Naar een nieuw rijksmuseaal model

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Naar een nieuw rijksmuseaal model"

Transcriptie

1 Naar een nieuw rijksmuseaal model Over de eigendomsoverdracht van de collecties en gebouwen van de Staat aan de voormalige rijksmusea in het licht van cultureel ondernemerschap en de noodzaak van omzetting van de rechtsvorm van de voormalige rijksmusea J.L.C. Duyvesteijn MSc LL.B. (studentnummer: ) Maart, 2010 Masterscriptie Privaatrechtelijke Rechtspraktijk Begeleid door prof. Inge van der Vlies Faculteit der Rechtsgeleerdheid Universiteit van Amsterdam

2 Abstract In deze scriptie wordt een voorstel gedaan voor een nieuw model voor de voormalige rijksmusea. Het Rijk verlangt dat de voormalige rijksmusea gaan functioneren als betere culturele ondernemingen om subsidieverlagingen te ondervangen. De voormalige rijksmusea hebben echter niet de volledige beschikking over hun twee belangrijkste productiemiddelen die nu eigendom van de Staat zijn, te weten de collecties en de gebouwen. Om goed als culturele onderneming te kunnen functioneren, moeten de musea het eigendom van de collecties en de gebouwen verkrijgen. Hiertoe moeten de museale stichtingen worden omgezet in naamloze vennootschappen met de Nederlandse Staat als aandeelhouder. Deze scriptie bespreekt het proces van de omzetting van de stichtingen in naamloze vennootschappen en welke gevolgen het nieuwe model heeft voor het cultureel ondernemerschap van de voormalige rijksmusea. Ook zullen de gevolgen voor de Staat, de bezoekers en andere belanghebbenden aan bod komen. 1

3 Voorwoord Na een studie Economics & Business aan de Erasmus Universiteit hoop ik met het inleveren van deze scriptie een tweede masterstudie af te ronden: de studie Privaatrechtelijke Rechtspraktijk aan de Universiteit van Amsterdam. Zoals het hoort in een voorwoord maar zeker ook gemeend is wil ik bij dezen de mensen bedanken zonder wie het schrijven van deze scriptie niet mogelijk zou zijn geweest. Allereerst wil ik mijn ouders bedanken voor alle steun die zij mij hebben gegeven. Daarnaast wil ik de mensen bedanken waarmee ik de ideeën uit deze scriptie heb kunnen bespreken: Evert van Straaten, Rinus Vonhof van het Kröller- Müller Museum, Herma Hofmeijer van de Vereniging van Rijksgesubsideerde Musea en mijn scriptiebegeleider prof. Inge van der Vlies. Ten slotte hoop ik natuurlijk van harte dat ik de Staat en de voormalige rijksmusea zal kunnen overtuigen dat het model veranderd moet worden. J.L.C. Duyvesteijn, maart

4 INLEIDING...4 HOOFDSTUK 1: CULTUREEL ONDERNEMERSCHAP EN MUSEA INLEIDING IN HET CULTUREEL ONDERNEMERSCHAP De klassieke ondernemer De culturele ondernemer Huidig beleid omtrent cultureel ondernemerschap CULTUREEL ONDERNEMERSCHAP EN MUSEA Definitie museum De ICOM-definitie in het licht van cultureel ondernemerschap Mate van cultureel ondernemerschap in de voormalige rijksmusea...10 HOOFDSTUK 2: HET HUIDIGE MODEL VAN DE VOORMALIGE RIJKSMUSEA OVER STICHTINGEN EN VENNOOTSCHAPPEN De kapitaalvennootschap De stichting DE VERZELFSTANDIGING VAN DE RIJKSMUSEA Het proces van verzelfstandiging Het model van de rijksmuseale stichtingen De status van de collectie en de gebouwen binnen de rijksmuseale stichtingen VERZELFSTANDIGING TOT STICHTING OF NV DE EFFECTEN VAN DE VERZELFSTANDIGING HOOFDSTUK 3: DE OMZETTING VAN EEN RIJKMUSEALE STICHTING NAAR NV DE WENSELIJKHEID VAN DE OMZETTING VAN VOORMALIGE RIJKSMUSEA IN NV S Wenselijkheid van eigendomsoverdracht van de collecties en de gebouwen De beperkingen van het stichtingsmodel bij eigendomsoverdracht DE VEREISTEN VAN DE OMZETTING VAN EEN RIJKSMUSEALE STICHTING IN EEN NV Het besluit tot omzetting De statutenwijziging De notariële akte van omzetting en de rechterlijke machtiging HET MODEL VAN DE NIEUWE RIJKSMUSEALE NV HOOFDSTUK 4: GEVOLGEN VAN DE OMZETTING NAAR EEN RIJKSMUSEALE NV DE GEVOLGEN VOOR DE RELATIE TUSSEN DE OVERHEID EN DE VOORMALIGE RIJKSMUSEA DE DIRECTE GEVOLGEN VOOR DE COLLECTIES EN DE GEBOUWEN De collectie De gebouwen Financiële gevolgen voor de collecties en de gebouwen DE ZAKELIJKE GEVOLGEN VOOR DE VOORMALIGE RIJKSMUSEA Zakelijke kansen vanwege de veranderde rechtsvorm Zakelijke kansen vanwege het eigendom van de gebouwen en de collecties FISCALE GEVOLGEN Vennootschapsbelasting Erf- en schenkingsbelasting Omzetbelasting GEVOLGEN VOOR BEZOEKERS EN ANDERE BELANGHEBBENDEN DE GEVOLGEN VOOR DE OVERHEID DE SITUATIE IN ANDERE LANDEN CONCLUSIE BRONVERMELDING BIJLAGE 1: DE VERZELFSTANDIGDE RIJKSMUSEALE DIENSTEN BIJLAGE 2: MODELSTATUTEN MUSEALE STICHTING

5 Inleiding De voormalige rijksmusea behoren tot de belangrijkste musea van Nederland. De collecties zijn omvangrijk, de expositieruimtes zijn groot en de musea trekken hoge bezoekersaantallen. De musea zijn begin jaren 90 verzelfstandigd van overheidsdiensten tot stichtingen. De collecties en de gebouwen zijn in handen gebleven van de Staat en sinds de verzelfstandiging huren de museale stichtingen de gebouwen van de overheid en hebben ze de collecties in beheer. De musea hebben steeds financiële bijdrages ontvangen, maar de laatste jaren wordt er meer en meer bezuinigd op cultuur. De overheid wil dat culturele instelling meer eigen inkomsten genereren. Het zogenaamde culturele ondernemerschap van culturele instellingen dient hiertoe gestimuleerd te worden. Goed cultureel ondernemerschap laat musea efficiënter omgaan met beschikbare middelen. In tegenstelling tot een klassieke ondernemer stelt een culturele ondernemer niet een zo hoog mogelijke winst ten doel, maar succes wordt afgemeten aan meer immateriële maatstaven. Dit betekent dus dat een succesvol cultureel ondernemerschap juist ook in dienst zal staan van het publiek. In deze scriptie zal ik betogen dat de musea onvoldoende kunnen functioneren als culturele onderneming, omdat ze hun twee belangrijkste productiemiddelen de collecties en de gebouwen niet in eigendom hebben. De musea zouden daarom deze productiemiddelen door de Staat in eigendom overgedragen moeten krijgen. De huidige rechtsvorm volstaat in dit geval niet. De rechtsvorm van de voormalige rijksmusea zal dan ook moeten worden omgezet in die van de naamloze vennootschap. De Nederlandse Staat zal dan de aandelen gaan houden in de nieuwe museale vennootschappen. Hoewel de voormalige rijksmusea het onderwerp van deze scriptie zijn, kunnen de conclusies ook vertaald worden naar de situatie van andere musea die nog functioneren als dienst van een van de overheden of verzelfstandigde stichtingen zijn die verbonden zijn met een overheid. Deze masterscriptie is geschreven in het kader van de studie Privaatrechtelijke Rechtspraktijk. Desalniettemin zullen het huidige en mogelijk toekomstige museale model vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden: de juridische, maar ook de economische en een culturele zullen aan bod komen. De juridische invalshoek zal zich vooral toespitsen op de voor- en nadelen van verschillende mogelijke rechtsvormen voor de voormalige rijksmusea en hoe een eventuele verandering van rechtsvorm vormgegeven wordt. 4

6 Hoofdstuk 1: Cultureel ondernemerschap en musea 1.1 Inleiding in het cultureel ondernemerschap In oktober 1999 bracht toenmalig staatssecretaris Rick van der Ploeg, belast met cultuur-, kunst- en mediabeleid, een voor de kunstwereld prikkelende nota uit onder de naam Een ondernemende cultuur. In deze nota bombardeerde Van der Ploeg zoals de naam van de nota al doet vermoeden cultureel ondernemerschap als één van de speerpunten van zijn cultuurbeleid. Cultuur en ondernemerschap zijn twee begrippen die voor sommigen mensen in de culturele wereld als water en vuur zijn. Een krantenartikel uit die tijd 1 spreekt erover dat de kunstwereld in alle staten is en dat cultureel ondernemerschap aan economie, markten en commercie doet denken en dat velen in die wereld daar niets van moeten hebben. Cultureel ondernemerschap is niet een begrip dat voor rekening van de econoom en staatssecretaris Van der Ploeg zelf komt. Klamer (2006) noemt Van der Ploeg wel als de politicus die in Nederland als eerste dit begrip gepopulariseerd heeft. Voordat Van der Ploeg de nota had geschreven, waarde het begrip al rond in de gangen van het ministerie van Cultuur. Toch is er in de economische literatuur tot op heden niet bijster veel aandacht geschonken aan cultureel ondernemerschap, hoewel er al vele honderden jaren culturele ondernemers actief zijn. Om te achterhalen wat cultureel ondernemerschap nu precies inhoudt, is het goed om het begrip te ontleden. Richard Cantillon ( ) introduceerde waarschijnlijk als eerste het concept ondernemer of entrepreneur. Hij zag de ondernemer als een speculant zonder wie de markt niet zou werken. De ondernemer neemt risico door producten in te kopen tegen een bepaalde prijs en hij probeert deze dan tegen een onzekere prijs door te verkopen aan andere marktparticipanten. De klassieke ondernemer kan dus worden omschreven als iemand die zelfstandig, op eigen risico met productiemiddelen en kapitaal een product produceert voor een bepaalde markt. De ondernemer is rationeel en streeft naar maximalisatie van zijn winst. Een cultureel ondernemer voldoet niet geheel aan deze omschrijving. Een ondernemer die omschreven kan worden als een cultureel ondernemer is actief in de kunst- en cultuursector. In tegenstelling tot wat de klassieke ondernemer gebruikt, bestaan de productiemiddelen van een cultureel ondernemer uit een stroom van culturele producten, ideeën en opvattingen (zoals films, schilderijen, podiumkunst of muziek). Ook zullen de meeste culturele ondernemers zich maximalisatie van de winst niet als doel stellen. Met name het aspect van de maximalisatie van de winst in de definitie van de klassieke ondernemer zorgt voor een negatieve associatie met het begrip ondernemerschap bij sommige mensen in de kunstwereld. 1 Klamer, A. en O. Velthuis, Culturele instellingen moeten innovatief zijn, NRC Handelsblad, Overigens verscheen dit artikel nog vóór de publicatie van de nota van Van der Ploeg. 5

7 Volgens de nota van Van der Ploeg verenigen zich in een culturele ondernemer twee faculteiten. De culturele faculteit, omdat hij in hoge mate kennis en gevoel heeft voor kunst en cultuur, voor creatieve processen en creatief talent kan ontdekken. De ondernemende faculteit uit zich doordat hij zijn publiek kent, alert is op nieuwe kansen en gebruik weet te maken van marketinginstrumenten uit de commerciële sector. Culturele ondernemers vormen de verbinding tussen het kunstaanbod en het publiek. Van der Ploeg ziet culturele ondernemers als de kritische succesfactor en schonk daarom meer aandacht aan hen in zijn cultuurbeleid. In de nota worden er vier typen cultureel ondernemer onderscheiden: de kunstenaar, de opdrachtgever, de producent en de programmeur. Als kleine zelfstandige is de (professionele) kunstenaar zowel kunstenaar als ondernemer. Een kunstenaar heeft artistieke ambities en probeert met deze ambities een publiek te bereiken. Voor de artistieke ambities die hij heeft, zoekt hij een publiek. Een opdrachtgever laat een werk vervaardigen door een kunstenaar of een groep kunstenaars. Hij is daarmee een goed medium tussen aanbod en publiek. Een in opdracht vervaardigd werk is namelijk bijna altijd verzekerd van publiek, omdat de opdrachtgever niet zomaar investeert. Van der Ploeg beschouwt onder andere uitgevers, theaterproducenten, impresario s en tentoonstellingsmakers als producenten. Het ondernemerschap van een producent uit zich in het op het juiste moment verbinden van het juiste talent of aanbod met het juiste publiek. De programmeur, in de gedaante van bijvoorbeeld schouwburgdirecteur of conservator, bepaalt wat er in zijn accommodatie gebeurt of te bezichtigen is en moet zorgen dat er publiek op af komt. Op het eerste gezicht lijkt er ook weinig verschil te zijn tussen de typeringen van producent en programmeur. Bij een producent lijkt de nadruk echter meer te liggen op het aanbod zelf. Bij de programmeur daarentegen ligt de nadruk op het aanbod in relatie tot de accommodatie. De gemeenschappelijke deler van de vier typen cultureel ondernemer is dat ze fungeren als medium tussen vraag en aanbod in de cultuursector. Ryclef Rienstra 2 weet dit te vertalen naar een goede definitie: De cultureel ondernemer is een producent van kunst in al zijn verschijningsvormen die, met de artistieke integriteit van zijn kunstwerk als uitgangspunt, met alle middelen probeert een zo groot mogelijk (betalend) publiek hoe specifiek ook voor zijn kunstwerk te interesseren en die streeft naar een sluitende exploitatie van zijn onderneming. Rienstra bedoelt daarmee niet dat een cultureel ondernemer altijd veel publiek of een zo breed mogelijk publiek wil trekken: Het gaat om het grootst mogelijke publiek dat in een bepaalde kunstuiting geïnteresseerd is. Rienstra schuwt ook niet om te zeggen dat een culturele ondernemer marktgerichte instrumenten voor moet toepassen om dit doel te bereiken. Hij vindt dat mensen niet alleen louter op vrijwillige basis een kunstuiting zouden moeten bezoeken, maar dat potentieel geïnteresseerd publiek ook best verlokt mag worden. Dit marktgerichte denken zorgt ervoor dat er eer wordt gedaan aan de schepper van de kunst; publieke belangstelling is nu eenmaal de beste beloning voor een kunstzinnige prestatie. Maar aan de andere kant zorgt een hoog percentage bezoekers van de totale doelgroep als geheel er ook voor dat er eer wordt gedaan aan de 2 Directeur van de Van den Ende Foundation en oud- directeur van het Nederlands Fonds voor de Film 6

8 (vaak onbaatzuchtige) financiers, zijnde de overheid of cultuurfondsen. Door een zo groot mogelijk publiek te trekken wordt het cultureel rendement per geïnvesteerde euro vergroot. De nota van Van der Ploeg is inmiddels al weer een aantal jaren oud. Cultureel ondernemerschap is echter niet in de vergetelheid geraakt door het aantreden van nieuwe bewindspersonen op het terrein van cultuur. Ook de verantwoordelijke van de afgelopen jaren voor het cultuurbeleid op het ministerie van OCW, minister Ronald Plasterk, besteedt aandacht aan het onderwerp. In het regeerakkoord van het kabinet- Balkenende IV was opgenomen dat per 1 januari miljoen euro per jaar zou worden bezuinigd op zogeheten rijksgesubsidieerde cultuurproducerende instellingen. Dit zou voor veel kunstinstellingen een zware klap betekenen zonder concreet beleid om dit te kunnen opvangen. Op initiatief van minister Plasterk is daarom in augustus 2007 een onafhankelijke commissie van start gegaan, de Commissie Cultuurprofijt. De commissie had als taak om concrete voorstellen te formuleren waarmee de maatschappelijke verankering van kunst en cultuur kon worden vergroot en de financiering van kunst en cultuur kon worden verbreed. In essentie betekende dit dat de commissie moest onderzoeken hoe culturele instellingen hun eigen inkomsten het beste konden vergroten, om zo minder afhankelijk te worden van overheidssubsidie. Tegenover de 10 miljoen euro bezuiniging per jaar staat echter wel een investering van 15 miljoen euro per jaar tot 2012 in beleid dat de permanente bezuiniging zou moeten opvangen. De Commissie Cultuurprofijt bracht eind januari 2008 haar advies uit. In een brief aan de Tweede Kamer in juni 2008 liet minister Plasterk weten de adviezen in hoofdlijnen over te nemen. Centraal in dit advies staat het Programma Cultureel Ondernemerschap. Cultuurinstellingen die subsidie uit de rijksbegroting ontvangen worden op basis van een ondernemersplan toegelaten tot het Programma dat vanaf 2009 tot 2012 zal lopen. Het Programma beoogt een stimulans te zijn om culturele instellingen door middel van innovatie meer eigen inkomsten te laten genereren. Het programma bestaat uit twee fases, waarbij de eerste fase in 2012 is afgelopen en opgevolgd wordt door de tweede fase. In de eerste fase worden kunstinstellingen beloond als ze op een duurzame wijze extra eigen inkomsten weten te genereren in de periode 2010 tot In het kader van de zogenaamde matchingregeling krijgen de culturele instellingen een extra subsidie ter grootte van deze extra inkomsten in de betreffende periode. In de volgende subsidieperiode (na 2012) zullen culturele instellingen bij het toekennen van subsidies niet meer alleen op kwaliteit worden beoordeeld. Er zal dan een integrale toets plaatsvinden waarbij naast kwaliteit ook cultureel ondernemerschap één van de criteria zal zijn. Succesvolle toepassing van ondernemerschap binnen een culturele instelling zal dan ook invloed hebben op de hoogte van de subsidie. Minister Plasterk heeft echter niet alle adviezen van de Commissie Cultuurprofijt overgenomen. Bij de afvallers behoort de zogenaamde tweede fase uit het oorspronkelijke Programma Cultureel Ondernemerschap: het oprichten van een publiek- private investeringsmaatschappij. Deze investeringsmaatschappij had risicodragend kapitaal moeten verschaffen aan culturele projecten en instellingen. Zo n investeringsmaatschappij bestaat reeds in Vlaanderen onder de naam CultuurInvest. Echter, er bleek uit onderzoek door de minister dat dergelijke 7

9 investeringsmaatschappijen liever niet willen investeren in structureel gesubsidieerde instellingen, omdat dit doorgaans geen rendement oplevert. CultuurInvest investeert daarom ook alleen maar in commerciële culturele instellingen. Minister Plasterk is van mening dat geld dat uit de rijksbegroting zou worden vrijgemaakt ten behoeve van zo een investeringsmaatschappij wel ten goede zou moeten komen aan de instellingen in de zogenaamde basisinfrastructuur. Juist die structureel gesubsidieerde culturele instellingen hebben namelijk te lijden onder de bezuinigingsmaatregel van 10 miljoen euro per jaar, die per 1 januari 2009 is ingegaan. Dit betekent echter niet dat Plasterk geen heil ziet in het bestaan van investeringsmaatschappijen die de creatieve industrie en economisch gezien interessante kunstinstellingen kunnen ondersteunen. Hij noemt echter niet alle argumenten. Ik ben echter wel van mening dat minister Plasterk over het hoofd ziet dat private partijen naast rendement ook nog goede andere redenen zouden kunnen hebben om risicodragend kapitaal te investeren in culturele instellingen. Hierover zal ik meer uitweiden in Hoofdstuk Cultureel ondernemerschap en musea De categorie culturele ondernemingen die centraal staat in deze scriptie is die van het museumwezen. Musea bestaan in vele vormen: van het Van Goghmuseum tot het Scheepvaartmuseum en van het museum Beelden aan Zee tot aan het Openluchtmuseum te Arnhem. Allerlei soorten cultuur, in de breedste zin des woords, kunnen terug worden gevonden in een museum. Een alom gerespecteerde definitie die beschrijft wat precies onder een museum moet worden verstaan is die van de International Council Of Museums (ICOM). 3 Deze definitie komt uit de Code of Ethics van het ICOM, die in Nederland door de Nederlandse Museumvereniging is omgezet in de Ethische Code voor Musea: Een museum is een permanente instelling ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen. Samenvattend kan worden gezegd dat musea een tweeledige taak hebben. Aan de ene kant is dit het behoud van (cultureel) erfgoed en aan de andere het beschikbaar stellen van het (culturele) erfgoed aan het publiek. De eerste taak leent zich misschien niet direct voor het toepassen van cultureel ondernemerschap, maar voor de tweede taak zijn er vele mogelijkheden. De combinatie cultureel ondernemerschap en musea is niet voor iedereen in de kunstwereld voor de hand liggend. Met name als men het beeld van de hiervoor beschreven klassieke ondernemer als prototype hanteert, botst dit met de definitie van de ICOM. De ICOM definieert een museum als een instelling die niet op winst gericht is. Dit expliciete element in de definitie wordt star gevolgd in de kunstwereld en discussie rondom winststreven in de museumwereld ligt erg gevoelig. Men is van mening dat 3 De ICOM is een internationale non- gouvernementele organisatie voor musea en museumprofessionals van over de hele wereld. 8

10 commercialisering ertoe zou kunnen leiden dat slechts populaire kunst tentoon wordt gesteld en dit ten koste kan gaan van de veelzijdigheid en de kwaliteit van het aanbod. Nu is deze redenering niet per definitie onlogisch, maar er valt ook zeker wat tegenin te brengen. De museumwereld heeft in de loop der jaren flinke veranderingen ondergaan. Musea zijn getransformeerd van instellingen die zorgden voor het behoud van cultureel erfgoed naar publieke instellingen. Musea behoren naast het behouden van erfgoed tegenwoordig ook een communicatieve rol naar de samenleving te vervullen, een publieksfunctie. Deze communicatie bestaat onder andere uit het tentoonstellen en het vervullen van een educatieve rol. Daarnaast is de overheid al reeds een aantal jaren bezig musea zelfstandiger te laten functioneren: zowel vanuit het oogpunt van decentralisatie als van het verminderen van subsidies. Door zelfstandiger te functioneren worden musea geacht hun eigen inkomsten te vergroten om zo minder afhankelijk van het Rijk te kunnen zijn. De museumwereld zelf ziet dit bij monde van de directeur van de Nederlandse Museumvereniging (NMV) ook als een kans. 4 Volgens hem zijn bezoekers ook beter af, omdat de musea in hun bedrijfsvoering meer afhankelijk worden van bezoekersaantallen en dus gevoeliger worden voor het belang van de bezoeker. Musea moeten zich ook meer uitgesproken profileren (Van der Vlies, 2009) zodat het aanbod van musea helderder wordt voor bezoekers. Met een duidelijkere profilering kunnen musea hun (potentiële) doelgroep namelijk beter bereiken en daardoor hun inkomsten vergroten. Een duidelijkere profilering brengt met zich mee dat er keuzes moeten worden gemaakt in de collectie. De visie dat al het erfgoed bewaard moet worden, wordt daarnaast ook minder streng aangehangen. Dit zal met zich meebrengen dat het afstoten van een deel van de collectie in het kader van profilering steeds gewoner zal worden. Met de afstoting, ofwel de verkoop, van kunstvoorwerpen uit de collectie kan potentieel geld worden verdiend. Deze vorm van commerciële afstoting is nog steeds een gevoelig onderwerp, maar wordt geaccepteerd als dit in het kader van de verbetering van de collectie is. Als de voorgaande redenering gevolgd wordt, kan het enigszins opmerkelijk worden genoemd dat er nog steeds zo strikt wordt omgegaan met het element van winststreven uit de definitie van de ICOM. Gezien de veranderingen die in de museumwereld plaatsvinden en hebben plaatsgevonden is dit element misschien enigszins achterhaald. Rekening houdend met de gevoeligheid in de culturele wereld met betrekking tot het uitbaten van kunst als een commercieel product, zal het lastig zijn dit element ooit te schrappen. Maar er zou wel een aanpassing kunnen komen of een minder stringente interpretatie. Men zou minder vast moeten houden aan het verbod op het nastreven van winst mits deze winst ten goede komt aan de collectie. Aan de andere kant, zouden critici zich ook moeten afvragen waar zij precies bang voor zijn. Het zal voor musea überhaupt een lastige opgave zijn om een winstgevende exploitatie te voeren, laat staan om hoge overwinsten te maken. Wanneer er bijvoorbeeld gekeken wordt naar het financieel jaarverslag over het jaar 2008 van het Amsterdamse Rijksmuseum is te zien dat het museum dat jaar 15,4 miljoen euro aan eigen inkomsten had. Onder deze baten vallen de inkomsten uit de entreegelden, de 4 Verzelfstandiging musea zit in eindfase, Nederlands Dagblad, 1 januari

11 museumwinkels, de horeca, de merchandising en directe sponsoring. Hier tegenover staan lasten van 66,2 miljoen euro. Het resultaat uit de exploitatie is nog niet eens genoeg om de personeelskosten van 20,2 miljoen euro te dekken. Voor musea als het Museum Boijmans Van Beuningen en het Krüller- Möller Museum geldt hetzelfde. Museum Boijmans Van Beuningen heeft 2,8 miljoen euro eigen inkomsten tegenover een totaal aantal lasten van 15,1 miljoen euro; voor het Krüller- Möller Museum gaat het om een bedrag van 3,3 miljoen euro aan eigen inkomsten tegenover totale lasten van 12,1 miljoen euro. Grotere winsten zou een museum eventueel kunnen maken met de afstoting van voorwerpen uit de collectie. In artikel 2.16 van de Ethische Code voor Musea wordt hierover een voorbehoud gemaakt. Er wordt gesteld dat een museum nooit als kunsthandelaar mag optreden: de collectie dient een publiek belang en mag niet worden gebruikt om winst te maken. Opbrengsten uit de afstoting van voorwerpen uit de museale collectie moeten dan ook in beginsel gebruikt worden voor het verwerven van nieuwe objecten. De vraag is echter of het ook geaccepteerd wordt dat er objecten worden afgestoten met het oog op de aanschaf van nieuwe objecten om de collectie te verbeteren. Zeker met het oog op de gewenste profilering van musea zou dit toegestaan moeten zijn. De grootste en meest prominente musea in Nederland zijn de voormalige rijksmusea, die vanaf 1993 zijn verzelfstandigd van rijksdiensten tot stichtingen. In deze scriptie zal er voornamelijk aandacht zijn voor de huidige situatie van de voormalige rijksmusea. Naast dat deze musea het grootst en meest belangrijk zijn voor het Nederlandse museumwezen, zijn er juist ook voor deze categorie musea nog extra mogelijkheden om cultureel ondernemerschap te stimuleren. De voormalige rijksmusea vormen ook het grootste deel van de lijst van musea en erfgoedinstellingen die conform artikel 4b van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid zijn aangewezen, omdat ze in tegenstelling tot andere musea en erfgoedinstellingen blijvend uitzicht op subsidie hebben. In de afgelopen jaren zijn er ook steeds meer gemeentelijke en provinciale musea verzelfstandigd. De voorstellen voor het stimuleren van cultureel ondernemerschap van voormalige rijksmusea die later zullen volgen in deze scriptie kunnen breder worden getrokken naar (voormalige) gemeentelijke en provinciale musea (in het bijzonder wanneer ze een collectie beheren van een overheidslaag). De verzelfstandiging van de rijksmuseale diensten was een stap in de goede richting om de rijksmusea beter te laten functioneren als culturele ondernemingen. De overheid kreeg minder invloed op de dagelijkse gang van zaken binnen de rijksmusea. Dit heeft gezorgd voor meer autonomie en daardoor meer vrijheid voor musea om innovatief te zijn. Toch is er nog steeds geen sprake van een volledige autonomie. Ondanks dat de exploitatie van de voormalige rijksmusea wordt uitgevoerd door een stichting, zijn de gebouwen en vaak een groot deel van de collectie nog eigendom van de Nederlandse Staat. Ook moeten de lasten van de rijksmusea voor het grootste deel worden gedekt met overheidssubsidies. De voormalige rijksmusea functioneren nog niet optimaal als culturele ondernemingen. In een rapport over de effecten van de verzelfstandiging van de voormalige rijksmusea van onderzoeksbureau Twystra Gudde wordt een aantal kenmerken genoemd van effectief cultureel ondernemerschap binnen de voormalige rijksmusea. In het rapport 10

12 wordt een onderscheid gemaakt tussen interne en externe effectiviteit. Interne effectiviteit betekent dat een museum strategische plannen maakt. In deze plannen wordt de strategie vertaald in activiteiten en daaruit voortvloeiend de gewenste producten en diensten. Externe effectiviteit betekent dat de producten, diensten en resultaten van de musea bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het ministerie. Een goed cultureel ondernemend museum is verder extern gericht. Dit betekent dat het museum zijn doelgroepen kent en hier specifieke marketinginstrumenten aan koppelt. Ook betekent dit dat het museum marktonderzoek doet en dit hanteert als onderbouwing van beleidskeuzes op korte en lange termijn. Verder heeft het museum een duidelijke visie op de gewenste positionering die gerelateerd is aan de verwachtingen van de externe omgeving. 11

13 Hoofdstuk 2: Het huidige model van de voormalige rijksmusea Vanaf 1993 werden op basis van de Wet Verzelfstandiging Rijksmuseale Diensten (Wet VRD) de musea die beheerd werden door het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur verzelfstandigd. De toenmalige rijksdiensten werden omgevormd tot stichtingen, waarbij de kunstvoorwerpen en het onroerend goed eigendom van het Rijk bleven. De keuze voor de rechtsvorm van de stichting was niet vanzelfsprekend; er is wel degelijk een discussie gevoerd over een alternatief waarbij de rijksmusea tot vennootschappen werden verzelfstandigd. Centraal in deze scriptie staat het onderzoek naar de bevordering van het cultureel ondernemerschap van de voormalige rijksmusea. De hoofdstelling van deze scriptie luidt dat de voormalige rijksmusea de gebouwen en de collecties overgedragen zouden moeten krijgen. Dit kan echter niet zonder de rechtsvorm van de musea te veranderen. De reden hiervoor zal in het volgende hoofdstuk besproken worden. Een goed begrip van mijn betoog kan niet zonder een introductie en uitleg van de verschillende relevante rechtsvormen. Daarom zal ik eerst in het algemeen de rechtsvormen van de bv en de nv en die van de stichting behandelen. Vervolgens zal het verzelfstandigingsproces aan de orde komen en zal het huidige stichtingsmodel worden besproken. Als laatste zal aandacht worden gegeven aan de discussie bij de totstandkoming van de Wet VRD over de rechtsvorm tot welke de museale diensten zijn verzelfstandigd en wat de effecten zijn van de verzelfstandiging. 2.1 Over stichtingen en vennootschappen Het Nederlandse recht kent momenteel twee verschillende rechtsvormen die beide onder de noemer kapitaalvennootschap vallen. Deze zijn terug te vinden in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het betreft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 5, afgekort bv, en de naamloze vennootschap 6 die wordt afgekort tot nv. Een kapitaal vennootschap is een rechtspersoon. Dit wil zeggen dat een kapitaalvennootschap zelfstandig rechten en plichten kan dragen. Het belangrijkste kenmerk van een kapitaalvennootschap in het kader van deze scriptie is dat derden rechthebbende zijn op het eigen vermogen (alle passiva die geen schulden zijn). Het kapitaal van de vennootschap, het eigen vermogen, is namelijk verdeeld in aandelen. De aandelen geven de houders hiervan het recht op winstuitkeringen (en eventueel een batig liquidatiesaldo) en zeggenschap in de onderneming. Aandeelhouders zijn in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk voor handelingen van de kapitaalvennootschap en delen bij eventueel verlies slechts mee tot het bedrag van de nominale waarde van de aandelen. De organisatie van kapitaalvennootschappen bestaat uit verschillende organen, die hun oorsprong vinden in de wet. Alle kapitaalvennootschappen hebben in ieder geval een bestuur en een algemene vergadering van aandeelhouders (ava). Het bestuur is belast met de leiding over de vennootschap. Dit houdt in dat het bestuur de dagelijkse gang van zaken leidt, maar ze moeten ook strategische plannen maken voor de toekomst. Een kapitaalvennootschap kan in tegenstelling tot een natuurlijk persoon niet zelf handelen. 5 Artikel 2:175 BW e.v. 6 Artikel 2:64 BW e.v. 12

14 Een vennootschap is slechts dan gebonden aan derden als een vertegenwoordigingsbevoegde in naam van de vennootschap rechtshandelingen of andere handelingen met rechtsgevolg pleegt. Uit het feit dat het bestuur de taak heeft de dagelijkse gang van zaken te leiden, volgt dat ze bevoegd zijn om dit te doen. Het bestuur en in beginsel iedere bestuurder afzonderlijk zijn dan ook bevoegd de vennootschap ten opzichte van derden te vertegenwoordigen. Het bestuur wordt benoemd door de ava, 7 tenzij de vennootschap een structuurvennootschap is. Structuurvennootschappen zijn de grotere vennootschappen, gemeten naar de hoogte van het balanskapitaal en het aantal werknemers. 8 De algemene vergadering van aandeelhouders neemt vooral beslissingen op het gebied van de structuur van de vennootschap. Het bestuur en de ava hebben autonome bevoegdheden en mogen niet op elkaars terrein komen. Aan de aandeelhouders behoren alle bevoegdheden toe die niet zijn toegekend aan het bestuur (of aan anderen). Het bestuur is autonoom in de zin dat het van geen ander orgaan concrete instructies hoeft te aanvaarden. 9 Als het uit de statuten blijkt, mag de ava wel aanwijzingen geven op de algemene lijnen van het te voeren beleid, 10 maar specifieke instructies zijn niet toegestaan. Wel kan in de statuten worden opgenomen dat voor bepaalde besluiten van het bestuur de ava toestemming moet geven. De Raad van Commissarissen is een ander orgaan dat deel uit kan maken van de organisatie van een kapitaalvennootschap. Een Raad van Commissarissen kan vrijwillig worden ingesteld, maar is verplicht voor zogenaamde structuurvennootschappen. De belangrijkste taken van de Raad van Commissarissen is het gegeven van advies aan het bestuur en het toezicht houden op datzelfde bestuur. De Raad van Commissarissen functioneert niet alleen in het belang van de aandeelhouders, maar in het belang van de vennootschap als geheel en de met haar verbonden onderneming. Naast het houden van toezicht en het geven van advies geeft de wet de Raad van Commissarissen een aantal specifieke bevoegdheden. Zo is de Raad van Commissarissen te allen tijde bevoegd bestuurders te schorsen. 11 Een andere belangrijke bevoegdheid is dat de Raad van Commissarissen in gevallen waarin de vennootschap een tegenstrijdig belang heeft met één of meerdere bestuurders de vennootschap vertegenwoordigd. De leden van de Raad van Commissarissen worden benoemd door de algemene vergadering 12 of in het geval van een structuurvennootschap ook door de algemene vergadering, maar op voordracht van de Raad van Commissarissen zelf. 13 Het belangrijkste verschil tussen een bv en een nv heeft te maken met de overdraagbaarheid van de aandelen. In de statuten van de bv moet zijn opgenomen dat de aandelen niet vrij overdraagbaar zijn (een blokkeringsregeling 14 ); in de statuten van 7 Artikel 2:132 en 2:242 BW. 8 Artikel 2:162 en 2:272 BW. 9 Dit is voor het eerst bevestigd door de Hoge Raad in het Forumbank- arrest, HR 21 januari 1955 (NJ 1959, 43). In dit arrest wees de Hoge Raad dat de algemene vergadering de bij de wet en de statuten getrokken grenzen harer bevoegdheid niet mag overschrijden. In case bepaalde de ava dat het bestuur van een nv een aanzienlijk pakket eigen aandelen moest inkopen van betrokken aandeelhouders. Ook in het recht van die tijd lag de bevoegdheid tot inkoop van eigen aandelen, behoudens statutaire afwijking, bij het bestuur. Aangezien er geen afwijkende regeling was, had de ava zich op het terrein begeven van het bestuur. Het besluit van de ava was nietig. 10 Artikel 2:129 lid 3 BW. 11 Artikelen 2: 147 en 2:257 BW. 12 Artikelen 2:140 en 2:250 BW. 13 Artikelen 2:158 en 2:268 BW. 14 Artikelen 2:195 en 2:87 BW. 13

15 de nv mag dit zijn opgenomen. Voor de bv geldt een minimum geplaatst en gestort kapitaal van ; dit bedrag is voor de nv De wetgever heeft bij de totstandkoming van de bv de artikelen voor de nv nagenoeg overgeschreven. De keuze voor de rechtsvorm van de nv wordt per definitie gemaakt in het geval van beursvennootschappen; een blokkeringsregeling druist natuurlijk in tegen het concept van beurshandel. Voor niet- beursgenoteerde vennootschappen kan de keuze voor de rechtsvorm van de nv ook gelegen zijn in het feit dat van de naam van de naamloze vennootschap meer status afstraalt en minder geassocieerd wordt met middenstanders die vaak de bv- vorm hanteren. Dit zal ook de reden zijn dat er in de Memorie van Toelichting op de Wet VRD slechts gesproken werd over een discussie tussen de rechtsvormen van de stichting en de naamloze vennootschap. Ik ga er vanuit dat men hier nog steeds hetzelfde over denkt en zal daarom in het vervolg slechts spreken over de mogelijkheid van een museale nv. De stichting 15 is in het Nederlandse recht een rechtspersoon met een zelfstandig vermogen, die dat vermogen aanwendt om een bepaald (maatschappelijk) doel te verwezenlijken. Dit maakt de stichting met name geschikt voor zogenaamde non- profit organisaties. De non- profitsector is niet op het maken van winst gericht, maar ondersteunt private of publieke zaken in het realiseren van maatschappelijke, niet- commerciële doelen. Dit wil niet zeggen dat de rechtsvorm van de stichting ook niet gebruikt kan worden voor ondernemingsactiviteiten die eventueel winst zouden maken. Een zeer belangrijk verschil met de kapitaalvennootschappen is dat de stichting een zelfstandige entiteit is. De zelfstandigheid schuilt in de feiten dat in principe 16 niemand aanspraak kan maken op het vermogen van een stichting en dat derden geen zeggenschap hebben over dit vermogen. Er is immers geen eigenaar van het vermogen, in tegenstelling tot bij de kapitaalvennootschappen. De aanwas van het vermogen van een stichting zal moeten worden aangewend om het doel van de stichting te realiseren. In tegenstelling tot bij de kapitaalvennootschappen stelt de wet weinig vereisten ten aanzien van de organisatie van een stichting. Een stichting heeft geen eigenaren of leden 17 en heeft dan ook geen algemene vergadering. Het enige verplichte orgaan van een stichting is het bestuur. 18 Als enig orgaan is het bestuur dan ook belast met alle taken die nodig zijn om de doelstellingen van de stichting te verwezenlijken. De wet verplicht niet de instelling van een toezichthoudend orgaan binnen de organisatie van een stichting. De wet bepaalt de basisprincipes van de stichting en laat veel ruimte open voor het inrichten van de organisatie van een stichting via de statuten. In principe is het bestuur geen verantwoording schuldig aan anderen, tenzij de statuten anders bepalen. In de statuten van de stichting kan dus worden opgenomen dat er een Raad van Commissarissen of een Raad van Toezicht wordt ingesteld. De mate van toezicht op het bestuur kan vanwege de statuten op een zeer laag niveau zijn, 19 maar kan ook veel verder gaan dan bij de kapitaalvennootschappen. 15 Zie Titel 6 van Boek 2 BW. 16 Statuten kunnen op bepaalde punten anders bepalen. 17 Artikel 2:285 BW. 18 Artikel 2:291 BW. 19 Omdat een stichting in principe geen orgaan heeft die de taak heeft het bestuur te controleren heeft de wetgever het openbaar ministerie en de rechtbank bevoegdheden gegeven ter controle van het bestuur. De artikelen 2:297 en 14

16 De wet zegt dat de statuten de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders moeten bepalen. 20 Er kan creatief worden omgegaan met de wijze van benoeming van het bestuur. Men denke dan aan coöptatie, waarbij het bestuur zelf nieuwe bestuursleden benoemt, of benoeming van het bestuur door een bij de statuten ingesteld orgaan of benoeming van het bestuur door derden. 2.2 De verzelfstandiging van de Rijksmusea Uit de resultaten van een onderzoek van de Algemene Rekenkamer uit 1988 naar het functioneren van de rijksmusea bleek dat het toenmalige bedrijfsmodel niet voldeed. Op dat moment waren de rijksmusea een rijksdienst binnen het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC). De bedrijfsvoering van de musea bleek ernstig te worden belemmerd door alle wetten, regelgeving en voorschriften die golden voor de musea als rijksdienst. Door deze belemmeringen konden de rijksmusea niet zelfstandig opereren wat leidde tot een ondoelmatige en inefficiënte uitvoering van de museale activiteiten. In het politieke debat werd steeds vaker de wens gehoord om de rijksmusea te verzelfstandigen. Verzelfstandiging geeft de museale instellingen de ruimte voor cultureel ondernemerschap, 21 aldus minister d Ancona. Er werd uiteindelijk door de wetgever besloten de 21 rijksmuseale diensten 22 te scheiden van het ministerie van WVC. Het proces van verzelfstandiging is zeer voorzichtig begonnen. In de eerste fase werd onderzocht of er wel of niet verzelfstandigd moest worden en als dit wel zou moeten gebeuren hoe en onder welke voorwaarden dit zou plaatsvinden. Uiteindelijk werd in 1989 besloten dat de musea inderdaad verzelfstandigd moesten worden en dat deze verzelfstandiging zou moeten voldoen aan een aantal randvoorwaarden. Gebleken was dat het plan niet alleen positieve reacties teweeg had gebracht. Volgens berichten 23 in de pers zou het Rijk van zijn kunstschatten afwillen, men vreesde voor het welzijn van de gebouwen (als cultureel erfgoed) als deze niet meer in rijkseigendom zouden blijven en het personeel van de rijksmusea was ontevreden omdat ze hun status als rijksambtenaar zouden verliezen. Ook vermoedden sommigen dat het hele proces een verkapte bezuinigingsronde zou zijn. In het proces van de verzelfstandiging is men uiteindelijk uitgegaan van de volgende randvoorwaarden: 1. De collecties, waarvan het Rijk de eigenaar is, of die aan de zorg van het Rijk zijn toevertrouwd (bijvoorbeeld de collectie van de Vincent van Gogh Stichting in het Rijksmuseum Vincent van Gogh Museum), zullen niet vervreemd noch bezwaard worden. 2:298 BW geven het openbaar ministerie en de rechtbank bevoegdheden in te grijpen als blijkt dat de statuten door het stichtingsbestuur niet correct worden nageleefd. De rechtbank kan bestuurders onder meer schorsen en ontslaan. 20 Artikel 2:286 lid 4c BW. 21 Dit citaat is te vinden in het voorwoord van het rapport van het ministerie van WVC Verzelfstandiging Rijksmusea c.a., samengesteld door W. Bloemberg. 22 Zie Bijlage 1 voor een volledige overzicht van alle verzelfstandigde rijksmuseale diensten. 23 Dit citaat is te vinden in het voorwoord van het rapport van het ministerie van WVC Verzelfstandiging Rijksmusea c.a., samengesteld door W. Bloemberg. 15

17 2. De gebouwen, die tot het nationale culturele erfgoed behoren (bijvoorbeeld het Rijksmuseum), blijven in rijkseigendom. 3. De minister blijft verantwoordelijk voor de bekostiging van museale functies. 4. Het zittend personeel gaat over met behoud van rechten en gaat er in nettosalaris niet op achteruit. 5. De verzelfstandigingsoperatie moet budgettair neutraal worden uitgevoerd. In de tweede fase werd onderzocht of er intern (onder de vleugels van het ministerie) of extern verzelfstandigd zou moeten worden. Een aantal musea deed mee aan een proef waarin ze de grootst mogelijke zelfstandigheid kregen. Men kwam tot de conclusie dat externe verzelfstandiging de beste optie was. In de derde fase werd bepaald welke vorm van externe verzelfstandiging gekozen zou worden. Drie vormen kwamen hiervoor in aanmerking: zelfstandig bestuursorgaan, stichting of naamloze vennootschap. Men koos zoals bekend voor de vorm van de stichting. Uiteindelijk werd op 24 juni 1993 de Wet Verzelfstandiging Rijksmuseale Diensten in het Staatsblad gepubliceerd. Deze wet machtigde de minister tot het oprichten van stichtingen als rechtsopvolgers van de 21 rijksmuseale diensten. Het privaatrechtelijke beheer van de rijkseigendommen (de collectie en de gebouwen) bleef bij de minister van WVC. 24 Op 1 juli 1994 werden de eerste rijksmusea verzelfstandigd. De rest van de musea volgde in de loop van 1994 en Het belangrijkste kenmerk van de nieuwe situatie ten opzichte van de oude situatie van rijksmusea als overheidsdienst was dat het ministerie geen bemoeienis meer had met de interne gang van zaken binnen de rijksmusea. Dit werd de verantwoordelijkheid van het bestuur, dat gecontroleerd wordt door een Raad van Toezicht. De wet stelt weinig verplichtingen ten aanzien van het bestuursmodel dat een stichting moet voeren. In beginsel geniet het bestuur van een stichting een zeer grote vrijheid. Dit was niet wenselijk gezien de grote waarde van de in beheer gegeven collecties, het grote aandeel van de rijksfinanciën in het totaal van de inkomsten van de betrokken instellingen en de prominente positie die de voormalige rijksmusea innemen in de museale infrastructuur. In de statuten van de rijksmuseale stichtingen is hierin voorzien. Er is dan ook gekozen voor de het zogenaamde commissarissenmodel als bestuursstructuur. Dit model lijkt erg op het wettelijke systeem voor de kapitaalvennootschappen. Het commissarissenmodel is vastgelegd in de statuten van de verzelfstandigde rijksmusea. 25 In het model is er sprake van een bestuur en van een Raad van Toezicht. Het bestuur (of in de statuten: de directie) is belast met het besturen van de stichting en vertegenwoordigt de stichting. De Raad van Toezicht benoemt, schorst en ontslaat de directie, nadat hij de minister gehoord heeft. De Raad van Toezicht wordt benoemd door de minister op voordracht van de Raad zelf. Om afstand te houden tussen het ministerie en het museum kunnen ambtenaren van het ministerie geen lid worden van de Raad van Toezicht. De minister kan leden van de Raad ook schorsen en ontslaan. Verder heeft de 24 Zie artikel 4 van de Wet VRD: Onze Minister is belast met het privaatrechtelijk beheer van de museale verzamelingen of museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat dan wel aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd. 25 De modelstatuten, zoals deze gebruikt zijn voor vaststellen van de statuten van de verzelfstandigde rijksmusea,zijn te vinden in Bijlage 2. 16

18 Raad voor een aantal specifieke soorten besluiten nog een bijzonder recht; deze besluiten moeten worden goedgekeurd door de Raad van Toezicht. Dit geldt dan met name voor besluiten op financieel gebied en voor besluiten die grote interne veranderingen teweeg zouden brengen. Voor elke voormalige rijksmuseale instelling is statutair een doel vastgelegd. Dit doel verschilt vanzelfsprekend voor iedere instelling. Wanneer in het doel het begrip museum is opgenomen, wordt verwezen naar de ICOM- definitie. Ook is in de doelomschrijving te vinden, dat de voormalige rijksmusea niet gericht zijn op het maken van winst. Een andere interessante bepaling is overigens dat bij liquidatie van de stichting het positieve saldo uitgekeerd wordt aan de Staat der Nederlanden. De gebouwen en de collectie van de voormalige rijksmusea bleven in eigendom van de Staat en gingen niet over op de nieuwe stichtingen. De stichtingen werden vanaf het moment van verzelfstandiging beheerder van de collectie. Het Rijk heeft de collectie in individuele beheersovereenkomsten met de nieuwe museale stichtingen voor een periode van 30 jaar in beheer gegeven. 26 De gebouwen waar de musea in gevestigd waren, werden vanaf toen gehuurd van de Staat. Het overgrote deel, maar niet alle kunst die in het bezit is van de voormalige rijksmusea is eigendom van het rijk. De voormalige rijksmusea hebben kunstvoorwerpen van de Staat in beheer. Het museum is als beheerder van de collectie wel belast met het onderhoud en restauratie van de collectie. Niet al de kunst die staatseigendom is, is ondergebracht bij de voormalige rijksmusea. Het Instituut Collectie Nederland (ICN) beheert het deel van de rijkscollectie dat niet is ondergebracht bij de voormalige rijksmusea, maar bijvoorbeeld in ministeries of ambassades is te aanschouwen. Een ander deel van de collectie is in bruikleen gegeven door particulieren of door een ander overheidsorgaan. 27 Een voorbeeld van bruikleen van een ander overheidsorgaan is het schilderij De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh, alias De Nachtwacht. De gemeente Amsterdam heeft dit wereldberoemde kunstwerk in langdurig bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum te Amsterdam. Een ander deel van de collectie is, vaak onder last, gelegateerd of geschonken aan de stichting. Verder zijn er dan ook nog kunstwerken waarvan de eigenaar onbekend is. De aankoop van nieuwe stukken door de voormalige rijksmusea is volgens Van der Vlies (2009) een schimmige situatie. De directies van de voormalige rijksmusea hebben een volmacht gekregen om namens de Staat aankopen te doen. Aankopen die in die hoedanigheid gedaan worden door de voormalige rijksmusea worden dan direct eigendom van de Nederlandse Staat. De musea mogen ook schenkingen en legaten accepteren in naam van de Staat. Als de museale stichtingen vervolgens een werk aankopen, gebeurt dit juridisch gezien in eigen naam. De Erfgoedinspectie beslist dan jaarlijks samen met de musea of de Staat eigenaar wil worden van het aan te kopen werk. Gelden voor de aankoop kunnen afkomstig zijn van het Rijk, van andere particulieren partijen of kunnen uit eigen middelen komen. Na de aankoop schenkt het 26 Zie de modelbeheersovereenkomst die behoort tot het Protocol van Overdracht met betrekking tot de Verzelfstandiging van het Museum. Dit protocol is tot stand gekomen bij de invoering van de Wet Verzelfstandiging Rijksmuseale diensten. 27 Van der Vlies (2009). 17

19 museum het werk aan de Staat. De Staat accepteert deze schenking niet uitdrukkelijk, maar de acceptatie is op te maken uit de lijsten van kunstvoorwerpen in de collectie die de Erfgoedinspectie bijhoudt. Naast het verwerven van nieuwe kunstvoorwerpen kunnen musea hun collectie profileren door het afstoten 28 van werken uit de collectie. Vanwege de vele soorten eigendomstitels van de kunstvoorwerpen die in het bezit zijn van de museale stichting, moet goed worden gekeken wie de daadwerkelijke eigenaar is van het werk. Wanneer een rijksmuseum of de Staat zelf een werk wil afstoten, dienen regels in acht te worden genomen van de Leidraad Afstoting Museale Objecten (Lamo) die is opgesteld door het ICN in samenwerking met de Vereniging van Voormalige Rijksmusea en de Nederlandse Museumvereniging (NMV). Deze leidraad bindt de voormalige rijksmusea als een zelfregulerend instrument en is dus ook geen afspraak in het kader van de beheersovereenkomst tussen de Staat en de voormalige rijksmusea. Volgens de Leidraad moet een voor afstoting geselecteerd object eerst worden aangeboden aan andere (voormalige rijks- ) musea om eventueel herplaatst te worden. Het is bij de overdracht van een object tussen twee musea niet toegestaan dat hiervoor betaald wordt. Pas als er geen belangstelling is voor het object bij andere musea, mag het object vervreemd worden buiten de museumsector. De opbrengst van de verkoop mag vervolgens uitsluitend worden besteed aan verbetering van de kwaliteit van de bestaande collectie. Hiermee wordt behalve het aankopen van nieuwe objecten ook de actieve conservering en restauratie kunstvoorwerpen uit de collectie bedoeld. De gebouwen waarin de voormalige rijksmusea zijn gevestigd, worden beheerd door de Rijksgebouwendienst. De Rijksgebouwendienst is een agentschap van het ministerie van VROM en de minister voor Wonen, Wijken en Integratie draagt hiervoor de verantwoordelijkheid. De musea betalen uit hun eigen begroting een huursom aan de Rijksgebouwendienst. Eventuele verbouwingen en het onderhoud wordt betaald door de Rijksgebouwendienst. 2.3 Verzelfstandiging tot stichting of nv Begin jaren 90 is de discussie al gevoerd of het wellicht niet beter zou zijn als de voormalige rijksmusea de rechtsvorm van de naamloze vennootschap zouden aannemen in plaats van die van de stichting. Toentertijd is er uiteindelijk gekozen voor de rechtsvorm van de stichting. Die keuze is tegengesteld aan de centrale stelling in deze scriptie. Het is dan ook interessant om te zien welke overwegingen ten grondslag lagen aan deze keuze. De minister noemde 29 in het overleg met de Tweede Kamer voorafgaand aan de totstandkoming van de verzelfstandigingswet de volgende voordelen voor de vorm van de nv: de nv- vorm is bij uitstek toegesneden op ondernemend gedrag; de positie van het bestuur is wettelijk verankerd; de Staat heeft als aandeelhouder rechtstreeks zeggenschap over het vermogen. 28 Het ruilen, verkopen of vernietigen van een kunstvoorwerp uit een museale collectie wordt afstoting genoemd. 29 Deze opsomming volgt uit het rapport van het ministerie van WVC Verzelfstandiging Rijksmusea c.a., samengesteld door W. Bloemberg. 18