LOONVORMING BIJ VOLKOMEN CONCURRENTIE. Els Jacobs

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "LOONVORMING BIJ VOLKOMEN CONCURRENTIE. Els Jacobs"

Transcriptie

1 LOONVORMING BIJ VOLKOMEN CONCURRENTIE Els Jacobs 1. Definities 1.1. De arbeidsmarkt De arbeidsmarkt is het geheel van de vraag naar en het aanbod van arbeid. De vraag op de arbeidsmarkt gaat uit van de bedrijven om een bepaalde productie te kunnen realiseren. Het aanbod op de arbeidsmarkt komt van de gezinnen; zij willen geld verdienen om in hun levensonderhoud te voorzien. De productiefactor arbeid omvat alle mogelijke arbeidsprestaties die bijdragen tot de productie van goederen en diensten, dus zowel handenarbeid als intellectuele arbeid. De prijs die op de arbeidsmarkt tot stand komt, noemen we het loon. Voor de vrager naar arbeid is dit een kost; voor de aanbieder een inkomen Volkomen concurrentie - Er zijn veel vragers en aanbieders van arbeid : niemand kan invloed uitoefenen op de prijs van de arbeid. Voor de individuele vrager en aanbieder is de prijs van de arbeid gegeven. - Arbeid is een homogene productiefactor : er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten arbeid. Alle arbeidsvormen hebben dezelfde karakteristieken. Dit betekent dat een arbeider zonder problemen kan overschakelen naar een andere producent. - De arbeidsmarkt is een doorzichtige markt : elke vrager en aanbieder van de productiefactor arbeid is volledig geïnformeerd betreffende de vergoeding van arbeid. De arbeiders zijn op de hoogte van de vacante betrekkingen, vergoedingen en arbeidsvoorwaarden en de producenten zijn op de hoogte van de beschikbare arbeid en de vergoedingen. - De arbeidsmarkt is een open markt : arbeiders kunnen vrij tot de markt toetreden of er uit treden. Bovendien kunnen de arbeiders vrij overschakelen van de ene producent naar de andere. De arbeiders zijn dus perfect mobiel. 2. De vraagzijde van de arbeidsmarkt Bakkerij Peeters is gespecialiseerd in het maken van chocoladekoeken. De heer Carl Peeters, de eigenaar, wil graag weten hoeveel arbeiders hij in dienst moet nemen om zijn winst te maximaliseren. De prijs van zijn product bedraagt, EUR. Deze prijs kan hij niet beïnvloeden, want er heerst volkomen concurrentie op de markt. Het loon van elke arbeider bedraagt EUR per uur. Ook deze prijs is een gegeven voor de heer Peeters. De productie van Peeters verloopt op de volgende wijze: 1

2 Aantal arbeiders Productie in # eenheden per uur Totale opbrengsten Marginale opbrengsten van arbeid Totale kosten Marginale kosten van arbeid Gemiddelde opbrengsten van arbeid 3 31,8 3 3,4 34,3 32,7 3,9 De productie verloopt dus volgens de wet van de niet-evenredige meerproductie (zie kolom 2). Naarmate aan de constant gehouden productiefactor (hier kapitaal) achtereenvolgens één extra eenheid van de variabele productiefactor (hier arbeid) wordt toegevoegd, zal de marginale productie, dit is de meerproductie van één toegevoegde hoeveelheid arbeid, eerst meer dan evenredig toenemen en later minder dan evenredig. Figuur 1 MO,MK,GO MO MK GO, 11, 12, 13, 14,, 16, aantal arbeiders De optimale productiegrootte wordt bepaald-wanneer de producent naar winstmaximalisatie streeft- door de gelijkheid tussen de marginale opbrengsten en de marginale kosten. Een onderneming zal slechts arbeiders aanwerven in zoverre de bijkomende productie die daardoor mogelijk wordt, meer opbrengt dan de bijkomende arbeidskost. Als het uurloon EUR bedraagt, zal de producent 14 arbeiders in dienst nemen. Als het uurloon stijgt tot 3 EUR heeft in figuur 1 een verschuiving van de MK-curve naar boven tot gevolg (MK ). Stijgt het uurloon dus van EUR naar 3 EUR dan zal de producent op basis van de gelijkheid van MK en MO geneigd zijn 13 arbeiders te vragen in de veronderstelling 2

3 dat alle andere factoren onveranderd blijven. De gevraagde hoeveelheid arbeid vermindert dus wanneer de loonkosten stijgen. (zie figuur 2) Stel dat de loonvoet daalt tot 7, EUR, dan verschuift op figuur 2 de curve van de marginale kosten (MK ) van de arbeid naar beneden. Hierdoor ontstaat een nieuw evenwicht. Onze producent is geneigd arbeiders in dienst te nemen. Figuur , 11, 12, 13, 14,, 16, MO,MK,GO MO MK GO MK'' MK' aantal arbeiders Wanneer we de gevraagde hoeveelheid van de productiefactor arbeid in functie van de prijs van deze productiefactor weergeven, bekomen we de vraagcurve van arbeid (Va). Gevraagde hoeveelheid arbeid Loonvoet 7, 3 vraag naar arbeid loonvoet vraag naar arbeid gevraagde hoeveelheid arbeid 3

4 We stellen vast dat de vraagcurve van arbeid een dalend verloop kent. Uit de tabel blijkt immers dat bij een toename (afname) van de loonvoet de gevraagde hoeveelheid arbeid afneemt (toeneemt). Er bestaat dus een negatief verband tussen de gevraagde hoeveelheid arbeid (Qv) en de prijs van de productiefactor arbeid of de loonvoet. De vraagcurve valt dus samen met het dalende gedeelte van de MO-curve. Het is echter niet het gehele gedeelte. Als het uurloon echter hoger ligt dan 3 EUR dan worden de loonkosten per eenheid arbeid niet goed gemaakt door de opbrengst van de productie die één eenheid gemiddeld oplevert. De producent zal dan stoppen met de productie. De producent zal pas de vraag naar arbeid uitoefenen als het loon beneden 3 EUR ligt of daaraan gelijk is. De vraag naar arbeid (Va) valt dus samen met het dalend gedeelte van de MO-curve vanaf het snijpunt van de gemiddelde opbrengstencurve (GO) en de marginale opbrengst van arbeid (MO) Oorzaken van verschuivingen van de vraagcurve Verandering in de productiviteit Dit betekent dat een arbeider per tijdseenheid meer of minder eenheden van een product zal produceren. Veranderingen in de arbeidsproductiviteit kunnen optreden als gevolg van een verbeterde methode van arbeidsverdeling, een wijziging in de stand van de techniek (de arbeiders zullen met betere middelen meer kunnen produceren) en een kwaliteitsverbetering van de productiefactor arbeid (ten gevolge van betere en hogere scholing bv.). Een landmetersfirma werft secretaresses aan voor het typen van schattingsverslagen. Stel dat door de introductie van de computers, de productiviteit van secretaresses met 6% stijgt (de marktprijs (62, EUR) en het uurloon (4 EUR) blijven onveranderd). De marginale ontvangsten verschuiven dan naar rechts (zie figuur 3). Ook de marginale opbrengsten zullen dan verschuiven naar boven. Figuur 3 MO,MK,GO MO MK GO MO' GO', 11, 12, 13, 14,, 16, 17, aantal arbeiders Een wijziging van de marktprijs van het product Als de marktprijs van het product stijgt (als gevolg van het feit bv. dat het product in is en de vraag naar het product dus verschuift naar rechts), dan stijgt de totale en marginale opbrengst van arbeid en verschuift de arbeidsvraag naar rechts. 4

5 Een verandering in de verhouding tussen de factorprijzen Stel dat een onderneming de keuze heeft tussen twee productiemethoden : - Methode A: een arbeidsintensieve methode; vergt meer arbeid en minder kapitaal (machines) - Methode B: een kapitaalintensievere methode; vergt minder arbeid en meer kapitaal. Vereiste inputs per eenheid output Productietechniek Arbeidsuren Machine-uren A 6 4, B 4 6 We gaan ervan uit dat zowel de hoeveelheid arbeid als de hoeveelheid kapitaal voor wijziging vatbaar is. We willen weten in welke mate de vraag naar arbeid verandert bij een wijziging van de prijzen van de factoren arbeid en kapitaal. Indien de prijs van een arbeidsuur EUR zal bedragen en de prijs van een machine-uur EUR. De kostprijs van elke geproduceerde eenheid per productietechniek : A : (6x EUR) + (4,x EUR) = 127, EUR B : (4x EUR) + (6x EUR) = 13 EUR De ondernemer zal dan voor de arbeidsintensievere productietechniek kiezen omdat deze de goedkoopste is. Stel dat de prijs van een arbeidsuur EUR blijft en de prijs van een machine-uur daalt van EUR naar EUR. De kostprijs van elke geproduceerde eenheid per productietechniek : A : (6x EUR) + (4,x EUR) = 82, EUR B : (4x EUR) + (6x EUR) = 7 EUR De ondernemer zal dan gebruik maken van productietechniek B. Stel dat een onderneming een productievolume realiseert van eenheden dan zal de gevraagde hoeveelheid arbeid dalen van 3 naar 2 eenheden en stijgt de gevraagde hoeveelheid kapitaal van 22 eenheden naar 3 eenheden. Het feit dat de ondernemer een aantal relatief duurder geworden arbeidsuren gaat vervangen door een aantal goedkoper geworden machine-uren noemen we het factorsubstitutie-effect. Dit effect doet de arbeidsvraagcurve verschuiven naar rechts Oorzaak van een beweging langsheen de vraagcurve De vraag naar arbeid is een afgeleide vraag, die bepaald wordt door de vraag naar het vervaardigd product. De vraag naar arbeiders ontstaat immers doordat de onderneming producten kan afzetten. Dus als de gevraagde hoeveelheid van het product daalt door het feit dat bv. de marginale kosten (loonkosten) stijgen dan krijgen we een beweging naar links op de vraagcurve naar arbeid. In een volgende fase zal de prijs van het product stijgen als gevolg van de aanbodcurve van het product die verschuift naar links.

6 2.3. Prijselasticiteit van de arbeidsvraag Definitie Qa De loonelasticiteitscoëfficiënt van de arbeidsvraag ( ) is een kengetal dat weergeeft P a in welke mate de gevraagde hoeveelheid naar arbeid zal wijzigen procentueel ten gevolge van een procentuele wijziging in het loon. Dit kengetal is steeds negatief aangezien er een negatief verband bestaat tussen de prijs van de arbeid en de gevraagde hoeveelheid arbeid. We beschouwen enkel de absolute waarde : - abs. waarde (loonelasticiteitscoëff.) > 1 => elastische arbeidsvraag - abs. waarde (loonelasticiteitscoëff.) < 1 => inelastische arbeidsvraag - abs. waarde (loonelasticiteitscoëff.) = 1 => unitaire arbeidsvraag Factoren die de prijselasticiteit van de arbeidsvraag beïnvloeden De prijselasticiteit van de productvraag We nemen een product waarvan de prijselasticiteit van de vraag klein is bv. elektriciteit. Dit betekent dat een wijziging van de prijs van dat product weinig invloed heeft op de vraag ernaar. De vakbonden in de sector van de elektriciteitsproductie hebben een loonsverhoging kunnen afdwingen. De elektriciteitsproducenten rekenen deze loonsverhoging door in hun prijzen. De prijzen stijgen dus. Dit wil zeggen dat de consumenten hun gevraagde hoeveelheid elektriciteit zullen verminderen, maar met niet veel. Als er minder elektriciteit gevraagd wordt, zijn er immers ook iets minder arbeiders nodig. De kleine prijselasticiteit van de vraag naar het eindproduct leidt dan tot een kleine prijselasticiteit van de arbeidsvraag (loonelasticiteit). Bekijken we nu eens de invloed van de loonselasticiteit van de vraag naar fastfood op de loonselasticiteit. De prijselasticiteit van de vraag naar fast-food is relatief groot. Als er zich in de fast-food-sector een loonsverhoging voordoet en ten gevolge daarvan een prijsverhoging zullen de klanten verkiezen thuis te eten. De vraag naar fast-food zal dus enorm afnemen en er zullen veel ontslagen vallen. Ten gevolge van de relatief grote prijselasticiteit van de vraag naar fast-food zal een loonsverhoging in deze sector een grote weerslag hebben op de tewerkstelling. Hoe groter de prijselasticiteit van de vraag naar het eindproduct, hoe groter de prijselasticiteit van de arbeidsvraag (loonelasticiteit). Het aandeel van de factor arbeid in de totale productiekosten De loonkosten vormen een deel van de productiekosten. We aanschouwen twee situaties : A : loonkosten maken 9% deel uit van de totale productiekosten B : loonkosten maken % deel uit van de totale productiekosten Er doet zich een loonsverhoging van % voor : A : stijging van de productiekosten met 9% (% van 9%) B : stijging van de productiekosten met 1% (% van %) 6

7 De invloed van de loonsverhoging op de totale productiekosten is dus groter wanneer de lonen een groter deel uitmaken van de totale kosten. De loonsverhoging wordt immers doorgerekend in de prijs van het product als gevolg van het aanbod dat verschuift naar links. De gevraagde hoeveelheid van dat product daalt en we krijgen een beweging naar links op de arbeidsvraagcurve die groter is dan wanneer de loonkosten slechts een klein deel uitmaken van de totale productiekosten. Bij een loonsverhoging van % is de vermindering van de gevraagde hoeveelheid arbeid groter als de loonkosten 9% uitmaken van de totale productiekosten dan wanneer de loonkosten % uitmaken van de totale productiekosten. Hoe groter het aandeel van de productiefactor arbeid in de totale productiekosten, hoe groter de prijselasticiteit van de vraag naar arbeid; hoe kleiner het aandeel van de productiefactor arbeid in de totale productiekosten, hoe kleiner de prijselasticiteit van de arbeidsvraag. 3. Het arbeidsaanbod 3.1. Het arbeidsaanbod van één individu De mensen gaan werken om te voorzien in hun levensbenodigdheden. Werken of niet werken: de keuze zou snel gemaakt zijn, mochten wij geen loon krijgen naar werken. Bij het bestuderen van het keuzeprobleem van de arbeider kunnen we uitgaan van de veronderstelling dat de arbeider in staat is combinaties van werktijd of loon (koopkracht) en vrije tijd te bedenken die hem dezelfde voldoening schenken, m.a.w. die hem hetzelfde nut geven. Het is daarbij realistisch te veronderstellen dat de arbeider steeds meer (schaarser wordende) vrije tijd slechts zal willen opofferen tegen een stijgend bijkomend loon. Hoe minder vrije tijd, hoe groter de loonsverhoging zal dienen te zijn om de arbeider ertoe aan te zetten nog meer arbeid te verkopen. Vrije tijd slaat hierbij dus op het aantal uren dat, na aftrek van de aan betaalde arbeid gespendeerde werktijd, per dag voor andere tijdsbestedingen overblijft (ontspanning met vrienden en familie, lui liggen op het strand, wandelen, hobby, eten, slapen, schoonmaken, blokken, ). Combinaties van vrije tijd en inkomen van Bart Peeleman die liggen op één zelfde indifferentiecurve (iso-nutscurve) leveren hem hetzelfde nut op. Onderstel dat Bart vrij kan gaan werken. Indifferentiecurve A Indifferentiecurve B Indifferentiecurve C gaat door : (, 17) (12, 132,) (14, ) (16, 8) (18, 7) gaat door : (, 212,) (12, 7,) (13, 137,) (14, 13) (16, 112,) Gaat door : (, 262,) (12, 2) (13, 172,) (14, ) (16, 132,) 7

8 figuur 4 inkomen indifferentiecurve A Indifferentiecurve B Indifferentiecurve C loonlijn 1 loonlijn 2 loonlijn 3 vrije tijd Bij een uurloon van EUR zal Bart preferen om 8u te gaan werken per dag. Hij ervaart dan het grootste nut geg. het uurloon (zie figuur 4, loonlijn 1). Bedraagt het uurloon 12, EUR dan wil Bart 11u gaan werken (loonlijn 3). Bij een loon van EUR/uur zal Bart bereid zijn u te werken per dag (loonlijn 2). Loonvoet EUR 12, EUR EUR Arbeidsduur per dag 8u 11u u De grafische curve die het verband weergeeft tussen de loonvoet en de aangeboden hoeveelheid arbeid per dag noemen we de aanbodcurve van arbeid (Aa). individueel arbeidsaanbod 17, 12, loonvoet 7, 2, aangeboden hoeveelh. arbeid individueel arbeidsaanbod We stellen vast dat tussen dat tussen de uurlonen EUR en 12, EUR de aanbodcurve een normale positieve helling heeft, maar dat voorbij 12, EUR de aanbodcurve als het ware terugbuigt naar de as, wat betekent dat hogere lonen leiden tot een vermindering van de 8

9 aangeboden hoeveelheid arbeid. Men spreekt van een (gedeeltelijk) contrair verloop van de individuele arbeidsaanbodcurve. Wanneer we vertrekken van een relatief laag uurloon dan is de arbeider bereid meer te werken en minder vrije tijd te nemen als het loon stijgt. Aangezien de stijging van het uurloon vrije tijd duurder maakt (opportuniteitskost is groter) zal de arbeider kiezen voor minder vrije tijd en meer arbeidstijd. Een loonsverhoging kan dus leiden tot een vervanging of substitutie van vrije tijd door werktijd. Dit noemt men het substitutie-effect. Het omgekeerde doet zich voor bij een loonsverlaging. Voorbij een uurloon van EUR wordt de vrije tijd nog steeds duurder maar opteert de arbeider voor minder werken en meer vrije tijd bij een stijging van de loonvoet. Het inkomenseffect doet het inkomen van de arbeiders zelfs stijgen zonder dat hij daarvoor langer moet werken. Hij kan zelfs een kleiner aantal uren werken en evenveel verdienen als vroeger. Dit effect treedt pas op bij zeer hoge loonvoeten. Zowel inkomen als vrije tijd zijn dan superieure goederen geworden. De koopkracht stijgt en er wordt meer vrije tijd gewenst. Alhoewel Bart Peeters geneigd is minder te werken als de loonvoet stijgt boven de 12, EUR, hoeft dit niet steeds zo voor ieder persoon het geval te zijn. De arbeidscurve van een individuele werknemer hangt af van zijn veld van indifferentiecurven Het arbeidsaanbod van meerdere individuen Stel dat de arbeidscurve van Piet er als volgt uitziet: Loon EUR 12, EUR EUR Uren werken 6u 14u 12u Figuur 17, loonvoet 12, 7, arbeidsaanbod Bart arbeidsaanbod Piet collectief arbeidsaanbod 2, aangeboden hoeveelh. arbeid De collectieve aanbodscurve kunnen we dan vinden door de individuele arbeidsaanbodcurven horizontaal te sommeren (zie figuur ) 9

10 3.3. Verschuivingen van het arbeidsaanbod Wijziging in de voorkeur van de arbeider Veronderstel dat het preferentieschema van Bart zodanig veranderd is door de introductie van de nieuwe high-tech producten die ter zijner beschikking staan dat hij tegen een bepaalde loonvoet toch bereid is veel arbeid te leveren. Nu is hij bereid tegen een loonvoet van EUR 9u te werken, tegen een loonvoet van 12, EUR 13u te presteren en tegen EUR u per dag. Figuur 6 17, 12, loonvoet 7, 2, aangeboden hoeveelh. arbeid oud arbeidsaanbod Bart nieuw arbeidsaanbod Bart Een wijziging in de voorkeur veroorzaakt dus een verschuiving naar rechts als hij bereid is tegen elk uurloon meer arbeid aan te bieden, naar links in het tegenovergestelde geval Een verandering van de bevolking op arbeidsleeftijd Een aangroei van de bevolking op arbeidsleeftijd doet de arbeidsaanbodcurve naar rechts verschuiven. De horizontale sommatie wordt dan immers groter. In het omgekeerde geval vindt er een verschuiving in de andere richting plaats Een verandering in de participatiegraad De participatiegraad is % van de bevolking op arbeidsleeftijd dat een beroepsactiviteit wenst uit te oefenen. Factoren die de participatiegraad beïnvloeden : Studieduur De meeste jongeren willen eerst hun diploma behalen. De participatiegraad van de oudere werknemers verlaagt ook door het feit dat er vele mogelijkheden zijn voor vervroegd pensioen. De materiële status en de aanwezigheid van kinderen De participatiegraad bij kinderloze huwelijken ligt hoger dan bij andere huwelijken. De aanwezigheid van jonge kinderen doet de participatiegraad, vnl. van vrouwen, afnemen. Het inkomen van de andere echtgenoot is hier ook van groot belang. Bij een voldoende hoog inkomen zal de vrouw meer tijd besteden aan haar huishouding en de opvoeding van de kinderen.

11 Arbeidsvoorwaarden De arbeidsvoorwaarden (soepelere werktijden, loopbaanonderbreking, zwangerschapsverlof, bedrijfscrèches, ) kunnen eveneens een belangrijke invloed uitoefenen op de participatiegraad, zowel van mannen als van vrouwen. 4. Loonvorming op een zuiver concurrentiële arbeidsmarkt Op een zuiver concurrentiële markt wordt de prijs van de productiefactor arbeid gevormd door de confrontatie van vraag en aanbod van arbeid (figuur 7) figuur loonvoet hoeveelh. arbeid vraag naar arbeid aanbod van arbeid. Factoren die de loonsonderhandelingen m.b.t. de CAO s kunnen beïnvloeden De arbeidsmarkt is een zeer gereguleerde markt, d.w.z. vraag en aanbod spelen, doch spelen de CAO s een grote rol zodat de onderhandelingsruimte beperkt is..1. Loonbarema s en minimumlonen Veronderstel bv. dat het arbeidsaanbod toeneemt, omdat meer vrouwen toetreden tot de arbeidsmarkt. Door een verhoging van het arbeidsaanbod zal de arbeidsaanbodcurve verschuiven naar rechts. Er ontstaat een nieuw marktevenwicht en het loon zal dalen onder het vorig niveau. Een daling van de lonen komt echter in het Westen zeer zelden voor aangezien werknemers dat niet aanvaarden. Men noemt dit verschijnsel neerwaartse loonrigiditeit of loonstarheid. Indien de lonen niet mogen dalen zal er een arbeidsoverschot of werkloosheid ontstaan (zie figuur 8). 11

12 figuur 8 loonvoet , 13 13, 14 14,, hoeveelh. arbeid vraag naar arbeid aanbod van arbeid nieuwe aanbodscurve.2. De situatie op de arbeidsmarkt Voor bepaalde categorieën van arbeid is er onvoldoende arbeid, denken we maar aan ongeschoolden. Bovendien worden door de bedrijven soms hoog gekwalificeerde arbeid gevraagd waartegen weinig of geen aanbod bestaat. Denken we maar aan directiesecretaresses, boekhouders, informatici, ingenieurs, tekenaars, verpleegkundigen, electriciens, lassers, auto-en vrachtwagenmachaniciens, metaalbewerkers, bakkers, beenhouwers, kappers, die schaars zijn. Hoe schaarser, hoe beter de vakbonden kunnen onderhandelen. De bedrijven zitten te springen om arbeidskrachten en zijn bereid meer te betalen en / of extra legale voordelen te geven zoals maaltijdcheques, bedrijfswagen, weekendjes, bedrijfscrèches,. De vakbonden kunnen ook de lonen opdrijven door de toegang tot het beroep te beperken bv. door een toelatingsexamen te eisen. Het aanbod verschuift daardoor naar links en er komt een hoger loon tot stand..3. Stijging van de arbeidsproductiviteit Bedrijven met een hogere productiviteit kunnen in hun CAO s hogere lonen vastleggen voor hun werknemers dan bedrijven met een lagere productiviteit. De vakbonden zullen een loonsverhoging eisen om ervoor te zorgen dat de werknemers kunnen delen in de stijgende welvaart..4. Prijsstijgingen Vakbonden gaan hogere looneisen stellen voor hun werknemers ten tijde van inflatie omdat de werknemers daardoor hun reël loon kunnen behouden. Behalve over lonen wordt er natuurlijk ook uitgebreid onderhandeld over de secundaire arbeidsvoorwaarden. 12

13 Oefeningen : Oef1 : Arbeiders Productie Grote lolly s wordt nog ambachtelijk gemaakt. De marktprijs is, EUR en het dagloon bedraagt 24, EUR. Bereken de totale, marginale en gemiddelde opbrengsten en de totale en marginale kosten met de computer. Teken de marginale kosten, marginale opbrengsten en gemiddelde arbeidsopbrengsten met de computer. Bepaal grafisch hoeveel arbeiders deze producent geneigd is te vragen. Leid eveneens de vraagcurve van arbeid af. Oef 2 : Een traiteur bezorgt fijnverzorgde warme maaltijden aan huis. In de loop van de jaren breidde zijn zaak uit en moest hij dus ook meer werknemers in dienst nemen. De loonkosten en de opbrengsten per dag hangen af van het aantal maaltijden. Onderstaande tabel geeft de evolutie van deze gegevens weer als de dagloonkosten per arbeider 62, EUR bedragen en de ontvangst per maaltijd 6,2 EUR bedraagt. Aantal arbeiders Aantal maaltijden per dag Bereken totale kosten, totale opbrengsten de marginale kosten en opbrengsten. Hoeveel arbeiders worden in dienst genomen? Om zijn personeel te kunnen houden, is de ondernemer verplicht een belangrijke loonsverhoging toe te staan. De loonkosten per dag bedragen nu 7 EUR. Hoeveel arbeiders worden er nu in dienst genomen? Leid de vraagcurve naar arbeid af. Stel dat de arbeidsproductiviteit stijgt met %. Hoe beïnvloedt dat de vraag naar arbeid? Door de actie van de vakbonden en door een sterke verhoging van de sociale lasten stijgen de loonkosten in het bedrijf tot 9 EUR per arbeider. De zaak van de traiteur heeft een goede reputatie wegens de prima kwaliteit van de maaltijden. De ondernemer durft de gestegen loonkosten door te rekenen in de verkoopprijs per maaltijd. Hij verhoogt daartoe de prijs per maaltijd tot 7, EUR. Hoe beïnvloedt dit de vraag naar arbeid in de veronderstelling dat de arbeidsproductiviteitsstijging van % blijft? Als de prijs van mijn product verdubbelt en de dagloonkost per arbeider verdubbelt, hoe beïnvloedt dit mijn gevraagde hoeveelheid arbeid? 13

14 Oef 3 : Als de indifferentiecurve de volgende algemene vorm aanneemt : x 1,29.y = 379,24. - Wat is dan het optimaal arbeidsaanbod als het uurloon gelijk is aan 12, EUR? - Wat is dan het optimaal arbeidsaanbod als het uurloon gelijk is aan 9 EUR? - Stel de bijhorende aanbodscurve van arbeid op. Wat kan je besluiten uit deze grafiek? Oef 4 : Als de indifferentiecurve de volgende algemene vorm aanneemt : x 1,3.(y +4)= 43,8. - Wat is dan het optimaal arbeidsaanbod als het uurloon gelijk is aan, EUR? - Wat is dan het optimaal arbeidsaanbod als het uurloon gelijk is aan 12, EUR? - Stel de bijhorende aanbodscurve van arbeid op. Hoe verloopt de arbeidsaanbodcurve? Oef 14

15 Is deze situatie economisch mogelijk of relevant? Waarom wel of waarom niet? Op welke constante staat er een restrictie om een economisch verantwoorde aanbodscurve te construeren? En welke restrictie? Oef 6: De vraag naar arbeid is weergegeven door de volgende vergelijking : y = 7-x met l de loonvoet en a de hoeveelheid arbeid. Het aanbod van arbeid wordt voorgesteld door de volgende vergelijking : y = +2x Stel vraag en aanbod van arbeid grafisch voor. Bepaal grafisch het evenwichtsloon. Oef 7: De vraag naar arbeid wordt weergegeven door de volgende vergelijking y = 2-x. Het aanbod van arbeid wordt weergegeven door de volgende vergelijking : y = 7+x Stel grafisch de vraagcurve en aanbodcurve van arbeid voor. Bepaal grafisch het evenwichtsloon. Stel dat de aangeboden hoeveelheid 8 bedraagt, leid dan grafisch de grootte van de werkloosheid (uitgedrukt in aantal arbeiders) af. Oef 8: loonvoet 3,7 Gevraagde hoeveelheid arbeid 2 4, Aangeboden hoeveelheid arbeid 8, Geef de grafische voorstelling van vraag en aanbod. Bepaal grafisch de evenwichtsprijs en de tewerkstelling die daarmee gepaard gaat.

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

1 Volledige of volkomen competitieve markten Om te spreken van volkomen concurrentie moeten er 4 voorwaarden vervuld zijn:

1 Volledige of volkomen competitieve markten Om te spreken van volkomen concurrentie moeten er 4 voorwaarden vervuld zijn: Competitieve markten van 6 COMPETITIEVE MARKTEN Marktvormen Welke verschilpunten stel je vast als je het aantal aanbieders en het aantal vragers vergelijkt op volgende markten? a/ Wisselmarkt b/ Markt

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 11

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 11 OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk Open Vragen OEFENING a) i. De vraagcurve van arbeid verschuift naar rechts. ii. Daar we in de korte termijn zijn, kan de kapitaalstock niet worden aangepast aan de stijging

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Remediëringstaak: Vraag en aanbod

Remediëringstaak: Vraag en aanbod Remediëringstaak: Vraag en aanbod Oefening 1: a. Stijging olieprijs blijft beperkt. Je moet een grafiek tekenen waarin je je aanbod naar links laat verschuiven (aanbod daalt) (wegens pijpleidingen die

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden? 1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?. een daling van het aantal werklozen B. een toename van de emigratie uit het betreffende land. de

Nadere informatie

HET COBB-DOUGLAS MODEL ALS MODEL VOOR DE NUTSFUNCTIE IN DE ARBEIDSTHEORIE. 1. Inleiding

HET COBB-DOUGLAS MODEL ALS MODEL VOOR DE NUTSFUNCTIE IN DE ARBEIDSTHEORIE. 1. Inleiding HET COBB-DOUGLAS MODEL ALS MODEL VOOR DE NUTSFUNCTIE IN DE ARBEIDSTHEORIE IGNACE VAN DE WOESTYNE. Inleiding In zowel de theorie van het consumentengedrag als in de arbeidstheorie, beiden gesitueerd in

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

Domein D: Concept markt. Havo 5 Module 2 en 3

Domein D: Concept markt. Havo 5 Module 2 en 3 Domein D: Concept markt Havo 5 Module 2 en 3 Domein D: Concept markt Winst = omzet kosten TW = TO TK TO = 2000 TK = 1500 TW = 500 Omzet per product = gemiddelde omzet = prijs = GO TO = 2000 Als afzet is

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Een verkenning van de arbeidsmarkt

Een verkenning van de arbeidsmarkt Hoofdstuk 1 1.11 B en C. 1.12 B. 1.13 B. 1.14 Stijging: a,b en c. Daling: d. 1.15 a. Daalt; b. Stijgt; c. Daalt; d. Stijgt. Een verkenning van de arbeidsmarkt 1.16 De vraag (werkgelegenheid en vacatures)

Nadere informatie

A ; B ; C ; D Géén van de alternatieven A, B en C is CORRECT.

A ; B ; C ; D Géén van de alternatieven A, B en C is CORRECT. Vraag 1 De vraagcurve voor herenoverhemden met een zuurstokdesign luidt Q d = 200 P. De aanbodcurve voor herenoverhemden met een zuurstokdesign luidt Q s = 2*P 40. Stel dat de overheid de totale omzet

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

Onderzoeksvraag 3 Wat is de optimale productiegrootte op korte termijn?

Onderzoeksvraag 3 Wat is de optimale productiegrootte op korte termijn? Onderzoeksvraag 3 Wat is de optimale productiegrootte op korte termijn? 1 Intro Een onderneming produceert 3 000 eenheden van haar product en maakt daarbij 27 500 euro kosten. De variabele kosten verlopen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

H3 Hoe werken markten

H3 Hoe werken markten H3 Hoe werken markten 3.1 Markten marktmechanisme Organisatie door Marktmechanisme Vragers en aanbieders met eigen belang Aanbieders passen aan aan vragers. Soorten markten één, enkele of veel aanbieders

Nadere informatie

De antwoorden tussen haakjes zijn de antwoorden die wij VERMOEDEN die juist zijn.

De antwoorden tussen haakjes zijn de antwoorden die wij VERMOEDEN die juist zijn. Examenvragen economie 12 juni 2002. De antwoorden tussen haakjes zijn de antwoorden die wij VERMOEDEN die juist zijn. --------------------------------------------------------------------------------- 1)

Nadere informatie

Competitieve markten

Competitieve markten Thema 1 Competitieve markten 1.1 Prijsvorming op competitieve markten 1.1.1 Prijsvorming op competitieve markten leidt tot evenwichtsprijs UITWERKINGSTRAJECT Infopunt (p. 9) Voorafgaande opmerking: het

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

Economie Module 3. De marktstructuur is het geheel van kenmerken van de markt die het marktevenwicht beïnvloeden.

Economie Module 3. De marktstructuur is het geheel van kenmerken van de markt die het marktevenwicht beïnvloeden. Module 3 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten: - De concrete

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Opgave 1 Vraag- en aanbodcurve met consumenten- en producentensurplus. Qv = -0,5p + 10 Qa = 0,5p 2 Qa = Qv Prijs in euro, q in stuks. 1. Teken de

Nadere informatie

Remediëringstaak: Vraag en aanbod

Remediëringstaak: Vraag en aanbod Remediëringstaak: Vraag en aanbod 1. Studeer opnieuw de leerstof van vraag en aanbod in. Tracht steeds zeer inzichtelijk te studeren: ga na dat je alle redeneringen die we in de klas / cursus maakten snapt.

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Vraag 11. q 1 MK, MO MK ECONOMIE, EEN INLEIDING 2010 1 - WAAROVER EN HOE SPREKEN ECONOMEN? S. COSAERT, A. DECOSTER & T. PROOST

Vraag 11. q 1 MK, MO MK ECONOMIE, EEN INLEIDING 2010 1 - WAAROVER EN HOE SPREKEN ECONOMEN? S. COSAERT, A. DECOSTER & T. PROOST Vraag 11 MK, MO MK MO Beschouw bovenstaande figuur. De onderneming produceert een hoeveelheid q 1. Beoordeel de volgende uitspraken: I. De onderneming zal haar winst zien toenemen indien ze meer zou produceren.

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 15

Extra opgaven hoofdstuk 15 Extra opgaven hoofdstuk 15 Opgave 1 Veronderstel dat de oliemarkt wordt beschreven door het onderstaande model (1) q v = 20 p + 16.000 p prijs per vat olie in euro s (2) q a = 20 p q v, q a aangeboden,

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Eindexamen economie 1-2 vwo I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 nivellering 38,2 : 9,6 = 3,98 : 1 2 maximumscore

Nadere informatie

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). 1. Prijselasticiteit van de vraag De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). %-verandering gevraagde hoeveelheid (gevolg)

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst havo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

DOSSIER DE ARBEIDSMARKT. in ons land. 1. Arbeidsaanbod. 2. Arbeidsvraag. 3. Loonvorming

DOSSIER DE ARBEIDSMARKT. in ons land. 1. Arbeidsaanbod. 2. Arbeidsvraag. 3. Loonvorming DOSSIER DE ARBEIDSMARKT in ons land 1. Arbeidsaanbod 2. Arbeidsvraag 3. Loonvorming Arbeidsmarkt - 1 van 20 DE ARBEIDSMARKT 1. Arbeidsaanbod 2. Arbeidsvraag 3. Loonvorming Inleiding Reconstrueer het basismodel

Nadere informatie

Lesbrief Werk en Werkloosheid 1 e druk

Lesbrief Werk en Werkloosheid 1 e druk Hoofdstuk 1. 1.12 1.13 1.14 1.15 1.16 B D B A B Werken of vrije tijd 1.17 a. De arbeidsdeelname van vrouwen stijgt en het aantal vrouwen met een grote deeltijdbaan is het sterkst gestegen in de periode

Nadere informatie

Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten

Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten CPB Notitie Datum : 7 april 2004 Aan : Projectdirectie Administratieve Lasten Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten 1 Inleiding Het kabinet heeft in het regeerakkoord het

Nadere informatie

Macro-economie examenvragen

Macro-economie examenvragen Macro-economie examenvragen Deel II 1. Indien de reële productie en het arbeidsaandeel constant blijven, dan kan het aantal tewerkgestelde personen van het ene jaar op het andere slechts toenemen indien.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 q v = 200 1,25 + 450 = 200 q a

Nadere informatie

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid = mensen Door werkgevers: bedrijven en overheid Werkgelegenheid Hoe lager het loon, hoe groter de vraag naar arbeid Aanbod van arbeid: beroepsbevolking (iedereen tussen de

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 9 Open vragen OEFENING 1 a) Aantal Prijs Totale ontvangst Marginale ontvangst 1 9 9 9 2 8 16 7 3 7 21 5 4 6 24 3 5 5 25 1 6 4 24-1 7 3 21-3 8 2 16-5 9 1 9-7 10 0 0-9 b)

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Gebruik het fragment uit het onderzoeksrapport.

Gebruik het fragment uit het onderzoeksrapport. Opgave 6 Werkt de arbeidsmarkt? fragment uit het onderzoeksrapport World of Work 2012: De banencrisis in Japan, de Verenigde Staten en Europa die is ontstaan als gevolg van de kredietcrisis in 2008 wordt

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 twee van de volgende voorbeelden

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Errata Economie: oefeningen

Errata Economie: oefeningen 1 Errata Economie: oefeningen! Deze correcties gelden alleen voor de eerste druk van 2010! p. 11 Hoofdstuk 1 Open Vraag 1 e) We zetten nu voor het jaar 1990 het BBP van de randzone om in dollars. We delen

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Deeltoets micro-economie propedeuse

Deeltoets micro-economie propedeuse Deeltoets micro-economie propedeuse 20 november 2012 Versie 1 ü Deze toets bestaat uit 14 meerkeuzevragen. ü Op het antwoordformulier dient steeds - met potlood - het correcte antwoord te worden aangestreept.

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: HAVO EAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Lesbrief Europa 2 e druk

Lesbrief Europa 2 e druk Hoofdstuk 1. 1.13 1.14 1.15 1.16 A A B D Waar produceren? 1.17 a. Door loonmatiging dalen de productiekosten en kunnen de prijzen dalen. Dan verbetert de internationale concurrentiepositie en zal de export

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo II

Eindexamen economie 1-2 vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen 4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen Vb. werknemers en werkgevers CAO-onderhandelingen via vakbonden Stel: vakbond van werknemers eist arbeidstijdverkorting van 4 uur per week; van 40 uur

Nadere informatie

Examen januari De productiemogelijkhedencurve in luilekkerland ziet er als volgt uit

Examen januari De productiemogelijkhedencurve in luilekkerland ziet er als volgt uit Examen januari 2006 1. De productiemogelijkhedencurve in luilekkerland ziet er als volgt uit appelen 150 100 peren De alternatieve kost van één peer is A. 1,5 appelen B. 1 appel C. 0,666 appelen D. Onmogelijk

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Wat kun je verwachten?

Wat kun je verwachten? Economie V5 Economie 2 3 Wat kun je verwachten? Urenverdeling V5: 3 uur per week V6: 3 uur per week Overhoringen Minimaal 2 overhoringen per periode (weging varieert) Weging Proefwerk: 3-4x (in april:

Nadere informatie

Deeltoets micro-economie propedeuse. 19 november Versie 1

Deeltoets micro-economie propedeuse. 19 november Versie 1 Deeltoets micro-economie propedeuse 19 november 2013 Versie 1 ü Deze toets bestaat uit 14 meerkeuzevragen. ü Op het antwoordformulier dient steeds - met potlood - het correcte antwoord te worden aangestreept.

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 1

Extra opgaven hoofdstuk 1 Extra opgaven hoofdstuk 1 Opgave 1 Er zijn economische problemen, omdat: a. de middelen en de behoeften beide onbeperkt zijn; b. de behoeften beperkt zijn in relatie tot de middelen; c. de middelen beperkt

Nadere informatie

Daarom moet de personeelsdirecteur er zorg voor dragen dat er voor elke twaalf arbeiders ten minste één bediende is.

Daarom moet de personeelsdirecteur er zorg voor dragen dat er voor elke twaalf arbeiders ten minste één bediende is. VRAGEN PERSONEELSDIRECTEUR 5. Welke taken oefenen de bedienden uit? 6. Zijn de personeelsleden aangesloten bij een vakbond? 7. Wat is de invloed van inflatie op de koopkracht? 8. De arbeidsproductiviteit:

Nadere informatie

Extra opgaven module 2 vwo 5

Extra opgaven module 2 vwo 5 Opgave 1 vwo ec1 2002-1 Huizenprijs in Nederland torenhoog Tussen 1997 en 2000 zijn de prijzen van koopwoningen en de inflatie gestegen (figuur 1). Twee belangrijke oorzaken van de gestegen huizenprijzen

Nadere informatie