"De toekomst van mijn pensioen" Onderzoek naar behoeften en wensen van werknemers in de horeca over hun pensioen

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download ""De toekomst van mijn pensioen" Onderzoek naar behoeften en wensen van werknemers in de horeca over hun pensioen"

Transcriptie

1 "De toekomst van mijn pensioen" Onderzoek naar behoeften en wensen van werknemers in de horeca over hun pensioen Haarlem September 2011

2 Medewerking Aan de totstandkoming van dit onderzoek werkten de volgende personen mee: Uitvoering: Drs. Martien G. Schriemer Ondersteuning: Heleen Veenhof (SOHRC) Drs. Frank B.P. Jansen (FNV Horeca) Auteursrecht Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Stichting Onderzoek Horeca Recreatie en Catering (SOHRC).

3 Samenvatting Er bestaat geen uniforme 'pensioenklant' meer. Jongeren willen meer investeren in hun pensioentoekomst dan ouderen; ouderen kiezen voor zekerheid; hoger opgeleiden kunnen en willen meer risico nemen. Financiële crisis De jaren '90 waren relatief gunstige jaren voor de pensioenfondsen, maar begin jaren '00 spatte de internetzeepbel uiteen wat gevolgen had voor de beurzen en dus ook voor pensioenfondsen. Door de kredietcrisis in 2008 en de daaropvolgende faillissementen van grote banken (zoals Lehman Brothers 1 en Icesave 2 ), oplopende schuldenlasten van landen 3, oplopende werkloosheid 4, dalende rentes 5 (waardoor pensioenverplichtingen stegen) en de gestegen levensverwachting zijn per saldo de totale beleggingsresultaten van de institutionele bellegers (zoals de Nederlandse pensioenfondsen) gedaald 6. Dat heeft ertoe geleid dat de dekkingsgraden van veel pensioenfondsen op korte en lange termijn onder de wettelijke en verplichte normen kwamen. Deze pensioenfondsen hebben maatregelen moeten nemen om de financiële positie op korte en lange termijn te verbeteren. Daar per een nieuw pensioenakkoord van de horeca en catering gewenst is, omdat het oude akkoord dan afloopt, komen de aanstaande pensioenonderhandelingen erover in een ander (financieel) licht te staan: vandaar dat dit onderzoek onder werknemers in de horeca. Opzet onderzoek Er is onder werknemers in de horeca onderzoek gedaan met behulp van internet. Enerzijds zijn leden van FNV Horeca opgenomen in de onderzoekspopulatie anderzijds zijn niet-leden via twee externe panels geraadpleegd en zijn niet-leden via contacten van de FNV Horeca benaderd om zo een goede spreiding van de respons te krijgen. De resultaten zijn verkregen tussen maart en mei van 2011, dat heeft geresulteerd in een onderzoekspopulatie van 1077 respondenten. 1 Op 15 september 2008 vroeg het bedrijf surseance van betaling of uitstel van betaling ("Chapter 11") aan (Wikipedia 2011, Lehman) 2 Op 7 oktober 2008 werden alle activiteiten van Icesave Nederland en Landsbanki stilgelegd (Wikipedia, 2011, Icesave) 3 (NOS 2011). 4 In de periode december februari 2009 waren gemiddeld 314 duizend personen werkloos. Dit komt overeen met 4,1 procent van de beroepsbevolking. (CBS 2009) 5 De hoogte van de actuele marktrenten en de renteverwachting voor de toekomst hebben een grote invloed op de (waarde)ontwikkeling van een groot aantal financiële producten. (Homefinance.nl 2011) 6 Minister Donner (Sociale Zaken, CDA) stelt een onderzoek in naar de houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel. Als daaruit blijkt dat het Nederlandse stelsel te kwetsbaar is, is verlaging van de pensioenen onontkoombaar (NRC.nl 2010).

4 Kennis van het pensioen De beantwoording van de vragen laat zien dat een flink gedeelte van de respondenten over de pensioenregelingen niet veel kennis heeft. Dit is een zorg voor alle betrokken partijen: werkgevers- en werknemersorganisaties, het pensioenfonds én de overheid. Een actiepunt is dat er een informatieoverdracht moet komen over de huidige situatie en over de waarde van de pensioenen van de werknemers dat wél werkt. De beantwoording van de vragen uit dit onderzoek door de werknemers laat zien dat er geen sprake meer is van een uniforme pensioenklant voor het pensioenfonds. De keuzes die men maakt zijn vaak op logische gronden te verklaren vanuit de achtergrond van de respondent: jongeren hebben een nog langere tijd te gaan waarin ze pensioen kunnen opbouwen en hebben meer fiducie in maatregelen zoals meer pensioenpremie om onzekerheid over de waarde van hun pensioen op te vangen. Ouderen kiezen voor zekerheid en geen risico's en koopkrachtbehoud. Ouderen hebben natuurlijk minder werkzame jaren te gaan en willen hun opgebouwde rechten niet zien 'verdampen'. Ten slotte komt de groep hoger opgeleiden naar voren: zij hebben navenant een hoger inkomen en maken daarom ook andere keuzes. Zij zijn bereid (meer) risico te nemen omtrent de opbouw van hun pensioen en nemen vaker dan andere deelpopulaties deel aan een extra aanvullend ouderdomspensioen. Dat is voor werknemers met bijvoorbeeld een minimumloon minder gemakkelijk financieel haalbaar. Pensioenonderhandelingen Ten aanzien van de punten die opgenomen moeten worden in de pensioenonderhandelingen met de werkgevers is men redelijk eensluidend (in volgorde van prioriteit): 1. Koopkrachtbehoud van de toekomstige pensioenen 2. Voortzetting van het pensioen als men arbeidsongeschikt wordt 3. Voortzetting van het pensioen als men werkloos wordt Voor jongeren geldt dat zij een tevens 'hogere pensioenleeftijd' zien als onderhandelingsonderwerp. Onzekerheden opvangen Voor het opvangen van onzekerheden voor het toekomstig pensioen zijn de respondenten tot twee alternatieven gekomen die meeste de respondenten aanspreken: 1. 'een gedeelte van mijn toekomstige pensioenuitkering garanderen, rest wordt dan risicodragend' 2. 'ik wil zelf meer pensioenpremie betalen' SOHRC / 4

5 Keuzes Aan de respondenten zijn twee vragen voorgelegd om een uitruil te maken. De eerste vraag gaat over de manier waarop men het uitruilen van extra premie over de alternatieven zou willen zien (onderstaand). De tweede vraag gaat over het uitruilen van een gedeelte van hun ouderdomspensioen over de volgende alternatieven: Meer collectief ouderdomspensioen Zekerheid over uw toekomstige pensioen Meer nabestaandenpensioen Koopkrachtbehoud van toekomstig pensioen Verzekeren pensioen indien werkeloos Verzekeren pensioen indien arbeidsongeschikt Anders, namelijk Weet niet, geen mening De meeste respondenten kiezen in beide gevallen (zowel voor het uitruilen van extra premie als voor het uitruilen van een gedeelte van hun ouderdomspensioen) overtuigend voor 'zekerheid van hun toekomstig pensioen' met als tweede optie 'koopkrachtbehoud van toekomstig pensioen'. SOHRC / 5

6 Inhoudsopgave 1 INLEIDING CONCLUSIES & EVALUATIE ONDERZOEKSRESULTATEN... 15

7 1 Inleiding In dit rapport wordt ingegaan op de bevindingen van het onderzoek dat gehouden werd in het voorjaar van 2011 onder de medewerkers in de horeca. Doel van het onderzoek was: wat vinden werknemers in de horeca van hun pensioen, welke eisen zij eraan zouden willen stellen en welke inbreng zien zij graag van de FNV Horeca in de pensioenonderhandelingen met de werkgevers. De conclusies, evaluaties en aanbevelingen staan in hoofdstuk 2. De beschrijving van de opzet van het onderzoek treft u aan in hoofdstuk 3, evenals de wijze waarop de data zijn verzameld en de beschrijving van het meetinstrument. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten weer van het onderzoek in de volgorde waarin de internetenquête is afgenomen, dus startend met de screening en eindigend met de 'uitruilvragen' uit dit onderzoek. Aanleiding onderzoek De directe aanleiding voor dit onderzoek is dat het pensioenakkoord in de horeca en contractcatering per 1 januari 2012 afloopt en er een nieuw akkoord gesloten dient te worden. Daartoe wilde FNV Horeca een onderzoek houden onder hun leden en onder niet-leden onder andere via twee externe panels: SOHRC-panel en het Panelclix panel (zie 3.3 voor de onderzoeksopzet). Doel is te inventariseren wat hun wensen en ideeën zijn over de wijze waarop de pensioenonderhandelingen ingegaan moeten worden voor een pensioenregeling vanaf 1 januari Tevens dient in het onderzoek de uitgangspunten van het landelijk pensioenakkoord over de levensverwachting van 2010 meegenomen te worden. Daar komt bij dat de ontwikkeling rondom de pensioenfondsen (zie voorgaande paragraaf) veel (Europese) werknemers ongerust maken 7, ook die van Nederland. De wijze waarop het onderwerp uitonderhandeld moet worden is binnen de FNV-gelederen zelf ook onderwerp van discussie 8. In dit licht kan dit als een belangrijk onderzoek worden gezien. Leeswijzer Voor een vlot te lezen doch goed begrip van dit onderzoek wordt aangeraden de samenvatting en de aanbevelingen te lezen. Indien de evaluatie van het onderzoek zelf van belang is voor de lezer wordt aangeraden de opzet van het onderzoek (hoofdstuk 3) en de evaluatie (hoofdstuk 2) te lezen. Hoofdstuk 4 bevat een uitgebreide puntsgewijze beschrijving van de resultaten uit dit onderzoek. Hoofdstuk 4 is 7 Schuttrups, M. (2010). 8 Zie Alphen, F. van & Stoker, E. (2011) & bijlage X. SOHRC / 7

8 een statistische verantwoording van de bevindingen en voor de niet-statistisch onderlegde lezer misschien bij tijd en wijle moeilijk te volgen, daar elk verschil getoetst is op significantie. Toch is getracht ook dat hoofdstuk zo leesbaar mogelijk te houden, voor elke geïnteresseerde lezer. Bijlagen De bijlagen zijn separaat geleverd bij dit rapport. Dat is gedaan om het leesgemak te vergroten, de desbetreffende pagina van de bijlage kan bij het rapport worden gehouden, zonder telkens in hetzelfde rapport te moeten heen- en terugbladeren. De bijlagen bij dit rapport: Bijlagen (behorend bij dit rapport). Hierin treft u naast de geraadpleegde literatuur en bronnen (ed.) tevens enkele artikelen uit de Volkskrant aan over het actuele onderwerp 'pensioen' 9 en 'pensioenonderhandelingen' 10 ). Frequentieverdelingen en kruistabellen. Vragenlijst. Rapport evaluatie testvragenlijst. 9 Zie bijlagen VII, VIII, IX, XI, XII 10 Zie bijlagen VII, X. SOHRC / 8

9 2 Conclusies & evaluatie Onderstaande conclusies zijn direct herleidbaar vanuit de resultaten van deskresearch en van het kwantitatief onderzoek. Alle conclusies en aanbevelingen worden genummerd opdat in gesprekken daar makkelijk naar verwezen kan worden. 2.1 Onderzoeksresultaten 1. De vergrijzing heeft tot gevolg dat het aantal werkenden zal afnemen waardoor er minder werknemers zijn om geld in te brengen voor pensioengerechtigden (CBS 2007, p4). Alle reden voor de politiek, werkgevers- en werknemersorganisaties en 'last but not least' de pensioenfondsen daar op relevante en goede wijze op in te spelen met maatregelen en aangepast beleid. 2. Niet alleen leven Nederlanders steeds langer, ze leven ook meer jaren zonder lichamelijke beperkingen. De verwachte levensduur zonder deze beperkingen nam in de afgelopen kwart eeuw met ruim 5 jaar toe. De levensverwachting bij geboorte was in 2007 voor mannen 78,0 jaar en voor vrouwen 82,3 jaar. Op 1 januari 2007 heeft Nederland nog 10 miljoen inwoners van 20 tot 65 jaar. Tussen nu en 2040 zal de potentiële beroepsbevolking naar verwachting afnemen van 10 naar 9 miljoen. 3. Voor veel respondenten gaat het onderwerp pensioen 'boven hun pet', getuige de hoge percentages 'geen mening' op diverse vragen. Hierdoor wordt de druk op de werkgevers- en werknemersorganisaties om goede en zorgvuldig afgewogen beslissingen te nemen pregnanter: het vertrouwen van de werknemers rust op hun schouders en getuige de soms felle bewoordingen van de respondenten om hun pensioen niet te verkwanselen, lijkt het niet ondenkbaar dat sociale onrust niet ver weg is in geval een hun onwelgevallige besluitvorming hierover. 4. Dat pensioenen ook voor interne strubbelingen tussen de FNV Vakcentrale en de aangesloten bonden kan leiden (die vervolgens opgelost zijn ten tijde van het 'ter perse gaan' van dit rapport) is prominent weergegeven in de media. Hoewel het evident is dat de media t.a.v. 'pensioenen' een invloed heeft op de mening van de respondenten is dat niet significant gebleken vanuit dit onderzoek. 5. Sommige respondenten geven aan dat zij bij sector horeca zitten en vullen bij de vervolgvraag over de subsector 'anders namelijk: welness' in en geven aan bij het Pensioenfonds Recreatie pensioen op te bouwen. Totaal heeft 3% van de respondenten een dergelijk inconsistent antwoord gegeven. Van die respondenten is één of meerdere codering aangepast of zijn verwijderd. 6. Sommige respondenten hebben aangegeven bij een ander pensioenfonds dan PH&C op te bouwen. Het is mogelijk dat dit een gevolg is van privatisering van het bedrijf vanuit het verleden, vandaar dat die respondenten als valide beschouwd worden. Het is evenwel mogelijk dat de respondent onterecht en abusievelijk een ander pensioenfonds heeft aangegeven. SOHRC / 9

10 7. Totaal hebben 2367 respondenten gereageerd (de totale responspopulatie voor de onderzoeken horeca, recreatie en catering). Na screening en hercodering bleven er 1007 respondenten over die hebben aangegeven in de horeca werkzaam te zijn. Daarvan blijkt dat 35% in de hotelsector te zitten 42% in de restaurantsector, 7% in de fastfoodsector en 8% drankensector. 9% geeft aan in een andere subsector werkzaam te zijn. 8. Van alle respondenten blijkt dat de 74% bij PH&C pensioen opbouwen, 11% bij Pensioenfonds Recreatie, 4% bij ABP, 2% bij Pensioenfonds Zorg & Welzijn, 1% bij Stipp. 8% geeft aan bij een ander pensioenfonds te zitten. 413 personen van de totaal 2367 respondenten wisten niet bij welk pensioenfonds zij pensioen opbouwen, de onbekendheid met het pensioenfonds komt bij alle leeftijden voor. 9. 2% van de respondenten gaf aan een directiefunctie te hebben, 18% gaf aan 'overig management' en 44% heeft uitvoerend en 10% "overige functie". Indien het aantal gewerkte uren in relatie tot het soort uren contract van de respondenten vergeleken wordt dan valt duidelijk op dat de meerderheid van de respondenten (67%) een vast contract heeft en een volledige werkweek heeft. Ca. 22% heeft een vaste aanstelling en werkt uur in de week. De meeste respondenten (66%) zijn al lang werkzaam in de sector (meer dan 10 jaar). Meer dan de helft van de respondenten heeft de intentie om daar beslist in die sector te blijven werken % van alle respondenten is lid van een vakbond. 97% van hen is lid van FNV Horeca. Op basis van deze aantallen kan geconcludeerd worden dat andere vakbondsleden in zeer geringe mate geparticipeerd hebben in dit onderzoek. 11. De meeste respondenten (89%) bouwen (logischerwijs) hun pensioen op bij PH&C. Opvallend is dat er ook 75 respondenten zijn die niet weten waar zij hun pensioen opbouwen. Kennis over pensioen % van alle respondenten weet niet wie hun pensioenpremie betaalt, bijna een kwart van alle respondenten, een hoog percentage. Dit is meer dan uit een vorig onderzoek 11 kwam dat onder horecapersoneel werd gehouden, namelijk toen wist 18% niet wie er meebetaalde aan hun pensioenpremie. 28% zegt dat zowel de werkgever alsmede zijzelf de premies betalen. Ouderen (50-64 jaar) zijn beter geïnformeerd over dit aspect van hun pensioen dan hun jongere collega's. Samenvattend over de kennis ten aanzien van 'wie dragen bij aan mijn pensioenpremies': als men ouder is, meer dienstjaren heeft, lid is van de vakbond en man is, kinderen heeft en samenwoont, dat men dan beter weet wie bijdragen aan de pensioenpremies. 13. Ruwweg 82% van de respondenten weet hoe het pensioen daadwerkelijk opgebouwd wordt, namelijk dat het bestaat uit een AOW-deel en een bedrijfstakpensioen. Het blijkt dat vakbondsleden, respondenten met kinderen en hoger opgeleiden tegen de 90% kennis ervan hebben. 11 Zie Schriemer (2006). SOHRC / 10

11 14. Het blijkt dat 18% aangeeft dat ze de ouderdomspensioenregeling niet kennen. T.a.v. het nabestaandenpensioen zegt ook 18% het niet te kennen. 15. Van alle respondenten zegt 31% een nabestaandenpensioenregeling nu te hebben % van de respondenten met een partner heeft daadwerkelijk een nabestaandenpensioen. Ten aanzien van de vraag of de werkgever een aanvullend nabestaandenpensioen heeft geregeld geeft 87% van de respondenten aan dat dit niet het geval is. Indien een respondent bij een organisatie met meer dan 50 werkzame personen dan bedraagt dat percentage 79%, dus 21% hebben wel een werkgever die een dergelijke regeling hebben getroffen voor hun medewerkers. 17. Het blijkt hier dat meer mensen de ouderdomspensioenregeling niet kennen in vergelijking tot het nabestaandenpensioen. Hier geldt dat 36% van de respondenten aangeeft 'ken ik niet'. De opvallende uitschieter hier zijn de 'jongeren' (<30 jaar). Daarvan geeft 57% aan dat ze de ouderdomspensioenregeling niet te kennen. Van alle respondenten zegt hier 31% deze regeling nu te hebben en dus 69% heeft de regeling niet. De uitschieter hier zijn de 'jongeren' (<30 jaar). 90% van de respondenten zegt de regeling niet te hebben. 29% van de respondenten hebben een werkgever die voor hun werknemers een aanvullende ouderdomspensioenregeling hebben getroffen. 18. Het percentage dat afgedragen wordt van het jaarinkomen ten behoeve van de pensioenopbouw bedraagt 14,30% 12 van de pensioengrondslag (zowel werkgever als werknemer draagt 7,15% bij). 69% van de respondenten niet wist hoeveel percentage dat feitelijk is. Van degenen die het wel (dachten) te weten blijkt dat de meeste respondenten dat onjuist inschatten: 87% maakt een (veel) te hoge schatting, 13% een min of meer juiste schatting. Deze schattingen gelden voor de diverse responsgroepen: alleen ca. 40% van de hoger opgeleiden en ca. 40% van de ouderen schatten het premiepercentage beter in. Mening over pensioen % van de respondenten weten niet wat de hoogte van hun pensioenuitkering is. T.a.v. de vraag 'Zou u de mogelijkheid willen hebben om extra pensioen op te bouwen?' geeft 72% aan dat ze dat willen. Alleen de respondenten die parttime werken geven dat in 56% van de gevallen aan % wil niets uitgeven aan het vrijwillige nabestaandenpensioen, bij jongere werknemers (< 30 jaar) is dat slechts 13%. Indien het verplicht wordt gesteld geeft 22% aan daar 'niets' aan zou willen uitgeven. Dus als het verplicht wordt gesteld zijn er minder 'tegenstanders' dan als de regeling vrijwillig van karakter is. De respondenten met een hoge opleiding zijn bereid tot 'veel' extra afdracht ten behoeve van het nabestaandenpensioen (15% van de hoger opgeleide respondenten). 21. T.a.v. vrijwillige aanvullende ouderdomspensioen blijkt dat 11% daar 'niets' aan zou willen uitgeven en t.a.v. het verplichte aanvullende ouderdomspensioen is dat 15%. Duidelijk is dat de bereidheid 12 Zie PH&C Reglement (2010). De percentages staan daar aldus vermeld. SOHRC / 11

12 voor het ouderdomspensioen hoger is dan bij het nabestaandenpensioen. Sommige respondenten zijn mordicus tegen een verplichte nabestaandenregeling. 22. De 'overall' tevredenheid ten aanzien van hun pensioen, het pensioenfonds en hun toekomstige pensioenuitkering is matig te noemen (het gemiddelde zit tussen 'ontevreden' en 'niet ontevreden, niet tevreden' in). Verder geldt daarbij dat niet-leden meer tevreden dan leden, jarigen minder tevreden zijn dan de jongere dan wel de oudere respondent en dat alleenstaanden meer tevreden dan zij die samenwonen. 23. Pensioenopbouw voortzetten bij arbeidsongeschiktheid? 'Ja' zegt 95% van de respondenten. Voortzetten bij werkeloosheid? 'Ja' zegt 78% van de respondenten. Een beduidend lager percentage voor hoger opgeleiden: 61%. Onderzoeksvragen 24. Over de pensioenonderhandelingen zijn de respondenten het over het algemeen onderling eens, de top 3: 1. Koopkrachtbehoud van de toekomstige pensioenen 2. Voortzetting van het pensioen als men arbeidsongeschikt wordt 3. Voortzetting van het pensioen als men werkloos wordt Nadere analyse naar achtergrondkenmerken laat zien dat: - Van de ouderen (50-64 jaar) geeft 8% aan dat hogere pensioenleeftijd een pensioenonderhandelingsonderwerp is, maar daar staat tegenover dat veel meer jongeren (21%) het een onderwerp voor pensioenonderhandeling vinden. - Zo geldt voor het koopkrachtbehoud van toekomstige pensioenen juist een omgekeerde relatie: hoe ouder, des te meer respondenten vinden dat het een onderwerp voor pensioenonderhandeling is. - Voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid: ouderen vinden dit vaker een pensioenonderhandelingsonderwerp dan jongere respondenten. - Mogelijkheid aanvullend ouderdomspensioen op te bouwen: meer jongeren geven aan dat zij dat als pensioenonderhandelingsonderwerp willen zien dan ouderen. - 'Koopkrachtbehoud voor de huidige gepensioneerden' wordt vaker door ouderen aangeven als onderwerp voor pensioenonderhandeling dan andere leeftijdsgroepen. - Vakbondsleden vinden vaker dat het nabestaandenpensioen verplicht moet worden, dan nietleden. Niet-vakbondsleden vinden vaker dat 'hogere pensioenleeftijd' als onderwerp meegenomen moet worden in de pensioenonderhandelingen dan leden. - Respondenten met een partner vinden vaker dat 'nabestaandenpensioen verplicht' als onderwerp ingebracht moet worden in de pensioenonderhandelingen, SOHRC / 12

13 25. De respondenten geven aan dat er twee alternatieven zijn t.a.v. 'Op welke wijze wilt u dat pensioenfondsen onzekerheden, zoals stijging van de levensverwachtingen en ontwikkelingen op de financiële markten, opvangt?', maar niet een combinatie van deze twee: 1. 34% geeft aan: 'een gedeelte van mijn toekomstige pensioenuitkering garanderen, rest wordt dan risicodragend' % geeft aan: 'ik wil zelf meer pensioenpremie betalen'. Andere combinaties van alternatieven kennen geen grote groepen van voorstanders. 26. Indien respondenten wordt gevraagd een extra premiebedrag te verdelen over de diverse alternatieven, dan kiest de meerderheid voor 'zekerheid van hun toekomstig pensioen': 50% van de respondenten wil zelfs 30% tot 70% van hun extra premie daaraan besteden. Een kleiner percentage respondenten kiest voor 'koopkrachtbehoud van toekomstig pensioen': 50% van de respondenten die hebben aangegeven dat hun extra premie voor 20% tot 60% daaraan besteed moet worden. 27. Indien respondenten wordt gevraagd een gedeelte van hun ouderdomspensioen te verdelen over de diverse alternatieven dan kiest de meerderheid ook dan voor 'zekerheid van hun toekomstig pensioen': 50% van de respondenten hebben aangegeven dat een gedeelte van hun ouderdomspensioen voor 30% tot 90% daaraan besteed moet worden. Voor 'koopkrachtbehoud van toekomstig ouderdomspensioen geldt soortgelijk: 50% van de respondenten die hebben aangegeven dat een gedeelte van hun ouderdomspensioen voor 20% tot 50% daaraan besteed moet worden. Ten aanzien van 'zekerheid over het toekomstige pensioen' willen van de jongeren minder extra premie eraan besteden (25%) dan middelbaren (33%) (30-49 jaar). De ouderen verschillen niet significant van beide groepen, doch zitten met hun percentage (31%) meer op lijn met de middelbaren. SOHRC / 13