PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN"

Transcriptie

1 Conclusie Nr Derde Kamer (A) Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2002 PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN MR. J.A.C.A. OVERGAAUW ADVOCAAT-GENERAAL Conclusie van 17 juli 2007 inzake: DE MINISTER VAN FINANCIËN TEGEN X 1. Feiten en procesverloop 1.1. Belanghebbende drijft sinds 1 januari 1996 tezamen met haar echtgenoot een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam B v.o.f. (hierna: de VOF). De VOF heeft als doel het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een bloemenhandel. Op grond van de vennootschapsakte deelt belanghebbende voor 30% in de winst van de VOF en haar echtgenoot voor 70% De VOF maakt gebruik van een bedrijfsruimte die is verbonden aan de woning van belanghebbende en haar echtgenoot. De bedrijfsruimte behoort tot het privé-vermogen van de vennoten. In verband met het gebruik van de bedrijfsruimte worden in de jaarrekening van de VOF respectievelijk bij de fiscale winstberekening van de vennoten de volgende kosten ten laste van de winst gebracht: Afschrijving geactiveerde verbouwingen en inventaris(1): Gebruiksvergoeding bedrijfsruimte: Huisvestingskosten: Energiekosten Heffingen 470 Verzekeringen 107 Onderhoudskosten Tot het wagenpark van de VOF behoren in het jaar 2002 onder meer een C (van 1 januari tot 20 november) en een D (vanaf 20 november) (hierna: de bestelauto's),(2) die de vennoten ook ter beschikking staan voor privé-doeleinden In oktober 2004 is bij de VOF een boekenonderzoek ingesteld opdat de belastingdienst zich een oordeel kon vormen over de aangiften omzetbelasting, loonbelasting en inkomstenbelasting over het jaar Naar aanleiding van dat onderzoek zijn voor de inkomstenbelasting een tweetal correcties gemaakt: - de huisvestingskosten ad zijn niet in aftrek aanvaard, omdat belanghebbende geen rekening heeft gehouden met de aftrekbeperking ex artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 (hierna: geschilpunt 'huisvestingskosten');

2 - met betrekking tot de bestelauto's is ter zake van privé-gebruik auto als bedoeld in artikel 3.20 van de Wet IB 2001 een bedrag van bijgeteld (hierna: geschilpunt 'bijtelling privé-gebruik auto') De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen was berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van Als gevolg van bovenstaande correcties is een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van Afgesproken is dat de gehele correctie in aanmerking wordt genomen bij belanghebbende.(3) 1.6. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd Belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank(4) heeft bij mondelinge uitspraak van 2 september 2005 belanghebbende in het gelijk gesteld met betrekking tot het geschilpunt 'huisvestingskosten' De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft op haar beurt met betrekking tot geschilpunt 'bijtelling privégebruik auto' incidenteel hoger beroep ingesteld Het Hof(5) heeft bij uitspraak van 25 augustus 2006 het incidentele beroep gegrond verklaard en het principale beroep ongegrond verklaard, en heeft daarmee dus belanghebbende met betrekking tot beide geschilpunten in het gelijk gesteld. 2. Uitspraak van het Hof en cassatiemiddelen 2.1. De Minister van Financiën (hierna: de Minister) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en heeft twee cassatiemiddelen voorgesteld Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot het geschilpunt 'huisvestingskosten' Het Hof heeft in zijn oordeel naar de gronden van de Rechtbank verwezen. De Rechtbank is op grond van de parlementaire geschiedenis tot het oordeel gekomen dat: "(...) de wetgever heeft bedoeld de aftrekbeperking van artikel 3.17, lid 1, letter c van de Wet IB2001 in het onderhavige geschil slechts van toepassing te laten zijn op de kale huurlasten van de werkruimte. De rechtbank leidt dit met name af uit de in de parlementaire geschiedenis gebruikte terminologie, zoals "fictief huurbedrag" en doel en strekking van de regeling zoals beschreven in de onder 2.2. vermelde passages uit de parlementaire geschiedenis. De grammaticale interpretatie van de in artikel 3.17, lid 1, letter c gebezigde term "gebruiksvergoeding" is een bevestiging van dit standpunt. (...) De in de jaarrekening opgenomen overige huisvestingskosten, niet zijnde huurlasten, ten bedrage van 2.914,=, die, naar niet in geschil is, op grond van artikel 3.16 niet van aftrek zijn uitgesloten, worden naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet beperkt door artikel 3.17, lid 1, letter c van de Wet IB2001 en kunnen derhalve volledig in aftrek worden gebracht als ondernemingskosten Nu de rechtbank reeds op grond van de parlementaire geschiedenis oordeelt dat de beperking van artikel 3.17, lid 1, letter c van de Wet IB2001 onder de gegeven omstandigheden slechts betrekking heeft op de kale huurlasten, gaat de rechtbank voorbij aan

3 verweerders standpunt dat de passage "onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16" in de aanhef van artikel 3.17 van de Wet IB2001 inhoudt dat artikel 3.17 van de Wet IB2001 een extra beperking oplegt aan artikel 3.16 van de Wet IB2001. Om diezelfde reden gaat de rechtbank voorbij aan verweerders standpunt dat nu zowel artikel 3.16 als 3.17 van de Wet IB2001 spreekt over "kosten en lasten die verband houden met" de regeling van 3.17 van de Wet IB2001 analoog aan de regeling van 3.16 van de Wet IB2001 moet worden toegepast." 2.4. Het middel stelt dat het Hof ten onrechte tot zijn oordeel is gekomen, omdat uit de aanhef van het eerste lid van artikel 3.17 van de Wet IB 2001 naar voren komt dat de aftrekbeperking ziet op alle kosten en lasten die verband houden met tot het privé-vermogen behorende bezittingen Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot het geschilpunt 'bijtelling privé-gebruik auto' Dit oordeel van het Hof luidt: "4.3. Het Hof heeft kennis genomen van foto's van de inrichting van de bestelauto's. In het goederencompartiment van de bestelauto's zijn stellages voor het vervoer van bloemen en planten (vast) bevestigd. Het Hof is op grond hiervan, alsmede gezien de omvang van de bestelauto's, van oordeel dat de bestelauto's (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor het vervoer van goederen. Het feit dat er een tweede stoel in de bestuurderscabine aanwezig is, bestemd voor de bijrijder of hulp bij het laden en lossen van bloemen en planten, maakt niet dat geen sprake meer is van een auto die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen." 2.7. Het middel voert aan dat het Hof met dit oordeel artikel 3.20, eerste en vijfde lid, van de Wet IB 2001 en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden, omdat niet is vastgesteld dat het gedeelte dat geschikt is voor vervoer van goederen 90% of meer van de totale omvang van de bestelauto omvat. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. De vraag die voor de beoordeling van het eerste middel dient te worden beantwoord, is of de beperking van kostenaftrek ingevolge artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de Wet IB 2001 (hierna: artikel aanhef/c Wet IB 2001) ook van toepassing is op de onderhavige 'huisvestigingskosten'. Ofwel: kunnen behalve een gemaximeerde gebruiksvergoeding voor de in de onderneming van belanghebbende gebruikte maar tot zijn privé-vermogen behorende bedrijfsruimte ook nog andere kosten in mindering op de winst strekken? Ofwel: heeft artikel aanhef/c Wet IB 2001 een enge reikwijdte (waardoor alleen de kostenaftrek voor de 'economische huurwaarde' van de bedrijfsruimte onder de aftrekmaximering valt) of een ruime reikwijdte (waardoor ook de 'huisvestigingskosten' onder de aftrekmaximering vallen)? Afbakening 3.2. De problematiek van het gebruik in een onderneming van een niet tot een ondernemingsvermogen behorende bedrijfsruimte kan vragen op roepen over het al dan niet van toepassing zijn van de zogenaamde terbeschikkingsstellingsregeling (artikel 3.91 van de Wet IB 2001). Nu noch belanghebbende, noch de Inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, ga ik ervan uit dat deze niet van toepassing is en ga ik verder niet in op deze regeling.

4 3.3. Ook de zogenaamde werkruimteproblematiek kan relevant zijn in een situatie als onderhavige. De vraag naar de reikwijdte van artikel aanhef/c Wet IB 2001 komt pas aan de orde, wanneer de aftrek van kosten niet reeds afstuit op de voet van artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB Deze laatste bepaling heeft voorrang op artikel 3.17 van de Wet IB 2001, gelet op de in de aanhef van het eerste lid van artikel 3.17 gebezigde zinsnede 'onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16'.(6) In casu is echter slechts de toepassing van artikel 3.17 van de Wet IB 2001 tussen partijen in geschil.(7) De wettelijke bepaling (oud en nieuw) 3.4. Bij Veegwet Wet IB 2001 is onderdeel c toegevoegd aan het eerste lid van artikel 3.17 van de Wet IB 2001.(8) Deze bepaling luidt - voorzover van belang - als volgt voor het jaar 2002: "1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek: (...) c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende bezittingen, andere dan personenauto's als bedoeld in onderdeel b: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming. (...)" 3.5. Nadat eerst nog de term 'personenauto's' was vervangen door de term 'vervoermiddelen',(9) is onderdeel c van het eerste lid van artikel 3.17 van de Wet IB 2001 met ingang van 1 januari 2005 gewijzigd.(10) De tekst van de bepaling luidt - voorzover van belang - thans: "1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek: (...) c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde bezittingen, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b: 1. indien de bezittingen tot het privé-vermogen behoren: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen; 2. indien de bezittingen in privé zijn gehuurd: een gebruiksvergoeding van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. (...)" Parlementaire geschiedenis invoering artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001

5 3.6. Artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 vindt zijn oorsprong in een advies van de Raad van State om in een dergelijke regeling te voorzien met de invoering van (het boxensysteem van) de Wet IB "a. Keuzevermogen Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) staat het de ondernemer vrij binnen de grenzen der redelijkheid zelf te bepalen welke vermogensbestanddelen hij tot zijn ondernemingsvermogen wil rekenen. De Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) heeft hierin uiteindelijk geen wijziging gebracht (kamerstukken II 1999/2000, , nr. 89, blz. 9). (...) Indien bij keuzevermogen het vermogensbestanddeel tot het privévermogen wordt gerekend, zou bij de winstbepaling steeds rekening gehouden moeten worden met een (fictieve) gebruiksvergoeding voor het vermogensbestanddeel teneinde de (totale) winst juist te berekenen. (...) De invoering van het boxenstelsel brengt mee dat bij verkeer tussen de boxen de daarmee samenhangende (fictieve) vergoedingen at arm's lenght-basis in aanmerking worden genomen teneinde de box-inkomens zo zuiver mogelijk te bepalen. Ook onder de Wet IB 2001 geldt als uitgangspunt, dat als winst uit onderneming alleen de voordelen die worden verkregen uit onderneming worden belast. Indien een voordeel opkomt uit hoofde van een niet-zakelijke verhouding dient de winst daarvoor te worden gecorrigeerd. Zonder het in aanmerking nemen van een (fictieve) gebruiksvergoeding zou de winst uit onderneming op grond van een nietzakelijke verhouding tot een te hoog bedrag worden bepaald. De winst dient dus te worden verminderd met een gebruiksvergoeding die naar redelijkheid en billijkheid door een derde in rekening zou zijn gebracht (kamerstukken II 1999/2000, , nr. 19, blz. 29).(11) In onder meer de zogenoemde kostenarresten (HR 12 februari 1959, BNB 1959/116; HR 10 december 1958, BNB 1959/51; HR 18 november 1959, BNB 1959/386) en de informele kapitaalarresten (HR 8 juli 1986, BNB 1986/ ) wordt de correctie van de winst op grond van nietzakelijke verhoudingen tussen ondernemer en familieleden of tussen aandeelhouder en vennootschap alleen aanvaard indien de correctie qua omvang als bate belast kan worden. In het nader rapport is uiteengezet dat het advies van de Raad om deze inbreuk op het totale winstbegrip te herstellen, niet wordt gevolgd (kamerstukken II 1998/99, , A, punt 25). Deze jurisprudentie heeft ook uitstraling naar de tussen de boxen in aanmerking te nemen fictieve verrekenposten, omdat ook bij zo'n fictieve verrekening geen sprake is van een genietingsmoment en niet de (fictieve) gebruiksvergoeding maar de waarde van het tot het privévermogen gerekende vermogensbestanddeel in de vermogensrendementsheffing wordt betrokken. Bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is "heen en weer gaande" aandacht besteed aan de gevolgen voor de winstbepaling bij inzet van privé-vermogensbestanddelen. Uiteindelijk is alles bij het oude gebleven. De wijze waarop de hiervoor geschetste winstcorrecties zullen worden verwerkt, dient echter niet aan de rechtspraak te worden overgelaten maar moet in de Wet IB 2001 zelf worden geregeld. De hiervoor genoemde jurisprudentie gaat voor de vraag of en tot welk bedrag de winstcorrectie belast kan worden uit van de positie van de niet-ondernemer; afhankelijk van de bate die bij hem belast kan worden, wordt aftrek van de winst aanvaard. Voortbouwend op deze rechtspraak en ervan uitgaande dat het merendeel van de gebruiksvergoedingen gerelateerd is aan de periode van gebruik zou geen hogere gebruiksvergoeding ten laste van de winst uit onderneming gebracht mogen worden dan een tijdsevenredig bepaald gedeelte van 4% van de rendementsgrondslag van het vermogensbestanddeel dat tot het privévermogen is gerekend. Indien het tot het privévermogen gerekende vermogensbestanddeel is vrijgesteld in box III, zou de gebruiksvergoeding niet ten laste van de winst gebracht kunnen worden. De inbreuk op het

6 totale winstbegrip zou voor deze gevallen aanvaard moeten worden teneinde de aftrekpost qua omvang in evenwicht te houden met de belastbare bate."(12) 3.7. De Staatssecretaris nam het advies van de Raad van State ter harte:(13) "a. Keuzevermogen (...) Het is duidelijk dat onder de Wet inkomstenbelasting 2001 voordelen zijn te behalen met een winstaftrek voor een fictieve vergoeding in box I zonder dat dit leidt tot een overeenkomstige heffing in box III ter zake van vermogensbestanddelen waar de fictieve gebruiksvergoeding betrekking op heeft. Om onbedoelde effecten van het boxensysteem in de vorm van arbitrage aan te pakken en daarnaast te voorkomen dat onduidelijkheid voor de praktijk ontstaat op het punt van de verwerking van winstcorrecties, heb ik de eerste suggestie van de Raad overgenomen. Dit houdt in dat voorzover aftrek van kosten niet om andere redenen is beperkt of uitgesloten, een - fictieve - gebruiksvergoeding voor vermogensbestanddelen die vanuit de privé-sfeer aan de onderneming ter beschikking worden gesteld, als kosten van de onderneming in aanmerking wordt genomen tot maximaal de mate waarin deze vermogensbestanddelen bij de berekening van het forfaitair rendement in aanmerking worden genomen. Op deze wijze wordt een evenwicht tussen hetgeen wordt belast en hetgeen in aftrek wordt gebracht gehandhaafd."(14) 3.8. In de memorie van toelichting wordt onder andere opgemerkt: "De Raad van State heeft terecht aandacht gevraagd voor de arbitrageproblematiek die (...) kan ontstaan bij mede in de onderneming gebruikte vermogensbestanddelen die door de ondernemer tot zijn privévermogen worden gerekend. Zonder de voorgestelde maatregel zou het mogelijk zijn dat een ondernemer een fictieve gebruiksvergoeding ter zake van dergelijke vermogensbestanddelen ten laste het resultaat brengt terwijl de daar eventueel tegenover staande heffing over het voordeel uit sparen en beleggen niet opweegt tegen de door die aftrekpost ontstane vermindering van de heffing over inkomen uit werk en woning. Dit effect zou in het verlengde van bestaande rechtspraak eigenlijk niet mogen optreden. Het is bovendien niet wenselijk deze problematiek aan de rechtspraak over te laten. Daarom is met behulp van een wettelijke maatregel duidelijkheid gecreëerd. De genoemde potentiële arbitragemogelijkheid is geneutraliseerd door de aftrekmogelijkheid te beperken tot het bedrag van het in box III in aanmerking te nemen voordeel uit sparen en beleggen ter zake van de desbetreffende vermogensbestanddelen."(15) en "Met dit onderdeel c wordt beoogd de nodige duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de verwerking van winstcorrecties dient plaats te vinden ingeval de belastingplichtige vanuit de privé-sfeer bezittingen ter beschikking stelt aan zijn onderneming. Tevens wordt hiermee beoogd de arbitrage die mogelijk is vanwege het grondslag- en tariefverschil tussen box I en box III, tot op zekere hoogte weg te nemen; tot op zekere hoogte omdat het voorstel om redenen van eenvoud niet voorziet in een correctie van het tariefverschil. Het voorstel leidt ertoe dat een - fictieve - gebruiksvergoeding voor het gebruik van bezittingen in de onderneming, als kosten van de onderneming in aanmerking wordt genomen tot ten hoogste het bedrag dat als voordeel uit sparen en beleggen ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen. (...)"(16) 3.9. Verder in de nota naar aanleiding van het verslag terzake onder andere: "B. Behandeling keuzevermogen

7 De leden van de fracties van de PvdA en van de VVD vragen om in te gaan op het commentaar van de Orde waarin wordt gesteld dat de beperking van de aftrek voor de gebruiksvergoeding voor door de ondernemer aan de onderneming ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen, de regels van de vermogensetikettering doorbreekt met name op het punt van de keuzevrijheid.(17) Mijn reactie hierop is dat de voorgestelde regeling beoogt de nodige duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de verwerking van winstcorrecties dient plaats te vinden ingeval de belastingplichtige vanuit de privé-sfeer bezittingen ter beschikking stelt aan zijn onderneming. Tevens wordt beoogd de arbitrage die mogelijk zou zijn vanwege het grondslag- en tariefverschil tussen box I en box III, zo veel mogelijk weg te nemen. De regeling heeft dan ook geen invloed op de vraag of een bezitting al dan niet kan worden aangemerkt als keuzevermogen. (...) In dit verband vragen de leden van de PvdA-fractie naar de financiële consequenties van de regeling ten opzichte van de huidige regeling. Met de regeling wordt bereikt dat de fictieve gebruiksvergoeding ten hoogste in aanmerking wordt genomen voor het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van de in de onderneming gebruikte bezittingen in aanmerking wordt genomen. Dit om in navolging van het advies van de Raad van State op dit punt, onder de Wet inkomstenbelasting 2001 evenwicht te bereiken tussen de aftrek van de fictieve gebruiksvergoeding bij de onderneming en de belastingheffing in box III vanwege het in gebruik geven van de bezitting aan de onderneming. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is dat evenwicht op een andere manier bereikt. Tegenover het in aftrek toelaten van een fictieve gebruiksvergoeding ter grootte van de economische huurwaarde wordt diezelfde huurwaarde, waarop overigens wel kosten en afschrijvingen in mindering kunnen worden gebracht, in de progressieve belastingheffing betrokken voor het in gebruik geven van de bezitting. De voorgestelde bepaling rond het keuzevermogen voorkomt een budgettaire derving die zou kunnen optreden door het verbreken van dit evenwicht. (...) De leden van de VVD-fractie stellen een vraag over de memorie van toelichting. Daarin is opgemerkt dat in het verlengde van de rechtspraak niet het effect zou mogen optreden dat tegenover het belastingvoordeel van de aftrek van een fictieve verbruiksvergoeding een heffing over het corresponderende voordeel staat die daar niet tegen opweegt. Zij vragen op welke rechterlijke beslissing hierbij is gedoeld. Hierbij is gedacht aan de zogenoemde "kostenarresten". Uit die arresten blijkt bijvoorbeeld dat indien een aandeelhouder/natuurlijk persoon het lichaam bevoordeelt waarin hij aandeelhouder is, waardoor de kosten van dat lichaam lager zijn dan bij een transactie met een willekeurige derde, de kosten slechts aftrekbaar zijn tot het in werkelijkheid betaalde bedrag. De reden hiervoor is dat de natuurlijke persoon ook slechts voor het daadwerkelijk ontvangen bedrag in de heffing kan worden betrokken. Deze evenwichtsgedachte tussen de aftrekbaarheid en belastbaarheid ligt ook ten grondslag aan de voorgestelde behandeling van het keuzevermogen: het bedrag van de aftrekbare kosten in de winstsfeer wordt beperkt tot de heffingsgrondslag in box III."(18) Reikwijdte van artikel aanhef/c Wet IB 2001: verschillende gezichtspunten De vraag naar de reikwijdte van artikel aanhef/c Wet IB 2001 kan vanuit verschillende perspectieven worden benaderd. Ik ga hieronder op deze perspectieven in. Ik merk hier reeds op dat deze perspectieven verschillende en soms tegenstrijdige gezichtspunten opleveren. Eerst ga ik echter kort in op de basisconceptie en de uitwerking ervan onder de Wet IB Basisconceptie en uitwerking onder de Wet IB 1964

8 3.11. De basisconceptie voor de behandeling voor de inkomstenbelasting van een bedrijfsruimte die in de onderneming van een belastingplichtige wordt gebruikt maar die tot het privé-vermogen van die belastingplichtige behoort, is in hoofdlijnen als volgt.(19) Aan de privé-kant kan worden geconstateerd dat de belastingplichtige voordeel heeft van de tot zijn privé-vermogen behorende bedrijfsruimte, zij het dat dit voordeel wordt genoten door de bedrijfsruimte ter beschikking te stellen aan de onderneming. Aan de ondernemingskant is van belang dat de belastingplichtige voordeel geniet door het ter beschikking staan van de bedrijfsruimte, welk voordeel evenwel niet voortvloeit uit de tot het ondernemingsvermogen behorende activa of uit de ondernemingsactiviteiten Onder de Wet IB 1964 werd aan de privé-kant het voordeel in verband met de bedrijfsruimte - niet behorende tot zijn eigen woning in de zin van artikel 42a, eerste lid, van die wet - belast als inkomsten uit vermogen ter hoogte van de 'economische huurwaarde'.(20) Aan de ondernemingskant kon in principe een gelijk bedrag als de 'economische huurwaarde' ten laste van de winst worden gebracht teneinde tot de juiste (totale) winst te komen.(21) Aangezien de ten laste van de winst komende gebruiksvergoeding en het als inkomsten uit vermogen te belasten bedrag tegen elkaar wegvallen, bestond weinig aandacht voor de hoogte van de economische huurwaarde c.q. de gebruiksvergoeding, en werden alleen de direct met het gebruik van het vermogensbestanddeel samenhangende kosten in aftrek gebracht Tot slot zij het volgende opgemerkt met betrekking tot de aftrekbaarheid van andere kosten aan de ondernemingskant onder de Wet IB Indien artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, van de Wet IB 1964 van toepassing was, was de aftrek van alle kosten in verband met een werkruimte, waaronder de 'economische huurwaarde', uitgesloten.(22) Indien die bepaling op de werkruimte niet van toepassing was, was de aftrek van kosten verder niet beperkt. (23) Conceptueel gezien gaat het naast de 'economische huurwaarde' dan om de kosten die normaliter voor rekening van de 'huurder' komen; kosten die normaliter voor rekening van de 'verhuurder' komen, vallen aan de privé-kant en komen als zodanig niet in aftrek aan de ondernemingskant (maar kunnen wel verdisconteerd zitten in de 'economische huurwaarde'). Wettekst Aan de wettekst kunnen op zichzelf geen duidelijke argumenten worden ontleend voor het antwoord op de vraag of artikel aanhef/c Wet IB 2001 een ruime dan wel een enge reikwijdte heeft. Met een grammaticale interpretatie komt men niet ver. Van belang is met name de betekenis van 'verband houden met'. In onderdeel komt ik terug op de in de wet gebezigde term 'gebruiksvergoeding'. Wetsystematiek - 'verband houden met' De zinsnede 'kosten en lasten die verband houden met' is wegens de plaats in de aanhef ook van belang voor de onderdelen a en b van artikel 3.17, eerste lid van de Wet IB Verder komt de zinsnede bijvoorbeeld voor in de aanhef van het eerste lid van de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16 van de Wet IB 2001, welke artikelen eveneens op uitsluiting of beperking van kostenaftrek zien Het is (de betekenis van) deze zinsnede waar de Minister zich in zijn beroepschrift op beroept ten faveure van zijn voorgestelde cassatiemiddel. Stelling is namelijk dat 'verband

9 houden met' ruim dient te worden uitgelegd. Zie ook het standpunt van de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 7 juni 2004, V-N 2004/33.8: "1. Kosten van een werkruimte Vraag In artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001, zijn de "kosten en lasten die verband houden met de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen" van aftrek uitgesloten. Welke kosten worden hier bedoeld? Antwoord Het begrip "kosten en lasten die verband houden met de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen", dient ruim te worden geïnterpreteerd. Het gaat hierbij niet alleen om de kosten van de werkruimte zelf, maar ook om de kosten van onderhoud, behang- en schilderwerk, stoffering, de inventaris en energiekosten. (...) 2. Aftrekbeperking Vraag Hoe werkt de aftrekbeperking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001, uit als de uitsluiting van kostenaftrek voor een werkruimte (artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001) niet van toepassing is? Antwoord Evenals aftrekuitsluiting van artikel 3.16, eerste lid (zie vraag 1), geldt de aftrekbeperking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001, voor alle "kosten en lasten die verband houden met" een werkruimte. Op grond van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001, bedraagt het maximaal aftrekbare bedrag het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van de werkruimte in aanmerking wordt genomen. Andere bedragen worden niet in aanmerking genomen. Als ter zake van de werkruimte geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking wordt genomen, is de aftrek dus nihil. Bij een werkruimte in een huurwoning zal dit meestal het geval zijn." De Redactie Vakstudienieuws merkt in de aantekening op (zij het niet specifiek met betrekking tot de litigieuze bepaling): "Dat de betekenis van de woorden "die verband houden met" in ruime zin moet worden opgevat, is weinig opzienbarend. Dit is namelijk ook aangegeven bij de parlementaire behandeling van art. 8a en 8b Wet IB 1964 (zie Vakstudie IB 1964, art. 8b, aant. 58). De opsomming van de niet aftrekbare kosten die in het besluit wordt genoemd, is ook terug te vinden in de wetgeschiedenis van art. 8b Wet IB 1964 (zie Vakstudie IB 1964, art. 8b, aant. 80). Logischerwijs heeft hetzelfde te gelden voor de toepassing van art en 3.17 Wet IB 2001." Jansen is van mening dat onderhoudskosten niet aftrekbaar zijn: "Het gevolg van de onderhavige maatregel is dat voortaan in de winstsfeer bijvoorbeeld de onderhoudskosten(24) van onroerend goed dat tot het keuzevermogen behoort niet meer aftrekbaar zijn. De aftrekbare gebruikersvergoeding is immers beperkt tot 4% en omdat het forfait een nettoforfait is, zijn de onderhoudskosten daarin niet begrepen."(25) Dat 'verband houden met' ruim zou moeten worden uitgelegd, vindt ondersteuning in de door de Minister aangehaalde wetsgeschiedenis met betrekking tot voorlopers van de artikelen 3.14 tot en met 3.17 in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), te weten de artikelen 8a en 8b van die wet.

10 3.20. De Hoge Raad heeft in een zaak waarin de toepassing van artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van de Wet IB 1964 in geschil was,(26) aangegeven dat uit de geschiedenis van die bepaling volgt dat de uitdrukking 'verband houden met' ruim moet worden uitgelegd. De Hoge Raad verwees onder andere naar een citaat uit de parlementaire behandeling, van welk citaat een onderdeel is "dat uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie ter zake van de bepalingen in de verschillende heffingswetten waarin een aftrekbeperking is opgenomen, blijkt dat de formulering "verband houden met" in ruime zin moet worden uitgelegd".(27) In mijn conclusie in de zaak met nummer ben ik op grond van de wetgeschiedenis tot de conclusie gekomen dat 'verband houden met' in het geval van artikel 8a, eerste lid, aanhef en onderdeel c en artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van de Wet IB 1964 ('aftrek van criminele kosten'; vergelijk thans: artikel 3.14, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001) ruim moet worden uitgelegd.(28) Opgemerkt zij dat artikel aanhef/c Wet IB 2001 geen voorloper kende in de Wet IB 1964 en dat voor de uitleg van de bepaling de wetsgeschiedenis van de Wet IB 1964 daarom niet zonder meer doorslaggevend is. Wel is het zo dat de aftrekbeperking opgenomen is in artikel 3.17 van de Wet IB 2001, in welk artikel eveneens aftrekbeperkingen zijn opgenomen in onderdelen a en b met betrekking tot verhuiskosten en huisvestingskosten respectievelijk met betrekking tot personenauto's. Deze laatste aftrekbeperkingen kennen hun oorsprong in artikel 8b, tweede lid, van de Wet IB Tijdens de parlementaire behandeling van de invoering van de Wet IB 2001 (nog voordat de invoering van de litigieuze bepaling aan de orde was) is ter zake van het voorgestelde artikel (thans: artikel 3.17 van de Wet IB 2001) opgemerkt dat "de bepaling is ontleend aan artikel 8b, tweede, vijfde en zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting Met de gewijzigde formulering en opbouw is geen inhoudelijke wijziging beoogd".(29) Een en ander wijst er derhalve op dat 'verband houden met' in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 ruim dient te worden uitgelegd, ook voor de toepassing van artikel aanhef/c Wet IB De vraag is echter: hoe ruim is ruim? Er zijn gradaties denkbaar met betrekking tot het 'verband houden met'. Bijvoorbeeld kosten van klein onderhoud met betrekking tot een bedrijfsruimte hebben een sterk verband met de bedrijfsruimte zelf, terwijl energiekosten meer met het gebruik van een bedrijfsruimte verband houden dan met de bedrijfsruimte zelf; daar tussenin zitten kosten, zoals de schoonmaakkosten en het gebruikersdeel-ozb, die enerzijds een relatie hebben met het gebruik en anderzijds niet los gezien kunnen worden van de bedrijfsruimte. Het moge duidelijk zijn dat het moeilijk is een grens te trekken In verband met artikel 36 van de Wet IB 1964, en in het bijzonder in verband met de kantoor/werkruimteregeling, is in de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de zinsnede 'verband houden met de volgende posten' opgemerkt dat daarmee werd beoogd "tot uitdrukking te brengen dat alle kosten, lasten en afschrijvingen die in de ruimst mogelijke zin met de genoemde onderwerpen te maken hebben, onder de beperkingen vallen. Aldus vallen bijvoorbeeld in het eerste lid, onderdeel b (de kantoorruimte), ook het behang- en schilderwerk, de stoffering en de complete inventaris van een studeerkamer onder de beperking".(30) Verder is aangegeven dat daaronder ook vallen "de op de kantoorruimte betrekking hebbende energiekosten (verwarming, elektriciteit)"(31) en onderhoudskosten(32) Het een op een gelijkstellen van het object van de aftrekbeperking van artikel aanhef/c Wet IB 2001 met dat van de werkruimteregeling(33) ligt echter niet zonder meer

11 voor de hand, nu (a) er een verschil in redactie is tussen de regelingen ('de inrichting daaronder begrepen' is bij de werkruimteregeling ingevoegd), (b) het andere regelingen zijn (zo komt men pas toe aan artikel aanhef/c Wet IB 2001 wanneer artikel 3.16 gepasseerd is) en, met name, (c) de regelingen een andere achtergrond hebben (bijvoorbeeld anders dan bij de werkruimteregeling gaat het bij de onderhavige regeling niet (onder andere) om het elimineren van kosten met een privé-element; zie hierna). Wetgeschiedenis invoering artikel aanhef/c Wet IB 2001; en doel en ratio De wetsgeschiedenis van artikel aanhef/c Wet IB 2001 zelf biedt geen aanknopingspunten voor een even vergaande aftrekbeperking als bijvoorbeeld die op basis van artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB De in de onderdelen aangehaalde wetsgeschiedenis leert dat het - op instigatie van de Raad van State - de bedoeling van de wetgever was om te voorkomen dat belastingarbitrage kon optreden door via de (al dan niet fictieve) 'economische huurwaarde'/gebruiksvergoeding gebruik te maken van het grondslag- en tariefverschil tussen de boxen. De wetgever heeft ervoor gekozen om alleen een voorziening te treffen voor het grondslagverschil (en niet zoals bij terbeschikkingstellingsregeling ook voor het verschil in tarief) Alles in de parlementaire geschiedenis wijst erop dat de wetgever bedoeld heeft de 'economische huurwaarde'/gebruiksvergoeding te beperken. Bijvoorbeeld ook het doel om 'een evenwicht tussen hetgeen wordt belast en hetgeen in aftrek wordt gebracht' te handhaven, wijst op het doel om arbitrage via de gebruiksvergoeding te voorkomen Een nevendoelstelling had wellicht kunnen zijn dat uit doelmatigheids- en/of eenvoudsoverwegingen de aftrekbeperking ook van toepassing was op andere kosten dan de 'economische huurwaarde'. Een dergelijke doelstelling komt echter niet naar voren in de parlementaire geschiedenis. De zinsnede "daarnaast te voorkomen dat onduidelijkheid voor de praktijk ontstaat op het punt van de verwerking van winstcorrecties" wijst weliswaar op een doelmatigheidsargument, maar deze zinsnede moet naar mijn mening worden gezien in het licht van de gevreesde belastingarbitrage via de grondslag. Zonder een bepaling als artikel aanhef/c Wet IB 2001 zouden belastingplichtigen kunnen inzetten op een zo hoog mogelijke 'economische huurwaarde', nu zulks wel tot een hoge aftrekpost in Box 1 zou leiden voor de berekening van winst uit onderneming maar niet van invloed zou zijn op het, immers forfaitair bepaalde, belastbare voordeel in Box Tot slot zij opgemerkt dat andere bepalingen in de artikelen 3.15 tot en met 3.17 van de Wet IB 2001 veelal zien op kosten die betrekking hebben op uitgaven die gedeeltelijk een privé-component (kunnen) hebben. Behalve dat een doelstelling van eliminatie van een privéelement niet bepaald logisch zou zijn nu artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 daarop reeds ziet, geeft de wetgeschiedenis niet blijk van een dergelijke doelstelling Kortom, naar mijn mening wijzen de wetsgeschiedenis, en doel en ratio van artikel aanhef/c Wet IB 2001 erop dat de bepaling slechts ziet op de aftrekbeperking van de (fictieve) economische huurwaarde, en niet op de beperking van aftrek van andere huurderskosten. Dan blijft overigens nog wel de vraag welke kosten normaliter huurderskosten zijn en welke kosten verhuurderskosten zijn, die in de economische huurwaarde geacht moeten worden (gedeeltelijk) te zijn vergolden.

12 Wetgeschiedenis wijziging artikel aanhef/c Wet IB 2001 met ingang van 1 januari Zoals eerder in onderdeel 3.5. is aangegeven, is onderdeel c van het eerste lid van artikel 3.17 met ingang van 1 januari 2005 gewijzigd bij de Technische herstelwet De wijziging bestaat grosso modo uit twee delen Ten eerste is, kort gezegd, de oorspronkelijke tekst van onderdeel c neergelegd in het nieuwe onderdeel 1 van onderdeel c met daaraan toegevoegd de zinsnede "alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen". Expliciet is daarmee vastgelegd dat behalve de gemaximeerde gebruiksvergoeding bij het bepalen van de winst ook in aftrek komen de kosten die normaliter voor rekening van de huurder komen Ten tweede is een nieuw onderdeel 2 toegevoegd. Deze wijziging is voor de onderhavige zaak verder niet van belang. Van belang is wel dat in de memorie van toelichting slechts wordt ingegaan op de achtergrond van deze tweede wijziging, en niet op die van de eerste Over de achtergrond van de toevoeging van de zinsnede "alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen" in onderdeel 1, zwijgt de wetgeschiedenis verder In het beroepschrift stelt de Minister, dat "bij deze wetswijziging niet is aangegeven dat deze aanvulling een verduidelijking van de bestaande wettekst inhield". Kennelijk strekt dit ten betoge dat uit deze wetswijziging kan worden afgeleid dat de mogelijkheid om bovenop de gebruiksvergoeding nog andere kosten in aftrek te brengen, voor de wijziging nog niet bestond Ik meen evenwel dat met ten minste evenveel argumentatief gewicht kan worden betoogd dat de afwezigheid van een motivering terzake erop wijst dat de tekstuele aanvulling slechts een codificatie betreft. Het parlement zou er immers recht op hebben te worden geïnformeerd wanneer in een wetswijziging een verruiming van kostenaftrek is opgenomen, zeker nu het een technische herstelwet betreft waarin het normaliter gaat om technische, en geen inhoudelijke, wijzigingen. Daar komt bij dat onder de Wet IB 1964 een dergelijke kostenaftrek ook mogelijk was, zodat de gedachte kan opkomen dat er sprake is van een continuering van een regime Vergelijk Ruijschop en Van Es die uitgaan van een verduidelijking: "1. In art. 3.17, eerste lid, onderdeel c, onder 1, Wet IB 2001 wordt de huidige aftrekbeperking voor bezittingen die tot het privé-vermogen behoren ondergebracht, met als toevoeging dat een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen in aanmerking kunnen worden genomen. Deze laatste toevoeging heeft kennelijk als doel om duidelijk te maken dat de oorspronkelijke aftrekuitsluiting beperkt is tot de vergoeding ter zake van het gebruik. Naar ons inzicht is de toevoeging strikt genomen niet noodzakelijk, omdat de letterlijke wettekst reeds toelaat om deze kosten ten laste van de winst te brengen.(34) De aftrek van huurderskosten volgt naar ons inzicht eveneens uit het wettelijke totaalwinstbegrip."(35) De Redactie Vakstudienieuws lijkt in zijn antwoord op een lezersvraag over artikel aanhef/c Wet IB 2001 een andere mening te zijn toegedaan dan deze auteurs. Dit is

13 echter niet geheel duidelijk omdat verwezen wordt naar een passage uit de parlementaire geschiedenis die betrekking heeft op artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001.(36) Een synthese Het bovenstaande leert dat er verschillende gezichtspunten zijn. Een ruime reikwijdte van artikel aanhef/c Wet IB 2001 vindt steun in de context van het eerste lid waarin de zinsnede 'die verband houden met' in een ruime zin wordt uitgelegd - al is daarmee nog niet precies duidelijk hoe ruim. De wetshistorie (kort gezegd: onder de Wet IB 1964 geen beperking voor 'huurderskosten', wetgeschiedenis van artikel aanhef/c Wet IB 2001 waarin slechts aandacht is voor arbitrage, en na de technische herstelwet is grosso modo weer expliciet aangesloten bij het oude (Wet IB 1964-)recht) en doel en ratio (tegengaan van belastingarbitrage c.q. bewaren van het evenwicht tussen heffing in Box 3 en de aftrek in Box 1) van artikel aanhef/c Wet IB 2001 wijzen evenwel op een engere reikwijdte van de bepaling Ik keer terug naar de wettekst en ga nu in op de gehanteerde term 'gebruiksvergoeding'. In de literatuur wordt deze term soms als aanknopingspunt gebruikt voor de uitleg van de litigieuze bepaling. Van Gijlswijk vat het begrip 'gebruiksvergoeding' betrekkelijk ruim op: "Vraag rijst wat onder de 'gebruiksvergoeding valt en wat niet. Naast de gelimiteerde gebruiksvergoeding kunnen binnen de onderneming immers ook nog kosten worden opgevoerd die losstaan van het gebruik van het vermogensbestanddeel. Onder de gebruiksvergoeding vallen naar mijn mening: onderhoudskosten, de kosten van de OZB, de brandverzekering, de glazenwasser, de schoonmaakkosten, etc. Kosten die niet onder de gebruiksvergoeding vallen, zullen geheel los moeten staan van het gebruik van het bestanddeel. Erg veel kosten zullen dit echter niet zijn. Te denken valt aan telefoonkosten." (37) Niessen en Pieterse schrijven: "Daar de wet het nadrukkelijk heeft over een vergoeding voor het gebruik, en in de toelichting als voorbeeld de huurwaarde van een (deel van een) pand wordt genoemd, komt het ons voor dat daarnaast de reële feitelijke uitgaven (elektriciteit, benzine) als bedrijfslast in aanmerking mogen worden genomen. Sinds 2005 stipuleert de wet dat ook in aftrek worden toegestaan 'de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen'." (38) In de Cursus Belastingrecht wordt opgemerkt (waarbij zij aangetekend dat deze opmerkingen zien op de huidige bepaling, dat wil zeggen na de wijzing met ingang van 1 januari 2005): "(...) de ondernemer kan ter zake van in de onderneming gebruikte, op basis van het leerstuk van het keuzevermogen als privé-vermogen geëtiketteerde zaken (...), als gebruiksvergoeding geen hoger bedrag (zonodig wel lager) ten laste van de winst brengen dan een tijdsevenredig deel van het forfaitaire rendement dat ter zake van de desbetreffende bezitting in box 3 moet worden aangegeven. (...) Let wel, deze bepaling ziet uitsluitend op de gebruiksvergoeding. De normale huurderslasten, zoals het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelastingen en het schilderen van de binnenzijde van de box, komen daarnaast volgens de gebruikelijke regels ten laste van de winst."(39) In NDFR sluit commentator Fase zich feitelijk bij het gestelde in de Cursus aan en voegt daaraan toe: "Dit laatste zou anders zijn indien men van mening is dat dergelijke kosten in een zakelijke gebruiksvergoeding zouden moeten worden begrepen."(40)

14 3.42. Strikt genomen heeft (de uitleg van) de term 'gebruiksvergoeding' geen betekenis voor de bepaling van het object van de beperking, te weten welke kosten en lasten onder de kostenaftrekbeperking vallen. De wettekst stipuleert immers terzake: 'bij het bepalen van de winst komen (...) kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij de posten aangegeven gedeelte in aftrek: (...) c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende bezittingen (...):'. De term 'gebruiksvergoeding' komt pas daarna voor bij de bepaling van de hoogte van de toegestane aftrek van kosten en lasten. Niettemin meen ik dat het gebruik van de term een aanwijzing is dat de wetgever bedoeld heeft enkel de gebruiksvergoeding te beperken. Naar het mij voorkomt heeft de Raad van State deze term gehanteerd in de zin van 'economische huurwaarde'.(41) Ik zou daarom de litigieuze bepaling zo willen uitleggen dat het object van beperking de gebruiksvergoeding betreft en dat deze gebruiksvergoeding ruim dient te worden opgevat. Het object van beperking ziet dan niet alleen op de (fictieve) 'economische huurwaarde' maar ook, zo deze niet reeds in deze 'economische huurwaarde' zitten, op de kosten en lasten die normaliter(42) voor rekening komen van de 'verhuurder'.(43) Kosten en lasten die normaliter voor rekening komen van de 'huurder' vallen niet onder het object van beperking. Te denken valt aan energiekosten, kosten inboedelverzekering, en belastingen/heffingen en kosten voor klein onderhoud die normaliter voor rekening van de huurder komen. Het zou kunnen dat de allocatie van kosten discussie oplevert, maar nu de wetgever de bepaling niet mede heeft gemotiveerd vanuit eenvoud in de uitvoering (zie onderdeel 3.29.) en hij met ingang van 1 januari 2005 bij Technische herstelwet 2003 expliciet heeft bepaald dat kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, in aftrek kunnen komen, kan ik daaraan geen argument voor een andere uitleg ontlenen. Beoordeling van het middel Het Hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank, waarvan de essentie luidt "dat de wetgever heeft bedoeld de aftrekbeperking van artikel 3.17, lid 1, letter c van de Wet IB2001 in het onderhavige geschil slechts van toepassing te laten zijn op de kale huurlasten van de werkruimte". Ik versta het door het middel bestreden oordeel van de Rechtbank en daarmee van het Hof aldus dat in het onderhavige geval de aftrekbeperking slechts van toepassing is op de kale huurlasten, omdat de overige kostenposten normaliter worden gedragen door de huurder. Dit oordeel geeft in het licht van het voorgaande, en met name van onderdeel 3.43., geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel faalt derhalve. 4. Beoordeling van het tweede middel Wettekst 4.1. Artikel 3.20, eerste en vijfde lid, van de Wet IB 2001 luidt als volgt (tekst 2002):(44) "1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. 2 Indien het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid, eerste volzin, het

15 voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 10% van de waarde van de bestelauto. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. (...) 5. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen." (cursivering JO) 4.2. Het gaat in onderhavige zaak om de toepassing van de door mij gecursiveerde zinsnede in het vijfde lid.(45) Tussencategorie/10%-regeling 4.3. Indien de uitzondering opgenomen in het vijfde lid niet van toepassing is, geldt in beginsel de hoofdregel van het eerste lid. In de jaren 2002 en 2003 was er nog een tussencategorie, te weten bestelauto's waarvan het gebruik voor privé-doeleinden was beperkt door de aard of inrichting ervan.(46) Voor het jaar 2002 was deze tussencategorie, en de afwijkende fiscale behandeling ervan, opgenomen in het tweede lid.(47) 4.4. Er waren in het jaar 2002 aldus drie categorieën bestelauto's te onderscheiden op basis van artikel 3.20 van de Wet IB Opgemerkt zij overigens dat een eerste afbakening met betrekking tot bestelauto's reeds voorvloeit uit de in het vijfde lid opgenomen verwijzing naar artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM).(48) De drie categorieën: (i) de uitzonderingscategorie: bestelauto's waarop de forfaitaire bijtelling niet van toepassing is op grond van het laatste deel van het vijfde lid (belast voor werkelijk gebruik); (ii) de tussencategorie: bestelauto's waarop (zij het ten minste) een gematigde forfaitaire bijtelling van toepassing is op grond van het tweede lid (belast op basis van de 10% regeling); (iii) de hoofdcategorie: bestelauto's waarop de normale forfaitaire bijtelling van toepassing is op grond van het eerste lid (belast op basis van de 25%-regeling) 4.5. De tussencategorie/de 10%-regeling is met ingang van 1 januari 2004 geschrapt.(49) In de parlementaire geschiedenis bij de invoering ervan komt als een belangrijke reden voor de invoering van de tussencategorie naar voren dat de forfaitair bijtelling op basis van de hoofdregel in de praktijk als onbillijk werd ervaren.(50) In de parlementaire geschiedenis bij het schrappen van de tussencategorie klinkt door dat de redenen daarvan zijn dat (a) het schrappen een onderdeel is van een vereenvoudigingsoperatie en dat (b) bij dezelfde wetswijziging wordt geregeld dat woon-werkverkeer niet langer (gedeeltelijk) meetelde voor de bijtelling, waardoor het grootste knelpunt voor de bestelauto's geacht werd te zijn opgelost.(51) Pogingen door kamerleden om de bestelauto's die eerder onder de tussencategorie vielen, onder de uitzonderingscategorie te brengen, faalden.(52) 4.6. De in het tweede lid van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 genoemde ministeriële regels waren opgenomen in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, welke artikel als volgt luidde (tekst 2002:) "1. Voor de toepassing van artikel 3.20 van de wet wordt het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto geacht door aard of inrichting ervan te zijn beperkt, tenzij: a. de bestelauto zitruimte achter de bestuurder heeft;

16 b. het gebruik van de bestelauto niet voortvloeit uit de aard van de werkzaamheden van de belastingplichtige; c. de bestelauto niet is ingericht of niet dient voor het vervoeren van goederen, of d. de bestelauto naast het woon-werkverkeer meer dan kilometer op jaarbasis voor privé-doeleinden wordt gebruikt. (...)" In de toelichting bij de ministeriele regeling was opgemerkt: "Het nieuwe artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 geeft uitvoering aan de in artikel 3.20, tweede lid, Wet IB 2001 opgenomen delegatiebepaling. Op grond van artikel 3.20, tweede lid, Wet IB 2001 kan de onttrekking voor een tevens voor privé-gebruik ter beschikking; JO staande bestelauto bij het bepalen van de winst worden gesteld op ten minste 10% van de waarde van de auto, indien het gebruik voor privédoeleinden wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan. Met deze wijzigingen van de uitvoeringsregeling wordt nader invulling gegeven aan de afbakening van deze categorie bestelauto's. Deze regeling is bedoeld voor bestelauto's die in mindere mate vergelijkbaar zijn met personenauto's en om die reden in aanmerking komen voor een uitzondering op de hoofdregel, dat de bijtelling in beginsel wordt gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. In de uitvoeringsregeling zijn de criteria opgenomen, waaraan moet worden getoetst om te bepalen of de bestelauto kwalificeert voor de lagere bijtelling. Het belangrijkste aanknopingspunt voor de afbakening van wel en niet met personenauto's vergelijkbare bestelauto's is het aantal rijen zitplaatsen. Een bestelauto met meer dan één rij zitplaatsen is in het algemeen dermate vergelijkbaar met een personenauto dat deze in ieder geval buiten de 10%-regeling dient te blijven en volgens het normale regime dient te worden belast. Bestelauto's met één rij zitplaatsen kunnen onder omstandigheden echter eveneens dermate geschikt zijn voor privé-gebruik, dat toepassing van het normale regime passend wordt geacht. Om rekening te houden met het feit dat ook een bestelauto met één rij; JO zitplaatsen op één lijn te stellen kan zijn met een personenauto, is naast het in onderdeel a genoemde criterium van het aantal rijen zitplaatsen in de onderdelen b tot en met d een aantal aanvullende criteria opgenomen. De in onderdeel b opgenomen voorwaarde, dat het gebruik van de bestelauto moet voortvloeien uit de aard van de werkzaamheden, moet worden gezien in het licht van de ratio van de introductie van de 10%-regeling. Deze regeling is bedoeld voor situaties waarin het gebruik van een bestelauto minder privé-voordeel oplevert. Aan deze voorwaarde zal in het algemeen in ieder geval niet zijn voldaan indien de keuze tussen een personenauto en een bestelauto mede berust op privé-overwegingen. Bij bepaalde beroepsgroepen zal zonder meer duidelijk zijn dat het gebruik van een bestelauto niet voortvloeit uit de aard van de onderneming (belastingadviseurs, notarissen en dergelijke). Door de toevoeging van de voorwaarde in onderdeel c dat de bestelauto moet zijn ingericht en dient voor het vervoer van goederen wordt het onderscheid met een personenauto verder benadrukt. Gedachte bij de onder d genoemde voorwaarde is dat van een auto die meer dan een substantieel aantal kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt niet in redelijkheid kan worden gesteld dat het voordeel wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan."(53) Zie verder het Besluit van 30 januari 2002 met betrekking tot de criteria b en c: "17. (...) b. het gebruik van de bestelauto vloeit niet voort uit de aard van de werkzaamheden van de belastingplichtige;

17 De aard van de werkzaamheden van de belastingplichtige moet het gebruik van een bestelauto noodzakelijk maken. Indien de belastinplichtige zijn werkzaamheden zowel kan verrichten met een personenauto, bijvoorbeeld een stationwagen, als met een bestelauto komt de bestelauto niet in aanmerking voor de 10%-regeling. Bij veel zelfstandige beroepen, bijvoorbeeld belastingadviseurs of notarissen, zal de aard van de werkzaamheden dan ook meebrengen dat een bestelauto in beginsel niet noodzakelijk is om die werkzaamheden uit te oefenen. Ook in de situatie dat een werknemer van zijn werkgever de keuze krijgt tussen een personenauto en een bestelauto blijkt hieruit dat de aard van de werkzaamheden niet dwingt tot het gebruik van een bestelauto. Bijtelling vindt dan plaats volgens de staffel. c. de bestelauto is niet ingericht of dient niet voor het vervoeren van goederen; Indien de aard van de werkzaamheden het gebruik van een bestelauto met zich meebrengt vindt bijtelling toch volgens de staffel plaats indien de gebruikte bestelauto niet voor het vervoer van goederen is ingericht of daartoe niet dient. Een bestelauto is wel ingericht voor het vervoer van goederen wanneer bijvoorbeeld schappen of rekken zijn aangebracht voor het opbergen van apparatuur of gereedschap of, bijvoorbeeld bij de pick-up van de aannemer, om bouwmaterialen te vervoeren. Soms zal dit onderdeel in combinatie met onderdeel b beoordeeld worden. Zo kan bij een dierenarts betwijfeld worden of de aard van zijn werkzaamheden het gebruik van een bestelauto meebrengt. Indien hij gebruik maakt van een bestelauto die zodanig is ingericht dat zijn instrumentarium steriel kan worden opgeslagen, waarbij apparatuur is aangebracht om medicamenten te koelen en een ruimte is ingericht om kleine ingrepen te verrichten, kan die inrichting de doorslag geven om te concluderen dat gebruik van de bestelauto uit de aard van de werkzaamheden voortvloeit." (54) Achtergrond en parlementaire geschiedenis van de uitzonderingscategorie 4.7. De fiscale bijtelling voor privé-gebruik op de voet van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 heeft kort gezegd als doel op een forfaitaire wijze het voordeel, c.q. de onttrekking naar privé, vast te stellen (en te belasten) met betrekking tot het privé-gebruik van een tot het ondernemersvermogen behorende auto. De Wet IB 1964 kende een vergelijkbare bepaling in artikel 42, maar deze bepaling was niet van toepassing op bestelauto's. Onder de Wet IB 1964 werd dan teruggevallen op de fiscale basisprincipes: de bepaling van de hoogte van de onttrekking naar privé diende te geschieden op basis van het werkelijke privé-gebruik en voordeel Bij invoering van de Wet IB 2001 heeft de wetgever ervoor gekozen om de uitzonderingspositie van bestelauto's te laten vervallen, waarbij hij echter een uitzondering heeft willen maken voor bepaalde bestelauto's. Gewezen zij op een onderdeel uit de memorie van toelichting ter zake van de toen voorgestelde artikelen en (later vernummerd in artikel 3.20 respectievelijk artikel van de Wet IB 2001): "Vanwege de eenduidigheid in waardering van de voordelen worden bestelauto's in de autokostenfictie betrokken. In de voorgestelde tekst wordt een gelijke behandeling bereikt van de belastingplichtige die een ter beschikking gestelde personenauto gebruikt voor privé-ritten, en de belastingplichtige die daarvoor een bestelauto gebruikt. Gelet op de ontwikkelingen in het wagenpark waarbij het vroegere, grote verschil in rijgedrag en luxe tussen personenauto's en bestelauto's steeds meer vervaagt, bestaat mede in het licht van de variabilisering geen aanleiding meer om het voordeel van het privé-gebruik voor de eerste groep auto's forfaitair te benaderen en het voor de laatste groep volgens de algemene regels te stellen op de waarde in het economische verkeer van de privé-kilometers. De forfaitaire behandeling is echter niet passend voor die bestelauto's die door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt

18 blijken te zijn voor goederenvervoer. Gedacht wordt aan sommige service-auto's waarin naast de bestuurder alleen plaats is voor gereedschappen en reserveonderdelen."(55) De reikwijdte van de uitzondering is kennelijk klein geacht: "Voor de zeer beperkte groep bestelauto's die (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor goederenvervoer, wordt de huidige systematiek van bijtelling van het werkelijke privégebruik gehandhaafd. Opgemerkt wordt dat ook hier de bewijslast bij de belastingplichtige ligt."(56) 4.9. De Redactie Vakstudienieuws merkt op: "Een ander verschil met de huidige regeling is de behandeling van de bestelauto's. Het privégebruik van de bestelauto wordt onder de Wet IB 2001bedoeld zal zijn: Wet IB 1964; JO in aanmerking genomen naar de werkelijke waarde van het privé-gebruik. In de Wet IB 2001 wordt ook de bestelauto onder het bereik van de gevariabiliseerde autokostenfictie gebracht, tenzij het gaat om een bestelauto die door aard uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. Dat criterium kan uiteraard voer geven voor discussie tussen belastingplichtige en belastingdienst. Is daarvoor bepalend of er naast de bestuurder nog een of meer personen vervoerd plegen te worden?"(57) De wetsgeschiedenis geeft geen duidelijke invulling van het criterium "door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijken te zijn voor goederenvervoer". Een antwoord van de Staatssecretaris op een vraag biedt ook niet meer aanknopingspunten dan dat er kennelijk geen harde criteria gelden. "Vraag: Voor welk type bestelauto's wordt de huidige systematiek voor bijtelling van het privé-gebruik gehandhaafd? Antwoord: De regeling is niet eenduidig op een bepaald type bestelauto gericht. De regeling geeft de individuele belastingplichtige de ruimte om te laten blijken dat de bestelauto die hij in gebruik heeft, (nagenoeg) niet geschikt is voor ander gebruik dan goederenvervoer." (58) Schröder merkt op: "De rechter zal uiteindelijk moeten vaststellen wanneer de bestelauto niet onder het begrip auto valt, omdat noch uit de wet, noch uit de memorie van toelichting blijkt voor welke gevallen deze uitzondering voor bestelauto's geldt."(59) Bij de parlementaire behandeling van de Veegwet IB 2001 komt aan de orde waarom niet gekozen is voor een gebruikscriterium voor de afbakening van bestelauto's. "De leden van de D66-fractie verzoeken het kabinet te reageren op het voorstel van de EVO om niet de inrichtingseisen bepalend te laten zijn voor de vraag of een vervoersmiddel gecategoriseerd kan worden als bestelauto maar om hiervoor gebruikseisen op te stellen. Het nadeel van gebruikseisen is dat het gebruik voortdurend door de Belastingdienst moet worden getoetst, hetgeen in de praktijk niet realiseerbaar is."(60) De uitzonderingscategorie: door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor goederenvervoer In het onderhavige geval is niet in geschil dat de bestelauto's ten minste kwalificeren voor de tussencategorie, voor de 10%-regeling.(61) In geschil is wel of de bestelauto's kwalificeren voor de uitzonderingscategorie.

19 4.14. De vraag is daarom wanneer voldaan is aan het criterium van "door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijken te zijn voor goederenvervoer". In fiscaal spraakgebruik betekent 'nagenoeg uitsluitend' ten minste 90%. Maar 90% van wat dan? Het enige aanknopingspunt in de parlementaire geschiedenis, te weten het voorbeeld van de serviceauto waarin naast de bestuurder alleen plaats is voor gereedschappen en reserveonderdelen, is in de rechtspraktijk ogenschijnlijk als een baken voor houvast gaan dienen. Er wordt grosso modo vanuit gegaan dat bij twee zitplaatsen (of meer) in beginsel niet aan het criterium wordt voldaan In de toelichting op het cassatiemiddel geeft de Minister bijvoorbeeld aan dat hij uit de wetsgeschiedenis afleidt "dat voor bedrijfswagens met meer dan een zitplaats alleen dan ruimte is voor het achterwege laten van de bijtelling indien voldaan wordt aan het nagenoeg uitsluitend (90%) criterium dan wel er andere redenen zijn, waarom de tweede zitplaats niet dan wel lastig gebruikt kan worden." De Minister is van mening dat het 'nagenoeg uitsluitend' criterium inhoudt dat 90% of meer van de omvang/oppervlakte van de auto alleen geschikt is voor goederenvervoer. De Minister vult het criterium dus kwantitatief in aan de hand van de oppervlakte (en/of inhoud?). Ook in het Besluit van 30 januari 2002 ligt de nadruk op het aantal zitplaatsen: "8. Welke bestelauto's zijn door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen? Hierbij wordt in elk geval gedacht aan sommige service-auto's waarin naast de bestuurder alleen plaats is voor gereedschappen en reserveonderdelen.voor deze auto's blijft de bijtellingssystematiek gelden zoals die gold onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964: werkelijk aantal privé kilometers maal werkelijke kilometerprijs. Opgemerkt wordt nog dat (overige) bestelauto's met twee voorstoelen of een voorbank in het algemeen niet voor toepassing van deze systematiek kwalificeren."(62) Zie tevens de in het volgende onderdeel opgenomen toelichting van de Minister om tegen een uitspraak van Gerechtshof Amsterdam op 13 november 2006 niet in cassatie te gaan Ook in de jurisprudentie van de feitenrechters wordt veelal de nadruk gelegd op het aantal zitplaatsen bij het toepassen van het 'nagenoeg uitsluitend' criterium. In de onderhavige zaak werd in de eerste rechterlijke instantie geoordeeld: "2.6. (...) In het onderhavige geval is sprake van bestelauto's waarin naast de bestuurder plaats is voor een tweede passagier. Uit bovenstaande passage uit de parlementaire geschiedenis in deze conclusie in onderdeel 4.8. aangehaald; JO blijkt dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een bestelauto die naar aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen, zodat artikel 3.20 van de Wet IB2001 van toepassing is." Rechtbank Arnhem overweegt: "Naar het oordeel van de rechtbank voldoen bestelauto's met twee voorstoelen in het algemeen niet aan de kwalificatie "door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen" (vergelijk het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 januari 2002, nr. DGB2001/1744M, BNB 2002/134). De omstandigheid dat - naar eiser stelt - de ruimte die de passagierstoel inneemt minder dan 10% van de totale laadruimte bedraagt doet hieraan in deze niet af. Door de inrichting van de auto is het immers mogelijk - naast de bestuurder - nog een passagier te vervoeren hetgeen meebrengt dat de auto niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen."(63)

20 In zijn uitspraak van 4 augustus 2006 leidt Hof Leeuwarden kennelijk uit het daadwerkelijke gebruik af dat niet aan het 'nagenoeg uitsluitend' criterium is voldaan: "4.8 (...) Volgens het vierde lid (tekst 2001) wordt onder auto verstaan een personenauto of een bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. Belanghebbende beroept zich op deze uitzondering. Daarvoor voert hij onder andere aan dat de bestelauto geen zitruimte achter de bestuurderszitplaats heeft, dat de inrichting dient voor vervoer van grondstoffen en andere goederen en dat de auto geen ramen heeft aan de zijkanten. Daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de bestelauto uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen. De bestelauto blijkt ook heel geschikt te zijn voor privé-doeleinden, aangezien uit het totaal aantal verreden kilometers in het onderhavige jaar van en uit de door belanghebbende zelf opgestelde lijst van zakelijke kilometers een privé-gebruik van kilometer voortvloeit."(64) Aan de digitale fiscale nieuwsflits van het Ministerie van Financiën op 15 januari 2007 ontleen ik dat Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 13 november 2006, nr. 2005/01324, heeft geoordeeld over de toepassing van artikel van de Wet IB 2001 voor het jaar 2003, waaronder de toepassing van het 'nagenoeg uitsluitend' criterium. Ik geef de toelichting van de Minister om niet in cassatie te gaan weer, inclusief de daarbij gegeven samenvatting van de uitspraak. "Hof Naar klaarblijkelijk niet in geschil is, kan de laadruimte van de auto, gelet op de aard en de inrichting ervan, niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het vervoer van goederen. Vaststaat dat de bestuurdersruimte is voorzien van een bank, waarop naast de bestuurder plaats is voor één andere persoon en verder dat in de auto soms een monteur of machinist met B meerijdt. Het hof leidt hieruit af dat de geschiktheid van de auto voor ander gebruik dan het vervoer van goederen van zeer bijkomstige aard is. Daarbij wordt mede betekenis gehecht aan de verhouding tussen het voor goederen en voor de bijrijder beschikbare c.q. benodigde laadvermogen. Verder merkt het hof op dat de geschiktheid voor personenvervoer door de gemiddelde staat van reinheid van de auto kennelijk beperkt is tot personen die met B servicewerkzaamheden voor de werkgever verrichten. De conclusie is dat de auto niet voor meer dan 10% geschikt is voor andere doeleinden dan het vervoer van goederen. Op grond van art , lid 5 IB 2001 wordt de auto dus niet als een auto in de zin van de bepalingen van dat artikel aangemerkt. Dit betekent dat de inspecteur op basis van dat artikel ten onrechte een voordeel uit privé-gebruik in aanmerking heeft genomen. De minister ziet af van beroep in cassatie en geeft de volgende toelichting. De rechtbank heeft in deze zaak reeds aannemelijk geacht dat uit de rittenadministratie, de vervuilde bekleding, de aanwezigheid van een eigen auto met meer (en schone) zitplaatsen afdoende blijkt dat met de ter beschikking gestelde servicewagen minder dan 500 kilometer privé wordt gereden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de inrichting van de servicewagen gecombineerd met gemiddelde staat van reinheid van de servicewagen aannemelijk maakt dat deze auto voor niet meer dan 10% geschikt is voor privé gebruik. Dat oordeel is van feitelijke aard en gelet op de uit het procesdossier blijkende feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Ik merk hierbij wel op dat wanneer de tweede zitplaats wel normaal te gebruiken is, dit oordeel door mij niet wordt onderschreven."

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummers 11/00311 en 11/00312 uitspraakdatum: 20 september 2011 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te Z (hierna:

Nadere informatie

A. Het in het belastbaar inkomen 1998 begrijpen van het voordeel uit het tegen inkoopsprijs aankopen vaneen auto, groot fl 15.000.

A. Het in het belastbaar inkomen 1998 begrijpen van het voordeel uit het tegen inkoopsprijs aankopen vaneen auto, groot fl 15.000. C/& Z^o^jr Edelhoogachtbaar College, y> "2_ Op 17 februari j.l. is door mij namens C igllllllpljp te IHllIll^, hierna belanghebbende, beroep in cassatie aangetekend tegen de uitspraak van het Gerechtshof

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNHO:2015:1985

ECLI:NL:RBNHO:2015:1985 ECLI:NL:RBNHO:2015:1985 Instantie Rechtbank Noord-Holland Datum uitspraak 23-03-2015 Datum publicatie 07-04-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 1993 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/01077 uitspraakdatum: 20 mei 2014 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van drs.

Nadere informatie

Edelachtbaar college,

Edelachtbaar college, Edelachtbaar college, X% Namens cliënten, a «a ^ ^ ^ ^ ^ M l e n tel^^^^ tekenen wij beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2011 op het beroepschrift van 10

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2016:72

ECLI:NL:GHAMS:2016:72 ECLI:NL:GHAMS:2016:72 Permanente link: http://deepl Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 12-01-2016 Datum publicatie 20-01-2016 Zaaknummer 14/01023 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:10956,

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder. Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 13/6388 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2013 in de zaak tussen [X], wonende te [Z],

Nadere informatie

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 8 augustus 2001

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 8 augustus 2001 BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 8 augustus 2001 Vonnisnummer : 2000/053, 2000/088 en 2000/089 Datum : 8 augustus 2001 Rechters : mrs. Van Gijn, Ilsink en Groeneveld Middel : Winstbelasting Artikel : 7 en 33

Nadere informatie

1 Het geding in feitelijke instanties

1 Het geding in feitelijke instanties Uitspraak 14 februari 2014 nr. 13/00475 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te s-gravenhage van 18 december 2012, nr. 12/00169,

Nadere informatie

Waardering van op 1 januari 2001 lopende kapitaalverzekering voor het regime ROW

Waardering van op 1 januari 2001 lopende kapitaalverzekering voor het regime ROW Waardering van op 1 januari 2001 lopende kapitaalverzekering voor het regime ROW LJN: BR0289, Gerechtshof Amsterdam, 09/00588 Datum uitspraak: 16-06-2011 Datum publicatie: 06-07-2011 Rechtsgebied: Belasting

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Almere,

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Almere, Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Bestuursrecht, belastingkamer locatie Leeuwarden procedurenummer: AWB LEE 13/970 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 september 2013 als bedoeld

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 381 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een aftrekverbod voor de aankoopkosten van een deelneming

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur) Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/00631 uitspraakdatum: 18 maart 2014 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van

Nadere informatie

Afkoopsom pre-brede Herwaarderingslijfrente vormt periodieke uitkering voor grondslag (bijdragen-inkomen) Zvw

Afkoopsom pre-brede Herwaarderingslijfrente vormt periodieke uitkering voor grondslag (bijdragen-inkomen) Zvw Afkoopsom pre-brede Herwaarderingslijfrente vormt periodieke uitkering voor grondslag (bijdragen-inkomen) Zvw ECLI:NL:GHAMS:2014:5141 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 06-11-2014 Datum publicatie

Nadere informatie

34 002 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

34 002 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 34 002 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015) DERDE NOTA VAN WIJZIGING Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 1 In artikel I wordt na onderdeel P een

Nadere informatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak Datum uitspraak: 10-10-2008 Datum publicatie: 10-10-2008 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verkoop van (gebruikte) goederen

Nadere informatie

Gehoord ter zitting van 12 april 1983 belanghebbende, vergezeld van voornoemde gemachtigde, alsmede de inspecteur;

Gehoord ter zitting van 12 april 1983 belanghebbende, vergezeld van voornoemde gemachtigde, alsmede de inspecteur; Belastingkamer nr. 3840/82. UITSPRAAK HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM, Tweede Meervoudige Belastingkamer; Gezien het op 6 augustus 1982 ter griffie ingekomen beroepschrift van X te Z, belanghebbende, ingediend

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN. Nr. 208/86 10 april 1987

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN. Nr. 208/86 10 april 1987 GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN BELASTINGKAMER UITSPRAAK Nr. 208/86 10 april 1987 Uitspraak (na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 29 januari 1986, nr. 23.254) van bet Gerechtshof te

Nadere informatie

Kapitaalverzekering vormt geen KEW ook niet nu polis was verpand aan geldverstrekker en uitkering is benut voor aflossing hypotheek

Kapitaalverzekering vormt geen KEW ook niet nu polis was verpand aan geldverstrekker en uitkering is benut voor aflossing hypotheek Kapitaalverzekering vormt geen KEW ook niet nu polis was verpand aan geldverstrekker en uitkering is benut voor aflossing hypotheek ECLI:NL:RBZWB:2015:3188 Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) is op [ ] 2010 overleden.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) is op [ ] 2010 overleden. Uitspraak 10 oktober 2014 Nr. 13/04777 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2013, nr. 12/00472,

Nadere informatie

Uitspraak GERECHTSHOF s-hertogenbosch Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende], belanghebbende

Uitspraak GERECHTSHOF s-hertogenbosch Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende], belanghebbende Uitspraak GERECHTSHOF s-hertogenbosch Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/00784 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,

Nadere informatie

Carkits, navigatiesystemen & headsets

Carkits, navigatiesystemen & headsets Carkits, navigatiesystemen & headsets (klik op logo om onze website te bezoeken) Aan de cliënten NEXUS accountants & fiscaal adviseurs BV Breda, 27 februari 2004 1. Inleiding Aan de staatssecretaris zijn

Nadere informatie

Inkomstenbelasting. Landbouwvrijstelling; heretikettering per 27 juni 2000; gevolgen van de 7 mei 2004 arresten

Inkomstenbelasting. Landbouwvrijstelling; heretikettering per 27 juni 2000; gevolgen van de 7 mei 2004 arresten Inkomstenbelasting. Landbouwvrijstelling; heretikettering per 27 juni 2000; gevolgen van de 7 mei 2004 arresten 1 Inkomstenbelasting. Landbouwvrijstelling; heretikettering per 27 juni 2000; gevolgen van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 175 Aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening

Nadere informatie

Onderneming en ondernemerschap

Onderneming en ondernemerschap FFEBLR0133 Syllabus HES Rotterdam School Financial Management Onderneming en ondernemerschap Bij het beoordelen van de vraag, of er sprake is van een (objectieve) onderneming kijkt de rechter o.a. naar:

Nadere informatie

Aftrek vrijwillige pensioenpremie zelfstandige ondernemer

Aftrek vrijwillige pensioenpremie zelfstandige ondernemer Aftrek vrijwillige pensioenpremie zelfstandige ondernemer Inleiding Dit memo bevat de argumenten voor de fiscale aftrek van de premie betreffende het vrijwillige gedeelte van een beroepspensioenregeling

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 17/02/2014

Datum van inontvangstneming : 17/02/2014 Datum van inontvangstneming : 17/02/2014 C-9/-14-1 Luxembcurg l i!frp Hoge Raad der Nederlanden Entree 1 3 JAN. 201~ --------- Derde Kamer Nr. 12/02305 13 december 2013 Arrest Ingeschreven in het register

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 I' Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer w ~e' {J.J ::li "~.8 ;.l_~ ( E..::r,",'_ t"::) ('0",,1 l:'jt:: ~~ ~ )(, ::li oe i~..- ~ c:: L'..J Nr. 12/03718 28 maart

Nadere informatie

pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 08/04/2014

Datum van inontvangstneming : 08/04/2014 Datum van inontvangstneming : 08/04/2014 , C-'1O/-14- Luxembourg Entrée 1 3 JAN. 2014 Hoge Raad der Nederlanden. \)C(=, C-l/o/1 C( Derde Kamer Nr. 12/02502 20 december 2013 Ingeschreven Luxemburg, in het

Nadere informatie

HOGE RAAD ARREST. nr. 31/695. gewezen op het beroep in cassatie van X te Z. tegen

HOGE RAAD ARREST. nr. 31/695. gewezen op het beroep in cassatie van X te Z. tegen HOGE RAAD nr. 31/695 ARREST gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-hertogenbosch van 13 oktober 1995 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde

Nadere informatie

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233

Nadere informatie

De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning

De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning Hieronder wordt ingegaan op de fiscale consequenties van de aankoop en het bezit van een recreatiewoning die zodanig met de (onder)grond is verbonden

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 026 Wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003) Nr. 9 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer

Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer Inleiding Dit memo bevat de argumenten voor de fiscale aftrek van de premie betreffende het vrijwillige gedeelte van een beroepspensioenregeling bij

Nadere informatie

GEEN BIJTELLING PRIVÉ-GEBRUIK AUTO VOOR SCHILDER

GEEN BIJTELLING PRIVÉ-GEBRUIK AUTO VOOR SCHILDER GEEN BIJTELLING PRIVÉ-GEBRUIK AUTO VOOR SCHILDER Een BV stelde aan haar directeur (DGA) een auto ter beschikking (Renault Kangoo), De auto had een laadruimte en naast de bestuurdersplaats was plaats voor

Nadere informatie

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is ECLI:NL:GHARL:2015:4336 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 16-06-2015 Datum publicatie 19-06-2015

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2003 164 Besluit van 8 april 2003, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon

Nadere informatie

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) f,r'- J Wop uitspraak RECHTBAN ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) VM 1 o HAART 2008 inzake \f de erven van

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur) Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Leeuwarden nummer: 12/00201 uitspraakdatum: 15 oktober 2013 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep

Nadere informatie

JJJ. de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commentaar op concept besluit 'Autokostenfictie. Bewijs 2,5%-bestelauto.', nr.

JJJ. de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Commentaar op concept besluit 'Autokostenfictie. Bewijs 2,5%-bestelauto.', nr. JJJ JJJ de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Ministerie van Financiën mevrouw B.M. van Bronckhorst-David Richard Postbus 20201 2500 EE DEN HAAG Amsterdam, 5 september 2002 Betreft: Commentaar op

Nadere informatie

Instituut Financieel Management

Instituut Financieel Management FFEBLR0111 IB (niet-winst) Instituut Financieel Management Opdracht 1b (inleveren in week 3) De tekst van artikel 1.2 Wet IB is per 1 januari 2011 ingrijpend gewijzigd. Vanaf 2001 t/m 2010 luidde de tekst

Nadere informatie

De werkruimte regeling: Een werkbare situatie?

De werkruimte regeling: Een werkbare situatie? De werkruimte regeling: Een werkbare situatie? 1 De werkruimteregeling; Een werkbare situatie? Naam: J.L. Lam Adres: v/d SandeBakhuyzenstraat 8 Postcode: 1223 CW Plaats: Hilversum Telefoon: 06-51397752

Nadere informatie

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Leeuwarden nummer: 13/01170 uitspraakdatum: 19 augustus 2014 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep

Nadere informatie

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Geldend op 24-07-2009 - Besluit van 27 maart 2001; CPP 2001/366M De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris

Nadere informatie

Naar aanleiding van uw brief van 11 februari 2011 heb ik de eer het volgende op te merken.

Naar aanleiding van uw brief van 11 februari 2011 heb ik de eer het volgende op te merken. Den Haag, 2 5 MRT 2011 Kenmerk: DGB 2011-869 Motivering van liet beroepschrift in cassatie (rolnummerfll/0066jj( tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-hertogenbosch van 30 december 2010, nr. 09/00514,

Nadere informatie

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2009

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2009 Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2009 Inleiding Participeren in het beleggingsobject Terra Vitalis kan gevolgen hebben voor uw belastingpositie

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 augustus 1985,

Nadere informatie

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. io~oo6zz hop uitspraak GERECHTSHOF 's-gravenhage Sector belasting Nummer BK-08/00456 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. S januari 2010 op het hoger beroep van de Inspecteur, de voorzitter

Nadere informatie

Besluit van 26 september 2007, nr. CPP2007/1201M, Stcrt. nr. 193. De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Besluit van 26 september 2007, nr. CPP2007/1201M, Stcrt. nr. 193. De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting. Winst (uit onderneming), resultaat uit een werkzaamheid. Van aftrek uitgesloten en in aftrek beperkte kosten 1 Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting. Winst

Nadere informatie

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN Jaargang 2012 No. 14 Landsverordening van de 28 ste maart 2012 tot wijziging van de Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997 IN NAAM VAN DE KONINGIN! DE GOUVERNEUR

Nadere informatie

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen: '"Sr "- AANTEKENEN Hoge Raad der Nederlanden Postbus 20303 2500 EH 'S-GRAVENHAGE Datum Referentie Betreft beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (08/00041) op het hoger beroep

Nadere informatie

In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3234, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3234, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Stamrechtovereenkomst tussen oprichter en BV i.o. is mogelijk, mits binnen redelijke termijn BV tot stand komt en overeenkomst bekrachtigd. Gehele aanspraak belast omdat stamrechtovereenkomst gedeeltelijk

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989*

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* SKATTEMINISTERIET / HENRIKSEN ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* In zaak 173/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Højesteret, in het aldaar aanhangig

Nadere informatie

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen [eiser], wonende te [X], eiser

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen [eiser], wonende te [X], eiser Uitspraak Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 13/7254 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen [eiser], wonende te [X], eiser (gemachtigde: mr. drs.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 466 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere belastingwetten c.a. (Veegwet

Nadere informatie

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2010

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2010 Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2010 Inleiding Participeren in het beleggingsobject Terra Vitalis kan gevolgen hebben voor uw belastingpositie

Nadere informatie

Autokosten en uw onderneming Spelregels kostenaftrek, BTW verrekening, privé bijtelling

Autokosten en uw onderneming Spelregels kostenaftrek, BTW verrekening, privé bijtelling Autokosten en uw onderneming Spelregels kostenaftrek, BTW verrekening, privé bijtelling (bron: belastingdienst.nl augustus 2012) Als ondernemer hebt u misschien een personenauto of een bestelauto nodig

Nadere informatie

Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel b, aanhef, wordt de komma aan het slot vervangen door een dubbele punt.

Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel b, aanhef, wordt de komma aan het slot vervangen door een dubbele punt. 33 955 Regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie

Nadere informatie

auto v/d zaak in 2004 (IB-ondernemers)

auto v/d zaak in 2004 (IB-ondernemers) auto v/d zaak in 2004 (IB-ondernemers) (klik op logo om onze website te bezoeken) Aan cliënten en relaties van Breda, 19 januari 2003 Inleiding Geachte mevrouw, mijnheer, Met ingang van 1 januari 2004

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1999 2000 26 727 Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) 26 728 Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTER EN

Nadere informatie

CxS/oiaéi cas. Den Haag, 22 OKT 2008 AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN. Kenmerk: DGB 2008-4936

CxS/oiaéi cas. Den Haag, 22 OKT 2008 AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN. Kenmerk: DGB 2008-4936 CxS/oiaéi cas Den Haag, 22 OKT 2008 Kenmerk: DGB 2008-4936 X ^_ Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 08/03864) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 juli 2008, nr.

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1983-1984 Nr. 84b 17943 Invoering van een permanente zelfstandigenaftrek in de inkomstenbelasting MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 30 januari 1984 De leden van

Nadere informatie

Geheven successierecht vormt aftrekpost ex art 3.108 Wet IB 2001 bij afkoop kapitaalverzekering

Geheven successierecht vormt aftrekpost ex art 3.108 Wet IB 2001 bij afkoop kapitaalverzekering Geheven successierecht vormt aftrekpost ex art 3.108 Wet IB 2001 bij afkoop kapitaalverzekering LJN: BZ6601, Rechtbank Haarlem, AWB 12/227 Datum uitspraak: 05-04-2013 Datum publicatie: 09-04-2013 Rechtsgebied:

Nadere informatie

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen.

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen. Reactie op de brief van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) inzake het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek in verband met het limiteren van de hoogte van de

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 10-03-2015 Datum publicatie 10-04-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 7359 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste

Nadere informatie

Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775. Belastingrecht. Cassatie. Rechtspraak.nl

Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775. Belastingrecht. Cassatie. Rechtspraak.nl ECLI:NL:HR:2015:1084 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775 In cassatie op

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2014:14470

ECLI:NL:RBDHA:2014:14470 ECLI:NL:RBDHA:2014:14470 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 19-11-2014 Datum publicatie 15-04-2015 Zaaknummer 14_7761 OB Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste aanleg

Nadere informatie

8. De btw. 8.2. Aftrek van voorbelasting. De btw

8. De btw. 8.2. Aftrek van voorbelasting. De btw ..1. Inleiding Een ondernemer (ook als u een zelfstandig of een vrij beroep uitoefent ) die een auto gebruikt in het kader van zijn onderneming, rekent de auto veelal tot het ondernemingsvermogen. Daarom

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 403 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2013) Nr. 12 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 209 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van het bevorderen van de financiering van de eigen woning met eigen middelen (materiële

Nadere informatie

Naar aanleiding van uw brief van 21 januari 2013 heb ik de eer het volgende op te merken.

Naar aanleiding van uw brief van 21 januari 2013 heb ik de eer het volgende op te merken. Den Haag, 2 6 F E B 2013 Kenmerk: DGB 2013-384 Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 13/00280) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 december 2012, nr. 11/00501, X inzake

Nadere informatie

Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507

Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Besluit heffingsrente Directoraat-generaal Belastingdienst, Brieven en beleidsbesluiten Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507

Nadere informatie

EXAMENPROGRAMMA. Vakopleiding Bedrijfsadministratie & Accountancy (VBA ) Examen Belastingrecht niveau 6 Niveau

EXAMENPROGRAMMA. Vakopleiding Bedrijfsadministratie & Accountancy (VBA ) Examen Belastingrecht niveau 6 Niveau EXAMENPROGRAMMA Diplomalijn(en) Financieel-Administratief Diploma('s) Vakopleiding Bedrijfsadministratie & Accountancy (VBA ) Eamen Belastingrecht niveau 6 Niveau Vergelijkbaar met hbo Versie 1-0 Geldig

Nadere informatie

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden.

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden. beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter zittinghoudende te Utrecht zaaknummer: 2534388 UE VERZ 13805 GD/4243 Beschikking van 13 december 2013 inzake X wonende te Arnhem,

Nadere informatie

De koopoptie in de aanmerkelijkbelangregeling

De koopoptie in de aanmerkelijkbelangregeling Inkomstenbelasting DGA Master Nederlands Belastingrecht UVA De koopoptie in de aanmerkelijkbelangregeling Optie op nieuw uit te geven aandelen nader toegelicht Paul Ooms BSc Studentnummer: 5910277 Datum:

Nadere informatie

11-09-2015 21-09-2015 14/00330. Belastingrecht. Hoger beroep

11-09-2015 21-09-2015 14/00330. Belastingrecht. Hoger beroep ECLI:NL:GHSHE:2015:3523 http://deeplink. Deeplink Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch 11-09-2015 21-09-2015

Nadere informatie

Notitie. Aan de Griffier van de Vaste Commissie van Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Betreft: Bos en Lommerplein

Notitie. Aan de Griffier van de Vaste Commissie van Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Betreft: Bos en Lommerplein Notitie Aan de Griffier van de Vaste Commissie van Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Mr. R.W. Polak parlementair advocaat Mr. D.A. Hofland advocaat / belastingadviseur Mr R.J. Bondrager

Nadere informatie

Hoorcollege Directe Belastingen DB II Collegejaar 2014/2015

Hoorcollege Directe Belastingen DB II Collegejaar 2014/2015 Waarom een VBI of een FBI? De VBI en de FBI zijn faciliteiten die collectief belleggen faciliteren. Fiscaal bezien kan je ruwweg - (collectief) beleggen op twee manieren vormgeven. Een belastingplichtige

Nadere informatie

ECLI:NL:RBZWB:2014:747

ECLI:NL:RBZWB:2014:747 pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBZWB:2014:747 Instantie Datum uitspraak 31-01-2014 Datum publicatie 21-02-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden Rechtbank Zeeland-West-Brabant AWB-13_2158 Belastingrecht Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

KWADE TROUW VAN DE BELASTINGADVISEUR IN DE ZIN VAN ARTIKEL 16 AWR

KWADE TROUW VAN DE BELASTINGADVISEUR IN DE ZIN VAN ARTIKEL 16 AWR KWADE TROUW VAN DE BELASTINGADVISEUR IN DE ZIN VAN ARTIKEL 16 AWR Inleiding In artikel 16 AWR is bepaald dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijke wijs bekend had kunnen zijn geen grond voor

Nadere informatie

Inkomstenbelasting. Direct durfkapitaal. Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

Inkomstenbelasting. Direct durfkapitaal. Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten Inkomstenbelasting. Direct durfkapitaal Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten Besluit van 24 maart 2009, nr. CPP2009/170M, Stcrt. Nr. 68 De staatssecretaris

Nadere informatie

DenHaa9 '05JAN2010. Kenmerk: DGB 2009-6450

DenHaa9 '05JAN2010. Kenmerk: DGB 2009-6450 Qöd ^4co5 DenHaa9 '05JAN2010 Kenmerk: DGB 2009-6450 Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam X van 26 november 2009, nr. 08/00445, inzake IEËli ifai«ibaélsga^aili^i

Nadere informatie

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP VAN 16 november 1998

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP VAN 16 november 1998 BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP VAN 16 november 1998 Vonnisnummer : 1996-022 Datum : 16 november 1998 Rechters : mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink. Middel : Inkomstenbelasting Artikel : Belastingjaar

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2014:310

ECLI:NL:GHAMS:2014:310 pagina 1 van 6 ECLI:NL:GHAMS:2014:310 Instantie Datum uitspraak 30-01-2014 Datum publicatie 12-02-2014 Zaaknummer 12/00966 Rechtsgebieden Gerechtshof Amsterdam Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2014:16718

ECLI:NL:RBDHA:2014:16718 1 van 5 12-3-2015 13:25 ECLI:NL:RBDHA:2014:16718 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 03-06-2014 Datum publicatie 10-03-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 1201 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere

Nadere informatie

32 129 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

32 129 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 32 129 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) NOTA VAN WIJZIGING Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 1 Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

Nadere informatie

Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001

Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 , laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 20549 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3.31, 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52 van de Wet inkomstenbelasting

Nadere informatie

Feiten. Standpunt inspecteur

Feiten. Standpunt inspecteur Forse stijging van de pensioengrondslag in zicht van pensioeningangsdatum maakt pensioenregeling niet onzuiver! Pensioenpremie niet ingehouden op het loon toch aftrekbaar! Het Gerechtshof te Amsterdam

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 689 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 teneinde beleggingsinstellingen de mogelijkheid te bieden om vastgoed te ontwikkelen

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Print uitspraak

Rechtspraak.nl - Print uitspraak pagina 1 van 7 ECLI:NL:GHARL:2013:6083 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 06-08-2013 Datum publicatie 23-08-2013 Zaaknummer 13/00207 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:2728,

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amersfoort (hierna: de Inspecteur)

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amersfoort (hierna: de Inspecteur) Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 14/000542 uitspraakdatum: 27 januari 2015 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van

Nadere informatie

Datum 2 september 2013 Betreft Vragen van het lid Groot over studiereizen met privékarakter op kosten van de belastingbetaler.

Datum 2 september 2013 Betreft Vragen van het lid Groot over studiereizen met privékarakter op kosten van de belastingbetaler. > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl Inlichtingen

Nadere informatie

1.2. Bij uitspraken op de tijdig ingediende bezwaarschriften van appellant tegen de aanslagen heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

1.2. Bij uitspraken op de tijdig ingediende bezwaarschriften van appellant tegen de aanslagen heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd. BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 30 oktober 2003 Vonnisnummer : 2002/109-110 Datum : 30 oktober 2003 Rechters : mrs. Van Gijn, Groeneveld en Overgaauw Middel : Inkomstenbelasting en AVBZ Artikel : 16A Belastingjaar

Nadere informatie

Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK

Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK op het beroep van de Stichting X te Y tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid

Nadere informatie

U kunt daarbij denken aan kosten zoals notariskosten, taxatiekosten, afsluitprovisie en bijvoorbeeld de kosten voor de Nationale Hypotheekgarantie.

U kunt daarbij denken aan kosten zoals notariskosten, taxatiekosten, afsluitprovisie en bijvoorbeeld de kosten voor de Nationale Hypotheekgarantie. Oversluitkosten wel box 1! Meegefinancierde oversluitkosten: rente aftrekbaar Bij het oversluiten van een eigen woning hypotheek worden de oversluitkosten veelal meegefinancierd in de nieuwe hypotheek.

Nadere informatie

Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen. Herman M. Kappelle. 1. Wat wilde de wetgever bereiken?

Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen. Herman M. Kappelle. 1. Wat wilde de wetgever bereiken? Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen Herman M. Kappelle 1. Wat wilde de wetgever bereiken? Terzake van de wijzigingen van het fiscale regime van de kapitaalverzekeringen in de Wet IB 2001, had

Nadere informatie