Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)"

Transcriptie

1 Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)

2 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 5 Hoofdstuk 2 Ligging en huidige situatie 6 Hoofdstuk 3 Beleid Gemeentelijk beleid Provinciaal beleid Rijksbeleid 8 Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 9 Hoofdstuk 5 Milieubeoordeling Verkeer Bodem Archeologie Flora en fauna Waterparagraaf Geluid Activiteitenbesluit milieubeheer Luchtkwaliteit Externe veiligheid 11 Hoofdstuk 6 Toelichting op de planregels en verbeelding Algemeen Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels Handhaving 20 Hoofdstuk 7 Maatschappelijke betrokkenheid Overleg ex. artikel Bro en zienswijzen Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan 21 Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid 22 Bijlagen bij de toelichting 23 Bijlage 1 Nota van Beantwoording 24 Bijlage 2 quick scan flora en fauna 33 Bijlage 3 Watertoets (uitgangspuntennotitie) 41 Bijlage 4 Geluidsonderzoek 53 Bijlage 5 Notitie Groepsverantwoording 58 Bijlage 6 Onderzoek Externe Veiligheid 63 Bijlage 7 Veiligheidsregio Drenthe Beoordeling 97 Bijlage 8 Inrichtingsplan 102 Regels 105 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 106 Artikel 1 Begrippen 106 Artikel 2 Wijze van meten 111 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 112 Artikel 3 Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen 112 Artikel 4 Tuin bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

3 Artikel 5 Wonen - Vrijstaand 117 Hoofdstuk 3 Algemene regels 120 Artikel 6 Anti-dubbeltelregel 120 Artikel 7 Algemene bouwregels 121 Artikel 8 Algemene aanduidingsregels 122 Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 124 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 126 Artikel 10 overgangsrecht 126 Artikel 11 slotregel 127 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 3

4 4 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

5 Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding De heer Keuter heeft een verzoek ingediend voor het vestigen van een mini-camping achter het perceel aan de Weerdingerkanaal NZ 228 te Nieuw-Weerdinge. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Emmen, sectie AA, nummer 119, 120, 124, 125, 1035 en De percelen hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen', Tuin en Wonen - Vrijstaand. Verzocht wordt om een gebiedsaanduiding 'mini-camping' toe te voegen om de realisatie van de mini-camping mogelijk te maken.de bijbehorende verbeelding met plancontour heeft het nummer NL.IMRO B701. Afbeelding 1: Ligging plangebied in omgeving (rood omlijnd) bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 5

6 Hoofdstuk 2 Ligging en huidige situatie De percelen achter Weerdingerkanaal NZ 228 liggen op de rand tussen de lintbebouwing van Nieuw-Weerdinge en het agrarisch gebied. Huidige situatie Het plangebied grenst aan de lintbebouwing van de Drentse Mondenweg met voornamelijk vrijstaande woningen en aan het Weerdingerkanaal NZ waar een verscheidenheid is van vrijstaande woningen en (voormalige) agrarische bedrijven. Het plangebied wordt de laatste jaren gebruikt als weiland voor privé gebruik voor het hobbymatig houden van dieren. Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied (achter Weerdingerkanaal NZ 228) (rood omlijnd) 6 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

7 Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Gemeentelijk beleid Bestemmingsplan De percelen AA 119, 120, 124 en 125 hebben in het bestemmingsplan "Buitengebied Emmen" de bestemming 'Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginning', bestemd voor agrarische doeleinden. De percelen worden echter niet meer gebruikt voor agrarische doeleinden maar als weiland. Verzocht wordt om de bestemming aan te vullen zodat er een mini-camping gevestigd mag worden. De bestemming Agrarisch wordt niet verwijderd van het perceel. Dit blijft "Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen", maar er komt een gebiedsaanduiding op 'wro - zone - kleinschalig kamperen'. Indien de kampeerfunctie wordt beeindigt, zullen de percelen terug vallen op de oorspronklijke agrarisch bestemming. Hierdoor zullen de percelen niet worden onttrokken van het agrarisch gebruik. De percelen AA 1035 en 1036 hebben in het bestemmingsplan "Nieuw -Weerdinge" de bestemming 'Tuin' en 'Wonen- Vrijstaand'. Op het perceel 1035 wordt de toegangsweg van de mini-camping gevestigd en het perceel 1036 (Weerdingerkanaal NZ 228) wordt de eigenaarswoning. Gezien het feit dat het plangebied niet alleen binnen het bestemmingsplan Buitengebied Emmen valt maar ook binnen het bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, kan deze realisatie van de mini-camiping niet worden geregeld door middel van een wijzigingsplan volgens artikel 3.6 wro, maar dient hiervoor een postzegelbestemmingsplan gemaakt te worden. Het plan voldoet in beginsel aan de voorwaarden die zijn opgenomen als wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied Emmen. De voorwaarden voor een wijzigingsplan zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied zijn: de oppervlakte van het kampeerterrein bedraagt minimaal 0,5 ha., het terrein is passend binnen de stedenbouwkundige- en landschappelijke structuur; voldaan wordt aan milieu- en externe veiligheidswetgeving; parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein; er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de bouwhoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 6 meter; de goothoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 3 meter; het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen niet meer bedraagt dan 25; het (kampeer)terrein is voorzien van een in de omgeving passende beplanting; het terrein mag buiten de periode 15 maart tot en met 31 oktober niet worden gebruikt; stacaravans, trekkershutten, chalets en tenthuisjes zijn niet toegestaan. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeven van het functioneren van het kampeerterrein niet meer mag bedragen dan 50 m 2 ; Het plan voldoet met uitzondering van de bebouwde oppervlakte aan de genoemde voorwaaden van de wijzigingsbevoegdheid. Zo worden er maximaal 25 standplaatsen gerealiseerd. Er komt een receptie en een sanitaireruimte op het terrein van de mini-camping. Het terrein wordt mede passend beplant zodat het past binnen de stedelijke- en landschappelijke structuur van de omgeving. Achter de woning aan de Weerdingerkanaal NZ 228 wordt een loods geplaatst voor de opslag van materieel voor het onderhoud van het kampeerterrein. Deze wordt geplaatst binnen de bestemming Wonen. Door de loods en de reeds aanwezige bebouwing die worden ingericht ten dienste van de mini-camping, komt de totale bebouwing boven de 50 m 2, zoals is opgenomen in de wijzigingbevoegdheid. In Hoofdstuk 4 Planbeschrijving wordt nader ingegaan op de ruimtelijke inpassing van het plan. bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 7

8 3.2 Provinciaal beleid In de Provinciale Omgevingsverordening, Vastgesteld op 23 september 2015, is het perceel deels aangemerkt als Landbouwgebied plus en deels Bestaand Stedelijk Gebied. In de aanduiding Landbouwgebied plus is het in beginsel uitgesloten om verblijfsrecreatie toe te passen, met uitzondering van ver- of uitplaatsing. Dit om de landbouw niet te belemmeren. Echter in de "Omgevingsvisie Drenthe" is onder Landbouwgebied plus opgenomen dat deze gebieden geen ruimte is voor Grootschalige functies, zoals nieuwe grootschalige verblijfsrecreatie, natuur en vestiging van landgoederen en woonmilieus. Het gaat in dit plan om een mini-camping en valt daarom buiten de categorie grootschalig dat mogelijk de landbouw kan belemmeren. Om deze reden hebben we geconstateerd dat een mini-camping niet valt onder verblijfsrecreatie zoals bedoeld onder Landbouwgebied plus. 3.3 Rijksbeleid In het Rijksbeleid zijn geen specifieke bepalingen opgenomen voor het vestigen van een mini-camping. 8 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

9 Hoofdstuk 4 Planbeschrijving Er is een plan ingediend voor het vestigen van een mini-camping voor de percelen achter Weerdingerkanaal NZ 228 te Nieuw-Weerdinge. Deze locatie is momenteel in gebruik als weiland voor het hobbymatig houden van paarden. Nieuw-Weerdinge is een dorp dat zich kenmerkt door bevolkingskrimp en terugloop in bedrijvigheid. Initiatieven die inzetten op recreatie en toerisme en daarmee het dorp nieuwe impulsen kunnen geven worden dan ook van harte ondersteund. De mini-camping zal in feite de rand van het dorp formaliseren door een duidelijke, beplante overgang tussen bebouwd en agrarisch gebied te maken. Het aanbrengen van in de omgeving passende beplanting maakt dat de functie mini-camping vanuit de omgeving visueel zorgvuldig vanuit het buitengebied wordt ingepast. De mini-camping wordt voorzien van 25 standplaatsen, een receptie, sanitaire/spoelruimte, dagaccommodatie en een loods voor opslag van materieel voor onderhoud van het terrein. De loods krijgt een oppervlakte van 200 m 2, met een bouwhoogte van 6 meter en een goothoogte van 3,5 meter. Mede wordt de loods op 3 m van de perceelsgrenzen gesitueerd en heeft aansluiting met de woonperceel. Ook heeft de loods de nokrichting parallel met de woning om een eenheid te vormen. De bebouwing ten diensten van de mini-camping is de huidige bestaande bebouwing op het terrein. Mede wordt het terrein omsloten door een groenstrook ten behoeve van landschappelijke inpassing. De mini-camping is zodanig gesitueerd dat er een toegangsweg wordt gerealiseerd ten westen van Weerdingerkanaal NZ 228. Er wordt een vluchtroute gecreëerd tussen de percelen Weerdingerkanaal NZ 221 en 223. Deze wordt alleen bij nood in gebruik genomen. Dit om een veilige vluchtroute te kunnen bieden vanaf de mini-camping. Afbeelding 4: Inrichtingsplan mini-camping bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 9

10 Hoofdstuk Verkeer Milieubeoordeling Het gaat in dit plan om een mini-camping tot maximaal 25 plaatsen. De mini-camping krijgt de ingang aan het Weerdingerkanaal NZ tussen huisnummer 226 en 228. Gezien het gaat om maximaal 25 plaatsen zal de verkeersdruk in dit gedeelte van het Weerdingerkanaal NZ niet benoemenswaardig worden vergroot. 5.2 Bodem Het plangebied bevat geen locaties die voor wat betreft bodemverontreiniging verdacht zijn (historisch verdacht als gevolg van in het verleden uitgevoerde bodembedreigende activiteiten). Ook bevat het plangebied geen locaties waar de milieukundige bodemkwaliteit is onderzocht en geconstateerd is of de locatie verontreinigd zijn. 5.3 Archeologie Het plangebied is volgens de beleidskaart gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Er is dan ook geen waarde aan toegekend. Er hoeft dan ook geen dubbelbestemming voor arceheologie opgenomen te worden in het voorliggende bestemmingsplan. Gebieden met een lage archeologische verwachting zijn gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen zeer klein wordt geacht. Dit kan zijn vanwege de bodemkundige opbouw of vanwege bodemverstorende activiteiten naderhand zoals ontgrondingen, saneringen, zware funderingen etc. Deze gebieden zijn daarom niet in bestemmingsplannen weergegeven. 5.4 Flora en fauna De percelen waren oorspronkelijk in gebruik als agrarische landbouwgrond. De laatste jaren is dit in gebruik als weiland. Vanuit het oogpunt van flora- en fauna is de kans gering dat hier belemmeringen te verwachten zijn. Op 14 februari 2017 heeft er een veldonderzoek plaats gevonden op het terrein door een ecoloog van BTL advies. Uit deze quickscan is gebleken dat de voorgenomen ingebruikname van het terrein als minicamping inclusief daarmee gemoeide werkzaamheden geen effect op (mogelijk) aanwezige beschermde soorten heeft. Mits rekening wordt gehouden met eventueel aanwezige nesten van algemene vogels (in de bijgebouwen) is geen sprake van overtredingen van de verbodsbepalingen van het Wet natuurbescherming. Deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 2 quick scan flora en fauna. 5.5 Waterparagraaf Voor een goede onderbouwing is via de digitale watertoets advies uitgezet bij het waterschap. Voor het plangebied is een aantal aandachtspunten van toepassing. Naar aanleiding daarvan heeft het waterschap advies uitgebracht om te zorgen dat de waterhuishouding voor het plangebied en de omgeving optimaal blijft. Hierbij wordt er rekening gehouden met bestaande wetten en regels op het gebied van de waterhuishouding. Op de luchtfoto (2015) ligt in de noord- oosthoek van het plangebied een hoofdwatergang. Hierop watert een schouwsloot af volgens de legger van het waterschap. Deze schouwsloot is niet meer waar te nemen en is gedempt. Ter compensatie van het dempen van de schouwsloot en de toename in het verhard oppervlak, adviseert het waterschap een nieuwe sloot aan te brengen op de perceelscheiding die wederom kan afvoeren op het watersysteem. De ontwatering van de gronden, bestemd voor de minicamping, wordt daardoor ook beter. Er een reeds een vijver gemaakt van 310 m2 voor een beter ontwatering. De sloot ten westen op het terrein wordt verdiept en aangesloten door middel van een duiker op de bestaande schouwsloot ten noorden ervan. Dit om een aansluiting te maken op het watersysteem. De volledige watertoets is bijgevoegd als Bijlage 3 Watertoets (uitgangspuntennotitie). 10 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

11 5.6 Geluid Een minicamping is geen geluidsgevoelig opject en levert hierdoor geen hinder op voor anderen bedrijven. Gelet hierop zijn er vanuit oogpunt van geluid geen belemmeringen voor een gebiedsaanduiding kleinschalig kamperen op de bestemming "Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen", volgens de VNG brochure bedrijven en milieuzonering. De standplaatsen in het plangebied liggen op minimaal 50 m van woningen van derden en voldoet hierbij aan de minimale afstand van 30 m in het kader van minimale afstanden qua geluid volgens de VNG brochure bedrijven en milieuzonering. Voor de geluid op de gevel van Weerdingerkanaal NZ 226 dat op korte afstand van de toegangsweg is gelegen is een geluidsonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het geluidsniveau op de gevel van Weerdingerkanaal NZ 226 niet wordt overschreden. Het geluidsonderzoek is toegevoegd als Bijlage 4 Geluidsonderzoek 5.7 Activiteitenbesluit milieubeheer In de omgeving is een aantal agrarische bedrijven gelegen. Een minicamping leidt niet tot verzwarende nadelige effecten voor omliggende agrarische bedrijven. 5.8 Luchtkwaliteit Omdat er geen significante ontwikkelingen in het plangebied of rondom het plangebied gepland zijn, zal de concentratie van de NOx en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het plan. 5.9 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Vanwege de ligging van het plangebied in de nabijheid van een LPG-tankstation, moet in het plan rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Bij maximale 25 camping standplaatsen, is er sprake van een beperkt kwetsbaar object en geldt een richtwaarde. Binnen de contour van de LPG-reservoir (veiligheidszone-lpg) mogen geen nieuwe objecten worden gebouwd of in gebruik worden genomen als het gaat om een verblijfsobject of wel een (beperkt) kwetsbare objecten. Opslag en stalling van materialen is wel toegestaan. Groepsrisico LPG Binnen het invloedsgebied van het tankstation, moet het groepsrisico worden verantwoord. Het invloedsgebied bedraagt circa 150 meter vanaf het LPG-vulpunt en vanaf het LPG-reservoir. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied. Het invloedsgebied wordt voor LPG gevormd door de 100% letaliteitszone en is gebaseerd op tabel 1 van bijlage 2 van het Revi. De scenario's zijn een optredende Bleve van de LPG-tankwagen en een afdrijvende gaswolk van een lekkend LPG-reservoir. Hoogte groepsrisico (bestaand): In de LPG-rekentool is de hoogte van het groepsrisico voor de bestaande situatie en voor de nieuwe situatie inclusief het initiatief van de mini-camping beoordeeld. De hoogte van het groepsrisico bedraagt voor de bestaande situatie circa 5,4% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Toename groepsrisico: Ten opzichte van de huidige situatie neemt het groepsrisico vanwege de ontwikkeling van een kampeerterrein met circa 12 standplaatsen toe. Het invloedsgebied ligt namelijk niet over gehele camping. De hoogte van groepsrisico bedraagt voor de nieuwe situatie circa 11,3% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Het gaat dus om een toename van circa 6%. Het groepsrisico bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 11

12 inclusief de mini-camping blijft ruimschoots beneden de oriëntatiewaarde. Groepsrisico Bij de verantwoordingsplicht gaat het om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, nog acceptabel zijn. Daarbij moet worden afgewogen, welke veiligheidsverhogende maatregelen moeten of kunnen worden toegepast. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten als de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking. Op basis van het Bevb dient het groepsrisico van de LPG in de toelichting van het bestemmingsplan te worden verantwoord. In het kader van het huidige plan een uitgebreide groepsverantwoording opgesteld. Deze is vastgelegd in de Notitie groepsverantwoording in dit bestemmingsplan. Deze notitie is door de raad aanvaard. Zie hiervoor Bijlage 5 Notitie Groepsverantwoording. Het voorliggende bestemmingsplan leidt niet tot een toename van het aanvaarde groepsrisico. Onderdeel van de verantwoording is de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid: De mate van bestrijdbaarheid hangt af van het soort LPG tankwagen dat LPG lost. Als er sprake is van een LPG-tankwagen met brandwerende coating, is een BLEVE pas na 75 minuten te verwachten. Wanneer er geen gecoate tankwagen is, treedt een BLEVE op binnen 20 minuten. De opkomsttijd van de brandweer bedraagt op deze locatie ongeveer 11 minuten. Dat maakt de mogelijkheden om op te treden erg lastig bij een tankwagen zonder brandwerende coating. De entree van de mini-camping is gesitueerd op 40 meter van het LPG-vulpunt en het LPG-reservoir. Hierdoor valt het binnen het invloedsgebied van 150 meter. Om de mogelijkheid te bieden voor een veilige vlucht route vanaf de mini-camping wordt er een vluchtroute gecreëerd buiten het invloedsgebied. Deze wordt gesitueerd op het open terrein tussen de percelen Weerdingerkanaal NZ 221 en 223. Deze vluchtroute kan ook worden gebruikt als toegangsweg voor de brandweer als het niet via de entree mogelijk is. Zelfredzaamheid: Er zijn twee opties ten aanzien van zelfredzaamheid: 1. Schuilen 2. Vluchten Ten aanzien van schuilen moet geconcludeerd worden dat schuilen in kampeermiddelen op zo'n korte afstand van het tankstation niet effectief is. Ten aanzien van vluchten moet geconcludeerd worden dat de huidige toegangsweg als vluchtroute langs het tankstation leidt en daardoor naar verwachting onbruikbaar is. Door een extra vluchtroute buiten het invloedgebied te creëren is er een veilige vlucht mogelijkheid ontstaan vanaf de mini-camping. Maatregelen Wanneer de beoogde ontwikkeling gerealiseerd wordt, is er een aantal maatregelen waarmee het risico verminderd kan worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen waarbij de kans op een incident wordt verkleind (bronmaatregelen) en maatregelen waarmee het effect van een incident zoveel mogelijk wordt beperkt (effectmaatregelen). Bronmaatregelen: Een aantal bronmaatregelen die in dergelijke situaties getroffen kan worden is al aanwezig: De losplaats voor LPG is geïsoleerd, waardoor de kans op aanrijdingen is verkleind. De doorzet van LPG is al beperkt. 12 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

13 Andere mogelijke maatregelen zijn: Maak gebruik van tankwagens met brandwerende coating. Dit gebeurt in principe al, maar is nog niet te borgen in de omgevingsvergunning. Maak gebruik van de verbeterde vulslang. Dit gebeurt in principe al, maar is nog niet te borgen in de omgevingsvergunning. LPG en brandbare vloeistoffen nooit gelijktijdig laten lossen. Een incident bij het lossen van brandbare vloeistoffen kan dan niet leiden tot een situatie waarbij de LPG-tankwagen wordt aangestraald en een dreigende BLEVE ontstaat. Effectmaatregelen: Realiseer een vluchtweg waarbij van de risicobron af gevlucht kan worden. Zowel voor de ontvluchting van campinggasten als de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten is dit een belangrijke effectmaatregel. Communiceer actief met campinggasten over hun handelingsperspectief bij incidenten bij het tankstation. Het enige juiste handelingsperspectief is vluchten. Zorg dat campinggasten snel gewaarschuwd kunnen worden. Door snelle waarschuwing wordt de kans op slachtoffers kleiner. Conclusie Er dient rekening gehouden te worden met de effectenmaatregelen. Hierdoor kunnen de campinggasten bij een calamiteit zo snel en veilig mogelijk vluchten van het kampeerterrein. Er wordt een vluchtroute gecreëerd tussen de percelen Weerdingerkanaal NZ 221 en 223. Deze wordt alleen bij nood in gebruik genomen. Dit om een veilige vluchtroute te kunnen bieden vanaf de kampeerterrein. Hierbij wordt er rekening gehouden met de effectenmaartegel. In de Bijlage 6 Onderzoek Externe Veiligheid en Bijlage 7 Veiligheidsregio Drenthe Beoordeling zijn de adviezen toegevoegd over Externe veiligheid. bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 13

14 Hoofdstuk Algemeen Toelichting op de planregels en verbeelding Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Het bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) is in overwegende mate een beheersplan. Het doel van dit bestemmingsplan is het actualiseren van het geldende planologische regime, waarbij het vastleggen van de bestaande situatie het belangrijkste uitgangspunt is. Tevens dient het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Het conserverende karakter van het bestemmingsplan brengt met zich mee dat nieuwe ontwikkelingen niet in het plan worden meegenomen, tenzij deze concreet voorzienbaar zijn en benodigde onderzoeken al zijn uitgevoerd. 6.2 Toelichting op de verbeelding Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart Emmen (BKE) gehanteerd. Deze basiskaart bestaat uit de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN) met gemeentelijke aanvullingen in de vorm van extra meetgegevens. Met het oog op de volledigheid en nauwkeurigheid van de aanwezige bebouwing wordt de meest recente versie van de BKE gehanteerd. Hiervoor wordt maandelijks de BKE automatisch herzien. Echter, de ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. De BKE wordt naast de extra meetgegevens aangevuld met kadastrale gegevens van de Digitale Kadastrale Kaart. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en / of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld. 6.3 Toelichting op de regels De regels zijn een juridische vertaling van het planologische -en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Gebruiksregels Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld en of waarvoor en op welke wijze de gronden wel gebruikt kunnen worden. Bouwregels In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen. Met deze bouwregels worden de bouwmogelijkheden gereguleerd. Uitgangspunt bij het bouwen van hoofdgebouwen is dat hoofdgebouwen altijd binnen een bouwvlak worden gebouwd en voorgevels van deze hoofdgebouwen in 14 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

15 de gevellijn. Dit betekend dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Verder worden in de bouwregels onder anderen regels ten aanzien maximale bebouwing, bouwhoogtes, opgenomen. Flexibiliteit Soms is het gewenst om af te wijken van de gestelde regels. Hiervoor zijn in het bestemmingsplan flexibiliteitbepalingen opgenomen om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De uitvoering van de flexibiliteitregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het toepassen van deze regelingen is geen automatisme. Voordat wordt besloten dat van de geldende regels in het bestemmingsplan kan worden afgeweken zal eerst bekeken worden wat de consequenties zijn van de afwijking op de leefomgeving. In het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen, deze zijn: Afwijken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels; Nadere eisen; Algemene afwijkingsregels; Wijzigingsbevoegdheden artikel 3.6 Wro; De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het inwerkingtreden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten, zoals de milieuvergunning, de bouwvergunning, afwijkingen van het bestemmingsplan en de kapvergunning gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van een omgevingsvergunning Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een terrein. Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen. Bij toepassing van een afwijking en / of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in de onderstaande tabel is weergegeven. Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/ of het toepassen van de nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het afwijken van de nadere eisen, de uitvoering van deze flexibiliteitbepalingen zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning. Bij toepassing van een afwijking en/ of nadere eis mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria: 1. Woonsituatie: Ten aanzien van de woonsituatie dient rekening gehouden te worden met het in stand houden en/ of garanderen van een goede woonsituatie, hierbij dient gelet te worden op: i. de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden; iv. het uitzicht; v. de aanwezigheid van voldoende privacy. 2. Straat- en bebouwingsbeeld: bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 15

16 In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan: i. een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (landschappelijke inpassing); ii. de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen; iii. gevelbeelden; iv. de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing; v. de hoogtedifferentiatie; vi. de situering van gebouwen op het perceel; vii. de geleding van de gebouwen indien de oppervlakte meer dan 1000 meter² bedraagt. 3. Cultuurhistorie i. cultuurhistorische waarden en archeologische waarden; 4. Verkeersveiligheid Ten waarborging van verkeersveiligheid dient rekening gehouden te worden met: i. verkeersaantrekkende werking, toename van de verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. benodigde uitzichthoeken van wegen; iv. de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg; v. de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden; vi. de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte. 5. Sociale veiligheid Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is dient rekening gehouden te worden: i. de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek; ii. de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte wordt ingeperkt 6. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding Ten aanzien van de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding dient rekening gehouden te worden met de volgende aspecten: i. aanwezigheid van kwetsbare objecten; ii. de aanwezigheid en routering van vluchtwegen; iii. de bereikbaarheid van de bouwwerken; de beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen. 7. Milieusituatie: Ter waarborging en ter voorkoming van een milieukundig ongewenste situatie als gevolg van een ruimtelijke ingreep dient rekening gehouden te worden met: i. de mate van hinder voor de omliggende functies; ii. de gevolgen voor de externe veiligheid; iii. de gevolgen van de aanwezigheid van gevoelige functies voor de hinderlijke functies; iv. de gevolgen voor flora en fauna in relatie met de omgeving; v. de gevolgen voor de bodemkwaliteit; vi. de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit; vii. de situering van gebouwen ten opzichte van het water. 8. Gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen Ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken is het niet toegestaan op enig terrein zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, waarvan de toestand op dat moment overeenkomt met het plan, een situatie zou ontstaan die niet meer overeenkomt met het plan of waardoor een reeds bestaande afwijking van het plan zou worden vergroot. Figuur 6.1: Beoordelingscriteria afwijkingen en nader eisen 16 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

17 De bevoegdheid ex. artikel 3.6 Wro om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij burgemeester en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming mogelijk. Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete situatie af te stemmen. Opzet regels De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels; Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3. Algemene regels; Hoofdstuk 4. Overgangs - en slotregels. De inhoud van de verschillende hoofdstukken wordt als volgt toegelicht: Hoofdstuk 1 Inleidende regels In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Artikel 1 Begrippen De begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsbepalingen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Met uitzondering van de eerste twee begrippen (plan en bestemmingsplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt. Artikel 2 Wijze van meten De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogteen andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden Hoofdstuk 2 bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden artikelsgewijs de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot gebruik of bouwen. De gemeente Emmen herbergt een flink aantal kleinschalige kampeerterreinen. Veel van de kampeerterreinen vallen niet binnen één bestemmingsvlak maar binnen verschillende. Dit is historisch zo gegroeid. Omdat een aanduiding IMRO technisch gezien niet over twee verschillende bestemmingsvlakken kan liggen (gekoppeld is aan één bestemming) is gekozen om kleinschalige kampeerterreinen via een wro-zone "wro-zone - kleinschalig kamperen" te regelen. Voor kleinschalig kamperen is de oppervlakte minimaal 0,5 ha en maximaal 25 standplaatsen voor kampeermiddelen. Alleen in de periode 15 maart tot en met 31 oktober mag worden gekampeerd. Stacaravans, trekkershutten, chalets en tenthuisjes zijn niet toegestaan. Permanente bewoning is tevens niet toegestaan. Via een wijzigingsbevoegdheid kunnen nu onder voorwaarden nieuwe kleinschalige kampeerterreinen worden opgericht. Artikel 3 Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen Op basis van landschappelijke gebiedskenmerken zijn de agrarisch gronden verdeeld in drie deelgebieden: Het betreffen hier de gronden in het buitengebied met in hoofdzaak onbebouwde gronden. De bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 17

18 gebiedsbestemmingen zijn vrij globaal van karakter. Binnen de gebiedsbestemmingen komen belangrijke landschappelijke waarden voor, zoals houtwallen, die moeten worden beschermd. Hiervoor is in deze bestemmingen voorzien in een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken. Vanwege de globaliteit en flexibiliteit zijn niet alle elementen in de planregels opgenomen maar maken ze deel uit van de gebiedsbestemmingen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de volgende elementen: Landbouwkundige elementen (een ontsluitingsweg van een agrarisch bedrijf); Recreatieve elementen (een wandelpad of een picknickplaats); Landschappelijke elementen zoals houtwallen en laanbeplanting Waterlopen binnen agrarische gronden met in hoofdzaak een landbouwkundige functie. Het gaat hier om zaken die in hoofdzaak of zelfs uitsluitend dienst doen ten behoeve van de basisfuncties van een gebied. Uiteraard zullen de bestaande elementen worden gehandhaafd. Door de globale opzet kunnen ook nieuwe elementen worden ingepast, voor zover ze passen binnen de betreffende bestemming. Een gericht omgevingsvergunningenbeleid voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voorzien daarin. Binnen de drie gebiedsbestemmingen kunnen onder strikte voorwaarden ten behoeve van de landbouw mestopslagen en kuil en sleufsilo's worden gerealiseerd. Dit kan alleen wanneer is aangetoond dat binnen het eigen agrarisch bouwvlak geen ruimte is en het landschap dergelijke bouwwerken ter plaatse toelaat. Per concreet geval wordt een aanvraag afgewogen. De regels hiervoor wijken niet af van het bestaande beleid in Emmen. De drie gebiedsbestemmingen kunnen worden gewijzigd in andere bestemmingen. De schaal en omvang waarin de bestemming kan worden gewijzigd verschilt per gebiedsbestemming en is duidelijk in de planregels omschreven. De wijzigingsbevoegdheden voorzien onder andere in: Vergroting van bestaande agrarische bedrijven; Oprichting van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven; Vergroting / verkleining van Natuur-, Water- en Bosbestemmingen; De aanleg van gasleidingen. Bij een planwijziging dienen de belangen van het landschap en cultuurhistorie nadrukkelijk worden betrokken. Nieuwe niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn niet toegestaan. Artikel 4 Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. zie bestemmingsomschrijving in de regels. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd. Voor erfafscheidingen gelden specifieke hoogtematen, overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen maximaal 3 dan wel 5 m hoog zijn op basis van het bestemmingsplan. Artikel 5 Wonen - Vrijstaand De voor Wonen aangewezen grond is bestemd voor wonen. Om voor deze woonvorm aansluitende regels op te stellen is bewust gekozen om de aanwezige woningtypen een eigen bestemming Wonen te geven. De specificatie van de hoofdgroep Wonen is gerelateerd aan het soort gebouw. Daar waar binnen de specifieke bestemming Wonen nog een onderscheid gemaakt moet worden, wordt gebruik gemaakt van functieaanduidingen. Binnen de bestemming Wonen wordt de mogelijkheid geboden voor de bouw van woningen en de realisatie van daarbij behorende voorzieningen. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen), waarvan de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens, onder de woonbestemming te brengen. Voor deze woonvorm geldt dat het hoofdgebouw in het bouwvlak gerealiseerd dient te worden. Het bouwvlak is op basis van stedenbouwkundige uitgangspunten bepaald. Als uitgangspunt voor de totale bebouwing op het bouwperceel geldt dat het perceel niet meer dan 50% bebouwd mag worden. Bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt aan het hoofdgebouw te zijn en dienen in het bouwvlak te worden gebouwd. Voor het te bouwen m 2 aan bijbehorende bouwwerken geldt een maximum dat is aangegeven binnen de regels. Voor alle woonvormen geldt dat wonen in een vrijstaand bijbehorende bouwwerken niet is toegestaan. Tevens mag in het bestemmingsplan het aantal woningen niet worden 18 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

19 vermeerderd, tenzij dit met een aanduiding op de verbeelding anders wordt aangegeven. In de bestemming Wonen zijn ontheffingen van de bouwregels opgenomen om het bestemmingsplan flexibeler te maken. Naast algemene ontheffingen (o.a. vergroten van de bouwmogelijkheden voor gooten nokhoogte, bouwen van bijbehorende bouwwerken in de voorgevel van het hoofdgebouw, bouwen van het hoofdgebouw maximaal 5 meter achter de gevellijn en het bouwen met een minder steile dakhelling) zijn er ook specifieke ontheffingen opgenomen. Een voorbeeld hiervan is het op medische indicatie bouwen op- of achter de gevellijn en specifiek voor het oprichten van 30m² bebouwing voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Daarnaast zijn ten aanzien van het gebruik ontheffingsmogelijkheden opgenomen voor de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten. De vrijstaande woning in de bebouwingslint heeft de bestemming Wonen-Vrijstaand gekregen. Bij deze vrijstaande woning geldt dat er maximaal 250 m 2 gebouwd mag worden, waarbij maximaal 75 m² per vrijstaande bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mag worden mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd (inclusief de ruimte die gebruikt wordt voor de woning). Mede mag er in afwijking van de hiervoor genoemde oppervlakten, een loods worden gerealiseerd binnen de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - Loods' met een maximaal oppervlakte van 200 m Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 van de regels bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere bouwplannen. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Artikel 7 Algemene bouwregels In artikel 7 zijn regels opgenomen voor het bouwen van ondergeschikte bouwonderdelen. De genoemde onderdelen mogen de in de regels bepaalde maximale bouwhoogte overschrijden met de in artikel genoemde maten. Hiervoor is bewust gekozen omdat dit duidelijkheid en enige vrijheid aan ontwerpers biedt. Tevens wordt in dit artikel, artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing verklaard met uitzondering van een zestal onderwerpen dit o.a in verband met de bereikbaarheid, beheer en gebruik van het openbaar gebied. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Afwijkingsregels zijn regels waardoor aan de bestemmingsbepalingen de nodige extra flexibiliteit wordt meegegeven. Toestemming voor afwijking gebeurt door het verlenen van een omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen voor het 10 % vergroten van de bouwmogelijkheden voor goot- en nokhoogte, het bouwen van bijgebouwen in de voorgevel van het hoofdgebouw en het bouwen van het hoofdgebouw maximaal 5 meter achter de gevellijn. Daarnaast kan afgeweken worden van het bestemmingsplan om op medische indicatie te bouwen op- of achter de gevellijn en specifiek voor het oprichten van 30m² bebouwing voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Daarnaast zijn ten aanzien van het gebruik afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten voor alle woningen of het uitoefenen van bed en breakfast. De omgevingsvergunningen mogen alleen gebruikt worden indien niet op grond van een andere bepaling in deze regels omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit betekent dat niet 2 keer omgevingsvergunning kan worden verleend van eenzelfde bepalingen of dat bepalingen die extra bouwmogelijkheden geven niet cumulatief gebruikt mogen worden. bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 19

20 6.3.4 Hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bestaat uit 2 artikelen, de eerste is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing en de tweede de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald. 'overgangsrecht' regelt het overgangsrecht ten aanzien van legaal bestaand gebruik en legale bestaande bouwwerken die afwijken van de (nieuwe) bestemming. Het overgangsrecht beschermt de gevestigde belangen of rechten bij een nieuwe, van de bestaande situatie afwijkende regeling. Dit betekent dat bestaand gebruik en bestaande bouwwerken welke in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet, met als doel het uiteindelijk beëindigen van de afwijkende situatie. Voorheen illegale bebouwing en illegaal gebruik worden met het overgangsrecht niet gelegaliseerd. 'slotregel' is de Slotregel van het bestemmingsplan. In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als "Regels van het bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)". 6.4 Handhaving In dit bestemmingsplan heeft actueel beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader van het bestemmingsplan voor gemeente als publiek beter toepasbaar geworden. Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en publiek ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving. De gemeente Emmen heeft handhavingsbeleid ontwikkeld voor bestemmingsplannen. Met het handhavingsbeleid wordt aangesloten op het programma van de landelijke Stuurgroep Handhaven op Niveau met betrekking tot het programmatisch handhaven. Hierbij maakt de gemeente Emmen gebruik van een prioriteitenlijst vastgesteld door het college. De opzet van het programmatisch aanpakken is dat niet alle illegale situaties worden opgepakt, maar wel een werkbaar aantal zaken, daadwerkelijk wordt aangepakt. Voor wat betreft bestemmingsplannen wordt opgetreden in situaties met een uitstralend effect, een groot risico, of met belangrijke planologische consequenties. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld illegaal bouwen, bouwen buiten bouwvlak, bouwen of in gebruik hebben van een gebouw in strijd met de bestemming. De opzet van het programmatisch aanpakken is dat niet alle illegale situaties worden opgepakt, maar wel een werkbaar aantal zaken, dat een uitstralend effect zal hebben. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een prioriteitenlijst dat de mate van prioriteit tot handhavend optreden aangeeft. Nieuw vastgestelde bestemmingsplannen lenen zich bij uitstek voor een projectmatige aanpak. 20 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

21 Hoofdstuk 7 Maatschappelijke betrokkenheid 7.1 Overleg ex. artikel Bro en zienswijzen Overleg Het college heeft het bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) vrijgegeven voor overleg artikel Besluit ruimtelijke ordening (Bro), Het conceptontwerpbestemmingsplan is voor overleg verzonden naar verschillende overlegpartners. De ontvangen adviezen en reacties zijn gebundeld in de Nota van Beantwoording behorende bij het bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) (ziebijlage 1 Nota van Beantwoording). In deze nota is tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de verschillende overlegreacties opgenomen. Waar de adviezen en reacties leidden tot aanpassingen van het bestemmingsplan, zijn de aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Voor de inhoud van de overlegreacties en het standpunt van het college wordt verwezen naar voornoemde nota. De Nota van Beantwoording maakt deel uit van het bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) 7.2 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan Tegen het ontwerpbestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) is één zienswijzen ingediend. De beantwoording van de zienswijze is opgenomen in de Nota van beantwoording zienswijze. De zienswijzen heeft aanleiding gegeven tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan. bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 21

22 Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De kosten van het maken van het voorliggend bestemmingsplan worden in dit geval gedekt op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2015, als vastgesteld door de raad op 18 december Voor dit plan zijn (vooralsnog) door de gemeente geen aanvullende kosten voor onderzoek begroot en gemaakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zodoende niet nodig, aangezien het kostenverhaal nu anderszins verzekerd is. 22 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

23 Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 23

24 Bijlage 1 Nota van Beantwoording 24 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

25

26 Postbus 195, 9640 AD Veendam

27 .

28 Å! " # $ % & # ' ( ( ( ) * +,, -. / 0 0 / : ; < < = A B C D E F C G H I J K L M N O ; < < = P Q R S T U V W X U Y V S S Z [ [ Z \ ] ^ _ ` a a _ b b c \ _ d e f g h i j k l m n o p q r p s o t u v w x y w x z { } ~ ~ ~ ƒ ˆ Š Œ Š Ž Š Œ Š E š C D š œ ž C Ÿ ª ª ª «± ² ³ ² µ ¹ º» ¼ ½ ¾ À Á Â Ã Ä Å Æ Ä Ç È É Ê Ë Ì Í Î w Ï Ð u v w Ñ v Ò Ó Ó Ô Õ Ö Ö Ø ÖÙ Ú Û Ü ÝÞ ß Ü ß à á á â ã ä å æ ç è é é å â ê ë ì í î ï ì ð ñ ê ò ó ô õ ö $ ô ø ù ú û ü ý þ ÿ þ ý ù ý! " # $ % " % % & ' ( ) ) * +, -. - / 0 1, : ; < = A A B % C D E F GH I õ J ô K - L M NO P Q R S T U V W S X X Y V Z [ \ ] ^ _ ` a b c d b e c b f g h i j k g l j k m n o p q r s t u v w x y z { } ^ _ ~ A A ƒ A \ ] ˆ ] Š ] ] Š Œ Ž c d c š V Y œ ž ^ Ÿ Ÿ Š Š ] ª Š ] «C c b ± ² ³ - 3 ² µ ¹ º»» ¼ g h l j ½ ¾ k i j k À Á x y z { ^ _ b a b c  c à c d Ä Ä Å Å ¼ Æ ¼ º Ç È É ^ _ Ê U Ë Ì Í S S T Î U Ï U V Ð Ñ Ñ Ò Ó Ô Õ Ö Ø Ù Ú Û : ; < Ü Ý Þ [ \ ] ^ _ ß à á â ã ã ä : ; < å \ Š æ ˆ ç è \ é ê ë ì í î w ï î ð w A ^ _ \ \ ] \ ˆ ˆ ] Š ] ò ó : ; < ô õ ö ø ø ù õ ú û ü ý þ ÿ ÿ ü ý ý P Q ] Š å Š µ õ ù õ µ õ õ â à! " c # c $ f à c $ c ` c d c d % & Ï U ' Y V Z ( ) * ) +, -. ½ g / j 0 1 j k 2 S 3 4 Ë S X 4 Ë Y š T

29 : ; < 6 7 = B 6 7 C ; 6 D C? 8 E? F?? 7 D? G F F? 7 H I? 7 > J K ; L? 6 F 8 5 = M C? ; N? O D 8 N? ; D? F F C 7 B ; P Q 6 7 R C? S K T = C 7 B? V = C 7 > Q R J W W X Y 6 D S F 8 W Z ;? P D? F W \ Z ] ^ _ ` a b c d c ` e f g h i j k l m n o j p l g m k j q k g r m j q m s g h r t g o m g p p n q u o r v w q x n g y s z { g g h n q u g } { g g h n q u g h ~ w q w w v x m g t g j j h g v g q ƒ g i g t g j j h g v n q u u w w m j g h l g m t g v g n o g v g m g h q g g n v n u l g n f j j h n m r v w q n o j j h g ƒ n q g g h o m g w w q v g u u g w n o g g h j r ˆ ˆ o g r m g p t g h ˆ Š g m r v w q u g t n g n o n q g w Œ t g g v n q u l n g h j q g h s g g h u g u g g q Ž Ž š œ Ž ž Ÿ Ž Ž Ž Ÿ n q q g q l g m r v w q u g t n g i n q n g h g n v n u l g n o i j q g o z ª «j r g g h t g g v n q u s g g h u g u g g q ƒ g g n v n u l g n o i j q g h j q j p l g m ª «z h g o g h j n h n o g g q n u g y n o m g j r g g h t g g v n q u ƒ g h n g j g h n u g n g q g q m g s j h g q g h s n g h ƒ g k j q m j y h g q n g l g m n q v j g o u g t n g g h m g u g q s j j h n u g q } ˆ Š p g m g h w q w Œ ª «z y v r y q m g q w q w Œ l g m ª «z h g o g h j n h s j h g q q n g m j r g g h t g g v n q u u g r v w w m o m ƒ g g n v n u l g n o i j q g z ª «j r Š p g m g h w q w Œ l g m ª «z y v r y q m n o w q w Œ ˆ y v n ˆ u g s n i n u ƒ g w w h v n ~ o g j j h i g m w q ª «j j h n m m w q ~ o m w m n j q n o n q g j p u g n q u o g h u y q q n q u w o m u g o m g v j r Š p ƒ n m l j y m n q w m j r u h j q w q l g m g n g w Œ o m w q j j h l g m r v w w m o u g t j q g q h n o n k j ˆ ± r g h w w h Š p g m g h w q w Œ l g m ª «z y v r y q m t g h w w u m g m r v w q u g t n g v n u m t y n m g q g w Œ o m w q w q Š p g m g h ² g g q o p j g m h g ~ g q n q u s j h g q u g l j y g q p g m g «z k j q m j y h h j q j p l g m ª «z w Œ v g g h r y q m ƒ g i g t g h w w u m ˆ Š p g m g h ³ q g w Œ t g g v n q u l n g h q w n o j r t w o n o w q g h n o n k j ~ w w h m u g u g g q o m g i n g q w m g k j q m j y h w q l g m ª «z y v r y q m t y n m g q l g m r v w q u g t n g v n u m g q w q l g m ª «z w Œ v g g h m j g o m g v g g v o t n q q g q l g m r v w q u g t n g v n u m } p w w h t y n m g q l g m t j y s v w ~ } s w w h t n q q g q g t g o m g p p n q u s j q g q v n u m

30 Å Æ Ç È É Ê Ë É Ì Í Î Ê Ž µ œ ¹ º ž œ» ¼ º Ž œ œ Ž ½ º Ž Ž ¾ Ž ¹ À ƒ g k j q m j y h «ˆ ± h j q j p l g m ª «z h g o g h j n h t g h w w u m Š p g m g h g q v n u m u g g g v m g v n ~ n q l g m r v w q u g t n g Ž Á µ œ ¹ º Ž ½ º Ž Ž ¾ Ž ¹ À ƒ g i g k j q m j y h  g n v n u l g n o i j q g z ª «Ã v n u m j g h m s g g j t g k m g q w q g k w p r n q u ³ q l g m w n g o w q ˆ Š n o w w q u g u g g q w m u g t j h u p j g m s j h g q w m g i g j t g k m g q q n g m w v o g g q g h t v n Œ o j t g k m ~ y q q g q s j h g q u g t h y n ~ m Ä r o v w u w q p w m g h n w v g q n o s g v m j g u g o m w w q } p w w h u g g q h g k g r m n g ³ q g h g u g v o n o q w p g v n ~ l g m g h t j j r u g q j p g q j p t n q q g q g «z k j q m j y h  t g r g h ~ m à ~ s g m o t w h g j t g k m g q m g h g w v n o g h g q g o m w w q g t g r g h ~ m ~ s g m o t w h g j t g k m g q i n q m j g u g o m w w q } p w w h n q n m u g w v t g m g ~ g q m n m g g q q n g y s u g t h y n ~ g q s j h m w v o q n g y s g o n m y w m n g w w q u g p g h ~ m ³ q g m j g v n k l m n q u n o s g g h u g u g g q w m g g q m s g g g v y k l m h j y m g i w v s j h g q u g h g w v n o g g h Ä r g g h t g g v n q u j Œ w q g h o i n q o n o g v n u u n q u w w h w q q n g m s g g h u g u g g q f g h i j g ~ n o g v n u u n q u w q g m s g g g v y k l m s g u j r g g h t g g v n q u s g g h m g u g g q } w q s g v w v o g g q Œ n u y y h n q g m j g v n k l m n q u m g h g u g v g q Ä r s g v ~ g s n i g s j h m u g t j h u w m g m s g g g v y k l m s g u s j h m u g h g w v n o g g h } s w q q g g h g v y k l m s g u q n g m j r g g h t g g v n q u s j h m s g g h u g u g g q

31 Met vriendelijke groet, Esther Klap Specialist Risico en Veiligheid M Veiligheidsregio Drenthe Mien Ruysweg KA Assen Postadres Postbus AK Assen T E. W. vrd.nl Brandweer Drenthe Mien Ruysweg KA Assen Postadres Postbus AK Assen T E. W. vrd.nl De informatie in dit bericht is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Verstrekking aan en gebruik door anderen is niet toegestaan. Als u niet de bedoelde ontvanger bent, wilt u dan dit bericht en ieder aangehecht databestand verwijderen en de afzender hiervan via op de hoogte stellen. Hallo Esther, Ik heb nog geen antwoord van jullie mogen ontvangen op het voorontwerp van Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)'. De 6 week zijn volgende week 25 oktober verstreken. Graag hoor ik van jullie of jullie nog opmerkingen hebben op het plan.

32 Met vriendelijke groet, Jos Sandker Afd. Ruimtelijke Ontwikkeling & Infrastructuur, Team Ontwikkeling Geachte heer, mevrouw, In het kader van het overleg ex artikel van het Besluit ruimtelijke ordening laten wij u weten dat het conceptontwerpbestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) te vinden is op Uw reactie met betrekking tot het concept- ontwerpbestemmingsplan zien wij graag binnen 6 weken met belangstelling tegemoet. Indien u binnen deze termijn niet heeft gereageerd gaan wij er vanuit dat u zich kunt vinden in het concept-ontwerpbestemmingsplan. Het conceptontwerpbestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) met nummer IMRO B301 is te vinden op Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Dhr. J. Sandker Gemeente Emmen Afd. Ruimtelijke Ontwikkeling & Infrastructuur, Team Ontwikkeling De informatie in dit bericht is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Verstrekking aan en gebruik door anderen is niet toegestaan. Als u niet de bedoelde ontvanger bent, wilt u dan dit bericht en ieder aangehecht databestand verwijderen en de gemeente Emmen hiervan via op de hoogte stellen.

33 Bijlage 2 quick scan flora en fauna bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 33

34

35

36

37

38

39

40

41 Bijlage 3 Watertoets (uitgangspuntennotitie) bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 41

42 watertoets 1 juni 2016 code waterschap 6 juni 2016 kenmerk IN UITGANGSPUNTEN NOTITIE WATERTOETS - NORMALE PROCEDURE U heeft het Waterschap Hunze en Aa's geïnformeerd over het plan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) door gebruik te maken van de digitale watertoets ( De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de Normale procedure van de watertoets moet worden doorlopen. Dit houdt in dat het waterschap Hunze en Aa's een maatwerk wateradvies moet maken. Vooralsnog ontvangt u van ons een voorlopige standaard uitgangspuntennotitie. Deze notitie zal op basis van uw plan nader uitgewerkt worden. U ontvangt binnen 6 weken het de definitieve uitgangspuntennotitie voor dit plan. PLAN: Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) Algemene projectgegevens: Projectomschrijving: realisatie mini-camping op aangegeven locatie Oppervlakte plangebied: m2 Toename verharding in plangebied: circa 500 m2 stedelijk gebied

43 Op de luchtfoto (2015) ligt in de noordoosthoek van het plangebied een hoofdwatergang. Hierop watert een schouwsloot af volgens de legger van het waterschap. Deze schouwsloot is niet meer waar te nemen en is gedempt. Ter compensatie van het dempen van de schouwsloot en de toename in het verhard oppervlak, mits de eigenaren Weerdingerkanaal WZ 225 en 226 geen bezwaar hebben tegen de demping van de schouwsloot, adviseert het waterschap een nieuwe sloot aan te brengen op de perceelscheiding die wederom kan afvoeren op het watersysteem. De ontwatering van de gronden, bestemd voor de minicamping, wordt daardoor ook beter. Eind maart 2016 heeft over het compenseren van de gedempte schouwsloot en de hoofdwatergang afstemming plaatsgevonden met het waterschap (Dhr. E. Schuringa). De situatie is op de volgende schets weergegeven. Voor de aanpassingen in de waterhuishouding dient een watervergunning/melding conform de algemene regels van de Keur bij het waterschap plaats te vinden door de initiatiefnemer.

44 Aanvrager / initiatiefnemer: Jos Sandker Gemeente Emmen postbus RA Emmen Gemeente Emmen: Jos Sandker Waterschap Hunze en Aa's Wilfried Heijnen (0598) Geachte Jos Sandker, Het klimaat is aan het veranderen. De gevolgen zijn ook in onze omgeving merkbaar. Regenbuien worden extremer. Er valt in een korte periode meer regen, maar ook nattere winters en drogere zomers komen steeds vaker voor. Ook stijgt de zeespiegel, waardoor waterafvoer naar zee minder eenvoudig wordt en dijken moeten worden verhoogd. Op sommige plaatsen in ons beheergebied hebben we te maken met bodemdaling. Ook bij ruimtelijke plannen dient men hiermee rekening te houden. Gevolgen van extreme neerslag- gebeurtenissen mogen geen wateroverlast veroorzaken, er moet voldoende water zijn ingeval van lange perioden met droogte en het watersysteem dient voldoende veilig te zijn. Op grond van artikel 12 uit het besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Hunze en Aa's beoordeelt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Waterparagraaf In het kader van de ontwikkelingen van dit plan dient overleg gevoerd te worden met waterschap Hunze en Aa's. De wijze waarop de aanvrager het waterschap informeert over ruimtelijke plannen en om advies vraagt, hangt sterk af van de aard van het plan. In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen. Bij het opstellen van de waterparagraaf zijn ruimtelijk relevante criteria te onderscheiden in criteria die betrekking hebben op de locatiekeuze en in criteria die betrekking hebben op de inrichting van een ruimtelijk plan. In de waterparagraaf van het bestemmingsplan dienen zowel de huidige- als toekomstige relevante thema's te worden beschreven. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de thema's die in de waterparagraaf kunnen worden meegenomen: veiligheid, wateroverlast, afvalwater &

45 riolering, grondwater& ontwatering, peilen & drooglegging, waterkwaliteit & volksgezondheid, inrichting watersysteem, natuur & ecologie en bodemdaling. Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft er naar om de ingrepen binnen een peilgebied waterneutraal te houden. Wateraspecten die met een specifiek instrument geregeld kunnen worden, worden in de watertoets wel gesignaleerd maar niet geregeld. In het afgegeven advies wordt wel verwezen naar de regelstellende instrumenten zoals, de Keur van het waterschap, Activiteitenbesluit, Besluit lozen buiten inrichtingen, Besluit bodemkwaliteit, peilbesluit, gemeentelijke verordening, watervergunning Thema wateroverlast Het waterschap zorgt voor het functioneren van het watersysteem. Het watersysteem moet nu, maar ook op de lange termijn, goed functioneren. Het watersysteem moet zodanig zijn dat de inundatienormen niet worden overschreden bij toekomstige veranderingen zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van verhard oppervlak. Dit is gebaseerd op het principe van niet-afwentelen, zowel bestuurlijk, financieel en geografisch, in de tijd op elk schaalniveau. Er zijn landelijke werknormen (Nationaal Bestuursakkoord Water) opgesteld voor wateroverlast. Het gaat hierbij om wateroverlast, die ontstaat door inundatie vanuit oppervlaktewater als gevolg van lokale neerslag. De normen zijn uitgedrukt in de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt. Grondgebruikstype Maaiveldcriterium Inundatienorm (1/jaar) grasland 5 procent 1/10 akkerbouw 1 procent 1/25 hoogwaardige land- en tuinbouw 1 procent 1/50 glastuinbouwgebied 1 procent 1/50 bebouwd gebied 0 procent 1/100 Bovenstaande werknormen zijn gebaseerd op basis van de middenvariant van het klimaatscenario 2050 van het KNMI (klimaatscenario G). In open water in stedelijk gebied kan water geborgen worden. De berging is afhankelijk van het oppervlak open water en de maximale toelaatbare peilstijging. In een situatie T is 10 (inclusief 13 procent klimaatsverandering, T is herhalingstijd in jaren) wordt een geoorloofde peilstijging van 0,40 meter gehanteerd en ingeval van een T is 100 (inclusief 13 procent klimaatverandering) is dat afhankelijk van de laagst gelegen gronden in het stedelijk gebied, 0 procent van het bebouwd gebied mag inunderen. Hierbij moet opgemerkt worden dat in stedelijk gebied ook groen en gras voorkomt waarop een lagere norm (nm. de norm van het grondgebruikstype grasland) van toepassing is dan het bebouwd gebied. Bepaalde gebieden kunnen zelfs aangewezen worden voor de tijdelijke berging van water. Bij stedelijke uitbreidingen of herstructureringen mag een toename van het verhard oppervlak niet resulteren in een extra belasting van het watersysteem, er moet waterneutraal gebouwd worden. Dit houdt in dat de initiatiefnemer voldoende maatregelen neemt om de versnelde waterafvoer, te compenseren. De initiatiefnemers van de uitbreiding van het verhard oppervlak moeten ervoor zorgen dat ze voldoende compenserende maatregelen nemen. Voor de berekening van de vereiste waterberging, om de toename van het verhard oppervlak te compenseren, wordt gebruik gemaakt van de regenduurlijnmethode. Met deze methode kan op basis van het oppervlak open water, de maximale peilstijging, de afvoernorm bij maatgevende afvoer,

46 maatgevende buien en het maatgevende klimaatscenario op eenvoudige wijze inzichtelijk gemaakt worden hoeveel extra waterberging vereist is. Voor stedelijke gebieden betekent dit concreet dat een regenbui van 89 mm in 24 uur opgevangen moet kunnen worden zonder dat de inundatienorm en de toegestane gebiedsafvoer wordt overschreden. Als vuistregel hanteert het waterschap dat per m2 toename verhard oppervlak 80 liter extra waterberging gerealiseerd moet worden in het plangebied. In het definitieve wateradvies van het waterschap wordt een maatwerkberekening opgenomen voor de benodigde extra berging. Vragen: Op de vraag Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500 m2 in het landelijke gebied of met 150 m2 in het stedelijk gebied? is met ja geantwoord. Dit houdt in dat de toename van het verhard oppervlak boven de verhardingstoename norm ligt van de keur. Op grond van algemene regels zijn compenserende maatregelen verplicht. Op de aanvullende vraag In het plan is er sprake van een toename van het verhard oppervlak. Met hoeveel m2 neemt te verharding toe? Betreft het een toename in het landelijk of in het stedelijk gebied? is geantwoord: circa 500 m2 stedelijk gebied Thema afvalwater & riolering De vergunningencheck van het Omgevingsloket geeft u nadere informatie over de vergunningplicht of meldingsplicht op grond van de Waterwet. Voor het toepassen van grond en baggerspecie in het oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht op grond van het besluit Bodemkwaliteit. Meer informatie hierover kunt u vinden op de site van Meldpunt Bodemkwaliteit. Informatie over het Activiteitenbesluit kunt u vinden op de Activiteitenbesluit internet module. Samenwerking in de waterketen leidt tot een grotere doelmatigheid en verdergaande kwaliteitsverbetering van het oppervlaktewater. In een groot deel van het bestaand stedelijk gebied wordt het hemelwater en het afvalwater verzameld in een gemengd rioolstelsel. Via het gemengde stelsel wordt dit afvalwater getransporteerd naar de RWZI, waar het na zuivering geloosd wordt op het oppervlaktewater. Door het hemelwater gescheiden te houden van het afvalwater wordt het hemelwater niet vervuild en kan dit schone water behouden blijven voor het watersysteem. Ook is een vermindering van het volume afvalwater gunstig voor de capaciteit van de bestaande riolering, transportvoorzieningen en de RWZI. Het vrijkomende hemelwater na afkoppeling mag niet resulteren in een versnelde afvoer en het hemelwater mag in principe niet door diffuse bronnen zijn verontreinigd voordat het in het oppervlaktewatersysteem terechtkomt. Verontreiniging voorkomen De invloed van diffuse bronnen op hemelwater moet zoveel mogelijk worden beperkt door het hanteren van de beleidsuitgangspunten in het landelijk emissiebeleid. Dit gaat volgens de trits voorkomen, scheiden en zuiveren. Door het gebruik van preventieve/ brongerichte maatregelen komt hemelwater met zo weinig mogelijk vervuilende stoffen of uitlogende materialen in aanraking en blijft het zo schoon mogelijk. Het uitgangspunt bij de invulling van deze zorgplicht is het gebruik van de beste beschikbare technieken. Alternatieve maatregelen zijn ook acceptabel, mits deze maatregelen aantoonbaar hetzelfde effect opleveren. Op grond van de huidige wet- en regelgeving is het niet de bedoeling om de zorgplicht volledig af te kaderen. De lozer mag zelf invulling geven aan de zorgplicht. Mogelijke preventieve/brongerichte maatregelen zijn:

47 Bij nieuwbouw en renovatie zo weinig mogelijk uitlogende materialen zoals zink, koper en lood gebruiken. Alternatieven gebruiken heeft de voorkeur. De nationale pakketten duurzaam bouwen geven handvaten voor alternatieven; Hondenuitlaatplaatsen aanleggen of de verplichting in de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) opnemen om hondenpoep op te ruimen; Afvalinzamelpunten plaatsen in woonbuurten, langs toegankelijke wegen voor burgers en op publieksintensieve locaties als pleinen en markten om zwerfvuil te voorkomen; Autowasplaatsen aanleggen of autowassen op straat verbieden in de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) om menging van autowaswater met hemelwater te voorkomen; De openbare ruimte zodanig inrichten dat onkruidgroei zo weinig mogelijk kans krijgt. Hiermee kan het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op verhardingen worden voorkomen of beperkt. Het rapport "Handboek Bestrijdingsmiddelen in stedelijk gebied" gaat hierop in. Als de middelen toch gebruikt worden, dan moet de gebruiker maatregelen treffen om contact met hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de methode voor Duurzaam Onkruidbeheer (DOB-methode); Goten langs wegen vegen om onkruidgroei te voorkomen. Op opslagplaatsen, tankputten en andere terreinen van bedrijven zo weinig mogelijk knoeien met stoffen; Bij op- en overslag bulkpartijen bevochtigen om verwaaiing te voorkomen of beperken; Luchtemissies van bedrijven verminderen of voorkomen om atmosferische depositie te beperken of te voorkomen; Gladheidbestrijding effectief toepassen of beperken zolang de veiligheid dit toelaat. Gebruik middelen, die zo milieuvriendelijk mogelijk zijn. Ten aanzien van het gebruik van verboden middelen op verharding kunt u het middelenverbod raadplegen. Lozing van hemelwater op het oppervlaktewaterlichaam mag niet leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van dat oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast moet de lozing van hemelwater passen binnen de te bereiken waterkwaliteitsdoelstellingen voor het oppervlaktewaterlichaam of de functies van het gebied. Lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder één van de hierna aangegeven specifieke functies heeft de voorkeur boven lozen op een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam. Kwetsbaar water Op een aantal kwetsbare oppervlaktewaterlichamen staat waterschap Hunze en Aa's geen afvalwaterlozingen toe: Oppervlaktewaterlichamen met de functie zwemwater; Oppervlaktewaterlichamen met de functie drinkwater; Oppervlaktewaterlichamen met de functie natuur(waarde); Oppervlaktewaterlichamen met de functie viswater; Oppervlaktewaterlichamen in een ecologisch gevoelig gebied; Kleine oppervlaktewaterlichamen met een geringe doorstroming. Landelijk beleid Voor de beoordeling van hemelwater, dat in contact is geweest met verontreinigde oppervlakken/activiteiten of schadelijke/verontreinigende stoffen, geeft de huidige Europese en landelijke wet- en regelgeving, het emissiebeleid en het vergunningen- en handhavingsbeleid van waterschap Hunze en Aa's het kader aan. Hemelwater lozen op het vuilwaterriool is de minst gewenste en minst duurzame manier om het hemelwater af te voeren. Hemelwater mag alleen op het vuilwaterriool worden geloosd als de lozer het hemelwater niet kan hergebruiken of kan afvoeren via de bodem, het openbaar regenwaterstelsel, een oppervlaktewaterlichaam zonder een specifieke functie of een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam. Lozingen op de riolering vallen onder de bevoegdheid van de gemeente. Het besluit lozen

48 buiteninrichtingen geeft aan in artikel 3.4 dat het vervuilde regenwater (first flush) van o.a. tunnels naar het vuilwaterriool afgevoerd moet worden. Alle agrarische bedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. In het Activiteitenbesluit is een lozingsverbod opgenomen van verontreinigd hemelwater dat rechtstreeks afstroomt van het verharde erf naar het oppervlaktewater (=erfafspoelwater). Bij de inrichting van het plan moet rekeningen worden gehouden met de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor het Activiteitenbesluit geldt een meldingsplicht bij het waterschap. Vragen: Op de vraag Hoe wordt er omgegaan met het vrijkomende hemelwater en op welke wijze wordt invulling gegeven aan de trits vasthouden, bergen afvoeren? is geantwoord: infiltratie en afvoeren op bestaand oppervlaktewater Op de vraag Worden er materialen gebruikt die het afstromend hemelwater kunnen verontreinigen? Zo ja, welke en waarom worden hiervoor geen milieuvriendelijke alternatieven toegepast? is geantwoord: wordt geadviseerd niet te gebruiken Op de vraag Zijn er bedrijfsmatige activiteiten die het afstromend hemelwater kunnen verontreinigen? Zo ja, welke en welke maatregelen worden er getroffen om vervuiling van hemelwater te voorkomen en/of te beperken? is geantwoord: nee Op de vraag Hoe wordt in het plan het afvalwater en het hemelwater behandeld? is geantwoord: via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd: via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater: Thema grondwater & ontwatering Taken en verantwoordelijkheid Ten aanzien van grondwater zijn de taken en verantwoordelijkheden verdeeld tussen burger, gemeente en waterschap. Perceeleigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen grondwateroverlast op hun eigen perceel, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buur (overheid of particulier). Gemeente hebben een zorgplicht in het openbaar gebied en moeten maatregelen treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van de provincie of het waterschap is om maatregelen te nemen. Maatregelen die een gemeente kan nemen zijn het aanleggen van drainage, ontwateringssloten of hemelwaterriolering (grondwater mag niet geloosd worden op vuilwaterriolering). Het waterschap is beheerder van het freatisch (ondiep) grondwater. Het beheer bestaat vooral uit toetsing, advies en vergunningverlening voor kleine onttrekkingen. Grondwater ordenend Het functioneren van het grondwatersysteem moet als ordenend element meegenomen worden in de locatiekeuze en de inrichting van plannen. Bij de aanleg van nieuwe gebieden is het uitgangspunt dat wijzigingen in de grondwaterstanden niet mogen resulteren in nadelige gevolgen voor andere gebieden. Dat kan tot gevolg hebben dat het oppervlaktewaterpeil niet gewijzigd kan worden of dat er

49 daarvoor of daardoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om grondwateroverlast in het plangebied te voorkomen. Wateroverlast Een te hoge grondwaterstand kan grondwateroverlast veroorzaken, bijvoorbeeld in de vorm van water in de kruipruimte. Te lage grondwaterstanden daarentegen resulteren in verdroging. Het verlagen van grondwaterstanden in bestaande bebouwde gebieden kan problemen geven wanneer er sprake is van houten funderingen en funderingen op klei op veen. Zijn die aanwezig dan mogen de gemiddeld laagste grondwaterstanden (GLG) niet verder worden overschreden (niet nog lager worden). Ook de aanwezigheid van oude bomen verdient aandacht. Volwassen bomen kunnen afsterven als de ontwateringsdiepte snel en drastisch wordt veranderd en verder verlaagd wordt dan 1 m minus maaiveld. Oude bomen kunnen hun wortelstelsel niet meer aanpassen aan grote veranderingen in het grondwater. Tevens kunnen natuurgebieden in en rond het plangebied negatief beïnvloed worden wanneer het hydrologisch systeem veranderd. Het is dan ook belangrijk bij elk inrichtingsplan samen met het waterschap vanuit het bestaande watersysteem vast te stellen wat de huidige en gewenste grondwaterstanden zijn en of er sprake is van een nadelige beïnvloeding van de omgeving. Normen Bij een gewenste grondwatersituatie is er geen sprake van overlast en zijn de volgende ontwateringseisen richtinggevend. Voor verschillende typen grondgebruik gelden bij een halve maatgevende afvoer (een afvoer die 10 a 15 keer per jaar wordt overschreden) de volgende ontwateringsadviezen. Advies ontwateringsdiepte grondgebruik: Woningen met kruipruimte: 0,7 m onder onderkant vloer; woning zonder kruipruimte: 0,3 m onder onderkant vloer; drijvende woningen: geen ontwateringseis; woningen op (houten) palen: Er mag geen verdroging optreden, grondwaterstand mag niet verlagen en de paalkoppen moeten onder de gemiddeld laagste grondwaterstanden blijven; gangbare wegen (met grof zand cunet) primair: 1,0 m onder as van de weg; gangbare wegen (met grof zand cunet) secondair: 0,7 m onder as van de weg; gangbare wegen (met grof zand cunet) weg op polystyreen-hardschuim: circa 0,3 m onder as van de weg; gangbare tuin/plantsoen: 0,5 m onder maaiveld; industrieterreinen: 0,7 m onder maaiveld. Om de geadviseerde ontwateringsdiepte te realiseren moet het oppervlaktewaterpeil en het technisch ontwerp hier op afgestemd worden. Technische aspecten die van invloed zijn op de grondwaterstand zijn bodemtype, waterpeil, afstanden van waterlopen en drains en draindiepten. Als de gewenste grondwaterstanden niet te realiseren zijn met sturing in peilen, waterlopen en drainage of omdat aanpassing van de grondwaterstanden niet gewenst is door de negatieve beïnvloeding van de omgeving, bieden maatregelen als ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen of een aangepaste inrichtingsvorm of een aangepaste functie wellicht een oplossing. Door creatief te zoeken naar van nature geschikte locaties of aangepaste inrichtingsvormen (partieel ophogen van wegen en woningen, of minder gangbare vormen van woningen, wegen en tuinen) moet gestreefd worden naar een inrichting tegen de laagste maatschappelijke kosten. Vragen: Op de vraag Vindt er tijdelijke of permanente onttrekking van grondwater plaats? Zo ja, licht toe waarom deze onttrekking plaatsvindt en wat de omvang en duur is van deze onttrekking. is geantwoord: Nee

50 Gemiddeld Hoogste Grondwaterstanden Om grondwateroverlast in woningen te voorkomen is een minimale ontwatering van 0,7 meter minus het maaiveld nodig. In het plangebied Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (plaatselijk) hoger dan op basis van deze ontwateringsnorm gewenst is. Woningbouw op deze plekken is zonder aanvullende maatregelen niet gewenst en zal resulteren in grondwateroverlast. Nader onderzoek naar de drooglegging en ontwatering is gewenst. De inrichting van dit gebied en de benodigde aanvullende maatregelen moeten afgestemd worden op dit nadere onderzoek. Infiltratie In het plangebied wordt de grondwaterstand lokaal beïnvloed door een neerwaartse grondwaterstroming (> 0.75 mm). Deze gebieden zijn meestal voldoende diep ontwaterd en bieden mogelijkheden om hemelwater in de bodem te infiltreren, mits er geen sprake is van ondiepe slecht doorlatende lagen Thema oppervlaktewaterpeilen & drooglegging Het uitgangspunt voor het operationele peilbeheer is het streven naar de gewenste grondwaterstand voor de verschillende functies en belangen. Het waterschap stelt voor het gehele beheersgebied peilbesluiten op waarin de te hanteren oppervlaktewater peilen worden vastgelegd. Een wijziging van een functie kan een reden zijn het peil te wijzigen, uitgangspunt hierbij is dat de peilwijziging niet mag resulteren in nadelige gevolgen voor andere gebieden als gevolg van de door de peilwijziging opgetreden wijziging in de grondwaterstand. Het wijzigen van een peil moet vastgelegd worden in een peilbesluit. Het gewenste peil kan bepaald worden op basis van de drooglegging en of op basis van het gewenste grondwaterregime (GGOR). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het vastgestelde oppervlaktewaterpeil of het streefpeil ligt. Voor bebouwd gebied hanteert het waterschap voor het straatpeil een droogleggingsnorm van 1 meter en voor het bouwpeil (= vloerpeil van de begane grond) een norm van 1,30 meter. Deze droogleggingsnormen gelden bij het zomerstreefpeil. Om water te kunnen bergen in extremere situaties is een stijging van het waterpeil toelaatbaar. Conform de landelijke werknormen mag in een situatie die 1/100 per jaar (inclusief 13% klimaatverandering) voorkomt in bebouwd gebied 0% inunderen, de toelaatbare peilstijging is in dergelijke situaties afhankelijk van de maaiveldhoogte. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in stedelijk gebied ook groen en gras voorkomt waarop een lagere inundatienorm van toepassing is dan het bebouwd gebied Thema inrichting watersysteem Het eigendom, beheer en onderhoud van alle oppervlaktewater en de bijbehorende infrastructuur ligt bij waterschap, gemeente of derden. Het waterschap Hunze en Aa's streeft ernaar om het hoofdsysteem welke een belangrijke functie vervult in de aan- en afvoer van water in eigendom, beheer en onderhoud te hebben. Naast het stelsel van hoofdwatergangen zijn er ook sloten aangewezen als schouwsloot. Schouwsloten vervullen een belangrijke functie in de detailwaterbeheersing en zijn meestal in eigendom bij gemeente en/of derden. Schouwsloten vallen onder de schouwverordening van het waterschap en moeten jaarlijks in november worden geschoond.

51 Met het dempen van sloten/watergangen neemt de potentiële bergingsruimte van oppervlaktewater af. Het dempen van sloten veroorzaakt hogere grondwaterstanden. In dit kader is een beleidsregel vastgesteld die het dempen van hoofdwatergangen, schouwsloten en overige sloten verbiedt. Het is onder andere verboden het profiel van hoofdwatergangen en schouwsloten te veranderen. Het dempen van sloten is alleen mogelijk onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de beleidsregel Dempingen. De vergunningencheck van het Omgevingsloket geeft u nadere informatie over de vergunningenplicht of meldingsplicht op grond van de Waterwet. Vragen: Op de vraag Worden er beheers- en/of inrichtingsmaatregelen getroffen ter verbetering van de chemisch en ecologisch oppervlaktewaterkwaliteit? Zo ja welke? is geantwoord: nee Op de vraag Hoe wordt er in het ontwerp van het watersysteem en het plangebied rekening gehouden met het principe 'schoonhouden, scheiden, zuiveren'? is geantwoord: infiltratie en afvoeren op bestaand oppervlaktewater Op de vraag Welke wijzigingen worden aangebracht in het watersysteem? is aangevinkt: geen De geplande wijzigingen in het watersysteem moeten overlegd worden met de beleidsmedewerker planvorming. Omdat het waterschap verantwoordelijk is voor het stedelijk water, moet de inrichting van het systeem aan bepaalde normen en voorwaarden voldoen. Dit kan het waterschap aangeven. In de keur van het waterschap is aangegeven voor welke werkzaamheden een watervergunning noodzakelijk is. Geraakte kaarten in plangebied voor thema watersysteem: Hoofdwatergang Binnen het plangebied Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) zijn hoofdwatergangen van het waterschap gelegen. Aan weerszijden van alle hoofdwatergangen ligt een beschermingszone van 5 meter breed. Deze beschermingszone is ter bescherming van de hoofdwatergang. Deze beschermingszone moet worden gerekend vanaf de insteek. De beschermingszone langs hoofdwatergangen moet vrij blijven van obstakels. Obstakels kunnen bijvoorbeeld zijn: heggen, afrastering, bomen, schuttingen, schuurtjes, verharde paden. Binnen deze beschermingszone is voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden een watervergunning nodig. In de keur van het waterschap is aangegeven voor welke werkzaamheden een watervergunning noodzakelijk is. Schouwsloot Binnen het plangebied Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping) zijn schouwsloten gelegen. Schouwsloten zijn sloten die niet in eigendom zijn van het waterschap maar wel een belangrijke functie vervullen voor de ontwatering. Om deze ontwateringsfunctie goed te laten vervullen is het van belang dat een schouwsloot schoon is. De eigenaren van de schouwsloot zijn verplicht de schouwsloot jaarlijks schoon te maken, het waterschap ziet hier op toe. Schouwsloten mogen niet zonder toestemming van het waterschap gedempt worden, ook het profiel van een schouwsloot mag niet zonder toestemming gewijzigd worden. In de beleidsregel dempingen is aangegeven onder welke voorwaarden demping mogelijk is Thema inrichting natuur en ecologie

52 Bij de inrichting van het watersysteem dient er aandacht te zijn voor waterkwaliteit en ecologie. Van groot belang is het voorkomen van stilstaand water. In wateren met onvoldoende doorstroom mogelijkheden kunnen waterkwaliteitsproblemen ontstaan als vissterfte, blauwalg en de opeenhoping van drijfvuil. Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden met doorspoelmogelijkheden en moeten stilstaand water in watergangen voorkomen worden. Tevens is een goede waterkwaliteit sterk afhankelijk van de mogelijkheid of water- en oeverplanten zich in voldoende mate kunnen vestigen en ontwikkelen. Ruimte voor natuurvriendelijke oevers met geleidelijke overgangen van nat naar droog is van groot belang voor het ecologisch functioneren van het watersysteem en het bieden van voldoende migratiemogelijkheden en leef- en foerageergebied voor planten en dieren. Naast de inrichting is ook het beheer en onderhoud van invloed op het te behalen resultaat voor de natuur. Tijdens de voorbereiding van plannen moet ook nagedacht moeten worden over het uit te voeren toekomstig onderhoud en de daarbij behorende voorzieningen BETROKKENHEID waterschap Hunze en Aa's Deze uitgangspuntennotitie is afgestemd op uw geselecteerd plangebied. Voor alle water gerelateerde onderwerpen die van toepassing zijn, zijn adviezen opgenomen in dit document. Voor de verdere procedurele afhandeling van de watertoets is het van belang om het waterschap te blijven betrekken en rekening te houden met de in dit document aangegeven adviezen. In de waterparagraaf van het plan moet aangegeven worden op welke wijze omgegaan wordt met de gegeven adviezen. Natuurlijk kunt u het waterschap altijd raadplegen voor overleg en nadere uitleg. De uitgewerkte waterparagraaf moet voorgelegd worden aan de beleidsmedewerker planvorming LINKS Waterschap Hunze en Aa's: Keur + WVO (watervergunning): Beleid Beheerplan Nota stedelijk water Watersysteemplannen Natuur en waterkwaliteit Factsheets Kader Richtlijn Water Noodberging: De WaterToets 2016

53 Bijlage 4 Geluidsonderzoek bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 53

54 Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV Noorderstaete 26, 9402 XB Assen Postbus 339, 9400 AH Assen Minicamping Nieuw-Weerdinge t.a.v. de heer H. Keuter Drentse Mondenweg JA Nieuw-Weerdinge telefoon (0592) website IBAN BIC NL41 RABO RABONL2U Kenmerk Datum 17 maart 2016 Betreft 5448/je/18587 Ruimtelijke inpassing minicamping Geachte heer Keuter, Naar aanleiding van ons telefonisch overleg en de door u beschikbaar gestelde informatie ontvangt u hierbij ons onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van de inrit van uw minicamping op de gevels van de naastliggende woning Weerdingerkanaal NZ 226. De woning Weerdingerkanaal NZ 228 is de bedrijfswoning. Figuur 1 geeft de situatie weer. Figuur 1: Situatie minicamping BTW nr. NL B01 - KvK Alle werkzaamheden worden verricht volgens De Nieuwe Regeling 2011

55 Uit uw overleg met de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling & Infrastructuur van de Gemeente Emmen dat alleen de toegangsweg van de camping ligt binnen de richtafstand voor woningen volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (verder VNG-publicatie). Dit noodzaakt een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege de toegangsweg op de woonomgeving. VNG-publicatie B5.3 Voorbeeld-toetsingskader projectbesluit of planherziening Bij een buitenplanse inpassing via een projectbesluit of planherziening wordt de milieubelasting getoetst ter plaatse van de bestaande (of op grond van het bestemmingsplan toegestane) woningen of andere gevoelige functies. De toelaatbare milieubelasting kan in dit geval worden afgewogen en afgestemd op de omgevingskenmerken van de relevante woningen en gevoelige functies. Geluid Het toetsingskader voor geluid bestaat uit vier stappen waarbij per stap de geluidbelasting groter wordt en daarmee de onderzoeks- en motiveringsplicht. Stap 1 Indien de richtafstand (zie de lijsten in bijlage1) voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: buitenplanse inpassing is mogelijk. NB: voor de afstand tot gemengd gebied mag rekening gehouden worden met de vermindering van één afstandstap, zie paragraaf... onderdeel omgevingstypen (bijvoorbeeld: richtafstand tot gemengd gebied voor categorie 3.2 is 50 meter in plaats van 100 meter). Stap 2* Indien stap 1 niet toereikend is: - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: - 45 db(a) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 65 db(a) maximaal (piekgeluiden); - 50 db(a) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking en; - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: - 50 db(a) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 db(a) maximaal (piekgeluiden); - 50 db(a) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; buitenplanse inpassing is mogelijk. Stap 3 Indien stap 2 niet toereikend is: - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: - 50 db(a) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 db(a) maximaal (piekgeluiden); - 50 db(a) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking en; - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: - 55 db(a) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; naa 17 maart /je/18587 Blad 2 van 4

56 - 70 db(a) maximaal (piekgeluiden) exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer; - 65 db(a) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; is buitenplanse inpassing mogelijk. Het bevoegd gezag dient echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Het bevoegd gezag kan daarbij gebruik maken van gemeentelijk geluidbeleid, indien de te verwachten geluidbelasting voldoet aan de in dat gemeentelijk geluidbeleid vastgestelde grenswaarden voor het betreffende gebied. Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. * Vanaf stap 2 is een geluidsonderzoek noodzakelijk. In dit onderzoek wordt stap 1 derhalve buiten beschouwing gelaten. Volgens de VNG-publicatie mag lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied worden beschouwd. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Beide omschrijvingen worden hier net niet van toepassing geacht zodat voorzichtigheidshalve is uitgegaan van de grenswaarden voor een rustige woonwijk zoals genoemd in stap 2. Volgens de Gemeente Emmen geldt hier een richtafstand voor geluid van 30 meter. Binnen deze afstand van de inrit is de woning Weerdingerkanaal NZ 226 de enige woning van derden. Activiteiten en geluidsmodellering De inrit is open tussen 07:00 en 23:00 uur. Op de camping bevinden zich 25 standplaatsen. Op drukke dagen in het hoogseizoen met een volledige bezetting van de camping wordt het mogelijk geacht dat per standplaats een personenauto komt en vertrekt in de dagperiode tussen 07:00 en 19:00 uur. Het aantal voertuigenbewegingen in de avondperiode, tussen 19:00 en 23:00 uur is lager. Uitgegaan is van 5 vertrekkende en 5 terugkerende personenauto s. De voertuigen hebben op de inrit een rijsnelheid van 10 kilometer per uur. Van de oprit en de directe omgeving is een geluidsoverdrachtsmodel opgesteld waarbij gebruik is gemaakt van de module Industrielawaai het programma GeoMilieu versie Voor de personenauto s zijn geluidsvermogensniveaus van 90 db(a) gemiddeld en 92 db(a) maximaal gehanteerd. Het model berekent de geluidsbelasting op op te geven rekenpunten op de gevels van woningen aan de hand van de afstand tussen bron(nen) en ontvanger(s) en eventuele afscherming of reflectie. De beoordeling vindt in de dagperiode plaats op de begane grond (1.5 meter hoogte) en in de avondperiode op de verdieping (5.0 meter hoogte). De oprit is zekerheidshalve als geluidsreflecterende bodem ingevoerd. Het rekenmodel is in figuur 2 weergegeven. In tabel 1 zijn de rekenresultaten samengevat. naa 17 maart /je/18587 Blad 3 van 4

57 Figuur 2: Rekenmodel inrit minicamping Tabel 1: Rekenresultaten in db(a) Rekenpunt Ligging rekenpunt Hoogte punt (m) dagperiode avondperiode nachtperiode Berekend L Ar,LT in db(a) 1 Weerdingerkanaal NZ / grenswaarde Berekend L Ar,max in db(a) 2 Weerdingerkanaal NZ / grenswaarde De berekende geluidsniveaus voldoen in de dag- en avondperiode aan de grenswaarden. Geluid vormt geen knelpunt voor de ruimtelijke inpassing. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Jan Eggens naa 17 maart /je/18587 Blad 4 van 4

58 Bijlage 5 Notitie Groepsverantwoording 58 bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld)

59 Notitie groepsverantwoording bestemmingsplan Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)

60 Inleiding Er is een verzoek ingediend om op een perceel achter de Drentse Mondenweg 7 een minicamping te realiseren. In de directe omgeving van dit perceel ligt een tankstation waar ook LPG wordt verkocht. LPG-tankstations vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Omdat de camping in het invloedsgebied van het tankstation valt, is verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Onderdeel van de verantwoording is een advies van de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) op de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Juridisch kader Het groepsrisico moet op grond van het Bevi (artikel 13) bij de vaststelling van het ruimtelijk besluit worden verantwoord. De ontwikkeling speelt zich namelijk gedeeltelijk af binnen het invloedsgebied van een LPG-tankstation. In de toelichting van het bestemmingsplan dient het groepsrisico te worden verantwoord en bestaat de verantwoording uit de onderdelen zoals hierna is vermeld. De hoogte en de gevolgen van de verandering van het groepsrisico moeten worden vermeld. Verder dienen in de toelichting de maatregelen ter beperking van het groepsrisico, die door de exploitant kunnen worden getroffen, worden vermeld. Voorstel om hier te vermelden dat het terrein van de camping zodanig wordt ingericht dat zo weinig mogelijk kampeerplaatsen binnen het invloedsgebied kunnen worden gerealiseerd. Eveneens moeten andere mogelijkheden met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan worden vermeld. Verantwoording De voorliggende notitie bevat de verantwoording. Bij deze verantwoording zijn de onderzoeksadviezen Van Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) en Veiligheidsregio Drenthe betrokken. Groepsrisico LPG Binnen het invloedsgebied van het tankstation, moet het groepsrisico worden verantwoord. Het invloedsgebied bedraagt circa 150 meter vanaf het LPG-vulpunt en vanaf het LPG-reservoir. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied. Het invloedsgebied wordt voor LPG gevormd door de 100% letaliteitszone en is gebaseerd op tabel 1 van bijlage 2 van het Revi. De scenario's zijn een optredende Bleve van de LPG-tankwagen en een afdrijvende gaswolk van een lekkend LPG-reservoir. Hoogte groepsrisico (bestaand): In de LPG-rekentool is de hoogte van het groepsrisico voor de bestaande situatie en voor de nieuwe situatie inclusief het initiatief van de minicamping beoordeeld. De hoogte van het groepsrisico bedraagt voor de bestaande situatie circa 5,4% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Toename groepsrisico: Ten opzichte van de huidige situatie neemt het groepsrisico vanwege de ontwikkeling van een kampeerterrein met circa 14 standplaatsen toe. Het invloedsgebied ligt namelijk niet over gehele camping. De hoogte van groepsrisico bedraagt voor de nieuwe situatie circa 11,3% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Het gaat dus om een toename van circa 6%. Het groepsrisico inclusief de minicamping blijft ruimschoots beneden de oriëntatiewaarde. Maatgevend scenario: Bij een LPG-tankstation is het meest risicovolle moment het lossen van LPG. Op dat moment is een aantal scenario's mogelijk: - Fakkelbrand - Koude BLEVE als gevolg van impact - Warme BLEVE als gevolg van brand - Gaswolkbrand Het maatgevende scenario voor een LPG tankstation is het scenario warme BLEVE. De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden daarom beschouwd vanuit dit scenario.

61 Het scenario warme BLEVE verloopt als volgt: - Als gevolg van een brand wordt de LPG-tankwagen aangestraald. Als gevolg van de hitte warmt de tank op en bezwijkt. - Er ontstaat een vuurbal met een diameter van 160 meter en een hoogte van 240 meter. - De gevolgen zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking. - De hittestraling leidt tot secundaire branden in de omgeving en tot (dodelijke) slachtoffers - De overdruk leidt tot verwoesting en/of ernstige schade aan gebouwen. - De scherfwerking leidt tot schade aan gebouwen en tot (dodelijke) slachtoffers Bestrijdbaarheid De mate van bestrijdbaarheid hangt af van het soort LPG tankwagen dat LPG lost. Als er sprake is van een LPG-tankwagen met brandwerende coating, is een BLEVE pas na 75 minuten te verwachten. Wanneer er geen gecoate tankwagen is, treedt een BLEVE op binnen 20 minuten. De opkomsttijd van de brandweer bedraagt op deze locatie ongeveer 11 minuten. Dat maakt de mogelijkheden om op te treden erg lastig bij een tankwagen zonder brandwerende coating. Gezien de huidige geprojecteerde toegangsweg naar de camping zijn de mogelijkheden van de brandweer om reddend op te treden bij een dreigende BLEVE minimaal. Er is slechts 1 toegangsweg die vlak langs het vulpunt leidt en daardoor bij een dreigende BLEVE onbruikbaar is. Zelfredzaamheid Er zijn twee opties ten aanzien van zelfredzaamheid: 1. Schuilen 2. Vluchten Ten aanzien van schuilen, moet geconcludeerd worden dat schuilen in kampeermiddelen op zo'n korte afstand van het tankstation niet effectief is en leidt tot (dodelijke) slachtoffers. Ten aanzien van vluchten moet geconcludeerd worden dat de huidige vluchtroute langs het tankstation leidt en daardoor naar verwachting onbruikbaar is. Zelfredzaamheid van mensen die op de camping aanwezig zijn is daardoor slecht. Gezien de korte afstand van de camping tot het LPG-tankstation is de kans reëel dat bij een BLEVE dodelijke slachtoffers vallen. Voor personen die nog op de camping zijn op het moment dat een warme BLEVE zich voordoet geldt: De helft van de aanwezige campinggasten overlijdt als gevolg van het incident. De andere helft raakt gewond (variërend van zwaar- tot lichtgewond). Schade op de camping bij een warme BLEVE De afstand van het vulpunt tot aan de uiterste rand van de camping bedraagt ongeveer 260 meter. Het grootste gedeelte van de camping bevindt zich in de zone waarin brand ontstaat door de hittestraling. Bijna alle op het terrein aanwezige kampeermiddelen zullen naar verwachting verbranden. Daarnaast ontstaat schade door de drukgolf die ontstaat. Dit is echter in hetzelfde gebied waar kampeermiddelen in brand raken door hittestraling. Maatregelen door exploitant Wanneer de beoogde ontwikkeling gerealiseerd wordt, is er een aantal maatregelen waarmee het risico verminderd kan worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen waarbij de kans op een incident wordt verkleind (bronmaatregelen) en maatregelen waarmee het effect van een incident zoveel mogelijk wordt beperkt (effectmaatregelen). Bronmaatregelen: Een aantal bronmaatregelen die in dergelijke situaties getroffen kan worden is al aanwezig: - De losplaats voor LPG is geïsoleerd, waardoor de kans op aanrijdingen is verkleind. - De doorzet van LPG is al beperkt.

62 Andere mogelijke maatregelen zijn: - Maak gebruik van tankwagens met brandwerende coating. Dit gebeurt in principe al, maar is nog niet te borgen in de omgevingsvergunning. - Maak gebruik van de verbeterde vulslang. Dit gebeurt in principe al, maar is nog niet te borgen in de omgevingsvergunning. - LPG en brandbare vloeistoffen nooit gelijktijdig laten lossen. Een incident bij het lossen van brandbare vloeistoffen kan dan niet leiden tot een situatie waarbij de LPG-tankwagen wordt aangestraald en een dreigende BLEVE ontstaat. Effectmaatregelen - Realiseer een vluchtweg waarbij van de risicobron af gevlucht kan worden. Zowel voor de ontvluchting van campinggasten als de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten is dit een belangrijke effectmaatregel. - Communiceer actief met campinggasten over hun handelingsperspectief bij incidenten bij het tankstation. Het enige juiste handelingsperspectief is vluchten. - Zorg dat campinggasten snel gewaarschuwd kunnen worden. Door snelle waarschuwing wordt de kans op slachtoffers kleiner.

63 Bijlage 6 Onderzoek Externe Veiligheid bestemmingsplan "Nieuw-Weerdinge, Weerdingerkanaal NZ 228 (mini-camping)" (vastgesteld) 63

64 Onderzoek Externe Veiligheid Bestemmingsplan Camping Keuter, Drentse Mondenweg 7 te Nieuw Weerdinge Gemeente Emmen RUD Drenthe Team advies Henk Zwiers 11 september 2015 Tel.: Versie: definitief Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 1

65 Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 2

66 INHOUD 1 Inleiding Extern Veiligheidsonderzoek Ligging van het plangebied Situatie externe veiligheid 4 2 Externe Veiligheid Plaatsgebonden risico (PR) Groepsrisico Verantwoordingsplicht groepsrisico 7 3 LPG-tankstation Tankstation gegevens Risicoberekening Plaatsgebonden risico LPG Groepsrisico LPG Hoogte groepsrisico (bestaand) Toename groepsrisico Verantwoording Groepsrisico 11 4 Conclusies en aanbevelingen 12 Bijlage: Rapportage LPG-rekentool 13 Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 3

67 1 Inleiding 1.1 Extern Veiligheidsonderzoek Bij de gemeente Emmen is een verzoek binnengekomen om een bestemmingsplan te wijzigen. De wijziging heeft betrekking op een camping op het perceel Drentse Mondenweg 7 te Nieuw Weerdinge. De initiatiefnemer is voornemens hier een zogenaamde minicamping te realiseren met maximaal 25 standplaatsen. In verband met het aspect externe veiligheid heeft de gemeente de RUD Drenthe verzocht hierover te adviseren. Het team advies heeft dit verzoek in behandeling genomen en heeft voor dit bestemmingsplan een risicoanalyse uitgevoerd. De uitkomst van de risicoanalyse is in dit advies verwerkt. 1.2 Ligging van het plangebied De ligging van het plangebied van de camping is in onderstaande figuur weergegeven. Planlocatie Figuur 1. Plangebied Drentse Mondenweg 7 Het plangebied heeft momenteel een bestemming Agrarisch. Deze bestemming dient te worden gewijzigd, zodanig dat een minicamping op deze locatie kan worden gerealiseerd. 1.3 Situatie externe veiligheid Het bestemmingsplan is relevant voor het aspect externe veiligheid in verband met de aanwezigheid van een LPG-tankstation. Het tankstation ligt in zuidoostelijke richting van de camping. Het gaat hier om het Tankstation Grooten, gevestigd aan het Weerdingerkanaal NZ 231. Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 4

68 LPG-Tankstation Figuur 2. Ligging LPG-tankstation Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig die relevant zijn voor deze ruimtelijke procedure. Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 5

69 2 Externe Veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen, zoals LPG-tankstations is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Het huidige beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of het water staat beschreven in Besluit externe veiligheid transport (Bevt). Het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. 2.1 Plaatsgebonden risico (PR) Voor het plaatsgebonden geldt een grenswaarde 10-6 per jaar. De grenswaarde geldt voor kwetsbare objecten. Daarnaast geldt voor het plaatsgebonden risico een richtwaarde 10-6 per jaar. De richtwaarde geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Definitie: Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats nabij een inrichting met gevaarlijke stoffen, uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. 2.2 Groepsrisico Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers voorkomt. Voor het groepsrisico geldt geen richt- of grenswaarde. Het groepsrisico wordt daarentegen afgezet tegen een oriëntatiewaarde en wordt bepaald binnen het invloedsgebied. In de meeste gevallen wordt het invloedsgebied begrensd op de 1% letaliteitzone. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin de groepsgrootte in aantallen wordt uitgezet tegen de kans dat een dergelijke groep het slachtoffer wordt van een ongeval. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De oriëntatiewaarde is een ijkpunt in een systeem waarin gezocht moet worden naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Dit systeem (verantwoording groepsrisico) heeft als doel: - het zoeken van veiligheidsmaatregelen die bij de risicobron kunnen worden getroffen, - regulerend te werken naar concentraties mensen in de omgeving van een risicobron, Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 6

70 - indicatie te geven voor de maatschappelijke ontwrichting, het aantal slachtoffers of de maatschappelijke kosten die door een ramp veroorzaakt kunnen worden, - indicatie te geven voor de mogelijkheden van hulpdiensten, - alternatieven vergelijkbaar te maken. 2.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Bij de verantwoordingsplicht gaat het om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, nog acceptabel zijn. Daarbij moet worden afgewogen, welke veiligheid verhogende maatregelen moeten of kunnen worden toegepast. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten als de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking. De Veiligheidsregio Drenthe (VRD) heeft eveneens een rol in de verantwoordingsplicht. De wetgever heeft namelijk verplicht gesteld dat in het kader van de verantwoording van het groepsrisico een advies bij de VRD moet worden gevraagd. De VRD adviseert over de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en de zelfredzaamheid. Het advies van de VRD dient in de verantwoording van het groepsrisico te worden betrokken. Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 7

71 3 LPG-tankstation Voor het LPG-tankstation zijn de normen voor externe veiligheid in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vastgelegd. De regels voor LPGinstallaties zijn op basis van het Bevi uitgewerkt in de Ministeriële regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). 3.1 Tankstation gegevens Het LPG-tankstation heeft een geldige omgevingsvergunning, waarin de doorzet van LPG is beperkt tot maximaal 500 m 3 per jaar. LPG wordt opgeslagen in een ondergronds reservoir met een inhoud van 20 m Risicoberekening Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation ligt, moet op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) aan het plaatsgebonden risico worden getoetst en moet het groepsrisico worden beoordeeld. Voor het uitvoeren van deze risicoanalyse is gebruik gemaakt van de LPG-rekentool ( 3.3 Plaatsgebonden risico LPG Voor externe veiligheid zijn de volgende LPG-installaties van belang, namelijk het LPG-vulpunt, het LPG-reservoir en het LPG-afleverpunt. Op grond van het Revi gelden rondom deze installaties plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6 ). Het gaat in de wijziging van dit bestemmingsplan om een nieuwe situatie en gelden de afstanden van paragraaf 2 van het Revi, in het bijzonder tabel 1 van bijlage 1 van het Revi. Met de volgende afstanden moet rekening worden gehouden. LPG-installatie Contour PR10-6 Invloedsgebied LPG-vulpunt 45 meter 150 meter LPG-reservoir 25 meter 150 meter LPG-afleverpunt 15 meter Nvt. Op de figuur hierna zijn de contouren voor het plaatsgebonden risico 10-6 weergegeven. Figuur 3. Plaatsgebonden risico 10-6 LPG-tankstation Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 8

72 In deze figuur is af te lezen dat de contouren van het LPG-vulpunt en afleverpunt het plangebied niet raken. De PR-contour van het LPG-reservoir ligt daarentegen wel gedeeltelijk over het plangebied. Daarbij ligt de contour binnen het plangebied over twee objecten, zijnde een overkapping en een schuurtje (huidige situatie). De inrichtingsgrens van de camping is bepalend voor de overschrijding. De grens van het plangebied mag binnen de PR-contour liggen, mits de grens van de camping duidelijk in het bestemmingsplan aangegeven is. Kampeerterreinen waar maximaal 50 personen gedurende een langere periode verblijven worden aangemerkt als beperkt kwetsbare objecten. Het betreft hier een minicamping waar maximaal 25 kampeerplaatsen worden toegestaan. Deze camping wordt daarom aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Volgens de tekening zijn er 28 kampeerplaatsen mogelijk, maar deze zullen moeten worden teruggebracht tot maximaal 25. Het gemeentelijk beleid omtrent minicampings stelt dit namelijk ook als eis. Omdat de PR-contour gedeeltelijk binnen het plangebied van de camping ligt en de grens van de inrichting niet zichtbaar is, wordt de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar overschreden. Overschrijding van de richtwaarde is toegestaan mits dit in de toelichting wordt gemotiveerd. Voorstel is om de grens van de inrichting van de minicamping aan te passen zodat deze niet binnen de PR-contour ligt. Overschrijding van de richtwaarde is dan ook niet meer aan de orde. Is wijziging van de inrichtingsgrens niet mogelijk, zal moeten worden geborgd dat de twee objecten die binnen de PR-contour liggen niet als verblijfsruimte worden bestemd. Het gebruik als een overkapping voor de opslag van materialen kan wel worden toegestaan. Verblijfsobjecten, in de vorm van een receptie en sanitair gebouw, zoals op de inrichtingstekening is vermeld, zijn dus niet toegestaan. Tevens dient te worden geborgd dat binnen de contour geen kampeermiddelen worden gerealiseerd. Het gedeelte van het terrein dat binnen de PR-contour ligt, kan eventueel als een parkeerterrein van de camping of als een groenvoorziening worden, ingericht indien de grens van de inrichting niet kan worden gewijzigd. 3.4 Groepsrisico LPG Binnen het invloedsgebied van het tankstation, zoals in de figuur hierna is weergegeven, moet het groepsrisico worden verantwoord. Het invloedsgebied bedraagt circa 150 meter vanaf het LPG-vulpunt en vanaf het LPG-reservoir. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied. Het invloedsgebied wordt voor LPG gevormd door de 100% letaliteitszone en is gebaseerd op tabel 1 van bijlage 2 van het Revi. De scenario s zijn een optredende Bleve van de LPG-tankwagen en een afdrijvende gaswolk van een lekkend LPGreservoir. De tankwagens die de LPG-tankstations in Nederland bevoorraden zijn Bleve-resistent uitgevoerd. De LPG-tankwagens zijn in Nederland hittewerend uitgevoerd. Zij voeren het kenmerk BR op de tankwagen. Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 9

73 Echter deze veiligheidsmaatregel maatregel kan op dit moment vanwege Europese regels nog niet in omgevingsvergunningen worden vastgelegd. Figuur 4. Ligging invloedsgebied LPG-tankstation Binnen het invloedsgebied is de populatiegrootte bepaald met behulp van de BAG Populatie service. De invoerdata voor de bepaling van de hoogte en de verandering van het groepsrisico is in de bijlage opgenomen Hoogte groepsrisico (bestaand) In de LPG-rekentool is de hoogte van het groepsrisico voor de bestaande situatie en voor de nieuwe situatie inclusief het initiatief van de minicamping beoordeeld. De hoogte van het groepsrisico bedraagt voor de bestaande situatie circa 5,4% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico Toename groepsrisico Ten opzichte van de huidige situatie neemt het groepsrisico vanwege de ontwikkeling van een kampeerterrein met circa 14 standplaatsen toe. Het invloedsgebied ligt namelijk niet over gehele camping. De hoogte van groepsrisico bedraagt voor de nieuwe situatie circa 11,3% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Het gaat dus om een toename van circa 6%. Het groepsrisico inclusief de minicamping blijft ruimschoots beneden de oriëntatiewaarde. Advies externe veiligheid Bestemmingsplan Drentse Mondenweg 7 10