MEDEDEELINGEN UITGEGEVEN OOOR OE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "MEDEDEELINGEN UITGEGEVEN OOOR OE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN"

Transcriptie

1 De Mededeelingen verschljnen om de drie maanden, nl. in Maart, Juni,. September en December. MEDEDEELINGEN UITGEGEVEN OOOR OE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN VIJFTIENDE JAARGANG D E V LA. T,O P. VER E E N I GIN G l' E LEU V E N wenseht op het gebied der Vlaamsche plaatsnaamkunde de samenwerking van alle helangsteilenden te bevorderen. Oe Mededeelingen verschijnen vier maal per jaar en worden bezorgd tegen een jaarlijksche bijdrage van 10 frs. Medewerkers eo abonnenten' genieten een prijsverminderiog van ± 40 /0 op de uitgaven van de V. T. V. INSTITUUT VOOR VLAAMSCHE TOPONYMIE UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK - LEUVEN DIR. PRO F. 0 R. H. J. V AN D E W IJ E R - LEUVEN (TaL. 1111). POITRKK

2 Wij zijn zoo vrij hiermede nog speciaal de aandacht van onze lezers to vestigen op de publicaties van de Vlaamsche 7'oponymische Vet eeniging, vermeld op bladz. 4 van den omslag. In onze reeks NOMINA GEOGRAPHICA FLANDRICA kwam intusschen van de pers : IV. Bijdrage tot de kennis van het Zuidwestbrabantsch in de xme en xive eeuw door A. VAN LOEY. 1937, XXVIII en 252 bl., 8, fr. 60. STUDIEN Het Zuidwestbrabantsch, d.w.z. de dialecten gesproken tusschen Dijle en Dender (provincie Brabant) zijn tot hiertoe nog niet opzettelijk en grondig bestudeerd geworden. Aan de hand van een rijke (en vooral onuitgegeven) documentatie, onderzoekt V. L. in hoofdzaak de periode en behandelt hij vooral een reeks van zeer gewichtige taalverschijnselen, als den umlaut (ook van de lange vocalen), de diftongeering van i en uu, de vernauwing van e tot ie, de palatalisatie van oe, enz. Geen enkel toponymist of dialectoloog zal dit alleszins merkwaardige werk willen missen. Op den handelsprijs (fr. 60. ) genieten, zooals voorheen, onze medewerkers en abonnenten, alsmede de secretarissen der aangesloten vereenigingen, de gewone prijsvermindering van ± 40 0/0. De prijs van het werk werd voor hen vastgesteld op fr. 40. De belangstellenden worden verzocht bovenvermeld bedrag to storten op postrekening nr (H.J.VAN DE WIJER, Leuven)

3 MEDEDEELINGEN UITGEGEVEN DOOR DE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN VIJFTIENDE JAARGANG DE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN wenscht op het gebied der Vlaamsche plaatsnaamkunde de samenwerking van alle belangstellenden to bevorderen. De Mededeelingen verschijnen vier maal per jaar en worden bezorgd tegen een jaarlijksche bijdrage van 10 frs. Medewerkers en abonnenten genieten een prijsvermindering van ze 40 / op de uitgaven van de V. T. V. INSTITUUT VOOR VLAAMSCHE TOPONYMIE. UNIVERSITEI T S BI BLI 0 T H EE K LEUVEN DIR. PROF. DR. H. J. VAN DE WIJER LEUVEN (Tat. Mil. POSTREK

4

5 INHOUD VAN DEN VIJFTIENDE JAARGANG (1939) H. DRAYE - Landelijke cultuurvormen en kolonisatiegeschiedenis A. CARNOY - In memoriam Prof. Dr J. Mansion.. 1 J. LANGOHR en H. J. VAN DE WIJER - Plaatsnamen to Hergenraat J. LINDEMANS - Plaatsnamen uit het Aalstersche.. 17 L. SCHROETER - Uit de tijdschriften (1938) H. J. VAN DE WIJER -- t Prof. Dr J. Mansion,. 6

6

7 MEDEDEELINGEN UITGEGEVEN DOOR DE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN VIJFTIENDE JAARGANG 1939, 1. t Prof. J. Mansion. Met pijnlijke verslagenheid werd in de Vlaamse wetenschappelijke wereld op 8 November 1937 het afsterven vernomen van den ook in het buitenland zo hoog aangeschreven Oermanist Prof. J. Mansion, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Luik. Zelden is zulke plotselinge slag zo zwaar gevallen, omdat nog voor zovele jaren op de steun van den gedegen en trouwen collega werd gerekend en omdat in de nog jonge toponymische wetenschap zijn veilige leiding en zijn wetenschappelijke ervaring zo node kan worden gemist. Prof. J. Mansion, zoon van den hoogleeraar-mathematicus der Oentse Universiteit, werd te Gent geboren op 9 Januari 1877, promoveerde er tot doctor in de klassieke philologie en onderscheidde zich aanvankelijk vooral op het gebied der Klassieke en Oosterse philologie, om daarna meer en meer over te gaan tot de beoefening van de Germanistiek. In het jaar 1904 werd hem een leerstoel aangeboden aan de Universiteit te Luik, waar hij samen met Prof. Hamelius zijn boezemvriend de successie van Prof. Orth zou aanvaarden. Daarmede begon in Mansion's leven een periode van rusteloze arbeid, steeds met de hem eigen bescheidenheid, zodat weinigen buiten de eigenlijke vakgenoten wellicht op dit ogenblik vermoeden, welk een toonbeeld van wetenschappelijke ernst en degelijkheid aan Vlaanderen door zijn heengaan is ontvallen. Het valt niet binnen het bestek van deze lezing en evenmin binnen mijn persoonlijke bevoegdheid uit te weiden over de hoge waarde van zijn niet-oermanistisch wetenschappelijk werk Les gutturales grecques al werden reeds hierin de principes gehuldigd die heel zijn verdere wetenschappelijke bedrijvigheid zouden beheersen. Ook kan hier alleen met een woord worden vermeld zijn zo gunstig bekende Althochdeutsches Lesebuch dat weer zoveel meer geeft dan

8 -2 een gewoon Lesebuch zou laten verwachten. En ook aan zijn schitterende Esquisse dune histoire de la langue sanscrite, waarmede hij voor zeer korte tijd zijn werkzaamheid als Indianist heeft willen besluiten, moeten wij met een eenvoudige groet van eerbiedige hulde voorbijgaan. Voor onze Noord- en Zuidnederlandse philologie zal zijn naam voor altijd verbonden blijven aan zijn standaardwerk dat hij overigens wel zelf als zijn levenswerk zal hebben beschouwd waarop echter steeds werd voortgebouwd zijn Oud-Gentsche Naamkunde. Twee bronnen, zo werd bij het verschijnen van dit werk geschreven, kunnen gedeeltelijk vergoeding geven voor de leemte van het ontbreken van Oud-Westnederfrankische teksten, ons troosten over het bevreemdend gemis van alle andere overblijfselen van Oudnederlandse taal en literatuur : de glossen nl. en de namen. Buitenrust Het t em a heeft in zijn bekende uitgave Oude glossen en hun beteekenis met gezag gewezen op het belang van de eerste. Het voorbeeld van H. S we e t, die in zijn Oldest English Texts de Engels-sprekende gemeenschap heeft willen begiftigen «met een verzameling van de oudste geloofsbrieven, die de Engelse taal over te leggen heeft», schijnt wel voor Mansion de aanleiding geweest te zijn tot het aanboren van de tweede, voor het Nederlands stellig nog belangrijker bron de oudste persoons- en plaatsnamen. «Jets dergelijks zoo heet het in zijn voorwoord wordt in dit boek, op veel bescheidener schaal, voor het Nederlandsch beproefd». Op veel bescheidener schaal! het woord tekent den helen wetenschapsmensch. Stellig was de schaal veel bescheidener, wat de omvang en de secuurheid betreft van het materiaal waarover Mansion kon beschikken : een kleine 1 '.500 persoons- en plaatsnamen uit Latijnse oorkonden der 9 e en 10e eeuw, afkomstig van de St. Pieters- en de St. Baafsabdij te Gent. Hij wilde immers zijn Bijdrage tot de kennis van het Oudnederlandsch alleen opbouwen op materiaal dat zuiver te localiseren en te dateeren is, op oorspronkelijke stukken, die hij met eigen ogen had kunnen onderzoeken en voor een streek,

9 3 waarvoor hem als geboren Gentenaar «eenige bevoegdheid» niet ontbrak. Vijftienhonderd namen maar, en bij het neerschrijven van dewelke allerlei invloeden hebben gespeeld : de monniken waren niet eens alien Vlamingen, voor een deel werkten de scribenten naar Merovingische modellen, later weer onder de invloed van de Karolingische school ; de oorsprong der scribenten zelf is niet vast te stellen, en met de mogelijkheid van latinisatie moest steeds worden rekening gehouden. Wat er bij dergelijke voetangels voor eisen aan den schrijver werden gesteld, welk taai geduld en welke vindingrijkheid vooral, om uit zulke schaarse gegevens een taalkundig gebouw van het gehalte van de 0. G. N. op te trekken, is niet zoo makkelijk onder woorden te brengen. Een tripel-secure vindplaats maar «met ongeexploiteerd materiaal», zou alleen V an Ginn e k en persiflerend schrijven, zogezegd omdat Mansion bij het in elk opzicht bewonderenswaardig schiften van uitheems materiaal «in koelen bloede het reeds toen te Gent aanwezige Franskiljonisme zou hebben vermoord en ten onrechte zou hebben gezocht naar het ideale zuivere Gentsch, dat echter nooit elders dan in de verbeelding van de Flaminganten heeft bestaan». Op vernietigende tegenspraak heeft dit oordeel echter niet lang moeten wachten : In Was Vlaanderen altijd tweetalig, bewees Mansion op meer dan doorslaande wijze dat het hem ook over het middeleeuwse Gent «niet aan eenige bevoegdheid ontbrak». Het oordeel en de waardering van zijn Vlaâmse en Nederlandse collega's hebben Mansion intussen op prachtige wijze gewroken. Juist dank zij de stevigheid zijn classieke «voorzichtigheid» van zijn methodiek ; de strengheid van de uitgeoefende controle ten overstaan van de bijna bovenmenselijke moeilijkheden ; zijn haast enige bevoegdheid niet alleen op het reeds zoo ruime gebied der Germanistiek, maar op al de grensgebieden van de Indo-Germaanse taalwetenschap, wend ons hier een standaardwerk van ontzaglijke waarde geschonken, een monumentum aere perennius in de volste zin van het woord; een werk dat nieuw en klaar licht heeft geworpen op de geschiedenis van een taalperiode waarover hij ons

10 - 4 - als een der allereersten vaste, betrouwbare gegevens heeft aan de hand gedaan. En ook in de toekomst zal de 0. G. N. de veilige fundering blijven van elke verdere studie op Nederlands onomastisch gebied. Het betaamde natuurlijk dat in de eerste plaats een eresaluut werd gebracht aan dit werk, waaraan Mansion tien jaren onafgebroken arbeid heeft gewijd. Wij hopen echter dat eerstdaags in bijzonderheden zal kunnen worden in het licht gesteld, wat een schat van taalkundige wijsheid er besloten ligt in de talrijke bijdragen, die voor een groot deel in de Handelingen van de Kon. Commissie voor Toponymie en Dialectologie en in de Verslagen en Mededeelingen van de Kon. Vi. Academie, zijn opgenomen. Het is een onschatbaar geluk voor de toponymische wetenschap te onzent die in Zuid-Nederland sedert zeer lange jaren en door haast iedereen! wordt beoefend en «wel mocht bogen op talrijke door kennis der plaatselijke gelegenheid en gesteldheid en door liefde voor den geboortegrond gesteunde en gestuwde vruchten van Benedictijner vlijt» (M u 11 e r) dat zij eindelijk in Mansion, den wijzen Mentor heeft gevonden, die steeds waarschuwde tegen overijling en tegen de gevaren van het vak, maar ook steeds diende met wijze raad. Tekenend is in dat opzicht zijn lezing in de Kon. Vl. Academie Over Namenkunde (1919) : een algemene inleiding tot een voor de meesten nog nieuwe discipline, waarin meer dan eens een waarschuwende vinger werd opgestoken tegen lichtvaardigheid van alle aard ; maar waar tevens ook met alle ernst werd gewezen op de vele vragen, die nog gesteld worden voor de kennis van de oudere geschiedenis van onze taal en waarvan het antwoord «voor zoover er een antwoord op te geven is, slechts langs een weg kan beproefd worden, namelijk door het systematisch onderzoek der bronnen van Oudnederlandsch taalgoed, die onder den Latijnschen tekst onzer oudste oorkonden nog schuilen». Op deze waarde van het toponymisch onderzoek, ten overstaan van zoovele onopgeloste historisch-philologische strijdvragen, is hij steeds door blijven hameren, niet met woorden, maar met het voorbeeld van zijn eigen opzoekingen. Ik verwijs hier alleen naar merkwaardige bijdragen als

11 5 Le probleme saxon, L'ancien neerlandais d'aprês les noms propres, Vlaamsche en Zeeuwsche persoonsnamen, het Oudnederlandsch en de naburige talen in de vroege Middeleeuwen, line lessen over de geschiedenis van het Nederlandsch naar de plaatsnamen, Ingwaeoonsch taalgoed, Eenige kenmerken van het oudste Nederlandsch, en nog vele andere. Ook en niet minder om zijn methodologische bijdragen heeft Mansion een onvervreemdbaar recht op onze erkentelijkheid. Tot viermaal toe stelde hij zijn eigen rijke ervaring ten dienste der aankomende toponymisten, steeds aanmanend tot bedachtzaamheid, verwijzend naar de niet te verwaarlozen bronnen, afdalend tot in de minste bijzonderheden van de werkmethode, aanpassend aan onze Nederlandse toestanden de in het buitenland bereikte resultaten, onze jonge doctorandi aanzettend tot wetenschappelijk toponymisch werk en last not least, predikend met het eigen persoonlijk voorbeeld in zoveel kleinere («Kleinigheden»), maar zo voldragen bijdragen, als schitterende illustraties van zijn secure werkmethode. Het wetenschappelijk resultaat van zijn laatste opzoekingen, getoetst aan zijn Gentse bevindingen, schonk hij ons dan in het jaar 1935 in zijn Voornaamste bestanddeelen der Vlaamsche plaatsnamen, «een...onmisbaar, dagelijks te hanteeren handboek voor Nederlandsche toponymisten, vrucht van diepe studie en ontzaglijke kennis, het synthetische vademecum, a. h. w. de kroon op zijn toponymisch werk waarop de vele belangstellenden in Vlaanderen sedert jaren met zooveel ongeduld hebben gewacht en waarop het verder onderzoek langs veilig-wetenschappelijke baan kan voortgezet worden» (Muller). Wij hadden voor een nabije toekomst van Mansion nog zoveel verwacht dat de grondslagen van ons arbeidsterrein nog zou uitbreiden en verstevigen ; wij wisten dat nog zoveel plannen rijpten waaruit onze Vlaamse wetenschap ontzaglijk nut zou halen : Es hat nicht sollen sein! Zijn collega's en vakgenoten zullen steeds het aandenken van den trouwen vriend, den edelen mensch en den hoogstaande geleerde, zijn hoog voorbeeld van wetenschappelijke eerlijkheid in dankbare vereering bewaren. H. J. VAN DE WIJER.

12 In memoriam Prof. Dr J. Mansion. Professor J. Mansion, die zoo plotseling en zoo voorbarig aan de Belgische wetenschap werd ontrukt, was het ideale type van den taalkundige (1). Inderdaad, indien er veel personen zijn die zich om allerlei redenen en op allerlei wijzen met talen bezighouden, zijn er weinige echte specialisten in de taalwetenschap. De inrichting van ons onderwijs is zeker van aard om de taalkunde te maken tot een hulpwetenschap zonder meer van een of andere philologie ; welnu wie op een enkel gebied thuis is, mag niet geheel en al op de hoedanigheid van taalkundige aanspraak maken. Immers de massa feiten, alsmede de vergelijkingspunten die de ontdekkingen mogelijk maken en den taalkundige soepelheid van oordeel schenken, ontbreken hem. Mansion bezat juist die buitengewone algemeene voorbereiding. Zoowel op het gebied van de klassieke philologie, het Indo-Iraansch, de algemeene taalkunde als op dat der Germaansche verschijnselen strekte zijn kennis zich uit. Die verscheidenheid van belangstelling, welke bij sommigen in oppervlakkigheid zou ontaarden, was voor hem integendeel de stevige achtergrond geworden van zijn veelvuldige taalkundige vruchtbaarheid. Bovendien was hij een intellectueel en een geleerde door zijn afstamming. Zooals bekend, was hij de zoon van een wiskundige van naam. Het is waarschijnlijk geen looter toeval, dat aanleg voor wiskunde zich in de geleerdengeslachten meermaals tot taalkundige vaardigheid ontwikkelt. Het geval van de Saussure's is in dat opzicht «klassiek» geworden. Het zich scherp voorstellen van de formules, een zeker gemak om het ingewikkelde van de cornbinaties der invloeden te overzien en de nauwgezetheid zijn eigen aan beide soorten van wetenschappen. Ook het meesterschap waarmede Kan. Mansion, broeder van den overledene, de terminologie en de opvattingen van het gecompliceerde maar zeer logische systeem van de Aristoteliaansche wijsbegeerte hanteert, heeft met de wiskunde veel gelijkenis. ( 1 ) Dit In memoriam (met Bibliographie) verscheen ook in Com. Top. XII (1938),

13 De nauwgezetheid, de betrouwbaarheid, de klaarheid waren zeker de meest treffende eigenschappen van J. Mansion en van zijn taalkundige werken, die zeer talrijk zijn, alhoewel zijn leven zoo kort is geweest. Hij werd in 1877 te Gent geboren en stierf dus op den ouderdom van nauwelijks zestig jaren. Zijn varier was hoogleeraar te Gent en hijzelf studeerde aan deze Universiteit, o. m. onder de leiding van Prof. L. de la Vallee Poussin, den beroemden Sanskritist. Hij promoveerde aldaar in de Wijsbegeerte en Letteren (afdeeling : Klassieke philologie) in 1902 op een zeer belangrijke studie over : Les Gutturales grecques, die in 1904 gedrukt werd, als XXIX deel van het «Recueil des Travaux publies par la Faculte de Philosophie et Lettres de l'universite de Gand». Wij vinden reeds in deze studie de voornaamste eigenschappen van den toekomstigen geleerde. Hij munt er uit door nauwkeurigheid, door een bewonderenswaardigen kritischen geest, door zijn stevige en uitgebreide kennis. Daarenboven, zooals in zijn latere toponymische werken, is hij niet teruggedeinsd voor het geduldig napluizen van den geheelen woordenschat. Zijn inleiding getuigt van veel gezond verstand. Hij plaatst zich tusschen de overdreven sceptici, die alles hekelen in het grootsche werk der reconstructie der Indogermaansche oertaal, en de eenigzins naieve junggrammatiker, die al te licht vaste wetten zonder uitzonderingen afkondigen, die vaak op een zeer gering aantal voorbeelden berusten. In 1902 waren er besprekingen gaande betreffende den aard der Indogermaansche gutturalen. Terwip Schleicher en As co I i de feiten wilden verklaren uitgaande van een enkele soort van keelklanken, hadden Fick en H a r d t het bestaan van twee reeksen van gutturalen aangenomen. B e z z e n b e r g e r wilde uitgaan van een drievuldigheid van tweeklanken, van of de oudste tijden. Zooals B r u gm a nn, en tegen M e i 1 1 et in, verdedigde Mansion deze laatste stelling die, zooals bekend, thans algemeen wordt aangenomen, alhoewel we de voorteekens zien opkomen van een reactie in de richting van As c oii's parasietentheorie. Daar in zijn tijd de bespreking bovenal ging over de dela-

14 8 bialisatie van de velaren, wijdde Mansion zijn eerste hoof d- stuk aan deze kwestie en stelde er een zorgvuldig onderzoek in naar de gevallen waar, in het Grieksch, een delabialisatie plaats heeft gehad. Het gelukte hem duidelijk te bewijzen dat het afzonderlijke gevallen zijn, welke gedurende de ontwikkeling van de Grieksche taal zijn ontstaan onder den invloed van naburige klanken. Een andere groote verdienste van Mansion is zijn onderzoek betreffende de vertegenwoordigers der gutturalen in de Grieksche dialekten ; daar lag toen het veld nog grootendeels braak. Zijn voornaamste taak, nochtans, is geweest voor elk soort van gutturalen het grootst mogelijke aantal voorbeelden te verzamelen en aldus de stevigheid van onze kennis te verhoogen betreffende de ontwikkeling, die zij in het Grieksch hebben ondergaan. Wat ons geleverd wordt is bijna een etymologisch woordenboek van het Grieksch, dat op zeer talrijke punten aan het werk van Boisacq den weg heeft gebaand. Door dit werk en door zijn schitterende examens, werd de aandacht op den jongen doctor zoodanig gevestigd, dat hij reeds in 1904 aan de Universiteit te Luik als docent werd aangesteld. Hij werd belast tegelijk met lessen in het Sanskrit en met colleges in de Germaansche talen. Hetgeen er op eerste zicht als een abnormale dualiteit uitziet, was integendeel voor een Indogermanist een ideale toestand en heeft er zeer veel toe bijgedragen om van Mansion voor goed een taalkundige te maken. Hij heeft altijd een echte geestdrift voor het Sanskrit aan den dag gelegd en het is «con amore» dat hij een Esquisse de la Langue sanscrite liet verschijnen, die eerst in 1931 bij Geuthner werd uitgegeven, maar die de vrucht is van langdurig nadenken over de voornaamste vraagstukken welke de ontwikkeling van de Oud-Indische taal opwerpt. Zooals L a V a l l e e Poussin in het voorbericht van het boek opmerkt, bestond er geen werk waar een dergelijke synthese van de geschiedenis van het Sanskrit te vinden was. De bijzonderheden aldaar bijeengebracht kwamen alleen in lijvige, saaie commentaren bij zekere spraakkunsten voor, en

15 9 --- dan nog in fragmentarischen vorm. Bovendien heeft Mansion herhaaldelijk nieuwe opvattingen naar voren gebracht, die altijd treffen door de wijsheid die ze heeft ingegeven. De geschiedenis van het Oud-Indisch, waarover zooveel pedantische beschouwingen ten beste gegeven werken, neemt hier bijna het uitzicht van een boeienden roman aan en wordt zelfs voor niet-gespecialiseerden aantrekkelijk. In alle opzichten was het verschijnen van dat keurig boekje een eindpunt. Het was de uitslag van een lange ervaring, maar ook de zwanezang van den Sanskritist. Inderdaad, hoe langer hoe meer werd Mansion door de omstandigheden naar de Germaansche philologie aangetrokken. Door een nieuwe verdeeling van de colleges te Luik werd hij uitsluitend met het onderwijs van dien card belast. Alhoewel het hem zeker pijnlijk viel aan zijn eerste liefde vaarwel te zeggen, wenschte Mansion klaarblijkelijk een einde te stellen aan de al te groote verscheidenheid van zijn bedrijvigheid en zich voorgoed op een bepaald gebied te specialiseeren. Hij was overigens sedert lang in de Germanistiek geheel en al thuis. Van of de eerste jaren waarop hij, naast het Sanskrit, Germaansche colleges hield, had hij een omvangrijke en nauwkeurige kennis van al de Germaansche dialecten verworven, die hem een eenig meesterschap bezorgde, toen hij zijn studien over het Oud-Nederlandsch aanvatte. Zijn eerste bedrijvigheid nochtans ging naar het Oudhoogduitsch en hij bracht het hierin spoedig ver genoeg om voor de «Germanische Bibliothek» van Winter te Heidelberg een handboek over het Oudhoogduitsch te schrijven. Onder de werken van deze reeks, die alle door nauwkeurigheid, degelijkheid en klaarheid uitmunten, is dit boek van Mansion stellig een der beste. Daarenboven had Mansion over de Germaansche talen een aanzienlijk aantal kortere opstellen laten verschijnen, die alle van een grondige en zekere kennis van klankleer en vormleer getuigen. In 1905, had hij in het Duitsch over de etymologie van holen (-= NI. halen) in «Paul and Braune's Beitrage geschreven ; in 1911 had hij een mededeeling gedaan over De aanwijzende voornaamwoorden in de Germaansche talen

16 in de Koninklijke Vlaamsche Academie. In 1914 hield hij zich bezig met Les origines du Christianisme chez les Gots (Analecta Bollandiana) en heeft vele punten opgehelderd, betreffende de migraties van dit yolk en de betrekkingen tusschen het Arianisme en de Orthodoxie gedurende het bewogen tijdperk der volksverhuizing. Een meer praktische studie ging over Uitspraakleer en verscheen in «pietsche Warande en Belfort», We mogen dan ook gerust bevestigen dat niemand beter dan hij voorbereid was om in de toponymische beweging, die sedert een twintigtal jaren aan den gang is, een, leidende rol te spelen. Minder stout en misschien minder baanbrekend dan de voortrekkers van deze wetenschappelijke richting, heeft hij zijn studien laten verschijnen, toen de belangstelling door andere geleerden, in ons land, reeds wakker was geschud, maar dadelijk kwamen zij op den voorgrond te staan door de buitengewone stevigheid zoowel wat feitenkennis als uitslagen betreft ; ongeevenaard is trouwens het boek : Oud-Gentsche Naamkunde gebleven. Boven alle andere opzoekingen van dien aard, heeft het wel het voordeel een definitieve studie te zijn over een bepaald gebied. Geen oud document laat zij ongebruikt, alle lezingen laat zij op de handschriften zelf controleeren, overal wordt met de grootste zorgvuldigheid een onderscheid gemaakt tusschen wat zuiver Frankisch is en wat den stempel draagt van andere verwante dialecten. Zoo werd het hem mogelijk gemaakt een strenge historische studie der Oudfrankische klanken te schrijven, die op het verleden van het Nederlandsch een helder licht werpt. Ook is het voor ons een verrassing te constateeren dat de invloed van personen uit andere gedeelten van het Germaasch gebied zoo groot was van of de Karolingische tijden. De interpretatie van de vele plaatsnamen van Oost-Vlaanderen had Mansion er toe gebracht een zorgvuldig onderzoek in te stellen over een groot aantal woorden, tot nog toe op onvoldoende wijze verklaard, en die in de Nederlandsche toponymie herhaaldelijk voorkomen. Nochtans lagen deze verklaringen overal in dit boek en in verschillende opstellen verspreid en waren voor de niet-specialisten weinig toegankel i j k.

17 Ten overstaan van de groote uitbreiding die het monographisch onderzoek van de plaatsnamen aan het nemen was en de groeiende algemeene belangstelling voor deze studien, achtte Prof. Mansion het wenschelijk een soort van repertorium ter beschikking van dat publiek te stellen, waarin over de voornaamste bestanddeelen der Vlaamsche benamingen van dorpen of rivieren betrouwbare gegevens zouden verstrekt worden. Zoo kwam hij op het idee van zijn boek : De Voornaamste bestanddeelen der Vlaamsche plaatsnamen, in de reeks : Nomina geographica Flandrica verschenen. Lang heeft Mansion op dat zoo begeerde boek laten wachten, want het bleek dat de onderneming moeilijker was dan hij eerst had gedacht. Het gold feitelijk een etymologisch woordenboek van de namen der Vlaamsche gemeenten, z66 opgevat nochtans dat de verklaring der namen onder de interpretatie van hun elementen te vinden is. Door de meest typische oude vormen der benamingen daarin op te nemen en door middel van een voorzichtige tin geleerde interpretatie der toponymische elementen te geven, heeft Mansion de taak der etymologen aanzienlijk vergemakkelijkt. In oneindig veel gevallen zal het voortaan volstaan naar Mansion's boek te verwijzen in plaats van herhaaldelijk op eigen hand den oorsprong van namen en woorden op te sporen ; dit werk moest immers voor de feitenkennis en de schranderheid der taalkundigen van het vak voorbehouden blijven. Het boek heeft natuurlijk vele interessante nieuwe hypothesen naar voren gebracht en ook doen blijken dat het niet- Germaansch element in Vlaanderen een grootere plaats inneemt dan meestal gemeend wordt. Meer dan eens, wanneer aan Prof. Mansion door ongeduldige collega's de vraag werd gesteld, waarom het niet vlugger ging met de bewerking van dat boek waarin hij de kern van zijn uitgebreide kennis op het gebied van toponymie zou mede_ deelen, werd door den geleerde op een vermindering van zijn werkkracht gezinspeeld, aan zijn gezondheidstoestand te wijten. Weliswaar leed hij aan een bekende ziekte en men had den indruk dat hij het slachtoffer was van een ongerechtvaardigd pessimisme, onder meer, toen hij twee jaar geleden ons toevertrouwde, dat hij het nuttig geacht had al zijn aanteekeningen in orde te brengen met het oog op mogelijk'

18 12 overlijden. De gebeurtenissen hebben bewezen dat zekere voorteekens van onduidelijken aard door Mansion als een waarschuwing waren beschouwd geworden. De mogelijkheid van een voorbarigen dood had hij als godsdienstig man en verheven karaktermensch, kalm en sereen onder de oogen gezien. Zonder ooit luidruchtig of zelfs opgeruimd te zijn, was hij nooit droevig en na een kort gesprek legde hij zelfs een stille vroolijkheid aan den dag, die gepaard ging met een bescheiden geestigheid en veel levensphilosophie. Trouwens Mansion was een stille man, in de voile beteekenis van het woord. Hij bleef gaarne thuis en vermeed alle niet - wetenschappelijke bijeenkomsten. Een uitzondering maakte hij toch voor het Luiksche Davidsfonds, waar hij dikwijls als spreker optrad. Zonder in de Waalsche stall aanstoot te geven, had hij toch zijn liefde tot zijn yolk ongerept bewaard en men kan hem in dat opzicht noch zwakheid, noch onbehendigheid verwijten. Hetzelfde mag gezegd worden van zijn godsdienstige en wijsgeerige denkbeelden. Zonder tot een politieke groepeering te behooren, heeft hij altijd rondom zich de christelijke lief de beoefend, inzonderheid in zijn eigen parochie waar hij voor vele noodlijdenden op zeer bescheiden wijze een echte voorzienigheid is geweest. Op het einde van zijn leven, ongerust geworden over de oneenigheid die onder de Luiksche katholieken ontstaan was en over de orientatie van hun streven naar vraagstukken die met de katholieke leer weinig uitstaans hadden, werd hij een der medestichters van de Unitas Catholica, een edele poging om de christelijke leer buiten alle partijbelang hoog te houden. Daar het in onze taak lag over den geleerde meer dan over den mensch te handelen, zullen wij niet verder over alle dergelijke uitzichten van deze sympathieke persoonlijkheid spreken, waarin nochtans vele bewijzen te vinden zijn van de edelmoedigheid, de bescheidenheid en den ernst van dit voorbeeldig karakter, waardoor Prof. Mansion onder alle intellektueelen zooveel vrienden had gekregen. Hij had geen vijanden en wij kunnen ons zelfs moeilijk voorstellen hoe deze stille, eerlijke mensch een gevoel van afgunst of gramschap bij anderen zou hebben kunnen opwekken. Benijdenswaardig wel-

19 13 iswaar waren zijn prestaties op wetenschappelijk gebied, inaar zij waren meer behulpzaam aan anderen dan storend door den ophef dien zij maakten. Hij was een goed leeraar van de wetenschappelijke waarheid, in de voile beteekenis van het woord. Het strekt de taalkunde en de toponymie ter eere dat zij door zulke nauwgezette geleerden worden beoefend. A. CARNOY. UIT DE BIBLIOGRAPHIE. I. In boekvorm. Les gutturales grecques. Universite de Gand, Recueil des travaux publies par la Faculte de Philosophie et Lettres, fasc. 30, vii-328 pp., 80. Gand, Vuylsteke. Paris, Bouillon, Althochdeutsches Lesebuch fur Anfringer. viii-173 pp. Heidelberg, C. Winter, 1912 ; 2e Aufl Oud-Gentsche Naamkunde. Bijdrage tot de kennis van het Oud-Nederlandsch. xxxii-323 pp., 80. 's Gravenhage, M. Nijhoff, Esquisse d'une histoire de la langue sanscrite. viii-188 pp., 80. Paris, P. Geuthner, De voornaamste Bestanddeelen der Vlaamsche plaatsnamen. xxiv-181 pp., 80. Nom. Geo. Fla. Stud. III, Brussel, II. Artikels, verslagen en recensies. Nochmals nengl. Who. Archiv f. d. Studium der neueren Sprachen, CXX, 1908, Die Etymologie von << holen ). Paul u. Braune's Beitr. XXXIII, 1908, Die Etymologie von meng. << halien 3.. Melanges G. Kurth, II, 1908, Un livre nouveau sur la psychologie du langage. Rev. de rinstr. pablique, LI, 1908, Oude en nieuwe gezichtspunten in de taalkunde. Dietsche Warande en Belfort, II, 1909, Over drie Germaansche voornaamwoorden. Vla. Phil. Congres, Antwerpen I, 1910, Le pays d'origine des Indo-Europeens. Revue des questions scientifiques, 3e ser. XIX, 1911, De aanwijzende voornaamwoorden in de Germaansche talen. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1911, Over uitspraakleer. Dietsche Warande en Belfort I, 1912, Kellen en Germanen. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1912,

20 -14- Celtes et Germains. Rev. de l'instr. Publique, LVI, 1913, La finale indo-europeenne. Museon, XIV, 1913, Les origines du christianisme chez les Gots. Analecta Bollandiana, XXXIII, 1914, Westgermanisch. Indogermanisches Jahrbuch, I, 1914, Oudgermaansche Miscellanea. Leuv. Bijdr. XI, 1914, Over Naamkunde. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1919, De brief van Othelboldus aan gravin Otgiva : Toponymica. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1919, Verslag over het voorstel een namenboek te zien samenstellen... uitgaande van den 0. K. «Hageland» te Thienen. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1920, Over plaatsnamen. Almanak voor het huisgezin, 1920, Linguistique et anthropologie. Revue anthropologique, XXX, 1920, Namenkunde en geschiedkundig onderzoek. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1920, Taalkunde en Apologetiek. Onze Jeugd, Eenige kenmerken van het Oud-Nederlandsch. Vla. Phil. Congr. III, Samenvatting in het programma van de Wetensch. Vla. Congr. den Sept. '20 te houden te Gent, p. 15. Na het Congres te Mechelen. Het spellingvraagstuk. Dietsche Warande en Belfort II, 1921, Linguistique et Archêologie. Revue anthropologique, XXXI, 1921, Oud-Gentsche Namenkunde. Eene bijdrage tot de kennis van het Oudnederlandsch. Leuv, Bijdr. XIII, 1921, 1 ; 149. Algemeen Beschaafd in Z. Nederland. De nieuwe Taalgids, 1922, Nog eens de Kollewijn-zaag. Dietsche Warande en Bel fore, 1922, Toponymische kleinigheden : 1 0 Astanetum in Vlaanderen, 2 De Vlamingenstraat te Brugge, 3 0 Het begrip «bodem» in namen. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1922, Paul Hamelius. Revue beige de phil. et d'hist. I, 1922, De huidige stand van het toponymisch onderzoek vooral in Belgie. Leuv. Bijdr. XIV, 1922, 15-32, en Handel. IVe Vla. Congres, Mechelen 1921, Deensche Toponymie. Leuv. Bijdr., Bijbi. XV, 1923; 7-8. Welke taal spraken de Merowingers. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1923, Toponymica. 1 0 Vlaanderen, 20 Nogmaals Vlamingstraat, 3 Vlaanderen (Biest, Dries). Leuv. Bijdr. XV, 1923, Waalsche en Nederlandsche etymologieen naar aanleiding van J. Haust, Etymologies wallonnes et frangaises. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1923, Hoe heetten onze vrouwen in het verleden? Kon. Vla. Ac., V. en M. 1924, Paul Hamelius (26 avril-23 fevrier 1922), in Histoire politique et lit-

21 teraire du Mouvement flamand au XIX e siecle par P a u 1 H i- mé1ius, 2e ed. Bruxelles, < L'Eglantine», 1924, pp Eenige kenmerken van het Nederlandsch. Dietsche Warande en Belfort, 1925, Derremonde. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1925, Naamkundig overzicht, 1 0 Goossens, 20 Driesch. Leuv. Bijdr. XVII, , L'ancien Neerlandais d'apres les noms propres. Bull. Soc. Ling. Paris XXVI, 1925, Le probleme saxon. Mus. B. Bull. XXX, 1926, Tweetalig Vlaanderen in de X e eeuw. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1926, Toponymie, doel en methode. Vla. Phil. Congres, VIII, 1926, samenvatting in programma van de Wet. Congr. en Studieweken, 6-12 April 1926 to Gent, p. 33. Les Flamands ont-ils colonise la Transylvanie? Mus. B. Bull. 1926, lets over toponymische methode. Com. Top. I, 1927, Vlaamsche en Zeeuwsche persoonsnamen uit de vroege middeleeuwen. Hand. XIIe Ned. Phil. Congr. Utrecht, 1927, 23. Toponymische aanteekeningen : l e Barakken, koten (hutten), huiskens, 20 Lange Munte ( Rom. berg), 3 Alta ripa - Autryve (Rom.) Vercoullie Album (II), 1927, Notes de grammaire comparee. Bull. de la Cl. des Lettres de l'ac. roy. de Belgique, 5e ser. XIV, 1928, Twee Zeeuwsche kerke-namen. Nom. Geo. Neerl. VI, 1928, A propos des chretientes de Gotie. Anal. Bollandiana, XLVI, 1928, Zweedsche Naamkunde. Leuv. Bijdr. Bijbl. XX, 1928, Inleiding tot de studie van de Vlaamsche plaatsnamen, I : Over methode. Nom. Geo. Fla. Stud. II, I, Brussel, 1929, Scandinavische Naamkunde. Leuv. Bijdr. Bijbl. XXI, 1929, 1-6. Plaatsnamen. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1930, 12-13, Louis et Genevieve, note onomastique. Melanges Paul Thomas, 1930, Heinrich Pottmeyer. Leuv. Bijdr. XXII, 1930, 1-5 en in Vla. Top. Ver., Med. VI, 1930, 1-5. Zaak Eupen (verslag). Kon. Vla. Ac., V. en M. 1931, Twee toponymische bijdragen (Leefdaal en Smeerebbe). Teirlinck Album, 1931, Flexion en u et flexion consonantique en germanique. Bull. Soc. Ling. Paris, XXX I, 1931, Les termes «Urgermanisch» etc., sont-ils encore admissibles aujourd'hui? Actes du Ile CongreS international de linguistique, Geneve, 1931, Waarom bestaat er eene Nederlandsche taal? Gedenkboek A. Vermeylen, 1932, Rec. in Zs. f.onf. VIII, 1932, bij H. Pottmeyer's «Inguaeoonsch taalgoed in en rond Antwerpen».

22 16 Drie lessen over de geschiedenis van het Nederlandsch naar de plaatsnamen. Hand. Com. Top. VI, 1932, 17-69, ook afzonderlijk verschenen als bijlage III bij de Med. Via. Top. Vereeniging, Het element «hide» in plaatsnamen. Kon. Via. Ac., V. en M. 1933, Mittelniederfrankisch». Leuv. Bijdr. XXV, 1933, Topographisch onderzoek van plaatsnamen. Comm. Top. VIII, 1934, Het opkomen eener taal der beschaafde Burgerij in West-Europa. Vla. Phil. Congr. Leuven XII, 1934, 24. Over het Waalsch Woordenboek van J. Haust. Kon. Vla. Ac., V. en M. 1934, Kellen, Romeinen, Franken. Wetenschap in Vlaanderen, I, , Het Oudnederlandsch en de naburige talen in de vroege middeleeuwen. Via. Phil. Congres XIII, 1936, A propos de la declinaison du Hittite. Melanges linguistiques offeris a M. Holger Pedersen, Aarhus 1937, pp Oude Vlaamsche Namen uit Frankrijk. Onze Taaltuin, VI, I, 1937, III. Verdere nota's en recensies. Revue de l'instruction publique en Belgique, jg. 1898, 1905, 1907, 1909, Bulletin bibliographique et pedagogique du Musee betbe, jg. 1899, 1900, 1905, 1907, , , Dietsche Warande en Belfort, jg. 1900, 1908, 1920, Museon, jg Museum (Amsterdam), jg. 1910, 1928, 1931, 1934, Congres des professeurs beiges de langues vivantes, Handelingen van het Vile Filologencongres to Groningen, Archives beiges, jg Versiagen en Mededeelingen der Koninklijke Viaamsche Academie, jg. 1914, 1920, 1923, 1925, 1929, 1931, Leuvensche Bijdragen, jg. 1923, 1924, 1926, 1929, 1931, 1933, Revue beige de philologie et d'histoire, jg. 1925, English Studies (Amsterdam), jg. 1926, 1928, 1929, 1931, Annales de la Societe d'emulation de Bruges, jg Academie royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Lettres, jg Zeitschrift fiir Ortsnamenforschung, j g De Katholieke Encyclopaedie, letters A-G. IV. Over J. Mansion. Manifestation Joseph Mansion. Bulletin des Amis de l'universite de Liege. Liege G. Kurth, J. Mansion in het land van Overmaas, door Dr. J. Langohr, Nieuw Vlaanderen, 4 Dec. 1937, 10. Necrologie. Association des Amis de l'universite de Liege, oct. 1937, Prof. J. Mansion, door H. J. Van de Wijer. Via. Top. Ver., Med. XIII, 1937, t Prof. J. Mansion. Wetenschap in Vlaanderen, III, ,

23 MEDEDEELINGEN UITGEGEVEN DOOR DE VLA. TOP. VEREENIGING TE LEUVEN VIJFTIENDE JAARGANG 1939, 2. Plaatsnamen uit het Aalstersche. De heerlijke Rente van Okegem te Aalst, Erembodegem, Nieuwerkerken en daar omtrent (1). De excerpten die wij hier mededeelen zijn getrokken uit twee registers van het archief van de heerlijkheid Erpe (2), waarvan het respectief «prohaemium» luidt 1. «Dit es de heerlycke Rente van Okegem toebehoorende M'her Franchoijs riddere heere van Erpe, Erondeghem, Otterghem, Laerne ende gheleghen in diverssche plaetsen binnen den scependomme der stede van Aelst ende daer ontrent danof hij heeft recht van erfven ende onterfven met zijnen Meyere ende Laeten metgaders den 2O' penninck zo wanneer eenighe gronden daer inne berendt vercocht ende ghealieneert worden, ghescreven ende vernieut in den jaere 1566 danof men den sitdach jaerlijcx houdt op nieudach wesende deerste jaer van desen ontfanghe begonst te nieudaeghe 67». De excerpten hier uit worden aangeduid met het jaartal «Dit is den heerelijcken rentebouck van Okeghem toebehoorende M'her fan Waepenaert, rudder, heere van Erpe, vercreghen bij coope ten decrete ghedaen in Sijne Majts Grooten Raede van Mechelen den 14 van April 1714 etc.... hem bestreckende binnen diverssche plaetsen als binnen der stede van Aelst, schependommen van Schaerbeke, Mijlbeke ende Nieuwerkerken, als binnen de prochien van Eerembodeghem ende Erpe etc.... op nieuwjaer 1723». De excerpten uit dit register geven we op met het jaartal Enkele losse stukken, waaronder 18e eeuwsche copieen (1) De eerste twee reeksen excerpten verschenen in deze Mededeelingen, XI (1935), bl , en XIII (1937), bl. 1-16, met de ondertitels De heerlijkheid Kerrebroek (plaatsnamen van Aalst, Hofstade en Lede) en Plaatsnamen te Erpe. (2) In mijn bezit.

24 -- 18 van oude Aalstersche schepenbrieven van 1393, 1502, , 1525, 1533, 1653, 1663, 1712, 1717, bewaard in een bundel processtukken betreffende dezelfde heerlijkheid. Deze excerpten duiden we aan met hun jaartal. * * * Dit leengoed staat niet vermeld bij F r. de Pot t e r, Oeschiedenis der Stad Aalst, noch bij Fr. de Pot ter en J an Br o e c k a e r t, Oeschiedenis der Gemeenten van Oost-Vlaanderen (gemeenten Nieuwerkerken, Erpe, Okegem), zoodat we niet hebben kunnen uitmaken hoe het aan den.naam Okegem kwam. Reeds in de 15e eeuw is het een eigendom van de Schoutheete's, ook geheeten v a n Z u y l e n, heeren van Erpe. Het bleef verbonden met de heerlijkheid Erpe tot op het einde van het oud regime (1). Uit geen enkel door ons bekend archiefstuk blijkt eenig verband met de naburige gemeente Okegem ; geen enkel der renteplichtige perceelen ligt op het grondgebied van deze gemeente. Er kan dan alleen gegist worden dat, vbior 1400, dit leengoed toebehoorde aan een heer van Okegem en dat, nit traditie, de eenmaal geldende benaming later bewaard bleef, wat op zichzelf geen zeldzaam verschijnsel is. Het middelpunt van deze heerlijkheid schijnt het Hof te Erchem, te Nieuwerkerken geweest te zijn. In een schepenbrief van 1508, verleden voor de schepenen van Aalst, heet dit leengoed de «heerlichede ende laterie van Erchem» ; in een dergelijke akte van 1510, «heerlichede ende laterije van der rente van Okeghem» ; de twee benamingen bestonden dus naast elkaar. * * * Wij volgden hier dezelfde methode als in de twee voorgaande bijdragen ; wij verwijzen dan naar de inleidende nota in Mededeelingen Vla. Top. Ver., XI (1935), bl. 13. De volgende afkortingen werden doorloopend gebruikt : ( 1 ) Zie een lijst der heeren van Erpe in onze vorige bijdrage, Mededeelingen XIII (1937), bl. 2, voetnota. Hier kunnen we nog aan toevoegen : Boudewijn Schoutheete, 15e eeuw ; Jr Floreyns Sch., cit ; J r Pieter Sch., cit

25 19 b. = bunder ; d. = dagwand ; r. = roede ; gen. genaamd ; geh. = geheeten ; gel. :----- gelegen ; ligg. = liggende ; comm. = commende ; gr. = groot ; n., o., s., w noord, oost, zuid, west. Een * v6or het volgnummer in de Lijst der plaatsnamen verwijst naar een aanteekening achteraan ; voor een variante waarschuwt het tegen een foutieve schrijfwijze. Enkele benamingen kwamen reeds voor onder de excerpten van de heerlijkheid Kerrebroek en Erpe. Wij verwijzen er naar (Ker., Erpe) met het volgnummer in de lijst aldaar. In de aanteekeningen hebben we, waar het pas gaf, eenige grafieen aangehaald uit het plaatsnamenmateriaal voorhanden in de Potter en Broeckaert,Geschiedenisder Gemeenten van Oost-Vlaanderen, inzonderheid uit het derde deel gewijd aan het Arrondissement Aalst, gemeente Nieuwerkerken. Die aanhalingen worden aangeduid met de letters PB en het jaartal. Bovendien hebben we, voor.nieuwerkerken, het «Metingboek» der gemeente, van 1633, berustend op het Rijksarchief te Gent ( 1), geheel geexcerpeerd, zoodat we van deze gemeente een tamelijk volledige lijst van plaatsnamen hebben kunnen samenstellen. Deze laatste excerpten hebben we aangeduid met C Wij hebben dan goed gevonden in deze afdeeling, de excerpten uit de cijnsboeken van Okegem, duidelijkheidshalve, met 0. te onderscheiden. Het gent ons een kijk op de verhouding van de bij de Potter en Br o e c k a e r t opgegeven plaatsnamen tegenover het geheel van het plaatsnamenmateriaal in een bepaalde gemeente. Op de 140 toponiemen van Nieuwerkerken door ons verzameld, staan er 90 in het metingboek van 1633, waarvan 30 alleen aldaar ; 80 bij de Potter en Broeckaert, waarvan 20 elders niet aangetroffen ; 50 in de cijnsboeken van ( 1 ) Nr 1 van de griffie Nieuwerkerken. Het opschrift van dit register (dat ongelukkig verkeerd ingebonden werd) luidt : «Dit naervolghende is de metinghe van geheel Nuweikercken gemeten bij Adriaen Hendrickx gesworen landtmeter (van) den Lande van Aelst in den jare 1633 te weten elck stuck ofte partij partiekelier bij aanwijsinghe van Pauwels de Maen opsetene van het vs. Nuwerkercke etc. 1.. De dateering bij De Potter en Broeckaert, 1683, is blijkbaar een drukfout.

26 20 Okegem, waarvan 20 in de andere bronnen niet bekend. Deze steekproef laat ook toe de betrouwbaarheid van het materiaal van d. P. en B. eenigszins te controleeren. Maertevelt, 1400, een «unicum» uit gemeld materiaal, is zeer waarschijnlijk foutief voor moertevelt of muertevelt (vgl. nr. 98). Een vorm calverdam kunnen de auteurs onmogelijk in een oorkonde van 1700 gelezen hebben : het moet een willekeurige correctie zijn door hen, zonder meer, aangebracht, omdat zij een calverdans als al te zonderling beschouwden. Over 't algemeen echter zijn de lezingen van d. P. en B. te betrouwen ; jammer genoeg geven zij nooit de bronnen op van hun excerpten, zoodat het controleeren alleen kan geschieden bij vergelijking met ander materiaal. Zooals wij voor Erpe gedaan hebben, gaven we voor Nieuwerkerken ook de toponiemen op van de militaire kaart (M.) en de gehuchtnamen bij Guy o t, Dictionnaire des communes de Belgique (Guyot). LUST DER PLAATSNAMEN. 1. Aalst. 1. op de nedercroeckhage... w. het abbeelvelt, van den achtersten meersch te milbeke, een d. landts an den asgherdriesch nu geh. *d'eeseghem meervelt, Zie Ker. I, aen de broeckstraete neven den backere, op d' beeckvelt, Zie Ker. I, 't clooster van vorst uuten goede ten berghe metten gheheelen toegehoorten ontrent der * ziekerlieke, 1566 ; in de berge meirsschen, op de nedercroockhaghe comm. metten hende ande lazarye bosch Baer ment heedt ten buerreken, 1566 ; het borreken, het burreken, te schaerbeke in den brouckmeersch, 1566 ; aen de brouckstraete, 1566 ; te schaerbeke aen de Broeckstraete... o. den broeckmeirsch, ter linden sbundelsbrouck, op de nedercroockhaeghe an hersinckvelt 1 d. 30 r. ghen. het busselken, 1566.

27 meersch naerst der dendere, Zie Ker. I, meersch ghen. den dijck, 1566 ; - 3 oude bunderen in den dijc, 1566 ; - in den dijckmeirsch binnen schaerbeke ghen. den voorsten dijck ; 1 b. meirsch gheh. den vorsten dijck... in den cleynen dijck ; den clijnen dijck ghen. den middelsten ; in den middelsten dijck ; in den achtersten dijck, ter plecke daer ment heet t' esseghem, 1510 ; - op d'eeseghem meervelt [lees : d'eeseghemmervelt], Zie Ker. I, 11. *14. stele te gestkene neven thof ten hamme, te schaerebeke... w. den groenen wech, te schaerebeke in den grooten meersch, *17. meersch ter zeeberghen brugghe geh. den guerre meersch, *18. thof ten hamme ; straetken daer men ten hamme waert b oraet P 19. op zieseghem an den heerwech, op ziezeghem tusschen de helle ende den wech t' erpe weerdt ; op ziezeghem... aen de helle meersschen ; jeghen de hellemeersch, Zie Ker. I, in den achtersten dijck... w. den hertsinck, 1723 ; - op de nedercroockhaeghe an hersinck velt, Zie Erpe op zieseghem... stuyckende op den holen wech, zes d. ghen. huysmans veldeken, *24. Willem van Carrebrouck, Zie Ker. I, 24, aen de cattestraet poorte neffens de veste, Zie Ker. I, in de nieustraete... het keyserstraetken aen d'een zijde, op de croochaeghe, 1502 ; - op de croockhaeghe ; op de nedercroockhaeghe, 1566 ; - te schaerbeke op de cruckhaeghe... w. den groenen wech, 1663 ; - op de croeckhaeghe ; op de nedercroockhaeghe, Zie Ker. I, 30. *28. ant cruyce ter hallen op ziezeghem daer den wech naer nieuwerkercken duer loopt ; an tzelve truce, uuten quatmeersch jeghen de tafelronde, saylant... binnen de praterije van scharbeke op 't lanckvelt, 1712.

28 an 't gadt ter lazaryen ; voor de lazarye van Aelst ; neven der lazaryen landt ; achter der lazaryen ; an den lazaryebrouck ; an de lazarye Bosch ; naerst der lazaryen meersch, Zie Ker. I, ter linden, 1566 ; - int gucht ter linden, 1723 ; - casteelken met het neerhof te schaerbeke in een meerdere partije ghen. het goeyken ter linden, op d'lindevelt, meirsch gheh. den vorsten dijck... n. de mealebeke, Zie Ker. I, d. 8 r. binnen schaerbeke ghen. den meulelochtinck, ten mueleschetten int veldeken ; int veldeken te mueleschetten, Zie Ker. I, 35. *37. te milbeke, te mijlbeke, 1566 ; - op de praterije van mijlbeke, nedercroockhaghe. - Zie nr in de nieustrate, Zie Ker. I, in de pontstrate, 1723 ; - meersch ligg. buuten der pontstraet poorte vast aen den cauther wegh, 1535 ; - buyten de pondtstraetpoorte over de zeeberghen brugghe an het straetken dat te mijlbeke waert loopt, 1566 ; - buyten de pontstraet poort... w. den steenwegh... n. de dreve naer de seeberge brugge, *41. over Lauwereys van Raffelghem... in zijn stede te Raffelghem, 1566 ; - 1 d. meersch te raffelghem, *42. tgoed van Roest, *43. eenen meerssche gel. an den schoovaert, 1533 ; - den schoofvaert ; den schoovaert ; een coeweede in den schoolvaerts meersch, 1566; - coegars... in den schoovaert ; schoovaert meirsch, landt ghel. te scoubrouc ; tgoed van scoubrouc, 1502 ; - aen den schoubrouck ; int goedt te schaubrouck, 1566 ; - in den dijck te schaubroeck, Zie Ker. I, buyten der zeeberghen brugghe comm. aen St. Barbere meersch, an den steenwech naest den straetkene, huys en erfve in de cattestraet z. het huys gen. de stroybant, 1723.

29 *48. een half bunder op de tafelronde ter poorten werdt, int veldeken te mueleschetten, 1566 ; - int veldeken aen straetken al daermen t'ermbodeghem waert gaet aen den steenwech, *50. op den vuulbuuc, *51. in den wijemeersch ; den wijmeersch, *52. op den siseghem... n. den sadelwegh naer Erpe, op zavelvelt comm. metter eender zijde an den heerwech ende metten anderen hende aen straetken daermen ten hamme gaet, *54. buyten der zeeberghen brugghe ; meersch neven den voet van den zeeberghen brugghe, omtrent der *ziekerlieke [lees : ziekerlieden], op ziezeghem ; op zieseghem, 1566 ; - op den siseghem, Zie Ker. I, Erembodegem. 1. meersch ter beke ; int veldeken ter beke, 1566 ; - bosch ghen. den beeckmeirsch ; land ghen. het veldeken ter beke, *2. 1 d. 11 r. lants ghen. den blindoman o. de dreve van het hof te lokeren... s. de heirbaene, jeghens de heerstrate, 1566 ; - de heirbaene, ter beke wert ten houthe ; meersch ten houthe ; in smuylders veldeken ten houte, 1566 ; - in het ghehuchte ten auk, *5. neven de kueleghem, *6. het hof te lokeren, van waternaeme in smuelders veldeken ter beke ; in smuylders veldeken, stede ten houthe ghen. spluckers stede... de heerstrate an dandere zijde, *9. int stenensvelt neven de kueleghem, *10. Joos van Zegghershove, Hofstade-bij Aalst. 1. den Bekelinck meirsch, Zie Keit% I, het goet van 't hof ter beken, 1723.

30 op den molencoutere, op den overmole coutere, 1566 ; - op d'overmeulen cauter, Zie Ker. II, op d'eijghenvelt, lidderghem, Iddergem. 5. Nieuwerkerken-bij-Aa1st. *1. in den aelsterschen bocht, , 1723 ; - den aelsterschen boecht, C x. archem. Zie Erchem. *2. lant ghen. den banckman, C. 1633, den beeckmersch, C. 1633, PB x. beneersten berg. Zie Berg. 4. den berch, C. 1633, -(ingedeeld in:) den neren berch, den hooghen berch, den klijnen of letteren berch, C ; en hoogen berg, PB Berg, gehucht, -beneersten berg Guyot. 5. den blauwen berch, C ; Blauwen berg, PB bosch, PB Pieter van der brempt uut 3 d. an de stede ter brempt, ; - de bremt, C ; - ter brempt in ootermans veldeken... n. d'overbrempt, ; - opt overbremptvelt... s. de brempt straete, ; - int gheuchte ter brempt in ootermansvelt, ; - de stede ter brempt, PB ; - Bremt, gehucht, PB. M. ; - Brempt, Guyot ; - de Bremtbeek, PB. - Zie ook Overbremt. 8. Het leengoed ten Broecke, eigendom vroeger van den dorpsheer ; daarin begrepen o. a. : de burcht, met het kasteel, gr. ongeveer 2 bunder, en de «stede ten Ouden Broecke... metten berghe, wallen, grachten, nederhof, enz.» gr. 9 dagw. (1667), PB. *9. meersch gheh. den broucmersch, S ; - de broucken mersschen, C ; - de broeckmeerschen PB ; - in de herlinghen meirschen... ghen. brouckemeirsch, *10. brouckvelt, PB ; -1 da. lants ligg. in brouckel-

31 velt neven her stevens hof, S ; - het eerste en tweeste broukenvelt, - het vorste (vordste) br. en het middelste (middenste) br., C *11. het bruchelstraetken, C op de bruelcoutere, ; - de brulcauter, bruelkauter, C ; - op den bruelcauter, de burcht, PB. - Zie Ten Broeke. * 14. de comünninghen van aelst, C het dairdrneken, C het damvelt, C. 1633, PB *17. dorekens, PB ; - het duerekensvelt, C * 18. doerenvelt, PB ; - het dueren velt, dueeren velt, dooren velt, het *hoorevelt, teghen *thoorevelt, C driesch, PB ; - aen den driesch r erchem, , 1566 ; - den dries, C ; - Driesch, gehucht, PB., M. ; Dries, Guyot. - Zie Erchem. 20. het driesvelt, C ; - drieschvelt, PB de droogeweede, C *22. de dwerhaghe, C ; - de weerhaghe, PB x. edixveld. Zie Heetsvelde. 23. den eeckbosch, C a. den enen ackere, C *24. over Lysbette van Pissote Pieters van Stonnemare wijf, over Jan Schipman f 8 Joos, over Willem van den Moortgate... in zijn stede ter herrent ghel. gheh. den Ingelschen lochten, ; - de stede ter herrent ghen. den engelschen lochtinck, *25. lant ende mersch ghel. te archem, ; - erchem, PB ; - heerlichede ende laterie van erchem, ; - lauwereys van erchem... neven zijn stede t'erchem, te erghem, ; - aen den driesch t'erchem, , 1566; - het ghehuchte te erchem, C den groenen kerzelaar, plaats waar een molen gebouwd werd in 1761, PB. 27. den groenen wech, C a. Grootendriesch, gehucht, M. 28. op d'overbrempt... aen de haeghe, int veldeken voor shanen neven erghem, de haselare, PB ; - den haseler, C ; - op den haseleer, PB

32 -herdinck, het haeveren velt, haeveren veldeken, C het goed ten heede, PB. z. d. *33. ter heestert, ter eestert, S ; - hestert, PB. 1450; - het ghehuchte ter heijstert, C ; - *Rested, gehucht, PB. ; - Resterstraet, PB *34. stede, meersch te heetsvelde, ; - int gehucht te hedtvelde, heedtvelde, bij edtvelde, C ; - het goed te hedicxvelde, PB. z. d. ; - Edixvelde, gehucht, PB., M., Ouyot ; - Edicxveldbeek, PB., M. ; - te *dicxvelde, te *deckxvelde, te *dukxvelde, het heffenburren velt, het heffer barren velt, den neffer burre mersch, C het hellebaerde veldeken, hellebaere v., hellebaren v., C ; - hellebaerdmeerschen, PB hellemeerschen, PB Zie boven, Aalst nr. 20. *38. op den herdinck, den groenen herdinck, C ; PB *39. erenthout, PB. 1400; - op de bruelcoutere bij den heerenthout, *40. in den herlijnc meersch, ; - opt terlijncveldt, copie 18e e. ; - op herrelinghevelt in den houck, O ; - op heerlinghenvelt, op theerlinghevelt, op theerlinghen meersch, ; - het herrelinghen velt, den herrelinghen mersch, C ; - terlingevelt, PB ; - opt herlinghen velt, in den herlinghen meirsch, meirsch ghen. herlinghen, *41. ter herrent, , 1566, C ; - op dmuelevelt ter herren, ; - terrent, PB ; - stede, bosch ter herrent, teghen de herskauter, C Zie Erpe 41. *43. hinnensvelt, PB *44. hobbersvelt, PB ; - hoberenvelt, PB het goet van hoelbosch, 't hoelbosch velt, het hoelbosch veldeken, C ; - hoelboschvelt, *woelboschvelt, PB *46. de hoese becke, C ; - de hoezebeek, PB., M. *47. de hoese mersschen, de hoesse mersch, C ; - hoesemeerschen, PB het hoff met den bogaerdt vijvers ende wallen ende den wijm bocht, n. de dreve..., o. de strate, w. het herrelin-

33 ghen velt, s. het groot ende klijn kerckvelt, gr. tsamen met de omligghende verheffens ghereserverdt jeeghen het veldt achter de schuere 6 b. 67 r., C ; - het goed ten Hove, PB. z. d. 49. de hofmeerschen, PB het hofvelt (van Regeibrugge), C x. den hoogenberg. Zie Berg. 51. hoogvelt, PB op den hoye winckel, C x. *horamkens velt, PB Zie tsereemkensvelt. *53. in den *hoofman (sic), den crayenwinckele an deen zijde ende de panne aen dandere, ; - op de panne in den hoselman, een half dachw. in oortermans veldeken... gheseyt Jherusalem lochtinck, ; - een veldeken op ootermans velt t'overbrempt ghen. Jerusalem... s. de straete loopende naer den meulenbergh te Meer, w. het priestervelt, *55. een bierbrouwerij gevestigd in het vanouds z. g. jezdietenkasteel, PB. 56. het kaerdtveldeken, kaertveldeken, C *57. meersch gen. den kalverdans, den calfferdans, C.1633 ; - den calverdans, ; - *calverdam, PB. 1700; - den calverendans te vorent ghen. smeyersmeirsch, - den meirsch ghen. den calverendansch ofte sonne croon ; - calverendansmeirsch, op het herlinghen velt, o. de cappelle van Onse lieve vrauwe, het kappellevelt, C ; - capellevelt, PB de cardinaelvelden, PB den kerckenmeersch, PB ; - in den kerckmeirsch, het kerckvelt, - het groot k. -, het klijn k. -, C ; - het kerckvelt, PB clarenput, PB het kautergadt naer kleender beck, C ; - Kleynderbeeck, gehucht, Guyot. 65. hofstede ghel. an den driesch t'erchem... ghen. het cleyn achterdencken, x. den klijnen berch. Zie Berg. 66. het klijn veldeken, C

34 den kueninckx mersch, C ; - coninckmeersch, PB den koppenhol, - den kleynen k., - den grooten k., C ; - den cleynen en grooten coppenole, PB den costerij mersch, C ; - costerij meersch, PB den kauter berch, C '70a. het cautergat, passim C craeyenwinckel, PB ; - aen den crayenwinckel, ; - den kreyenwinckel, den kreywinckel, - de kr. strate, C ; - crijwinckel, PB ; - het velt ghen. den craeyenwinckel, de groote kriecke, - de klijn kriecke, - krieck, - het krieckstraetken, C ; - groote en cleyne kriecke, PB 't cruysvelt, C. 1633, PB *74. qualap, PB ; - te erghem... in den qualap op den crayenwinckele, ; - den quaijlap, C ; -- 2 d. lants... ghen. den qualap, mersch gen. den quayen steen, C Kwadestraat, gehucht, PB ; - *Kwadestraat, Guyot. 77. langhendriesch, PB Laar, gehucht, PB. ; - Laer, Guyot ; Laere, M. - Hof te Laere, 15e e., PB. - Larebeek, PB., M. 79. den laren brouck, C ; - laerenbrouck, PB x. letterenberg. Zie Berg. 80. bi der linden, PB ; - lindevelt, PB ; - lijnderbeke, PB Zie, boven, Aalst nrs. 32, lokervelt, PB ; - het lokervelt, C ; - lokerenvelt, PB Zie, boven, Erembodegem nr het loofveldeken, C de maymeerschen, C *84. maertevelt, PB *85. het ghehuchte te mael, C ; - maele, PB ; - male, gehucht, PB. ; mael, Guyot. 86. het malevelt, C den merput, C de merschen, C op de merstrate, C

35 den,mertwech, C smeijersmeersch, PB ; - 5. d. gheh. tsmeyers meersch streckende ant reemkens velt, ; - in den calverdansch te vorent ghen. smeyers meirsch, in den middelmeersch, het middelvelt, C meulenbroeck, op d' meulevelt, ; - het meulenvelt, - het /thin in., C ; - het meulevelt, PB. 1700, ; - op het groot meulevelt... s. het cleyn meulevelt, monixvelt, PB a. Moorteldam, gehucht, Guyot. *97. het muertel velt, - mueertel v., - muertels v. - mueertels v., C ; - moortelsvelt, PB ; - te pijpenbeke... jeghens het moortelvelt, *98. een stede te heetsvelde ten moortgate, ; - Willem van den Moortgaete, O ; - moortgat straetken, op de bruelcoutere... an de panne... in den muschhooric, *100. op de naet, ; - de nodt, C ; - den naeyt, PB den neerkauter, - den kleynen neerkauter, C x. den nerenberch. Zie Berg neckersputte, PB nieuwenhove, PB ; - het nieuwenhoefvelt, - nuenoeve velt, C ; - *nieuvelt, PB in oortermans veldeken, - op ootermans v., - ootermans velt, ; - velden op ootermans velt, op d'overbrenit, - d'overbrempt, ; - de overbremt, de (het) hueverbremt, C ; - euverbrempt. PB ; - Voverbrempt, - t'averbrempt, - het averbrempt velt, aen d'overhaghe, S stede ten ouden broecke. - Zie Ten Broeke. *108. op de panne, - in de p., ; - de penne, C. 1633, PB ; - op de penne, - panne, O ; - onbehuysde stede... ghen. panne stede, ; - het penne straetken, C ; - de penne straete,

36 *109. pipenbeke, PB ; - hof te pipenbeke, PB. 15e e.; - het ghehucht te pijpenbeke, C ; - te pijpenbeke, PB. 1700, Pijpenbeek, M., Guyot de plaetsse, C aen spriesters velt, ; - het priestervelt, , dlant ghel. achter prochiaens lochten van der nuwerkerken ende neven prochiaens landt, S op de putten, ; - te putten, PB x. Reemkensvelt. Zie tsereemkensvelt. *114. Ympen van Regelsbrugghe, ; - het goet van regelbrugge, C ; - de heerlijkheid Regelsbrugge, PB. ; - het kasteel van Regelsbrugge, staende op een quaertier uers buyten de stad Aelst op de praeterije van Nieuwerkerken, PB Regelsbrugge, ch. au, M. X. Rested, gehucht, PB., M., Guyot. - Zie Hestert. - Resterstraet, PB het rijchel veldeken, - het reijchelvelt, C ; - rijgelsveldeken, PB *116. het rueken, - het ruekensvelt, C ; - reuken, - reukensvelt, PB *117. tsereemkens *becke [lees : vat], , copie 186 eeuw ; - *horamkens velt, PB ; - int reemkensvelt aent cautergat, - an treemkens velt, ; - het rem-. kens velt, - op het reymkensvelt, schipvelt, PB *119. den spechten mersch, C ; - achtersten en voor-- sten specht, PB *120. het steendervelt, PB. 1470, C. 1633, PB eenen lochten ten steene, - aent velt ten steene, S neven t steentken, ; - heerlyckheyt gen. ten steenken met desselfs 38 achterleenen, PB *123. voor tstichelgat int veldeken op theerlinghen velt, ; - op het herlinghen velt voor het stichelgat, * 124. te heetsvelde opt strict, ; - de streckt, C. 1633, x. terlingen. Zie Herlingen. x. terrent. Zie Herrent.

37 *125. den tijckmaen, C int veldeken, het vlaslant, C den vluegh, de vossestraet, meersch ghel. in den *voerenof, S ; - meersch gen. den vroonhoff, - den froonhoff C vuylbuyc, PB ; - op den vuylbuyck, , C Zie, boven, Aalst nr den wagenwech oft strate, O x. de weerhaghe. - Zie Dwerhaghe. 132a. het waterlaet, C *133. de weverie van aelst, ; - goet van de weverije van Ste. Severijn van Aelst, *134. de wisselmaet, C x. *woelbosch. Zie Hoelbosch het wautersveldeken, C. 1633, den sadel wech, C Zie haven, Aalst nr het sijp, C ; PB. *138. meirsch ghen. der calverendansch ofte sonne croon, Zuidbeek, PB. M den sueren driesch, C ; - Zurendriesch, gehucht, PB., M. ; - Zuerendries, Guyot. 6. Welle. 1. aent beghijnen straetken, te Welle an den driesch, 1566 ; - hofstadt... an den grooten driesch, landt op d' muelevelt, aent renersvelt... metten hende an den grooten driesch, een halfbunder int rodeken, hofstadt te welle... neven tsteentken metten hende an den grooten driesch, Zie, boven, onder Nieuwerkerken, nr aen steenvelt... metter ander zijden aen den grooten driesch, 1566.

38 -32-- AANTEEKENINGEN. I.Aalst. 14. Gestken : een kleine geest of gast, niet ver van de Dender gelegen. Over de beteekenis van dit woord, zie onze Toponymie van Beert, nr Guerre meersch : vgl. Ghuerbrouc, bij de Flou, Wdb. V, 125. Het eerste lid kan bezwaarlijk Nl. guur ( =koud, onvriendelijk) zijn, vermits dit woord in het Mnl. niet bestond. Dit guur is opgekomen naast onguur (een samenstelling met het adj. *huur = zacht), door verkeerde opvatting van de waarde van on (V ercoullie, Etym. Wdb. 3 ). Veeleer zullen we hier een dialectischen bijvorm in kennen van Mnl. gore (=--- slijkpoel), waarin guer uit goer. De drie vormen zijn voorhanden bij de F 1 ou: Goerbrouc, 1331, te Loppem, Wdb. IV, 757 ; ter Ghore, 1437, te Meetkerke, ib. 781 ; Ghorrebrouc, te Zedelgem, 437, ib. 785, en het boven reeds vermelde Ghuerbrouc, 1331, een onbekende plaats. 18. Helle, Hellemeersch : de beteekenis van belle, in plaatsnamen, is «helling, hellende grond». 24. Carrebrouck : Kerrebroek, vertoont den primitieven vorm carre, bevestigend de verklaring gegeven in onze eerste bijdrage, Ker. I, Kruis ter Hallen : vermoedelijk een kruisbalie op den weg van Nieuwerkerken naar de halle, in het centrum van Aalst. 37. Mijlebeke : het eerst lid mile werd totnogtoe niet afdoende verklaard. F o e r s t em an n II, 288, stelt vast dat mil vaak voorkomt in namen van waterloopen en citeert, naast een milbach, a 1141, en andere voorbeelden in Duitschland (col ), ook een milebecche uit een origineele Affligemsche oorkonde van 1110 (Cartul. Affl.), met de vermelding «unbekannt», dat niets antlers is dan het Mijlebeke, te Aalst, dat we hier bespreken. Mansion (Voornaamste bestanddeelen der Vla. Plaatsnamen, bl. 11) zegt : «mil-, toponiem van onzekere waarde». Nochtans is mijle lang niet zeldzaam in de plaatsnamen. Zie o. a. bij de F 1 ou, Wdb. X, , zeer vele voorbeelden uit Westelijk Vlaanderen (ter Mille, ter Mijle, Millebeek, Millebroek, Millebrug, Millenbronne en de samenstelling Hooimille, VI, ),

39 33 enz. ; ook in Brabant komt het voor, o. a. Mijlemeersch, te Anderlecht ; verder kan nog gewezen worden op den geslachtsnaam van der Mijlen, Vermijlen. Vergelijkend met woorden als bijl, vijl, waarvan Ohd. vormen bihal, fihala, bekend zijn, mogen we voor mijl een Onl. *mihala veronderstellen. Dan zouden we in Michelbeke (en in de vele voorbeelden van Michil-bach, bij F oerst. H, 286) een verstard archaiseerend homoniem van Mijlebeke mogen zien. Mijl, michel, zouden dan onder te brengen zijn bij de woordfamilie waartoe behooren Ni. miggelen, mijgen (-,----- pissen) en mest (0g. *mig-st). Voor een kleinen waterloop kan zulke benaming (=pisbeekje) wel aanneemlijk schijnen, zooals M a n - Sion, t. a. p., bl. 111, voor Michelbeke opgeeft. De moeilijkheid is dat mijle veeleer een benaming is, in onze tononiemen, voor hooiweiden, dus drassig weiland, aansiuitend dan bij de beteekenis van «mest». Een «mijlebeek» kan dan ook verstaan worden als «beek vloeiend door een mijle, een zompig weiland». Wij zouden dan eenvoudig kunnen aannemen dat mijle aanvankelijk beteekende «moeras, door gepaste afwatering tot meerschland herschapen» ; een naam als Millebroek wijst daarop. Het is echter mogelijk dat de twee beteekenissen naast elkaar bestaan hebben : er is immers ook Millenbronne. Wij moeten nog wijzen op een plaatsnaam mele (b. v. de mele, te Bekkerzeel, een groote weide door hertog Hendrik III, in 1249, aan de gemeente aidaar geschonken en vermeld, in 1392, als «eenen ghemeinen broeke te beckenseele dat men heet meele» ; ook me/e-toponiemen bij de F 1 o u, X, ; vgl. ook den familienaam Van Mele), die een ablautsvorm van mile kan zijn. 41. Raffelgem : vgl. Affligem, in de volkstaal Affelgem, hetzelfde als Avelgem ; dus zou Raffelgem teruggaan op *Ravelgem en een homoniem zijn van Revlinghem, 18e e. (d e Flou, XIII, 519). Er is een tweede Raffelgem, te Herdersem (Eigen Schoon, XX, 93). De persoonsnaam, die in deze samenstelling schuilt, is *Ravilo, een vleivorm bij Rayon (zie Mansion, O. G. N., 59) of bij een Radnaam (Radwald, Radulf)? 42. Roest : roost, zeer vaak voorkomend toponiem, =-- plaats waar roos (riet) groeit. 43. Schoovaard : personificatie met suffix -aard, op schoof,

40 34 «schoofrecht, recht van tiende schoof in den graanoogst». Schoovaard = perceel belast met een bepaald schoofrecht. Schoovaardmeersch = meersch naast het perceel geh. Schoovaard. 48. Tafelronde : het is wel eigenaardig die reminiscentie uit de middeleeuwsche literatuur hier aan te treffen, via natuurlijk de volksboeken, als toponiem. De F l o u, XV, 681, noteerde evenzoo een Tafelronde te Eesen. Het is aldaar «eene partij vettegras». Hier te Aalst, onder de stadsmuren, schijnt het ook een weiland te zijn. 50. Vuilbuik : naam van een partij bouwland, op de grens Aalst-Nieuwerkerken, tusschen twee beken, in lichte glooring, misschien op te vatten in den zin van «gebogen als een buik» (vgl. Buikkouter, een uitgestrekte partij akkerland tusschen Hekelgem en Teralfene, evenzoo in hellende ronding ; zie ook eenige buik-toponiemen bij de Flou, II, 1004, , 1123, 1127) ; de F 1 o u, XVI, , geeft ook vele toponiemen op met het hoedanigheidswoord vuil, in samenstellingen met -beek, -broek, -meersch, -moere, -vijver, -voord, enz. : dit lijken alle modderige plaatsen te zijn. 51. Wijmeersch : meersch waar wijde = teenwilg groeit. 52. Zadelweg : weg die te smal is voor den doortocht van een wagen, maar breed genoeg voor een man in den zadel. 54. Zeeberge brugge : brug waar de zeeberge, d.i. de bargie of schuit die ter zee uitvaarde, haar aanlegplaats had. S t a lla e r t, Glossarium, i. v. baertse, geeft Mnl. vormen barge en berge op. Zeeberg is thans nog bekend te Aalst als de naam van een brouwerij. II.Erembodegem. 2. Blindeman : personificatie, met suffix -man, op blind =--- het blinde perceel. Blind is hier waarschijnlijk op te vatten als in «blind goed» = een onwetens en onwillens onrechtvaardig bezeten goed. (S tall a e r t, Gloss., i. v. blint). 5. Kulegem : samenstelling waarin we een persoonsnaam Kola (M ansion, Voorn. best., 86) kunnen erkennen. Vgl. voor het vocalisme, Zumergem,---- Zomergem, evenzoo te Erembodegem. Over het gebruik van het lidwoord bij -hem-namen, zie onze nota op Sisegem, Ker. I, Lokeren : zie ook Lokerveld, Nieuwerkerken 81, het

41 35 primitief veld van dit Hof te Lokere. Te Loker W. Via., is ook een Lokerhof (d e F 1 o u, IX, 839). Mansion, Voorn. best., 99, ziet in loker (Lokeren, stad in 0. Vla. en Loker, gem. in W. Via.) een meervoudsvorm van lok, afsluiting, gat, en geeft de voorkeur aan de beteekenis «gaten, scheuren, kuilen», boven den zin «omheining». Misschien is het eenvoudiger en toponymisch beter te verantwoorden loker te beschouwen als een afleiding met suffix -er van loke, afsluiting, en dit woord te verstaan als «voorwerp dat client om een toegang of te siuiten», dus een oud synoniem van belle, balie, stichel, veken en dergelijke. 9. Stenensveld : vgl. Stenensveld, 1596, te Assche, en Stenens rot, 14 e eeuw, te Meldert. Op al deze plaatsen waren vroeger ontginningen van witte zandsteen. Stenens vertoont een dubbelen meervoudsuitgang. 10. Zegershove : oude hoeve, zetel van een heerlijkheid, te Hekelgem. De naam komt van een Zeger van Hekeigem die dit hof, in 't begin van de 12e eeuw, in leen hield (Eigen Schoon, XI, 226, 231 vlg.). V. Nieuwerkerken. 1. Aalsterschen bocht : stuk land waar de bocht, d. i. het schuthok voor dolend vee, was, ten gerieve van de Aalstersche praters of schutters. 2. Bankman : personificatie, met suffix -man, op bank = schepenbank? rechtsgebied? ; het verband is niet klaar. 9, 10, 11. De aandacht verdient de vorm broekel in brouckelvelt en bruchelstraetken : een afleiding met diminutiefsuffix -el (vgl. wegel) van broek ; bruchel vertoont bovendien umlaut. Ook de vormen broucken mersschen en broucken velt dienen aangestipt. Vgl. bruekenevelt, 1439, later (1566) braggenevelt, Top. Opwijk, nr. 193 ; bruekene meersch, 1598, te Assche, later (1641) Brugge meersch ; ook allebei afleidingen, met een suffix -ene, van broek. 14. Coinunninghen van Aelst : vrijgeweiden, fra. communes, eng. commons, van de gemeente Aalst. Eigenaardig is het toevoegen hier van het suffix -inge ; dit is het suffix van wateringe, groeninge, garzinge en dgl. 17, 18. De grafigen in C zijn dikwijls zeer dialectisch getint. Alzoo b. v. hier, en bij Moortel (nr. 97), heeft de stel-

42 -36-- ler geprobeerd de eigenaardige plaatselijke uitspraak van doorn en moortel weer te geven en telkens op dezelfde wijze : dueeren en mueertel, ue staande voor de lange u (y) en de tweede e voor de duidelijke (a) van den tweeklank, die aldaar in traag tempo uitgesproken wordt. 22. Dwerhage : vgl. Dweerbosch, Top. Beersel nr. 47 ; Dweerbeek, Top. Opwijk nr. 331 ; Dweerdijk, ± 1300, d e F 1 o Li, III, 752; dweerstrate, 1284, 1339, ibid. 754; de latere toponiemen bij de F 1 o u, III, , hebben dwars of dweers. Mnl. diver = dwars. Er was te Nieuwerkerken ook een plaats geh. de hage (nr. 28). Haag heeft gewoonlijk de beteekenis van «bosch met laagstammig hout». 24. Engelschen lochting : men denke hierbij niet aan een z. g. «engelschen tuin, jardin anglais» : het was eenvoudig de lochting van een Engelschman, Pieter van Stonemare, en de benaming moet in de 16e eeuw ontstaan zijn, toen vele uitwijkelingen uit Engeland zich alhier vestigden. 25. Erchem : te vergelijken met Erkegem, plaats te Oostkamp-Zwevezele, W. Vla., waarvan de F 1 ou, III, ,vormen opgeeft als erchem 1445, archem 1302, 1319, aercheem 1356, aergheem 1322, 1353, enz. ; naast arkengheem ± 1300, herkenghem 1290 ; ook met Erquinghem, ibid. III, 1127, gem. in Frankrijk aan de Leie bij Armentieres, Herkengehem 1116 ; Erquinghem-le-Sec, ib. III, 1127, gem. in het Noorder-departement, Erkinguehem 1455 ; doch ook met Herchem, ibid. V, 904, verdwenen dorp in de streek van Ardres, waarvan vier verschillende grafieen, met het jaartal 1084, worden opgegeven : Herchem, Herchehem, Herkehem en Herkeghem, Erchem schijnt dan wel op een primitief *Erkingahem of *Erkeningahem te wijzen, waarin we een persoonsnaam Erken- (M a n s i o n, 0. G. N., 169, vermeldt : Ercuinus, Erkenburoc, Erkengerus, Erchengysilus, Erchenmarus, Erkenrad) kunnen terugvinden. De plaatsnaam Erchem schijnt in de 17 e of 18 e eeuw vergeten geraakt te zijn : hij is ons a)thans niet bekend uit latere oorkonden dan In de plaats er van treedt, als gehuchtsnaam, Driesch. Nochtans komt het ons voor dat Erchem, met zijn driesch, wel het oorspronkelijk dorp was waaruit later de gemeente Nieuwerkerken ontstond. Hier werd blijkbaar een nieuw parochiaal centrum gevormd rondom een nieuwe kerk op een an-

43 37 dere plaats dan den ouden dorpsdriesch. In de 15* eeuw is de uitdrukking «parochie van der nuwer kerken» nog gangbaar. 33. Heestert : «plaats waar heester d. i. kreupelhout groeit». De huidige grafie restert vertoont een prothetische r, van ter, en een verkorting van de vocaal, wat wijst op een vroegere uitspraak eistert. 34. Heedsvelde, Ediksvelde : ongetwijfeld gelden die namen voor dezelfde plaats, een gehucht gelegen tusschen de dorpskommen van Nieuwerkerken en Mere. Heedsvelde is de oudere vorm ; hoe ediksvelde daaruit ontstond lijkt een raadsel. De plaatsnaam Heedsvelde, Heetvelde, Eetvelde, is niet zeldzaam (b. v., in Z. Brabant, te Esschene, Oetingen, Tollembeek ; te Aaigem, in 0. Via. ; te Lederzele, Loppem, Moerkerke, in Westelijk Vlaanderen, de Flou, V, ). Het eerste lid is niet Mnl. hede = heide, want dit woord is vrouwelijk. Hier hebben we te doen met een onzijdig 't heed, dat evenzoo zeer gewoon is als toponiem (b. v. te Hamme, Scheldewindeke, Zonnegem, in 0. Via. ; de F 1 o u, V, , geeft er een heele reeks op, alsmede samenstellingen als heetakker, heet stic, enz., voor Westelijk Vlaanderen) en die ook vaak in den verbogen vorm ten eede voorkomt (zie, te Nieuwerkerken, nr 32, het goed ten heede en bij d e F 1 o u, V, ; vgl. ook den familienaam van den Heede, van den Eede, die niet te verwarren is met van der Heide). Het Westvlaamsch kent een onzijdig heed (de Bo, Idioticon), met de beteekenis «heideplant», erica. Wij mogen aannemen dat het, evenals heide, waarvan het ten slotte een bijvorm is, naast de beteekenis «heideplant», ook deze van «onvruchtbare, dorre vlakte» zal gehad hebben. Een heedveld kan dan opgevat worden als «veld dat vroeger heide was». Daarbij mag men niet uit het oog verliezen dat, in de zandstreek van Noordelijk Vlaanderen, veld synoniem was van heide. Zoo we in het Heedsvelde te Nieuwerkerken den plantnaam heed zien, is een verklaring van de variante hediksveld mogelijk. Inderdaad is het suffix -ik of -erik zeer gewoon bij plantnamen (o. a. in dolik, dravik, bolderik, ganzerik, enz.), en is hedik mogelijk naast heed, alhoewel wij dit woord nog nergens aantroffen. De lezingen uit zijn blijkbaar vergissingen waar men tedicxvelde opvatte als te dicxvelde.

44 Herding : personificatie, met suffix -ing, op herd, hard ; dus : «het perceel waar de grond bijzonder hard is». 39. Herenthout : zelfde woord als de gelijknamige Kernpische gemeente. Het eerste lid is hernt, «haagbeuk», dat geen collectief is vermits het mannelijk is en de -t-formaties steeds vrouwelijk (vgl. ten herente, bij de Flou,V, 908, en de B o, Idioticon, i. v. hernte, tieernte). Die slot-t blijft intusschen onverklaard, zooals trouwens het verband tusschen de menigvuldige afwijkende dialectische vormen hern, heern, herrenteer, herzel, hessel, hesselt, hesselter, helster, herzelaar, herrelaar, herntril, herrel, enter, enz. nog niet voldoende aangetoond kon worden. 40. Herlingmeersch, veld : het eerste lid is geen persoonsnaam vermits het niet in den tweeden naamval staat ; misschien een personificatie, met suffix -ling, op heer : «de gronden van den heer»? Ik geloof niet dat we hier te doen hebben met een oude -ingenformatie (vgl. Harlingen, in Friesland ; Harlengues, in Noord-Frankrijk) ; in het Aalstersche bestaan zulke namen niet ; wij zouden hier dan Herlegem of Herelgem moeten hebben. 41. Herrent : collectivum met -t-suffix op hern ; zooals al deze formaties is het vrouwelijk : ter herrent ; de beteekenis is : «plaats waar haagbeuk groeit». Zie Herenthout (nr. 39). 43. Hinnensveld : het eerste lid wellicht pers. n. Hennen en dan een hypercorrecte grafie door verwarring met henne, hinne (kip)? 44. Hobbersveld : het eerste lid een pers. n. Hobbern of Hobern ; Mansion, 0. G. N., 44, vermeldt Hobarnus, a 989, getuige te Gent ; van dien naam zijn nog negen voorbeelden gekend in het Gentsche. 46, 47. Hoezebeek, meersch : het eerste lid is Mnl. hoese, hose, «waterleiding»(vgl. hoosgat), behoorend bij hoozen, «water scheppen». 53. Hoseman : personificatie, met suffix -man, op hose ; dus : «het perceel waar een hose, ter afleiding van het water, aangelegd werd». 55. Jezuletenkasteel : denkelijk vroeger een eigendom van de Jezdieten van Aalst. 57. Kalverdans : te verstaan als «weide waar de kalveren hun beloop hebben». Dit eigenaardig toponiem troffen we aan