance wordt georganiseerd langs de lijnen van verantwoordelijkheden: de minister van lenm handelt vanuit haar verantwoordelijkheid voor de Omgevingswet en het digitaal stelsel. IPO, VNG en UvW handelen vanuit hun verantwoordelijkheid als belangenbehartigers van hun leden die net als lenm/rijkswaterstaat als bevoegd gezag verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de wet en een goede dienstverlening richting burgers en bedrijven. de governance wordt interbestuurlijk en interdepartementaal ingericht een sterk opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap, met scheiding in rollen tussen partijen opdrachtgevers stellen realistische doelstellingen, heldere kaders en stellen zich op als 'sponsors' voor de opdrachtnemer(s) opdrachtnemers zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma In het model worden twee 'kolommen' onderscheiden: 1. een besluitvormingskolom 2. kolom van inhoudelijke sturing op de implementatie. Bestuursakkoord im.plemientatie Omgevingswet 1/36

15 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet De besluitvormingskolom besluit over de kaders (opdrachtomschrijving, doelstellingen, beoogde outcome, financiën, capaciteit, planning) die nodig zijn voor een goede inhoudelijke uitwerking. De inhoudelijke sturing heeft betrekking op de 'dagelijkse' sturing. Waarbij er naast twee speciale projecten een Programmaraad Implementatie is met twee deelstromen voor invoering en digitalisering. Onderstaand is per kolom nog een nadere toelichting gegeven: Besluitvorming Het bestuurlijk overleg staat onder voorzitterschap van de minister van Infrastructuur en Milieu. In het bestuurlijk overleg beslissen de deelnemende partijen, IPO, de VNG, de UvW en lenm gezamenlijk over opdrachten die worden verstrekt voor de ondersteuning van de invoering en ontwikkeling van het digitale stelsel. Het bestuurlijk overleg kan uit zijn midden bestuurlijke trekkers aanwijzen voor uit te voeren (deel)opdrachten of 'speciale'projecten. Bestuurlijke trekkers kunnen, indien nodig, snel bestuurlijk bilateraal contact leggen en houden bestuurlijke druk op het proces. Het bestuurlijk overleg wordt ondersteund door een directeurenoverleg onder voorzitterschap van lenm. Het bestuurlijk overleg geeft het directeurenoverleg een mandaat als opdrachtgevend beraad, het directeurenoverleg legt bestuurlijke beslispunten vooraan het bestuurlijk overleg. Het bestuurlijk overleg komt ten minste bijeen op de in de bestuurlijke planning vastgestelde beslismomenten of zoveel vaker als een partij aangeeft daaraan behoefte te hebben teneinde tijdig sturing te kunnen geven. Partijen spreken minstens eenmaal per jaar een (informeel) bestuurlijk overleg af dat in het teken staat van reflectie op de voortgang van het Bestuursakkoord en de eventuele herijking van het akkoord aan de omstandigheden. Escalatie van discussiepunten gaat via het directeurenoverleg naar het bestuurlijk overleg. Inhoudelijke sturing Het directeurenoverleg / opdrachtgevend beraad is de gedelegeerd opdrachtgever voor het implementatietraject. Hier wordt ook de relatie tussen invoeringspraktijk en (mogelijke aanpassing van) wetgeving gelegd. Voor concrete opdrachten wordt één opdrachtgevend directeur aangewezen. Op basis van besluitvorming over de resultaten van de kwartiermaker opdrachtgeverschap wordt vastgesteld óf en hoe de operationele ondersteuning van het opdrachtgeverschap wordt ingericht en hoe de relatie wordt met de Programmaraad Implementatie. Het Opdrachtgevend Beraad zal hierover een voorstel in het Bestuurlijk overleg agenderen. De Programmaraad Implementatie is een overleg tussen alle opdrachtnemende partijen, onder leiding van Rijkswaterstaat, met als doel het bewaken van samenhang tussen invoeringsondersteuning en ontwikkeling van het digitale stelsel, de voortgang, het tijdig rapporteren van knelpunten in de uitvoering van de implementatie aan het Opdrachtgevend Beraad. De werkgroep standaardisatie omgevingswet bestaat uit deskundigen die als opdracht hebben te komen tot voorstellen voor standaardisatie en harmonisatie van begrippen ten behoeve van de ontwikkeling van de digitale stelsel wordt aangestuurd door het directeurenoverleg/opdrachtgevend beraad. Het financiële onderzoek in het kader van artikel 2 van de Financiëleverhoudingswet^ wordt belegd bij een begeleidingsgroep die direct rapporteert aan het directeurenoverleg. " In hoofdstuk 5 en bijlage D wordt dit nader toegelicht. Bestuursakkoord irnplem,entatie Omgevingswet 12/36

16 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 5. Financiering De Omgevingswet stelt ons in staat om met elkaar goed te blijven wonen, werken en recreëren door ruimte te bieden aan initiatieven van onderop zonder daarbij aan kwaliteit in te boeten, onnodige proces- en onderzoekslasten te voorkomen en maatwerk en innovatie mogelijk te maken. De Omgevingswet zal hierdoor, ook in financiële zin, baten hebben voor de 'BV Nederland'. Voor dat die baten op kunnen treden moeten er echter eerst kosten worden gemaakt. Gedurende de totstandkoming van het wetsvoorstel is reeds onderzoek uitgevoerd naar de kosten en baten van de (invoering van de) Omgevingswet en de kosten die bij de invoering van de wet horen. Inmiddels is de wet echter weer verder uitgewerkt in AMvB's waardoor er meer inzicht kan komen in wat de wet betekent voor de financiële stromen / het huishoudboekje van de decentrale overheden en bevoegde gezagen (gemeenten, waterschappen, provincies. Rijksoverheid). Bij alle partijen is de behoefte groot om afspraken vast te leggen over de verdeling van de verwachte kosten en baten vóórdat met de implementatie van de wet wordt gestart. Tegelijkertijd onderkennen partijen dat de start van de eerste activiteiten in het kader van de implementatie niet kunnen wachten op nader onderzoek naar kosten en baten. Daarom komen partijen het volgende overeen: Een succesvolle werking van de wet is een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbij het Rijk zich primair verantwoordelijk voelt voor een goede implementatie van de wet, de daarop te baseren wet- en regelgeving en het digitale stelsel (de stelselherziening). Gemeenten, provincies en waterschappen voelen zich verantwoordelijk voor een zorgvuldige en duurzame uitvoering van de wet waarmee inwoners en bedrijven goed worden bediend. Partijen hoeven in financiële zin niet beter te worden van de invoering van de stelselherziening (eventuele baten mogen dus worden ingezet), maar willen er ook niet financieel op achteruit gaan. Aanvullend onderzoek naar de financiële effecten van de stelselherziening moet een scherper zicht geven in de omvang en de aard van de investerings-, transitie- en exploitatiekosten van gemeenten, provincies, waterschappen en Rijksoverheid. Dit onderzoek zal daarmee ook gedeeltelijk invulling geven aan artikel 2 van de Financiëleverhoudingswet", In dit onderzoek worden in elk geval eenmalige en structurele baten en lasten (omvang en waar ze neerslaan) van de invoering van de stelselherziening, inclusief het digitale stelsel ter ondersteuning van de uitvoering van de wet én het effect op de leges in beeld gebracht. Er wordt ook een referentie gemaakt met de kosten van de huidige wetgeving. Een opdrachtomschrijving op hoofdlijnen is opgenomen in bijlage D. De (tussen)resultaten van dit onderzoek zullen bestuurlijk worden besproken en vastgesteld. Artikel 2 Financiële-verhoudingswet "1. Indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten, wordt in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens gestaafd, welke de financiële gevolgen van deze wijziging voor de provincies of gemeenten zijn. 2. In de toelichting wordt tevens aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies of gemeenten kunnen worden opgevangen. 3. Over de toepassing van het eerste en tweede lid vindt tijdig overleg plaats met Onze Ministers.". Bestuursai<koord implemientatie Omgevingswet 13/36

17 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Alle partijen zijn bereid om aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek te komen tot financiële afspraken over de implementatie van de stelselherziening op basis van het principe dat baten benut mogen worden voor de bekostiging van de stelselherziening. Hierbij wordt rekening gehouden met het algemene uitgangspunt dat concrete uitvoeringsbesluiten over de implementatie van de stelselherziening gezamenlijk worden genomen op basis van een goede financiële onderbouwing (zoals businesscases) Ter voorbereiding van deze afspraak wordt door de partijen gezarnenlijk bezien en afgesproken welke kosten tot de investerings-, transitie- en exploitatiekosten kunnen worden gerekend. Daarbij worden onder andere de ICT voorzieningen, de onderlinge financiële verhoudingen en de onderzoekslasten betrokken. Vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek en de financiële afspraken zullen kosten moeten worden gemaakt voor het in gang zetten van activiteiten die in dit bestuursakkoord zijn vastgelegd, zoals op het gebied van invoering. De volgende kosten die met deze activiteiten samenhangen zullen door lenm gedragen worden: Opstarten standaardisatietraject Voorbereidings- en investeringskosten ten behoeve van het digitale stelsel scenario 2 Verder uitwerken scenario 3 verdiepte businesscases ^ analyse informatiehuizen door beoogd huismeesters Uitwerken en uitvoeren jaarprogramma 2015 en 2016 invoeringsbegeleiding voor wat betreft investeringkosten zoals opleidingen, etc. Verdere uitwerking informatiepunt Op basis van het financiële onderzoek zullen aanvullende afspraken worden gemaakt over de verdeling van kosten en baten. Reeds gemaakte kosten kunnen, indien nodig, volgens de nieuwe financieringsafspraken worden verdisconteerd. Afspraak lenm zal als gedelegeerd opdrachtgever namens partijen onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren naar de financiële effecten van de stelselherziening. Zodoende wordt ook invulling gegeven aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Een bestuurder uit de kringen van VNG zal optreden als bestuurlijke trekker. De koepelorganisaties van gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk zullen actief meewerken aan de opdrachtformulering en de begelejding van het onderzoek. Alle partijen zijn bereid om aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek te komen tot financiële afspraken over de implementatie van de stelselherziening. Termijn Uiterlijk november 2015 is dit I onderzoek afgerond. 1 Uiterlijk november 2015 is dit 1 onderzoek afgerond. I J I Uiterlijk januari 2016 in I verband met de Rijks- I begrotingssystematiek Bestuursakkoord isvpiem.entatie Omgeving.$wet

18 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet 6. Bestuurlijke planning Algemeen De bestuurlijke planning omvat een beeld van de activiteiten die nodig zijn om de stelselherziening omgevingsrecht voorbereid en succesvol te kunnen invoeren. De activiteiten vinden plaats op vier werksporen met onderlinge afhankelijkheden: ^ wet- en regelgeving ^ digitalisering ^ ^ veranderopgave uitvoerende overheden invoeringsinstrumenten Er is noodzaak om te sturen op samenhang tussen de werksporen. Vertrekkend vanuit het spoor van de totstandkoming van de benodigde wet- en regelgeving worden in de planning in deze fase vier knooppunten onderscheiden. Op een knooppunt komen verschillende mijlpalen van de werksporen samen. Deze knooppunten hebben twee functies. Ten eerste biedt dit overzicht voor de bewaking van de voortgang. Ten tweede biedt dit een overzicht van de afhankelijkheden van de verschillende werkstromen. Uitgangspunten De planning is opgesteld op basis van kennis en inzichten april 2015 en met het oog op beoogde inwerkingtreding in 2018 (puntplanning). De planning van het werkspoor van de wet- en regelgeving is leidend voor de planning van de overige werksporen. Het is de verwachting dat medio 2015 stemming plaats vindt door de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Omgevingswet. Het is de verwachting dat eind 2016 door de Eerste Kamer stemming plaatsvindt. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 1 oktober 2014 koerst het kabinet op inwerkingtreding van de stelselherziening in 2018, waarbij de zorgvuldigheid niet uit het oog wordt verloren. Na het gereed komen van de afgesproken ondersteuning door het digitale stelsel, zoals omschreven in het deel digitalisering, is een halfjaar nodig voor de uitvoerende overheden om te leren werken met het stelsel en voor de optimalisatie van de gebruikerstoepassingen. Dit betekent dat een halfjaar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet de afgesproken ondersteuning gereed moet zijn. De planning is op hoofdlijnen, de verdere planning van de onderliggende werksporen (digitalisering, veranderprocessen uitvoerende overheden en invoeringsinstrumenten) worden binnen deze werksporen uitgewerkt, binnen de termijnen van de bestuurlijke planning. In de planning zijn knooppunten (met mijlpalen en afhankelijkheden) in samenhang vastgelegd. De planning van het werkspoor voor invoeringsinstrumenten gaat uit van een iteratief en gezamenlijk proces. Dit betekent dat niet wordt uitgegaan van een reeks vooraf centraal vastgestelde ondersteuningsproducten, maar dat ondersteuningsproducten samen met de uitvoeringspraktijk worden ontwikkeld en gedurende de implementatie regelmatig met de uitvoeringspraktijk wordt bekeken of bijstelling nodig is. Bestuursa!<koord implemientatie Omgeving.sVi/et 15/36

19 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet PLANNING KNOOPPUNTEN IMPLEMENTATIE OMGEVINGSWET In de bijlage E is een grotere weergave van de planning opgenomen Knooppunten De vier knooppunten kunnen als volgt worden omschreven". Knooppunt 1 (juli 2015] Mijlpalen: afsluiten Bestuursakkoord, met daarin opgenomen ambitie 2018 voor het digitaal stelsel stemming Omgevingswet in de Tweede Kamer Afhankelijkheden: 1. verdere uitwerking digitaal stelsel 2. start voorbereiding veranderprocessen uitvoerende overheden (bestuurscultuur en interbestuurlijke samenwerking) en verwerking uitkomsten co-creatie 3. start uitwerking van invoeringsprogramma Knooppunt 2 (december 2016) Het tweede knooppunt is erg belangrijk. Het betreft de fase waarin de ontwerp regelgeving voldoende inhoudelijk vorm heeft gekregen om basis te kunnen bieden voor de verdere ontwikkeling van de sporen digitalisering, veranderopgave en implementatie. Vanaf het gereed komen van de ontwerp AMvB's en de ontwerp Invoeringswet (beide Raad van State versies) is twee jaar nodig voor de uitwerking van die overige werksporen. De ontwerp AMvB's en ontwerp Invoeringswet bevatten namelijk een belangrijk deel van de inhoud (zoals bijvoorbeeld de bevoegdhedenverdeling, normstelling, digitaliseringverplichtingen en overgangstermijnen) die noodzakelijk is voor verdere uitwerking van het digitaliseringspoor, de invoeringsinstrumenten en de inhoudelijke verandering bij de uitvoerende overheden. Daarnaast is het van groot belang voor het digitaliseringspoor en de veranderopgave bij uitvoerende overheden dat de essentiële standaarden inhoudelijk zijn afgerond en dat Olo3 gelanceerd is. De ministeriële regelingen hebben een dusdanig uitwerkingsniveau dat er voldoende zicht is op de consequenties voor de werkprocessen van de betrokken overheden. De ministeriele regelingen zijn hierin niet opgenomen, hiervoor ontbreekt op dit moment een planning. Bestuursaifkoard impiem.entatie Omgevingswet 16/36

20 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Mijlpalen: Raad van State versie van de ontwerp AMvB's en de ontwerp Invoeringswet beschikbaar; semantische standaarden (juridische begrippen en omgevingsdocumenten voor verdere uitwerking plateau 2018 (o.a. regelbeheer) inhoudelijk afgerond; technische standaarden inhoudelijk afgerond; afspraken over standaardisatie van digitalisering lokale werkprocessen inhoudelijk afgerond; Olo3 gelanceerd; ontwerp van digitaal stelsel gereed; ontwerp Informatiepunt gereed; aangepast 1^ versie productcatalogus voor invoeringsondersteuning (nb. aanpassing door impactanalyse en cocreatie VNG. Dit is een iteratief proces). Afhankelijkheden: 1. verdere uitwerking digitaliseringspoor 2. start inhoudelijke veranderprocessen uitvoerende overheden (zie tabel 1 voor de verschillende onderdelen binnen deze processen) 3. start aanpassing (gemeentelijke) applicaties of (gemeentelijke) informatievoorziening 4. verdere uitwerking van programma invoeringsinstrumenten Knooppunt 3 (eind 2017) Mijlpalen: bouw van de digitale voorzieningen (incl. relevante infrastructuur en informatiehuizen) gereed. digitale systemen van uitvoerende overheden aangesloten op nieuwe structuur; trainingsproducten gereed". Afhankelijkheden: 1. verdere uitwerking digitaliseringspoor (invullen van regelgeving); 2. verdere uitwerking inhoudelijke veranderprocessen uitvoerende overheden (o.a. training van medewerkers), in de tabel in bijlage E zijn de verschillende onderdelen binnen deze processen toegelicht; 3. verdere uitwerking van programma invoeringsinstrumenten. Knooppunt 4 (medio 2018) Mijlpalen: gebruikerstoepassingen digitaal stelsel operationeel; Informatiepunt operationeel; Invoeringswet en -besluit bevinden zich in de laatste procedurestappen. Afhankelijkheden: 1. verdere uitwerking digitaliseringspoor 2. verdere uitwerking inhoudelijke veranderprocessen uitvoerende overheden, in de tabel in bijlage E zijn de verschillende onderdelen binnen deze processen toegelicht; 3. verdere uitwerking van programma invoeringsinstrumenten. Dit is een iteratief proces, bijstelling van de trainingsproducten/ontwikkeling van nieuwe producten kan nodig zijn vanuit nieuwe inzichten of ervaringen uit de uitvoeringspraktijk Bestuursakkoord implemientatie Omgevingswet 17/36

21 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Risico's In de planning van de verschillende wet- en regelgevingprojecten zijn indicatieve doorlooptijden voor advisering door de Raad van State en behandeling door de Staten- Generaal opgenomen. Eventuele uitloop in deze trajecten zijn niet elders in de planning op te vangen, behalve door verschuiving van de implementatiedatum De Raad van State versies van de ontwerp AMvB's en de ontwerp invoeringswet zijn belangrijk voor de start van de inhoudelijke veranderprocessen van de uitvoerende overheden. Dan moet er onder andere duidelijkheid zijn over: ^ Standaarden ^ Omgevingswaarden Afwegingsruimte Bestuurlijke bevoegdheden Overgangsrecht Belangrijke constateringen Invoering van zaakgericht digitaal werken in de keten bij de uitvoerende overheden per 1 januari 2018 is van groot belang voor het verkrijgen van de baten van de Omgevingswet voor de uitvoerende overheden. Het is echter geen randvoorwaarde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hoe meer de nieuwe wet- en regelgeving afwijkt van de huidige wetgeving, hoe ingrijpender de aanpassingen van de werkprocessen van de uitvoerende overheden zullen zijn. Dit kan mogelijk de doorlooptijden vergroten. In bijlage E is een overzicht weergegeven van de doorlooptijden van de verschillende activiteiten binnen de aanpassing van de werkprocessen van de uitvoerende overheden. Uitloop in de totstandkoming van wet- en regelgeving kan reserveringen in de begrotingcyclus bij decentrale overheden vertragen waardoor onvoldoende tijd en geld beschikbaar is voor de aanpassing werkprocessen. Om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichtingen (i.e. het behalen van de wettelijke afhandelingtermijn) moeten tussen de uitvoerende overheden de samenwerkingsruimte goed zijn ingericht. Wanneer de noodzakelijke verandering in bestuurscultuur bij decentrale overheden vertraging oploopt, bemoeilijkt dit de veranderopgave bij deze overheden. Bij decentrale overheden heeft verandering in politieke samenstelling van het bestuur invloed op verandering van bestuurscultuur en aanpassing van de werkprocessen. Afspraak rmijn In het bestuurlijk overleg dat twee maal per jaar wordt i Looptijd implementatie gehouden is de bestuurlijke planning op hoofdlijnen een vast onderdeel. 1 Het bestuurlijk overleg wordt tenminste voorafgaand aan de in i Looptijd deze fase geformuleerde vier knooppunten georganiseerd. Gaandeweg kunnen nieuwe knooppunten (voor en na 2018) 1 worden geformuleerd. j implementatie In het bestuurlijk overleg wordt de voortgang binnen de planning op hoofdlijnen in samenhang besproken en besloten of de bij de knooppunten geformuleerde mijlpalen in vojdoende mate zijn behaald. Indien een onderliggende mijlpaal van een knooppunt niet wordt gehaald, dan besluit het bestuurlijk overleg over de gevolgen voor scope, tijd, geld en kwaliteit I Looptijd implementatie j j j Vtooptijd implementatie Bestuursakkoord im.plemientatie 0mgevlng.9wet 18/35

22 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet De minister van lenm bereidt de nodige ontwerp uitvoerings-, December2016 invoerings- en overgangsregelgeving voor en betrekt daarbij stakeholders waaronder betrokken partners. Partijen spannen zich gezamenlijk in om de genoemde mijlpalen te halen en de daarvan afhankelijke werkprocessen conform de planning uit te voeren. i Looptijd implementatie i ï Bestuursakkoord implem.entatie Omgevingswet 19/36

23 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Aldus in viervoud opgemaakt en getekend te Den Haag op 1 juli DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU mw. drs. M.H. Schultz van Haegen DE VERENIGING HET INTERPROVINCIAAL OVERLEG dhr. J.W. Remkes DE VERENIGING VAN NEDERLANDSE GEMEENTEN dhr. mr J.H.C. van Zanen DE UNIE VAN WATERSCHAPPEN. dhr. mr. drs. P.C.G. Glas Bestuursakkoord iivplem,entatie Omgeving.swet 20/36

24 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet A. Bijlage kaders invoering Onderdeel Kader Bron Financiën Informatiepunt Afbakening Totale kosten informatiepunt en invoeringsondersteuning voor de periode (investeringskosten, transitie en exploitatie) 165 min. met een onzekerheidsmarge van 25% en exclusief scenario 2 en 3 GOAL. Passend binnen visie op het informatiepunt zoals opgenomen in programmadefinitie Invoering; hoofdlijnen: Eén landelijk informatiepunt voor vragen en informatie over de Omgevingswet; Integratie helpdesks Bodem-i-, Infomil, Water, Bouwregelgeving; Gecoördineerde vraagbeantwoording en informatieverstrekking met gespecialiseerde helpdesks Afvalbeheer, Antwoord voor Bedrijven, Cie Mer, RVO, Kadaster, ILT, RCE, rijksoverheid.nl, RIVM, RO online. Staatstoezicht op de Mijnen en VNG Het informatiepunt omvat de volgende functionaliteiten: Landelijke helpdesk voor vragen over regelgeving en landelijke ICT-voorzieningen; Website/kennisportaal waarop informatie over de wet, invoeringsondersteuning en digitale voorzieningen beschikbaar zijn; Klachtenmeldpunt waar burgers, bedrijven en overheden klachten kwijt kunnen over zowel de implementatie als de toepassing en bruikbaarheid van de Omgevingswet in de praktijk. Het informatiepunt is toegankelijk voor burgers, bedrijven en overheden. De kosten (ontwikkeling, transformatie, exploitatie) tot 2024 bedragen 45 min. met een onzekerheidsmarge van 25%. Invoering omvat de Omgevingswet en alle wetten die daar voor 2018 in opgaan". Zodra de beleidsthema's onderdeel worden van de Omgevingswet zal de uitvoeringsorganisatie een impactanalyse uitvoeren en met een voorstel Programmadefinitie Invoering; vastgesteld als bouwsteen voor Bestuursakkoord BO december 2014 Programmadefinitie Invoering; vastgesteld als bouwsteen voor Bestuursakkoord BO december 2014 Programmadefinitie Invoering; vastgesteld als bouwsteen voor Bestuursakkoord BO december 2014 Wet bodembescherming. Wet geluidhinder. Wet natuurbescherming. Onteigeningswet, Wet voorkeursrecht gemeenten. Wet inrichting landelijk gebied. Het wetsvoorstel verbetering VTH en het wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen wijzigen wetten of onderdelen daarvan (Wabo, Woningwet). Bestuursakkoord implemientatie Omgevings'wet 21/36

25 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Aanpak komen voor eventuele bijstelling van het programma. Hiervoor wordt vooralsnog een pm post opgenomen in het programma. Gedurende de looptijd van het programma vinden monitoring, impact-analyses en behoeftepeilingen plaats, gericht op de vraag: Doen we de dingen goed en doen we de goede dingen? Monitoring betreft dus zowel de monitoring van het opstellen van invoeringsproducten (zijn ze op tijd gereed), als de toepassing ervan. Met dit laatste gaat het om de vraag of de producten aansluiten op de behoefte in de praktijk en of het programma effectief bijdraagt aan het behalen van de doelen van de wet. Tot slot wordt bij de monitoring ook gekeken naar de mate waarin overheden zich hebben voorbereid op de komst van de Omgevingswet. Met de koepels zal worden afgestemd welke gegevens worden uitgevraagd waarbij er naar wordt gestreefd om de monitoringsdruk en dus ook de monitoringskosten te beperken. De uitvraag van monitoringsgegevens zal gecoördineerd via de koepels plaatsvinden. Bestuursakkoord implem,entatie Omgevingswei 22/36

26 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet B. Bijlage Governance-model Mogdijkheid tot opdraditgüver^unit/afhankeiijk vm^ beskiityprming oventie resuftatetr vari de kwartiemiakeropdrtirmgèver.schóp Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet 23/36

27 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet C. Bijlage digitalisering Scenario's digltaliseiing Partijen onderschrijven de ambitie om in 2024 alle beschikbare informatie, zowel betreffende de van toepassing zijnde wet- en regelgeving als de gegevens over de fysieke omgevingskwaliteit ter plaatse, met één klik op de kaart beschikbaar te hebben en dat die informatie begrijpelijk wordt getoond. De hiervoor benodigde digitale voorzieningen worden vormgegeven in een helder samenhangend stelsel dat eenduidig wordt bestuurd en gefinancierd. Om dit te realiseren wordt een plateauplanning uitgewerkt. De proof of the pudding is de inwerkingtreding van de Omgevingswet in Er zijn 3 scenario's uitgewerkt voor Afbeelding 2: visuele weergave scenario's.j Scenario 1: Het wettelijk minimum Het eerste scenario is het wettelijk minimum, dit bevat de ICT-ondersteuning die gereed moet zijn om de Omgevingswet in werking te kunnen laten treden. Het wettelijk minimum toont de inhoud van de Omgevingswet zoals die is vastgesteld op 1 juli Dit houdt in dat een aanvraag of melding elektronisch ingediend moet kunnen worden. Omdat in de Omgevingswet meerdere wetten worden geïntegreerd, wordt ook van de aanvragen en meldingen verwacht dat deze de breedte van de nieuwe wet ondersteunen. Het bevoegd gezag moet gebruik maken van een landelijke voorziening voor het ontvangen van een elektronische aanvraag of melding. Daarnaast moeten omgevingsdocumenten als elektronisch bestand worden vastgesteld. Er moet een landelijke voorziening zijn waar eenieder via de elektronische weg kennis kan nemen van omgevingsdocumenten, de voorziening geeft een geometrische verbeelding van de regels of besluiten weer met toelichting. Dit is een achteruitgang ten opzichte van het huidige niveau dienstverlening. Scenario 2: Het wettelijk minimum met instandhouding van de huidige dienstverlening In scenario 2 wordt het huidige niveau van dienstverlening gehandhaafd. Omdat in de Omgevingswet meerdere wetten worden geïntegreerd, wordt ook van de digitale voorzieningen verwacht dat deze sstuursai(koord implemientatie Omgevingswet 24/36

28 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet de breedte van de nieuwe wet ondersteunen. Dit houdt in dat in elk geval de drie bestaande voorzieningen, OLO, AIM en Ruimtelijkeplannen.nl gekanteld moeten worden tot één voorziening. Dit betekent dat een gebruiker straks op een kaart kan klikken en kan zien welke regels gelden voor die locatie. Om te kunnen klikken en tonen welke regels gelden, moeten omgevingsdocumenten en (de)centrale regels digitaal beschikbaar zijn en met behulp van regelbeheer worden ontsloten. Ook kan er een digitale check op vergunning- en meldingplichten worden gedaan. Daarnaast zijn de technische standaarden ontwikkeld en semantische standaardisatie uitgevoerd die nodig is voor de inwerkingtreding van de wet. De gegevens ten behoeve van de ruimtelijke plannen zijn ontsloten. Scenario 3: Toewerken naar baten en ontzorging Omgevingswet In het derde scenario wordt naast het handhaven van het huidige dienstverleningsniveau op basis van businesscases bekeken of er aanvullende activiteiten kunnen worden opgepakt die baten generen of de overheden ontzorgen. Voorgesteld wordt om voor 2018 de volgende onderwerpen verder uit te werken en businesscases en impactanalyses op de regelgeving te maken. Een uitwerking hiervan vindt u hieronder. ljili erking scenario 3 plateau 2018 Hieronder wordt toegelicht welke activiteiten voor scenario 3 plateau 2018 uitgewerkt dienen te worden. Voor ieder onderdeel zal vervolgens een businesscase gemaakt worden en worden voorgelegd aan het bestuurlijk overleg. Gegevens Het digitale stelsel Omgevingswet biedt met name door het delen van beschikbare informatie een grote verbetering bij het informeren, aanvragen, behandelen en besluiten met betrekking tot omgeving gerelateerde initiatieven. Op dit moment is al veel informatie beschikbaar, maar die informatie is niet voor iedereen bereikbaar en niet bestendig. Er valt dan ook al veel voordeel te behalen door het maken van afspraken over en het breed ontsluiten van huidige informatie en hergebruik van modellen. De informatiehuizen zetten de ruwe data die in een domein beschikbaar is om, naar op de vraag toegespitste, gevalideerde en waar mogelijk gestandaardiseerde informatieproducten. Per huis wordt dit nader uitgewerkt. Op dit moment zijn informatiehuizen voorzien voor Geluid, Water, Bodem & ondergrond. Natuur, Externe veiligheid. Lucht, Cultureel erfgoed. Ruimte, Bouw en Afval. Op basis van een kwalitatieve en kwantitatieve businesscase zal worden bezien of de gegevens binnen de volgende domeinen ontsloten kunnen worden als informatiehuis of dataset. Hierbij wordt voorrang gegeven aan die domeinen waar de verwachte baten het hoogst zijn, dan wel waar het snelst resultaten geboekt kunnen worden. Bij de volgende werkvelden worden de hoogste baten verwacht: Geluid: industrie lawaai, wegverkeer Rijk, Railverkeer; Water: databestanden van RWS; Natuur: Programmatische aanpak stikstof; Bouw: Informatie uit de registratie van Kwaliteitsborgers Ruimte (het register van omgevingsdocumenten moet in scenario 2 beschikbaar zijn) Voor de volgende werkvelden kunnen het snelst resultaten worden geboekt: Lucht: alle werkvelden; Externe veiligheid: inrichtingen, buisleidingen aardgas, basisnet vervoer gevaarlijke stoffen; Erfgoed: rijksmonumenten en archeologie; Bestuursakkoord implemientatie Omgeving.rwet 25/36

29 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Bouw: Informatie over bouwregelgeving is ontsloten conform ontsluitingseisen van de Laan van de leefomgeving. Daarnaast worden de volgende generieke registers onderzocht: Wegverkeer: model met vulling rijkswegen; Railverkeer: model met vulling; Populatiebestanden: model met vulling (op basis big data); Omgevingskenmerken: test versie op basis van oa BAG; Toekomstscenario's: model met vulling. Samenwerkingsruimte Samenwerking tussen bevoegd gezagen onderling en tussen bevoegd gezagen en initiatiefnemers is belangrijk om snellere doorlooptijden te bereiken. Goede samenwerking in de keten is dan noodzakelijk, waarbij alle partijen weten aan welke zaak zij werken, wat de status is en welke documenten er zijn (inclusief status). Zij kunnen straks samenwerken via de digitale samenwerkingsruimte. Voorstel is om de volgende opties voor een samenwerkingsruimte Tussen bevoegd gezag en initiatiefnemer Ketensamenwerking overheden Samenwerken bij een dossier verder te verkennen: Eén loket Gebruikers kunnen via één loket straks een vergunning aanvragen of een melding doen en een omgevingsplan inzien. Deze functionaliteit zit ook al in OLO 3/scenario 2 maar wordt verfijnd in scenario 3. In 2018 wordt gebruik gemaakt van de bestaande basisregistraties, zodat veel vragen vooraf ingevuld worden. Er zal zover mogelijk gebruikt gemaakt worden van al beschikbare landelijke digitale infrastructuur en voorzieningen, zoals DigiD, eld, eherkenning en berichtenbox. Voorgesteld wordt om te onderzoeken of in 2018 het één loket principe al verder verfijnd kan worden. Onderzoekshulp De onderzoekshulp heeft als doel het voorkomen van onnodige aanvraagvereisten bij zowel de vergunningaanvraag als de melding en het voorkomen van onnodig en uitgebreid onderzoek bij de vergunningaanvraag en de melding. De onderzoekshulp biedt het bevoegd gezag en de initiatiefnemer inzicht in de gegevens en afwegingsfactoren die in elk geval nodig zijn om een goed besluit te nemen op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Op basis van informatie over de locatie en de activiteit worden specifieke regels alsmede gegevens over reeds verricht onderzoek (voor zover dit open data is) en monitorgegevens gecombineerd en gepresenteerd tot een overzicht waaruit blijkt welke informatie en / of onderzoeken nodig zijn. Voorgesteld wordt om te onderzoeken of voor de domeinen ruimte en lucht onderzoekshulp gereed kan zijn in Standaarden Standaardisering ten behoeve van de digitale informatieuitwisseling is voor de implementatie van de Omgevingswet en de uitvoering daarvan als 'het zout in het brood'. Standaardisatie is noodzakelijk voor uitwisseling van gegevens, randvoorwaarde voor zaakgericht werken en het bevordert de rechtszekerheid. Standaarden zijn handig als ze er zijn, maar kosten veel tijd en gezamenlijke inspanning om tot stand te brengen. Daarom is het noodzakelijk tijdig standaardisatie van de Bestaursai<koard isvplemientatie Omgevingswet 26/36

30 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Omgevingswet in gang te zetten. Daarnaast is het noodzakelijk te prioriteren ten behoeve van plateau De standaarden moeten in een vroeg stadium beschikbaar komen voor bevoegd gezag en ICT-leveranciers. Eind 2015 wordt een eerste set standaarden beschikbaar gemaakt die noodzakelijk is voor de digitale ondersteuning samenhangend met de inwerkingtreding van de wet. Daarnaast wordt onderzocht welke standaarden noodzakelijk zijn voor de realisatie van de afgesproken elementen uit scenario 3. Dit wordt opgenomen in het programmaplan van de kwartiermaker Goal. Regelbeheer De Omgevingswet heeft onder meer als verbeterdoelstellingen meer gebruiksgemak en het verbeteren en versnellen van besluitvorming. Deze doelstellingen worden deels bereikt door vereenvoudiging van regelgeving. Een gebruiker wil zo snel en eenvoudig mogelijk via een loket kunnen achterhalen wat waar mag. Om te bepalen wat waar mag moet er inzicht zijn in regels van centrale en decentrale overheden. Dit betekent dat een gebruiker straks via één loket zijn 'wat-magwaar-vraag' beantwoord krijgt. En dat de digitale voorziening gebruik moet maken van beslisbomen en locatiegebonden regels voorzien van geo-coördinaten om informatie op maat te presenteren voor gebruikers. Om ervoor te zorgen dat informatie in de voorzieningen actueel is, moet het beheer van regels en het beheer van beslisbomen digitaal ondersteund worden - hiervoor wordt gebruik gemaakt van regelbeheer. Om decentrale overheden te ondersteunen bij het maken en beheren en ontsluiten van decentrale regels via landelijke voorzieningen, wordt een landelijke voorziening voor regelbeheer ter beschikking gesteld aan decentrale overheden. Om een zinvolle en voor gebruikers beperkte beslisboom te kunnen maken dient standaardisatie plaats te vinden tussen overeenkomstige begrippen die in centrale en decentrale regels worden toegepast. Een systeem voor het vastleggen en ontsluiten van (de)centrale regelgeving is noodzakelijk om gebruikers inzicht te geven in welke regels op welke plek gelden. Voorgesteld wordt om gezamenlijk met de decentrale overheden te verkennen of voor 2018 beslisbomen kunnen worden ontwikkeld voor de (de)centrale regels en welke centrale voorziening het lokale regelbeheer vereenvoudigd en kan ondersteunen. Digitaal werken De Omgevingswet wijzigt de regels en de spelregels die gelden in het fysieke domein. Voor initiatiefnemers, belanghebbenden en het bevoegd gezag is de ambitie dat informatie over het fysieke domein integraal en op maat wordt aangeboden. Ook wordt het bij de Wabo geïntroduceerde uitgangspunt van één loket verbreed naar het gehele fysieke domein. Eén loket voor initiatiefnemers en belanghebbenden stelt hoge eisen aan de ketensamenwerking. Ketensamenwerking in het kader van de Omgevingswet kan gaan over: 1. de volledige afhandeling van vergunningaanvragen; 2. het voorbereiden en procesgang rondom omgevingsplannen. Voor een efficiënt en effectief verloop van de samenwerking in de keten zijn afspraken nodig over welke informatie wordt uitgewisseld en op welke wijze. Dit schept duidelijkheid tussen ketenpartners. In het licht van de Digitale Overheid 2017 is digitaal werken in de keten in het kader van de Omgevingswet een randvoorwaarde om de baten van de Omgevingswet te kunnen incasseren. In digitale uitwisseling van informatie kunnen verschillende niveaus worden onderscheiden. Zo is uitwisselen van informatie per ook digitaal werken. Ultiem doel in digitaal werken is dat informatie gestructureerd tussen (backoffice) systemen van overheden kan worden uitgewisseld en verwerkt. Bij het inrichten van een samenwerkingsruimte kan structuur worden gegeven aan de wijze van informatie-uitwisseling. Minimaal dienen afspraken gemaakt te worden over het harmoniseren en standaardiseren van processen en berichtenuitwisseling. Bestuursakkoord implemientatie Omgevingswet 27/36

31 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Bij het maken van afspraken over welke informatie wordt uitgewisseld kunnen ook niveaus worden onderscheiden. Het eindbeeld is dat er centrale afspraken zijn over zaaktypen vastgelegd in een landelijk zaakregister. Zaakgericht werken is verplicht. Voorstel is om in het programmaplan moment bereikt moet zijn. Goal uit te werken welk niveau van digitaal werken op welk Tijdpad In het programmaplan van de kwartiermaker GOAL zal een uitgebreide planning gemaakt worden waarin beschreven wordt wat wanneer gereed moet zijn. Daarnaast is in het Bestuursakkoord bij het onderdeel planning een planning opgenomen met de belangrijkste mijlpalen uit het spoor digitalisering. Go/No-Go momenten Go/No-Go momenten worden in het tijdpad ingebouwd om tijdig een besluit te nemen om te escaleren of om door te gaan met het volgende plateau. In het tijdpad worden deze momenten gemarkeerd. Deze momenten worden ingebouwd om te voorkomen dat er besluiten worden genomen die onomkeerbaar zijn en om te toetsen of we nog op de goede weg zitten en de beoogde baten en doelen worden gerealiseerd. Go/No-Go momenten voor elke stap In het Bestuursakkoord nemen we het besluit om minimaal scenario 2 te realiseren voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De benoemde elementen uit scenario 3 worden nader uitgewerkt en onderbouwd door middel van een businesscase en een impactanalyse en iedere stap wordt getoetst en met een go/no-go besluit afgesloten. Go/No-Go momenten voor een plateau Daarnaast moet er voor elk plateau een bestuurlijke- en informatiekundige uitvoerbaarheidstoets bij de decentrale overheden worden uitgevoerd (conform code interbestuurlijke verhoudingen), een start gateway voor het programma GOAL en een toets door bureau BIT. In de uitwerking van ieder plateau worden de Go/No-Go momenten vastgesteld. Onderstaand een korte uitleg van de verschillende toetsen: Uitvoerbaarheidstoets: Een uitvoerbaarheidstoets is een instrument om na te gaan of het vast te stellen beleid of reeds vastgestelde beleid daadwerkelijk tot concrete resultaten leidt. Uitvoerbaarheidstoetsen geven waardevolle inzichten in de mate waarin het nieuwe beleid daadwerkelijk de gewenste maatschappelijke effecten zal opleveren. Dat is dus van groot belang voor lokale, regionale en landelijke politici, bestuurders en beleidsmakers. Businesscase: in een businesscase wordt de zakelijke afweging om een project of taakte beginnen beschreven. In de businesscase worden de kosten tegen de baten afgewogen, rekening houdend met de risico's. Vaak wordt aan de hand van de businesscase besloten om wel of niet te starten en/of verder te gaan met een project. Bestuursai<koord implementatie Omgeving.swet 28/36

32 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Gateway: Een Gateway Review is een collegiale, vertrouwelijke toetsing van een programma(start), project of organisatie op verzoek van een bestuurlijk verantwoordelijke. De Gateway Review wordt uitgevoerd door een Gateway Reviewteam van vier personen die werkzaam zijn in soortgelijke functies als de opdrachtgever. Impactanalyse: In een impactanalyse wordt antwoord gegeven op de vraag hoe overheden de voorzieningen goed kunnen implementeren en kunnen laten functioneren in de praktijk. Dit leidt tot een realistische implementatie van de voorzieningen. De analyse brengt in kaart wat de consequenties zijn van de invoering voor de overheden. Ook wordt gekeken aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de invoering succesvol te laten zijn. Bureau BIT: toetsen van haalbaarheid van nieuwe ICT-projecten. Deze toets is geïntroduceerd door de commissie Elias. Bestuursakkoord iivplemiontatie Omgevingswet 29/36

33 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet D. Opdrachtomschrijving financiële onderzoek omgevingswet (op hoofdlijnen) Aard van het onderzoek Het betreft een onderzoek naar de financiële consequenties van de stelselherziening (implementatie van de wet inclusief digitale ondersteuning). Het gaat dan in hoofdlijnen om: de eenmalige kosten van de invoering (investeringskosten, transitiekosten) de structurele kosten en baten na invoering (kosten en baten die samenhangen met nieuwe of verminderde taken of met veranderende mogelijkheden deze te verrekenen met derden, exploitatiekosten) maatschappelijke effecten (in termen van baten / lasten) De scope van het onderzoek zal nader worden bepaald in afstemming met de begeleidingsgroep. Aanleiding van de opdracht De Omgevingswet vervangt een aantal (bepalingen uit) wetten die betrekking hebben op ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Deze veranderingen zullen ook zorgen voor een verandering van taken van betrokken overheden en een wijziging van mogelijkheden om kosten te verrekenen met derden. In het kader van de code interbestuurlijke verhoudingen en artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet" worden financiële gevolgen hiervan in kaart gebracht. Gedurende het wetstraject is er reeds onderzoek uitgevoerd naar de kosten en baten na de invoering van wet en de kosten die bij de invoering van de wet horen. Inmiddels is de wet echter weer verder uitgewerkt in AmvB's waardoor er meer inzicht kan komen in de financiële consequenties van de wet. Ook nu zijn nog niet alle AmvB's uitgewerkt die van invloed kunnen zijn op de verdeling van kosten en baten. Tegelijkertijd is de behoefte groot om inzicht te krijgen in de kosten en baten per overheidslaag om op basis daarvan te komen tot afspraken over de kosten vóór dat met de implementatie van de wet wordt gestart. En in verband met de voorgenomen datum van inwerkingtreding is het niet mogelijk om te wachten met het starten van implementatie-activiteiten tot alle AmvB's en ministeriele regelingen zijn uitgewerkt. Het financiële onderzoek geeft dus een tussenbalans in die zin dat het onderzoek niet kan worden gebaseerd op een volledig uitgewerkte wet (met alle AmvB's en ministeriele regelingen). Doel van het onderzoek Het onderzoeksresultaat moet een basis bieden voor partijen^^ om afspraken te maken over de verdeling van kosten en baten en de wijze waarop de financiële gevolgen van de invoering van de wet kunnen worden opgevangen. Het onderzoek geeft ook inzicht in de onzekerheidsmarges die bij de in beeld gebrachte kosten en baten horen gezien de stand van uitwerking van de wet en het uitwerkingsniveau van de plateaus van de digitale ondersteuning. Artikel 2 Financiële verhoudingswet: "1. Indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten, wordt in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens gestaafd, welke de financiële gevolgen van deze wijziging voor de provincies of gemeenten zijn. 2. In de toelichting wordt tevens aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies of gemeenten kunnen worden opgevangen. 3. Over de toepassing van het eerste en tweede lid vindt tijdig overleg plaats met Onze Ministers.". Deze partijen bestaan uit het ministerie van lenm, VNG, Unie van Waterschappen en IPO. Bestuursakkoord implem.entatie Omgevingswet 30/35

34 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Scope van het onderzoek Kosten en baten Het onderzoek heeft betrekking op: 1. de eenmalige kosten die samenhangen met de stelselherziening 2. de structurele kosten die samenhangen met de huidige praktijk, zodat dit als referentie kan dienen. 3. de structurele kosten en baten waarbij rekening wordt gehouden met de verrekenmogelijkheden van kosten (via bijvoorbeeld leges) na de stelselherziening. Het gaat om kosten en baten bij gemeenten, provincies, RUD's, waterschappen, het Rijk, burgers en bedrijven. Ad 1. Eenmalige kosten die samenhangen met de invoering van de wet Hierbij kan gedacht worden aan de volgende kosten: 1. Investeringskosten: eenmalige kosten die betrekking hebben op de invoering van de wet (cursussen, seminars, communicatiemateriaal, etc.) en de digitalisering (ontwikkeling digitale systeem). 2. Transitiekosten: eenmalige organisatie- en frictiekosten die samenhangen met een veranderende manier van werken (zaakgericht werken, organisatieverandering, etc) Met betrekking tot het digitale systeem worden zowel de kosten van de ambitie in 2024 (scenario 3") als de eerste stap in 2018 (scenario 2) in beeld gebracht en de baten gekoppeld aan de terugverdientijd. Ad 2. De kosten die samenhangen met de huidige praktijk. Hieronder vallen de exploitatiekosten: onder meer de terugkerende kosten die samenhangen met het gebruik, onderhoud en doorontwikkeling van het digitale stelsel en de informatiepunten alsmede de bestuurslasten van de uitvoering van de wet. Het is van belang om in de definitieve onderzoeksopzet goed af te bakenen wat als 'de huidige praktijk' wordt gezien om te zorgen voor een goede referentiesituatie. Ad 3. de structurele kosten, baten en verrekenmogelijkheden van kosten (via bijvoorbeeld leges) na invoering van de wet. Hieronder vallen de exploitatiekosten: onder meer de terugkerende kosten die samenhangen met het gebruik, onderhoud en dóórontwikkeling van het digitale stelsel en de informatiepunten alsmede de bestuurslasten van de uitvoering van de wet. En de volgende terugkerende baten: 1. Financiële baten: monetaire baten 2. Maatschappeliike baten: niet monetaire baten zoals gebruiksgemak Bij het in kaart brengen van de baten wordt rekening gehouden met de verrekenmogelijkheden van de kosten via bijvoorbeeld leges. Zo zou het bijvoorbeeld voor kunnen komen dat de exploitatiekosten van de dienstverlening omlaag gaan, maar door verminderde mogelijkheden om kosten te verrekenen richting de derden de kosten voor het bevoegd gezag toch hoger zijn. " zie hoofdstuk 3 van dit bestuursakkoord Bestuursakkoord implemientatie Omgeving.swet 31/36

35 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Risico's Zowel voor de kosten als voor de baten zal gelden dat deze een zekere onzekerheidsmarge zullen kennen, die onder andere wordt bepaald door de risico's die er in dit traject zijn. De onzekerheidsmarge moet expliciet worden gemaakt. Risico's zijn o.a.: a. Doelen van de Omgevingswet die wellicht niet worden gehaald; b. Ambities Laan van de Leefomgeving die wellicht niet worden gehaald c. Tussentijdse en toekomstige technologische aanpassingen; Onderzoeksvragen De volgende onderzoeksvragen zullen in elk geval in de onderzoeksopzet worden opgenomen: 1. Breng de investeringskosten en transitiekosten in beeld die horen bij de invoering van de wet inclusief het digitale systeem voor zowel scenario 2 als scenario 3, maar ook vermeden kosten 2. Breng de (exploitatie)kosten in kaart van de huidige situatie 3. Breng de (exploitatie)kosten in kaart van de situatie na invoering van de omgevingswet en geef aan of die op landelijk niveau worden gemaakt (beheer en onderhoud) of dat ze door de bevoegde gezagen worden gemaakt (gebruikskosten). 4. Breng de monetaire baten in beeld van de situatie na invoering van de omgevingswet, houd hierbij rekening met de veranderende omstandigheden voor het verrekenen van kosten met derden (leges) en maak zichtbaar wat die veranderingen zijn. 5. Geef aan waar de monetaire baten neerslaan. 6. Breng de maatschappelijke baten in beeld van de situatie na invoering van de omgevingswet en geef aan waar die neerslaan. Aanpak Het bestuurlijk overleg benoemt één van de bestuurders als bestuurlijk trekker voor dit onderzoek. Voor het onderzoek wordt een begeleidingscommissie opgericht bestaande uit een vertegenwoordiger van alle betrokken partijen uit het bestuursakkoord. In het kader van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet zullen ook de ministeries van Binnenlandse Zaken en Financiën betrokken worden bij dit onderzoek. De begeleidingscommissie rapporteert direct aan het directeurenoverleg. De begeleidingscommissie is gezamenlijk aanspreekbaar op het onderzoeksresultaat en draagt er zorg voor dat het onderzoeksbureau voldoende achtergrondinformatie heeft voor het goed uitvoeren van het onderzoek. Het onderzoeksbureau kan als achtergrondinformatie gebruik maken van reeds bestaande onderzoeken. Binnen het ministerie van lenm is budget beschikbaar voor de uitvoering van het onderzoek, in de definitieve onderzoeksopzet zullen afspraken worden gemaakt over de betaling van het onderzoek. Planning Het onderzoek wordt uiterlijk december 2015 opgeleverd. Hierdoor kunnen, rekening houdend met de Rijksbegrotingssystematiek, resultaten van het onderzoek en afspraken hierover worden ingebracht voor de begroting Bestuursakkoord im.plemientatie Omgevingsv^/et 32/36

36 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet E. Bijlagen Planning PLANNING KNOOPPUNTEN IMPLEMENTATIE OMGEVINGSWET Krtonpput'it?. Kncoi'ipwi' ; Vüf It., f! t. i! iq! J! q! r ' /er^ie tnvoenffgswes P jbiii <t ^, 1 O i )J...O V'oot'ondeiToek Ar lijcdytlvl Olj-i'VC'jKjfM'U h t< 0^:e'venn<ï fjf^brüfke^^^ Gebru'^er-.. OJ ;paüsingen gereed Ol g<i. reed Bestuursakkoord )0 )xje loten op i wecken inqt-r./üerd I hfk I )ke VQoraeniaqan ; C31 C T) 0) Stad uitvvetkirig ïfiv'oerinq ngepfïsr^ïng 1 e versie ;)ciuc!.ca}.a:aqus CTl C Bestuursakiaxmi irnpiementatie Omgevingsveel 33/36

37 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet PLANNING WERKSTROMEN IMPLEMENTATIE OMGEVINGSWET lyoio 'O' 7 i?' i<-.# ' lui. < i,vu i iiimiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii "^.-' idrpo 'Civr unvoeiitnnc ^^S;» «Bestuursakkoord imiplementatie Orrigeyingswet 34/36

38 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Werkspoor Activiteiten/beschrijving Afhankelijk van Doorlooptijd Bestuurlijk - Bestuur op hoogte van wetgeving & benodigde verandering - Cultuurverandering - Rollendiscussie - Herzien beleidsprocessen - Reservering in begroting - Gewijzigd bestuurlijk samenwerkingsproces Knoop 2: - Wetsvoorstel (TK behandeling afgerond) - AMvB's (RvS versie) - Invoeringswet (RvS versie) - Essentiële standaarden 2-3 jaar Kan gedeeltelijk doorlopen na inwerkingtreding Organisatie - Trainen / opleiden van medewerkers kennis en vaardigheden (inhoudelijk) - Trainen / opleiden van medewerkers houding en gedrag Knoop 3: - Wetsvoorstel (publicatie) - AMvB's (publicatie) - Invoeringswet (TK versie) - Invoeringsbesluit (voorhangversie) - Trainingsproducten 1-2 jaar Kan gedeeltelijk doorlopen na inwerkingtreding - Organisatie omvormen / aanpassen - Omscholen van medewerkers - Samenwerkingsafspraken met andere overheden maken - Omgevingsmanagement vormgeven Knoop 2: - Wetsvoorstel (TK behandeling afgerond) - AMvB's (RvS versie) - Invoeringswet (RvS versie) - Ontwerp digitale voorzieningen - Ontwerp van informatiepunt - Aangepaste productencatalogus invoering 2 jaar Kan gedeeltelijk doorlopen na inwerkingtreding Inhoud - Essentiële werkprocessen aanpassen (bv kaders en handreikingen) - Verordeningen / leggers aanpassen - Beleid aanpassen (omgevingsvisie en -plan) - Inhoudelijke afstemming en inrichten van de keten over vergunningen en algemene regels achter één loket Knoop 2: - Wetsvoorstel (TK behandeling afgerond) - AMvB's (RvS versie) - Invoeringswet (RvS versie) - Ontwerp digitale voorzieningen - Ontwerp van informatiepunt - Essentiële standaarden 2 jaar Maar tenminste 1 jaar na publicatie ministeriële regelingen Be.ituursakkoord imfjlementatie Omgevingswet 35/36

39 Bestuursakkoord implementatie omgevingswet Werkspoor Acti viteiten/beschrijvi ng Afhankelijk van Doorlooptijd Communicatie - Website, brochures en andere communicatiemiddelen aanpassen - Interne communicatie - Organiseren workshops met stakeholders / omgevingsmanagement - Stimuleren eigen verantwoordelijkheid burger/bedrijfsleven - Bepaling verschuiving dialoog omgeving naar initiatiefnemer ICT Invalshoeken: rollen (1) toeleverancier van informatie; (2) eigensystemen aansluiten op landelijke voorzieningen; (3) afstemming in de keten; (4) aanpassing 'eigen' systemen - Basisdata op orde - Aanbestedingen t.b.v. interne systemen - Bouwen/aansluiten interne systemen - Testen - Trainen - Invoering zaakgerecht werken - Informatiebeveiliging Knoop 2: - Wetsvoorstel (TK behandeling afgerond) - AMvB's (RvS versie) - Invoeringswet (RvS versie) - Ontwerp digitale voorzieningen - Ontwerp van informatiepunt - Essentiële standaarden - Aangepaste productencatalogus invoering Knoop 2 - Wetsvoorstel (TK behandeling afgerond) - AMvB's (RvS versie) - Invoeringswet (RvS versie) - Ontwerp digitale voorzieningen - Ontwerp van informatiepunt - Essentiële standaarden 2 jaar Vanaf publicatie alle wet- en regelgeving is nog ten minste 1 jaar nodig, maar geen randvoorwaarde voor inwerkingtreding 2-3 jaar Waarbij het uitgangspunt dat voor wijzigingen in regelgeving minimaal één jaar nodig is om te digitaliseren Best'üurs.ai<l<oord implemeritatie Om,gevingsvjet 36/36

40 PROVINCIE FLEVOLAND Mededeling Onderwerp Toetsversie Omgevingswet, IPO-reactie Doel van deze mededeling: Uw Staten op de hoogte stellen van de IPO-reactie op de toetsversie van de Omgevingswet en het vervolgproces. Toezegging/motie/amendement: In de mededeling van 4 maart 2013 over de toetsversie van de Omgevingswet (HB ) is aangegeven dat uw Staten op de hoogte worden gebracht van de IPO-reactie op de toetsversie. Inleiding: De huidige wetgeving voor de fysieke leefomgeving wordt grotendeels samengebracht in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt de toekomstige taken en bevoegdheden van de provincie op het domein van de fysieke leefomgeving. Re$istrdtier\ummer 14851i63 Datum 2 juli 2013 Auteur J. van der Perk Afdèlir)^/Bureau RM. Openbaarheid Passief openbaar Portefeuillehouder Gijsberts, A.' Ter kennisname aan PS en but-gerleden Doel van de Omgevingswet is een eenvoudiger en beter samenhangend omgevingsrecht om: - actiever en efficiënter aan een dynamische en duurzame leefomgeving te kunnen werken, - meer ruimte voor flexibiliteit en bestuurlijke afweging te geven, - samenhangende en efficiënte besluitvorming over projecten te bewerkstelligen. Voor het beoordelen van de Omgevingswet is in januari 2013 in IPO-verband een referentiekader opgesteld. De minister van l&m heeft op 28 februari 2013 een toetsversie van de Omgevingswet vrij gegeven voor formele consultatie voor de koepels en adviserende instanties. De toetsversie bevat nog niet alle in de Omgevingswet te brengen wetgeving voor de fysieke leefomgeving. Het Rijk wil de fysieke wetgeving in fasen overbrengen naar de Omgevingswet. Voor een indruk van de toetsversie van de Omgevingswet is enige informatie bijgevoegd. Mededeling: In IPO-verband is mede aan de hand van het referentiekader gereageerd op de Omgevingswet. Eerst is een voorlopige reactie gegeven, waarna op 24 mei 2013 de uiteindelijke reactie volgde. Daarnaast heeft het IPO met het Rijk op 6 juni 2013 een Afsprakenkader getekend voor het vervolgtraject. De reactie(s) en het Afsprakenkader zijn bijgevoegd. Hierna wordt op een paar hoofdpunten van de IPO-reactie ingegaan. f: 1

41 Mededeling Bladnummer 2 Documentnummer De IPO-reactie Er is nos veel onduidelijk Gebleken is dat de Omgevingswet zelf een soort kaderwet is. Veel wordt nog uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten (in de vorm van Algemene Maatregelen van Bestuur en Ministeriële Regelingen). Deze uitwerkingen zijn er nog niet. Daarmee blijft veel onduidelijk. Dit bemoeilijkt de beoordeling van de toetsversie van de Omgevingswet. De onduidelijkheid over de positie van de provincies, de werking van een aantal instrumenten, de wijze waarop de verschillende wetten alsnog in de Omgevingswet worden gebracht en de concrete inhoud van de uitvoeringsbesluiten zijn dan ook aanleiding geweest om afspraken te maken over de betrokkenheid van de provincies bij het vervolgtraject. Deze afspraken zijn neergelegd in het Afsprakenkader. fen adequaat interventie-instrument is cruciaal Voor het vervullen van de provinciale rol als gebiedsregisseur is een effectief interventieinstrument cruciaal. Het IPO heeft steeds aangegeven dat het op orde brengen van de interventiemogelijkheid voor de provincies een breekpunt is voor medewerking aan de Omgevingswet. Concreet spitste de discussie zich toe op het behoud van het huidige instrument "reactieve aanwijzing" uit de Wet ruimtelijke ordening. In de toetsversie wordt ervan uitgegaan dat interventie afdoende kan worden ingevuld met de instrumenten voor interbestuurlijk toezicht ( dit zijn de instrumenten in de plaats treding en vernietiging). De afgelopen periode heeft intensief overleg plaatsgevonden om duidelijk te maken dat het interbestuurlijk toezicht hiervoor tekort schiet en dat aanpassing van de Omgevingswet noodzakelijk is. Op basis daarvan zijn oplossingsrichtingen verkend. Dit heeft geresulteerd in een voorkeur voor de zogenoemde combinatie-variant: - een soort reactieve aanwijzing die kan worden toegepast bij de gemeentelijke omgevingsplannen (een gemeentelijke omgevingsplan is het beste te vergelijken met het huidige bestemmingsplan) en - advies en instemming bij de omgevingsvergunningen voor locatieontwikkelingsactiviteiten (een omgevingsvergunning voor een locatieontwikkelingsactiviteit is het beste te vergelijken met de huidige omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan). Het Rijk verwerkt deze uitkomst nog in de versie van de wet die aan de Raad van State wordt aangeboden. Kanttekening hierbij is dat de VNG geen voorstander was (en Is) van een interventie-instrument. De uiteindelijke wetsteksten voor dit onderdeel zijn nog niet bekend. Er is nog overleg over de teksten en de voorwaarden waaronder het interventie-instrument toegepast zou mogen worden. Het interventie-instrument blijft dus punt van aandacht, ook in het vervolgtraject. Ruimte voor aanpak van knelpunten die in de praktijk worden ervaren Daarnaast is de afspraak gemaakt om voor gesignaleerde knelpunten samen met het Rijk te zoeken naar oplossingen. Het is niet de bedoeling dat met het Invoeren van de oplossingen op de Omgevingswet wordt gewacht. De oplossingen worden zonodig aan bestaande wetgeving toegevoegd en zullen uiteindelijk wel een plaats krijgen in de Omgevingswet. Het gaat hier bijvoorbeeld om het flexibel inspelen op functieveranderingen (vanwege regionale programmering voor bedrijventerreinen en omgaan met tijdelijke functies) en het moderniseren van het grond en exploitatiebeleid (denk aan stedelijke herverkaveling en sloopfondsen in krimpregio's). Het vervolg Verwachte planning voor de Omgevingswet is: zomer 2013: versie van de Omgevingswet naar de Raad van State eind 2013: versie van de Omgevingswet naar de Tweede Kamer vanaf zomer 2013: opstellen onderliggende regelgeving na 2018: invoering Omgevingswet met onderliggende regelgeving

42 Mededeling Bladnummer 3 Documen tnummer Ter inzage in de leeskamer A. Algemeen over de Omgevingswet (HB ) 1. Overzicht wetten die meegaan In de 1^ tranche van de Omgevingswet 2. Schema uitgangspunt inrichting Omgevingswet: Europese regels en de beleidscyslus 3. Schema met de procedures voor een omgevingsvergunning en een projectbesluit B. IPO-reactie: 1. Voorlopige IPO-reactie (HB ) 2. Voorlopige IPO-reactie bijlage 1 (HB ) 3. Voorlopige IPO-reactie bijlage 2 (HB ) 4. Definitieve IPO-reactie (HB ) 5. Afsprakenkader IPO-Rijk (HB ) Verdere informatie Bijgevoegd zijn: A. Algemeen over de Omgevingswet (schema's) (HB ) B. IPO-reactie: - Voorlopige IPO-reactie (HB ) - Definitieve IPO-reactie (HB ) Voor de toetsversie van de Omgevingswet en het IPO-referentiekader wordt verwezen naar de mededeling van 4 maart 2013 (HB )

43 Omgevingswet - algemeen Overzicht wetten eerste tranche I Omgevingswet i'/et algemene bepalingen.omjevirgsrecht ^ "" Wet^mmonlak-en ''crtsis- en hersweiw^t ^ " '.V.'etbeneer '' ' > r-jkswstersiaat.vatkfen va: 195e "V.'st-ge.urhiDder-érT' <.'='éïtóudi?ij~ ^' ^.n er,m <<et stad ^i'-1, É^MMi0i?^^^iri^^^^}i^^0$$ i«^f isi^iilélii ''Aê hadnriditngen en ru!n"tsijki='o-d nng vvvet Konjmsfitervi-et ISSS gwet r I tsvocrstel VV&t iekaal ^. spoor vet luch^.vaa^t Lcl""varorfsiraqinq Lccaa'sp'-c-- en tramwegen i^i; É>ï^i j;: wat ^CïiTïiHetiöèHëai^ Uitgangspunt Omgevingswet: Europese regelgeving en de beleidscyclus On (^1 1 i l. Plannen en IHIrtiBi Algemene regels l Ptoiectbesluit. i Gmgevii^igvergunning!i --"l.- t, h?nri. " j\,r - Instructiêiegels

44 Omgevingswet - algemeen Procedures omgevingsvergunning en projectbesluit In Omgevingswet 1. REGULIERE PROCEDURE r > :3es;uit beroeo I'Kiger befoep. 2, UITGEBREIDE OPENBARE VOORBEREIDINGSPROCEDURE 'isnswiizen besluit beroeo hoger beroep 3 PROJECTBESLUIT voorn emei'i ^ rei^:w [jdte '.'oorkeuis aan vuiler^ reil:v.'ijdt& en dstörlniveau * p!-njpclrn.e.r. pi-ojecïbesiun Fasttane

45 Muzenstraat 61 Postbus BC Den Haag feleloon (070) fax (070) Aan de minister van Infrastructuur en Milieu, mevrouw drs. M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus Postbus EX 'S-GRAVENHAGE I1'II""II"IHI'1'TII'-IIIH"II-I'1 rprovigtciaa uw brief van uw kenmerk ons kenmerk datum 28 februari 2013 IENM/BSK-2013/19122 DROW 06235/ mei 2013 onderwerp Voorlopige IPO-reactie Omgevingswet Geachte mevrouw Schultz van Haegen, Hierbij ontvangt u de reactie van het IPO op de ontwerpversie van de Omgevingswet. Inmiddels denken wij ongeveer twee jaar met u mee over de stelselherziening van het omgevingsrecht. Wij complimenteren u met de in die periode bereikte resultaten zoals blijkt uit de voorliggende toetsversie. Er is door uw ministerie hard aan gewerkt. De structuur van de toetsversie Is sterk verbeterd ten opzichte van vorige versies en het ontwerp is goed doordacht. De Memorie van Toelichting geeft het gedachtegoed achter de wet duidelijk weer. Vanuit de positie van provincies beschouwd zijn we met de Omgevingswet goed op weg. Het stelsel van het omgevingsrecht raakt de positie van de provincies in de kern. Wij voelen ons medeverantwoordelijk voor een zorgvuldig verloop van het wetgevingstraject dat een adequate, werkbare wet moet opleveren die recht doet aan de uitvoeringspraktijk. Daarbij gaan we uit van een volwaardige positie (met bijbehorende instrumenten) van de provincie als middenbestuur. IPO-reactie is voorlopig Uw verzoek om vóór 1 mei op dit complexe wetsvoorstel te reageren bleek niet haalbaar. Deze brief bevat onze voorlopige reactie. Behalve de bestudering van de Omgevingswet (en intensief ambtelijk overleg daarover met uw ministerie) lopen er nog verschillende bestuurlijke processen. Deze hebben betrekking op het onderzoeken en kiezen van een interventie-instrument voor provincies in de Omgevingswet en het opstellen van een Afsprakenkader met het IPO. De bestuurlijke afspraken over interventie-instrument en Afsprakenkader krijgen in de maand mei een formele afronding. De definitieve IPO-reactie wordt op 23 mei vastgesteld in het IPO-bestuur, mede ter voorbereiding van het Bestuurlijke Koepeloverieg met u op 5 juni. Inlichtingen bij : ir. leme Faber DoorKlesnummer : (070) Bijlagen : 2

46 2 - Interventie-instrument Het verheugt ons zeer dat in het bestuurlijke overieg op 22 april jl. een keuze voor het alsnog toevoegen van een provinciaal interventie-instrument aan de Omgevingswet is gemaakt. Dat neemt voor de provincies een belangrijke barricade om te kunnen instemmen met de Omgevingswet weg. In het bestuuriijke overieg Is geconcludeerd dat het corrigerend Instructiebesluit onder enkele voorwaarden de voorkeur heeft boven schorsing en vernietiging in IBT-kader. In de Omgevingswet wordt een met de reactieve aanwijzing overeenkomend instrument opgenomen, onder de vooriopige naamgeving van het corrigerend instmctiebesluit. De voorwaarden zijn het vergroten van de voorspelbaarheid van de toepassing en een terughoudend gebruik van dit instrument richting gemeenten. De provincies zullen hier in overieg met de gemeenten een handelingsperspectief voor schetsen. Het IPO zal zich voor het tot stand komen daarvan inzetten. Daarnaast is afgesproken dat de toepassing van het instrument na enkele jaren zal worden geëvalueerd. Afsprakenkader Wij stellen het op prijs dat u, zoals eerder met de VNG, ook met het IPO afspraken wilt maken over een aantal belangrijke provinciale wensen met betrekking tot de Omgevingswet. Deze afspraken vinden aan de ene kant uitwerking in de Raad van State-versie van de Omgevingswet en geven aan de andere kant de gezamenlijke ambities weer met betrekking tot het verdere traject van de stelselherziening. Wij vertrouwen er op dat deze afspraken deze maand bestuuriijk worden afgerond. Algemeen oordeel De doelen van de stelselherziening zijn in het kort het verbeteren van het gebruik van het stelsel, het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de leefomgeving, het vergroten van de bestuuriijke afwegingsruimte en het versnellen en verbeteren van de besluitvorming over projecten. In algemene zin onderschrijven wij dat met de vooriiggende toetsversie het raamwerk voor de stelselherziening staat in termen van integraliteit en harmonisatie van de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Rijk, provincies en gemeenten hebben een gelijkwaardige verantwoordelijkheid voor de overheidszorg in het fysieke domein (in autonomie en medebewind), waarbij iedere overheid Integraal verantwoordelijk is op het eigen schaalniveau met de mogelijkheid adequaat te sturen. Naar ons oordeel laat de toetsversie (wettekst en memorie van toelichting) nog tekortkomingen zien waar het gaat om de gelijkwaardige positie van provincies ten opzichte van de andere overheden. De provinciale rol in de fysieke keten is beschermen (inclusief beheren, behouden en handhaven), programmeren (inclusief bevorderen (boven)regionale samenwerking) en ontwikkelen (inclusief gebiedsregie en uitvoeren). Wij kunnen nog niet goed beoordelen in hoeverre de toetsversie deze rol volledig ondersteunt: er ontbreken nog elementen in het stelsel, er zijn vragen bij de reikwijdte van Instrumenten, de toepassingsmogelijkheden zijn daardoor niet duidelijk en de toepassing hangt ook af van de uitwerking in de onderiiggende regelgeving. De echte impact van de Omgevingswet wordt pas duidelijk als meer bekend Is over de inhoud van de onderiiggende regelgeving (AMvB's en Ministeriële regelingen). Het is daardoor lastig om de consequenties van de wet nu geheel te overzien.

47 - 3 - Toets aan IPO-referentiekader Ter voorbereiding op de beoordeling van de toetsversie heeft het IPO-bestuur in december 2012 een referentiekader opgesteld. Het gaat hierbij om een interne vragenlijst, waarmee beoordeeld kan worden of de Omgevingswet wordt opgesteld in overeenstemming met de principes die de provincies willen hanteren en In de wet vertaald willen zien. Wij hebben het referentiekader op 9 januari 2013 ter infonnatie aan u toegestuurd. Het resultaat van de toetsing van de Omgevingswet aan het IPO-referentiekader treft u aan in bijlage 1. Onze overige opmerkingen bij de toetsversie zijn opgenomen in bijlage 2. De meer gedetailleerde en technisch-juridische opmerkingen zijn niet bij de brief gevoegd, maar zijn via de ambtelijke lijn aan uw ministerie doorgegeven en - in aansluiting op het aanbod in uw aanbiedingsbrief- met uw ministerie besproken. De contacten op dit vlak zullen ook In mei nog dooriopen. Hoofdpunten van de voorlopige IPO-reactie Hierna brengen wij de hoofdpunten van de IPO-beoordeling in bijlage 1 onder uw aandacht. 1. Compleet en robuust stelsel Wij willen dat in de MvT een beschrijving van een programma voor de stelselherziening wordt opgenomen. Daarin wordt als eindbeeld vastgelegd welke wetten bij de Inwerkingtreding zijn geïntegreerd, waaronder bodem, geluid, natuur, water (financiële regelingen). Eindperspectief is dat alle relevante wetten zijn opgenomen en als zelfstandige wet komen te vervallen. Aanvullend stellen wij voor delen van de WILG, Elektriciteitswet en andere nutswetten en de MIjnbouwwet in de eerste tranche van de Ow mee te nemen. Wat betreft de nieuwe Wet natuurbescherming pleiten wij er voor om in de eerste tranche verdergaande integratie dan op drie onderdelen te bewerkstelligen. 2. Toedeling overheidszorg aan provincies Wij willen dat de gelijkwaardige positie (taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, Instrumenten) van provincies In de MvT goed wordt neergezet. Daarbij dient de functie van het subsidiariteitsartikel (artikel 2.3) te worden betrokken, in de zin van hulpmiddel voor het positioneren van provincies als bestuurslaag tussen rijk en gemeenten, met autonome provinciale bevoegdheden. Wij willen dat artikel 2.5 (toedeling taken provincie) als volgt wordt aangepast: toevoegen aan lid 2 dat de daarin genoemde taken "in ieder geval" bij de provincie berusten, om de indruk te vermijden dat het om een volledige en limitatieve opsomming gaat; toevoegen aan lid 2 onder e. de taken voor het grondwaterbeheer (niet zijnde de drinkwatertaken); betere omschrijving van het begrip "gebiedsgerichte coördinatie van de overheidszorg", mede in het licht van de huidige taken in de te integreren (sector)wetten. Wij hebben goede nota genomen van de stellingname in de MvT dat het subsidiariteitsartikel 2.3 geen verandering oplevert in betekenis en reikwijdte van het provinciaal belang en niet leidt tot verzwaring van motiveringsverplichtingen ten opzichte van de Wro en Awb.

48 Doorzettingskracht De Omgevingswet behoort een inten/entie-lnstrument voor doorzettingskracht te bevatten waarmee de provincies In staat worden gesteld de eigen integrale verantwoordelijkheid in het ruimtelijke economische domein waar te maken. In de toetsversie komt de reactieve aanwijzing van de Wro niet terug en is ook geen vergelijkbaar interventie-instrument opgenomen. Zoals hiervoor is aangegeven, is op 22 april 2013 de afspraak gemaakt om alsnog een interventieinstrument aan de Ow toe te voegen dat vergelijkbaar is met de reactieve aanwijzing. 4. Verhouding provinde en waterschappen Wij constateren met tevredenheid dat de wetteksten van de toetsversie de bestaande bestuurlijke verhoudingen tussen provincies en de waterschappen borgt. Wij hechten in het bijzonder aan het "rekening houden met" het regionaal waterbeheerprogramma (art. 3.6), de doorwerkingsinstrumenten In hoofdstuk 2 (omgevingswaarden, instructieregels, instructies) en de provinciale goedkeuring van het projectbesluit van de waterschappen (art, 5.33). 5. Uitwerking in AMvB's Wij dringen aan op een toets van alle AMvB-verwIjzingen in de wettekst op onder andere de wijze van formulering (toets op zekerheid over bevoegdheden) en de samenhang tussen AMvB's (zoals bevoegd gezag, advies en Instemming). Wij wijzen hierbij in het bijzonder op de voor de provincies belangrijke AMvB's op grond van de artikelen 2.1 (lid 3), 2.10, 4.17, 5.10, 5.10 en Wij willen uitdrukkelijk bij de voorbereiding van dergelijke AMvB's worden betrokken. 6. Stelsel van rechtsfiguren: planstelsel De toetsversie iaat veel vrijheid aan de provincie over wat wordt vastgelegd in de omgevingsvisie en de uitwerking in plannen of programma's. Ook is er veel vrijheid voor het inzetten van de procedure van een formeel projectbesluit. Wij beoordelen deze vrijheid positief. Het onderscheid tussen plan en programma is niet helder en leidt alleen maar tot verwarring. Wij stellen voor alleen het begrip "programma" te gebruiken, met een goede begripsomschrijving. Plannen en programma's binden in de vooriiggende wettekst alleen de eigen bestuurslaag. Gezien de noodzaak tot doorwerking van de programmatische aanpak vinden wij het niet voldoende dat die aanpak alleen andere partijen bindt voor zover die daarmee hebben ingestemd. Hier is een aanvullende voorziening nodig. Wij willen dat volkomen duidelijkheid wordt geboden over de 1 op 1- vervanging van het inpassingsplan (Wro) door het projectbesluit. Dit houdt in dat het projectbesluit voorziet in alle functionaliteiten van het huidige inpassingsplan van de Wro, dus zowel gericht is op projectmatige als op (gebleds)ontwikkellngsgerichte plannen en ook een beschermend karakter kan dragen. 7. Stelsel van rechtsfiguren: normstelling en doorwerking Wij waarderen de mogelijkheid van provinciale Instructieregels en instructies positief. Wij willen dat klip en klaar duidelijk wordt gemaakt dat provincies rechtstreeks werkende regels kunnen stellen voorburgers en bedrijven, niet alleen bij uitzondering. Rechtstreeks werkende regels als bedoeld In artikel 4.20 zijn ook nodig voor de uitvoering van de provinciale (beheers)taken. Wij hebben behoefte aan een heldere uitleg In de MvT van de bestuurlijke afwegingsruimte die de Omgevingswet biedt, zowel op wets- als op AMvB-niveau, In het bijzonder voor wat betreft de reikwijdte van de provinciale normstelling.

49 - 5 Om zo veel mogelijk afwegingsruimte aan gemeenten en provincies te bieden, moet onder andere gestreefd worden naar: - maximaal mogelijk integratie van nationale toetsingskaders, naast harmonisatie en bundeling; - zoveel mogelijk werken met bandbreedtes per norm (AMvB-nIveau); - daarenboven op wetsniveau ruimte bieden om op basis van Integrale belangenafweging te kunnen afwijken van sectorale normen, anders dan op grond van een experimenteerartikel; - daar naast mimte bieden voor strengere provinciale regels (zoals voor geluld, lucht en geur) ten opzichte van generieke landelijke normstelling, om bestaande kwaliteiten te kunnen handhaven. 8- Nieuwe instrumenten: noodzaak nieuwe financiële en flexibele instrumpntsn Wij willen dat in de MvT alvast de ambities worden vastgelegd over vernieuwing van het instrumentarium voor grondbeleid. Wat ons betreft gaat het in ieder geval om een aantal zaken, dat nu al als knelpunt in dë uitvoeringspraktijk wordt ervaren; - instrument stedelijke herverkaveling, eventueel vooralsnog in de Ow experimenteerruimte bieden voor herverkaveling In krimpsituaties; vernieuwingen in het kostenverhaal, zoals bijdrage aan sloopfonds in krimpregio's; het opnemen van een wettelijke vervaltermijn voor planschade. Verder pleiten wij voor het behoud van het kostenverhaal voor een bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen. Ook willen wij dat onze wensen voor het flexibel Inspelen op functieveranderingen en het toevoegen van nieuwe financiële en flexibele instrumenten in het kader van de stelselherziening worden onderzocht. 9. Vergunningveriening, toezicht en handhaving Wij vinden dat de Ow meer moet aansluiten bij de recente lessen ten aanzien van vergunningveriening, toezicht en handhaving en een instrumentarium biedt dat minder vrijblijvend is en past bij de maatschappelijke druk op de aanscherping van VTH. Wij hebben grote bezwaren tegen het vervangen van het begrip "inrichting" door het begrip "(milieu)activiteit". Een inrichtinggebonden omgevingsvergunning moet mogelijk blijven. Wij staan kritisch tegenover verdere verschuiving van vergunningveriening naar algemene regels en uitvoering van het toezicht door private partijen. Wij wijzen hierbij op de complexiteit die uitvoering van het Activiteitenbesluit met zich mee heeft gebracht. Wij vert:rouwen er op dat het IPO over bovengenoemde e punten met u afspraken in het Afsprakenkader kan maken. Wij zullen intensief met u blijven samenwerken over het bereiken van een nieuw stelsel voor het omgevingsrecht, dat leidt tot een goede uitvoeringspraktijk. ^Met vriendelijke groet, INTERPROVINCIAAL OVERLEG drs G. Beukema, algemeen directeur

50 Muzenstraat 61 Pojlbus BC Den Haag leielddn(070) iax (070) Aan de minister van Infrastructuur en Milieu Postbus EX 'S-GRAVENHAGE., l ll.. n.. l.,., l..,l...,,l r p r V I a c i a. uw brief van uw kenmerk ons kenmerk datum 28 februari 2013 IENM/BSK-2013/19122 DROW 06273/ mei 2013 onderwerp Definitieve IPO-reactle Omgevingswet Geachte mevrouw Schultz van Haegen, Op 6 mei jl. heefl het IPO een reactie op de toetsversie van de Omgevingswet aan u toegestuurd (kenmerk DROW 06235/2013). Vanwege enkele lopende bestuuriijke processen was deze reactie vooriopig. Hierbij ontvangt u onze definitieve reactie, waarin we de afronding van deze processen bevestigen. Verder maken we van de gelegenheid gebruik om nog enkele inhoudelijke punten onder uw aandacht te brengen. Daarbij gaan wij ook in op de reacties van de VIMG en de Unie op de Omgevingswet, voor zover deze raken aan de positie van de provincies in het fysieke domein. Deze brief markeert tevens onze inzet voor het BKO Omgevingswet met u op 6 juni aanstaande. Regeling van het Interventie-Instrument in de Omgevingswet Na het bestuuriijk overieg van 22 april jl. Is overteg met uw ministerie gevoerd over de vormgeving van het provinciale (en rljks-)interventie-instrument in de Omgevingswet. Uitgaande van de tussenstand met betrekking tot het gezamenlijke overieg over de wettelijke regeling van 27 mei jl. (Notitie lenm/dlrecteur EB) spreken wij op dit moment een voorkeur uit voor een combinatievariant van twee interventievoorzieningen in de Omgevingswet: 1. een corrigerend instructiebeslult/gemoderniseerde reactieve aanwijzing Wro, gericht op omgevingsplannen en projectbesluiten (voor borging beleid); 2. advies en instemming, gericht op omgevingsvergunningen (voor beschikkingen). In het bestuurlijk overieg van 22 april is afgesproken in de Omgevingswet een met de reactieve aanwijzing van de Wro overeenkomend interventie-instrument op te nemen (dezelfde functionaliteit) en wij rekenen er op dat de combinatievariant hieraan tegemoet kan komen (door zo dicht mogelijk bij de Wro te blijven). Dit vergt nog enige uitwerking. In het bestuurlijk overleg tussen het IPO en de VNG van 27 mei is afgesproken hierover verder gedrieën (lenm, IPO, VNG) te overieggen. Inlichtingen bij : Ir. leme Faber DoorWesnummer : (070) Bijlagen : geen

51 - 2 Uitwerking voorwaarden interventie-instrument In het bestuuriijk overieg van 22 april is het opnemen van het interventie-instrument in de Omgevingswet verbonden aan enkele voorwaarden. De voorwaarden zijn het vergroten van de voorspelbaarheid van de toepassing en een terughoudend gebruik van dit instrument richting gemeenten. Ook zal het instrument binnen een aantal jaren worden geëvalueerd. De voorzitter van de IPO-delegatle Omgevingsrecht, de heer Y.C.M.G. de Boer (gedeputeerde in Noord-Brabant), heeft het initiatief genomen om de VNG uit te nodigen om zo snel mogelijk met het IPO te overieggen over de nadere invulling van deze voorwaarden. Het IPO zet zich in om globale afspraken met u en de VNG te maken, die vervolgens door de individuele provincies in overieg met de Inliggende gemeenten in een concreet handelings-perspectief worden uitgewerkt. De VNG heeft deze uitnodiging aanvaard. In het bestuuriijk overieg van 27 mei hebben het IPO en de VNG met elkaar afgesproken enkele procedurele afspraken bij de toepassing van het interventie-instrumentarium van de Omgevingswet met eikaar nader uit te werken. Deze afspraken hebben betrekking op het overieg met de gemeenten bij het opstellen van provinciaal beleid (visie, verordening en dergelijke) gericht op beleidsafstemming, op de kenbaarheid van het provinciaal beleid en op het overleg met de betrokken gemeente bij de voorgenomen inzet in een concreet geval. In het BKO op 6 juni zullen het IPO en de VNG hierover een gezamenlijke mededeling doen. Afsprakenkader lenm en IPO over de Omgevingswet Hierbij bevestigen wij het gezamenlijke bestuuriijk overeengekomen Afsprakenkader en nodigen u uit om de afspraken direct voorafgaand aan het BKO op 6 juni met de voorzitter van de IPOdelegatie Omgevingswet, de heer De Boer, te ondertekenen. Positie van provincies in het fysieke domein In de vooriopige IPO-reactie hebben wij gevraagd "de gelijkwaardige positie (taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, instrumenten) van provincies in de Memorie van Toelichting goed neer te zetten. Daarbij dient de functie van het subsidiariteitsartikel (artikel 2.3) te worden betrokken, in de zin van hulpmiddel voor het positioneren van provincies als bestuurslaag tussen Rijk en gemeenten, met autonome provinciale bevoegdheden." Dit verzoek krijgt in onze beleving extra lading, nu in de reactie van de VNG openlijk aan deze gelijkwaardige positie wordt getornd. Ook in de reactie van de Unie van Waterschappen worden de grenzen tussen functioneel en integraal bestuur verder opgerekt. De VNG spreekt van een "buitenproportionele ruimtelijke bemoeienis van Rijk en provincies met het gemeentelijk beleid". Wij herkennen ons absoluut niet in deze beeldvorming. Integendeel; de jurisprudentie op dit punt onder de Wro laat juist zien dat de provincies zorgvuldig omgaan met de onderbouwing en motivering van het provinciaal belang en terughoudend met de inzet van interventie-instrument (reactieve aanwijzing). In de vooriopige IPO-reactie hebben we met betrekking tot artikel 2.3 gesteld dat "wij goede nota hebben genomen van de stellingname in de Memorie van Toelichting dat het subsidiariteitsartikel 2.3 geen verandering oplevert in betekenis en reikwijdte van het provinciaal belang en niet leidt tot verzwaring van motiveringsverpllchtingen ten opzichte van de Wro en Awb." Wij dringen er bij u op aan dit in het BKO op 6 juni ter geruststelling van onder andere de VNG nog eens duidelijk naar voren te brengen. Wij hebben u in de voorlopige reactie gevraagd "expliciet In de toelichting te bevestigen dat de begrippen gemeente-overstijgend belang en regio-overstijgend belang alle zaken afdekken die naar

52 - 3 aard of schaal van het vraagstuk tot een provinciaal belang kunnen leiden. De toelichting dient een eenduidige opvatting van het begrip regionaal belang te geven." Een dergelijke verduidelijking is ook in het belang van de uitvoeringspraktijk van de gemeenten. In onze opvatting laten deze begrippen onveriet dat ook in (binnen)stedelljk gebied provinciale belangen aan de orde kunnen zijn. Verder vragen wij u nota te nemen van het rapport 'Gevolgen Omgevingswet voor Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Overijssel', Radboud Universiteit Nijmegen, 6 mei 2013, waarin de conclusie wordt getrokken dat de bedoeling van het criterium "doelmatige en doeltreffende overheidszorg voor de fysieke leefomgeving' in artikel 2.3 nader inzichtelijk moet worden gemaakt In de toelichting. Wij gaan er expliciet van uit dat dit criterium (lid 1, onder b) niet beperkend werkt voor het criterium van gemeente-overstijgend belang (lid 1, onder a). Tevens dat laatstgenoemd criterium geen verandering teweeg zal brengen in de jurisprudentie op dit punt onder de Wro. VerounninaverleninQ, toezicht en handhaving Het IPO maakt zich ernstig zorgen over de consequenties van enkele uitgangspunten in de toetsversie voor de integratie van het VTH-stelsel in de Omgevingswet. Wij betreuren het dat hierover in het Afsprakenkader geen afspraak mogelijk was. Om die reden herhalen wij de vooriopige IPO-reactie op twee punten: 1. de Omgevingswet moet aansluiten bij de recente lessen ten aanzien van vergunningveriening, toezicht en handhaving, dat wil zeggen een instrumentarium bieden dat niet vrijblijvend Is en past bij de maatschappelijke druk op de aanscherping van VTH. Een van de doelen van de Omgevingswet is verschuiving naar meer algemene regels en minder vergunningen. In het bijzonder bij milieu zijn de grenzen daarvan inmiddels wel bereikt. Ook uit de lessen van Enschede, CMI, Chemie-Pack, Moerdijk, Odfjell etc, blijkt dat er juist behoefte is aan heldere, transparante vergunningen met duidelijke normen die voldoende aanknopingspunten bieden voor toezicht en handhaving; 2. de in de toetsversie gehanteerde principes van het loslaten van de onlosmakelijke samenhang en het laten vervallen van het begrip inrichting moeten worden heroverwogen voor wat betreft de complexere bedrijven, hier aangeduid als provinciale inrichtingen. Uitgangspunt Is te voorkomen dat het principe van "één omgevingsvergunning" en "één bevoegd gezag" op "één locatie" wordt ondergraven, met een complexere handhaving als gevolg. Uitgangspunt is ook dat de provincies het bevoegd gezag behouden met betrekking tot (milieu)activiteiten binnen wat nu provinciale inrichtingen zijn, dat wil zeggen voor alle milieuactiviteiten binnen de complexere bedrijven. Voor het IPO ligt hier een belangrijk bespreekpunt voor het BKO op 5 juni a.s. Met vriendelijke groet, INTERPROVINCIAAL OVERLEG drs G. Beukema algemeen directeur

53 Muzenstraat 61 Postbus BC Den Haag leleloon(070) fax (070) Aan de minister van Infrastructuur en Milieu Postbus EX 'S-GRAVENHAGE., l ll..,.., l.,., l..,l,...,l : e r p r i II c i a a i Overleg uw brief van uw kenmerk ons kenmerk datum 28 februari 2013 IENM/BSK-2013/19122 DROW 06273/ mei 2013 onderwerp Definitieve IPO-reactie Omgevingswet Geachte mevrouw Schultz van Haegen, Op 6 mei jl. heeft het IPO een reactie op de toetsversie van de Omgevingswet aan u toegestuurd (kenmerk DROW 06235/2013). Vanwege enkele lopende bestuuriijke processen was deze reactie vooriopig. Hierbij ontvangt u onze definitieve reactie, waarin we de afronding van deze processen bevestigen. Verder maken we van de gelegenheid gebruik om nog enkele inhoudelijke punten onder uw aandacht te brengen. Daarbij gaan wij ook in op de reacties van de VNG en de Unie op de Omgevingswet, voor zover deze raken aan de positie van de provincies In het fysieke domein. Deze brief markeert tevens onze inzet voor het BKO Omgevingswet met u op 6 juni aanstaande. Regeling van het Interventie-Instrument in de Omgevingswet Na het bestuurlijk overieg van 22 april jl, is overteg met uw ministerie gevoerd over de vormgeving van het provinciale (en rijks-)interventie-lnstrument in de Omgevingswet. Uitgaande van de tussenstand met betrekking tot het gezamenlijke overieg over de wettelijke regeling van 27 mei jl. (Notitie lenm/dlrecteur EB) spreken wij op dit moment een voorkeur uit voor een combinatievariant van twee interventievoorzieningen in de Omgevingswet: 1. een corrigerend instructlebeslult/gemoderniseerde reactieve aanwijzing Wro, gericht op omgevingsplannen en projectbesluiten (voor borging beleid); 2. advies en Instemming, gericht op omgevingsvergunningen (voor beschikkingen). In het bestuurlijk overieg van 22 april is afgesproken in de Omgevingswet een met de reactieve aanwijzing van de Wro overeenkomend interventie-instrument op te nemen (dezelfde functionaliteit) en wij rekenen er op dat de combinatievariant hieraan tegemoet kan komen (door zo dicht mogelijk bij de Wro te blijven). Dit vergt nog enige uitwerking. In het bestuurlijk overieg tussen het IPO en de VNG van 27 mei Is afgesproken hierover verder gedrieën (lenm, IPO, VNG) te overieggen. Inlichtingen bu : ir. leme Faber Door1<lesnummer : (070) Bijlagen : geen

54 - 2 - Uitwerking voorwaarden Interventie-instrument In het bestuuriijk overieg van 22 april is het opnemen van het Interventie-instrument in de Omgevingswet verbonden aan enkele voorwaarden. De voorwaarden zijn het vergroten van de voorspelbaarheid van de toepassing en een terughoudend gebruik van dit instrument richting gemeenten. Ook zal het instrument binnen een aantal jaren worden geëvalueerd. De voorzitter van de IPO-delegatie Omgevingsrecht, de heer Y.C.M.G. de Boer (gedeputeerde in Noord-Brabant), heeft het initiatief genomen om de VNG uit te nodigen om zo snel mogelijk met het IPO te overieggen over de nadere invulling van deze voorwaarden. Het IPO zet zich in om globale afspraken met u en de VNG te maken, die vervolgens door de individuele provincies in overieg met de Inliggende gemeenten in een concreet handelings-perspectief worden uitgewerkt. De VNG heeft deze uitnodiging aanvaard. In het bestuuriijk overieg van 27 mei hebben het IPO en de VNG met elkaar afgesproken enkele procedurele afspraken bij de toepassing van het interventie-instrumentarium van de Omgevingswet met elkaar nader uit te werken. Deze afspraken hebben betrekking op het overieg met de gemeenten bij het opstellen van provinciaal beleid (visie, verordening en dergelijke) gericht op beleidsafstemming, op de kenbaarheid van het provinciaal beleid en op het overleg met de betrokken gemeente bij de voorgenomen inzet In een concreet geval. In het BKO op 6 juni zullen het IPO en de VNG hierover een gezamenlijke mededeling doen. Afsprakenkader lenm en IPO over de Omgevingswet Hierbij bevestigen wij het gezamenlijke bestuuriijk overeengekomen Afsprakenkader en nodigen u uit om de afspraken direct voorafgaand aan het BKO op 6 juni met de voorzitter van de IPOdelegatie Omgevingswet, de heer De Boer, te ondertekenen. Positie van provincies in het fysieke domein In de vooriopige IPO-reactie hebben wij gevraagd "de gelijkwaardige positie (taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden. Instrumenten) van provincies in de Memorie van Toelichting goed neer te zetten. Daarbij dient de functie van het subsidiariteitsartikel (artikel 2.3) te worden betrokken, in de zin van hulpmiddel voor het positioneren van provincies als bestuurslaag tussen Rijk en gemeenten, met autonome provinciale bevoegdheden." Dit verzoek krijgt in onze beleving extra lading, nu in de reactie van de VNG openlijk aan deze gelijkwaardige positie wordt getornd. Ook in de reactie van de Unie van Waterschappen worden de grenzen tussen functioneel en integraal bestuur verder opgerekt. De VNG spreekt van een "buitenproportionele ruimtelijke bemoeienis van Rijk en provincies met het gemeentelijk beleid". Wij herkennen ons absoluut niet in deze beeldvorming. Integendeel; de jurisprudentie op dit punt onder de Wro laat juist zien dat de provincies zorgvuldig omgaan met de onderbouwing en motivering van het provinciaal belang en terughoudend met de inzet van interventie-instrument (reactieve aanwijzing). In de voorlopige IPO-reactie hebben we met betrekking tot artikel 2.3 gesteld dat "wij goede nota hebben genomen van de stellingname in de Memorie van Toelichting dat het subsidiariteitsartikel 2.3 geen verandering oplevert In betekenis en reikwijdte van het provinciaal belang en niet leidt tot verzwaring van motiveringsverplichtingen ten opzichte van de Wro en Awb." Wij dringen er bij u op aan dit in het BKO op 6 juni ter geruststelling van onder andere de VNG nog eens duidelijk naar voren te brengen. Wij hebben u in de vooriopige reactie gevraagd "expliciet In de toelichting te bevestigen dat de begrippen gemeente-overstijgend belang en regio-overstijgend belang alle zaken afdekken die naar

55 3 - aard of schaal van het vraagstuk tot een provinciaal belang kunnen leiden. De toelichting dient een eenduidige opvatting van het begrip regionaal belang te geven," Een dergelijke verduidelijking is ook in het belang van de uitvoeringspraktijk van de gemeenten. In onze opvatting laten deze begrippen onveriet dat ook in (binnen)stedelljk gebied provinciale belangen aan de orde kunnen zijn. Verder vragen wij u nota te nemen van het rapport'gevolgen Omgevingswet voor Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Overijssel', Radboud Universiteit Nijmegen, 6 mei 2013, waarin de conclusie wordt getrokken dat de bedoeling van het criterium 'doelmatige en doeltreffende overheidszorg voor de fysieke leefomgeving' in artikel 2.3 nader inzichtelijk moet worden gemaakt in de toelichting. Wij gaan er expliciet van uit dat dit criterium (lid 1, onder b) niet beperkend werkt voor het criterium van gemeente-overstijgend belang (lid 1, onder a). Tevens dat laatstgenoemd criterium geen verandering teweeg zal brengen in de jurisprudentie op dit punt onder de Wro. Verounninaveriening. toezicht en handhaving Het IPO maakt zich ernstig zorgen over de consequenties van enkele uitgangspunten in de toetsversie voor de integratie van het VTH-stelsel in de Omgevingswet. Wij betreuren het dat hierover in het Afsprakenkader geen afspraak mogelijk was. Om die reden herhalen wij de vooriopige IPO-reactie op twee punten: 1. de Omgevingswet moet aansluiten bij de recente lessen ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving, dat wil zeggen een instrumentarium bieden dat niet vrijblijvend is en past bij de maatschappelijke druk op de aanscherping van VTH. Een van de doelen van de Omgevingswet is verschuiving naar meer algemene regels en minder vergunningen. In het bijzonder bij milieu zijn de grenzen daarvan inmiddels wel bereikt. Ook uit de lessen van Enschede, CMI, Chemie-Pack, Moerdijk, Odfjell etc. blijkt dat er juist behoefte Is aan heldere, transparante vergunningen met duidelijke normen die voldoende aanknopingspunten bieden voor toezicht en handhaving; 2. de in de toetsversie gehanteerde principes van het loslaten van de onlosmakelijke samenhang en het laten vervallen van het begrip Inrichting moeten worden heroverwogen voor wat betreft de complexere bedrijven, hier aangeduid als provinciale inrichtingen. Uitgangspunt is te voorkomen dat het principe van "één omgevingsvergunning" en "één bevoegd gezag" op "één locatie" wordt ondergraven, met een complexere handhaving als gevolg. Uitgangspunt is ook dat de provincies het bevoegd gezag behouden met betrekking tot (milieu)activiteiten binnen wat nu provinciale inrichtingen zijn, dat wil zeggen voor alle milieuactiviteiten binnen de complexere bedrijven. Voor het IPO ligt hier een belangrijk bespreekpunt voor het BKO op 6 juni a.s. Met vriendelijke groet, INTERPROVINCIAAL OVERLEG drs G. Beukema algemeen directeur

56 PROVINCIE FLEVOLAND Mededeling Onderwerp Omgevingswet aan Tweede Kamer aangeboden Doel van deze mededeling: Uw Staten informeren over de stand van zaken inzake de Omgevingswet. Toezegging/motie/amendement: Niet van toepassing. Inleiding; Met de mededeling van juli 2013 (nummer ) bent u op de hoogte gesteld dat het Rijk een Omgevingswet opstelt. De huidige wetgeving voor de fysieke leefomgeving wordt grotendeels samengebracht in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt de toekomstige taken en bevoegdheden van de provincie op het domein van de fysieke leefomgeving. Resistratienummer Datum 22 september 2014 ïïmtèu&iw^^ J. van der Perk ifafpéllijslbiitedii^^ RM ^Opehbqdrheid Passief openbaar Portefeuillehouder Gijsberts, A. Ter kennisname aan PS en burgerleden Op 17 juni 2014 is de Omgevingswet aan de Tweede Kamer aangeboden. Naar verwachting zal de Tweede Kamer deze dit najaar behandelen. Veel zaken moeten nog worden uitgewerkt in uitvoerende regelgeving. Daarbij wordt gedacht aan 3 tot 4 AMvB's (Algemene Maatregelen van Bestuur). Eerste concepten daarvan worden in 2015 verwacht. De planning van het Rijk is erop gericht dat de Omgevingswet in 2018 van kracht wordt. Mededeling: In de eerste helft van 2014 heeft intensief overleg plaats gevonden tussen het Rijk en de koepels. Het rijk, de VNG, de Unie van Waterschappen en het IPO verschilden op onderdelen van standpunt. De belangrijkste punten waren de volgende. - Vergunningverlening, toezicht en handhaving: Vanuit het IPO is aandacht gevraagd voor het voorkomen van versnippering van vergunningen, bevoegde gezagen en handhaving. Het belang hiervan blijkt onder meer uit de evaluatie van.de casus Odfjell. - Interventie-instrumentarium (huidige reactieve aanwijzing van de Wet ruimtelijke ordening). De VNG wilde het instrument beperken en het liefst afschaffen. Vraag was ook of het generieke instrumentarium van schorsen en vernietiging voldoende was. Het Rijk is tot de conclusie gekomen dat het generiek instrumentarium niet voldoet. De huidige ervaring van een aantal provincies met verzoeken bij de Kroon om schorsing en vernietiging, bevestigen dat beeld. Het Rijk heeft oók in de Omgevingswet interventie-instrumenten opgenomen. Met de huidige reactieve aanwijzing kunnen onderdelen uit een bestemmingsplan worden gehaald. Dit kan ook bij omgevingsvergunningen waarmee van een bestemmingsplan wordt afgeweken (voorheen werd zo'n omgevingsvergunning ook wel genoemd: projectbesluit, projectafwijkingsbesluit en daarvoor art. 19-procedure). In de Omgevingswet is het mogelijk gemaakt om bij een gemeentelijk omgevingsplan (opvolger bestemmingsplan) te interveniëren met een besluit van GS dat bepaalde onderdelen geen deel meer van het omgevingsplan uitmaken. Bij een omgevingsvergunning waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken, wordt de mogelijkheid tot interveniëren ingebed in de regeling voor ad-

57 Mededeling Bladnummer 2 Documentnummer vies en instemming inzake een omgevingsvergunning. De discussie over de reactieve aanwijzing heeft er toe geleid dat IPO en VNG een gezamenlijke opdracht voor onderzoek naar de praktijk van de reactieve aanwijzing hebben laten verrichten. De uitkomsten zijn in augustus 2014 bekend geworden. Hieruit blijkt dat de provincies geen bovenmatig gebruik van de reactieve aanwijzing maken. Het beeld dat de VNG hierover gaf, behoeft dan ook bijstelling. - Regionaal waterprogramma van de provincies. De Unie van Waterschappen wilde dat het regionaal waterprogramma beperkt zou worden tot de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese richtlijnen. Dat zou bijvoorbeeld inhouden dat overeengekomen ecologische doelen alleen nog via de juridische weg van een verordening kunnen worden vastgelegd. Uiteindelijk is de reikwijdte niet beperkt en heeft het IPO samen met de Unie een handreiking opgesteld als uitwerking van een actiepunt van het Bestuursakkoord Water. In de Omgevingswet is nu expliciet opgenomen dat een instructie en een interventie op een gemeentelijk omgevingsplan (opvolger bestemmingsplan) kan worden gegeven op basis van beleid (een openbaar gemaakt document) en hieo/oor het beleid dus niet eerst in regels vertaald hoeft te worden. Dit voorkomt een discussie die bij de Wro heeft gespeeld: namelijk of een reactieve aanwijzing wel mogelijk was op basis van beleid, of alleen op basis van een Wro-verordening. Inmiddels is er jurisprudentie dat een reactieve aanwijzing ook mogelijk is op basis van 'bestendig beleid'. Dit is van belang omdat er destijds bewust voor is gekozen om in Flevoland geen algemene Wroverordening op te stellen. Al met al komen de huidige instrumenten die de provincie heeft - vaak in een wat gewijzigde vorm - in de Omgevingswet terug. Dit houdt in dat de vormgeving van provinciaal beleid en regels mogelijk op termijn aanpassing behoeven. Omdat invoering van de Omgevingswet eerst in 2018 is voorzien voert het te ver om daar nu al op in te gaan. Op dit moment wordt wel bezien hoe mede in het kader van de vereiste digitalisering daar op kan worden geanticipeerd. Het vervolg Verwachte planning voor de Omgevingswet is: najaar 2014: behandeling in Tweede Kamer in 2015: eerste versies van de uitvoerende regelgeving na 2018: invoering Omgevingswet met uitvoerende regelgeving Ter inzage in de leeskamer Omgevingswet zoals die aan de Tweede Kamer is aangeboden - Wetsvoorstel ( ) Memorie van Toelichting ( ) Artikelsgewijze toelichting (162971) Nader rapport wetsvoorstel ( ) - Advies Raad van State ( ) - Brief aan Tweede Kamer ( ) Praktijkonderzoek reactieve aanwijzing ( ) Verdere informatie Mededeling van juli 2013 over de toetsversie van de Omgevingswet ( ) Bijlagen Factsheet Omgevingswet. Deze bevat de hoofdpunten van de Omgevingswet ( ) Hoofdstuk 3 Memorie van Toelichting Deze geeft een omschrijving van de diverse instrumenten ( )

58 In isio werd in Nederland de Mijnwet van kracht: de eerste wet gericht op de leefomgeving. Sindsdien zijn er talloze wetten en regels op dat gebied bij gekomen. Zo is een ingewikkeld geheel ontstaan, vraarin bijna niemand meer de weg kan vinden. Dat moet eenvoudiger en beter. Daarom is er nu het wetsvoorstel voor de Omgevingswet: één wet die alle wetten en regels op het gebied van de leefomgeving vereenvoudigt en bundelt. Uitga ngspudten Het moet eenvoudiger, efficiënter en beter Projecten moeten in samenhang en per gebied worden aangepakt. Procedures mogen niet meer eindeloos duren, regelgeving moet voorspelbaar, betaalbaar en transparant zijn. Onderzoekslasten kunnen aanzienlijk worden verminderd. Zekerheid en dynamiek Bescherming van burgers blijft een belangrijk doel. Daamaast moet het ook uitnodigen tot nieuwe initiatieven en ontwikkelingen en niet alles bij voorbaat dichttimmeren. Ruimte voor duurzame ontwikkeling Veel regels zijn verouderd en staan innovatieve ontviikkelingen, gericht op duurzaamheid, in de weg. Het nieuwe omgevingsrecht ondersteunt en stimuleert juist de transitie naar een duurzame samenleving, Ruimte voor regionale verschillen Wat goed is voor de ene regio, is lang niet altijd geschikt voor de andere. Het nieuwe omgevingsrecht is flexibel, waardoor provincies en gemeenten regionaal en lokaal maatwerk kunnen leveren. Actieve en kwalitatief goede uitvoering Het oude omgevingsrecht is gericht op het beschermen van deelbelangen en daardoor defensief Het nieuwe omgevingsrecht is flexibel en biedt transparante en doelmatige procedures. Die prikkelen bestuurders tot acrief gedrag dat is gebaseerd op vertrouwen en het dragen van verantwoordelijkheid.