Gesloten vragen Functionele Anatomie II

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Gesloten vragen Functionele Anatomie II"

Transcriptie

1 Gesloten vragen Functionele Anatomie II Ab- en adductie vindt plaats om een longitudinale as 2. In de anatomische houding is, in het sagittale vlak van de wervelkolom, lumbaal een lordose aanwezig 3. De processus coracoïdeus is het botpunt van de scapula dat het meest uitsteekt naar ventraal 4. Het os lunatum ligt distaal ten opzichte van het os capitatum 5. Het caput radii ligt distaal t.o.v. het caput ulnae 6. Lateraal van het tuberculum minus ligt de sulcus intertubercularis 7. In plaatje 1 (zie pagina 3) wijst de pijl naar de trochlea humeri 8. De radius is in het frontale vlak distaal breder dan proximaal 9. De cavitas glenoidalis is een deel van de clavicula 10. De inciscura jugularis is een deel van het corpus sterni 11. De processus spinosi van lumbale wervels zijn gevorkt 12. De pijl in plaatje 2 (zie pagina 3) wijst naar de processus mastoideus 13. De costa vera II articuleert met het sternum ter hoogte van de angulus sterni 14. De dens axis wijst naar craniaal 15. Art. cubiti is een art. composita 16. Het os scaphoideum articuleert met de ulna 17. Bij het actief abduceren van de arm verplaatst de angulus inferior van de scapula naar lateraal 18. Het olecranon maakt deel uit van de art. humeroradialis 19. De art. carpometacarpalis pollicis is het gewricht tussen het os hamatum en het os metacarpale I 20. De art. acromioclavicularis is een gewricht tussen de clavicula en het manubrium sternum 21. Flexie en extensie van de art. cubiti vindt plaats in de art. radio-ulnaris proximalis

2 22. Ja-knikken wordt uitgevoerd in de art. atlanto-occipitale 23. De m. coracobrachialis heeft zijn origo op de processus coracoideus 24. De m. teres minor heeft exorotatie als functiecomponent in de art. humeri 25. De m. infraspinatus wordt grotendeels bedekt door de m. trapezius 26. De m. flexor carpi ulnaris ligt in de tweede spierlaag in de onderarm 27. Ulnairabductie kan onder andere worden veroorzaakt door de m. extensor carpi ulnaris 28. De m. brachioradialis heeft zijn origo op de humerus 29. Zowel abductie als adductie zijn functiecomponenten van de m. deltoideus in de art. humeri 30. De m. supraspinatus behoort tot de rotatorenmanchet 31. De m. palmaris longus heeft zijn insertie op de radius 32. De m. scalenus anterior heeft als functie het heffen van de 1 e rib 33. De regio cervicalis lateralis wordt caudaal begrensd door de clavicula 34. Rotatie van de halswervelkolom naar links kan onder andere worden veroorzaakt door de rechter m. splenius cervicis 35. De m. sternocleidomastoideus is een homolaterale rotator van het hoofd 36. De m. latissimus dorsi heeft dezelfde functie rond de frontale as in de art. humeri als het pars clavicularis van de m. pectoralis major 37. Het trigonum lumbale wordt ventraal begrensd door de m. latissimus dorsi 38. De m. longissimus is een onderdeel van het transverso-spinale systeem 39. Een concentrische contractie van de m. serratus anterior veroorzaakt mediorotatie van de scapula 40. De linker m. obliquus externus abdominis kan bij een concentrische contractie een romprotatie naar rechts veroorzaken

3 Figuur 1: Figuur 2:

4 Naam: Open vragen tentamen FAII (let op: vul je naam hierboven en op elk volgend blad in). Vraag 1: Benoem de 4 botstukken waarmee het os scaphoideum articuleert (2 punten) Vraag 2: a. Benoem de 4 spieren die in de 1 e spierlaag van de ventrale zijde van de onderarm liggen (1,2 pt) b. Benoem van 2 van deze spieren of ze pro- en/of supinatie in de onderarm kunnen veroorzaken bij concentrische contractie (0,8 pt)

5 Naam: Vraag 3: a. Benoem de 3 structuren die de grenzen vormen van de regio cervicalis lateralis (1,2 pt) b. Benoem 3 spieren waarvan een deel oppervlakkig in deze regio ligt (1,2 pt): m. m. m. Vraag 4: Een patiënt zit rechtop en draait zijn romp naar rechts. a) Noem 1 heterolaterale rotator (spier) van de romp en benoem aan welke zijde van het lichaam deze ligt (0,8 pt). b) Noem 1 homolaterale rotator (spier) van de romp en benoem aan welke zijde van het lichaam deze ligt (0,8 pt).

6 Naam: Vraag 5: a. Benoem 2 spieren/spierdelen die ventraal van de frontale as van de art. humeri liggen én een functiecomponent over dit gewricht hebben (1 pt). b. Benoem van één van de in vraag 5a genoemde spieren alle functiecomponenten (1 pt).