Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1"

Transcriptie

1 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Vraag 1 Bin. Munt/Buit. munt Hoeveelheid buitenlandse munt Beschouw bovenstaande grafiek met op de Y-as de hoeveelheid binnenlandse munt per eenheid buitenlandse munt en op de X-as de gevraagde en aangeboden hoeveelheid buitenlandse munt. De gestippelde lijnen geven de nieuwe situatie weer. Bovenstaande verschuivingen kunnen het gevolg zijn van: A. een depreciatie van de binnenlandse munt. B. een stijging van het binnenlands inkomen (wanneer er abstractie gemaakt wordt van het effect op de kapitaalstromen). C. een daling van de binnenlandse intrestvoet. D. een stijging van het buitenlands prijspeil. A. een depreciatie van de binnenlandse munt. Fout. Een depreciatie van de binnenlandse munt impliceert een appreciatie van de buitenlandse munt of een stijging van de WK. Een verandering in de WK zorgt niet voor een verschuiving van V en A, maar voor een beweging LANGS vraag en aanbod. B. een stijging van het binnenlands inkomen (wanneer er abstractie gemaakt wordt van het effect op de kapitaalstromen). Fout. Een stijging van het binnenlands inkomen zorgt voor een stijging van de binnenlandse vraag waaronder de binnenlandse vraag naar buitenlandse producten (=import). De vraag naar buitenlandse munt verschuift dus naar rechts. C. een daling van de binnenlandse intrestvoet. Fout. Het wordt (relatief) voordeliger om geld in het buitenland te beleggen => de vraag naar buitenlandse valuta verschuift naar rechts en het aanbod van vreemde valuta verschuift naar links. D. een stijging van het buitenlands prijspeil. Juist. Buitenlandse producten worden duurder vergeleken met binnenlandse producten. Dit verhoogt de binnenlandse export waardoor het aanbod van buitenlandse valuta naar rechts verschuift. Het effect op de vraag naar buitenlandse valuta is eigenlijk niet zo zeker. De verhoogde buitenlandse prijzen leiden tot een daling van de binnenlandse vraag naar ingevoerde goederen en diensten, maar voor eenzelfde kwantiteit moet nu meer buitenlandse munt betaald worden. Indien het eerste effect domineert, verschuift de vraag naar buitenlandse valuta naar links.

2 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 2 Vraag 2 De geldbasis wordt, ceteris paribus, groter ten gevolge van: A. de aankoop door de ECB van buitenlandse deviezen. B. een toename van de voorkeur van het publiek voor chartaal geld ten opzichte van giraal geld. C. een verhoging van de intrestvoet. D. een verlaging van de kasreservecoëfficiënt. A. de aankoop door de ECB van buitenlandse deviezen. Juist. De ECB koopt de buitenlandse deviezen in ruil voor euro. Hierdoor vergroot ofwel de hoeveelheid chartaal geld in handen van het publiek ofwel de reserves van de banken. De geldbasis, die gelijk is aan de som van het chartaal geld in handen van het publiek en de reserves van de banken, zal dus groter worden. B. een toename van de voorkeur van het publiek voor chartaal geld ten opzichte van giraal geld. Fout. Dit heeft geen effect op de totale hoeveelheid chartaal geld aanwezig in een economie (in handen van het publiek + in de kluizen van de commerciële banken), noch op de deposito s van de commerciële banken bij de centrale bank. De geldbasis, CP + R, blijft dus onveranderd. Wat wel verandert, is de verhouding tussen de twee componenten van de geldbasis. Doordat het publiek meer chartaal geld bijhoudt, komt er minder in de kluizen van de banken terecht. CP stijgt dus en R daalt. Een toename van de voorkeur van het publiek voor chartaal geld ten opzichte van giraal geld heeft wel een effect op de totale geldhoeveelheid (CP+D). Deze daalt. C. een verhoging van de intrestvoet. Fout. De geldbasis bestaat uit het chartaal geld in handen van het publiek en de reserves van de banken. Deze wordt volledig gecontroleerd door de centrale bank en is dus niet afhankelijk van de intrestvoet. D. een verlaging van de kasreservecoëfficiënt. Fout. Deze interventie heeft geen effect op de totale hoeveelheid chartaal geld aanwezig in een economie (in handen van het publiek + in de kluizen van de commerciële banken), noch op de deposito s van de commerciële banken bij de centrale bank. De geldbasis, CP + R, blijft dus onveranderd. Een verlaging van de kasreservecoëfficiënt heeft wel een positief effect op de totale geldhoeveelheid (CP + D).

3 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 3 Vraag 3 Een economie bevindt zich in het punt E 0. Q N is het outputniveau dat overeenkomt met de natuurlijke graad van werkloosheid. Welke uitspraak is juist? P LAA AA 0.E. 1. E 0 E 2 AV 0 Q N Q A. Als de overheid er in slaagt om de nominale lonen constant te houden en de technologische vooruitgang te stimuleren, kan het evenwicht op lange termijn in E 0 liggen. B. Als gevolg van de overtewerkstelling in E 0, dalen de nominale lonen. Hierdoor neemt de consumptie af en verschuift de AV-curve naar links zodat punt E 2 wordt bereikt. C. Om vanuit E 0 terug te keren naar het niveau van natuurlijke werkloosheid, is een daling van het nominale loon meer aangewezen dan een restrictief monetair beleid. D. Als gevolg van de conjuncturele werkloosheid in E 0, dalen de nominale lonen en wordt op lange termijn punt E 2 bereikt. A. Juist. Als de overheid ervoor zorgt dat er technologische vooruitgang komt terwijl de nominale lonen constant blijven, dan verschuift de LAA-curve naar rechts terwijl de AAcurve op korte termijn niet verschuift. Als de LAA-curve ver genoeg naar rechts verschuift komt het nieuwe lange termijn evenwicht in E 0. B. Fout. Als gevolg van de overtewerkstelling stijgen de nominale lonen. Hierdoor verschuift de AA-curve naar links zodat punt E 1 wordt bereikt. C. Fout. Een daling van het nominale loon zorgt voor een verschuiving van de AA-curve naar rechts. Daardoor wordt het probleem van overtewerkstelling nog groter. Een restrictief monetair beleid zorgt daarentegen voor een verschuiving van de AV-curve naar links. Daardoor wordt het lange termijn-evenwicht E 2 bereikt. D. Fout. In het punt E 0 is er geen conjuncturele werkloosheid maar overtewerkstelling. Daardoor zullen op lange termijn de nominale lonen stijgen wat AA naar links doet verschuiven zodat het punt E 1 bereikt wordt.

4 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 4 Vraag 4 Gegeven is het volgende structurele model van een fictieve gesloten economie met overheid en constante prijzen (P=1): C = 0,8 Y b Y b = Y T T = ,3 Y I = i G =? M a = 1100 M v = i + 0,4Y De overheid wenst een evenwichtsinkomen van 1000 te bereiken. Hoe groot is dan het saldo op de begroting? A. 590 B. 460 C. 460 D. 590 A. Fout. B. Fout. C. Juist. We zijn op zoek naar T G = ,3*1000 G. Evenwicht op de goederenmarkt impliceert AA = AV of Y = 0,8 ( Y 750 0,3Y) i + G of Y = (G i) / 0,44. Evenwicht op de geldmarkt impliceert M a = M v of 1100 = i + 0,4Y of i = -0,35 + 0,0004Y. De overheid zal G zodanig kiezen dat er bij Y = 1000 evenwicht is zowel op de geldmarkt als op de goederenmarkt. Opdat er bij Y=1000 evenwicht zou zijn op de geldmarkt moet i gelijk zijn aan 0,35 + 0,0004*1000 = 0,05. Opdat er bij een outputniveau gelijk aan 1000 en een intrestvoet gelijk aan 0,05 evenwicht zou zijn op de goederenmarkt moet G gelijk zijn aan 1000*0, *0,05 (zie formule hierboven) => G = 590. Het saldo op de begroting is dan ,3* = 460. D. Fout.

5 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 5 Vraag 5 Op een afgelegen eiland in de Indische oceaan leven mensen zonder overheid en zonder contact met de rest van de wereld. De totale waarde van hun productie bedraagt 100 miljoen euro waarvan ze 60 miljoen euro consumeren. Om 1 euro meer te produceren moeten de eilandbewoners 2 euro investeren. Momenteel wordt de productiecapaciteit volledig benut. Hoeveel zal de totale productie volgend jaar bedragen volgens het Harrod-Domar model? A. 102 miljoen euro B. 110 miljoen euro C. 111 miljoen euro D. 120 miljoen euro A. Fout. B. Fout. C. Fout. D. Juist. Volgens het Harrod-Domar model kan de groeivoet van het netto binnenlands product als volgt berekend worden: Qn/Qn = s/k. Het netto binnenlands product Qn bedraagt 100 miljoen euro waarvan 60 miljoen euro wordt geconsumeerd. De overige 40 miljoen euro wordt dus gespaard zodat de spaarquote s gelijk is aan 0,4. De marginale kapitaaloutputcoëfficiënt k is de verhouding van de investeringen ten opzichte van de toename van de productie die daardoor mogelijk wordt. Deze is dus gelijk aan 2. De absolute groei van het netto binnenlands product kunnen we dus berekenen als: Qn = Qn*(s/k) = 100 miljoen euro * (0,4/2) = 20 miljoen euro. Volgend jaar zal de productie volgens het Harrod-Domar model dus gelijk zijn aan 120 miljoen euro.

6 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 6 Vraag 6 Welke uitspraak is juist? A. Volgens de Keynesianen is de geldvraag minder intrestgevoelig dan volgens de monetaristen. Bijgevolg verloopt de LM-curve vlakker volgens de Keynesianen dan volgens de monetaristen. B. Volgens de Keynesianen zijn de investeringen minder intrestgevoelig dan volgens de monetaristen. Bijgevolg verloopt de IS-curve steiler volgens de Keynesianen dan volgens de monetaristen. C. Volgens de Keynesianen is de geldvraag intrestgevoeliger dan volgens de monetaristen. Bijgevolg verloopt de LM-curve steiler volgens de Keynesianen dan volgens de monetaristen. D. Volgens de Keynesianen zijn de investeringen intrestgevoeliger dan volgens de monetaristen. Bijgevolg verloopt de IS-curve vlakker volgens de Keynesianen dan volgens de monetaristen. A. Fout. Volgens de Keynesianen is de vraag naar geld zeer gevoelig voor veranderingen in de intrestvoet of met andere woorden, is de parameter m heel groot. De helling van de LMcurve, k/m, is bijgevolg klein of de LM-curve verloopt eerder vlak. B. Juist. Volgens Keynes zijn het vooral de animal spirits van de ondernemers die de investeringen bepalen en niet zozeer de intrestvoet. De parameter h is dus relatief klein volgens de Keynesianen. De absolute waarde van de helling van de IS-curve, [1 c (1 t)] / h, is in dit geval relatief groot of de IS-curve is relatief steil. C. Fout. Volgens de Keynesianen is de geldvraag inderdaad intrestgevoeliger dan volgens de monetaristen maar dit impliceert een relatief vlakke LM-curve. Algebraïsch betekent een grote intrestgevoeligheid van de geldvraag immers een hoge waarde voor de parameter m en bijgevolg een kleine waarde voor de helling van de LM-curve k/m. D. Fout. Volgens Keynes zijn het vooral de animal spirits van de ondernemers die de investeringen bepalen en niet zozeer de intrestvoet. Volgens de Keynesianen is de intrestgevoeligheid van de investeringen dus klein of de parameter h relatief klein. De absolute waarde van de helling van de IS-curve, [1 c (1 t)] / h, is in dit geval relatief groot of de IS-curve is relatief steil.

7 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 7 Vraag 7 Een risicoloos financieel actief geeft recht op de volgende inkomstenstroom. Binnen 1 jaar Binnen 2 jaar 1100 Euro 1210 Euro Dat actief wordt op de secondaire markt verkocht voor 2000 Euro. De marktintrestvoet bedraagt: A. 10 % B. 21% C. 15,5% D. 31 % A. Juist. De prijs van een risicoloos financieel actief is gelijk aan de actuele waarde van de nog te ontvangen betalingen, waarbij de discontovoet gelijk is aan de marktintrestvoet. We zoeken dus de marktintrestvoet i die de volgende vergelijking oplost: [1100 ¼ L ¼ 'RRU OLQNHU- en rechterlid met (1+i)² te vermenigvuldigen, krijg je de volgende 2e graadsvergelijking: 2000i² i 310 = 0. Als wortels voor i vind je 0,1 en 1,55. Aangezien de (nominale) intrestvoet niet negatief kan zijn, kunnen we besluiten dat de marktintrestvoet gelijk is aan 0,1 of 10%. B. Fout. C. Fout. D. Fout.

8 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 8 Vraag 8 Beschouw onderstaand 45 -diagram m.b.t een gesloten economie zonder overheid. Welke uitspraak is juist? AV, AA C AA C+I C Y1 Y2 Y3 Y A. Als Y = Y 1 nemen de voorraden toe. B. Als Y = Y 2 is het sparen strikt negatief. C. Als Y = Y 3 zijn de feitelijke investeringen gelijk aan de gewenste investeringen. D. Als Y = Y 3 is het sparen groter dan de gewenste investeringen. A. Fout. Als Y = Y 1 dan geldt dat AV > AA. De vraag is groter dan de productie zodat de producenten een deel van hun voorraden moeten verkopen. B. Fout. Het sparen is gelijk aan Y b C. Aangezien er geen belastingen zijn is S = Y-C = AA - C. Aangezien AA > C is het sparen strict positief. C. Juist. De feitelijke investeringen zijn gelijk aan de gewenste investeringen als er geen ongewenste voorraadwijzigingen zijn. Dit is het geval wanneer de economie in evenwicht is en dus bij Y = Y 3. Immers, bij dit outputniveau wordt er evenveel geproduceerd als er gevraagd wordt. D. Fout. Het sparen is gelijk aan Y b C. Aangezien er geen belastingen zijn is S = Y-C = AA - C. Als Y = Y 3 is dit exact gelijk aan de gewenste investeringen.

9 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 9 Vraag 9 Welke uitspraak is juist gegeven onderstaande figuren? P LAA LT-Phillipscurve AV 1 AA 0 AV 0 A..B B Q A. Punt A uit het AV-AA schema kan overeenstemmen met punt 1 in het rechtse diagram. B. Punt A uit het AV-AA schema kan overeenstemmen met punt 2 in het rechtse diagram. C. Punt A uit het AV-AA schema kan overeenstemmen met punt 3 in het rechtse diagram. D. Punt A uit het AV-AA schema kan overeenstemmen met punt 4 in het rechtse diagram. u A. Fout. Verschuivingen van de AV-curve bij gelijkblijvende AA-curve corresponderen met een verplaatsing langs de Phillipscurve. A en B liggen dus op dezelfde korte termijn Phillipscurve. In A is er conjuncturele werkloosheid. De werkloosheid is er dus groter dan de natuurlijke werkloosheid. In de grafiek van de Phillipscurves betekent dit dat de economie zich bevindt in een punt rechts van de LT-Phillipscurve in plaats van links van de LT-Phillipscurve. Punt A kan dus overeenstemmen met punt 4. B. Fout. A en B liggen inderdaad op dezelfde korte termijn Phillipscurve. Immers, verschuivingen van de AV-curve bij gelijkblijvende AA-curve corresponderen met een verplaatsing langs de Phillipscurve. Maar A kan niet overeenkomen met punt 2. In A is er conjuncturele werkloosheid. De werkloosheid is er dus groter dan de natuurlijke werkloosheid. In de grafiek van de Phillipscurves betekent dit dat de economie zich bevindt in een punt rechts van de LT-Phillipscurve in plaats van links van de LT-Phillipscurve. A kan dus wel overeenkomen met punt 4. C. Fout. Punt A moet inderdaad rechts van B liggen. Immers in A is er conjuncturele werkloosheid. De werkloosheid is er dus groter dan de natuurlijke werkloosheid of de economie bevindt zich in een punt rechts van de LT-Phillipscurve. A moet echter wel op dezelfde korte termijn Phillipscurve liggen als B. Verschuivingen van de AV-curve bij gelijkblijvende AA-curve corresponderen immers met een verplaatsing langs de Phillipscurve. A kan dus wel overeenkomen met punt 4. D. Juist. Verschuivingen van de AV-curve bij gelijkblijvende AA-curve corresponderen met een verplaatsing langs de Phillipscurve. A en B liggen dus op dezelfde korte termijn Phillipscurve. In A is er conjuncturele werkloosheid. De werkloosheid is er dus groter dan de natuurlijke werkloosheid. In de grafiek van de Phillipscurves betekent dit dat de economie zich bevindt in een punt rechts van de LT-Phillipscurve.

Proefexamen Macro-economie: verbetering

Proefexamen Macro-economie: verbetering Proefexamen Macro-economie: verbetering Deel 1: Drie open vragen op telkens 6 punten. 1. H9 a) Leid wiskundig de Philipscurve af uit de prijszettingsrelatie op de arbeidsmarkt. Verklaar de gebruikte symbolen.

Nadere informatie

Macro-economie examenvragen

Macro-economie examenvragen Macro-economie examenvragen Deel II 1. Indien de reële productie en het arbeidsaandeel constant blijven, dan kan het aantal tewerkgestelde personen van het ene jaar op het andere slechts toenemen indien.

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Auteursrechtelijk beschermd materiaal. De investeringen zijn dus gelijk aan het private sparen en het publieke sparen

Auteursrechtelijk beschermd materiaal. De investeringen zijn dus gelijk aan het private sparen en het publieke sparen OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 21 Open Vragen OEFENING 1 a) I. een gesloten economie zonder overheid AA = AV AA = Y = Yb = C + S AV = C + I C+I=C+S en bijgevolg S = I II. een gesloten economie met overheid

Nadere informatie

HOOFDSTUK 21: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 21: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 21: OEFENINGEN 1 In een gesloten economie zonder overheid, en waar de ondernemingen niet afschrijven noch winst reserveren, geldt : BNP = Y = consumptie + investeringen, BNP = Y = consumptie

Nadere informatie

HOOFDSTUK 17: DE GELDMARKT

HOOFDSTUK 17: DE GELDMARKT 1 HOOFDSTUK 17: DE GELDARKT 1. GELDSOORTEN 1.1. De geldhoeveelheid in enge zin (1) 1 = CP + D met CP = Chartaal geld, in handen van het Publiek D = giraal geld, in handen van het publiek Chartaal geld

Nadere informatie

Proefexamen Inleiding tot de Algemene Economie. Prof. Dr. Jan Bouckaert december 2015

Proefexamen Inleiding tot de Algemene Economie. Prof. Dr. Jan Bouckaert december 2015 Proefexamen Inleiding tot de Algemene Economie Prof. Dr. Jan Bouckaert 11-14 december 2015 1. Wat wordt niet meegerekend in het netto nationaal inkomen (nni) van België? A. Lonen van Belgische grensarbeiders

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten)

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten) DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten) 1. De grafiek hieronder geeft de participatiegraad voor Nederland, de V.S. en de 12 kernlanden

Nadere informatie

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten)

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten) VERSIE DEEL : Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 8 punten). Veronderstel een economie waar drie goederen worden geproduceerd. Alles wat in een jaar

Nadere informatie

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten)

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten) VERSIE 1 DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 9 (9 vragen van 2 punten = 18 punten) 1. Veronderstel een economie waar drie goederen worden geproduceerd. Alles wat in een

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

: Macro-economie voor Bedrijfseconomie

: Macro-economie voor Bedrijfseconomie TENTAMEN inclusief antwoorden Vaknaam : Macro-economie voor Bedrijfseconomie Vakcode : 330091 Datum tentamen : donderdag 16 mei 2013 Duur tentamen : 3 uur Docent : Dr. B.J.A.M. van Groezen ANR : 649627

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1. Op de beurs van New York worden de volgende koersen genoteerd : 100 JPY = 0,8 USD ; 1 GBP = 1,75 USD en 1 euro = 0,9273 USD. In Tokyo is de notering 1 USD = 140 JPY. In Londen

Nadere informatie

HOOFDSTUK 21: DE VRAAGZIJDE DE REELE SFEER

HOOFDSTUK 21: DE VRAAGZIJDE DE REELE SFEER 1 HOOFDSTUK 21: DE VRGZIJDE DE REELE SFEER Uitgangspunt: J. M. Keynes Bestaan van werkloosheid en niet benutte productiecapaciteit productie kan stijgen zonder dat de prijzen van de productiefactoren stijgen

Nadere informatie

Aantekeningen VWO-6 Economie Lesbrief Economische Modellen

Aantekeningen VWO-6 Economie Lesbrief Economische Modellen Aantekeningen VWO-6 Economie Lesbrief Economische Modellen Hoofdstuk 1 + 2 Een model is een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Bedoeld om de werkelijkheid te verklaren Bedoeld om voorspellingen

Nadere informatie

HOOFDSTUK 17: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 17: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 17: OEFENINGEN 1. Antwoord met juist of fout op elk van de onderstaande beweringen. Geef telkens een korte verklaring bij je antwoord. a) Door zijn liquiditeit is geld altijd een uitstekend

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

4. Welke uitspraak is fout? In het Solow-groeimodel leidt technologische achteruitgang tot:

4. Welke uitspraak is fout? In het Solow-groeimodel leidt technologische achteruitgang tot: Proefexamen Inleiding tot de Algemene Economie Prof. dr. Jan Bouckaert Prof. dr. André Van Poeck 12-15 december 2014 1. Stel dat het bruto nationaal inkomen 200 miljard euro bedraagt. Hoeveel bedraagt

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

6 Geaggregeerde vraag en geaggregeerd aanbod

6 Geaggregeerde vraag en geaggregeerd aanbod 6 Geaggregeerde vraag en geaggregeerd aanbod Opgave 1 a Noem vier factoren die bij een gegeven prijsniveau tot een verandering van de Effectieve Vraag kunnen leiden. b Met welke (macro-economische) instrumenten

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 18

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 18 OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 18 Open vragen OEFENING 1 a) Inkomen is de stroomvariabele, vermogen is de voorraadveranderlijke. Het vermogen is de optelsom van al je inkomens tot nog toe, die je gespaard

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Macro-economie voor AEO (225P05) Tentamen 1

Macro-economie voor AEO (225P05) Tentamen 1 Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Macro-economie voor AEO (225P05) Tentamen 1 Januari 2009 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus lijsten met

Nadere informatie

Macro-economie voor AEO (225P05) Voortgangstoets

Macro-economie voor AEO (225P05) Voortgangstoets Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Macro-economie voor AEO (225P05) Voortgangstoets December 2008 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus een lijst

Nadere informatie

Remediëringstaak: Vraag en aanbod

Remediëringstaak: Vraag en aanbod Remediëringstaak: Vraag en aanbod Oefening 1: a. Stijging olieprijs blijft beperkt. Je moet een grafiek tekenen waarin je je aanbod naar links laat verschuiven (aanbod daalt) (wegens pijpleidingen die

Nadere informatie

HOOFDSTUK 14: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 14: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 14: OEFENINGEN 1. Antwoord met juist of fout op elk van de onderstaande beweringen. Geef telkens een korte a) Indien een Amerikaans toerist op de Grote Markt van Brussel een Deens bier drinkt,

Nadere informatie

Economie (TEW) - Formule blad

Economie (TEW) - Formule blad Economie Formuleblad Hoofdstuk 1. Marginaal product van arbeid = de toename in de productie van een goed bij inzet van één extra eenheid arbeid. MPL = X/ L of MPL = dx/dl Hoofdstuk 2. Prijselasticiteit

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 Voorbeeld van een juiste berekening: 47,5 27,5 100% = 72,73% 27,5

Nadere informatie

Macro-economie voor AEO (225P05) Proeftentamen 1

Macro-economie voor AEO (225P05) Proeftentamen 1 Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Macro-economie voor AEO (225P05) Proeftentamen 1 November 2008 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus lijsten

Nadere informatie

Valutamarkt. fransetman.nl

Valutamarkt. fransetman.nl euro in dollar wisselkoers Wisselkoers (ontstaat op valutamarkt) Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt Waardoor kan de vraag naar en het aanbod van veranderen? De wisselkoers van de euro in

Nadere informatie

Modellen. Hoofdstuk 3

Modellen. Hoofdstuk 3 Modellen Hoofdstuk 3 Keynes in model Vereenvoudigde weergave van de economische werkelijkheid met geaggregeerde grootheden. Economische modellen worden gebruikt voor voorspellingen en daarop wordt overheidsbeleid

Nadere informatie

Macro-economie. Oefenpakket ECONOMIE & BEDRIJFSKUNDE, JAAR 1

Macro-economie. Oefenpakket ECONOMIE & BEDRIJFSKUNDE, JAAR 1 Macro-economie Oefenpakket ECONOMIE & BEDRIJFSKUNDE, JAAR 1 JoHo Samenvattingen Hoe te verkrijgen? JoHo biedt een compleet pakket samenvattingen aan. In dé studentenwinkels van Nederland vind je bijvoorbeeld

Nadere informatie

Errata Economie: oefeningen

Errata Economie: oefeningen 1 Errata Economie: oefeningen! Deze correcties gelden alleen voor de eerste druk van 2010! p. 11 Hoofdstuk 1 Open Vraag 1 e) We zetten nu voor het jaar 1990 het BBP van de randzone om in dollars. We delen

Nadere informatie

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE WOENSDAG 9 MAART UUR

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE WOENSDAG 9 MAART UUR SPD Bedrijfsadministratie Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE WOENSDAG 9 MAART 2016 08.45-10.15 UUR SPD Bedrijfsadministratie Algemene economie Woensdag 9 maart 2016 B / 9 2015 NGO-ENS B / 9 Opgave 1 (21

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

HT1: Vraag en aanbod - marktevenwicht

HT1: Vraag en aanbod - marktevenwicht Naam: Nummer: HT: Vraag en aanbod - marktevenwicht Klas: 5 ECMT Lkr.: R. De Wever 20 september 202 20 Vraag : (2 ptn) ACTUA: Apple. Wie is de huidige CEO? Tim Cook. 2. Waarom kwam Apple afgelopen week

Nadere informatie

Inleiding We hebben gezien uit welke componenten het nationaal product en het nationaal inkomen bestaat.

Inleiding We hebben gezien uit welke componenten het nationaal product en het nationaal inkomen bestaat. Bestedingsevenwicht - 1 van 15 MACRO-ECONOMISCH BESTEDINGSEVENWICHT Welke factoren bepalen de grootte van het nationaal inkomen? Inleiding We hebben gezien uit welke componenten het nationaal product en

Nadere informatie

Economische conjunctuur

Economische conjunctuur Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. Ontstaat door veel vraag naar producten Trend (Gemiddelde groei over groot aantal jaren) laagconjunctuur

Nadere informatie

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 6 (6 vragen van 3 punten = 18 punten)

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 6 (6 vragen van 3 punten = 18 punten) VERSIE 1 DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 6 (6 vragen van 3 punten = 18 punten) 1. Zijn de volgende stellingen waar of niet waar? I. Voorraadinvesteringen kunnen negatief

Nadere informatie

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE 22 JUNI UUR UUR

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE 22 JUNI UUR UUR SPD Bedrijfsadministratie Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE 22 JUNI 2015 14.45 UUR 16.15 UUR SPD Bedrijfsadministratie Algemene Economie 22 juni 2015 B / 11 2015 NGO - ENS B / 11 Opgave 1 (21 punten) Vraag

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn)

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn) Centrale bank leent aan banken geld. Banken kunnen geld uitlenen aan gezinnen en bedrijven. Gezinnen consumeren meer, bedrijven investeren meer. De bedrijven gaan meer produceren. (Er ontstaat meer welvaart

Nadere informatie

Auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSING OEFENINGEN HOOFDSTUK 24

Auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSING OEFENINGEN HOOFDSTUK 24 OPLOSSING OEFENINGEN HOOFDSTUK 24 Open Vragen OEFENING 1 a) Daar 1 dollar 0,7699 euro waard is, is 1 euro 1/0,7699=1,2989 dollar waard. Vanuit Europees standpunt zetten we dus de wisselkoers met vaste

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 11

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 11 OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk Open Vragen OEFENING a) i. De vraagcurve van arbeid verschuift naar rechts. ii. Daar we in de korte termijn zijn, kan de kapitaalstock niet worden aangepast aan de stijging

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Bankzaken 1 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste verklaring: De inflatie van 1,6% is een gemiddelde waarin de

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

http://www.economiepagina.com - Alle nuttige economielinks bij elkaar!

http://www.economiepagina.com - Alle nuttige economielinks bij elkaar! Opgave 1 Gulden (ƒ) wordt euro ( ) Geld is een (1) aanvaard ruilmiddel. De maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland bestaat uit munten, bankbiljetten en (2). De komende jaren worden de functies van

Nadere informatie

Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van onderstaande grafiek.

Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van onderstaande grafiek. Opgave 1 M-vragen Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van onderstaande grafiek. Euros to 1 RL 1 Is in de periode 31 maart 17 april sprake van een devaluatie van de euro ten opzichte

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Macro-economie voor AEO (225P05) Tentamen

Macro-economie voor AEO (225P05) Tentamen Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Macro-economie voor AEO (225P05) Tentamen Juni 2009 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus lijsten met antwoordmogelijkheden

Nadere informatie

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden? 1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?. een daling van het aantal werklozen B. een toename van de emigratie uit het betreffende land. de

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). 1. Prijselasticiteit van de vraag De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). %-verandering gevraagde hoeveelheid (gevolg)

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 19

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 19 OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 19 Open Vragen OEFENING 1 a) b) MSV = dq2/dq1 c) De MSV moet gelijk zijn aan (1 + i) dus gelijk aan -1,1. d) q1 = 3 250 en q2 = 3 575 voor beide personen. Dit houdt in

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 14

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 14 OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 14 Open vragen OEFENING 1 1) Op de markten van individuele goederen en diensten (inbegrepen de diensten van arbeid en kapitaal) wordt de vraag naar individuele goederen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I 4 Antwoordmodel Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 voorbeelden van juiste antwoorden: Een antwoord

Nadere informatie

Propedeusecursus Macro-economie (6011P0025) Proeftentamen 2

Propedeusecursus Macro-economie (6011P0025) Proeftentamen 2 Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Propedeusecursus Macro-economie (6011P0025) Proeftentamen 2 Lente 2013 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus

Nadere informatie

TENTAMEN. HvA-HES ALGEMENE ECONOMIE

TENTAMEN. HvA-HES ALGEMENE ECONOMIE TENTAMEN HvA-HES ALGEMENE ECONOMIE 2012- H2 Onderwijseenheid : AECVS2FE01-1 & AECVS2FS01-1 Opleiding FRE & FSM 2 e jaars Datum : 5 juli 2012 Tijd : 17.15 19.15 uur VRJ NB Opgave 1, 2 en 3 moet door iedereen

Nadere informatie

Auteursrechtelijk beschermd materiaal. a) Bij de aggregatieve vraag leidt een lager algemeen prijsniveau overeen tot een hogere output.

Auteursrechtelijk beschermd materiaal. a) Bij de aggregatieve vraag leidt een lager algemeen prijsniveau overeen tot een hogere output. OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 23 Open Vragen OEFENING 1 a) Bij de aggregatieve vraag leidt een lager algemeen prijsniveau overeen tot een hogere output. De output is hier de afhankelijke veranderlijke.

Nadere informatie

Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op.

Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op. Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op. Economie gaat in essentie over het maken van keuzes. De behoeften van mensen zijn onbegrensd, maar hun middelen zijn beperkt. Door dit spanningsveld

Nadere informatie

Geld en prijzen op de lange termijn

Geld en prijzen op de lange termijn Geld en prijzen op de lange termijn De geldvoorraad in de eurozone Cijfers over de geldvoorraad in de eurozone vind je in Europan Central Bank, Monthly Bulletin, tabel 2.3. Tabel 2.C geeft de opsplitsing

Nadere informatie

Geld en prijzen op de lange termijn

Geld en prijzen op de lange termijn Geld en prijzen op de lange termijn De geldvoorraad in de eurozone Cijfers over de geldvoorraad in de eurozone vind je in Europan Central Bank, Economic Bulletin, tabel 5.. Tabel geeft de opsplitsing van

Nadere informatie

Lesbrief Vraag en Aanbod 1 e druk

Lesbrief Vraag en Aanbod 1 e druk Hoofdstuk 1 1.6 C Markten 1.7 a. De prijzen zijn gestegen. Bij een gelijk volume (= afzet) leidt dit tot een omzetgroei. b. Indexcijfer volume (afzet): 105, indexcijfer prijs: 97,1. 97,1 105 = 101,96.

Nadere informatie

ERRATUM Economische Topper 6 Algemene Economie

ERRATUM Economische Topper 6 Algemene Economie ERRATUM Economische Topper 6 Algemene Economie Er zijn enkele foutjes geslopen in de eerste druk van het leerwerkboek Economische Topper 6 Algemene economie. Hier vind je een overzicht per thema. Als je

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

INLEIDING: Het BBP als welvaartsindicator van een land

INLEIDING: Het BBP als welvaartsindicator van een land INLEIDING: Het BBP als welvaartsindicator van een land A. Inleidende begrippen 1. Het begrip BBP Het BBP is de som van alle bruto toegevoegde waarden geproduceerd door alle ondernemingen in 1 land in een

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl)

Examen VWO. Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT

HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT 1 HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT 1. PRIJSVORMING OP DE WISSELMARKTEN 1.1. Enkele begrippen Wisselkoers = prijs van de buitenlandse munt, uitgedrukt in nationale munt bv. wisselkoers () van de

Nadere informatie

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER UUR

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER UUR SPD Bedrijfsadministratie Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER 2016 15.30-17.00 UUR SPD Bedrijfsadministratie Algemene economie vrijdag 16 december 2016 B / 12 2016 NGO-ENS B / 12 Opgave

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Oefeningen: Soorten marktvormen + Vraag en Aanbod + Marktevenwicht bij volkomen concurrentie

Oefeningen: Soorten marktvormen + Vraag en Aanbod + Marktevenwicht bij volkomen concurrentie Oefeningen: Soorten marktvormen + Vraag en Aanbod + Marktevenwicht bij volkomen concurrentie Oefening 1: Geef grafisch weer welke wijziging de vraag- en/of aanbodcurve zal ondergaan in volgende gevallen

Nadere informatie

Vraag 11. q 1 MK, MO MK ECONOMIE, EEN INLEIDING 2010 1 - WAAROVER EN HOE SPREKEN ECONOMEN? S. COSAERT, A. DECOSTER & T. PROOST

Vraag 11. q 1 MK, MO MK ECONOMIE, EEN INLEIDING 2010 1 - WAAROVER EN HOE SPREKEN ECONOMEN? S. COSAERT, A. DECOSTER & T. PROOST Vraag 11 MK, MO MK MO Beschouw bovenstaande figuur. De onderneming produceert een hoeveelheid q 1. Beoordeel de volgende uitspraken: I. De onderneming zal haar winst zien toenemen indien ze meer zou produceren.

Nadere informatie

2.1 De vraag naar spijkerbroeken

2.1 De vraag naar spijkerbroeken 2.1 De vraag naar spijkerbroeken Voorbeeld 1: Q v = -0,10P + 9 met Q v = gevraagde hoeveelheid spijkerbroeken van Petra P = prijs van een spijkerbroek in euro s P 90 80 60 30 0 Q v 0 1 3 6 9 Er is een

Nadere informatie

Auteursrechtelijk beschermd materiaal. OEFENING 1 a) In hoofdstuk 19 gaat het over figuur 19.3. In hoofdstuk 20 stelt figuur 20.6. het evenwicht voor.

Auteursrechtelijk beschermd materiaal. OEFENING 1 a) In hoofdstuk 19 gaat het over figuur 19.3. In hoofdstuk 20 stelt figuur 20.6. het evenwicht voor. OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 20 Open Vragen OEFENING 1 a) In hoofdstuk 19 gaat het over figuur 19.3. In hoofdstuk 20 stelt figuur 20.6. het evenwicht voor. b) In hoofdstuk 19 is deze coördinerende

Nadere informatie

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 6 (6 vragen van 3 punten = 18 punten)

DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 6 (6 vragen van 3 punten = 18 punten) DEEL 1: Antwoordformulier voor de meerkeuzevragen, vragen 1 tot en met 6 (6 vragen van 3 punten = 18 punten) 1. Hieronder zie je de bevolking in landen met een BBP per hoofd van de bevolking tussen x1

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-I Opgave 1 Belastingen en bestedingen In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken wordt onderzocht wat de effecten zijn van een wijziging in de tarieven van directe en indirecte belastingen op de

Nadere informatie

Deze examenopgave bestaat uit 9 pagina s, inclusief het voorblad. Dit examen bestaat uit 5 opgaven en omvat 20 vragen.

Deze examenopgave bestaat uit 9 pagina s, inclusief het voorblad. Dit examen bestaat uit 5 opgaven en omvat 20 vragen. SPD Bedrijfsadministratie Examenopgave ALGEMENE ECONOMIE WOENSDAG 16 DECEMBER 2015 15.15-16.45 UUR Belangrijke informatie Deze examenopgave bestaat uit 9 pagina s, inclusief het voorblad. Dit examen bestaat

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

HOOFDSTUK 2: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 2: OEFENINGEN HOOFDSTUK 2: OEFENINGEN. Bij welke marktvorm is de individuele vraag tevens de marktvraag en is het individuele aanbod tevens het marktaanbod? a) Bij een bilateraal monoolie. b) Bij een monoolie. c) Bij

Nadere informatie

Macro-economie (6011P0125) Proeftentamen 1

Macro-economie (6011P0125) Proeftentamen 1 Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Macro-economie (6011P0125) Proeftentamen 1 Lente 2013 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus een blad met antwoordmogelijkheden

Nadere informatie

Veranderingen in de syllabus voor het eindexamenprogramma 2017

Veranderingen in de syllabus voor het eindexamenprogramma 2017 Veranderingen in de syllabus voor het eindexamenprogramma 2017 100% 100% Gini coefficient = A/A+B Gini =0 dan helemaal gelijke verdeling Gini = 1 dan helemaal ongelijke verdeling Ink Ink A A B B 0% personen

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: VWO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie