éj/.y/é^-.fj-r-'j ^(M 2o' öz A ^affieu *u. SOO door Ir D. van Diepen Wageningen, Novoiriber 1950.

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "éj/.y/é^-.fj-r-'j ^(M 2o' öz A ^affieu *u. SOO door Ir D. van Diepen Wageningen, Novoiriber 1950."

Transcriptie

1 2S"Z- * Stichting voor Bodemkartering Wageningen * Directeur: Prof. Dr C.H. Edelman r* éj/.y/é^-.fj-r-'j A ^affieu VW* BODEMKARTERM WAGENINGEN BIBLIOTHEEK *u. SOO m RA.PF0HT 0V3R DE BODEK(23STBIDHE3D VAK DB GBïEEKTE BR3)A % # -4 - door Ir D. van Diepen * > Wageningen, Novoiriber «* ^(M 2o' öz

2 i Bijlagen A. figuren bij de tekst flg. 1 Degranulaire samenstelling vanzandgrondenen beekgronden, Mdst. II, blz. 2. flg. 2 Degranulaire samenstelling van lenig fijnzandig dekzand en zandig dekzand, hfdst. II, blz. 3. fig. 3 Degranulaire samenstelling van dekzandleam, hfdst«h, blz* 5 # fig. 4 Degranulairesamenstelling van rivierklei, hfdst. II, blz. 3. fig. 5 Classificatie vande gronden naar hun tuinbouwkundige geschiktheid, hfdst. V, blz. 1. Jfc B A foto 1 s I Gezicht op Vinkenburg. De verschillende vormen vangrondgebruik naast elkaar op f ijnlemige dekzandgronden. Op de voorgrond haver op de achtergrond links, middenin en rechts roggej midden op de foto T.l.n.r. frambozen (achter houtwal gedeeltelijk), bieten, aardbeien en weiland, II "ezicht op westelijkegedeelte van Bagben van de Liesboslaan af. Tuinbouw onder opstaandglas (druivenen tomaten) en vollegronds- ^ P - # UI teelten op vochtige fijnlemige zandgronden. Gezicht op de Huifakkers in de richting Prineenhage. Droge en matig vochthoudende zandgronden, voor het merendeel beteeld met rogge en haver. 17 Tegenwoordige tuinbouwcultuur naastgrasland in het beekdal van de Bijloopj gezisn van de Rijsburgseweg af. V Grasland in het beekdal van de Aa of Weerijsj gezienin de richting van de Sffense Brugende Rijsburgseweg.

3 '^Y-^-«": M"" C. Kaarten I II IIa in Hoogtekaart van de gemeente Breda De bodemkaart van de gemeente Breda Legenda bij de boderakaart van de gemeente Breda Bodemgebruikskaart van de gemeente Breda Literatuur Pljls». F?/«G, De bodemgesteldheid van de gemeente Didam, Diss. Wageningen riea> 0. de en Dechering F«J>A. Grondonderzoek Rapport Staatscommissie voor de Landbouw, ingest, bij K.B Faber, F.J.«Nederlandse landschappen. Bodem-, grond en geologische ^^ bouw SU* x i

4 i rr H o.o o Voorwoord I Inleiding H Algemene bodeaîkundige gesteldheid van de Gemeente UI De bodemkundige indeling van de gronden 1. Opmerkingen bij de indeling van de gronden op de boderokaart E. Beschrijving van de indeling van de gronden op de bodemkaart '?i, * w y% Beschrijving van de bcrâemkaart De land- en tuinbouwkundige i»aarde VI' Samenvatting on conclusie Literatuur Bijlagen: figuren, kaarten en foto's. m

5 Stichting voor Bodemkartering Wagen ruigen Directie. Bijgaand bodernkundig rapport van de Gemeente Breda werd in opdracht van deze Gemeente door onze dienst vervaardigd. Het onderzoek vond plaats onder leiding ven onze nedewerker Ir D. van Diepen, die ook dit rapport verzorgde. De bodemkaart is uit de aard der zaak het belangrijkste document. ±n het rapport zijn de op deze kaart onderscheiden bodenkundige eenheden beschreven, tevens werd de land- en tuinbouwkundige waarde ervan belicht. Het bodenkundig deel van dit werk zal voor niet-landbouwkundigen gedeeltelijk moeilijk te volgen zijn, vandaar dat is getracht de belangrijkste zaleen in hoofdstuk I te vermeiden. In hoofdstuk VI zijn de voornaamste resultaten samengevat. De Adjunct-directeur van de Stichting voor Bodemkartering (Z. van Boom)

6 Ditrapport over de bodemgesteldheid van degemeente Breda danktzijn ontstaan aan een desbetreffend onderzoek dat door destichting»oor Bodemkartering in 1548 werd uitgevoerd In opdracht vanhet gemeentebestuur vanbreda«de reden welke de gemeente aanleidinggaf tothet instellen vaneen bodemkundig onderzoek van haar gronden in de vorm van een bodemkartering, is voortgekomen uit agrarische belangen, die met stadsuitbreidingsplannen op de voorgrondzijagetreden«nieuweproblemen zijn toegevoegdaan dezorg voor hetagrarische volksdeelin de Bredase gemeente x nadatgebleken is, dat verschillende bedrijven bij de tuinbouw, waarin relatief een groot gedeelte van de agrarische bevolking een bestaan vindt, met de ondergang bedreigd worden door de uitbreiding van de stad. Inzicht te verschaffen in de bodemgesteldheid van degemeente welke als basis kandienen voor hetstreven naar een behoud van waardevolle cultuurgronden in het belang van de landbouwende gemeenschapis het doel geweest van dit onderzoek. Naar wij hopen, zal dit streven vruchtdragend gestemui worden door de inzichten welke de bodemkaart en dit rapport naar voren brengen» Bij het afsluiten van deze werkzaamheden is het mij een behoefte, uiting te geven aan mijnerkentelijkheid voor de hulp welke door verschillendepersonen buiten het dienstverband van de Stichting voor Bodemkartering, geboden werd bij de totstandkoming van dit werk«aan3r van Groeningen en zifr medewerkers onze dank voor de medewerking^ die wij mochten ondervinden bij het verkrijgen van het nodige kaartmateriaal, dat voor de uitvoering van de bodemkartering was vereist«tijdens de uitwerking van een voorlopig bodemkundig rapport, dat verband hield met enige urgente maatregelen ontvingen wij veel medewerking van Prof. DrHeere en zijn staf bij wie eendaadwerkelijke belangstelling bestond en debereidheid om delandbouwkundigeconsequenties

7 vaa het atedebouwkundig plast In aifr sociaal demograf isch onderzoekt betrekke». De deelname ta» éè HeerDr» F. Brackel als assistent van Prof. Heere en van de Hear J. van Haperen als tuinbouwdeskundige bij ds Voorlicht ingadienst aan onse veldwerkzaaibheden, werd des te»eer gewaardeerd door de belangstelling welke van hun zijde voor dit bodamkundigwerk aan de dagwerd gelegd. Tenslotte onze oprechte dank aan de velen, dis, werkzaam in de land- en tuinbouw, ons door aanwijzingen en mededelingen verrijkt hebben ant kennis aangaande de land*- en tuinbouw In deze Geraamte» welke bij dragen bij de uitwerking tan dit onderzoek van veel nut zijn 19S0* * Ir. D. van Diepen.

8 HOOFDSTUK I misidiflo De tuinbouw vandegemeente Breda vindtzijnontstaanin het dorp Princenhage, dat vanouds een centrum vantuinbouwteelten is geweest«alzeer lang heeftditdorptuinbotïwproductie gekendin een vorm welke opgenomen was iii hetkleinegemengdezand-landbouwbedrijf en daarvoor werd uitgeoefend op hetoude hoven iersbedrijf, dat een meer zelfstandige plaats nog hadin eengebied methoofdzakelijklandbouwteelten.ih delaatste 50 jaarheeftdetuinbouwzichdnditgebiedsterk uitgebreidenzich daarbijin verschillendericht Ingen ontwikkeld. Naastde vollegrond-cultures van fijne engrovegroenten en deteeltvanzachtfruitzijn eraanwezig diverse kas-enplat glasculturesen fruitteelt. Haar bedrijfsvormkan men inhet Bredasetuinbouwgebied waarinookhetzandlandbouwbedrijf nog e m belangrijkeplaatsinneemt, devolgendeglobaleonderscheidingen makent Hetintensievetuinbouwbedrijf metglasculturesengroententeelt en, het genengde tuinbouwbedrijf waarin vollegrondteelten vangroentenenzacht fruit (aardbeienenframbozen)het voornaamsteonderdeelzijn vandit kleinegemengdezandlandbouwbedrijfenhetgemengdezandlandbouwbedrijf, waarin veeteelten akkerbouwde voornaamsteonderdelenzijn ende teeltvan grove groentenenzachtfruit eenkleiner onderdeelvurraen. Tuinbouw enstedebouw De tuinbouw heeft bij zijn uitbreiding beslaggelegd op de oudecultuiargronden vanhetgemengdezandlandbouwbedrijfenspeciaal op devochtige gronden daarvan. Deze komen alsdrogereen nattergrondenineer bepaaldeafwisselingin hetlandschap voor^zodat menkan zeggen, datdeze uitbreidingaan deopbouw vanhetlandschapgebondenis geweest. Rendon Bredaliggende vochtigevoorde tuinbouwgeschikte gronden voornamelijklangs de wegen, dievandestad naarhetplatteland leiden. Dosegrondenzijn nog bijdetuinbouwin gebruik,docüt de bedrijven, waartoeze behoren werdeningeslotenen tendele weggedruktdoor

9 de betoouwing welke sich van de stad uit lintvorniig langs de landelijke wegen heeft uitgebreid, gen gedeelte heaft de tuinbouw reeds aan bouwterrein voor doze ontwikkeling.moeten afstam. iï&t nu nog behouden is aan waardevolle tuingrond ligt in anigo lobvormige delen in de buitenzone van de stad gedrukt. Ook dit wordt bedreigd in de komende jeiren ten offer te vallen aan de projecten van stadsuitbreiding, welke onafwendbaar aan do orde sijn en iegelijk andere, die nog sullen vollen. Bij nader insien aal het duidelijk zijn, dat de ontv;iid:eling tot de hier geschetste toestand net sijn tegenstrijdige belangen van stad en. platteland een zeer logische is, welke sich overal voordoet en dat daarvoor de agrarische ontwikkeling van het gebied de grondslag heeft ge3.egc. Dese keert ia.iers hierop neor dat men de vruchtbaarste gronden van het gebied het eerst is gaan gebruiken voor de landbouwcuituur on dat daarmee de sanenleving op dezelfde gronden tot ontplooiing is gebracht, waardoor een bepaalde geografische indeling van het gebied tot stand is gekeraen. Vanzelfsprekend heeft dese indeling ook de spreiding van het niet agrarisch volksdeel van oudstijds bepaald, doordat zij sich ontwikkelde uit een bestaande samenleving op het beste cuituurland. In feite is dus de niet-agrarische uitbreiding steeds ten koste gegaan van het waarde vollafcultuurland, hetgeen we dan ook terug vinden in elk dorp, hoe klein van afmetingen ook. Ten opzichte van het in het verdeden geleden verlies van cultuurgronden neerat de oppervlakte welke vanwege de tegenwoordige bevolkingsuitbreiding moet worden prijs gegeven bedenkelijksvoraen aan. De omstandigheid, dat de tuinbouw in verschillende delen wa.r dese tot ontwikkeling is gekomen hierdoor het eerste bedreigd wordt, verhoogt de ernst van de.toestand. tïog straffer is deze voira van bodemcuituur aan bepasj.de bakankundige delen van een gebied gebonden, waarmee op hser beurt in nog nauwer relatie staat dan in een landbeuvgebied de geografische indeling en beven ing.

10 Met deze uitwijding over het agrarisch stadsprobleem van Breda zal het duidelijk zijn, dat het niet op de eerste plaats de bedoelingis een historischinzicht te verschaffenin de ontwikkeling van het vraagstuk, waarvoor de gemeentezich geplaatst ziet. Zijis van historisch landbouwkoadig standpuntgezien bedoeld de moeilijkheid en de redelijkheid aan te tonen dat niet aan de behartiging van bestaande agrarische belangensteeds voorrang verleendkan worden. Bij de uitwerking van een stadsuitbreidingsproject kan menonmogelijk hetlandbouwkundig belang steeds hetzwaarste laten wegen ten koste van elk planologisch beginsel. Daarvooris de landbouw en speciaal de tuinbouw geografisch te hechten gecompliceerd met de niet-agrarische samenleving vergroeid«3h ditopzicht kunnendan ool^ uit de resultaten van dit bodemkundig onderzoek geen doorslaggevende argumenten naar vorengebracht worden. Haar wij hopen zal metdit bodemkundig onderzoek richting gegeven worden aan de uitvoering van zodanigestedebouwkundige maatregelen* dat de nadelen voor land- en tuinbouw tot een miniimm beperkt zullen blijven»anderzijds mag worden gehoopt, dat de bodemkaart vande gemeente als tweede doelstelling bereikt, dat zij doof aanwijzing van vervangbare gronden, het behoud van detuinbouw'cundige delen vanhet gebied, diegetroffen zuuetfworden, mogelijk maakt. Bodem en bodemkarterin^ De resultaten van de bodemkarteringin de gemeentebreda zijn, zoals gebruikelijk is bij deze wijze van bodemonderzoek, totstand gekomen door profielstudie. Onderprofielstudie kan men verstaanhet nagaan vande verschillende lagen Tan de bodem overeen diepte tot waarverondersteld wordt, dat hun aanwezigheid in te onderscheiden lagen met ongelijkesamenstelling aog van invloedis op de plantengroei. Cfader bodemprof iel verstaat men hetalgemenevoorkomen van de grond aoals âezeis opgebouwd uitdiverse opeenvolgende lagen. Op een

11 w '»nhpnmmihnil bepaaldpuntkrijgt men een beeld van deze opbouw door een verticaal gat te maken in de grond«zoals bekend mag worden verondersteld, stelt de plant behalvezijn eisen aan het voorhandenzijn van voedingsstoffen, nog een andere eis aan de grond, welke belangrijker is. Deze houdt voor de planten in de voorziening van water. Door verschillendeoorzaken kan in de vocht voorziening van de planten stagnatie optreden, waarvaneen mindergoede groei het gevolg is. Voor een gedeelte wordt het benodigdeplantenvocht via de grond geleverd door de neerslag. Bij een zelfde neerslagis echter deze hoeveelheidin alle gronden niet hetzelfde, doch afhankelijk van diverse bodemeigenschappen. Omdat de plantonproduct ie afhankelijkis van de wijze waarop de grond met het regenwater omspringt, hebben dezebodemeigenschappen uit het oogpunt van bodemvruchtbaarheid hun betekenis. Een tweede aspect van de vochtvoorziening door de grond is haar geschiktheid om met behulp van het grondwater de planten van het nodige vocht te voorzien. Dezehoeveelheidis feitelijk het benodigde restant, wat met de neerslag niet geleverd wordt. Met het verrichten van deze enkele functie, de levering van bodemvoeht, zijn al verschillendeeigenschappen van de grondgemoeid. Als voornaamste zijn te noemen de zand- en slibsamenstelling van de grond) 1) I. zijn humeuziteit en zijn hoogteligging boven het grondwater, zijn doorlat endheid en de aanwezigheid van ondoorlatendelagen«de mate waarin en de wijze waarop de grond metdeze eigenschappen is uitgerust, vinden we aangegeven in het bodemprofiel. Men kan dus het profiel vanwege de betekenis welke daaraanis toe te kennen voor de beoordeling van de grondkwaliteit in verband met zijn waarde voor het bodemgebruik, het uitgangspunt 1) Tot»andbehoort het minerale bestanddeel van de grond met een korrelafmeting groter dan mm. Het slibbestanddeel heeft korrelafmetingen kleiner dan mm.

12 -5- noemen-van de bodemstudie en van de indeling Tan degronden«om tenopzichte van een ander onderdeel van het bodemonderzoek het hier verrichteonderzoek duidelijker te kenschetsen, willen we nogeven naar vorenbrengen het vruchtbaarheidsonderzoek van de bodem. Dithoudt zich speciaal bezig met hetvaststellen van de aanwezigehoeveelheid voedingsstoffen, welkede planten terbeschikking staan. Devoedingstoestand wisselt van jaartot jaar naar gelang degewassen die men opde gronden teelt en de bemesting, die men hieraangeeft._ Het zal duidelijk zijn, dat met dit onderzoek hele andere vruchtbaarheidswaarden van degrondbepaald worden dan die welke wij met het profielonderzoek op hetoog hebben. Het gehalte aan plantenvoedingsstoffen, hoe belangrijk ook,is een variabele vruchtbaarheidsfactor van de grond. Deeigenschappen welke in het bodemprofiel tot uiting komen, vertegenwoordigen devrucht baarheidsf act oren van permanente aard. Dezelaatste wordendan ook de meer natuurlijke vruchtbaarheidsfactorengenoemd.in zoverre is echter hetblijvende karakter van deze laatstefactoren betrekkelijk, dat zij veranderen, wanneer ingrijpende maatregelen worden genomen. Hieronderzijn o.a. te verstaan, deontwatering vaneen gebied, of opvoering van de grondwaterstand, de afgraving en diepeomwerking van de grond.

13 HOOFDSTUK II DB ALSSffiia B0DJ3IKUtIDir5S GBSTEIDHE1D VAÎÎDE-Œ33BBHTE De gemeente Breda is gelegen in het westelijke gedeelte van het Brabantse zandgebied. Dit zandgebied heeft in deze gesteente een verhang van zuid naai* noordj hetgeen eon globaal hoogteverschil van de gronden insluit van ca. 8 m. In het noorden heeft een gedeelte van de gronden een uitgesproken lage ligging (0-1 m plus N.À.P.). Deze gronden maken deel uit van e en lager landschap buiten de gemeente dat overwegend uit zware klei gronden is opgebouwd. De voornaamste grondsoorten Het grootste gedeelte van ons gebied is uit zandgronden opgebouwd«ook hierin konen enkele lagere delen voor welke onmiddellijk opvallen. Deze bestaan uit gronden welke we aantreffen langs een drietal riviertjes die hun loop hebben door de zandgronden van deze gemeente. De riviertjes zijn de Kark, de Aa of VJeerijs en de Bijloop. Deze beide la.itsten vormen zijrivieren van de Mark, die na het punt van samenvloeiing aan de noordzijde van de stad door een trechtervormig gedeelte van lage gronden zijn weg zoekt buiten de gemeente. 3h het zandgebied is het merendeel van de lage gronden aan het voorkomen van bovengenoemde riviertjes gebonden. Deze gronden vormen net elkaar brede dalen in het landschap waardoor de rivieren in vroeger tijd in breder stromen hun weg gebaand hebben. 2ij hebben zich dus in het oorspronkelijke zandlandschap ingesneden en een gedeelte van de zandige bovengrond opgeruimd. Tussen de gronden van de rivierdalen en die van de onversneden delen van het zandgebied bestaan aanzienlijke hoogteverschillen waarvan de grootste in het zuidelijke gedeelte ca. 6 m bedragen (I, Hoogtekaart' van de geraeenfee Breda). Deze verschillen zijn niet alleen een gevolg van de

14 -ainsnijding van rivierdaien. Gedeeltelijkzijndezedalen weeropgevuld met sandig, slibrijkraateriaal, dat menbeekafsetting noemt (zie fig.lb) Voor de afzetting van de beekgrondenzijn stuifzanden op de hogeredelen vanhetlandschap neergelegd«dezezijnontstaandoor uitwaait en vanoorspronkelijkestroomdalen, nadatzegedeeltelijkdrooggevallen waren tijdensgeringer waterafvoer» Bij verschillendegrondboringen kon aangetoondworden datouderezandgrondendie we eldersinditgebied aan hetoppervlak vindendoordezestuifzandruggen worden overdekt. Het feitdat degemeente Breda noggrotendeelstothetzandlandschap behoort, sluitindat haargronden voorhet merendeel uitzand bestaan. Aan hetoppervlak vindenwe de zuivere zandsamenstelling terug op de hoge onversnedendelen van hetgebied«hunslibgehalte bedraagt ongeveer Wo (deeltjes kleiner dan 0,016 an)*" Degrondenin de dalenhebben de 4C grootste bijmenging vanslil> (20 à 40$) (zie fig.1) Tezamen methet bijbehorendezand vormendezegrondenhet natuurlijkeproductdatdoor het rivierwaterin vroegertijdis afgezet. Op degeologischekaart (kwartbladen 44 en 50)is ditaangeduidals beekafzetting (33).Onderdit riviersedintent komt op veleplaatseneen veenlaag voor, (DSV geol.kaart) welkeditjongereslibrijkesediment vandeouderezandondergrondscheidt. Op deovergangentussende beekgrondenen de zandgronden vinden we minder slibrijkegronden, die meneenlichter oppervlakkig mengproduct sou kunnennoemenvan dezandgronden van het versnedenzandlandschap ende afzettingen vande rivieren. Dezandgrondenbuiten de rivierdalen worden volgens de geologischeindelingineecpakket vanenige tientallen metersdiktesanten gevat alsoverwegendfijnkorreligezanden vanhet Praeglaciaal (IIo), waarin kleilagen eenonderbrekingkunnen vormen,liet dit bodemonderzoekis komen vast testaandat debovenste laag van hetzandin dikte variërend van één tot meerdere meters niettotditzandpakketbehoort maartotde *» Het blokdiagramgeeft aandegewichtsprocentrischeverhoudingvan korrelfractiesingedeeld naargrootteklasson»

15 -3- deksanden, welk een geheel andere oorsprong en samenstelling hebben. Het sand Km deze laatste afzettingen is fijnkorreliger van samenstelling. Een ongelijke mengverhouding tussen het stoffijne en grovere zand geeft aanleiding nog onderscheid te maken tussen lemi» f ijnzandi^ dekaand dat het laagste ligt en f ijnzandig dekzand. Vaak is ook een verschil waar te nemen tussen het fijnzandige dekzand en het opgestoven dekzand, doch overal is dit niet duidelijk aanwezig. Uit hoofde van hun landbouwkundige betekenis is een onderscheid tussen de twee laatste zandafzettingen en de eerste belangrijk (zie fig. 2). Het korrelgrootteverschil tussen de twee zandige formaties i3 zelden bijzonder duidelijk en blijkt plaatselijk vml enigszins onder invloed te staan van een aansnijding van oudere grofzandiger lagen van de praeglaciale ondergrond. Behalve de reeds genoemde kleilagen van de oudere zandondergrond, waarvan \ïij slehnts in een klein gedeelte van het gebied iets kunnen waarnemen, komen nog andere slibrijke lagen voor welke behoren tot de afzettingen van het dekzand. Zij worden leembanken genoerad. Deze komen op geringer diepte onder het oppervlak voor, zodat zij soms plaatselijk van invloed zijn op de toodemcultuur (zie fig.3). Voor een nog nadere typering van de kleigronden die we ten noorden van Breda vinden in de VuchtpoMer valt nog op te merken, dat difc rivierkleigronden zijn, welke evenals alle zandgronden van het gebied voor het grootste gedeelte kalkloos zijn. Op de geologische kaart komt deze rivierklei-onderscheiding binnen de gemeente niet voor. Deze gronden bestaan uit zware klei, welke boven 1 m meestal nog overgaat in veen en zand (zie fig.4). Omdat de kleigrond afgezet is in lage bekkenvoraige I delen van het landschap, wordt zij komgrond genoemd. Tengevolge van zijn lage en drassige ligging is de bovengrond vaak venig ontwikkeld en beperkt het boderagebruik zich hierop tot weide- en hooibouw. Een betere groep gronden vormen die welke op de overgang liggen van zand na; : y klei. In de praktijk worden deze gronden cangeduid als

16 "bastaarugronden'', een meer gebruikelijke naam is»gebroken grond". Deze gronden bestaan uit grof zand ige klei van een paar dem dikte, met 15 à 50$ afslibbare delen. Hun ondergrond bestaat uit zand. Glevverschijnselen Bij deze eerste beschouwing over de bodemgesteldheid van de gemeente is het nodig een nadere omschrijving te geven van enkele boderakundige begrippen, waarvan in de verdere verhandeling geregeld gebruik wordt gemaakt en om deze reden enige voorafgaande kennis behoeven. Met enige globale insichten in de bodeakundige eigenschappen van de gronden maakten wij reeds kennis door te wijzen op de ongelijke hoogteligging van de gronden en hun variaties naar zand- en slibsamenstelling. De betekenis von deze en nog enige andere belangrijke bodemeigenschappen, die bij de bodemkundige Indeling van het gebied gebruikt worden, Icunnen we het best aan de hand van een verdere verkenning van het landschap uitvoeriger verklaren. Üit de verdere indeling van het landschap blijkt dat net de hoogteligging van de gronden hun landbouwkundig gebruik samenhangt. De hoge cultuurgronden zien we bijna uitsluitend in gebruik als bouwland en voor een klein gedeelte als tuingrond omdat ze voor grasland te droog zijn} de allerlaagste, die van de beekdalen uitsluitend als grasland, oadat deze weer voor de andere cultuurvormen te nat zijn. De gronden waar de akkerbouw en tuinbouw regelmaatiger elkaar afwisselen vinden wij tussen de hoogste en laagste in. De vochtvoorzlening van de gronden is dus net het oog op hun landbouwkundige betekenis het voornaamste criterium waaraan bij een bodeakundige indeling aandacht geschonken wordt Omdat zandgronden in veel mindere rrnte in sta:;t zijn het regenwater vast te houden ian kleigronden, is de hoogteligging van de zandgi-onden in verband net het noodzakelijke grondwater, waarvan de gewassen afhankelijk zijn, het belangrijkst. De hoogte van het grondssater in de bodem is aan enige kemierken van het bodeaprofiel vast te stellen, wij vatten deze kenmerken samen onder

17 IJ tg de naam grondwaterverschijnselen. Zij bestaaa Jn eenontkleuring van de grond zoals deze in zijn natuurlijke drogetoestand is en In een navenkleuring van de grond in roestbruine vlekken door de af setting van ijzer uit het grondwater. De laag, waarin de kleurveranderingen eßder invloed van het grondwater optreden, wordt gleyhorizont genoemd. Zijn hoogteligging inhet profielis dus een indicatie voor de mate waarinhet grondwater binnen hetbereik van de plantenligt«debodemkundige vormen van hetgebied Bij enige nadere beschouwing van de cultuurgronden in de verhet schillende onderdelen van het zandlandschap valt/op, dat de gronden van bovenaf gezien, aeer verschillend van kleur zijn. Deoudste landbouwcultuurgronden zijn donkerbruin en zwart. De jongere cultuurgronden zijn in verschillende variaties verwegend bruin vankleuren nog niet in cultuurgebrachte gronden verschillen van de voorgaande en onderling door de begroeiing, welke zij vroeger ensoms nu nogdragen. De kleur van de zandgronden houdt ten nauwsteverband met de samenstelling van de daarinvoorkomende humus, die er onder meer door devroegere natuurlijkebegroeiing ingebracht is. Bij een groot deel van de gronden ligt de oorzaakvan de zand-humussamenstelling ookin devroegere wijze vanlandbouwkundig gebruik. Dit is bij de oude zandbouwland- engraslandgrondenhet geval. Deze vertegenwoordigen de cultuurgronden van hetoudezandlandbouwbedrijf, Hetgrootste gedeelte daarvan is in delandschapsindeling gemakkelijkterugte vinden, doordat zij voorkomen rondom en tussen de van ouds bewoondedelen van het gebied Dezegronden ontlenen hundonkerbruine en zwarte kleur aande wijze van bemesting zoals die tot voorenige tientallen jarenin hetoude gemengde iandbouw-veeteelt-bedrijf gebruikelijk is geweest. De mest welke dit bedrijf in hetalgemeen produceerde bestond uit stalmest, daarnaast uit heideplaggen, bosstrooisel, straatvuil enstroopaarde. Deze bestanddelen ondergingen in de potstel een kunstmatige menging.

18 -6- Door eenlangduriggrondgebruikheeft depotstalnest degrond humeuzergemaakt enafhankelijkvanzijnorganischesamenstellingde ontstaneteeltlaag zwart ofdonkerbruingekleurd.zwartebouwland.gronden zijnontstaandoor verwerking vanheideplaggentn de potstal en donkerbruinzijn dezegeworden bij gebruik van bosstrooiselen straatvuü. Uiteraardbestaan tussenvormen van beidegroepen van gronden vfelke respectievelijkesbouwland/yonden en bosbcmwlandgrondengenoecri worden. Op delemigezandgronden vinden we uitsluitend bruine bouwlanden op groverezandgrondenbruineenz-warte. Degraslandgronden van hetoudezandbedrijfzijn ontstaan op delagezandgrondenendebeelcgronden. Zij werdenvooreengedeelte bemest methethumeuzezandvanliet bouwland waardoor zij overwegend zwart van kleurzijn gewordenin debovengrondintegenstelling net de niet-bemestegraslandgrondenwellte ven ig bruinzwartofroestig grijsbruinzijn gebleven. Vanwegedezeverschillendegebruiksgeschiedenis worden de graslanden verdeeld in baneste enonberaeste beekgras lander onden. Op dezandgrondenspreken wij van bemeste f ijnlemige zandgraslandgronden, bemestezandgraslandgrpnden en onbeaestezandgraslandgronden. Bij dejongerecultuurgrondenvanhetzandlandschap missen we de bemestinga invloed van deoudecultuurgronden. Dezezijniaardoor minderhuraeus. Bengedeelte van dejongerezandgrondenzijn uit bos ontgonnen, reden waaromzij bosont^ inn in gsgronden genoemdworden. Zij ontlenen hunbruindikhumeus profiel aan de vroegerebosvegetatie. Deaard vande vroegere bosopstandis op de kleuren huneuziteit vanhet bosprof iel vaninvloedgeweest. Dezeinvloedis niet in de bodeskundige K De naam!, esbouwlanden ; ' isinzover nietgeheel juist, datzij met hunhumeuzeondergrondverschillen vangelijksoortige gronden, die men inanderezandgebiedenonderdeze naampleegt te verstaan.

19 -7- indeling totuitinggebracht «adat zijinverband met hetoverheersend voorkomen vaneen enkel bostype, vanondergeschiktbelang kan worden geacht. Hadeoudecultuurgrondenvormen zij detweedegroep in de historischlandbouwkundigeontwikkeling van hetgebied. Hun voorkonen neemt inhet Landschap een minderduidelijkeplaats in, dan de bouwengraslanden vanhet oudegemengde zandbedrijf, Voornamelijk vinden wij ze aan derand vanhetoudecultuurlandschap. Nietzelden vormen zij met degrondendaarvan een kennelijke overgang aangezienin de bovenste horizont vanhetbosontginningsprofiel soms nog een cultuurlaagis ontstaangelijk aandie vanhet oudecultuurland. Eensoortgelijkeplaats nemen de he ide-ontginningegrondenin als jongere cultuurgronden aande rand vanhet oude cultuurlandschap. Van debosontginningsgronden verschillendeze door deaanwezigheidvsn bestanddelen vanhet heideprofiel datin principe uit een vegetatieoppervlak, een loodzandlaagen eenhurausrijke inspoelingslaag, in bepaalde wijze van voorkomen,is opgebouwd. Aaneen of meervan doge bestanddelenkennen we deherkomstvan hetbodemprofiel terug dat daarominontgonnentoestandanderehurauseigenschappen heeft dan de bosontg inn iiigsgronden. Sen vierdegroep vangronden die nogvermelding behoeft, is dandie van dein bosgehoudengronden van hetzandgebied. Zij behoren totdetweeboscomplexen Mastbosen Liesbos welke bodemkundig geheel verschillend vansamenstellingzijndoor debosvegetatie welkemeerdere eeuwenophet -bodemprofiel heftingewerkt. Het Mastbosiszoals reeds i X3gezegd, aangelegdop opgestovendekzanddat voor de beplanting (150G) een heidebegroeiing heeftgehad. Hetloodzand vandeze begroeiingvinden we nog teruginde omgewerktegrond. Degronden van het Mastbos vallendaaromin decategorievande bosgronden metloodzand Q Het Liesbosis voorhet merendeel aangelegdopgrondenvan

20 -8- hetfijnlemige-dekzand. Onafhankelijke«! hunfijnzandiger samenstellingsijn dezegrondenbruingekleurd enhumeustoteendiepte vanca, 1cv. Debosvegetatie welkeopdezegrondenheeftingewerkt, heeftuitloof houtbestaan. DezeLiesbossegrondenv/orden daarom. bruinebosgrondengenoemd. Een kleiner deelvanhetliesbos bestaat uitgroversanden waarop naaldhoutvoorkomt. Hiervanzijn de /Tonden dooreenzelfdebosgeschiedenisgekenmerktalsin 't Mastbos, Hiermedeis eeninleidende voorstellinggegevenvan de bodemkundigegesteldheidvanhetgebied naarsijnhoofdpunten, aan de handvanenige belangrijke bodemeigenschappen. Dezeeigenschappen waren s a. deligging vande grondentenopzichte vanhetgrondwater, afleesbaar uitde diepte van de gleyhoriaont. b. deaanwezigheidvan humeuzelagen naar aard en dikte, bepaalddoor begroeiings- en gebruiksgeschiedenis. c. deslibhoudendheid van degronden, welkeinhetveld waarneembaar is aanhet meer of minder bindendvermogenvanhetzand. Opgrond van dezekenmerkenis eenhoofdindelingop testellen vandegronden van Breda, Zijistotbesluitvandithoofdstukeen samenvatting van "wat hiervoorinhetalgemeen van debodemkundige gesteldheid is gezegd. AOudezandbouwlandgronden Xe Oudelemigebosbouwlandzandgronden 2e Oudebosbouwlandzandgronden ZÎ Oude esbouwlandzandgronden 3Oude graslandgronden Xws Bemestezwartelemigezandgraslandgronden 2»s Bemestezwartezandgraslandgronden Tisr Oude bruinezandgraslandgronden gz Gebroken.gronden opzand Bws Bemestesv/arte beekgrasiandgronden

21 -9- G D Zob Bosontsinningsgronden 2 h Heide-ontginnlngsgronden E R Rivierkleigronden

22 HOOFDSTUK III DSBQD' f!:hmd:0b3kd5lbîg VM DSORCffDlIT 1» Opmerkingen bij deindeling van degronden, op de bodemkaart M Elkeindeling vangronden op een bodemkaartberust op een groepsgewijzesamenvoeging van degronden. Grondenniet nog ver uiteenlopendelmdbouwkunc'ige kwaliteitenzijnsamengevoegdop grond van een of meergemeenschappelijkekenmerken vanhunprofielbouw. Bij deoude bouwlandgrondenis het dedonkerekleur vanhethumeuze profieldeel, waardoordezealsgevolgvaneen historischlandboutikundige ontwikkeling van de anderegrondenverschillen. Debeekgronden nemen weer eengeheel andereplaatsindoor hungehalte- aan afslibbare delenen hunlage ligging enz. Uithetvoorgaandeis gebleken, datalle bodemgroepeneen min of'meer duidelijkeplaatsinnemenin hetlandschap,zij worden daarora eeneenheid vanhogereordegenoemd ofwel bodemreeks. Deze bodemreeksen nuzeggen wel veel over deopbouw vanhet landschap maarover hetalgemeen nog weinigoverdelandbouwkundige waarde van dedaarin voorkomendegronden.3hdiverse eigenschappen kunnendegronden vaneenzelfde bodemreeks nog vanelkaar verschillen sodatheteffectdaarvan voor deplantengroei ongelijkis.ïfe noemen slechts de hoogteliggingenhetvoorkomenvanplaatselijkstorende lagenin het bodemprofiel. Juist vanwegede voorstelling die de bodemkaart beoogt, deverbreiding van gronden metverschillende landbouwkundige waarde,is eenverdereonderverdelingvan deze bodemgroepen noodzakelijk. De uitvoerigerindeling vande Bredasegronden op de bodemkaartdanin de voorgaandeindelingis gemaakt, berusto.m. op dezelfde bodemkenmerken als hiervoorbeschreven (II Bodemkaart van de gemeente Breda). Si hetalgemeenleidtdoindeling van degronden van een gebiedtoteon hoge mate van uitvoerigheidomdat deverscheidenheid

23 2 zeergrootis. Deindeling moetdus ergenszijn begrenzingvinden aangezienaerx daarmee niet willekeurig ver kan doorgaanen bovendien de voorstelling van debodemgesteldheid van eengebied op een bodemkaart uiteindelijkdoor de aarden hetdoel van hetonderzoek wordt bepaald. Aanelke bodemkundigeonderscheidingbeantvroordt de verbreidingvan een grond met een bepaaldehoedanigheid. Hetvaststellenvandeverbreiding van een aantalgronden net verschillendehoedanigheden opde bodemkaart vereisteenhoeveelheidveldwaarnemingen. Naarmatehet aantal onderscheidingen, dat men op grond vanverschilleninprofielbouw meent te moeten aanbrengen groter is, neemtdushetaantal veldwaarnemingen toe. Daarbij ookdeschaal vande bodemkaart, omdat bij elke schaalhet aantal aan te brengenonderscheidingen op de kaartbeperkt is. Debodemkaart van Bredaisin hetveldopgenomen opeen schaal van 1:5000. Gronden welke binnenbepaaldegrenzeneenzelfdeprofielbouw vertonenzijn verenigdtot bodemtypen. Degrenzen waarbinnen degronden vanwegehunprofielbouw wordensamengevoegdtoteen bodemtype, zijn afhankelijk van deplantengroei. Zij worden namelijkzo gekozen, dat de invloed vande eigenschappen vaneenzelfdegrondtype op de plantenprc ductiehetzelfde is, ofweldatslechtseen beperktefluctuatie wordt toegelaten, waarvande betekenis kan wordenverwaarloosd. Denken we alleen maar aan deinvloed van de hoogteligging van degronden op de groei-omstandighedenvanonzecultuurgewasson, danis 'net 'duidelijk, datditlaatsteinprincipe altijdhetgeval is. Eengroepsgewijze indeling naar hoogteliggingis het enig mogelijke.intussenis het duidelijk, dateengedetailleerde indeling vandegronden voerttothet aeestuitgebreideonderscheid naar bodemgebruikswaarde Debodemkaart van degemeentebreda-is niethet uitgewerkte resultaat vaneen gedetailleerdveldonderzoekwaarop alle bodemtypen vandegemeente voorkomen. Hetsamenstellen vaneenzogenaamdebodera-,de detailkaart welke wel aan dezeeis beantwoordt,is ookniety opzetgeweest van ditonderzoel:. Jzi overeenstemming Biet deopzetvanhetvoorgesteldeonderzoek

24 is getracht de bodernkaart zodanig in te richten, dat 2e naast de nodige vereenvoudiging van indeling een ruime landbouwkundige interpatatie openlaat. Vanwege deze overweging is de aandacht voor een uitvoeriger indeling voornamelijk gevallen op de goede cultuurgronden. Deze zijn door hun variatie in prof ielbouw voor meerdere vormen van bodeiacultuur geschikt. Geïnformeerd te zijn over de landbouwkundige betekenis van deze gronden is van meer belang, daarom ook het concreter doel van dit onderzoek, dan een uitvoerige beschouwing over de mate van slechtheid van weinig geschikte cultuurgronden. De indeling van de gronden op de bodernkaart houdt daarom in een gedeeltelijke samenvoeging van bodemtypen binnen de reeds besproken hoofdindeling in bodemreeksen. Hoewel de bodernkaart niet te zien geeft welke typeverschillen binnen de onderscheidingen voorkomen, worden deze wel behandeld bij de nu volgende bespreking van de bodernkaart 0 Zij vormen een uitvoeriger basis voor de hierna nog te bespreken land- en tuinbouwkundige waarde van de> gronden. 2 Beschrijving van de indeling van de gronden op de bodernkaart Voorafgaande aan deze beschrijving wijzen wij op de oude tuinbouwgronden waarvoor slechts een algemene onderscheiding is genaakt door een arcering op de bodernkaart. 3h zover deze uit oudere zandbouwlanden zijn ontstaan onderscheiden zij zich van de jongere tuingronden en de oude bouwlanden, welke nog behoren tot het akkerbouwbedrijf. De oude tuingronden zijn huraeuzer, wat donkerder van kleur en hebben een dikker bewerkingshorizont. Bij de tuingronden welke uit beraeste graelandgronden zijn ontstaan, vallen deze onderscheidingen grotendeels weg. De globale onderscheiding van deze gronden steunt op het feit, dat hun tuinbouwkundige hoedanigheid nog in hoofdzaak bepaald wordt door de profieleigenschappen van de oudere cultuurgronden, waaruit zij zijn ontstaan. Vaste zandhorizonten, leembanken en veenlagen koeien in de gronde van verschillende bodemreeksen voor. Op de bodernkaart is hun aanwezig-

25 hold aangegeven waar deze bij het veldonderzoek werd geconstateerd. 2h de legeridabeschrijving van de boderakaart staat de bodemkundige betekenis de van deze prof ielhorizonten achter die van/bodemtypen welke wij zoals gezegd, wel in deze beschrijving opnamen. Op de hier bedoelde profielvariaties zal terloops worden gewezen. Zij" worden echter niet uitvoerig als type varianten omschrevai. Oude lam ige bosfaouwlandg^d^ronden (Xe) De oude lemige bosbouwlanden zijn gekenmerkt door een donkerbruine humeuze teelt laag van ± SS cm dikte (hurausgehalte ca 5/a, op e m lichter bruine minder htmusrijke boskleurige ondergrond. De zandbouwlanda! hebben een duidelijke boshorizont in de ondergrond. Op de overgang van de tecltlaag naar de ondergrond is deze donkerder gekleurd door inspoe ling van humusbestanddelen. Vandaar dat het humuagehalte onder de teeltlaag terugloopt van ca H% tot 0.5$. fl Xel Matig vochthoudende lemige boshouwlandzandgronden, vacuianlaag tussen humeuze bovengrond en gleyondergrond Het betrekkelijk droge karakter van de hiertoe behorende bodemprofielen wordt getypeerd door een te dunne huishoudende bovengrond en een glejloze zandlaag boven de gleyzone. De minimale voorwaarde van een gunstige profielbouw is dat de gleyzone van de humusarme ondergrond moet aansluiten op het humeuze profieldeel. Reductisvlekken moeten optreden in de onderste boshorizont. Bij aanwezigheid van een geelgrijze gleyloze overgangszone doet zich eon onderbreking voor in het normale capillaire verband tussen bovengrond en ondergrond. De geelgrijze soms geelbruine overgangshorizont noemen we ter vereenvoudiging van de begripsomschrijving "vacuualaag", De profielen van deze bodemgroep vertonen in de vacuumlaag vaak de sporen van fossiele gley x welke soms wel tot een"schurftlaag" ^ is ontwikkeld. 30C Deze tweede horizont is een vaste ijzer-zandoerbank. Aan deze bank gaat een sterkere verdroging gepaard dan aan de eerste. x Onder 'fossiele gley" verstaan we de grondwaterafzettingen ontstaan in een periode met een andere.grondwaterstand. Ze zijn dus geen af spie». gel ing va:'* de tegenwooröigj. De kenmerken van deze gley zijn roestbruine vlekken in. geelgrijs of geel zand»

26 -5- Deprofiele» van Xel komen voorop derugvormigedelenvande bouw- en tuingrondpercelen. Sen la&er humusgehaltevande bosondergrond blijktuitdegrijsbruine kleur van de z ehorizontwelke bij degronden vandezeonderscheid ing meereencontrastgrens vormt ast dedonkerder teeltlaag. 3h betrekkingtot dehoogteliggingvandevaeuumhorizontenzijn diktezijndezegrondenin tweebodemtypenonderte verdelen. (Sela) Oudebosbouwlandgrond minder dan 50era huneus metgleyhorisont tussen 50 en 100cm (Xelb) Oudebosbouv/landgronddieper dan 50cm humeus netgleyhorisont tu3sen50 en 100cm Bij type lais de verdrogingsterker dan bij lb, omdathethuraeuze profieldunneris endegleyhorizontongeveer op dezelfdediepte optreedt. Hetoptreden van oen schurftlaagin Xeßb geeftaanleidingtothet onderscheidvaneen sub-type, dathier niet nader wordtbesproken. Hetverloopvanhet humusgehaltebij deze prof ieltypen op het lemige deksand zag er alsvolgt uit: Sela Xe2b profieldiepte in cm's %% humus profieldiepte in cm's %% humu / / / / / / / / XeS Vochtigelemige oude bosbouwlandzandpyonden»humeus van 50 cm tot 100 cm.gleyhoriaont tassen50 enca. 85 cm. Dedonkerbruine wathumeuzerteeltlaagheeftdezelfdedikte (± 35 ca) enligt op een bruinehumeuzeondergrondvangemiddeld40 cm dikte. Desesluit alsregel aan op dereductiezone vanhetgrondwater welke ou; IJ. ~±.Z 1c 'iiïptv 1 lijrtlr.

27 «6 van een vucuualaag heeft een vochtiger profielkarakter tot gevolg. In sonnige profielen zijn nog zv/ak ontwikkelde schurftlagen aanwezig van ca. 5 cm dikte. De overige prof ieleigenschappen verlenen aan deze gronden een zoveel betere kwaliteit, dat zij niet bij de gronden van de voorbaande groep zijn ingedeeld. anvfege de variatie in vochtgehalte bij een ongeveer gelijke zand- en sllbsamenstelling maken we nog onderscheid in: (Xe2a) Vochtige oude bosbouwlandgrond, gleyhorizont 70 cm en meer. (Xe2b) Zeer vochtige oude bosbouvlandgrond, gleyhorizont cm. 70 cm is de dieptegrens miarboven de profielen t.g.v. een groter vochtgehalte een ogenschijnlijk leniger karakter krijgen. Sen gedetailleerder onderscheid in de gronden van JCe a zou gebaseerd moeten zijn op het voorkomen van een nog zvjakke schürftlaag. Variaties in het bodeintype Xe2b en nog lagere gronden zijn te danken aan een leerabank. Xe5 %fatte loq%e oude zandbouwlandgronden, gleyhorizont boven 50 cm De bosondergrond, soms dieper liggend dan 50 ai is donkerbruin grijs ge vlekt aan de onderzijde door het grondwater en vaak wat roestig. De bruine overgangshorizont tussen donkerder teeltlaag en bosondergrond o~"**o ligt op ca, 35 cm. Het slibgehalte van deze gronden is minder constant' en als regel iets groter tengevolge van eon lichte inspoeling van slibbestanddelen van hogere gronden. Gemiddeld verschillen zij van de voorgaande met enkele procenten. Xw3 Zwarte fijn lenige zan^graslandgronaen Deze gronden vomen een onderdeel van het f ijnzandige dekzandlandschap, zodat wij deze bij de oude bouwlanden van dit Izndschap behoren te noenen. Door de bemesting net bouwvoorsand sijn de gronden vsat opgehoogd. Een 30 a 80 ca dikke bruinzwarte bovengrond ligt nel een contrast grens op een broelcige bosondergrond in lenig fijn 2 and. Kun voorkonen is gebon-.

28 -7- den aan de geulvormige enseras komvormige depressies vanhet terrein. De hogeredelen metdediksteteeltlaag dankenhunprofielbouw nietalleen aan debemesting vanoorspronkelijklagergelegengraslanden. Ookhet tuinbouwkundiggebruikis hierop vaninvloed ;eweest. Deoudste tuingron denbestaan uitzwartegronden enzijn op delagebemestezandgrasland» gronden ontstaan. Gronden met weliswaareenverschillendhistorischeontwikkelingvoegen wijin dezegroep bij elkaar, doch de humeuze samenstelling vande jongeretuingronden op zwartegraslandgrondverschilt weinig tenopzichtevanditlaatsteen deouderetuingronden. Hetgemengde bodemheid gebruik en degevarieerd/in de oude wijzevan bemesting maken vooral bij de hogereprofielen hetonderscheid moeilijk tussenouderetuingronden oudgrasland. Haar hoogteliggingonderscheiden wein dezezwarte humeuze grondent (Xwsl) 2wartefijnlemige zandgraslandgrond met gley beneden 50 cm (Xws ) Ztmrte fijnlemige zandgraslandgrond met gley boven 50 cm Bij type 1 ligt de gleyhorizont steeds in de bosondergrond. Deze is aan de bovenzijde soms nog bruingrijs en verandert in vuil zwartgrijs in de gleyhorizont. Op dit bodemtype hebben de oude tuingronden de overhand. Bij typ e 2 sluit de gleyhorizont aan op het mestdek, of dringt hierin door met een grijs zwarte verkleuring vanwege de reductie. Het slibgehalte van deze lage variant is tengevolge van inspoeling soms enige procenten hoger dan van XfeaL De bosondergrond is vuil zwartgrijs en heeft daarmee de kenmerken van een broekig elzenprofiel. In de meest vochti ge delen is de bovengrond soms tot een veni( zwart humusdek ontv/ikkeld, zodat de vocht vers chilien in dit bodemtype nog van betekenis zijn. De gleyhorizont varieert van ±15-50 cm. Oude Bosbouwlandgandgronden (Ze) 2h het gebied van de zand ige dekzanden zetten de oude bruine aandbouwlanden van het fijnlemige dekzandlandschap zich voort e De humeuze

29 8- opbouw van deprofielen mn dezegrofzandigergrondenisgelijk aan die op delemigezandgronden, zodat wij meteen paar opmerkingen over hun indelingkunnen volstaan. Aan degroverezandsamenstellingvandezegrondengaan een paareigenschappengepaard,die»aken dathun bodemeigenschappen ondanks dezelfdeopbouw vanhorizonten nietgelijk zijn. Ih hetkort komen zij hierop neer: Degrofzandiger bouwlandgronden zijn minderslempig bij regen en vlugger verwarmd door een mindersterke vochtbinding en weinig kluitvormend. Degeringervochtbinding is oorzaakdataanprofielen metdezelfie hoogteligging tenopzichte vangronden op hetfijn lemigedekzand, niet eenzelfdevochtigheidskarakter is toe te kennen. Uithet bodemonderzoekis geblekendat men degrenzen van de gleyhorizont naar geringerdiepte moetverleggen ofwel bijeenzelfde hoogteligging van degrondeneen anderebetekenis voorhetbodemgebruik er aan moet toekennen, zoals uitdehier volgende indeling blijkt. Ten opzichte van dehoogteligging van dezegrondenzijn de variatiesin hethumusgehalte aan dezelfdetendenzenonderhevigals die van de bouwlandgronden op hetfijnlemige dekzand. Onderdeteeltlaagzijn de boshorizontenvandehoogsteprofielen hetschraalst. Tenopzichtevan de lemige bosbouwlandgrondenzijn dezegrofzandigerprofielen ookover de gehelelinie iets minderhumeusin de bovengronden de bosondergrond. Kaar Jager bodemtypen neemthethumusgehaltetoe van beideprofieldëfcn. Het normale verschil tussen detwee volgendebodemtypenisals volgt: ZeEb Ze4a profieldiepte in cm» s %% hui profieldiepte in cm«s % hui / / / / /

30 -9-2el Drogeoude boabouwlandzandgrond Eengedeeltevande hogegronden vandeze bodsmgroep konden vanwegeeengelijke opbouw op dezelfdeprof ielgrenaeningedeeld worden als defijnlendgevarianten. Dezegrondenzijngekenmerktdoor een vaeuumlaag bovenïi50 cm. Eentweede bestanddeel van degroep heeft devacuuralaag beneden 100 cm liggen. (Zela) Zeer droge bosbouwlandzandgrond, minder dan 100cm humeus met vacuumhorizonttot beneden 10 cm (Zelb) Zeer droge boabouwlandzandgrond minder dan 50 cm humeus met vacuumhorizonttussen 50en 100 cm (Zelc) Drogebosbouwlandzandgrond meer dan 50 cm humeus metvacuumhorizont tussen 50 en 100 cm Degeringereresistentheid vandezegronden tegen droogteblijkt uit deindelingin eendrogerecategorie.i^pezelaissterk verdrogenden vormthetcentralegedeelte van dezandruggen of koppenevenalshet profieltypezelb dateenzelfdeplaatsinneemtinlagere terreinen. Het mander verdrogendetypezelckomt op deflanken voorvandergelijke terre invormige delen naast type a en b. Ze2 Matig vochthoudendeenvochthoudendeoude bosbpuwlandgronden, Heer dan 80 cmdiep humeus 2h enkelekleinereonderdelenvan degemeente hebben de bruine zandbouwla^dgronden eenhumeusprofiel, datwatdikkeris en daardoor een groterehoeveelheidbodemvochtkan vasthouden. Hunprofielbouw komt gedeeltelijkovereen metdie vande voorgaandegronden, "aarhunliggingin het terrein behorenzij nogtot de uitgesprokenhoge akkergronden. (Ze2a) Matig vochthoudendebosbouvrlandgrond, humeusprofieldiiücer dan 100cm op vacuumhorizont (Ze2b) Vochthoudendebosbou^landgrond, humeusprofieldikkerdan 80cm op gleyhorizont.

31 -10- Ze.5 Vochtige oude bpsbouwlandzandgrond, humeus dikker dan 50 cm, gleyhorlzont tussen 50 en 80 co, De gronden van deze -jroep vormen \mt hun hoogteligging betreft de tegenhanger van de gronden van Xo2. Zij het tussen gelijke hoogtegrenzen treden bij deze groep andere vochteigenschappen op tengevolge van hun grof- I zandiger karakter. ü ok in stractuureigenscheapen verschillen zij van deze ' laatste door geringer kluitvoicing en minder korstvorming bij regen, zodat zij geenszins vergelijkbaar zijn. De huneuziteit van deze gronden is iets groter dan van de voorgaande. Zowel de teeltlaag (± 35 cm) als de bosondergrond is donkerder van kleur. Maar vochtgehalte onderscheiden we nog in de groep Ze3: (Ze3a) Kat ig vochtige bosbouwlandzandgrond dieper dan 50 cm huneus, gley tussen 65 en 80 cm (Ze5b) Vochtige bosbouwl:-ndzandgrond dieper dan 50 cm hurneus, gley tussen 50 en 65 ca Hog een zwakke schurfthoudende horizont is soiâs aanwezig in het profieltype Ze3a, zodat hiervoor dezelfde opmerking geldt als voor het leiaige bodemtype Xe2a is gemaakt. Ze4 Zeer vachtj^e bosbouwlandzandgrond, gleyhorizont boven 50 cm Vanwege een verschuiving in de profieleigenschappen door een grofzandiger karakter geldt hetzelfde als van de gronden Ze2 is gezegd«de se gronden zijn iets minder vochtig dan de fijn lemige bosbouwlandgronden met e en gelijke hoogteligging (Xe3). De gronden van deze groep hebben ook dezelfde zwaart evarist ie als de lenig fijnzandige profielen, alsmede de sterk gereduceerde bruine bosondergrond v/elke soms. tot ver beneden 50 cm doorloopt. De oude esbcnwlandzandgronden (Zf)_ In het zandige dekzandlandschap bestaan voor het grootste gedeelte de oude zaridbouwlanden uit plaggengronden. Evenals de bosbouwlanden zijn de plaggengronden uit bosgronden ontstaan. De variaties in profielbouw zijn van deze gronden gelijk aan die van de zandige bosbou^'landgronden.

32 Hetonderscheid met de voorgaande bodemgroep berust op een geheel andere ontstaanswijze van het bodemprofiel. Daardoor is dekleurvariatiein het humeuze profieldeel groter«op dezwarthumeuze teeltlaag van ca 35 ca dikte volgt nog een oudere zwartbruine teeltlaag ofeen minder duidelijk bewerkte vergangshorizent welke ook via zwartbruin en donkerbruin eindigt in grijsbruin,ïhspoelingsverschijnselen manifesterenzich bij deze gronden duidelijker aaneen donkerder verkleuring vande bosondergrond. Het humusgehalte van dezegronden verschilt weinig van dat van de bruine oude bouwlanden. Als regelis dit iets groter. Dehogere gronden hieronder zijn ook weer minder humeus onder de teeltlaag, waaraan beantwoordteenlichter prof ielkleuring dan bij sommige lagere bodemtypen. De donkere kleur van de bovengrond is karakteristiek voor plaggengrond, daarnaast de aanwezigheid vanloodzandkorrels welke afkomstig zijn van de heideplag. Vanwegevariaties in de bemestingsmethodiekdoenzichin de plaggengronden van hetzandigedekzand meer afwijkingen voor. De bovengrond is b.v. bruinzwart in plaats van zwart en bevat minder loodzaad. De ondergrond is minder gedeformeerd en bruiner van kleur. Voornamelijk komen dergelijke variaties voor bij de lageregronden op de overgang naar de zandgraslandgronden en beekgronden. De esbouwlandenzijn op de bodemkaart op dezelfde wijze ingedeeld als de bosbouwlanden. De gronden van dezsbodemgroep nemen in het landschap dezelfde plaats in als de voorgaande. Zfl Zeer droge en drogeeabouwlandgrond Van deze gronden is dehumeuziteit vande bosondergrond geringer dan van deandereesbotorlandgronden, wat zich uit in een mindersterke verkleuring. 3h de groep Zfl zijn de onderscheidingen: (Zfla) Zeer droge zwarte esbouwlandzandgrond, minder dan 100 cm humeus metvacuurahorizont tot beneden 100 cm (Zflfc) Zeer droge zwarte esbouwjündzandgrond, minder dan 50 cm humeus met vacuumhorizont tussen 50 en 100 cm (Zflc) Droge zwarte «slwuwlandsandgrond, meer dan 50 cmhumetis met vacuumhoriaont tussen 50 en 100 ca

33 Zfg Matte vochthoudende en vochthoudendeesbouwlandtereneu humeus profiel dikker dan 80 om Ja het landschap tande esbouwlandgronden hebben dedikke humeuze profielen desterkstgedeformeerde boseadergrcnd (zwartbruintot bruinzwart). Dit is toe teschrijven aan de betereomstandigheden voor hurausverming door groter vochtgehalte en mogelijk ookaan het feit, dat het deze cultuurgronden zijn, waarin de zijdelingse inspoeling vanhumus - stoffenhet grootste is geweest. De twee bodemtypen, diein Zf2 voorkomen maken dehoge flankdelen uit van de oude bouwlandruggen en de depressies tussen deze hogere delen; (Zf2a) Matigvochthoudende esbouwlandgrond humeus dieper dan 1D0emanst geelgrijzeovergangszâne beneden 100cm op gley (Zf2b) Vochthoudende esbouwlandgrond humeus dieper dan 80cmop gleyhorizontbeneden 80 ca DevacmrahorJÜBcntin ZfEa is weer oorzaak van een onvoldoend vochthoudend vermogen. ZfS Vochtige eslxauwlandzandgrond. humeus profiel tussen 50 en 80 cm op gleyondergrond Deze gronden vormen delagere flankdelen van deoude bouwlandruggen enzijn de pendantvan ie bosbouwlandgronden op hetniet lenige dekzand tussen dezelfdeprofielgrenzen. Hun vochthoudend vermogen komt ookovereen met deze bruine bosbouwlandgronden (Ze3). De zandprofielenzijn in de teeltlaag en in de bosondergrond van het hoogste bodemtype hetdonkerst van kleur. (Zf3a) Matig vochtige esbouwlandzandgrond, dieper dan 50cm humeus, gley tussen 65 en 80 cm (Zf3b) Vochtige esbouwlandzandgrond, dieper dan 50cm humeus, gley tussen 50 en 65 ca

34 -13- Zf4Zeer vochtige esbouwlandzandgrond, gley boven50cm Degrondenvan Zf4 liggen op deovergangnaar delage zandgraslandgrondenenkomen overeen metde bosbouwlandzandgronden van deselfde hoogteligging, wat hunhumeusiteitenslibgehaltebetreft. Deprofielen zijnzv;.~rt bruin van kleurin deteelt laagendoorgaanseen weinig siibhoudend. Oudezandgrasland-ronden (ZwH^Z) 2h deze hoofdgroep konen meerdereonderscheidingen voor. ZwaZwartebeniestezandgraslandgronden In.hetgebied van de esbouwlmdzandgronden zijn dezwarte zandgraslandgronden nagenoeggelijk aan dis van de bosbouwlandgronden. Een ietsduidelijkergehalteaanloodzandkorrelden deover hetalgemeen tets donkerderkleur vanhethutaeuze mestdekzijnhetenige wat wij aan de eerstegronden meer kunnenopmerken. Ditisgeenredengeweest omze van deanderezandgraslandgrondente onderscheiden, zodat van balde oude bouwlandschappende bemestegraslandenin eengroep bijeli;aar zijn gebracht. Dezwarte bovengrondrust opeen broekigevuilgrijze bosondergrond. Tengevolge vanverspoelingvande hogeredelendoenzichin deze grondendezelfdezwaarteverschillen vooralsin defijiilemige zandgraslandgronden.3h hetalgemeen aijn echter deprofielenslibarraer. (Zwsl) Zwartezandgraslandgrond metgleyberieden 50 cmin eenzwart gr ij ze bosondergrond (Zws2) Zwarteleaigezandgraslandgrond metgley boven 50 cm 2«r Bruinezandgraslandgronden Dezegrondenzijngekenmerktdoor bruinehumeuzeslibarmezandprofielen. Naargelang dehoogteligging varieert hethumeuze profieldeel tusseneen broekige horizontvanzodedikteeneen bruin humeus roestvrij zandprofiel van ca. 50 cm dikte.in heteerste geval bevindtzich de gleyhorizont in de zode, in hetlaatste op meer dan 50 cmdiepte daaronder, zodatooksomseen vacuumhorizont bij dezelaatste aanwezigis. Bruine

35 -14- zandgraslandgronden komen voor in kleine verspre Me delen in het nog zandige overgangsgebied tussen de hogere zandgronden en rivierkleigronden. ffz Gebroken gronden De lichte en zwaardere zandige kleigronden op zand op de overgang van het zandlandschap naar het rivierkleilandschap zijn naar hun samenstelling gekenmerkt door een fractie klei (deeltjes kleiner dan mm) naast een fractie diluviaal zand dat in het onderzochte ƒ gebied uitsluitend afkomstig is van het nietlemige dekzand. lïij vinden i ditlaatste ongestoord in deondergrond op 40 à 60 c aanwezig. De kleibijmengingveroorzaakt aan de grond de structuureigenschap van vaste kluitvorming. leggen tussent Naar hoogteligging en zwaartelean meneenglobaal onderscheid (gzl) Lichte gebroken grond, met gley soms boven, soms onder 50 cm (gz2) Zware gebroken grond metgleyhorizontin of vlak onder dezode Type ga heeft een ca. 40 cm bruin humeus profiel van lichtssandige klei (20-35$ afslibb.), gz2 als regel uit meer afslibbare delenopgebouwd (35-00%) heeft een meer of minder broekig uiterlijk vanwege een lager ligging, zodatroest kleur ing en reductietotde normale profielverschijnselen van de zode behoren. Oudebeekgraslandgronden (By) Deze graslandgrondenliggenlandschappelijk laag en behoren historisch voornamelijk tothetoudecultuurlandschap van het gemengde zandbedrijf. Overhet algemeen zijn ditgronden met de minsthomogene profielsamenstelling. Lichtere en zwaarderehorizonten vanlemige en zandige beekgrond wisselen elkaar af.in de diepereondergrond komt op vele pjjaatsen veen voor ( cm). Soms heeft ook de bovengrond eensterk venig karakter. De ondergrondis evenals bij de zwarte zandgraslandgronden humeus en vuilgrijs ontwikkeld. Door hunlage ligging hebben dezegronden

36 -15- in hetalgemeen een veel geringer tuinbouwkundige waarde. Dezelfde vaste leeabank als bij de vochtige bouwlandgronden vinden weookplaatselijk onder debeekgronden terug.ze ligt hier nogdieperin hetgrondwater. Evenals bij enkele hieronder nog te besprekenbodemreeksenvormt hun geringeland- en tuinbouwkundige waardede reden, dater weinigaandacht geschonkenis aan debetrekkelijkgrote verscheidenheid inprofielvariatie vandeze gronden. BwaZwarte bemeste beekgraslandgronden Deswarteof bruinzwarte bovengrondvarieert van 20 tot40 cm dikteen rust gescheiden door eencontrastgrens op vuilgrijze sandige leem oflemigzand. Degleyhorizontligtsteedsindezwarte bovenlaag enkan alsgevolg vanhoogteverschillen nog eenpaardem* s variëren. Als degleyverschijnselen voorkomenin de bouwvoorzijn hetkletsnatte gronden«zwaarteverschillen tussen bovengrondenondergrondbedragen SO â 30$ afslibbare delen. Onder de humeuzer bovengrondis het profiel steeds hetzwaarst. Dehunieusïteit van debovengrondkanook i 10 à 15$ variëren, doordateen gedeelte van dezwartegraslandenontstaanzijn op beekgrond met eenvenige bovengrond. (Bwsl) Zeer vochtigetot nattezwarte beekgraslandgrond, gley beneden 25 cm (Bws2) Zeer nattezwarte beekgraslandgrond, gleyboven25 cm BarOribemeste beekgras landfironden Opgrond van dehumeuziteit vandebovengrondvaltallereerst onderscheidte makenin venige toeekgronden welke bruinzwartvankleurzijr en eongebleekte roestarae ondergrondhebbenen bruine roestiggevlekte gronden. Deeersteliggenhet laagst, waaraandusparallelgaatde langsteperiode van wateroverlast. Van debruinebeekgrondenis de waterhuishoudingaan groter" fluctuatiesonderhevig. Variatiesin hoogteliggingversterkendit gedrag. Dehoogstegronden drageneen bruinezodeen bestaan uitlemig

37 -16- zand» De humeuze overgang van de zode valt samen met de bovenste roestig gevlekte horizont. Een tweede roesthorizont treedt een paar dea^s daaronder P 3n een vuilgrijs humushoudend profieldeel. Beide roesthorizonten geven de schommelingen van het grondwater weer in zomer en winterperiode«. De lagere onbemeste beekgronden hebben een broekig profiel uiterlijk, wat hierin bestaat dat de zode steeds gereduceerd en roestig is, waardoor zijn kleur overslaat in vuil bruingrijs terwijl het profiel onder de zode nog roestiger is (zomergleyhorizont). De diepere ondergrond is grijs f witgrijs gereduceerd en roestarau ^eenhorizonten en inschakelingen van zwaarder leemlagen komen ook hier regelmatig voor. De bosont^innings^ronden (Zob) Deze groep van gronden onderscheidt zich van de oude cultuurgronden door een minder humeuze profielsamenstelling, bruiner kleur en een geringe deformering van de bosondergrond als gevolg van een minder lang bodemgebruik. De ndergroniis vaak nog in een toestand aanwezig zoals ze bij ontginning uit bos is ontstaan. De geringe humeuziteit van de bosondergrond uit zich a an de grijs violette schijn welke me* de vegetatie van eikengroei samenhangt. Aaaeuziteit van drie bosontginningstypent Zoblb Zobla Zob2b Profieldiepte humus profieldiepte humus profieldiepte humus / / /Z / Z V Boodbruine tinten treden op in de lagere bosontg inn ingsgronden. Deze wijzen op het voorkomen van de beuk in de vroegere bosopstand. Geprononceerde grijs-violette eikenprofielen worden ongaarne gezien, omdat de hutaussamenstelling van het eikenprofiel minder profitabel is voor

38 -0L7- de cultuurgewasson. De volgende onderscheidingen zijn in deze bodemreeks aangebracht. Zpbl Uiterst dro^e en zeer droge bosontginningszandgrond, humeus profiel dunner den 100 cm, Gleyhorizont beneden 100 era îîaar gelang de beme stings invloed verschilt de teeltlaag van bouwvoordikte (25 cm) van bruin tot svfârtbruin. In het laatste geval ontleent de bouwvoor de samenstelling van een esgrond nog aan een kortsfcet>» dlge plaggenbeiaesting. Bij deze hoge profielen is de bosondergrond overwegend violet grijsbruin en bruingrijs van kleur, hiermede beantwoordend aan het reeds vroeger besproken versehijn3el, dat samenhangt met een minder weelderige bosgroei op de droogste gronden. De dikte van teeltlaag plas bosondergrond veroorzaakt nog enig verschil in vochtigheid dat met de volgende onderscheiding 'wordt weergegeven: (Zobla) Uiterst droge bosontginningszandgrond, hutaeus profiel dunner dan 50 cm, gleyhorizont beneden 100 cm (Zoblb) Zeep droge bosontgirmingsgandgrond,' humeus jxpofiel dikker dan 50 era, gleyhorizont beneden 100 cm /.ob Droge en iaat ig vochthoudende bosont^.innin^szandgronden, dikte huneus profiel 50 à loo cm, gley tussen 50 en IOC'cm De schakeringen in de humeuziteit van de bouwoor zijn nog gelijk aan die van de voorgaande ontginningsgronden. De bosondergrond is bruiner van Icleur wat verband houdt net de iets sterker hurausvoming van het bos door vochtiger ligging. Door dezelfde omstandigheid lean een roodbruine Icleur optreden in de onderrand vanwege de aanwezigheid"van de beuk in de vroegere al of niet gemengde bosopstand. Het vochthoudend vermogen van deze gronden loopt nog ver uiteen doordat bij een gedeelte van de gronden een vacuurahorizent optreedt en bij een ander deel het huueuze profieldeel aanslu.it op de gleyhorizont.

39 (3ob2a) Droge bosontginningszandgrond, geelgrijse TOCuumhorlscnt tussan SO en 100 ce (Z b2b) Matig vochthoudende bosontginningszandgrond op gley ondergrond tussen 50 en 100 ca ZebS Vochtige en natte bosoptgimibgagandfgpoden. huaeus prof iel dunner dan 50 om en gley boven 50 ca De haneuziteit van deze gronden la groter waardoor de profielkleur In donkerder tinten uitvalt. De bosondergrond is donkerbruin grijs* Bij een gedeelte van deze gronden valt de gleyhorizant samen met de zode, wat het natte karakter van deze gronden verklaart almede htm gebruik als grasland. De oudere graslanden op de natte «tginningsgrondeny «elke vaak wat leaig ontwikkeld zi$a, verlenen aan het zodeprof iel een bruin«zwarte kleur. In het algemeen is het slibgehalte van deze gronden lager dan van de zwarte graslandgronden Zws en Xwa. Vanwege de grote vochtverschillen zijn de gronden van deze groep te verdelen ins (Zöb3a) Vochtige bosontginningsgronden met gley tussen 25 «a 50 CB (Zob3b) Zeer vochtige en natte bosontginningsgronden met gley boven $5 m De heüeontginningsjgronden (Zoh) De grolden welke in deze bodemreeks voorkomen zijn in een drietal globale onderscheidingen onder verdeeld, welke verband houden met hun hoogteligging. In de profielsamenstelling van deze gronden doet zich een grote variatie voor in betrekking tot hun huaeuziteit en prof ielkleur,-saawege de relatie welke vroeger bestond tussen de vochtgesteldhem en de hvaneuze ontwikkeling van het heideprofiel. Door verplaatsing van de grond tijdens ontginning komen nog vele bijzondere afwijkingen voor. 2ohl Droge en laatjg, vochthoudende humusanae heideontginningsgrond^. gleyhoriaont tussen 60 en 100 cm De bruine teeltlaag van dit profieltype is iets dikker das

40 -19- de bouwvoor ii rust op geelbruin zand fwel een wat bruiner gekleurde horizont van de heideinspoelingslaago Onder het zwak hianushoudende zand treedt een vacuuialaag op. Een restant van de ioodzandhorizont is naar gelang de wijze van verwerking is geweest, aanwezig in de humeuze bovengrond of de taaausaraere ondergrond. 2oh2 yoehthoadende en vochtige bruin humeuze heideontfçinningsctond, gpbeyhorizont boven 60om hoger De donkerbruine bouwvoor ontleent zijn humusgehalte aan de grotere humeuziteit van het vochthoudend heideprofiel waaruit dit profieltype is ontstaan. Dit is het lagere gedeelte van d middelhoge heidegronden* De ne*de ondergrond is in zijn verwerkte toestand ook bruin en sjuit aan op de gleyondergrond. Zoh5 Natte heidecptginninffigrond Hiertoe behoren de heideontginningsgronden welke uit de lage hei degronden zijn ontstaan. De bovengrond is zwart of bruinzwart van kleur en deze is wat zijn samenstelling betreft zeer venig ïraaeus. Door het optreden van oudere vegetatieverschijnselen kan het profiel nog over een meter diepte bruingekleurd zijn. Bij afwezigheid van dit nevenver*» schijnsel is de htsausarmere zandondergrond bleker van ca. 50 cm af m grijsbonfc gevlekt door vermenging van gereduceerd zand en humeus zand. p> en. Zohh Bosgronden De lemige bruine bosgronden (Xb) van het Liesbos en de bosgronden op loodzand (Zohb) van het Mastbos en het grofzandige gedeelte van het Liesbos worden niet verder behandeld in de veronderstelling, dat zij als reereatie oorden geen agrarische betekenis meer hebben en derhalve buiten de bodemkundige belangstelling staan van dit onderzoek. Rjvlerkleigronden (R) 3h een rivierkleigebied van enige omvang onderscheiden we als regel meerdere, bodororeeksen welke asn zelfstandige plaats inneraen in het landschap, doch boderagenetiseh in nauw verband staan net elkaar. Over eeï

41 klein pprvlak komt hiervan het volgende in ons gebied Yoor» ife Kalkrijke strooimaœrond Deze graaiden danken hun ontstaan aan de sedimentatie uit stromend water zodat zij gebonden zijn aan vroegere rivierlopen. Zij worden daarom stroofflroggen genoemd waarvan het hoofdkenmerk is dat zij een rugvorraige ligging hebben en dat zij opgebouwd zijn uit een fractie klei en middelmatig fijn zand* Een normte eigenschap van deze fijnzandige kleigronden is dat zij kalk bevatten als sehelpbestanddelen. De over het algemeen goede landbouwkundige kwaliteit van deze gronden vindt zijn uitdrukking un de dikte van het bruin huaeuze prof ieldeel dat soms neer dan 50 cm bedraagt. ÏÏi(r) Karrenden In tegenstelling met de voorgaande rivierkleigronden zijn de koragronden uit aware klei opgebouwd (»eer dan 60$ afslibbaar). Principieel ontbreekt een duidelijke fractie zand, omdat deze kleigronden gevormd zijn door sedimentatie uit stilstaand water dat zich bij natuurlijke overstroming verzamelde in de komvormige delen van het terrein. Vandaar de nasa komgronden. Steeds zijn de koragronden kalkloos en hun doorgaans zeer lage en natte ligging heeft veroorzaakt dat zij een veenacht ige donkerbruingrijze bovengrond hebben van zodedikte op een grijsblauwe komkleiondergrond. 3h het onderzochte gebied komt veen voor onder de meeste komkleiprofielen«deze veenhorizont varieert in dikte tussen een paar dem en een meter. De dikkere veenlagen zijn op verschillende plaatsen uitgeveend voor huisturf. Zogenaamde moerputten zijn hiervan overgebleven«vffe Veen off kohklei/yrond 3h een tweetal onderdelen van het gebied is veen niet afgedekt door koraklei. Ei de ondergrond van dit meerasveen komen plaatselijk wel kleibanken voor. Landbouwkundig kunnen wij deze afzetting niet tot ze de normale bodems rekenen, omdat/behalve het feit, dat ze niet of zeer Weinig produceren, zelfs moeilijk begaanbaar zijn en zeer lang onder

42 HOOFDSTUK 37 HSSCHRLT7JMG TOI DE 3CD3IIÜAIir Do bodemkaarfc van de gemeente Breda is uitgewerkt op een schaal 1: De groepering van de gronden op de bodemkaart is in overeenstes*- ming gehouden niet de onderscheidingen, zoals deze van de boderakundige landschappen in het voorgaande hoofdstuk zijn besproken. Zo geeft de kaart een gebied te sien van oude bruine zandbouwlonden en oude zandgraslanden.op \ het lemige dekzand. Ben ander eveneens met bruine -feojbwlandgrondan op het grofzcndig dokaand en een derde dat verdeeld is in. enige op zich zelf staande onderdelen door rivierdalen,uit voornamelijk esbouwluidgronden, waarnaast ontginningsgronden, beide op grofzandig en opgestoven dekzand,, Landbouwkundig ninder belangrijke onderdelen, welke nog zijn aangegeven In verschillende bodeakundige variaties, liggen gelocaliseerd in de beekgronden, de gronden van het rivierldeigebied en de overgangszone tussen klei en zand. Een uitgebreider inzicht in de verbreiding van de gronden met hun diverse eigenschappen, door een beschrijving van het gebied aan de hand ven de bodemkaart, is het onderwerp van dit hoofdstuk. Bij de beschrijving van de bodeakundige indeling is gebleken, dat binnen de aangebrachte onderscheidingen belangrijke variaties, boderabypen genaamd, zich voor doen, welke vanwege hun landbouwkundige betekenis vermelding behoefden. Deae voorgaande uitweiding over de bodemtypen zou echter weinig zin gehad hebben, als hieraan niet de toevoeging zou volgen, op welke wijze deze de subreeksen samenstellen, die op de bodemkaart vermeld worden. Eaast de beschrijving van de hierop voorkomende bodentgroepen van het gebied, is dus nog hun votierende boderakundige inhoud, een punt dat de aandacht vraagt. Hoewel de land- en tuinbouwkundige waarde van de gronden een onderwerp is wat hierna nog uitvoeriger besproken zal worden, is een overzicht van het boderagebruik in betrekking tot de boderakundige opbouw van het gebied en sijn Landbouwkundige kwaliteiten een geschikt onderwerp,

43 -g» dat bij de beschrijving van de boderakaart behandeld kan worden. Voor een inzicht in liet boderagebruik raadplege men III, Boderagebruikskaart van de geaeente Bred$. A». Het gebied, van de bruine leajge zandbouwlr^dgronden De lemige dekzcnden liggen in het noord-westelijk gedeelte van de gemeente. Op de bod.eirilca~.rt wordt dit zandgebied begrensd door de spoorlijn Br eda-rooa endaal aan de noordzijdej de fleile.rstraat, de Leurse Baan en de Zuilenstraat a,?n de oostzijde; de Liesboslaan, de Lloerdijkseweg en de Bijloop aan de suidoosizijdej de Vuchtsehootseweg, Rithsestraat en Sprundclse Baan czxi de zuidzijde en de Moerdijkse Postbaan, de Liesboslaan en de Driehuisen Dreef aan de westzijde. Het gedeelte van de lenige zandgronden dat tot het Liesbos behoort, valt hier buiten. De overgang van lenige zandgronden naar zandgronden heeft een geleidelijk verloop- Ih liet grensgebied treden variaties cp de voorgrond in de verschillende bodemtypen, welke naast elka* r voorkomen. Ten opzichte Tm de overgang near liet sandige dekzond Verliesen de hoogste gronden het eerst hun lemig karakter«^'andaax d't op enkele plaatsen deze overgang getypeerd kon irorden &- : m het optreden van grofzandiger ruggen tussen het ledige dekzand. Bij gronden net eenzelfde hoogteligging was de grens tussen said ek fijn leutig sand voel noeilijker te leggen. De grens tussen beide zandlandschappen moet &xi ook gezien worden als een overgangszone van enigs breedte, welke km Girieren tot ± 100 n. Volgens de hoogtekaart (kaart I) liggen de hoogteverschillen van de gronden in dit lenige dekzarulgobied begrensd tussen de 2 en 4 meter hoogteiijn t.o.v. ii.a.p. Bit landschapsio&l heeft oen awak golvend verloop. De hoogteligging van de percelen vozï.rt editor geen zuivere afspiegeling van een zodanig reliëf. De oppervlakten hiervan sijn riin of neer aagevomd tat koepelvorftigo dolen. Do oorzaak hiervrx; is gelegen in het voortdurend

44 » o** opploegen van de akkers naar het midden van de percelen. Het het oog op de minder gunstige waterstaatkundige toestanden van vroeger, werddeze methode aangewend om althans aan een gedeelte van de percelen een betere afwate- / ring te geven» Hetzelfde microreliefbeeldis den ook eigen aan alle lage gebieden met oude zandbouwlanden, waartoe het merendeel van dat van Breda behoort«de natuurlijke reliefvormen van dit landschap vinden we terug I aan de gemiddeldeterreinhoogte van de percelen. gebied 3h het lemige deksand /blijken de hogere percelen voor een zeer klein gedeelte samengesteld te zijn uit bosbouwlandgronden van Ssl en voor het grootste gedeelte uit die van Xe2. Deze laatste bestaan dus uit grondmi met behoorlijk dikke huraeuze profielen, een gleyhorisont tussen 50 en ca, 80 ca. De gronden ven XeZ zijn in het algemeen nog tot de ruggen van het landschap te rekcaien, terwijl het kleine oppervlak, dc.t uit koppen is samengesteld een vacuimhor&sont heeft boven 100 cm (Xjel), Tot de hoogste delen behoren de gronden ten noordwesten van Bagben, vervolgens die welke op het kruispunt van de Uoerdijkseweg en de I-eurse Boa» liggen en die ten noorden van?rincenhage aan weerszijden van de Heilarstraat. Voor het merendeel bestaari de gronden van Xel uit profielen «raarvan het hurneuze dek dunner is dan 50 ea. De gronden van Xe2 beslaan zoals gezegd het grootste opper*» vlak. Ulan de gronden van het lagere bodenrtypö, dat hierin kan worden onderscheiden (Xe2b) kan men enigersiate de ligging nagaan aan het plaats tielijk voorkomen van een leembank in de ondergrond. 3h de hogere delen van Xe2 komt deze bank van ca. 5 tot 20 cm dikte niet voor. Wel zoals de bodeiakaart te zien geeft, bij de nog lager gelegen gronden van Xe3 en Sss. Het optreden van schürftlagen in de hurausarne ondergrond van so:xiige profielen is daarentegen beperkt tot de hogere gronden van Xe2 en voor eon klein gedeelte kont deze horizont ook in daß van Sei voor en wel in de profielen met een dik hunmsdek (Xelb). Enkele van zulke onderdelen raet Taster horizont vormen enige percelen ten zuiden van Vaareind westelijk

45 van de îioerdijkseweg, de omgeving van Bagben, eca strook gronden aan de oostzijde van de Heüarstraat, het oostelijk deel van de Drairs Kootea ten noorden van de Sprundelse 3aan on een complex langs de Lies Dreef, De gronden van de derde groep (Xe3) vinden we in de slenken van het landschap liggen. Minder dan de oude graslandgronden van dit lemige zandgebied maken zij door hun vorm de indruk tot de delen van oude beeklopen te behoren. Eegfoelangrijk complex van deze eerste gronden vinden we tussen de Liesboalaan en de Spraidelse Baan. Het gehucht Lies is ean centrum van tuinbouw op deze gronden. Kleinere complexen konen voor aan de zuidzijde van het Liesbos en ten oosten daarvan. aparte zandgraslandgronden (Xws) vinden we in enkele geulvomige delen, welke kennelijk tot een vroeger bekensysteem van het landsclxap hebben behoord. Het fijn leraige dekzand is daarin nog aanwezig. Voor het grootste gedeelte bestaan deze gronden uit profielen met de gleyhorizont baneden 50 cm In de ssalle geulen en set de gleyhorizont boven 50 ca in de bredere. Svenals de gronden van Xe3, hebben deze op vele plaatsen eas leombank. Ket een enkel woord wijzen wij tot slot nog op het landbouw- en tuinbouwkundige beeld van het gebied, dat zich in enkele vormen vrij scherp heeft aangepast aan de bodemkundige gesteldheid (kaart III). Behalve ten noorden van Princenhage, waar de tuinbouw alle gronden van het landschap omvat, heeft daarbuiten de akkerbouw op de hogere landschapsdelen, opgebouwd uit gronden van Xel en Xe2a, zich gehandhaafd, Voor een klein gedeelte zien v/ij deze grdftden bij de tuinbouw in gebruik voor kersen, asperges en frambozen, omdat zij in tegenstelling met de lager gelegen gronden, geringer teeltmogelijkheden heaben*: Als bouwland dienen zij voor de teelt van rogge, vroege aardappelen en haver. Ten aanzien van de verhouding tussen het akkerbouw areaal en dat van de tuinbouw op deze hoge gronden dient men enige reserve te bewaren. Het akkerbouw areaal is geen weergave van de omvang, waarin het landbouwbedrijf

46 te u s fi o M 1 > Pi O 49 M Xi O O «H 49 N O & I ID d -9 ri V«PU O U cd ce 3 (S 49 CD i BS S3 M H 3 U fi o S3 cö > G a g o > CD Ö S3 0) <-l iri ^4 jrî o ra h 2 S S o T3 ri e * ^ 1 H TD S IH tjû U 43 A3 O co «T3 o. O ** M 1 ce Ä *o g h O o S> o Pu o S3 T3 G O 4 ÈtO fo i CÖ ta ^4 ts I ) Q S o N i ** * G O.g i «-i U s rh > o 49 O g «çs *o ri E Mfc W S? O u +9 *5 O fc e ri * s cd H ri çp ^ U $ ri 1 U «(S3 «S3 49 ri fi Ä r-j ri H 49 H tj 00

47 Gezicht op westelijkegedeelte van Bagben van deliesboslaan af. Tuinbouwonderopstaand glas (druiven en tomaten) envollegrondsteelten op vochtige fijnlemige zandgronden.

48 zich hier heeft gehandhaafd. Eenafwisselend gebruik van deze gronden voor landbouwen tuinbouw komt geregeld voor. Bengedeelte behoorttothet gemengde tuinbouwbedrijf, dat het productie3chema tijdelijk vrij gemakkelijk kan wijzigen. Het gedeelte, dat hetlandbouwbedrijf omvat, wordt somsook voorenige tuinbouwteelten gebezigd. De tuinbouwrond hetbelangrijkste centrumjprincenhage heeft zich voorts ontwikkeld op de lagere bodemvarianten van Xe2 (2e2b) en op dehogere van äss (Zwsl). Daardoorverschilt dit met zijn tuinbouw van het tweedetuinbouwcentrum Lies, dat met de tuinbouw aan de zuidkantvan het Liesbos bijna een geheel vormt.3h ditlaatstegebiedzijn daarvoor de bosbouwlanden metgley boven 50 cm opgezocht (Xe3). Door hón fijnzandigesamenstelling zijn de lemige zandgronden van nature matig vroege gronden, welke eigenschap door eenlageligging aanzienlijk wordt versterkt. Om deze redenzien we, dat detuinbouw,*rond Prineenhagezich op vroegegroententeelten onder glas enzachtfruit heefttoegelegd} die van Lies en omgeving op teelten van zomergroenten en zachtfruit. De groententeelten van heteerste tuinbouwgebied omvatten spinazieenbleesakool m peentjes onderplatglas met nateelten van bonen, komkoaiaere en meloenen. Het zacht fruit op de hogeregronden wordt geteeld als in de omgeving van Lies, waardeproducten minder vroeg zijn. De groententeelten bestaanin dit laatste buurtschap voornamelijkuit zomerteelten van fijneen grove bladgroenten. Dekleinere tuinbouweomplesen van dit gebied liggen eveneens op gronden van Xe3, de teelten hieropsluitenzich bij die van Lies aan. Graslandpercelen vinden we op delemigezandgronden in kleine verspreidedelen en bestaaneveneens uit gronden van Xe3. Deze behoren tot hetgemengdezandlandbouwbedrijf. Degronden vanhet zandige- en opgestoven dekzandlandschap vallen in verschillende oude en jongere cultuurgronden uiteen. Aangezien naarhunhistorische ontwikkeling, deoude zandbouwlanden van het zandigedekzand in twee groepen, bruine en zwarte zijn

49 gesplitst, sullen zij ook vanwege deze onderscheiding, in twee gedeelten behandeld worden. Ben derde gedeelte zal zich bepalen tot het gebied waar oude en jonge cultuurgronden naast elkaar voorkomen. B. Het f^ebied van de bruine 2^dbouwl jidgronden 3h twee kleinere onderdelen van het gebied vormen deze gronden de akkergronden van het oude zandlandbouwbedrijf. Het belangrijkste ligt ten isesten van Breda tussen deze stad en het lemige dekzandgebied in. Een tweede kleiner gebied waar de oude bouwlanden ook nog overwegend bruin ontwikkeld zijn, vinden we ten noorden van Breda en ten oosten van de Terheijdenseweg. Dit laatste onderdeel bestaat uit de delen de Bijvank, de Terne ijdense Hoek en een gedeelte van de Geldœe Vu cht aan de westzijde van de zojuist genoemde weg. Het eerste gebied ligt voor het grootste gedeelte op een hoogte van 2-4 m plus N.A.P 0, het zuidelijke gedeelte de Heuvel genaamd, gaat hierboven uit met een hoogteligging van 6-8 m plus N.A.P. Een kleiner complex van hoge gronden vormen de Doelakkers ten westen van de Heuvel. De Doelakkers en de Heuvel zijn uit schrale droge gronden opgebouwd. Hierin hebben de profielen van Zelb de overhand. Langs de Flierstraat bestaat de Heuvel uit een droger gedeelte met profielen van Xela. Bakele andere kleine delen in dit hoge gebied bestaan uit Ze2-gronden. Ten noorden van de Haagweg heeft het zandige dekzandlandschap dezelfde topografie als het lemige landschap. Ih het eerste doet sich echter een groter oppervlak voor van rugvormige delen met profielsamenstelling van Xelb. Afgezien van hun grofzandiger samenstelling hebben de gronden van Ze3 en Ze4 de overige kenmerken van prof ielbouw en hun ligging in het landschap t gemeenfoet de lemige zandgronden. Plaatselijk komen nog schurftlagen voor onder de hoogste gronden van ZeS en leembanken onder de laagste van deze bodemgroep, alsmede onder de gronden van Ze 4 en Zws. Overwegend vochtige varianten van Ze3 liggen ten zuiden van de spoorlijn en bijna

50 -7- i V uitsluitenddroge aande noordkant. Delage bosbouwlandgronden hebbeneen i geulvormigeliggingin hetlandschap in plaats vaneen slenkvonaige. Zij vormen neteen kleineroppervlak vanzvrarte graslandgronden eenvoortzetting van hetgeulensysteem vanhet lemigelandschap«dezegronden zijn danook nogopvallendfijn vanzandsamenstellingensterkslibhoudend. Eencomplex gronden vanzws ten noorden van de Gageldonksestraat tegen de noordgrens vanhet gebied, heefteen geheel andereligging. Dit behoorttot' delage nogzandigeovergang naarhetrivierkleilandschap. Degrondenhiervan liggenzeer laag, hebben eendunzwart mestdek, zijn ietsgrover vansamenstelling (weggespoelddekzand) en hebbenopvallend veel veenen leemin de ondergrond. Het veen ruststeeds op hetleem of is hiervan noggescheidendoor een sandhorizont. De bruinezandbouwlandenten noorden van Bredahebbeneen uniformerprofielbouw e Erkomenwsinig hogeen weiniglagegronden3n voor, terwijlook hunprofielsamenstelling watde ondergrond betreft, uniformeris door hetgeringe voorkomenvanleembankenen schurftlagen. Dezwartegraslandgronden metprof ielsamenstelling van ZRS2vormenenige komvormige depressies tussen delageregronden van Ze3,dijein mindere mate uitdroge variantenzijn samengesteld (Ze3b) dan aan de noordwestzijdevan destad (Ze3a). Wij vinden deze laatstegrondentenzuiden van hetkadijkje tussen deze dijkende spoorlijn. Landschappelijk vormendegebrokengrondengz en Zwreen onderdeel vande zandgronden, reden waarom wijdeze bij het aangrenzende gebiedvanhet bruinezandbouwlandschap willen noonen. Evenalsde rivierkleigrondennemen zijinhetzandlandbouwbedrijf de plaatsin vangrasland. Door hun betere bodemkundige eigenschappen hebben zij een hogergebruikswaarde, reden waarom 2ij,hoevrelxreSaig meer organisch bemest, vanouds als weilandeningebruikzijngeweest. De rivierlcleigrondon daarentegenvanwege hun wateroverlast alshooiland. Sommigegebrokengronden hebben bruinezodeprofielen vanzandige klei. Delageregraslandgrondon hieronder hebbenroestige bruingrijze profielen

51 -8- en zijn raeeaial wat zwaarder. Hoewel van zuid r^s-r noord een geleidelijke toename ia zwaarte van dese gronden zich voordoet, komen beide componenten net nog diverse variaties in hun profielbouw, in onregelmatige afwisseling naast elkaar voor, wat zich uit in de ongelijke hoogteliggàng van het terrein. Op de bodemkaart uit zich dit in het nog pleksgewijs optreden van deze gronden tussen de komkleigronden. Met het onregelmatige boderarelief in dit overgangsgebied is ook het optreden van minder l&eihoudende zandkoppen tussen deze gronden verklaard (Zwr). De hoogste en grootste hiervan bestaan uit dekzand net een bruin huraeus profiel van ongeveer 50 cm, de lagere uit kleihoudenö sand rast een bruin sodeprof iel. De grootste opduiking tussen de rivierkleigronden bestaat uit gronden welke tot meerdere bodesareeksen van de zandgronden behoren, doordat een volledig landbouwbedrijf hierop is ontstaan Oferanda). Bij elkaar zijn de aandige opduikingen van Zwr te licht van saneretelling om ze bij de gebroken gronden onder te brengen. Deze zandopduilcingen zijn [hier landschappelijk de onderbroken voortzetting van oude onbeaeste zandgraslsnden, welke elders een aaneengesloten gedeelte van het overgangsgebied vormen tussen rivierklei en zand. De meeste opduikingen zijn voor graslandgebruik te droog. De gleyhorizont ligt bij deze herhaaldelijk beneden 50 era, bij de lagere tussen 30 en 50 cm, wat raet het oog op de dikte van de dunne huneuze bovengrond ook nog te diep is. Daardoor zijn se bij enige grondwaterschomineling vochtgevoelig. 3h beide onderdelen van het hier besproken dekzandgcbied heeft de tuinbouw zich sterk ontwikkeld. De tuinbouw van r rincenhage zet zich voort op deze grofzandiger gronden net dezelfde teelten als op het leiaige deksand. Sen duidelijk verschil doet zich echter voor ten aanzien van de tesltwijze-op deze zandiger gronden, doordat er veel minder platglas gebruikt wordt. Dit houdt verband net de natuurlijke vrœgheid van de teelten op deze niet-lemige gronden. Zij hebben ongeveer een voorspong van 14 dagen op de lemige zandgronden. Platglas op deze laatste- is nodig om de vroege groententeelten rendabel te maken tegenover deselfde teelten

52 Foto III. Gezicht op de Huifakkers in de richting Prineenhage. Droge en raatig vochthoudende zandgronden, voor het merendeel beteeld met rogge en haver.

53 -gop gronden van het zand ige dekzand. Tussende ftuagweg ende spoorlijn Breda-Roozendaal zijnook d hogegronden voornamelijk bij de tuinbouw in gebruik, (Zuilen en Heiken^' evenals de hoge terreinen tenzuiden van ^rincenhage d Dezelaatsten met uitzondering van dedroger zandrug langsde Flierstraat, welke in bouwland ligt. Deverbouwde tuinbouw gewassen hierop zijn dezelfde als op de hoge gronden van hetlemige dekzand.ïen noorden van de spoorlijnzijn de hoge ruggen in bouwland blijvenliggen» Het zijn de delen Huifakker, aanerakkers enetoaer. ïen noorden van Breda heeft de tuinbouw alle oude bouwlandgronden in beslag genomen. Behalve de gebruikelijke teelten van Princenhage komt hier ook de teelt vanappelsen peren voor en wat boomkwekerij. Ç. Het gebied van de oude gwartezandbouwlanden Ditgebied valtgeografisch ook in een tweetal delen uiteen. Het grootste ligt tenoosten van Breda en beslaat de gronden tussen de Teteringse Dijk en de Mark aan de zuidkant van Breda, De cultuurgronden van deboeijneer, ten noorden vanhet Mastbos tussende Maak ende Aa of Weerijs,, vormenhet kleinere gedeelte. Sa topografisch opzicht wijkenbeide gedeelten in zover van hetbruine zandbouwlandschap af, dat derelief vormen bijna uitsluitend bepaaldworden door slenken en ruggen. Alleen in het zuiden, juist ten noorden vanhet gehucht Bieberg komen enkele reliefvormen voor welke in verbandtebrengen zijn met geulen van de Mark. Hetgebied tenoosten van Breda is teverdelen in een lager noordelijk gedeeltedateen hoogteligging heeft tussen Zen 4 m plus ÎÎ.A.P. eneenzuidelijk deel waarvan een belangrijkoppervlak t.o.v. N.A.P. tussen de 4en 6 meterlijn ligt. Bodemkundigbeantwoordt hieraan een overheersen van de vochtige gronden inhet noordelijkgedeelteeneen groter afwisseling van vochtige en drogegronden inhet zuidelijkgedeelte. De vochtige bodemgesteldheid van het'noordelijk deel wordt nog versterkt doorhet ^rofzandiger geologische

54 -10- landschapdat hierdicht a;n hetoppervlakkomten opdiverseplaatsen tussen m is aangeboord. Dit bestaat in debovenlagen uit praeglacialezanden, diewater aanvoerenuithogeregebieden. IJnkele lageredelen vanditnoordelijkgebiedaijn "de Dijk", delagekant en de Ramen. SenlaaggedeelteverderzuidwaartsheetdeGroteLJpelaar. 3h dezeonderdelen vanhetlandschapdoch ook nogdaarbuiten, treffen we ditgrove ouderezand aan. Hoeweldegrondenbodemkundigtotdie vanhetzwarteesbouv*- landschapaijngerekend,is hetoptredenvanzwartcultuurbouwland overal nieteven duidelijk. Ten noorden vande Beukelaanbestaandegronden overwegend uitvochtigeprofielen van ZfS. Dezehebben eenbruinzvsarteteelt- ^p* laag opeen besondergrond. Gronden van dezelfdebodemgroep rondom de buurtschap Driespronghebbeneenzwarte teeltlaag. Dedroge rugvomigedelen bestaanin hetzelfdegebied uit humeuze profielen, welkedikkerzijn dan 50cm en opeendunne gleyloze zandondergrondliggen. Plaatselijk wijkenzij afdooreenduidelijkgrover samenstelling (Lovensdijk). Gronden van Zf4, eveneensbruinzwartin debovengrond, vinden we tenzuidenvan deteteringsedijkindeomgevingvan hetziekenhuis, Bij dezekomtbeneden 50cmin een broekigebosondergrondeenzand ige kleilaag ^. voor. 2ezijndaardoornatter dan deanderegrondenvandit bodemtvpe. Degandigekleihorizonthoudtverband met naburigeieleiafzettingen van het rivierl&eigebied. Doorafspoelingvandezandgrondenzijnzein eenlatere periodeoverdekt* Ditverklaartook weerhet verschijnsel dat de zandprofielen watgrofzandigerzijn dan normaal dekzand. Bij de verplaatsing * zijn fijnkorreliger bestanddelener uitgeselecteerd. Tenzuiden van de Beukenlaan bestaan degrondenvoornamelijk uitzwartezandbouwlanden. Dezehebben een normaledekzandsamenstelling. De rugvormigedelen zijn drogegronden (Zfl) metin hoofdzaakeen profielsamenstelling vanhetbodemtypezfla en Zflb.

55 -ru Dedelen aangeduid metde namen Blauwe Kèd, Overakker en Wolfslagebehoren hiertoe. Dehoge gronden tenoosten vangolfslagezijnhet droogst, doordat zi^ meerdan 130cm bovenhetgrondwaterliggen eneendun humusdek dragen. DeBoeimeerrosrat een kleingeïsoleerdgedeeltevanzwarte bouwlandentussenhetbebouwdegedeeltevan Nieuw Ginneken, het Mastbosen het dal van deaaof Weerijs. De bodemkundige opbouw vanditgedeeltesluit zich aan bij hethogerelandschapsdeel tenzuiden vande Lovensdijk, Het zijn voornamelijkde hogeregrondenvan Zf3 welkehier voorkomen. De tuinbouw heeftzichin ditoostelijkeenzuidoostelijkegebied veel mindersterkontwikkelddanin dehiervoorgenoemdedelen van de gemeente. Zij heeftzich beperkttotdedelenlangsdestedelijke bebouwing en tothetbuurtschap Driesprong, op gronden vandiverse samenstelling. De tuinbouwteeltenkomenovereen metdie van de voorgaande zandgebieden met Ze-gronden. Wij vinden ook hier dus weinig platglas, betrekkelijk veel zachtfruiten voorts degrove enfijne teeltenvanzonergroenten. Een paar wijken metspecifieke teeltenliggen terhoogte van de Blauwe Kei en langs de oostzijdevan Nieuw Ginneken, waar meer aspergesverbouwd morden. Detuinbouwin deboeimeeris van jonger datum. Naastde reeds genoemdeteeltenelders valthier de teeltvan witlof op. Nogtevermelden valthetoppervlakgrasland, dathier op de daarvoorals regel weiniggebruiktegrondenvan 2f3, ongeveer eenevergroteplaatsinneemtals.de tuinbouw. Degrootstecomplexenhiervanvallen samen metde hiervoorgenoemde lageonderdelen waarhetgrovere praeglacialczandhetdichtstaanhetoppervlak komt. D r Hetgemengdegebied metoudezwartezandbquwlandgronden en cntginninp,sgronden Door derivierdalenvaltditlandschapin de volgendedelen uiteen.hetgedeeltetussen deliark en deaa'of ïïeerijs; hetgedeelte

56 -lotussen deaa of ÏÏeerijs en debijloopen eenderdekleiner deel aansluitendop hetlenige dekzandlandschaptu3sende Bijloopende westgrens van degemeente, Gezamenlijk vormen dezedriegebieden hetlandschap met. plaatselijkopgestoven dekzanden, welkesoms watgrover vansamenstelling zijn. Overhetgeologischeaöpect van dezelandschapsvorming isin hoofdstukii reedshet nodigegezegd,zodat wijonshiertotde bodemkundige gezichtspunten kunnen bepalen. Deoudecultuurgronden bestaan uitesbouwlandgrondenen oude bemestezandgraslandgronden. Menvindt dezegrondenrespectievelijk op de i. flanken vanenin de pressies tussen delandschappelijktothogerzandruggen i! opgestovendelen van hetgebied. Dehoogteligging vandeze oude cultuurgronden ligtbegrensdbinnen 4 en 6 mplus H.A.P.Ih delaagtes vinden we plaatselijkiets van een ouderzandlandschap terug, doordater lemig dekaand voorkantin de ondergrond 0 Ten westen van de Bijloopis de Vuchtschoothetcentrum van een complex oude cultuurgronden. Tussen debijloop en de Aa of Jecrijs zijn hetdebuurtschappen Rith en 3ffen en tenoosten vandezelaatsterivier de buurtschap Overa, wa romheen veeloudcultuurland ligt. Dejongecultuurgrondenbestaan uit bos- en heide ontginning3- gronden, ze makenhetcultuurland uitin de hoogstedolen vanhetlandschap welketussen 6 en 8 mplus N.A.P. liggen. Dereliefvormenin dezedelen zijnonrustig en scherp, doordat zij nietuitgewist zijn dooreen langdurig bodsmgebruik. Ten aanzien van deafwijkendelandschapsbouw vanditgebied, valt op te merken datde oppervlaktezandgraslandgrondengroteris dan i f in dehiervoor beschrevendelen vande gemeente. Dit vindtzijnoorzaak in de rugvormige verbreiding van het verplaatste dekzand. De zandgraslandgronden aijn ontstaan in slenkvormige en komvormige delen van het landschap. De ligging van deze depressies wordt bepaald docr de topografie van de later ontstane ruggen. Als goed voorbeeld is in dit opzicht te

57 -13- noemen het 3lenkvormig gedeelte waarin het gehucht Effen is gelegenen dat aan de westzijde begrensd wordt door de hogegronden vande Krabbebossen, de Hübergen en de Achterste Rithen aan deoostzijdedoor die van het Hout. Enkelebijzonderebodemeigenschappen waarin deze esgronden nog plaatselijk vanelkaarverschillen zijn de volgende. Bij sommige hoge esbouwlanden komt eengedeelte voor met eon heideprofielonder deoude bosgrond. Dehuiaus oerbankhiervan is een vaste horizont, waarop de beworte- ^.ing afstuit. Zij komen o.a. voor aan weerszijden van de Overaseweg.2h en complex heten de gronden "de Heiakkers". De "Achterste Bith" is een ander hooggebied waarzulke grondenvoorkomen. Een nevenverschijnsel in \ de profieleigenschappen van deze oude bouwlandcomplexen bestaat in het optreden van en stuif zandhorizont van bosontglnningsgronden. Onder de teeltlaag (± SO cm) is een gedeelte van deboskleurige horizont lichter van kleur, fe een profielwand blijkt dezehorizont afwisselende bandjes van lichter en donkerderstuifzand te bevatten. Aangezien dehiertoe te rekenenprofielen reedseen sterkverdrogend karakter hebben vanwege hun hoge ligging, isdezeslechterhuraushoudende horizont niet merkbaar van invloed. Bij de lagere cultuurgronden valthet op, dat in het profiel dat vandeze werd bestudeerd geenleembanken meer voorkomen. Doordat zij met verplaatst dekzand zijn overdekt, vinden wij deze wel op groter diepte^ 2h degronden van Zf4 enzw3 langs de zuid- en zuidoostkant vanhet lemige dekzand komthet lemigefijzand voorin deondergrond. Noordelijkvanhet gehucht Bith ligtdit op ± SO cm onder lage zandbouwlandgrond. Ten noorden van het bosontginningscomplex HetHoutligt eenstrookoude zandgrasland^ronden, die in een horizont beneden 50 cm uit zware zandige klei bestaan. Hetvoorkomendaarvan wordt op dezelfde wijze verklaard als bij delagessandbouwlandgronden tenoosten van Breda. Ontginningsgronden komen in grotere en kleinere complexen

58 -&4- erspreid in hetzuidelijkerandgebied voor. Doordat zij niet met geografische aanduidingensamenvallen,, duiden wijenkele van devoornaamste delen hiervan aan met de volgendetopografische namen. Tm westen van de Bijloop liggen de GanzenVfeide en de Boomkes Berg«Heteerste is eengebied metheideontginningsgronden, het tweede met bosmtginningsgronden. Tussende Bijloop en deaa of Weerijs vinden we de Hilbergen ten westen vande Rijsbergseweg, HetHout als meest noordelijk gelegen complex met bosontginningsgronden, aan deoostzijdevande Aaof Weerijs an dekrabbebossen nog ten dele in naaldbos gelegen, aande zuidgrens van degemeentelangs dezelfde rivier. De meeste heide-ontginningendateren van dezeeeuw. Een ruw onderseheid kan men in dit op z icht maken naar de aard van de humeuze teeltlaag. Deze is bij sommige noggrijszwart (oude ontginningen) door gebruik Tanplaggenmest en bij andere bruin (jonger ontginningen). De gronden in de omgeving van de Ganzenweide hebben een zwarte teeltlaag, hoewel zij waarschijnlijk noggeen 40 jaar oud zijn. Dedroge" ontginningsgronden, voorkomend inenige koppen,hebben onder de teeltlaag van ± 25 cm eendunne geel-bruine zwak humushoudende horizont, welke zwak grijs is tengevolge vanhet loodzand. Geelgrijs zand van devacuumhorizont volgt daaropin dediepere ondergrond. De middelhogegronden in ditgebied zijn minderloodzandhoudend In de teeltlaag en bruin gekleurd in deondergrond totongeveer de gleyzône (± 60 cm). Delage heidegronden hebbengedeeltelijkeen vuilbruin zwarte - en voor een deel een venigzwarte bovengrond opeen roestige humusanae ondergrond» DeKrabbenbossenbestaan over hetalgemeen uit zeerschrale gronden. Ben gedeelte van depercelenheefteen esbouwvoor, namelijkdie aan de buitenrand vanhet onderbroken boscomplex. Deverspreide ontginningspercelen tussende bospercelen zijn het schraalst. Aan een minder organische bemesting is dit toe te schrijven en aan de voormaligeonttrekking van org. stof aan degrond«bos- en heidestrooisel werd vroeger van dezegrtaiden gebaald voor de potstal. Deze methode van strooisel winnen heette "krabben-

59 -15- hetgeen hisrverankerdligtin de naamvan de nogbestaande bossen. De gronden van de Boomkesberg ten westen van de Bijloop zijn jonge schrale ontginningen meteen middelhogeligging op eenenkele rug navanzobl en Zob2. Die van dehilbergenhebbengedeeltelijkeen zwarte teeltlaag van bouwvoordikte, dochzij liggen wat hoger als devoorgaande,* Hetcentrale deelis bruineren door nog hoger ligging bijzonder schraal (Zobl). Ten noorden vanhetliesbos iiggen bosontginningen. Zij vallen opdoor engroverzandsamensteiling. Dezegronden sluiten aan bij het grof«andige gedeelte van hetliesbos datin dennenbos ligt. Zij bestaan uit middelhogegronden meteen vacuumhorizonteneen gleyhorizont, meestal nog boven 100 cm enzijn uitdennenbos ontgonnen. DehiBieuze^ teeltlaag van dezegrondenis zwartenca. 30 cm dik, deondergrond wordtgekenmerjct dooreenoud dennenprofiel. Degronden van Het Houtenlangs de Effenseweg tenoosten van de Aaof Weerijszijn weliswaaroudere bosontginningsgronden, dosh zij misseneenzwarte teeltlaag, doordatzij niet metplaggen maar met bosstrooiselzijn bemest. Deschralesamenstellingbespeuren wijaan hundonkerbruine bouwvoor, welke een violetteschijn heeft. Deoudereontginningsgronden aan weerszijdenvan het Mastbos zijn als bosont ginn ing aangegeven, hoewel ook heidebestanddelen iii deze ontginningsgrondenvoorkomen. Dezegrondenzijnook uitouddennenbos ontginnen. Het verschil van de bruineprofielkleur van dezegronden bestaat bij vergelijk metde hiervoorbesproken bosontginningenhierin,dat zij nietvioletget inbaar donkergoudblond van kleur zijn. Vandezeoverhet algemeenschrale en droge grondenis hetbruineprofiel meestal meer dan SO cmdik«langsde ^ark zijneen paar van deze percelen uitgediept, en door eenaware org. bemestingin goedegraslandenomgezet (Zws). Hetbodemgebruik heeftzich tussen derivierenzeerweinigin tuinbouwkundigerichtingontwikkeld enzichin ditopzichtbeperkt tot hetoudecultuur land. Dehoogstezandgrondenv/orden * Isbouwlandgebruikt.

60 -lô- Oplage gronden wordtplaatselijk tuinbouw uitgeoefend bannen de bedrijfsvoeringvanliet gemengdelandbouwbedrijf. Hiervoorzijnhoofdzakelijk nog betrekkelijk hogeoudezandbouwlandenopgezocht, vochtigerbouwlandgronden kanditsr:bdbodrijf mindergoed missen. De tuinbouwis behalverond het %. gehucht Rith betrekkelijkjong (ca. 30 jaar oudof jonger) enomvatde diversezomerteeltenvangrove bladgroenten^ waarvanenkele soms wel als hoofdteelt op bouwland), deteelt vanzachtfruiten witlof. Rond Rith an op gronden van de Bijloop (Bws) wordenfijnegroentegewassen geteeld. Op deontginnincsgronden komt nagenoeggeen tuinbouw voor, op de heideontginningen helemaal niet, op de bosontgin.ingen enkele percelen. Dehoofdredenhiervanis de natuurlijke armoedevan deze gronden, welkezeer grote mestgiften nodig maakt, voorzij devereistehumusrijkdom bezitten voor tuinbouwkundiggebruik, in tegenstelling methetoudecultuurland, dat reedsineenbetereconditie verkeert. Deontwikkeling van de tuinbouwin dezegemeente heeft van tuigbouw technischezijde gezien,in bijzondere mategesteund ophetgebruik van org. meststof. Hiervoor werdenverschillendemeststoffengebruikt. Plaggen-, mestenlaterstalmestvanhetlandbouwbedrijf werden, omin degrote mestbehoefte te voorzien, zelfs uitomliggendedorpenge importeerd. Een belangrijk onderdeelin deze voorzianing vormdedan ook de stads afval, waartoe straatvuil, paardenmest uit de militaire manegeenstroopaardevan stroopbranderijen behoorden. E. De gronden van de beekdalen Over dezegroep vangrondenkunnenslechtseen paar opaerkingen gemaakt worden, omdatzij vanwege hungeringetuinbouwkundige betekenis mindergedetailleerdzijn bestudeerd. i Deindeling beperktezich totdezwarte en bruine beekgraslandgronden. Zoals uithetkaartbeeld blijkt, doenzich ten aanzienvanhet oppervlakvenbeidesoorten van grondenin dedrie rivierdalen wel enige verschillen voor. Degronden van de Bijloop bestaanpractisch allemaal uit

61 »- -«: " '. ' ' -- ' - * ' - Foto17. Tegenwoordigetuinbouwcultuur naastgraslandin het beekdal vande Bijloop. Gezienvanafde Rijsburgseweg.

62 Foto V. Grasland in hetbeekdal vandeaaof Weerijs, gezieninde richting van de Sffense Brugen Rijsburgseweg.