Level 2. Curriculum Text. Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso. Holandés. Olandese. Curriculum Text.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Level 2. Curriculum Text. Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso. Holandés. Olandese. Curriculum Text."

Transcriptie

1 Nederlands Curriculum Text Level 2 dutch Level 2 Dutch Holandés Néerlandais Niederländisch Olandese Curriculum Text Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso RosettaStone.com RosettaStone.co.uk VERSION 2

2 Nederlands Level 2 Dutch Holandés Néerlandais Niederländisch Olandese Curriculum Text Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso VERSION 2

3 TRS-NED2-1.0 ISBN All information in this document is subject to change without notice. This document is provided for informational purposes only and Rosetta Stone Ltd. makes no guarantees, representations or warranties, either express or implied, about the information contained within the document or about the document itself. Rosetta Stone, Language Learning Success, and Dynamic Immersion, are trademarks of Rosetta Stone Ltd. Copyright 2007 Rosetta Stone Ltd. All rights reserved. Printed in the United States of America Rosetta Stone Harrisonburg, Virginia USA T (540) (800) in USA and Canada F (540) RosettaStone.com

4 Inhoud Tekst HOOFDSTUK NEGEN 9-01 Vergelijkingen: dezelfde hetzelfde en verschillend(e) Vragen stellen; Vragend voornaamwoord, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord Gewoon en ongewoon Aanspreekvormen: formeel en informeel, enkelvoud en meervoud Dood, levend, slapen, dromen, denken Persoonlijke voornaamwoorden: enkelvoud en meervoud Nodig hebben willen hebben; Lijdend en meewerkend voorwerp Lekker of mooi vinden, kiezen, aanbieden, raden Op kantoor Kunnen; Om hulp vragen Hoofdstuk 9 Herhaling... 9 HOOFDSTUK TIEN Opeenvolgende handelingen: schrijven, eten en wassen Gangbare omgangsvormen Reis en vervoer De was: wassen, drogen, vouwen en dragen Passief: verleden, tegenwoordige en toekomende tijd In de keuken en bij het eten; Apparaten en keukengerei Wassen, aankleden en verzorgen Maten: lengte, gewicht, volume, temperatuur en afstand Maten: temperatuur, snelheid, afstand en tijd Begroeting en gesprek; Omgangsvormen; Telefoongesprekken Hoofdstuk 10 Herhaling HOOFDSTUK ELF Inlichtingen en verzoeken; Vragen en antwoorden Passief: tegenwoordige, toekomende en voltooide tijd Kleding voor beroep, vrije tijd en klederdracht Gebaren, lichaamshouding en lichamelijke interactie Ingaan en uitgaan; Opendoen en dichtdoen; Weggaan en teruggaan Eenvoudige lichamelijke activiteiten Voertuigen en verkeerstekens; Naar boven en naar beneden Vragen en antwoorden in de tegenwoordige, verleden en toekomende tijd Bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden voor schade en verval; Actief en passief Infinitieven; Tegenstellingen: goed slecht, begin eind, goed fout Hoofdstuk 11 Herhaling... 21

5 HOOFDSTUK TWAALF Frequentie: altijd, soms, nooit, sommige, meestal, vaak, zelden Begrip, interesse en betekenis; Kunnen Reizen en bankhandelingen; Kunnen, moeten Wederkerende en verwante werkwoorden Geluiden Imperatief, uitroepen; Gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid Eten, drinken en verwante werkwoorden Vragen; Classificatie van dieren en gebouwen; Tien dingen om te lezen Aanvoegende wijs en bijzinnen Dierklassen, hun geslacht en wat ze doen Hoofdstuk 12 Herhaling HOOFDSTUK DERTIEN Kunnen en niet kunnen; Hoe weten we dat?; Bijzinnen Nieuwe werkwoorden Boodschappen doen; Winkels, prijzen en waarde Thuis en buitenshuis eten; Eten klaarmaken Boodschappen doen in de supermarkt Snel spreken; Vragen om langzaam te herhalen Opeenvolgende handelingen: een reis met de auto Om dingen vragen; Om hulp vragen Te groot, de juiste maat, te koud, te veel, te weinig Vergeten onthouden, verliezen finden, liegen de waarheid zeggen Hoofdstuk 13 Herhaling HOOFDSTUK VEERTIEN Winnen verliezen; Slagen zakken; Verstoppen zoeken vinden De vijf zintuigen; Smaak, geluid, gevoel, reuk, zicht Mensen, auto's; Tegenwoordige, verleden en toekomstige tijd Ziekte, gezondheid; Medische beroepen Modale hulpwerkwoorden Stoffen; Passief; Infinitief Meetkunde; Hoeken, lijnen, breuken en procenten Een bezoek aan de dokter Oorlog, wapens, legerafdelingen Voltooide handelingen; Schatting; Oorzaak Hoofdstuk 14 Herhaling... 42

6 HOOFDSTUK VIJFTIEN Emoties en het uitdrukken daarvan De kalender; Dagen en maanden Handbewegingen Tien nationaliteiten: personen, landen, talen Het schoolsysteem van basisschool tot universiteit Voor en na in tijd en plaats; Met elkaar en tegen elkaar; Nieuwe voorzetsels De Europese en Amerikaanse kalender In de klas; Rekenen Aardrijkskunde en windstreken Inspanning, succes, falen; Infinitief Hoofdstuk 15 Herhaling HOOFDSTUK ZESTIEN Het weer en passende kleding; Verdere tijdsaanduidingen Buitenshuis eten; Met een ober spreken; Modale werkwoorden Liefde en huwelijk Geschiedenis aan de hand van architectuur, kleding, techniek en het leger Politie, de wet en de gemeentelijke diensten Tijd: vroeg laat; Bijzinnen Geschiedenis en aardrijkskunde: van Rome tot nu Beroemde namen Mogelijkheid, onmogelijkheid, toeval en waarschijnlijkheid; Infinitief Het beschrijven van voorwerpen en het aangeven van voorkeuren Hoofdstuk 16 Herhaling HOOFDSTUK ZEVENTIEN Moppen Moppen Moppen Moppen Moppen Moppen Moppen Moppen Moppen Moppen

7 HOOFDSTUK ACHTTIEN School Elektronische apparatuur en huishoudelijke apparaten Delen van het huis en meubilair Lichaamsdelen Gebouwen Kleding Landen Dieren Planten Eten en drinken HOOFDSTUK NEGENTIEN Auto-onderdelen Aardrijkskunde Keukengerei Beroepen Sport en spel Gereedschap Groente en fruit Voertuigen Kantoor Wiskunde Alfabet Woordenlijst

8 TEKST

9 9-01 Vergelijkingen: dezelfde hetzelfde en verschillend(e) 01 Deze bloemen hebben dezelfde kleur. Deze bloemen hebben verschillende kleuren. Deze soorten vissen zijn hetzelfde. Deze soorten vissen zijn verschillend. 02 De kinderen springen op hetzelfde moment. De kinderen springen op verschillende momenten. Deze twee kledingstukken zijn gemaakt van dezelfde stof. Deze twee kledingstukken zijn gemaakt van verschillende stoffen. 10 Welke mensen zijn even oud en even lang en van hetzelfde geslacht? Welke mensen zijn even oud en van hetzelfde geslacht, maar niet even lang? Welke mensen zijn even lang en van hetzelfde geslacht, maar niet even oud? Welke mensen zijn van hetzelfde geslacht, maar niet even oud of even lang? 03 De stukjes metaal hebben beide dezelfde vorm. De stukjes metaal hebben verschillende vormen. Deze soorten dieren zijn verschillend. Deze soorten dieren zijn hetzelfde. 04 Deze mensen zijn even lang. Ze zijn allebei 1,67 m. Deze mensen zijn niet even lang. De ene persoon is langer dan de andere. Deze soorten voertuigen zijn hetzelfde. Deze soorten voertuigen zijn verschillend. 05 Deze mensen hebben dezelfde kleur ogen. Deze mensen hebben een verschillende kleur ogen. Deze wielen zijn even groot. Deze wielen zijn niet even groot. 06 Dit zijn mensen van hetzelfde geslacht. Het zijn allemaal mannen. Dit zijn mensen van verschillend geslacht. De een is een man en de ander is een vrouw. Het waterpeil in deze flessen is hetzelfde. Het waterpeil in deze flessen is verschillend. 07 Deze boeken zijn even dik. Deze boeken zijn niet even dik. Er zitten verschillende hoeveelheden water in. Er zit dezelfde hoeveelheid water in. 08 Deze mensen gaan dezelfde kant op. Deze mensen gaan verschillende kanten op. Deze soorten vloeistoffen zijn hetzelfde. Deze soorten vloeistoffen zijn verschillend. 09 Deze mensen zijn even oud. Ze zijn allebei twintig jaar. Deze mensen zijn niet even oud. De een is ouder dan de ander. Deze vloeistoffen zitten in dezelfde soort fles. Deze vloeistoffen zitten niet in dezelfde soort fles. 3

10 9-02 Vragen stellen; Vragend voornaamwoord, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 01 Wat is dat? Dat is een brug. Wat is dat? Dat is een auto. Wat is dit? Dit is een banaan. Wat is dit? Dit is een stuk papier. 02 Wie is dat? Dat is Roos. Wie is dat? Dat is Jan. Waar is mijn notitieboekje? Hier is het. Waar is mijn jas? Hier is hij. 03 Wie is dat? Ik weet het niet. Waar zijn we? Ik weet het niet. Welke kant moeten we op? Ik weet het niet. Zij zegt deze kant op en hij zegt die kant op. Wat is dit? Ik weet het niet. 04 Waarom is zij nat? Omdat ze uit het zwembad komt. Waarom ligt zij in bed? Omdat ze slaapt. Waarom ligt zij in bed? Omdat ze ziek is. Waarom schreeuwt zij? Omdat ze pijn heeft. 05 Waarom ligt zij in bed? Wie weet? Wat is dat? Dat is een fiets. Wat is dit? Wie weet? Welke kant moet ik op? U moet die kant op. 06 Hoe heet u? Ik heet Marlies Terveen. Hoe heet u? Ik heet Jan Minderhoud. Waar gaat u heen? Ik ga boodschappen doen. Waar gaat u heen? Ik ga een eindje rijden. 07 Van wie is deze auto? Dit is zijn auto. Van wie is deze auto? Dit is mijn auto. Van wie is dit boek? Dat is mijn boek. Van wie is dit boek? Ik weet het niet. 08 Welke kant moeten we op? We moeten die kant op. Welk overhemd vind jij mooi? Ik vind het witte overhemd mooi. Welk stuk wil je? Ik wil dit stuk. Welke hand kies je? Ik kies deze hand. 09 Hoe spel je dit? V O G E L Hoe spel je dit? H O N D Hoe spel je dit? A U T O Hoe spel je dit? M E I S J E 10 Hoe laat eten de meeste mensen s ochtends? De meeste mensen ontbijten om half acht. Hoe laat eten de meeste mensen s middags? De meeste mensen lunchen om 12 uur. Hoe laat eten de meeste mensen s avonds? De meeste mensen dineren om 7 uur. Hoe laat gaan de meeste mensen naar bed? De meeste mensen gaan s avonds om 11 uur naar bed. 4

11 9-03 Gewoon en ongewoon 9-04 Aanspreekvormen: formeel en informeel, enkelvoud en meervoud 01 Dit is geen normale grootte voor een paard. Dit is de normale grootte voor een paard. De bus staat op zijn normale plaats. De bus staat niet op zijn normale plaats. 02 Dit is de gebruikelijke lengte voor een mannenkapsel. Dit is geen gebruikelijke lengte voor een mannenkapsel. Deze boot ligt op een voor een boot gebruikelijke plaats. Deze boot ligt niet op een voor een boot gebruikelijke plaats. 03 Dit is een gewone haarkleur. Dit is een ongewone haarkleur. Dit is een gewone kleur voor een schaap. Dit is een ongewone kleur voor een schaap. 04 Dit is een gebruikelijk vervoermiddel. Dit is een ongebruikelijk vervoermiddel. een gewoon gebouw een ongewoon gebouw 05 Gezichten zien er meestal zo uit. Gezichten zien er meestal niet zo uit. Dit was vroeger een gebruikelijke manier om te reizen. Dit is nu een gebruikelijke manier om te reizen. 06 Dit is een gewone diersoort. Dit is een zeldzame diersoort. Deze diersoort is uitgestorven. Deze diersoort bestaat niet. 07 Dit is een zeldzame steen. Dit is een gewone steen. Dit is een zeldzaam dier. Dit is een gewoon dier. 08 Dit is een gewone plaats om te werken. Dit is een ongewone plaats om te werken. Deze hond is niet aangekleed. Dat is gewoon. Deze hond is aangekleed. Dat is niet gewoon. 09 Zijn kleding is geschikt voor een kantoorbaan. Zijn kleding is niet geschikt voor een kantoorbaan. Zijn kleding is geschikt voor op de maan. Zijn kleding is niet geschikt voor op de maan. 10 Dit is een gewoon stuk gereedschap, maar het is niet het geschikte. Dit is een gewoon stuk gereedschap en het is het geschikte. Dit is een gebruikelijke plaats om te studeren. Dit is een ongebruikelijke plaats om te studeren Meneer Willemse, komt u eens even kijken. Komt u binnen, mevrouw Peters. Pardon mevrouw, is dit van u? Heeft u zich bezeerd, mevrouw Smit? 02 Kom eens even kijken. Kom binnen. Is dit van jou? Heb jij je bezeerd? 03 Komen jullie eens even kijken. Komen jullie binnen. Zijn deze van jullie? Hebben jullie je bezeerd? 04 Komt u eens even kijken. Komt u binnen. Zijn deze van u? Heeft u zich bezeerd, mevrouw Roberts? 05 Pas op! Kijk eens! Wacht even op mij! Gooi maar naar mij. 06 Past u op! Kijkt u eens. Meneer Thomassen, wacht u even op mij! Pardon, kunt u mij zeggen hoe laat het is? 07 Mag ik uw bestelling opnemen, mevrouw? Brengt u mij maar een salade, alstublieft. Henk, wil je wat peper? Ja graag, mag ik de peper even, Roos? 08 Niet aankomen! Het is heet! Voorzichtig daarmee! Het is scherp! Kunnen jullie mij helpen? Kunt u me zeggen waar het toilet is? 09 Mag ik u wat vragen, meneer? Mag ik je wat vragen, mam? Kun je dat even voor me pakken, mam? Kunt u dat even voor me pakken, meneer Anders? 10 Joop, kun je me helpen? Aangenaam met u kennis te maken. Deze kant op, alstublieft. Suzan, kan ik je helpen?

12 9-05 Dood, levend, slapen, dromen, denken 01 De bladeren leven. De bladeren zijn dood. een levende olifant een dode olifant 02 Deze olifant is echt, maar hij is dood. Deze olifant is echt en hij leeft. De vogel is niet dood en niet levend. De vogel is niet echt. Deze vogel is echt. Hij leeft. 03 De man leest een boek. De man denkt aan een boek. De vrouw eet een appel. De vrouw denkt aan een appel. 04 Ze slaapt. Ze droomt niet. Ze droomt. Hij denkt. Hij droomt. 05 Denkt de man? Ja, hij denkt. Droomt de man? Ja, hij droomt. Leven de mensen? Ja, ze leven. Zijn de mensen dood? Ja, ze zijn dood. 06 De man denkt na over een rekensom. De man denkt na over een schaakspel. De vrouw denkt na. De vrouw spreekt. 07 Waar denkt de man aan? Hij denkt aan vissen. Waar denkt de vrouw aan? Ze denkt aan paardrijden. Waar denk jij aan? Ik denk aan paardrijden. Waar denk jij aan? Ik denk aan vissen. 08 Hij denkt. Hij werkt. Hij droomt. Hij slaapt, maar hij droomt niet. 09 Leven deze mensen? Ja, ze leven. Leven deze bladeren? Nee, ze zijn dood. Leven deze mensen? Nee, ze zijn dood. Leven deze bladeren? Ja, ze leven. 10 Ze rekt zich uit. Ze gaapt. Ze slaapt, maar ze droomt niet. Ze droomt Persoonlijke voornaamwoorden: enkelvoud en meervoud 01 Ik draag een rood T-shirt. Jij draagt een blauw T-shirt. Jij draagt een rood T-shirt. Hij draagt een groen T-shirt. Wij dragen rode T-shirts. Zij dragen groene T-shirts. Zij dragen rode T-shirts. 02 Ik draag een rood T-shirt. Jij draagt een rood T-shirt. Wij dragen rode T-shirts. Zij dragen rode T-shirts. 03 Zij dansen. Jij danst. Wij dansen. Zij danst. 04 Ik geef jou een boek. Ik geef haar een boek. Zij geven haar een boek. Zij geven ons een boek. 05 Ik ga de winkel in. Jij gaat de winkel in. Wij gaan de winkel in. Zij gaan de winkel in. 06 Ik geef hem een jas. Jij geeft hem een jas. Zij geven hem een jas. Wij geven hem een jas. 07 Ik geef jou een doos. Jij geeft hun een doos. Hij geeft ons een doos. Wij geven jullie een doos. 08 Zij krijgen koffie van haar. Zij krijgen koffie van hem. Zij geeft hem een overhemd. Zij geeft haar een overhemd. 09 Jij geeft mij geld. Ik geef jou geld. Wij geven jou geld. Jij geeft ons geld. 10 Jij bent groter dan ik. Jij bent groter dan zij. Jullie zijn even groot. Zij is groter dan hij. 6

13 9-07 Nodig hebben willen hebben; Lijdend en meewerkend voorwerp 01 Zij wil de koffie. Zij wil de koffie niet. Hij wil een appel. Hij wil geen appel. 02 Ik heb een overhemd nodig. Ik heb schoenen nodig. Ik heb hulp nodig. Jij hebt dit medicijn nodig. 03 een raket een paspoort geld een stok 04 Dit heb je nodig om in de ruimte te reizen. Dit heb je nodig om naar andere landen te reizen. Dit heb je nodig om dingen te kopen. Dit heb je nodig als je ouder wordt. 05 Mensen willen graag juwelen hebben, maar ze hebben ze niet nodig. Mensen willen graag eten hebben en dat hebben ze nodig. Mensen hebben soms medicijnen nodig, maar ze willen ze niet altijd graag hebben. Mensen hebben geen afval nodig en ze willen het ook niet graag hebben. 06 Dit is iets wat mensen graag willen hebben, maar niet nodig hebben. Dit is iets wat mensen graag willen hebben en nodig hebben. Dit is iets wat mensen soms nodig hebben, maar niet altijd graag willen hebben. Dit is iets wat mensen niet nodig hebben en niet graag willen hebben. 07 Zij geven hem het boek. Wij geven haar het paspoort. Zij geeft ons het paspoort. Hij geeft hun het boek. 08 Ik wil dit speelgoed niet hebben. Zij willen het speelgoed graag hebben. Willen jullie het speelgoed graag hebben? Wij willen het speelgoed graag hebben. 09 Zij heeft een ladder nodig om bij het raam te komen. Zij heeft geen ladder nodig om bij het raam te komen. Zij wil hem de handdoek geven. Zij wil hem de handdoek niet geven. 10 Kun je me de jas aangeven? Kun je me dragen? Gooi de bal naar mij toe. Gooi de bal naar hem toe Lekker of mooi vinden, kiezen, aanbieden, raden 01 De jongen vindt het snoep lekker. Het meisje vindt het snoep lekker. De jongen vindt het snoep niet lekker. Het meisje vindt het snoep niet lekker. 02 De jongen vindt de hoed niet mooi. De jongen vindt de hoed mooi. De vrouw vindt de jurk niet mooi. De vrouw vindt de jurk mooi. 03 De man kiest uit wat hij wil eten. De man kiest uit wat hij wil dragen. De man kiest uit wat hij wil lezen. De man kiest uit wat hij wil kopen. 04 Hij biedt iets aan. Hij neemt iets aan. Zij biedt iets aan. Zij neemt iets aan. 05 Hij biedt haar een glas frisdrank aan. Zij besluit om het glas frisdrank aan te nemen. Zij besluit om het glas frisdrank niet aan te nemen. Zij biedt hem een glas frisdrank aan. 06 Er zijn drie petten. De man verstopt een erwt onder de zwarte pet. De jongen denkt dat de erwt onder de bruine pet ligt. Hij wijst naar de pet. De erwt ligt niet onder de bruine pet. 07 De jongen probeert te raden of de erwt onder de roze pet ligt. De jongen probeert te raden of de erwt onder de bruine pet ligt. De jongen probeert te raden of de erwt onder de zwarte pet ligt. De jongen denkt na welke pet hij moet kiezen. 08 De jongen kan kiezen welk fruit hij eet. De jongen kan niet kiezen welk fruit hij eet. De jongen kan kiezen welk boek hij leest. De jongen kan niet kiezen welk boek hij leest. 09 De jongen en het meisje vinden elkaar aardig. De jongen en het meisje vinden elkaar niet aardig. De jongen kiest iets van het blad. De jongen kiest niets van het blad. 10 De man probeert te raden. De man kiest een boek uit. De man laat haar het overhemd zien. De man kiest een overhemd uit.

14 9-09 Op kantoor 9-10 Kunnen; Om hulp vragen 01 Ze typt op de computer. Ze typt op de typemachine. Ze doet een diskette in de computer. Ze doet papier in de prullenmand. 02 Ze gebruikt een muis. Ze niet enige vellen papier aan elkaar. Ze doet enige vellen papier aan elkaar met een paperclip. Ze doet papier in de kopieermachine. 03 De telefoon gaat. Ze neemt de telefoon op. Ze neemt een boodschap aan. Ze hangt op. 04 Julia kopieert een vel papier. Ze verstuurt een fax. Julia doet papier in de printer. Ze typt. 05 Ze legt een pakje op de weegschaal. Ze meet het pakje. Julia likt aan een postzegel. Ze bergt een map op in de archiefkast. 06 Ze weegt iets. Ze meet iets. Julia doet een postzegel op het pakje. Julia bergt iets op. 07 De doos weegt ongeveer een kilo. De doos weegt ongeveer 20 kilo. De doos is 60 centimeter lang. De doos is 40 centimeter breed. 08 Ik zoek een telefoonnummer op. Ik zoek een woord op in het woordenboek. Ze kijkt naar het beeldscherm. Ze zoekt iets onder het bureau. 09 Julia spreekt met iemand aan de telefoon. Ze hangt op. Julia draait een telefoonnummer. Ze gaat de telefoon opnemen. 10 Ze schrijft een cheque. Ze maakt een brief open. Julia plakt een doos dicht. Julia maakt een doos open Deze vrouw kan zien. Deze vrouw kan niet zien. Deze man kan praten. Deze man kan niet praten. 02 De man kan horen. De man kan niet horen. De vrouw kan ruiken. De vrouw kan niet ruiken. 03 Het meisje helpt haar vriend om op te staan. Het meisje helpt haar vriend niet om op te staan. Het meisje helpt haar vriend om de bank op te tillen. Het meisje helpt haar vriend niet om de bank op te tillen. 04 Het meisje tilt de stoel alleen op. Het meisje vraagt hulp bij het optillen van de stoel, omdat ze hem niet alleen kan optillen. Het meisje probeert de kast alleen te verschuiven. Het meisje krijgt hulp bij het verschuiven van de kast, omdat ze hem niet alleen kan verschuiven. 05 Jeannette kan de deur open maken. Jeannette kan de deur niet open maken. Michiel kan Jeannette helpen de deur open te maken. Hij heeft de sleutel. Michiel kan Jeannette niet helpen de deur open te maken. Hij heeft geen sleutel. 06 Kun je me helpen op te staan, alsjeblieft? Kun je me helpen deze piano op te tillen, alsjeblieft? Kun je me helpen dit kleed te dragen, alsjeblieft? Kun je me helpen het speelgoed te pakken, alsjeblieft? 07 De jongen kan de zonnebril niet alleen pakken, maar met hulp kan hij hem pakken. De jongen kan het kleed niet alleen dragen, maar als de vrouw hem helpt kan hij het dragen. De man kan het kleed alleen dragen. De jongen kan de zonnebril alleen pakken. 08 Hij helpt haar om op te staan. Zij helpt hem om op te staan. Zij helpt hem niet om op te staan. Hij helpt haar niet om op te staan. 09 Ze probeert de bank alleen op te tillen. Ze vraagt hulp om de bank op te tillen. Iemand helpt haar de bank op te tillen. Ze vraagt hulp om de kast op te tillen. 10 Ik heb hulp nodig. Ik heb geen hulp nodig. Heb je hulp nodig? Het spijt me, ik kan je niet helpen.

15 9-11 Hoofdstuk 9 Herhaling 01 Welke mensen zijn even oud en even lang en van hetzelfde geslacht? Welke mensen zijn even oud en van hetzelfde geslacht, maar niet even lang? Welke mensen zijn even lang en van hetzelfde geslacht, maar niet even oud? Welke mensen zijn van hetzelfde geslacht, maar niet even oud of even lang? 02 Waarom ligt zij in bed? Wie weet? Wat is dat? Dat is een fiets. Wat is dit? Wie weet? Welke kant moet ik op? U moet die kant op. 09 Julia spreekt met iemand aan de telefoon. Ze hangt op. Julia draait een telefoonnummer. Ze gaat de telefoon opnemen. 10 Ze probeert de bank alleen op te tillen. Ze vraagt hulp om de bank op te tillen. Iemand helpt haar de bank op te tillen. Ze vraagt hulp om de kast op te tillen. 03 Dit is een gewoon stuk gereedschap, maar het is niet het geschikte. Dit is een gewoon stuk gereedschap en het is het geschikte. Dit is een gebruikelijke plaats om te studeren. Dit is een ongebruikelijke plaats om te studeren. 04 Joop, kun je me helpen? Aangenaam met u kennis te maken. Deze kant op, alstublieft. Suzan, kan ik je helpen? 05 Waar denkt de man aan? Hij denkt aan vissen. Waar denkt de vrouw aan? Ze denkt aan paardrijden. Waar denk jij aan? Ik denk aan paardrijden. Waar denk jij aan? Ik denk aan vissen. 06 Denkt de man? Ja, hij denkt. Droomt de man? Ja, hij droomt. Leven de mensen? Ja, ze leven. Zijn de mensen dood? Ja, ze zijn dood. 07 Ik geef hem een jas. Jij geeft hem een jas. Zij geven hem een jas. Wij geven hem een jas. 08 De man probeert te raden. De man kiest een boek uit. De man laat haar het overhemd zien. De man kiest een overhemd uit. 9

16 10-01 Opeenvolgende handelingen: schrijven, eten en wassen 01 Marijke denkt erover om Laura een brief te schrijven. Marijke pakt een blad papier. Marijke pakt een envelop. Marijke pakt een pen. 02 Marijke schrijft een brief. Marijke vouwt de brief. Ze doet de brief in de envelop. Ze adresseert de envelop. 03 Marijke pakt een postzegel. Marijke likt aan de postzegel. Ze plakt de postzegel op de envelop. Ze likt aan de envelop. 04 Marijke plakt de envelop dicht. Marijke legt de envelop bij de andere enveloppen. Ze opent de brievenbus. Ze doet de brief in de brievenbus. 05 Ik heb honger. Marijke gaat naar de koelkast en doet de deur open. Er ligt iets te eten. Marijke pakt het eten. 06 Marijke doet de deur van de koelkast dicht. Marijke doet de deur van de magnetron open. Ze doet het eten in de magnetron. Ze doet de deur van de magnetron dicht. 07 Marijke zet de magnetron aan. Marijke pakt het eten eruit. Ze snijdt het eten. Ze eet het eten op. 08 Martine s gezicht is vies. Martine gaat naar de badkamer. Ze pakt een waslapje. Ze pakt de zeep. 09 Martine zet de kraan open. Martine maakt het waslapje nat. Ze doet zeep op het waslapje. Ze wast haar gezicht. 10 Martine spoelt de zeep uit het waslapje. Martine wast de zeep van haar gezicht. Ze droogt haar gezicht af met een handdoek. Ze hangt de handdoek op Gangbare omgangsvormen 01 Hallo. Tot ziens. Hoe gaat het? Goed, dank u. Hoe gaat het met u? Het is voor jou. Dank je wel. 02 Ik heet Karel. Mijn adres is Westerstraat 486. Mijn telefoonnummer is Ik ben jarig op 28 juni. 03 Wat is uw telefoonnummer? Dank je wel! Tot ziens! Pardon. 04 Wacht u maar niet op mij. Wat is uw telefoonnummer? Komt u binnen. Neemt u me niet kwalijk. 05 Nee, dank u. Ja, graag. Kan ik je helpen? Kunt u me alstublieft helpen? 06 Wie is dat daar? Daar? Dat is Suzan. Suzan, dit is Hans. Hans, dit is Suzan. Aangenaam, Hans. Aangenaam, Suzan. 07 Hoe heet je? Ik heet Peter. Hoe heet jij? Ik heet Marjan. Dit is voor jou, Yvonne. Dank je wel, Paul. 08 Hallo Rita. Hallo Vincent, hoe gaat het? Goed, Rita, en hoe gaat het met jou? Prima, Vincent, dank je. 09 Gefeliciteerd! Ga zitten. Met Hans. Kun je me dat aangeven, alsjeblieft? 10 Neem me niet kwalijk. Tot ziens. Dank je. Alsjeblieft.

17 10-03 Reis en vervoer De was: wassen, drogen, vouwen en dragen 01 Dit is een luchthaven. Dit is bagage. Dit zijn tickets. De man checkt zijn bagage in. 02 Hoe laat komt de trein aan? De trein komt om tien uur aan. Hoe laat vertrekt deze trein? Deze trein vertrekt om kwart over tien. 03 Het vliegtuig stijgt op. Het vliegtuig landt. Het vliegtuig taxiet over de startbaan. Dit vliegtuig staat bij de gate. 04 Dit is een parkeerplaats. Dit is een taxi. Deze man is een kruier. Deze man is een piloot. 05 Hij heeft vakantie nodig. Zij zijn niet op vakantie. Ze werken. Hij is op vakantie. Zij zijn op vakantie. 06 Dit is een treinstation. Deze mensen staan in de rij om een kaartje te kopen. Deze persoon draagt bagage. Dit is een busstation. 07 De trein komt aan. De trein vertrekt. De bus komt aan. De bus vertrekt. 08 Deze mensen staan in de rij voor de kassa in een supermarkt. Deze mensen staan in de rij voor de bus. Deze mensen wachten niet meer op de bus. Deze persoon staat niet in de rij. 09 Er staan veel mensen op de bus te wachten. Deze passagiers zitten. Dit is een buschauffeur. Dit is een metropassagier. 10 een piloot een bestuurder een passagier bagage 01 Bob denkt erover zijn was te doen. Bob doet zijn kleren in een wasmand. Hij draagt de kleren naar de wasmachine. Hij legt de kleren naast de wasmachine. 02 Bob doet de klep van de wasmachine open. Bob doet de kleren in de wasmachine. Hij doet het wasmiddel in de wasmachine. Hij doet de klep van de wasmachine dicht. 03 Bob zet de wasmachine aan. Bob doet de klep van de wasmachine open. Bob haalt de natte kleren uit de wasmachine. Bob doet de natte kleren in de wasmand. 04 Dit is een droger. Dit is een wasknijper. Bob gebruikt wasknijpers om een overhemd aan de waslijn te hangen. Bob gebruikt wasknijpers om een broek aan de waslijn te hangen. 05 Bob opent de deur van de droger. Bob doet de natte kleren in de droger. Bob doet de deur van de droger dicht. Bob doet de droge kleren in de wasmand. 06 Deze sokken passen bij elkaar. Deze sokken passen niet bij elkaar. Deze kleren passen bij elkaar. Deze kleren passen niet bij elkaar. 07 Bob vouwt de waslapjes op. Bob vouwt de handdoek op. Bob zoekt de sokken bij elkaar. Bob vouwt de sokken op. 08 Bob strijkt het overhemd. Bob naait een knoop aan het overhemd. Bob hangt het overhemd op een hanger. Bob hangt het overhemd in de kast. 09 Dit overhemd wordt ondersteboven gedragen. Dit overhemd wordt binnenstebuiten gedragen. Dit overhemd wordt achterstevoren gedragen. Dit overhemd wordt normaal gedragen. 10 Hij draagt vrijetijdskleding die past. Hij draagt nette kleding die niet past. Hij draagt vrijetijdskleding die niet past. Hij draagt nette kleding die past. 11

18 10-05 Passief: verleden, tegenwoordige en toekomende tijd In de keuken en bij het eten; Apparaten en keukengerei 01 De vrouw wordt door het meisje getrokken. De vrouw trekt het meisje. Het haar van de man wordt door de vrouw geborsteld. De man borstelt het haar van de vrouw. 02 Het haar van de vrouw wordt door het meisje gekamd. Het haar van het meisje wordt door de vrouw gekamd. Het haar van de man wordt door de vrouw gekamd. Het haar van de vrouw wordt door de man gekamd. 03 De man wordt door de vrouw gekust. De vrouw wordt door de man gekust. Het paard wordt door de vrouw gekust. De man en de vrouw kussen elkaar. 04 De man zal door de jongen getrokken worden. De man wordt door de jongen getrokken. De man trekt de jongen. De man zal de jongen trekken. 05 De man wordt gekust. Hier wordt geen man gekust. Hier wordt een paard gekust. De man is gekust. De man is niet gekust. 06 Het bord is gebroken. Het bord is niet gebroken. De vrouw is gekust. De vrouw is niet gekust. 07 De jongen zal gegooid worden. De jongen wordt gegooid. De jongen is gegooid. De jongen zal iets gooien. 08 Het bord zal niet op de grond worden gegooid. Het bord zal op de grond worden gegooid. Het bord wordt op de grond gegooid. Het bord is op de grond gegooid. 09 Deze lap zal gescheurd worden. Deze lap wordt gescheurd. Deze lap is gescheurd. Deze lappen zullen niet gescheurd worden. 10 Het haar van de man wordt door de vrouw geknipt. Het haar van de vrouw wordt door de man geknipt. De klep van de wasmachine wordt door de man opengedaan. De klep van de wasmachine wordt door de man dichtgedaan Ze zijn nog niet begonnen met eten. Ze zijn aan het eten. Ze zijn klaar met eten. Er staat geen eten op tafel. 02 Er is nog niemand aan het eten. Ze gebruikt geen maaltijd. Ze eet een snack. Ze gebruiken een maaltijd. Hij gebruikt geen maaltijd. Hij eet een snack. 03 Anneke zet de afwas in de gootsteen. Anneke doet de afwas met een spons. Anneke spoelt de afwas af. Anneke droogt af. 04 Ze schenkt de melk in een maatbeker. Ze schenkt de melk in een glas. Ze warmt de melk op. Ze heeft de melk gemorst. 05 Het water staat te koken. De aardappels liggen te poffen. De uien staan te bakken. De tomaten worden niet gekookt. 06 De aardappels staan te koken. De aardappels staan te bakken. De aardappels liggen te poffen. De aardappels worden niet gekookt. 07 Ze zet de melk in de koelkast. Ze zet de aardappels in de oven. Hij schenkt de melk in de pan. Hij zet aardappels in de magnetron. 08 Zij zet eten in de kast. Zij zet de pan op het fornuis. Zij zet de cakepan in de oven. Zij zet eten in de koelkast. 09 Iemand roert iets. Iemand snijdt iets. Iemand wast iets. Iemand droogt iets af. 10 Sanne gebruikt een lepel. Sanne gebruikt een doekje. Sanne gebruikt een mes. Sanne gebruikt een vork.

19 10-07 Wassen, aankleden en verzorgen Maten: lengte, gewicht, volume, temperatuur en afstand 01 Hij scheert zich. Hij neemt een douche. Hij neemt een bad. Hij wast zijn handen. 02 Ze droogt haar haar. Ze neemt een bad. Ze neemt een douche. Ze maakt zich op. 03 De jongen maakt de wastafel schoon. De jongen maakt het bad schoon. De jongen maakt de vloer schoon. De jongen maakt de tafel schoon. 04 Iemand strijkt een broek. Zij naait een knoop aan. Hij repareert een overhemd. Iemand strijkt een overhemd. 05 Ze gebruikt een waslapje. Ze is zich aan het wassen. Ze gebruikt een bezem. Ze is aan het vegen. De man gebruikt een scheermesje. Hij is zich aan het scheren. De man gebruikt zeep. Hij wast zijn handen. 06 Zij draagt een badjas. Hij draagt pantoffels. Hij draagt een pyjama. Zij draagt een nachtpon. 07 De jongen gebruikt een waslapje om zijn gezicht te wassen. De jongen gebruikt een tandenborstel om zijn tanden te poetsen. Zij gebruikt een kam om haar haar te kammen. Zij gebruikt een spiegel om zich op te maken. 08 Zij lakt haar nagels. Zij doet tandpasta op de tandenborstel. Zij poetst haar tanden. Zij doet lippenstift op. 09 Hij doet after-shave op. Hij is aan het strijken. Zij doet parfum op. Zij knipt haar nagels. 10 Zij gebruikt een bezem. Hij gebruikt een scheermesje. Hij draagt een pyjama. Zij draagt een badjas. 01 een liniaal een kaart een snelheidsmeter een thermometer 02 een weegschaal een klok een kilometerteller een maatbeker 03 Een liniaal wordt gebruikt om lengte te meten. Een kaart wordt gebruikt om afstanden tussen steden te meten. Een snelheidsmeter wordt gebruikt om snelheid te meten. Een thermometer wordt gebruikt om temperatuur te meten. 04 Een weegschaal wordt gebruikt om gewicht te meten. Een klok wordt gebruikt om tijd te meten. Een kilometerteller wordt gebruikt om afstand te meten. Een maatbeker wordt gebruikt om volume te meten. 05 Men gebruikt dit om gewicht te meten. Men gebruikt deze beide om tijd te meten. Men gebruikt dit om afstand te meten. Men gebruikt deze beide om volume te meten. 06 Men gebruikt dit om temperatuur te meten. Men gebruikt dit om snelheid te meten. Men gebruikt dit alleen om volume te meten. Men gebruikt dit om volume en prijs te meten. 07 Het linker potlood is korter dan het rechter potlood. Het linker potlood is langer dan het rechter potlood. Het brood bovenop is langer dan het brood onderop. Het brood bovenop is korter dan het brood onderop. 08 Dit potlood is vijftien centimeter lang. Dit potlood is tien centimeter lang. Het brood is zestig centimeter lang. Het brood is dertig centimeter lang. 13

20 10-08 Vervolg Maten: temperatuur, snelheid, afstand en tijd 09 Parijs en Londen liggen dichter bij elkaar dan Parijs en Madrid. Madrid en Londen liggen verder uit elkaar dan Madrid en Parijs. De kleine munten liggen dichter bij elkaar dan de grote munten. De kleine munten liggen verder uit elkaar dan de grote munten. 10 Het is 1030 kilometer van Parijs in Frankrijk naar Barcelona in Spanje. Het is 545 kilometer van Parijs in Frankrijk naar Bern in Zwitserland. Het is 4370 kilometer van Mexico-Stad in Mexico naar Lima in Peru. Het is 2040 kilometer van Tokyo naar Beijing. 01 Dit water heeft een hoge temperatuur. Dit water heeft een lage temperatuur. Deze doos weegt veel. Deze doos weegt weinig. 02 Dit water is 100 graden Celsius. Dit water is 0 graden Celsius. Deze doos weegt een halve kilo. Deze doos weegt dertig kilo. 03 Deze auto rijdt 80 kilometer per uur. Deze auto rijdt 40 kilometer per uur. Deze auto heeft kilometer gereden. Deze auto heeft kilometer gereden. 04 Deze auto rijdt meer dan zestig, maar minder dan negentig kilometer per uur. Deze auto rijdt minder dan zestig, maar meer dan dertig kilometer per uur. Deze auto heeft meer dan kilometer gereden. Deze auto heeft minder dan kilometer gereden. 05 Deze stopwatch geeft vijf seconden aan. Deze stopwatch geeft tien seconden aan. Deze klok geeft twee uur later dan drie uur aan. Deze klok geeft vijftien minuten later dan drie uur aan. 06 twee uur vroeger dan zes uur twee uur later dan zes uur drie uur vroeger dan zes uur drie uur later dan zes uur 07 Het verschil in tijd tussen deze twee klokken is een uur. Het verschil in tijd tussen deze twee klokken is twee uur. Het verschil in tijd tussen deze twee klokken is 50 minuten. Het verschil in tijd tussen deze twee klokken is 35 minuten. 08 Dit is een periode van 10 jaar. Dat is een decennium. Dit is een periode van 20 jaar. Dit is een periode van 40 jaar. Dit is een periode van 100 jaar. Dat is een eeuw. 09 Dit is het aantal dagen in een jaar. Dit is het aantal weken in een jaar. Dit is het aantal maanden in een jaar. Dit is het aantal uren in een jaar. 10 Dit is een eeuw. Dit zijn drie eeuwen. Dit is minder dan een eeuw. Dit zijn tien eeuwen. Dat is een millennium. 14

Nederlands オランダ 語 レベル 2. Curriculum Text カリキュラム テキスト. dutch. Version 2

Nederlands オランダ 語 レベル 2. Curriculum Text カリキュラム テキスト. dutch. Version 2 Nederlands レベル 2 オランダ 語 dutch カリキュラム テキスト Curriculum Text Version 2 Nederlands レベル 2 オランダ 語 dutch カリキュラム テキスト Curriculum Text Version 2 TRW-NED2-1.0 ISBN 978-1-58022-054-5 All information in this document

Nadere informatie

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 MEMORY WOORDEN 1.1 TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 ik jij hij zij wij jullie zij de baby het kind ja nee de naam TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 2 MEMORY WOORDEN 1.2 TaalCompleet A1 Memory Woorden

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

- je kan me wat - module 3. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 3. tekeningen -

- je kan me wat - module 3. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 3. tekeningen - - je kan me wat - module 3 docere delectare movere tekeningen - 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 je kan me wat ROCvA nt2taalmenu.nl - educatie - ROCvA module 3 1 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 4 5

Nadere informatie

1b nr. 1 Wie of wat?

1b nr. 1 Wie of wat? OPDRACHTKAART www.nt2taalmenu.nl nt2taalmenu is een website voor mensen die Nederlands willen leren én voor docenten NT2. Iedereen die Nederlands wil leren, kan gratis online oefenen. U kunt ook veel oefeningen

Nadere informatie

Level 1. Curriculum Text. Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso. Holandés. Olandese. Curriculum Text.

Level 1. Curriculum Text. Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso. Holandés. Olandese. Curriculum Text. Nederlands Curriculum Text Level 1 dutch Level 1 Dutch Holandés Néerlandais Niederländisch Olandese Curriculum Text Texto del curso Texte du cours Kursinhalt Testo del corso RosettaStone.com RosettaStone.co.uk

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets.

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets. Werkwoorden Hebben en zijn De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets. persoon onderwerp hebben zijn 1 enk. ik heb ben 2 enk. jij/u hebt bent

Nadere informatie

Nederlands. Contenido del curso Contenu du cours Kursinhalt Contenuto del corso. Holandés. Course Content. Level 1 VERSION 3

Nederlands. Contenido del curso Contenu du cours Kursinhalt Contenuto del corso. Holandés. Course Content. Level 1 VERSION 3 Nederlands Level 1 Dutch Holandés Néerlandais Niederländisch Olandese Course Content Contenido del curso Contenu du cours Kursinhalt Contenuto del corso VERSION 3 Nederlands Level 1 Dutch Holandés Néerlandais

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Ik hoop dat U veel plezier beleeft in het samen praten met uw kind.

Ik hoop dat U veel plezier beleeft in het samen praten met uw kind. Beste Ouders In dit boekje staan allerlei foto's over dagelijkse dingen: opstaan, zich wassen,... Ik geef u hierbij enkele tips rond hoe u met uw kind kan praten tijdens bijvoorbeeld "het wakker worden".

Nadere informatie

Dat is een koopje! HOOFDSTUK 8 WOORDEN. Kies het goede woord. Ik ga even naar de... Ik ga sla en tomaten halen. a groenteman b slager

Dat is een koopje! HOOFDSTUK 8 WOORDEN. Kies het goede woord. Ik ga even naar de... Ik ga sla en tomaten halen. a groenteman b slager 119 119 HOOFDSTUK 8 Dat is een koopje! WOORDEN 1 2 3 1 Ik ga even naar de.... Ik ga sla en tomaten halen. a groenteman b slager 2 Wil je wat drinken? Ja graag, een... koffie alsjeblieft. a fles b beker

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Goedendag! Ik, ik ben. Ben jij? En jij? Jij bent! nee. één. twee. drie. vier. vijf. zes. zeven. acht. negen. tien. Gaat het? Het gaat goed.

Goedendag! Ik, ik ben. Ben jij? En jij? Jij bent! nee. één. twee. drie. vier. vijf. zes. zeven. acht. negen. tien. Gaat het? Het gaat goed. Vocabulaire En Action 5 : Nederlans naar Frans Unité 1 Goedendag! Ik ben Ik, ik ben ja Ben jij? En jij? Jij bent! nee één twee drie vier vijf zes zeven acht negen tien Unité 2 Gaat het? Het gaat goed.

Nadere informatie

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel Veertien leesteksten Leesvaardigheid A1 Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek Ad Appel Uitgave: Appel, Aerdenhout 2011-2016 Verkoopprijs: 1,95 Ad Appel Te bestellen via www.adappelshop.nl

Nadere informatie

LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1

LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1 12/11/14 1 LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1 1. (lezen) Ik.... een lange tekst. 2 Hij.... een moeilijk boek. 3. Zij.... een gemakkelijk tekstje. 4..... jullie veel? Ja, wij.... graag kinderboeken.

Nadere informatie

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design Woord voor Woord is een programma mondelinge vaardigheden NT2 voor analfabete beginners. Het omvat 12 lessen. De ontwikkeling van het programma en de daarbij behorende video s is mogelijk gemaakt door

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop.

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop. Woordenlijst bij hoofdstuk 4 de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop. alleen zonder andere mensen Hij is niet getrouwd. Hij woont helemaal a, zonder familie.

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

de andijvie A is een soort groente met grote groene bladeren.

de andijvie A is een soort groente met grote groene bladeren. Woordenlijst bij hoofdstuk 6 de aardappel Wat eten we vanavond, rijst of a? alcoholvrij zonder alcohol Graag een a bier. Ik moet nog auto rijden. de andijvie A is een soort groente met grote groene bladeren.

Nadere informatie

Spekkoek. Op de terugweg praat zijn oma de hele tijd. Ze is blij omdat Igor maandag mag komen werken.

Spekkoek. Op de terugweg praat zijn oma de hele tijd. Ze is blij omdat Igor maandag mag komen werken. Spekkoek Oma heeft de post gehaald. Er is een brief van de Sociale Werkplaats. Snel scheurt ze hem open. Haar ogen gaan over de regels. Ze kan het niet geloven, maar het staat er echt. Igor mag naar de

Nadere informatie

- je kan me wat - module 5. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 5. tekeningen -

- je kan me wat - module 5. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 5. tekeningen - - je kan me wat - module 5 docere delectare movere tekeningen - 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 je kan O p e me n wat S c h o o l nt2taalmenu.nl A m s t e r d module a m Z u 5i d - O o s t 1

Nadere informatie

Programma Nederlands Praten

Programma Nederlands Praten Nederlands Praten 1 / Basisvaardigheden, hoofdstuk 3 Oefeningen werkwoorden hebben en zijn Oefening 1: Wat is het juiste werkwoord? (zijn) Jij ben/bent een leerling (zijn) Hij is/bent een man (zijn) Zij

Nadere informatie

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere - je kan me wat - module 4 docere delectare movere je kan me wat ROCvA - educatie nt2taalmenu.nl - ROCvAmodule 4 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 je kan me wat nt2taalmenu.nl module 4 1 1 2 3

Nadere informatie

Rivka voelt tranen in haar ogen. Vader aait over haar wang. Hij zegt: Veel plezier, prinsesje. Vergeet je nooit wie je bent? Dan draait vader zich

Rivka voelt tranen in haar ogen. Vader aait over haar wang. Hij zegt: Veel plezier, prinsesje. Vergeet je nooit wie je bent? Dan draait vader zich 1942-1943 1 Rivka! Het is tijd om te gaan!, roept vader. Rivka is blij. Ze gaat logeren. Ze weet niet bij wie. En ze weet ook niet hoe lang. Maar ze heeft er wel zin in. Vader heeft gezegd: Je gaat in

Nadere informatie

1c nr. 1: zinnen maken

1c nr. 1: zinnen maken OPDRACHTKAART www.nt2taalmenu.nl nt2taalmenu is een website voor mensen die Nederlands willen leren én voor docenten NT2. Iedereen die Nederlands wil leren, kan gratis online oefenen. U kunt ook veel oefeningen

Nadere informatie

Leerlijn Zelfredzaamheid

Leerlijn Zelfredzaamheid Leerlijn Zelfredzaamheid 1.1. Hygiëne 1.2. Eten en drinken 1.3. Aan- en uitkleden Stamlijn Zelfredzaamheid Niveau A Niveau B Merkt zintuiglijke stimulatie op (aanraking, vibratie, smaken, muziek, licht)

Nadere informatie

- je kan me wat - module 2. docere delectare movere. tekeningen -

- je kan me wat - module 2. docere delectare movere. tekeningen - - je kan me wat - module 2 docere delectare movere je O kan ROC p e me n van S wat Amsterdam c h o o l - A nt2taalmenu.nl educatie m s t e r - d ROC a m van module Z Amsterdam u i d - O 2 o s t tekeningen

Nadere informatie

Bij H&M. Nederlandse Academie 02/2184707 A2

Bij H&M. Nederlandse Academie 02/2184707 A2 Bij H&M Tiebe is bij H&M. Zij is samen met haar kind. Het kind heet Laura. Laura is drie jaar. Tiebe is op de derde verdieping. Ze wil een jurk voor een feest kopen. Ze ziet veel mooie jurken. Dan kijkt

Nadere informatie

= een rij struiken of planten die dichtbij elkaar staan. = een hoge lamp die langs de weg staat.

= een rij struiken of planten die dichtbij elkaar staan. = een hoge lamp die langs de weg staat. Woordenschat blok 1 gr4 Les 1 De heg De lantaarn De plant Het tuinhek Het terras De garage Het dorp De stad De zwerver De stoep De woonwijk = een rij struiken of planten die dichtbij elkaar staan. = een

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Wat eten we vanavond?

Wat eten we vanavond? 35 35 HOOFDSTUK 3 Wat eten we vanavond? WOORDEN 1 Kies uit: jam school slager boodschappen vegetariër 1 Dorien eet geen vlees. Ze is. 2 Moniek houdt van zoet. Ze eet graag op brood. 3 Johan, ik ga naar

Nadere informatie

1. Joris. Voor haar huis remt Roos. Ik ben er. De gordijnen beneden zijn weer dicht.

1. Joris. Voor haar huis remt Roos. Ik ben er. De gordijnen beneden zijn weer dicht. 1. Joris Hé Roos, fiets eens niet zo hard. Roos schrikt op en kijkt naast zich. Recht in het vrolijke gezicht van Joris. Joris zit in haar klas. Ben je voor mij op de vlucht?, vraagt hij. Wat een onzin.

Nadere informatie

Moshi gaat met het vliegtuig naar Malawi

Moshi gaat met het vliegtuig naar Malawi Malawi Auditieve analyse: 1.2 Eén en twee lettergrepen 1.3 Drie of meer lettergrepen Auditieve synthese 4.1 Lettergrepen samenvoegen tot een woord 4.2 Letters samenvoegen tot een woord Zon varken Malawi

Nadere informatie

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere - je kan me wat - module 4 docere delectare movere je kan me wat ROCvA - educatie nt2taalmenu.nl - ROCvAmodule 4 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 je kan me wat nt2taalmenu.nl module 4 1 1 2 3

Nadere informatie

Hoe gaat het in groep 1/2 b

Hoe gaat het in groep 1/2 b Hoe gaat het in groep 1/2 b Binnenkomst: - Als je op school komt hang je je jas op je eigen haakje onder je tent. Je tas zet je op de plank. - In de klas geef je de juf een hand en je pakt een spelletje

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Auditieve oefeningen bij het thema: Mijn huis

Auditieve oefeningen bij het thema: Mijn huis Auditieve oefeningen bij het thema: Mijn huis Boek van de week: 1; Een huis bouwen 2;De bouwvakker 3; Op de bouwplaats 4; Een hol voor mol Verhaalbegrip: Bij elk boek stel ik de volgende vragen: Wat staat

Nadere informatie

Handleiding basiswoordenschat.

Handleiding basiswoordenschat. basiswoordenschat. Inleiding. In de basismodule wordt een basis van ongeveer 80 woorden gelegd. Deze woorden worden aangeboden om de woordenschat, maar ook om de communicatieve vaardigheden van de cursist

Nadere informatie

WC01 01A IK BEN EEN HEER IK BEN EEN MAN WC01 01B HIJ IS EEN MAN WC01 02A HIJ IS EEN HEER WC01 02B IK BEN EEN VROUW WC01 03A IK BEN EEN DAME

WC01 01A IK BEN EEN HEER IK BEN EEN MAN WC01 01B HIJ IS EEN MAN WC01 02A HIJ IS EEN HEER WC01 02B IK BEN EEN VROUW WC01 03A IK BEN EEN DAME IK BEN EEN MAN WC01 01A IK BEN EEN HEER WC01 01B HIJ IS EEN MAN WC01 02A HIJ IS EEN HEER WC01 02B IK BEN EEN VROUW WC01 03A IK BEN EEN DAME WC01 03B ZIJ IS EEN VROUW WC01 04A ZIJ IS EEN DAME WC01 04B ZIJ

Nadere informatie

- je kan me wat - module 2. docere delectare movere. tekeningen -

- je kan me wat - module 2. docere delectare movere. tekeningen - - je kan me wat - module 2 docere delectare movere je O kan ROC p e me n van S wat Amsterdam c h o o l - A nt2taalmenu.nl educatie m s t e r - d ROC a m van module Z Amsterdam u i d - O 2 o s t tekeningen

Nadere informatie

Vlucht AVI AVI. Ineke Kraijo Veerle Hildebrandt. Kraijo - Hildebrandt Vlucht De Vier Windstreken. De Vier Windstreken AVI

Vlucht AVI AVI. Ineke Kraijo Veerle Hildebrandt. Kraijo - Hildebrandt Vlucht De Vier Windstreken. De Vier Windstreken AVI AVI E4* Alcoholisme, ruzie, bang zijn Midden in de nacht rinkelt de telefoon. Anna weet wat dat betekent. Ze moet vluchten, alweer. Ze rent de donkere nacht in. De volgende dag valt Anna in de klas in

Nadere informatie

REGELS. Onderstreep de pluralisvorm in de zin.

REGELS. Onderstreep de pluralisvorm in de zin. 61 61 REGELS 1 Onderstreep de pluralisvorm in de zin. 1 Ik woon met mijn gezin in een rijtjeshuis met vier slaapkamers. 2 De vijf appartementen in deze flat zijn heel klein. 3 Hij heeft een groot huis

Nadere informatie

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas Leraar: Dag Jef. Jef: Dag mevrouw. Hoe gaat het met u? Leraar: Goed, dank je. En met jou? Jef: Ook goed. ----------- Mark: Hallo

Nadere informatie

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30 Inhoud Deel 1 Grammaticale vormen Les 1 Letter, woord, zin, getal, cijfer 12 Les 2 Zinnen 14 Les 3 Persoonlijke voornaamwoorden (1) 16 Les 4 Hij / het / je / we / ze 18 Herhalingstoets 1 20 Les 5 Werkwoorden

Nadere informatie

begrijpend lezen werkboek

begrijpend lezen werkboek begrijpend lezen werkboek naam: groep: rik viert feest. hij is nu zes jaar. de bel gaat. rik rent naar de deur. wie is daar? roept rik. ik ben het, zegt een stem. rik hoort het al. het is opa. dag opa,

Nadere informatie

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

Spreekopdrachten thema 4 Wonen Spreekopdrachten thema 4 Wonen Opdracht 1 bij 4.1 ** Uitleg voor de docent: Op de volgende pagina vind je een blad met plaatjes. Knip de plaatjes uit en doe ze in een envelop. Geef elk tweetal een envelop.

Nadere informatie

STEENSOEP OMA VERTELT EEN VERHAAL

STEENSOEP OMA VERTELT EEN VERHAAL Hotel Hallo - Thema 6 Hallo opdrachten STEENSOEP 1. Knip de strip. Strip Knip de strip los langs de stippellijntjes. Leg de stukken omgekeerd en door elkaar heen op tafel. Draai de stukken weer om en leg

Nadere informatie

Kijk op YouTube spreekvaardigheid A1

Kijk op YouTube spreekvaardigheid A1 Kijk op YouTube spreekvaardigheid A1 Oefenexamen Ad Appel Spreekvaardigheid A1 10 vragen serie A 1. Hoe vaak doet u boodschappen? 2. Wanneer bent u geboren? 3. Wat drinkt u het liefst? 4. Wat vindt u van

Nadere informatie

R O S A D E D I E F. Arco Struik. Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl

R O S A D E D I E F. Arco Struik. Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl R O S A D E D I E F Arco Struik Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl In de winkel 3 Bart 5 Een lieve dief 7 De telefoon 9 Bij de dokter 11 De blinde vrouw 13 Een baantje 15 Bijna betrapt

Nadere informatie

Elke middag loopt Fogg van zijn huis naar de Club. Om een spelletje kaart te spelen. Er wordt altijd om geld gespeeld. En als Fogg wint, geeft hij

Elke middag loopt Fogg van zijn huis naar de Club. Om een spelletje kaart te spelen. Er wordt altijd om geld gespeeld. En als Fogg wint, geeft hij Rijk Phileas Fogg is een vreemde man. Hij is erg rijk. Maar niemand weet hoe hij aan zijn geld komt. Een baan heeft hij namelijk niet. Toch woont hij in een groot huis, midden in Londen. In zijn eentje.

Nadere informatie

Thema Op het werk. Lesbrief 14. Opdrachten

Thema Op het werk. Lesbrief 14. Opdrachten Thema Op het werk. Lesbrief 14. Opdrachten Kofi is op het werk. De chef geeft opdrachten: zij zegt wat Kofi moet doen. De eerste opdracht is de rommel opruimen. Kofi moet de vloer vegen. Het is weer netjes

Nadere informatie

Eetgewoonten van schoolkinderen Vragenlijst voor kinderen

Eetgewoonten van schoolkinderen Vragenlijst voor kinderen september 2003 Eetgewoonten van schoolkinderen Vragenlijst voor kinderen 630101 Hoe vul je de vragenlijst in? Beste leerling, Deze vragenlijst gaat over voeding. We willen graag weten hoe je daarover denkt.

Nadere informatie

Help me, Zoey, zeg ik. Zoey kijkt verbaasd. Waarmee?, vraagt ze.

Help me, Zoey, zeg ik. Zoey kijkt verbaasd. Waarmee?, vraagt ze. 1 Ik wou dat ik een vriendje had. Ik wou dat hij in mijn kast zat. Dan kon ik hem tevoorschijn halen wanneer ik maar wilde. Hij zou naar me kijken alsof ik mooi ben. Zwijgend. Hij zou zijn leren jack uittrekken

Nadere informatie

Auditieve oefeningen bij het thema: lang leve de koningin

Auditieve oefeningen bij het thema: lang leve de koningin Auditieve oefeningen bij het thema: lang leve de koningin Boek van de week: 1; Koningin Nijntje 2; Gewoon Fien 3; Koningin 4; Verhaalbegrip: Bij elk boek stel ik de volgende vragen: Wat staat er op de

Nadere informatie

Ze neemt nog een slok van haar rum-cola. Even lijkt het alsof de slok weer omhoogkomt.

Ze neemt nog een slok van haar rum-cola. Even lijkt het alsof de slok weer omhoogkomt. Manon De muziek dreunt in haar hoofd, haar maag, haar buik. Manon neemt nog een slok uit het glas dat voor haar staat. Wat was het ook alweer? O ja, rum-cola natuurlijk. Een bacootje noemen de jongens

Nadere informatie

reeks 1 leesboek 1 Leesteksten bij Leesboekje 7/43-1 1

reeks 1 leesboek 1 Leesteksten bij Leesboekje 7/43-1 1 leesboek 1 Leesteksten bij Leesboekje 7/43-1 1 In de kar Anja loopt op straat. Ze heeft last van haar rug. Ze loopt niet met een tas maar met een kar. Er is vis in de kar en kaas en kool en meel. Jan zit

Nadere informatie

Deel 1: Trrrring! De wekker geeft met veel lawaai aan dat het tijd is om op te staan. Je hoort een langgerekte geeuw, het is pas 6 uur s ochtends. Maar Jordie moet er uit want hij moet zijn krantenwijk

Nadere informatie

De leerlingen: leren en ervaren dat mensen niet zonder water kunnen leven. zien waar water voor wordt gebruikt.

De leerlingen: leren en ervaren dat mensen niet zonder water kunnen leven. zien waar water voor wordt gebruikt. Water 2 Speuren naar water Doelen Begrippen De leerlingen: leren en ervaren dat mensen niet zonder water kunnen leven. zien waar water voor wordt gebruikt. de druppel, stromend water Materialen Tip Lamineer

Nadere informatie

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts Thema Gezondheid Lesbrief 5. De tandarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de tandarts. De man (meneer Onuso / Bashir) komt voor controle bij de tandarts. De tandarts kijkt of alle tanden en kiezen

Nadere informatie

De leessleutel Begrijpend luisteren-lezen thema 5 verhaal 1 groep 3. Thema 5 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek

De leessleutel Begrijpend luisteren-lezen thema 5 verhaal 1 groep 3. Thema 5 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek De leessleutel Begrijpend luisteren-lezen thema 5 verhaal 1 groep 3 Thema 5 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek Het wiel doet raar! 1 Naar wie gaat Daan? a Naar school b Naar Loes c Naar Rik 2

Nadere informatie

sarie, mijn vriend kaspar en ik

sarie, mijn vriend kaspar en ik sarie, mijn vriend kaspar en ik Leen Verheyen sarie, mijn vriend kaspar en ik is een theatertekst voor kinderen vanaf 4 jaar en ging in première op 12 september 2009 bij HETPALEIS in Antwerpen 1 ik: het

Nadere informatie

Het thema van deze les is Gezondheid. Dit is Les 1 Beginners. Een afspraak maken

Het thema van deze les is Gezondheid. Dit is Les 1 Beginners. Een afspraak maken Tekst Audio Les 1 /m 6 Radio Amsterdam LES 1. Beginners. Een afspraak maken Track 1 Jingle Track 2 Het thema van deze les is Gezondheid. Dit is Les 1 Beginners. Een afspraak maken Track 3 HET GESPREK.

Nadere informatie

Ik voel me zo ziek als een hond, mompelt vader. Dan moet je naar de dierenarts gaan, zegt zijn zoontje. - 6 -

Ik voel me zo ziek als een hond, mompelt vader. Dan moet je naar de dierenarts gaan, zegt zijn zoontje. - 6 - dierenarts De spreekkamer Nee, ik blaf, miauw, piep of fluit niet tegen een ziek dier. Ik spreek in mensentaal, met het baasje van mijn patiënt. We bespreken de klachten en hoe we het dier kunnen helpen.

Nadere informatie

Fruit eten: Appel, kiwi en banaan Fruit, dat moet je eten. Brood eten:

Fruit eten: Appel, kiwi en banaan Fruit, dat moet je eten. Brood eten: Liedjes Zingen Fruit eten: Appel, kiwi en banaan Fruit, dat moet je eten. Stop het nu maar in je mond Fruit, dat is gezond! En jullie krijgen een bakje fruit Dan worden jullie sterk en stoer Bewegingen

Nadere informatie

Te huur HOOFDSTUK 4 WOORDEN. Kies het goede woord. 1 Ik woon in een flat op de vierde... a verdieping b appartement

Te huur HOOFDSTUK 4 WOORDEN. Kies het goede woord. 1 Ik woon in een flat op de vierde... a verdieping b appartement 51 51 HOOFDSTUK 4 Te huur WOORDEN 1 1 Ik woon in een flat op de vierde.... a verdieping b appartement 2 Het is een rijtjeshuis met een grote woonkamer en drie.... a tuinen b slaapkamers 3 Mijn woonkamer

Nadere informatie

Woordenkennis In Huis. Kaartenparen om het oefenen en het versterken van de woordenschat zowel receptief alsook productief. Bestelnummer 814 00

Woordenkennis In Huis. Kaartenparen om het oefenen en het versterken van de woordenschat zowel receptief alsook productief. Bestelnummer 814 00 Woordenkennis In Huis Kaartenparen om het oefenen en het versterken van de woordenschat zowel receptief alsook productief. Bestelnummer 814 00 K2-Publisher B.V. Prins Hendrikstraat 37 NL-2411 CS Bodegraven

Nadere informatie

Activiteitenboek SOM-J. Stip Observatie Methodiek-Jongeren

Activiteitenboek SOM-J. Stip Observatie Methodiek-Jongeren Activiteitenboek SOM-J Stip Observatie Methodiek-Jongeren 1 Inhoudsopgave Overzicht activiteiten...6 Overzicht benodigdheden...7 Keuken activiteiten... 10 K-1 Koffie zetten één persoon of twee personen....

Nadere informatie

Patiëntnummer: Geboortedatum: (dd/mm/jj) Initialen patiënt:... Datum afname test: T...

Patiëntnummer: Geboortedatum: (dd/mm/jj) Initialen patiënt:... Datum afname test: T... Patiëntnummer: Geboortedatum: (dd/mm/jj) Initialen patiënt:... Datum afname test: (dd/mm/jj) T... H.M. Oerlemans, herziene versie februari 1997 Toelichting bij de Vragenlijst Vaardigheden Deze lijst betreft

Nadere informatie

10 tips om je partner zo goed mogelijk te ondersteunen.

10 tips om je partner zo goed mogelijk te ondersteunen. 10 tips om je partner zo goed mogelijk te ondersteunen. Omdat het automatische gedrag is uitgeschakeld kosten onderstaande handelingen je partner al veel energie (hier denk je zo snel niet aan, omdat het

Nadere informatie

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Opdracht 1 bij 1.2 * Doe de opdracht met de groep. Uitleg voor de docent: De cursisten lopen door elkaar door het lokaal. Laat de cursisten elkaar in tweetallen begroeten,

Nadere informatie

Het kasteel van Dracula

Het kasteel van Dracula Uit het dagboek van Jonathan Harker: Het kasteel van Dracula 4 mei Eindelijk kom ik bij het kasteel van Dracula aan. Het kasteel ligt in de bergen. Er zijn geen andere huizen in de buurt. Ik ben moe. Het

Nadere informatie

Ik help je wel. illustraties Karlijn Scholten verhaal Isabelle de Ridder

Ik help je wel. illustraties Karlijn Scholten verhaal Isabelle de Ridder Ik help je wel illustraties Karlijn Scholten verhaal Isabelle de Ridder Deze uitgave is een cadeau van ViaViela aan al onze opvangkinderen en (gast)ouders. Veel voorleesplezier! Juul doet de deur open.

Nadere informatie

NEDERLANDS. Course Content レベル 2 단계 2. Livello 2. Nivel 2 2级 荷兰语 NIEDERLÄNDISCH オランダ語 네덜란드어

NEDERLANDS. Course Content レベル 2 단계 2. Livello 2. Nivel 2 2级 荷兰语 NIEDERLÄNDISCH オランダ語 네덜란드어 NEDERLANDS Stufe 2 Level 2 オランダ語 NIEDERLÄNDISCH DUTCH 단계 2 Livello 2 Nivel 2 OLANDESE HOLANDÉS レベル 2 네덜란드어 2级 荷兰语 Nível 2 HOLANDÊS Niveau 2 NÉERLANDAIS Course Content Contenido del curso Contenu du cours

Nadere informatie

Nederlands. Level 3. Course Content. Contenido del curso Contenu du cours Kursinhalt Contenuto del corso. Holandés. Olandese. Course Content.

Nederlands. Level 3. Course Content. Contenido del curso Contenu du cours Kursinhalt Contenuto del corso. Holandés. Olandese. Course Content. Nederlands Course Content Level 3 2 french Level Level11 Dutch Holandés Néerlandais Niederländisch Olandese Course Content Contenido del curso Contenu du cours Kursinhalt Contenuto del corso RosettaStone.com

Nadere informatie

Opstartles 10. EXTRA Oefenen met woorden bij de lessen

Opstartles 10. EXTRA Oefenen met woorden bij de lessen www.edusom.nl Opstartles 10. EXTRA Oefenen met woorden bij de lessen Het is belangrijk om veel woorden te leren. In deze extra les vindt u extra woorden bij de Opstartlessen 1 t/m 5. Kijk ook eens naar

Nadere informatie

Vragenkaartjes voor onderweg!

Vragenkaartjes voor onderweg! Vragenkaartjes voor onderweg! 1 Print de kaartjes uit 2 Knip de kaartjes uit langs het kniprandje 3 Bind een elastieke om het pakketje kaartjes 4 Klaar om op vakantie te gaan met leuke vragenkaartjes!

Nadere informatie

Brandweerman. 1 Brandweerman, brandweerman. Red die kat, als je kan. Zet je ladder neer en draag snel die kat omlaag.

Brandweerman. 1 Brandweerman, brandweerman. Red die kat, als je kan. Zet je ladder neer en draag snel die kat omlaag. vanaf 4 jaar tekst: Marian van Gog muziek: Ton Kerkhof ouplet Brandweerman Intro D7 G man, Refrein brand -weer - man. Red die kat, Brand-weer Œ Œ Œ G Œ Ó als je kan. Zet je lad - der neer en draag snel

Nadere informatie

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts Thema Gezondheid Lesbrief 5. De tandarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de tandarts. Meneer Wong komt voor controle bij de tandarts. De tandarts kijkt of alle tanden en kiezen goed zijn. Wat leert

Nadere informatie

Wat kan ik voor u doen?

Wat kan ik voor u doen? 139 139 HOOFDSTUK 9 Wat kan ik voor u doen? WOORDEN 1 1 Peter is op vakantie. Hij stuurde mij een... uit Parijs. a brievenbus b kaart 2 Ik heb die kaart gisteren.... a ontvangen b herhaald 3 Bij welke...

Nadere informatie

Help, mijn papa en mama gaan scheiden!

Help, mijn papa en mama gaan scheiden! Help, mijn papa en mama gaan scheiden! Joep ligt in bed. Hij houdt zijn handen tegen zijn oren. Beneden hoort hij harde boze stemmen. Papa en mama hebben ruzie. Papa en mama hebben vaak ruzie. Ze denken

Nadere informatie

Appeltje en Eitje Een postpakket uit Spanje

Appeltje en Eitje Een postpakket uit Spanje Appeltje en Eitje Een postpakket uit Spanje Voor kinderen van 3 tot 8 jaar Geschreven door Elisabeth Roodenburg Er zijn nog meer verhalen van Elisabeth Roodenburg Copyright: Elisabeth Roodenburg Vermaat

Nadere informatie

Lieke. redt de dieren

Lieke. redt de dieren Lieke redt de dieren met tekeningen van ivan & ilia Uitgeverij Ploegsma Amsterdam Kijk ook op: www.ploegsma.nl www.wijzijnvriendinnen.nl AVI 7 / E5/M6 ISBN 978 90 216 7436 0 / NUR 282 Tekst: Jette Schröder

Nadere informatie

Basisexamen inburgering in het buitenland. Auteurs: Karine Bloks-Jekel, Willemijn de Graaf, Marieta Plattèl, Rian Senden, Rosanne Vermaat

Basisexamen inburgering in het buitenland. Auteurs: Karine Bloks-Jekel, Willemijn de Graaf, Marieta Plattèl, Rian Senden, Rosanne Vermaat TAALCOMPLEET Basisexamen inburgering in het buitenland Inburgeringsexamen buitenland 1e druk 2014 ISBN Inburgeringsexamen buitenland: 978-94-90807-21-4 Copyright: KleurRijker B.V., info@kleurrijker.nl

Nadere informatie

Charles den Tex VERDWIJNING

Charles den Tex VERDWIJNING Charles den Tex VERDWIJNING 3 Klikketik-tik-tik Het is halftwaalf s ochtends. Marja vouwt een hemd. En kijkt om zich heen. Even staat ze op haar tenen. Zo kan ze over de kledingrekken kijken. Die rekken

Nadere informatie

Antwoorden Thema 5 Vrije tijd

Antwoorden Thema 5 Vrije tijd Antwoorden Thema 5 Vrije tijd Luisteren Oefening 2 hobby Willem Linda hockeyen squashen tennissen voetballen bioscoop theater ballet kroegbezoek concertbezoek popmuziek jazz klassieke muziek Spreken Oefening

Nadere informatie

Inhoud. Een nacht 7. Voetstappen 27. Strijder in de schaduw 51

Inhoud. Een nacht 7. Voetstappen 27. Strijder in de schaduw 51 Inhoud Een nacht 7 Voetstappen 27 Strijder in de schaduw 51 5 Een nacht 6 Een plek om te slapen Ik ben gevlucht uit mijn land. Daardoor heb ik geen thuis meer. De wind neemt me mee. Soms hierheen, soms

Nadere informatie

Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan.

Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan. Geelzucht Toen ik 15 was, kreeg ik geelzucht. De ziekte begon in de herfst en duurde tot het voorjaar. Ik voelde me eerst steeds ellendiger worden. Maar in januari ging het beter. Mijn moeder zette een

Nadere informatie

= een witte groente in de vorm van een bol. = een rode, gele of groene vrucht die je kunt eten. Aan de binnenkant zie je rijen met witte zaadjes.

= een witte groente in de vorm van een bol. = een rode, gele of groene vrucht die je kunt eten. Aan de binnenkant zie je rijen met witte zaadjes. Woordenschat blok 7 Les 1 i = een witte steel die je kunt eten. Het smaakt een beetje als ui. De banaan = een lange, beetje kromme gele vrucht. Om een banaan zit een schil. De bloemkool De paprika De prei

Nadere informatie

PATIËNTENBROCHURE. Krachten sparen en werk eenvoudig maken

PATIËNTENBROCHURE. Krachten sparen en werk eenvoudig maken PATIËNTENBROCHURE Krachten sparen en werk eenvoudig maken INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING 1. Inleiding 3 Enkele praktische tips bij een karwei. 3 2. Eenvoudig werken om krachten te sparen. 4 A. Let op uw tempo...

Nadere informatie

Auditieve oefeningen bij het thema:

Auditieve oefeningen bij het thema: Auditieve oefeningen bij het thema: Boek van de week: 1; Olifant en de tijdmachine 2; Kikker en het Nieuwjaar 3; Tijd 4; Vriendjes vandaag en morgen Verhaalbegrip: Bij elk boek stel ik de volgende vragen:

Nadere informatie

Lesbrief Hygiene op het werk

Lesbrief Hygiene op het werk Lesbrief Hygiene op het werk [bij pagina 5] Wat betekent hygiëne? Waarom is hygiëne op het werk belangrijk? Waarom is het belangrijk dat je schoon bent? Waarom is het belangrijk dat jij en je collega s

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

Naam:... Datum:... 36 + 12 =. 2 x 15 =. 47 + 43 =. 4 x 12 =. 25 + 11 =. 6 x 7 =. 38-16 =. 100 : 4 =. 17-6 =. 36 : 6 =.

Naam:... Datum:... 36 + 12 =. 2 x 15 =. 47 + 43 =. 4 x 12 =. 25 + 11 =. 6 x 7 =. 38-16 =. 100 : 4 =. 17-6 =. 36 : 6 =. Opvraging Wiskunde W1 36 + 12 =. 2 x 15 =. 47 + 43 =. 4 x 12 =. 25 + 11 =. 6 x 7 =. 38-16 =. 100 : 4 =. 17-6 =. 36 : 6 =. 2 Goed lezen en oplossen. Ik koop in de supermarkt een krant (80 cent), een brood

Nadere informatie