De toepassing van artikel 31 Wet OB bij vastgoedtransacties

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "De toepassing van artikel 31 Wet OB bij vastgoedtransacties"

Transcriptie

1 De toepassing van artikel 31 Wet OB bij vastgoedtransacties Door: drs. P.W.C. Hoezen januari 2007

2 Inleiding 2 1. De quasi-ondernemer De Zesde Richtlijn De Wet OB Doel en strekking Artikel 31 Wet OB De Zesde Richtlijn De Wet OB Doel en strekking Vereisten artikel 31 Wet OB Gevolgen toepassing artikel 31 Wet OB Toepassing artikel 31 Wet OB bij quasi-ondernemer Relevante jurisprudentie Hoge Raad 4 februari Zita Modes Sarl Hof Arnhem 3 mei Conclusie AG de Wit Onderscheid echte / quasi-ondernemer terecht? Conclusie Algemeenheid van goederen Zita Modes Sarl Interpretatie Zita Modes Sarl Nederlandse Jurisprudentie Jurisprudentie vóór Zita Modes Sarl Jurisprudentie ná Zita Modes Sarl Algemeenheid van goederen bij vastgoedtransacties? 24 Beantwoording probleemstelling. 26 Literatuurlijst. 28 1

3 Inleiding Vastgoedbeleggers behaalden de afgelopen jaren hoge rendementen. Beleggen in onroerend goed (vastgoed) heeft de afgelopen jaren dan ook sterk aan populariteit gewonnen. Beleggen in vastgoed kan op diverse manieren. In de eerste plaats kan men indirect beleggen in vastgoed, doormiddel van vastgoedbeleggingsfondsen. Iets wat de laatste jaren erg populair is, is het beleggen in vastgoed via vastgoed-cv's. In de tweede plaats kan men natuurlijk ook direct in vastgoed beleggen, door zelf panden aan te kopen, deze op te knappen, te verhuren en te verhandelen. Voor de ondernemende vastgoedbelegger is direct beleggen in vastgoed natuurlijk het spannendst. Het klinkt toch mooi: je koopt een oud, vervallen pandje, knapt het mooi op en verhuurt het vervolgens tegen een aantrekkelijke prijs. Eén pand worden er twee, drie, enzovoort, na verloop van tijd kan zelfs gesproken worden van hele portefeuille. Na verloop van tijd doet de mogelijkheid zich voor om een gedeelte (of slechts één) van de panden met een aardige winst te verkopen. Een geboren zakenman zal zo n kans zeker niet laten schieten. Op het moment dat iemand besluit één (of meerdere) pand(en) eventueel inclusief huurcontracten te verkopen zal er ook rekening gehouden moeten worden met de btwconsequenties van een dergelijke transactie. Bij een btw-adviseur zullen er dan ook tal van belletjes gaan rinkelen. Aandachtspunten zijn dan veelal: betreft het oud dan wel nieuw vastgoed 1, zijn er nog lopende herzieningsperioden 2, is het verstandig te opteren voor een btw-belaste levering 3 en wat zijn de gevolgen van een eventueel btwvrijgestelde levering. 4 Om vanuit een btw-perspectief een dergelijke verkoop van een onroerend goed te vereenvoudigen, kan de toepassing van artikel 31 Wet op de Omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) mogelijk van belang zijn. 5 De toepassing van de tegemoetkoming van artikel 31 Wet OB zou een vastgoedtransactie zoals hierboven genoemd mogelijk kunnen vereenvoudigen. Echter, de praktijk leert dat de vraag of artikel 31 Wet OB ook daadwerkelijk toepasbaar is op dergelijk transacties, nog niet zo makkelijk te beantwoorden is. De toepassing van artikel 31 Wet OB op vastgoedtransacties heeft tot op heden tot veel discussie geleid, zowel in de literatuur als de jurisprudentie. 1 Artikel 11, lid 1, sub Wet OB. Met nieuw bedoel ik hier een onroerende zaak die zich btw-technisch nog in de zogenaamde bouw en handelsfase (vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming) bevindt. 2 Artikel 13, Uitv.Besch. OB Artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 2 Wet OB juncto artikel 6 Uitv.Besch. OB Artikel 11, lid 1, onderdeel a Wet OB. 5 De regeling van artikel 31 Wet OB was in eerste instantie als optie bedoeld, dat wil zeggen alleen op verzoek van zowel vervreemder als verkrijger kon artikel 31 Wet OB worden toegepast. Vanaf 1 januari 1979 is deze eis vervallen. Mr. J.M.A. de Leeuw (Adjunct-inspecteur van Rijksbelastingen), De ondernemer zonder onderneming! (art. 31 wet OB 1968 en de algemeenheid van goederen), WFR 1988/18. Onder de huidige wetgeving is de toepassing geen optie, artikel 31 Wet OB is van rechtswege van toepassing of niet. 2

4 Om duidelijkheid te krijgen in deze discussie zal ik de volgende vraagstelling gaan beantwoorden; Is artikel 31 Wet OB toepasbaar op de levering van één pand inclusief één lopend huurcontract? Om de bovengenoemde probleemstelling gestructureerd te kunnen beantwoorden zal mijn onderzoek bestaan uit een tweetal deelgebieden die in het kort door twee begrippen kunnen worden samengevat, namelijk het begrip quasi-ondernemer 6 en het begrip algemeenheid van goederen 7. De hieronder geformuleerde deelgebieden (deelvragen) vormen de twee steunpilaren van mijn onderzoek. 1. Is het bij de beoordeling van de toepassing van artikel 31 Wet OB van belang dat de verkoper of koper een ondernemer is in de zin van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB? In de Nederlandse jurisprudentie is tot op heden een aantal maal bevestigd dat artikel 31 Wet OB niet van toepassing kan zijn bij ondernemers die ondernemer zijn op basis van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB. In dit kader is onlangs een conclusie van AG de Wit verschenen naar aanleiding van het beroep in cassatie door de Staatssecretaris van Financiën, tegen de uitspraak van het Hof s-hertogenbosch. 8 AG de Wit is van mening dat de omstandigheid dat de afnemer een ondernemer is als bedoeld in artikel 7, lid 2, sub b Wet OB, er niet aan in de weg hoeft te staan dat sprake is van een algemeenheid van goederen. 9 In mijn onderzoek zal ik in de eerste plaats bekijken hoe in de Nederlandse jurisprudentie de hoedanigheid van de afnemer een rol is gaan spelen in de beoordeling of artikel 31 Wet OB van toepassing is. Vervolgens zal ik aangegeven in hoeverre de Hoge Raad de conclusie van AG de Wit naar mijn mening zou moeten volgen. 2. Kwalificeert de overgang van één beleggingspand inclusief lopend huurcontract als een algemeenheid van goederen? Voor de reikwijdte van de toepassing van artikel 31 Wet OB en dan met name het vereiste dat sprake dient te zijn van een algemeenheid van goederen is in zowel de Nederlandse literatuur als jurisprudentie veel aandacht geweest. Zeker met betrekking tot de overdracht van onroerende zaken. Op Europees niveau heeft het HvJ EG pas in zijn uitspraak van 27 november voor het eerst een nadere invulling gegeven aan de werking van artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn. In het kader van mijn onderzoek zal ik in de eerste plaats de uitspraak van het HvJ EG onder de loep nemen. Vervolgens zal ik proberen te beoordelen in hoeverre de Nederlandse jurisprudentie, die betrekking heeft op de overdracht van één of meerdere onroerende zaken, in lijn is met de uitspraak van het HvJ EG. 6 De exploitatie van een vermogensbestanddeel in de zin van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB wordt in de literatuur ook wel aangeduid als quasi-ondernemerschap. Zie ondermeer A.H.R.M. Denie, De quasi-ondernemer in de omzetbelasting, WFR 1978/995. Ook wordt gesproken van pseudo-ondernemer zie onder meer Mr. P. Tielemans, Art 31 Wet OB 1968, BTW ten onrechte in rekening gebracht en afgetrokken bij overname 7-2-b onderneming?, BtwBrief 2003, nr. 8/9, blz Zoals genoemd in Artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn en artikel 31 Wet OB. 8 Hof s-hertogenbosch, 9 september 2005, nr. 02/1596, VN 2006/11/1/8. 9 Concl. AG de Wit, 13 juli 2006, nr , VN 2006/ HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), VN 2003/

5 1. De quasi-ondernemer. Eén van de belangrijkste en eerste vragen die in het btw-stelsel beantwoord dient te worden voordat daadwerkelijk belastingheffing kan plaatsvinden, is de vraag of sprake is van ondernemerschap. De omzetbelasting is immers een belasting die tot doel heeft om alle consumptieve uitgaven te treffen door een heffing bij de toeleverancier van de consument. 11 De leverancier is derhalve het subject van de btw-heffing bij wie op indirect wijze btw wordt geheven. Op basis van de Nederlands Wet OB zal een persoon die een pand bezit en dit exploiteert in de vorm van verhuur, in principe op basis van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB kwalificeren als een ondernemer. In het onderstaande zal het wettelijke kader en doel en strekking van voornoemd artikel aan de orde komen De Zesde Richtlijn. In de Zesde Richtlijn 12 wordt dit subject beschreven als belastingplichtige. Artikel 4, lid 1 van de Zesde richtlijn luidt: Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of resultaat van die activiteit. Als economische activiteit wordt op basis van artikel 4, lid 2 van de Zesde Richtlijn ook beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen De Wet OB. In de Wet OB wordt dit subject beschreven als ondernemer. Artikel 7, lid 1 Wet OB luidt: ondernemer is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Vervolgens wordt in artikel 7, lid 2 Wet OB het begrip bedrijf nader toegelicht. Onder bedrijf wordt mede verstaan een beroep (sub a) en de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (sub b). De exploitatie van een vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld een onroerende zaak) wordt derhalve gelijkgesteld met een bedrijf. Artikel 7, lid 2, sub b Wet OB is pas met in gang van 1 januari 1979 in de Nederlandse wet opgenomen in verband met de invoering van de Zesde Richtlijn. 13 Het begrip belastingplichtige komt in de Wet OB derhalve niet voor. Het subject voor de btw-heffing wordt in de artikel 7, lid 1 en lid 2 Wet OB aangeduid als de ondernemer. De Hoge Raad 14 heeft geoordeeld dat men ervan moet uitgegaan dat de Nederlandse wetgever bij de totstandkoming van de Wet OB en de aanpassing daarvan aan de Zesde Richtlijn, aan de term ondernemer geen andere betekenis heeft willen toekennen dan toekomt aan de term belastingplichtige in artikel 4 van de Zesde Richtlijn. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat met beide definities dezelfde personen worden getroffen. 11 Mr. dr. M.E. van Hilten en prof. Dr. H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting (fed, fiscale studieserie), Deventer: Kluwer 2005, blz Zesde Richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EG). 13 Bij wet van 28 december 1978, Stb HR, 2 mei 1984, nr , BNB 1984/295. 4

6 1.3. Doel en strekking. Op basis van artikel 4, lid 2 van de Zesde Richtlijn wordt de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijk zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen als economische activiteit beschouwd. Op basis van de toelichting bij het voorstel voor de Zesde Richtlijn komt dit artikel met name voort uit: het streven naar neutraliteit van de belastingheffing. In dit verband kan men wat betreft de onlichamelijke zaken denken aan de exploitatie van auteursrechten, licentierechten, fabrieks- en handelsmerken e.d. en voor wat de lichamelijke zaken betreft aan de verhuur van onroerende goederen. Indien de afnemer van dergelijke prestaties een belastingplichtige is, en dat zal vaak het geval zijn, betekent het niet-bezitten van de hoedanigheid van belastingplichtige door de exploitant inderdaad een cumulatie van heffing van omzetbelasting. In de bedrijfskolom komen dan schakels voor waar het aftrekrecht niet kan worden gerealiseerd. 15 De letterlijke tekst van de tweede volzin van artikel 4, lid 2 van de Zesde Richtlijn geeft naar mijn idee aan dat de exploitatie van een vermogensbestanddeel enkel een specifiek voorbeeld is van de in de eerste volzin van die bepaling bedoelde werkzaamheden die als economische activiteit worden aangemerkt. Er is derhalve geen sprake van een uitbreiding van het begrip economische activiteiten. 16 Door de uitbreiding 17 van artikel 7 Wet OB met lid 2, sub b is er sinds 1 januari 1979 sprake van ondernemerschap bij bijvoorbeeld de verhuur van onroerende zaken. In de Memorie van Toelichting werd deze uitbreiding van het ondernemerschap als volgt benadert: er zal bij de verhuur van goederen eerder sprake zijn van ondernemerschap dan thans het geval is. Met name het onderscheid tussen bedrijfsmatige verhuur en vermogensbeheer zal aan betekenis inboeten. 18 Volgens Bijl is het onderscheid echter vrijwel verdwenen. 19 Ook Denie is de mening toegedaan dat elke verhuurder van onroerend goed al ondernemer is op basis van de Zesde richtlijn. Artikel 7, lid 2, sub b Wet OB is slechts toegevoegd om de Wet OB beter te laten aansluiten bij de Zesde Richtlijn. 15 Zie ook D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting (Fiscale monografieën), blz. 81, Deventer: Kluwer Zie ook Prof.dr. B.G. van Zadelhoff, Belastingplichtige in de btw (fed fiscale brochures), Deventer: Kluwer 1999, blz. 24 en Van Hilten in haar noot bij Hoge Raad 29 april 1992, nr , FED 1992/ Zoals velen in de literatuur ben ik van mening dat het hier geen uitbreiding betreft van het ondernemersbegrip, maar slechts een voorbeeld daarvan. Zie ondermeer Mr. dr. M.E. van Hilten en prof. Dr. H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting (fed, fiscale studieserie), Deventer: Kluwer 2005, blz MvT, Kamerstukken II 1977/78, , blz. 18 en D.B. Bijl, De quasi-ondernemer in de omzetbelasting (Van Dijck-bundel), Deventer: 1988, blz

7 2. Artikel 31 Wet OB. Zoals eerder aangegeven zal in mijn onderzoek de vraag centraal staan in hoeverre artikel 31 Wet OB van toepassing is op een vastgoedtransactie waarbij slechts één pand inclusief een lopend huurcontract overgaat op een nieuwe eigenaar. In dit kader lijkt het mij zinvol om eerst het wettelijke kader en doel en strekking van artikel 31 Wet OB te schetsen De Zesde Richtlijn. Het Nederlandse artikel 31 Wet OB is gebaseerd op artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn ( kan-bepaling ) waarin de lidstaten de volgende mogelijkheid wordt geboden: De Lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. De Lidstaten kunnen in een voorkomend geval de nodige maatregelen treffen om concurrentievervalsing te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan niet volledig belastingplichtig is. Artikel 5, lid 8 van de Zesde richtlijn is van toepassing bij de overgang van een geheel of gedeelte van een algemeenheid van goederen. Zo wordt aan de lidstaten de mogelijkheid geboden om de overdracht van een algemeenheid van goederen én diensten buiten de heffing van de btw te houden. Artikel 6, lid 5 van de Zesde Richtlijn bepaalt dat het verklaarde in artikel 5, lid 8 van overeenkomstige toepassing is op diensten De Wet OB. Artikel 5, lid 8 en artikel 6, lid 5 van de Zesde Richtlijn zijn in de Nederlandse wetgeving gecombineerd opgenomen in artikel 31 Wet OB. De Nederlandse Wet beschikte al voor de implementering van de Zesde Richtlijn over een artikel waarin de overdracht van een onderneming werd behandelt. 21 Uit artikel 31 Wet OB bleek dat bij de overdracht van een onderneming of een deel daarvan aan degene die de onderneming of een deel daarvan voortzet, ter zake van de leveringen en diensten welke die overdracht vormen geen omzetbelasting wordt geheven. Anders dan in de Zesde Richtlijn werd in de Nederlandse Wet gesproken van de overdracht van een onderneming of een deel daarvan. 20 In het vervolg ga ik er vanuit dat beide regelingen in samenhang moeten worden gelezen. Zie ook D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse Omzetbelasting, blz. 88, Deventer: Kluwer Artikel 30 Wet op de omzetbelasting 1954 en later artikel 31 Wet op de omzetbelasting

8 In dit kader heeft de Hoge Raad echter beslist dat aangenomen moet worden dat de wetgever, door het zonder toelichting handhaven in ongewijzigde vorm van artikel 31 Wet OB per 1 januari 1979, de bedoeling had uitvoering te geven aan artikel 5, lid 8 van de Zesde richtlijn op een wijze die materieel geen ander resultaat oplevert dan de letterlijke overneming van de bewoordingen van de Zesde Richtlijn. Derhalve lijkt het zo te zijn dat de wetgever in ieder geval heeft bedoeld aan een onderneming in de zin van artikel 31 Wet OB dezelfde betekenis te geven als aan een algemeenheid van goederen. 22 Per 24 juni is artikel 31 Wet OB vervangen en wordt de tekst van de Zesde Richtlijn bijna één op één overgenomen. Sindsdien luidt de tekst van artikel 31 Wet OB als volgt: Bij de overdracht van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager Doel en strekking. De faciliteit in artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn wordt gecreëerd doordat lidstaten bij de overdracht van een algemeenheid van goederen zich op het standpunt kunnen stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden. Uit de toelichting van de Commissie bij het voorstel van de Zesde Richtlijn 24 blijkt dat artikel 5, lid 8 in de eerste plaats is bedoeld ter administratieve vereenvoudiging. Een ondernemer hoeft niet per afzonderlijke levering of dienst te beoordelen wat de exacte btw-gevolgen zijn. Ten tweede wordt zo de financiële positie van met name de overnemende onderneming niet te zwaar belast. Indien de overnemer een aftrekgerechtigde ondernemer is, is het voordeel met name cash-flow technisch van aard. Indien artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn immers niet van toepassing zou zijn, kan de overnemer de over de leveringen en diensten verschuldigde btw in vooraftrek brengen. Indien de overnemer echter een beperkt aftrekgerechtigde ondernemer is, bestaat het voordeel uit een daadwerkelijke verlaging van de kosten (niet aftrekbare btw). 22 Zie ook D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting (Fiscale monografieën), blz. 81, Deventer: Kluwer Bij Wet van 17 juni 1998, Stb Vgl. de toelichting op het Voorstel voor een Zesde richtlijn, gepubliceerd in VN 15 september 1973, nr. 18A. 7

9 Het bovengenoemde wordt in het arrest van het Hof van Justitie EG van 27 november 2003 nogmaals bevestigd 25 : ( ) dat deze bepaling ertoe strekt de lidstaten in staat te stellen de overdrachten van ondernemingen of delen daarvan te vergemakkelijken, door ze te vereenvoudigen en te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan, nu hij deze belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de als voorbelasting betaalde btw. Een gedachte die het HvJ EG hier niet naar voren brengt, maar die wel ten grondslag ligt aan de Nederlandse regeling, is dat bij de overdracht van een onderneming of een deel daarvan, geen goederen dichter bij de consument komen of diensten aan hem worden verricht. 26 De onderneming blijft ongewijzigd, er treedt alleen een wijziging van de ondernemer op. De achterliggende gedachte van de regeling is dat in feite door de overdracht of overgang slechts geruisloze verschuivingen plaatsvinden binnen de (horizontale) bedrijfskolom Vereisten artikel 31 Wet OB. Wil de overdracht van goederen vallen onder de toepassing van artikel 31 Wet OB dan dient er in de eerste plaats sprake te zijn van een algemeenheid van goederen. De invulling van het begrip algemeenheid van goederen komt in hoofdstuk 4 nog uitgebreid aan de orde. Een tweede vereiste waaraan voldaan moet worden wil artikel 31 Wet OB van toepassing zijn, is het zogenaamde voortzettingsvereiste. De Nederlandse regelgeving stelde tot 24 juni 1998 de eis dat wanneer de ondernemer aan wie de onderneming of een zelfstandig gedeelte daarvan werd overgedragen, de onderneming of het zelfstandige deel in ongewijzigde vorm (identiek of nagenoeg identiek) voortzette. Dit zogenaamde voortzettingsvereiste is vervolgens bij wetswijziging van 24 juni 1998 geschrapt uit artikel 31 Wet OB. 28 Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever van mening was dat voortzetting op basis van de Zesde Richtlijn, geen vereiste was voor de toepassing van artikel 31 Wet OB. 29 Derhalve werd per 24 juni 1998 de Wet meer in overeenstemming gebracht met de Zesde Richtlijn. Vanaf die datum was voortzetting geen vereiste meer voor de toepassing van artikel 31 Wet OB. Dit betekende voor de Nederlandse praktijk een verbreding van het toepassingsbereik van de regeling. Echter, naar aanleiding van de reeds aangehaalde zaak van het HvJ EG van 27 november 2003, bleek deze verbreding van korte duur te zijn. 25 HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), r.o. 39, VN 2003/ Mevr. mr. M.M.W.D. Merkx, Modewereld nu ook verantwoordelijk voor de trends in de BTW: De reikwijdte van artikel 31 Wet OB 1968 na Zita Modes, MBB 2005/ S.T.M. Beelen, K.M. Braun, O.L. Mobach, R.N.G. van der Paardt en D.G. van Vliet, Cursus Belastingrecht (Omzetbelasting) onderdeel , Deventer: Gouda Quint. Zie ook Drs. R.M.J.M. Keijsers, De overdracht van een onderneming, geruisloos? (artikel 31 Wet OB), WFR 1985/ Bij wetswijziging van 17 juni 1998, Stb Kamerstukken II 1997/98, , nr. 15, p.15. 8

10 Het HvJ EG overwoog in deze zaak namelijk het volgende: 30 ( ) dat deze bepaling doelt op de overdrachten waarbij de verkrijger de bedoeling heeft om de handelszaak of het overgedragen bedrijfsonderdeel te exploiteren, en niet om de betrokken activiteit onmiddellijk zonder meer te vereffenen en in voorkomend geval de voorraden te verkopen. Het HvJ EG benoemt in deze rechtsoverweging dan wel niet expliciet het voortzettingsvereiste, maar beschrijft het eerder als een gevolg van het feit dat geen levering geacht wordt plaats te vinden. Van Norden omschrijft het als de voorzettingseis is als het ware intrinsiek aan het niet-leveringsbeginsel. 31 In de literatuur wordt op basis van deze rechtsoverweging wel gesproken van een herintroductie van het voortzettingsvereiste in Nederland. Anderzijds zou gesteld kunnen worden dat belastingplichtigen met een beroep op de wetshistorie van de wetswijziging van 24 juni 1998, in Nederland niet dienen te voldoen aan het voortzettingsvereiste. Sindsdien wordt dit vereiste immers niet meer expliciet genoemd. Deze benadering is naar mijn idee echter te beperkt, aangezien het voortzettingsvereiste een gevolg is van het feit dat geen levering geacht wordt plaats te vinden. De overdracht van een onderneming impliceert voortzetting. In het vervolg ga ik er vanuit dat artikel 31 Wet OB een voortzettingsvereiste omvat dat noodzakelijk is om deze regeling van toepassing te laten zijn Gevolgen toepassing artikel 31 Wet OB. Indien een onderneming wordt overgedragen verricht de overdrager tal van leveringen en diensten. Bij een dergelijke overdracht kunnen bijvoorbeeld voorraden, inventaris, panden, maar ook het klantenbestand en vergunningen overgaan op de koper. In principe zou voor elke individuele overgang beoordeelt moeten worden in hoeverre de levering en diensten relevant zijn vanuit een btw-perspectief. Een dergelijke benadering heeft naast administratieve consequenties (factureren met berekening van btw) ook financiële consequenties (voorfinanciering van btw) voor zowel de overdrager als de overnemer. Zoals reeds aangegeven zijn dit nu juist twee argumenten geweest om artikel 5, lid 8 van de Zesde richtlijn respectievelijk artikel 31 Wet OB te implementeren. In deze artikelen is bepaald dat bij de overdracht van een algemeenheid van goederen geen leveringen van goederen (en diensten) plaatsvindt, waardoor er geen btw wordt geheven over de desbetreffende leveringen en diensten. De leveringen en diensten worden als het ware niet gezien voor de omzetbelasting. In artikel 8 Uitvoeringsbeschikking OB 1968 is bepaald dat degene op wie de goederen overgaan in de plaats treedt van de overdrager HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), r.o. 44, VN 2003/ Mr. G.J. van Norden, Algemeenheid van goederen in de BTW weer op de agenda, WFR 2004/ Artikel 8 Uitv.besch. OB 1968 is gebaseerd op artikel 5, lid 8 Zesde Richtlijn. 9

11 In de literatuur wordt ook wel gesproken van een doorschuiffaciliteit of een geruisloze overdracht 33 in de omzetbelasting. Dit betekent in zijn algemeenheid dat alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de berekening van de omzetbelasting in zijn geheel overgaan op de overnemer. Meer specifiek met betrekking tot de overdracht van onroerende zaken betekent dit dat de nog lopende herzieningstermijnen overgaan op de overnemer. Er dient derhalve niet per pand beoordeelt te worden in hoeverre de overdrager herzienings-btw is verschuldigd. 34 Daarnaast dienen geen opties tot een btw-belaste levering 35 te worden ingediend bij de belastingdienst. In de literatuur wordt overigens de discussie gevoerd in hoeverre de 'geruisloze' overdracht gevolgen heeft op de belaste verhuur waarvoor bij optie geopteerd is. 36 Er vindt immers een verandering in de persoon van de verhuurder en/of de huurder plaats. Op basis van het bovenstaande blijkt dat artikel 31 Wet OB (ook) bij vastgoedtransacties mogelijk kan leiden tot een sterke vereenvoudiging van de transactie. In het vervolg van mijn onderzoek zal ik gaan beoordelen in hoeverre artikel 31 Wet OB ook daadwerkelijk kan worden toegepast bij vastgoedtransacties. 33 Prof. Mr. J. Reugebrink, bewerkt door prof. Dr. M.E. van Hilten. Omzetbelasting (fed, fiscale studieserie), Deventer: Kluwer 1997, blz Artikel 11 t/m 14 Uit.besch. OB Artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 2 Wet OB juncto artikel 6 Uit.Besch. OB M.E. van Hilten, 'Doorlopende' optie voor belaste verhuur, BtwBrief 1993, nr. 3, blz

12 3. Toepassing artikel 31 Wet OB bij quasi-ondernemer. Zoals in de inleiding reeds aangegeven heeft de Hoge Raad tot op heden een aantal maal bevestigd dat de hoedanigheid van de verkoper of koper dan wel beide, de toepassing van artikel 31 Wet OB in de weg kan staan. In het hierna volgende zal ik nagaan waar de Hoge Raad zich hier op baseert en vervolgens zal ik aangeven in hoeverre ik mij in de redenering van de Hoge Raad kan vinden Relevante jurisprudentie Hoge Raad 4 februari Het kern-arrest van de Hoge Raad in dit kader is de uitspraak van 4 februari In deze zaak kocht iemand één onroerende zaak. Het pand werd in verhuurde staat aan de koper geleverd en deze verhuur werd vervolgens ook voortgezet door de overnemer. De levering van de onroerende zaak vond btw-belast plaats, welke btw door de koper in aftrek is gebracht. De inspecteur is van mening dat de aftrek ten onrechte heeft plaatsgevonden aangezien een overdracht van een onderneming heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 31 Wet OB. Niet in het geschil is dat verkoper kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB. De Hoge Raad concludeert in deze zaak dat de uitbreiding van artikel 7 Wet OB met lid 2, sub b heeft bewerkstelligd dat de Wet OB in overeenstemming is gebracht met artikel 4, lid 2 van de Zesde Richtlijn. 38 Uit deze uitbreiding volgt volgens de Hoge Raad echter niet dat ook met betrekking tot artikel 31 Wet OB een corresponderende uitbreiding van de reikwijdte van de term onderneming 39 heeft plaatsgevonden. Artikel 31 Wet OB is zonder enige toelichting ongewijzigd gehandhaafd. Verder oordeelt de Hoge Raad dat door de invoering van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB onder een onderneming als in de zin van artikel 31 Wet OB niet kan worden verstaan, een object dat niet als het geheel of een gedeelte van algemeenheid van goederen valt aan te merken. Tot slot is de Hoge Raad van mening dat geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat de vraag of in casu sprake is van een algemeenheid van goederen, ontkennend moet worden beantwoord. Een verdere onderbouwing van waarom een algemeenheid van goederen niet aanwezig werd geacht, laat de Hoge Raad achterwege. Wel bevestigt de Hoge Raad in deze zaak dat de term onderneming in het oude artikel 31 Wet OB dezelfde betekenis heeft als de term algemeenheid van goederen in artikel 5, lid 8 Wet OB. 40 Naar aanleiding van bovengenoemde zaak werd het bij de overdracht van onroerende zaken van belang om te beoordelen of de verhuur van de onroerende zaak een onderneming vormt als in de zin van artikel 7, lid 1 dan wel een onderneming als in de zin van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB. 37 HR 4 februari 1987, nr. 1224/77, BNB 1987/ Bij wet van 28 december 1978, Stb Ter volledigheid merk ik op dat deze zaak is gewezen onder toepassing van het oude artikel 31 Wet OB (voor 24 juni 1998). Bij Wet van 17 juni 1998, Stb. 350 werd per 24 juni 1998 artikel 31 Wet OB vervangen. De oude overdracht van een (deel van een) onderneming en het voortzetten daarvan werd vervangen door een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen. 40 Prof. Mr. D.B. Bijl, Prof. Dr. Mariken E. van Hilten, Mr. D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, (Fiscale Monografieën nr 46), Deventer: Kluwer 2001, blz

13 De Hoge Raad is immers van mening dat de strekking van artikel 31 Wet OB door de invoering van artikel 7, lid 2 sub b Wet OB niet is gewijzigd. Derhalve ziet artikel 31 Wet OB niet op de overdracht van een 7-2-b onderneming. 41 De Hoge Raad constateert kort gezegd dat de 7-2-b ondernemer niet onder de term onderneming in de zin van artikel 31 Wet OB dan wel het begrip algemeenheid van goederen in de zin van artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn valt. 42 Of zoals Ploeger het in zijn noot van dit arrest omschrijft de begrippen ondernemer en onderneming corresponderen sinds 1 januari 1979 niet meer met elkaar. Na het arrest van 4 februari 1987 is nog meerdere malen door de Hoge Raad bevestigd dat artikel 31 Wet OB niet van toepassing is indien sprake is van een ondernemer in de zin van artikel 7, lid 2 sub b Wet OB Zita Modes Sarl. De hierboven beschreven uitspraken dateren van voor de uitspraak van het HvJ EG van 27 november 2003, het arrest Zita Modes Sarl. In deze zaak heeft het HvJ EG zich voor het eerst écht uitgelaten over de reikwijdte van de toepassing van artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn. Aangezien deze zaak nog uitgebreid aan de orde komt in hoofdstuk 4 zal ik hier alleen de passage aanhalen die met name voor dit hoofdstuk van belang is. Het HvJ EG stelt dat indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn, deze regeling dient te worden toegepast op elke overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen en dus de toepassing van deze regel niet kan beperken tot bepaalde vormen van overgang. 44 Op basis van bovenstaande passage heeft het HvJ EG naar mijn idee een ruime werking aan de toepassing van artikel 5, lid 8 van de Zesde richtlijn willen toekennen. 45 Ruim in die zin, dat indien sprake is van een algemeenheid van goederen, de werking van dit artikel niet beperkt kan worden tot bepaalde vormen van overgang, dan wel dat voor de toepassing van dit artikel eisen kunnen worden gesteld aan de hoedanigheid van de koper dan wel verkoper. Het HvJ EG lijkt het standpunt van de Hoge Raad dat zij tot op heden heeft ingenomen met betrekking tot 7-2-b ondernemers niet te bevestigen, eerder te ontkrachten zelfs. 41 Het Hof Arnhem was in deze zaak overigens van mening dat noch uit de tekst van artikel 31 Wet OB noch uit de geschiedenis van artikel 7, lid 2, sub Wet OB van de Wet blijkt dat de wetgever onder het begrip onderneming niet heeft willen begrijpen de zelfstandige exploitatie van een zaak in de van laatstbedoelde bepaling. In casu vormde het verhuurd onroerend goed naar het oordeel van het Hof een onderneming in de zin van artikel 31 Wet OB. 42 Zie ook Mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen, De levering van onroerend goed en artikel 31, Vastgoed Fiscaal & Civiel, 2004 en drs. R.D. drs. Hofman, Exploitatie van onroerende zaken en art 31 Wet OB 1968: Weer een puzzelstukje op zijn plaats?, Vastgoed Fiscaal & Civiel, Zie Hoge Raad 2 december 1987, nr , VN 1988/188, Hoge Raad 29 april 1992, nr , FED 1992/532, Hoge Raad 29 september 1999, nr , VN 199/ Ter volledigheid wil ik opmerken dat in deze laatste zaak wederom het Hof van mening was dat nergens uit blijkt dat de wetgever een 7-2-b ondernemer heeft willen uitsluiten van de toepassing van artikel 31 Wet OB. 44 HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), r.o. 31,VN 2003/ Zie ook Redactie Vakstudie Nieuws, aantekening bij hof Arnhem 3 mei 2004, VN 2004/

14 Hof Arnhem 3 mei In de meest recente zaak van de Hoge Raad 46 aangaande de 7-2-b materie, die nog is gewezen voor Zita Modes Sarl, houdt de Hoge Raad voet bij stuk. Dit ondanks het feit dat het Hof 47 in deze zaak heeft getracht de Hoge Raad op andere gedachten te brengen. De Hoge Raad stelt dat de omstandigheid dat een afnemer uitsluitend op grond van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB wordt aangemerkt als ondernemer, in de weg staat aan de toepassing van artikel 31 Wet OB. Deze zaak is vervolgens doorverwezen naar Hof Arnhem. In de tussentijd heeft het HvJ EG inmiddels de zaak Zita Modes Sarl gewezen. Hof Arnhem overweegt vervolgens dat op basis van Zita Modes Sarl het niet voldoende is dat de overdracht van (on)lichamelijke zaken waarmee werkzaamheden kunnen worden verricht die niet uitgaan boven hetgeen bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, niet als een onderneming (c.q. algemeenheid van goederen) kan worden beschouwd en derhalve artikel 31 Wet OB niet van toepassing kan zijn. 48 Ik kan deze redenering van het Hof niet volgen. Zeker niet met rechtsoverweging 40 van het arrest Zita Modes Sarl in het achterhoofd. Zoals reeds aangegeven heeft het HvJ EG naar mijn idee juist een ruime toepassing aan artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn willen toekennen. Hof Arnhem legt Zita Modes Sarl dan ook te beperkt uit. 49 Door te stellen dat de werkzaamheden het normale vermogensbeheer te boven moeten gaan laat het Hof wederom de aard van de onderneming een rol spelen in de beoordeling of artikel 31 Wet OB van toepassing is. In de Nederlandse jurisprudentie is een onderscheid ontstaan tussen normaal vermogensbeheer (7-2-b onderneming) en het bedrijfsmatige vermogensbeheer. Dit onderscheid wordt in de Europese jurisprudentie daarentegen gehanteerd als afbakening tussen belastingplicht en niet belastingplicht c.q. ondernemer niet ondernemer. 50 Deze discrepantie tussen de Nederlandse en de Europese jurisprudentie vindt zijn oorsprong in het uitgangspunt dat artikel 7, lid 2, sub b Wet OB een uitbreiding zou vormen op het ondernemerschap. Hof Arnhem was ook niet helemaal zeker van zijn zaak en dekt zich in door te stellen dat indien zij door deze stellingname het arrest Zita Modes Sarl een te beperkte respectievelijk onjuiste uitleg geeft, zij zich dan beroept op de hierboven beschreven rechtspraak van de Hoge Raad. Volgens Hof Arnhem bevestigt het arrest Zita Modes Sarl dat de overdracht van een 7-2-b onderneming niet onder artikel 31 Wet OB kan vallen. 46 Hoge Raad 25 april 2003, nr , VN 2003/23/25, BNB 2003/ Hof Leeuwarden, MK II, 22 maart 2002, nr. 00/0671, VN 2002/ Hof Arnhem, MK III, 3 mei 2004, nr. 03/0871, VN 2004/44/ Zie ook Mr. G.J. van Norden, Algemeenheid van goederen in de BTW weer op de agenda, WFR 2004/ Zie ook Conclusie AG de Wit, 13 juli 2006, nr en ook Mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen, De levering van onroerend goed en artikel 31, Vastgoed Fiscaal & Civiel,

15 Conclusie AG de Wit. 51 In haar uitspraak van 9 september lijkt Hof s-hertogenbosch Zita Modes Sarl echter anders te interpreteren. Volgens het Hof kunnen de hiervoor genoemde uitspraken 53 niet in stand worden gehouden naar aanleiding van de uitspraak van het HvJ EG. Het is naar het oordeel van het Hof in strijd met artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn om artikel 31 Wet OB afhankelijk te laten zijn van de vraag of de afnemer al dan niet uitsluitend op grond van artikel 7, lid 2, sub Wet OB als ondernemer is aan te merken. Tegen deze uitspraak is door de staatssecretaris beroep in cassatie ingesteld. Onlangs heeft AG de Wit inmiddels conclusie genomen in deze zaak, waarbij hij het oordeel van het Hof bevestigt. In eerste instantie lijkt de conclusie van de AG in strijd met de in het verleden door de Hoge Raad gewezen zaken. Echter, dit is slechts schijn aangezien de AG stelt dat de Hoge Raad in de reeds gewezen zaken kennelijk iets anders heeft bedoeld dan uit de letterlijke lezing van de citaten lijkt te volgen. De Hoge Raad heeft volgens de AG willen zeggen dat hetgeen is overgedragen geen algemeenheid van goederen is indien het ertoe leidt dat de afnemer enkel en alleen op grond van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB ondernemer kan zijn. De Hoge Raad heeft volgens de AG niet zozeer geoordeeld over de hoedanigheid van de afnemer als wel over de hoedanigheid van hetgeen wordt overgedragen. De Hoge Raad heeft met deze zaken als het ware feitelijk invulling willen geven aan het begrip algemeenheid van goederen Onderscheid echte / quasi-ondernemer terecht? Naar mijn mening is, zoals ook in de literatuur meerde malen is aangehaald 54, artikel 7, lid 2, sub Wet OB geen uitbreiding van het begrip ondernemer, maar slechts een voorbeeld. 55 Op basis van de wettekst wordt geen enkel onderscheid gemaakt tussen soorten economische activiteiten. Je verricht economische activiteiten of niet en je bent daardoor wel of niet ondernemer (c.q. belastingplichtig). 56 Juist het uitgangspunt dat sprake is van een uitbreiding van het ondernemerschap heeft in Nederland zowel in de literatuur als de rechtspraak geleid tot een onderscheid tussen een echte (artikel 7, lid 1 Wet OB) ondernemer en een quasi-ondernemer (artikel 7, lid 2, sub Wet OB). Dit onderscheid heeft er vervolgens toe geleid dat onterecht de hoedanigheid van de overdrager / overnemer een rol is gaan spelen in beoordeling of artikel 31 Wet OB van toepassing is of niet. 51 Conclusie AG de Wit, 13 juli 2006, nr Hof s-hertogenbosch, 9 september 2005, nr. 02/1596, VN 2006/ Hoge Raad 29 september 1999, nr , VN 199/47.22 en Hoge Raad 25 april 2003, nr , VN 2003/23/25, BNB 2003/ Zie onder andere Prof. Dr. B.G. van Zadelhoff, Belastingplichtige in de BTW (fed, fiscale brochures), Deventer: Kluwer, 1999, blz. 24 en Mr. dr. M.E. van Hilten en prof. Dr. H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting (fed, fiscale studieserie), Deventer: Kluwer 2005, blz Zie ook paragraaf 3.3. doel en strekking artikel 7, lid 2, sub b Wet OB. 56 Mw. mr. G.B. Mekke, Quasi-ondernemer: gekortwiekte vreemde eend, Btw-bulletin, november 2001, nr. 11, blz

16 Dit terwijl het in de jurisprudentie gemaakte onderscheid in zijn geheel niet aan de orde komt in zowel artikel 31 Wet OB als artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn. 57 Dat wil zeggen; er dient wel sprake te zijn van ondernemerschap voor zowel de overdrager als de overnemer 58, maar er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een echte ondernemer en de exploitant van een vermogensbestanddeel. 59 In dit kader merkt de Hoge Raad meerdere malen op dat de uitbreiding van het begrip ondernemer (met de 7-2-b ondernemer ) niet betekent dat ook de term onderneming (lees: algemeenheid van goederen) als in de zin van artikel 31 Wet OB is uitgebreid. Deze tekst is immers geheel ongewijzigd gebleven. Dit is naar mijn idee de omgekeerde wereld dan wel een doelredenering van de Hoge Raad. Door het ongewijzigd laten van artikel 31 Wet OB geeft de wetgever juist aan dat deze ook mogelijk van toepassing is bij een 7-2-b-ondernemer. Was dat niet het geval geweest dan zou de wetgever artikel 31 Wet OB wel zodanig hebben aangepast, waardoor deze regeling niet van toepassing zou kunnen zijn op de 7-2-b-ondernemer. Bijl spreekt naar mijn mening dan ook terecht van een onderschatting van de verstandelijke vermogens van de wetgever. 60 Ook het arrest Zita Modes Sarl van het HvJ EG geeft naar mijn idee expliciet aan dat de werking van artikel 31 wet OB niet beperkt kan worden tot bepaalde vormen van overgang, dan wel dat voor de toepassing van dit artikel eisen kunnen worden gesteld aan de hoedanigheid van de koper dan wel verkoper. Ik kan mij dan ook vinden in de uiteindelijke conclusie van AG de Wit dat voor de toepassing van artikel 31 Wet OB de hoedanigheid van de afnemer niet van belang kan zijn. De opmerking van de AG dat de Hoge Raad nooit de bedoeling heeft gehad om een dergelijk onderscheid te maken en derhalve nooit heeft geoordeeld over de hoedanigheid van de afnemer, maar veeleer heeft geoordeeld over het feit of sprake is van een algemeenheid van goederen, daar heb ik moeite mee. Ook Van Hilten en Van Kesteren lijken op de lijn van de AG te zitten door op te merken dat de heersende Nederlandse leer dat een ondernemer in de zin van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB (de exploitant van een vermogensbestanddeel) geen algemeenheid van goederen exploiteert en derhalve niet met toepassing van artikel 31 Wet OB zijn bedrijfsmiddel kan overdragen, niet onmiddellijk strijdig is met de Zesde Richtlijn (ook niet na het Zita- Modes Sarl). Een feit blijft naar mijn idee dat de Hoge Raad dit onderscheid juist letterlijk heeft gemaakt. Indien de Hoge Raad dit anders heeft bedoeld dan had zij dit moeten aangeven en niet keer op keer moeten herhalen. Daarnaast heeft de Hoge Raad ondanks verwoede pogingen van de diversen Hoven, die meerdere malen hebben getracht haar op andere gedachten te brengen, toch voet bij stuk gehouden en heeft zij de exploitant van een vermogensbestanddeel niet voor vol aan gezien Mr. G.J. van Norden, Algemeenheid van goederen in de BTW weer op de agenda, WFR 2004/ Na het arrest-zita Modes dient daarnaast ook voldaan te zijn aan het voortzettingsvereiste. 59 Ter volledigheid wil ik nog opmerkingen dat de Staatssecretaris van Financiën zich een korte tijd op het standpunt heeft gesteld dat een quasi-ondernemer gebruik kon maken van artikel 31 Wet OB. Resolutie van 27 januari 1984, nr , ingetrokken bij resolutie van 7 februari 1989, nr. VB 89/129. Gezien de latere jurisprudentie was dit standpunt echter niet langer houdbaar. 60 D.B. Bijl noot bij Hoge Raad 25 april 2003, nr , BNB 2003/ D.B. Bijl noot bij Hoge Raad 25 april 2003, nr , BNB 2003/

17 Naast bovengenoemde argumenten ben ik van mening dat ook het doel en strekking van artikel 31 Wet OB, namelijk het voorkomen dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan bij aparte overdracht van de vermogensbestanddelen van de onderneming, er aan in de weg staat om een onderscheid te maken naar de aard van de onderneming. Ik zie geen argumenten waarom een exploitant van een vermogensbestanddeel geen recht zou hebben op een dergelijke vereenvoudigingsmaatregel. 62 Tot slot wil ik nog opmerken dat het onderscheid dat de Hoge Raad tot op heden gemaakt heeft tussen echte ondernemers en quasi-ondernemers naast de vraag of het terecht is dat een dergelijk onderscheid wordt gemaakt een erg grijs gebied is. De vraag is waar naar de mening van de Hoge Raad de grens tussen echte ondernemers en quasi-ondernemers licht. Van Elsen, van der Paardt en Berkhuysen zijn van mening dat zeker sprake is van echt ondernemerschap indien door de verhuurder met eigen personeel onroerende goederen worden gekocht, verkocht, onderhouden, de huren worden geïnd en service aan huurders wordt verleend. 63 De exploitant van bijvoorbeeld één enkel pand kwalificeert - in ieder geval - als een ondernemer in de zin van artikel 7, lid 2, sub b Wet OB. Wat nu als deze ondernemer het daadwerkelijke beheer van het pand gaat uitvoeren en daarmee rechten en verplichtingen met huurders is aangegaan, is er dan volgens de Hoge Raad sprake van echt ondernemerschap? Het gaat te ver om hier nu het grensgebied tussen de echte en quasi-ondernemer af te bakenen. Uit de Nederlandse jurisprudentie blijkt dat geen sprake is van een quasi-onderneming maar een echte onderneming indien hetgeen wordt overgedragen het normale vermogensbeheer te boven gaat en derhalve bedrijfsmatig is. 64 AG de Wit zegt hierover in zijn conclusie bij de uitspraak van Hof s-hertogenbosch 65 dat dit in de Nederlandse jurisprudentie gemaakte onderscheid in Europees verband wordt gebruikt om een onderscheid te maken tussen situaties waarin wel of niet economische activiteiten worden verricht. Kortom, ik kan mij volledig vinden in de uiteindelijke conclusie van AG de Wit, maar naar mijn idee had hij harder moeten zijn in zijn oordeel over de door de Hoge Raad in het verleden gewezen zaken. 62 M.E. van Hilten,noot bij Hoge Raad 29 april 1992, nr , FED 1992/ E.H. van den Elsen, drs. R.N.G. van der Paardt, S.J. Berkhuysen, Het begrip ondernemer in de omzetbelasting (fed fiscale brochures), Deventer 1990, blz Zie Hoge Raad 28 april 19999, nr , VN 1999/ Conclusie AG de Wit, 13 juli 2006, nr

18 3.3. Conclusie. De Hoge Raad heeft naar mijn idee tot op heden de werking van artikel 31 Wet OB, onterecht, te beperkt uitgelegd. Deze beperkte uitleg volgde in eerste instantie uit het kernarrest in dit kader, de uitspraak van 14 februari Vervolgens is dit arrest keer op keer aangehaald in latere uitspraken. 66 Voor de toepassing van artikel 31 Wet OB heeft Hoge Raad niet zo zeer gekeken naar de reikwijdte van het begrip (deel van) een onderneming / algemeenheid van goederen, maar naar de hoedanigheid van de overdrager / overnemer. De Hoge Raad dient dan ook de conclusie van AG de Wit te volgen. De vraag is nu natuurlijk of de Hoge Raad dit ook daadwerkelijk gaat doen. De conclusie van de AG druist in principe immers in tegen hetgeen de Hoge Raad in het verleden zelf heeft overwogen. Echter, naar mijn mening spaart de AG de Hoge Raad door te stellen dat zij het altijd anders heeft bedoeld. De in het verleden gewezen zaken zijn naar mijn idee zeker na het arrest Zita Modes Sarl van het HvJ EG - niet meer houdbaar. Kortom de koers van de Hoge Raad moet om! De Hoge Raad zal dus even door de zure appel heen moeten bijten, al is deze al minder zuur dan hij eigenlijk had moeten zijn. Een andere mogelijkheid is dat de Hoge Raad de beantwoording van de vraag omzeilt en zij evenals ze ook in het verleden al heeft gedaan stelt dat belanghebbende op basis van de feiten en omstandigheden niet kwalificeert als een quasi-ondernemer, maar als een echte ondernemer. Op die manier zijn beide partijen tevreden, belanghebbende omdat artikel 31 Wet OB van toepassing kan zijn en de Hoge Raad omdat zij wederom niet met de billen bloot is gegaan. Indien dit het scenario is, maakt de Hoge Raad optimaal gebruik van het grijze gebied dat zij zelf heeft gecreëerd tussen enerzijds een vermogensbestanddeel dat wordt geëxploiteerd en het uitoefenen van een bedrijf als in de zin van artikel 7, lid 1 Wet OB anderzijds. 67 Echt duidelijkheid ontstaat naar mijn mening pas wanneer het HvJ EG zijn licht op deze Nederlandse aangelegenheid laat schijnen. Al met al kijk ik met veel belangstelling uit naar de uitspraak van de Hoge Raad. Uit het voorgaande dient naar mening geconcludeerd te worden dat de hoedanigheid van verkoper dan wel koper niet van belang kan zijn bij de beoordeling of artikel 31 Wet OB van toepassing kan zijn. Er is een algemeenheid van goederen of hij is er niet Mr. D. Kroesen, De quasi-ondernemer en art. 31 Wet OB, BtwBrief 2005, nr. 10 blz Drs. R.A.G. van der Paardt en E.H. van den Elsen, Artikel 31 wet OB 68: een tussenbalans, MBB 1987/ Zie onder andere D.B. Bijl noot bij Hoge Raad 25 april 2003, nr , BNB 2003/216 en Mr. P. Tielemans, Art 31 Wet OB 1968BTW ten onrechte in rekening gebracht en afgetrokken bij overname 7-2-b onderneming?, BtwBrief 2003, nr 8/9, blz

19 4. Algemeenheid van goederen. Nu uit hoofdstuk 3 van mijn onderzoek blijkt dat de hoedanigheid van verkoper dan wel koper niet van belang kan zijn bij de beoordeling of artikel 31 Wet OB van toepassing is, dien ik voor de beantwoording van mijn hoofdvraag nog slechts te beoordelen of bij de overdracht van één enkel pand een algemeenheid van goederen veronderstelt kan worden. In zowel de Nederlandse Wet OB als in de Zesde Richtlijn is geen definitie van het begrip algemeenheid van goederen gegeven. In de Nederlandse jurisprudentie is een enorme hoeveelheid aan uitspraken verschenen die ingaat op de vraag wanneer een algemeenheid van goederen kan worden verondersteld. 69 HvJ EG heeft pas voor het eerst in zijn arrest van 27 november uitspraak gedaan over onder welke voorwaarden sprake is van een algemeenheid van goederen Zita Modes Sarl. De zaak Zita Modes Sarl speelt in Luxemburg. Zita Modes verkoopt een handelszaak in confectiekleding aan een vennootschap (MILADY). Deze vennootschap exploiteert een parfumerie. De vraag is of deze overdracht is aan te merken als een overdracht in de zin van artikel 5, lid 8 van de Zesde richtlijn. Het HvJ EG overweegt in deze zaak dat in de eerste plaats het begrip het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in zijn geheel niet aan de orde komt in de Zesde Richtlijn. Er is sprake van een gemeenschappelijke bepaling (communautaire begrip) dat in alle lidstaten autonoom en op een eenvormige wijze uitgelegd dient te worden. Daarnaast geeft het HvJ EG aan dat, indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn, het hierin bepaalde niet-leveringsbeginsel moet worden toegepast op elke overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen en dus de toepassing van deze regel niet kan beperken tot bepaalde vormen van overgang. 72 Als invulling van het begrip geheel of gedeelte van een algemeenheid van goederen geeft het HvJ EG de volgende beschrijving: 73 daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten De Nederlandse jurisprudentie heeft zowel betrekking op het oude artikel 31 Wet OB (van voor 24 juni 1998) als het nieuwe artikel 31 Wet OB per wetswijziging van 17 juni 1998, Stb HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), VN 2003/ Ook in de zaken van HvJ EG 22 februari 2001, c-408/98 (Abbey National), VN 2001/15.26 en HvJ EG 29 april 2004, C-137/02 (Fax World), BNB 2004/286 heeft het HvJ EG zich uitgelaten over de toepassing van artikel 5, lid 8 van de Zesde richtlijn, maar de beoordeling of sprake was van een algemeenheid van goederen kwam niet aan de orde. 72 HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), r.o. 31,VN 2003/ Het HvJ EG baseert de definitie op het doel en strekking van artikel 5, lid 8 van de Zesde Richtlijn zoals ik heb beschreven in paragraaf HvJ EG 27 november 2003, C-497/01 (Zita Modes Sàrl), r.o. 40,VN 2003/

20 4.2. Interpretatie Zita Modes Sarl. Het HvJ EG geeft in het arrest Zita Modes Sarl voor het eerst handvatten om te beoordelen in hoeverre sprake is van een algemeenheid van goederen. Op basis van Zita Modes Sarl moet er naar mijn idee een zekere verbondenheid bestaan tussen de goederen en diensten die worden overgedragen. Verbondenheid in die zin, dat de goederen en de daarbij behorende rechten en verplichtingen deel uitmaken van een onderneming of een onderdeel dat separaat kan functioneren als een onderneming. Het HvJ EG blijft naar mijn idee wat vaag in zijn manier van formuleren. AG Jacobs daarentegen is in zijn conclusie bij deze zaak concreter. AG Jacobs stelt dat sprake is van een algemeenheid van goederen wanneer een bedrijf als geheel overgaat. Een dergelijk bedrijf bestaat uit meerdere componenten, zowel lichamelijke (zoals bedrijfsgebouwen, uitrusting en voorraden) als onlichamelijke (zoals huurrechten, handelsnaam of beeldmerk). De AG gaat verder: Het cement dat deze elementen bijeenhoudt, is het feit dat zij tezamen de uitoefening van een specifieke economische activiteit of groep activiteiten mogelijk maken, terwijl zij afzonderlijk daartoe ontoereikend zouden zijn; afzonderlijk zijn zij de bouwstenen voor een bedrijf, tezamen vormen zij een bedrijf. Hieruit volgt mijns inziens dat het begrip gedeelte van een algemeenheid van goederen niet slaat op een of meer losse elementen van die lijst, maar op een combinatie van voldoende elementen daaruit, om een economische activiteit mogelijk te maken, ook al vormt die activiteit slechts een onderdeel van een groter bedrijf, waaruit het is losgemaakt. 75 Volgens AG Jacobs gaat het om een combinatie van verschillende elementen die tezamen een economische activiteit kunnen vormen. Ik interpreteer dit als; wil er sprake zijn van een algemeenheid van goederen dan zullen alle vermogensbestanddelen (elementen) waarmee deze economische activiteit wordt verricht - en daarmee de activiteit zelf - moeten overgaan dan wel een zelfstandig gedeelte van deze vermogensbestanddelen, waarmee een autonome economische activiteit kan worden verricht. 76 Of het HvJ EG met zijn uitspraak handvatten heeft gecreëerd die in de praktijk daadwerkelijk toepasbaar zijn, is nog maar de vraag. Dat sprake is van een bevestiging / voor de Nederlandse praktijk een herintroductie van het zogenaamde voortzettingsvereiste, kan naar mijn idee geen discussie bestaan. Voor wat betreft de definitie van een algemeenheid van goederen, lijkt het HvJ EG niet zo zeer aan te geven wanneer wél sprake is van een algemeenheid van goederen, maar veel meer wanneer hiervan géén sprake is. Een overdracht kwalificeert niet als een algemeenheid van goederen indien het slechts de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten betreft. Waar exact de grens ligt tussen de verkoop van goederen enerzijds en de overdracht van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen anderzijds, blijft op basis van Zita Modes Sarl een grijs gebied. 75 Conclusie AG F.G. Jacobs 26 september 2002, nr. C-497/01 (Zita Modes Sarl), r.o. 35 en Conclusie AG De Wit 13 juli 2006, nr , VN 2006/

Overgang van een algemeenheid van goederen bij vastgoed

Overgang van een algemeenheid van goederen bij vastgoed Overgang van een algemeenheid van goederen bij vastgoed Door: René Maat 2011/ 2012 INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 2 Inleiding 2 1.1 Algemeen...2 1.2 Wettelijk en richtlijn kader...2 1.3. Reikwijdte artikel

Nadere informatie

De overgang van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet OB) aan en/of door verschillende ondernemers

De overgang van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet OB) aan en/of door verschillende ondernemers Master scriptie Fiscaal recht De overgang van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet OB) aan en/of door verschillende ondernemers Auteur: Marit Heesen Geldereschweg 42, 7104 AK Winterswijk ANR: 780980

Nadere informatie

Naar aanleiding van uw brief van 18 oktober 2011 heb ik de eer het volgende op te merken.

Naar aanleiding van uw brief van 18 oktober 2011 heb ik de eer het volgende op te merken. Den Haag, 2 9 NOV 2011 Kenmerk: DGB 2011-6473 Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 11/04540) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-hertogenbosch van 2 september 2011, nr. r, 2

Nadere informatie

De pro rata: De omzet werkelijk gebruikt?

De pro rata: De omzet werkelijk gebruikt? De pro rata: De omzet werkelijk gebruikt? Door: Mw. drs. S. van de Snepscheut 2007/ 2008 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding Blz. 2 Hoofdstuk 2 De aftrek van voorbelasting Blz. 3 2.1 Nederlandse wetgeving

Nadere informatie

De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte?

De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte? De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte? Door: J.I. (Joanna) Rossa MSc 2012/2013 Inhoudsopgave Lijst van gebruikte afkortingen

Nadere informatie

Edelachtbaar college,

Edelachtbaar college, Edelachtbaar college, X% Namens cliënten, a «a ^ ^ ^ ^ ^ M l e n tel^^^^ tekenen wij beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2011 op het beroepschrift van 10

Nadere informatie

A. Het in het belastbaar inkomen 1998 begrijpen van het voordeel uit het tegen inkoopsprijs aankopen vaneen auto, groot fl 15.000.

A. Het in het belastbaar inkomen 1998 begrijpen van het voordeel uit het tegen inkoopsprijs aankopen vaneen auto, groot fl 15.000. C/& Z^o^jr Edelhoogachtbaar College, y> "2_ Op 17 februari j.l. is door mij namens C igllllllpljp te IHllIll^, hierna belanghebbende, beroep in cassatie aangetekend tegen de uitspraak van het Gerechtshof

Nadere informatie

Incidenteel beroep in cassatie zaaknummer F 13/00282

Incidenteel beroep in cassatie zaaknummer F 13/00282 i Incidenteel beroep in cassatie zaaknummer F 13/00282 Edelhoogachtbaar College, De uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 6 december 2012, nr. 11 / 04103, betreft de X in geschil zijnde vraag of belanghebbende,

Nadere informatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak Datum uitspraak: 10-10-2008 Datum publicatie: 10-10-2008 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verkoop van (gebruikte) goederen

Nadere informatie

Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775. Belastingrecht. Cassatie. Rechtspraak.nl

Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775. Belastingrecht. Cassatie. Rechtspraak.nl ECLI:NL:HR:2015:1084 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775 In cassatie op

Nadere informatie

De overdracht van beleggingsvastgoed wel of geen btw?

De overdracht van beleggingsvastgoed wel of geen btw? De overdracht van beleggingsvastgoed wel of geen btw? Een onderzoek naar de reikwijdte en de gevolgen van de toepassing van artikel 31 Wet op de omzetbelasting 1968 bij transacties met beleggingsvastgoed

Nadere informatie

De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning

De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning Hieronder wordt ingegaan op de fiscale consequenties van de aankoop en het bezit van een recreatiewoning die zodanig met de (onder)grond is verbonden

Nadere informatie

De koopoptie in de aanmerkelijkbelangregeling

De koopoptie in de aanmerkelijkbelangregeling Inkomstenbelasting DGA Master Nederlands Belastingrecht UVA De koopoptie in de aanmerkelijkbelangregeling Optie op nieuw uit te geven aandelen nader toegelicht Paul Ooms BSc Studentnummer: 5910277 Datum:

Nadere informatie

HOGE RAAD ARREST. nr. 31/695. gewezen op het beroep in cassatie van X te Z. tegen

HOGE RAAD ARREST. nr. 31/695. gewezen op het beroep in cassatie van X te Z. tegen HOGE RAAD nr. 31/695 ARREST gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-hertogenbosch van 13 oktober 1995 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989*

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* SKATTEMINISTERIET / HENRIKSEN ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* In zaak 173/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Højesteret, in het aldaar aanhangig

Nadere informatie

Aftrek en/of compensatie van btw definitief na verwerken factuur?

Aftrek en/of compensatie van btw definitief na verwerken factuur? Aftrek en/of compensatie van btw definitief na verwerken factuur? Onlangs heeft de rechtbank Arnhem uitspraak gedaan in een zaak waarbij de Belastingdienst een naheffingsaanslag omzetbelasting heeft opgelegd,

Nadere informatie

Herziening en verhuur van onroerende zaken in de btw

Herziening en verhuur van onroerende zaken in de btw Herziening en verhuur van onroerende zaken in de btw Wordt er overeenkomstig het neutraliteitsbeginsel gehandeld? Door Laurens van Drie Nummer: 344531 Begeleider: Prof. dr. R.N.G. van der Paardt Inhoudsopgave

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

Hoe kan er in de omzetbelasting een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten?

Hoe kan er in de omzetbelasting een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten? BACHELOR THESIS Hoe kan er in de omzetbelasting een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten? Naam: Anr: Studierichting: Datum: Begeleider:

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN. Nr. 208/86 10 april 1987

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN. Nr. 208/86 10 april 1987 GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN BELASTINGKAMER UITSPRAAK Nr. 208/86 10 april 1987 Uitspraak (na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 29 januari 1986, nr. 23.254) van bet Gerechtshof te

Nadere informatie

Het begrip bouwterrein

Het begrip bouwterrein Bachelorthesis Het begrip bouwterrein Naam : Ying Gao Studierichting : Fiscaal economie Anr-nummer : 886630 Datum :8 december 2010 Examencommissie : Mr. A.H.S. Bouwman en Mr. dr. G.J. van Norden Begeleidende

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummers 11/00311 en 11/00312 uitspraakdatum: 20 september 2011 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te Z (hierna:

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2014:14470

ECLI:NL:RBDHA:2014:14470 ECLI:NL:RBDHA:2014:14470 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 19-11-2014 Datum publicatie 15-04-2015 Zaaknummer 14_7761 OB Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste aanleg

Nadere informatie

Mr. Carola van Vilsteren-Maters Verhuur, met btw?

Mr. Carola van Vilsteren-Maters Verhuur, met btw? Mr. Carola van Vilsteren-Maters Verhuur, met btw? De verhuur van een onroerende zaak door een btw-ondernemer is op grond van art. 11, lid 1, onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968)

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 I' Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer w ~e' {J.J ::li "~.8 ;.l_~ ( E..::r,",'_ t"::) ('0",,1 l:'jt:: ~~ ~ )(, ::li oe i~..- ~ c:: L'..J Nr. 12/03718 28 maart

Nadere informatie

Workshop. Casus woningen en beperking btw druk. Bedrijfsonroerend goed; leegstand en btw aftrek. pagina 1

Workshop. Casus woningen en beperking btw druk. Bedrijfsonroerend goed; leegstand en btw aftrek. pagina 1 Workshop Casus woningen en beperking btw druk Bedrijfsonroerend goed; leegstand en btw aftrek pagina 1 Casus Ontwikkelende bouwer bouwt woningen en verkoopt die aan woningbelegger Grond 100 ovb 6 Bouwkosten

Nadere informatie

Verruiming btw-sportvrijstelling

Verruiming btw-sportvrijstelling omzetbelasting Verruiming btw-sportvrijstelling FISCAAL PRAKTIJKBLAD 2015-16 6 oktober 2015 De btw-sportvrijstelling voor sportverenigingen moet op termijn verruimd worden. Dit heeft de Staatssecretaris

Nadere informatie

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Geldend op 24-07-2009 - Besluit van 27 maart 2001; CPP 2001/366M De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen

HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen De wijze waarop internationale transacties in de heffing van btw worden betrokken, wordt bepaald door de systematiek van de btw-wetgeving.

Nadere informatie

11-09-2015 21-09-2015 14/00330. Belastingrecht. Hoger beroep

11-09-2015 21-09-2015 14/00330. Belastingrecht. Hoger beroep ECLI:NL:GHSHE:2015:3523 http://deeplink. Deeplink Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch 11-09-2015 21-09-2015

Nadere informatie

Bachelor Thesis Fiscale Economie 2012/2013. De onbelastbare subsidie en het recht op aftrek van voorbelasting.

Bachelor Thesis Fiscale Economie 2012/2013. De onbelastbare subsidie en het recht op aftrek van voorbelasting. Bachelor Thesis Fiscale Economie 2012/2013 De onbelastbare subsidie en het recht op aftrek van voorbelasting. Naam: Guusje Mulders ANR: S. 930486 Faculteit: Economie en bedrijfswetenschappen Studierichting:

Nadere informatie

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN Jaargang 2012 No. 14 Landsverordening van de 28 ste maart 2012 tot wijziging van de Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997 IN NAAM VAN DE KONINGIN! DE GOUVERNEUR

Nadere informatie

Hoorcollege 1: Inleiding

Hoorcollege 1: Inleiding Hoorcollege 1: Inleiding Datum: 9 november 2009 Studiestof: hoofdstuk 5 Drs. O.L. Mobach INLEIDING De omzetbelasting is vak dat altijd actueel is. In de Verenigde Staten is er op dit moment bijvoorbeeld

Nadere informatie

Vragen en antwoorden verhoging btw-tarief

Vragen en antwoorden verhoging btw-tarief Vragen en antwoorden verhoging btw-tarief Onlangs is een wetswijziging aangenomen waardoor het algemene btw-tarief in Nederland van 19% naar 21% zal worden verhoogd. In de praktijk leidt dit tot verschillende

Nadere informatie

2009 -- Overdrachtsbelasting -- Deel 1

2009 -- Overdrachtsbelasting -- Deel 1 Overdrachtsbelasting les 1 programma Inleiding overdrachtsbelasting Verkrijgingen Maatstaf van heffing Verandering in beperkt recht Hoe bij gezamenlijk eigendom Vrijstellingen Heffing en teruggaaf Object

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Inleiding Inleiding Probleemstelling Verantwoording van het onderzoek 6. Hoofdstuk 2 De Btw-richtlijn 7

Hoofdstuk 1 Inleiding Inleiding Probleemstelling Verantwoording van het onderzoek 6. Hoofdstuk 2 De Btw-richtlijn 7 Het BUA en de Btw-richtlijn Laura Philippen S404458 1 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 5 1.1 Inleiding 5 1.2 Probleemstelling 6 1.3 Verantwoording van het onderzoek 6 Hoofdstuk 2 De Btw-richtlijn 7

Nadere informatie

ABC-transacties binnen de interne markt: geen koud kunstje

ABC-transacties binnen de interne markt: geen koud kunstje ABC-transacties binnen de interne markt: geen koud kunstje mr. I.M. Duinker; mr. P. de Kock 1 Met ingang van 1 januari 2012 zijn in de Wet op de omzetbelasting 1968 wijzigingen aangebracht in het kader

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD NL NL NL COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 24.11.2009 COM(2009)641 definitief Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij de Portugese Republiek wordt gemachtigd een maatregel toe

Nadere informatie

Het wel en wee van de verwervings-btw

Het wel en wee van de verwervings-btw Het wel en wee van de verwervings-btw Door: mr. W.J.G.M. Hundscheid 2007/ 2008 Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING... 2 HOOFDSTUK 2 INTRACOMMUNAUTAIRE GOEDEREN TRANSACTIES... 3 HOOFDSTUK 3 SYSTEMATIEK

Nadere informatie

De heer R.J.A.M. Sadée wil ik bedanken voor zijn kritische blik en zijn bijdrage aan het redigeren van mijn scriptie.

De heer R.J.A.M. Sadée wil ik bedanken voor zijn kritische blik en zijn bijdrage aan het redigeren van mijn scriptie. Voorwoord Beste lezer, Voor u ligt mijn masterscriptie, waarin ik de herzieningsregels in de btw onder de loep neem. Met deze scriptie komt een einde aan mijn zeven jaar durende studententijd waarvan ik

Nadere informatie

ECONOMISCHE ACTIVITEIT:

ECONOMISCHE ACTIVITEIT: ECONOMISCHE ACTIVITEIT: DE EXPLOITATIE VAN EEN (ON)LICHAMELIJKE ZAAK OM ER DUURZAAM OPBRENGST UIT TE VERKRIJGEN Door: Mr. drs. J.R. Vollering 2013/2014 1 INHOUDSOPGAVE LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN...

Nadere informatie

1 Rechtbank Breda, 13 juli 2012

1 Rechtbank Breda, 13 juli 2012 BEDRIJFSOPVOLGINGSFACILITEIT SUCCESSIEWET OOK VOOR PRIVÉVERMOGEN? Op 13 juli 2012 heeft rechtbank Breda uitspraak gedaan in een zaak over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet 1956 (LJN:

Nadere informatie

Origine en achtergrond van het btw-vrije stelsel

Origine en achtergrond van het btw-vrije stelsel 227 HOOFDSTUK 1 Origine en achtergrond van het btw-vrije stelsel AFDELING 1 Inbreng van een algemeenheid of bedrijfsafdeling als een combinatie van belastbare handelingen 693. Artikel 2 van richtlijn 2006/112/EG

Nadere informatie

Bahialaan 100 3065WC Rotterdam

Bahialaan 100 3065WC Rotterdam Bahialaan 100 3065WC Rotterdam T: +31 (0)10-764 0804 F: +31 (0)10 254 0015 M: +31 (0)6 51 99 78 08 E: dehaas@dehaasadvocatuur.nl I: www.dehaasadvocatuur.nl Mevrouw mr. P. (Priscilla) de Haas 11-8-2015

Nadere informatie

BTW-nieuwtjes 17-2013

BTW-nieuwtjes 17-2013 BTW-nieuwtjes 17-013 van vilsteren BTW advies bv Heidesteinlaan a, 6866 AG Heelsum E-mail: info@btwadvies.com Website: www.btwadvies.com Telefoon: 06-7071710 KvK Arnhem 0913609 1. Nieuw vastgoedbesluit

Nadere informatie

Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer

Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer Door: N. Tanouti M. Sc. 2010/ 2011 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding... 4 Hoofdstuk 2 Belastingplicht van houdstermaatschappijen bij

Nadere informatie

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 98/2/17) GRIFFIE REGENTSCHAPSSTRAAT 39 1000 BRUSSEL

Nadere informatie

Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer

Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer Inleiding Dit memo bevat de argumenten voor de fiscale aftrek van de premie betreffende het vrijwillige gedeelte van een beroepspensioenregeling bij

Nadere informatie

Naar aanleiding van uw brief van 21 januari 2013 heb ik de eer het volgende op te merken.

Naar aanleiding van uw brief van 21 januari 2013 heb ik de eer het volgende op te merken. Den Haag, 2 6 F E B 2013 Kenmerk: DGB 2013-384 Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 13/00280) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 december 2012, nr. 11/00501, X inzake

Nadere informatie

Ongewenst zwanger van een gedrocht? Wat zijn de gevolgen voor de aftrek van voorbelasting van het meer richtlijnconform maken van de Wet OB?

Ongewenst zwanger van een gedrocht? Wat zijn de gevolgen voor de aftrek van voorbelasting van het meer richtlijnconform maken van de Wet OB? Ongewenst zwanger van een gedrocht? Wat zijn de gevolgen voor de aftrek van voorbelasting van het meer richtlijnconform maken van de Wet OB? mw. mr. H.J.M. van Hoof Ernst & Young Belastingadviseurs 2006/

Nadere informatie

Nieuwsbrief Vastgoed

Nieuwsbrief Vastgoed Nieuwsbrief Vastgoed 15 juli 2014 Nieuwbouw en verbouwing scholen door gemeente. Recht op btw-aftrek? De Hoge Raad heeft zich in april tweemaal uitgelaten over omzetbelasting (of: btw) bij de bouw/verbouwing

Nadere informatie

De Nederlandsche Bank N.V. Consultatie. CRD II Implementatie (nieuwe) Regeling Hybride kapitaalinstrumenten banken 2010

De Nederlandsche Bank N.V. Consultatie. CRD II Implementatie (nieuwe) Regeling Hybride kapitaalinstrumenten banken 2010 De Nederlandsche Bank N.V. Consultatie CRD II Implementatie (nieuwe) Regeling Hybride kapitaalinstrumenten banken 2010 28 juni 2010 1 Regeling van De Nederlandsche Bank NV van [datum], tot vaststelling

Nadere informatie

Kluwer Online Research

Kluwer Online Research Weekblad voor Fiscaal Recht Afnemer in de btw: wie is het? Auteur: Mevr. mr. dr. M.M.W.D. Merkx[1] Op 2 december 2011 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over de bewijslastverdeling betreffende het

Nadere informatie

Een ruimere uitleg van de btw-fiscale eenheid

Een ruimere uitleg van de btw-fiscale eenheid De btw-fiscale eenheid was in 2013 een actueel onderwerp in de jurisprudentie. In dit artikel gaan wij in op de ruimere toepassing die naar onze opvatting het gevolg is van de recentelijk gewezen jurisprudentie.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 272 Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (aanpassing regime ter zake van de afkoop van verplichtingen tot alimentatie of tot verrekening

Nadere informatie

Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen. Besluit van 26 maart 2013, nr. BLKB/2013/400M,

Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen. Besluit van 26 maart 2013, nr. BLKB/2013/400M, Omzetbelasting. Kleine ondernemersregeling Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen Besluit van 26 maart 2013, nr. BLKB/2013/400M, De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Nadere informatie

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 augustus 1985,

Nadere informatie

Een onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen

Een onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen Een onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen Masterthesis Fiscale Economie Naam: Ruby- Jane de Jong Administratienummer: s505882 Universiteit:

Nadere informatie

De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij?

De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij? De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij? Door: mr. A.M. Kruijer 2012/2013 Inhoudsopgave Inleiding 3 Hoofdstuk 1 De integratieheffing

Nadere informatie

De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap

De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap Rashmi Gangaram Panday 5606306 Semester 2, studiejaar 2008/2009 Juli 2009 Bachelorscriptie Begeleider : dhr. mr. drs. W.A.P.

Nadere informatie

(Ver)bouwen; het fiscale bestek

(Ver)bouwen; het fiscale bestek ;#B#M*/ IÖs (Ver)bouwen; het fiscale bestek Mr. M.A. Broekman en mr. D.J.M. Westerhoff 1 1. Inleiding Bij de afweging een onroerende zaak te renoveren of geheel te slopen en een nieuwe onroerende zaak

Nadere informatie

Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507

Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Besluit heffingsrente Directoraat-generaal Belastingdienst, Brieven en beleidsbesluiten Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507

Nadere informatie

BTW. Academiejaar 2009-2010 samenvatting - Jeroen De Mets 1

BTW. Academiejaar 2009-2010 samenvatting - Jeroen De Mets 1 BTW 1. INLEIDING...2 A. DEFINITIE...2 B. OUD EN NIEUW STELSELSTELSEL...2 2. DE BTW-PLICHTIGE VAN RECHTSWEGE...2 3. DE TOEVALLIGE BTW-PLICHTIGE...3 4. DE BELASTBARE FEITEN...3 A. ALGEMEEN...3 B. OVERZICHT...4

Nadere informatie

De exploitatievennootschap A wenst uit te breiden. Momenteel huurt zijn een pand om haar fabriekswerkzaamheden in uit te voeren.

De exploitatievennootschap A wenst uit te breiden. Momenteel huurt zijn een pand om haar fabriekswerkzaamheden in uit te voeren. Situatieschets De exploitatievennootschap A wenst uit te breiden. Momenteel huurt zijn een pand om haar fabriekswerkzaamheden in uit te voeren. De bedoeling is dat deze vennootschap een terrein aankoopt

Nadere informatie

Btw-heffing over sportbeoefening en het geven van gelegenheid tot sportbeoefening

Btw-heffing over sportbeoefening en het geven van gelegenheid tot sportbeoefening drs. Klaas Dijkstra; mr. Iris Duinker 1 Btw-heffing over sportbeoefening en het geven van gelegenheid tot sportbeoefening Het rommelt in de btw-regelgeving ten aanzien van sportbeoefening, zowel voor wat

Nadere informatie

32 129 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

32 129 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 32 129 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) NOTA VAN WIJZIGING Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 1 Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure 1 Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 162, d.d. 6 juli 2011 (mr. P.A. Offers, voorzitter, prof. mr. drs. M.L. Hendrikse en mr. B.F. Keulen) Samenvatting Betalingsbeschermingsverzekering.

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.12.2006 COM(2006) 802 definitief Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij Estland, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk worden gemachtigd

Nadere informatie

Addendum behorende bij de vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties (d.d. 15 januari 2007) Projectgroep Belco 14 maart 2007

Addendum behorende bij de vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties (d.d. 15 januari 2007) Projectgroep Belco 14 maart 2007 Addendum behorende bij de vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties (d.d. 15 januari 2007) Projectgroep Belco 14 maart 2007 INHOUDSOPGAVE I Partijen II Addendum en Vaststellingsovereenkomst

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2015:1353 Permanente link:

ECLI:NL:HR:2015:1353 Permanente link: ECLI:NL:HR:2015:1353 Permanente link: http://deeplink. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 29-05-2015 Datum publicatie 29-05-2015 Zaaknummer 14/01134 Formele relaties In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:138,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 713 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een compartimenteringsreserve (Wet compartimenteringsreserve)

Nadere informatie

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014 arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer :200.140.465101 KG zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2002 2003 Nr. 234 28 887 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de in beginsel tijdelijke invoering van een omzetbelastingregeling

Nadere informatie

Hoge Raad, 8 maart 2013 12/02061, LJN: ECLI:NL:HR:2013:BZ3574 (Uitleg begrip vervaardiging)

Hoge Raad, 8 maart 2013 12/02061, LJN: ECLI:NL:HR:2013:BZ3574 (Uitleg begrip vervaardiging) TBR 2013/151 Hoge Raad, 8 maart 2013 12/02061, LJN: ECLI:NL:HR:2013:BZ3574 (Uitleg begrip vervaardiging) Mr. J.A.C.A. Overgaauw, mr. D.G. van Vliet, mr. C.B. Bavinck, mr. E.N. Punt en mr. P.M.F, van Loon

Nadere informatie

Btw-vrij reizen in Nederland, het kan echt!

Btw-vrij reizen in Nederland, het kan echt! Btw-vrij reizen in Nederland, het kan echt! Door mr. J.P. Hulshof * 20 Op 15 mei 2009 heeft de HR uitspraak gedaan in een aantal vergelijkbare zaken over buitenlandse reisbureaus die reizen organiseerden

Nadere informatie

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233

Nadere informatie

van de heren Dirk Van Mechelen, Jan Peumans, Koen Van den Heuvel, Ludo Sannen, Filip Watteeuw en Lode Vereeck

van de heren Dirk Van Mechelen, Jan Peumans, Koen Van den Heuvel, Ludo Sannen, Filip Watteeuw en Lode Vereeck stuk ingediend op 789 (2010-2011) Nr. 1 9 november 2010 (2010-2011) Voorstel van decreet van de heren Dirk Van Mechelen, Jan Peumans, Koen Van den Heuvel, Ludo Sannen, Filip Watteeuw en Lode Vereeck houdende

Nadere informatie

$ 100,000 (2punten) Pand gebruik genot $ 417,500 50% $ 208,750 Boekwaarde $ 250,000 -/- 1 Hypotheek $ 100,000 +/+ 1.

$ 100,000 (2punten) Pand gebruik genot $ 417,500 50% $ 208,750 Boekwaarde $ 250,000 -/- 1 Hypotheek $ 100,000 +/+ 1. Opgave 1 Activa Fiscale Werkelijke Passiva Fiscale Werkelijke boekwaarde waarde boekwaarde waarde Alternatief per goed Bedrijfspand 250,000 350,000 Kapitaal 337,500 667,500 getal 2 (x3) Voorraad 200,000

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 102 d.d. 2 november 2009 (mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en drs. A.I.M. Kool) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Fiscaal bouwrecht. belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht; 2. de invoer van goederen.'

Fiscaal bouwrecht. belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht; 2. de invoer van goederen.' Tijdschrift voor Bouwrecht Fiscaal bouwrecht TBR 2013/150 Hof van Justitie EU, 8 november 2012 C 299/Ï1 (Reikwijdte integratieheffing) A. Tizzano, A. Borg Barthet, M.Ilesic (rapporteur), E. Levits en M.

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 juli 1992 *

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 juli 1992 * K" LINE AIR SERVICE EUROPE ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 juli 1992 * In zaak C-131/91, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel,

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen Uitspraak GERECHTSHOF VHERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Uitspraak op het hoger beroep van * ^ p n i a w a ï i i b.v., gevestigd te > hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak

Nadere informatie

FREBLO0221b Herziening aftrek omzetbelasting (art. 15-6 Wet jo. art. 11-14a Uitv. besch. OB)

FREBLO0221b Herziening aftrek omzetbelasting (art. 15-6 Wet jo. art. 11-14a Uitv. besch. OB) FREBLO0221b Herziening aftrek omzetbelasting (art. 15-6 Wet jo. art. 11-14a Uitv. besch. OB) Motiveer je antwoorden en vermeld de belangrijkse wetsartikelen. Tenzij anders vermeld worden de prestaties

Nadere informatie

Ondernemerschap door voorbereiding

Ondernemerschap door voorbereiding Ondernemerschap door voorbereiding Een onderzoek naar de invloed van duurzame voorbereidende handelingen op het btw-ondernemerschap ingeval van incidentele prestaties Door: Jeroen de Jong 2011/ 2012 Inhoudsopgave

Nadere informatie

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen: '"Sr "- AANTEKENEN Hoge Raad der Nederlanden Postbus 20303 2500 EH 'S-GRAVENHAGE Datum Referentie Betreft beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (08/00041) op het hoger beroep

Nadere informatie

TBR 2014-14: Vaststelling WOZ waarde Page 1 of 5

TBR 2014-14: Vaststelling WOZ waarde Page 1 of 5 TBR 2014-14: Vaststelling WOZ waarde Page 1 of 5 Hoge Raad 9-8-2013, 12/03419, ECLi:NL;HR;23i3;477 (Vaststelling WOZ waarde) Mr. M.W.C. Feteris, mr. N. Punt, mr. C. Schaap, mr. P.M.F, van Loon en mr. R.J.

Nadere informatie

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen Regeling met België inzake ontslaguitkeringen Besluit 22-06-2006 nr CPP2006-1404 Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling. Sector Ontwerp. Aspectgebied Internationaal belastingrecht

Nadere informatie

Rechtbank Gelderland 05-03-2015 06-03-2015 AWB - 14 _ 4451. Belastingrecht

Rechtbank Gelderland 05-03-2015 06-03-2015 AWB - 14 _ 4451. Belastingrecht ECLI:NL:RBGEL:2015:1431 http://d Deeplink Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Gelderland 05-03-2015 06-03-2015 AWB - 14

Nadere informatie

HOE NEUTRAAL IS DIT? Naam Studentnr. Begeleider Datum Opleidingsinstituut Opleiding

HOE NEUTRAAL IS DIT? Naam Studentnr. Begeleider Datum Opleidingsinstituut Opleiding Ontbreken van btw-aftrekrecht van gemeenten op de aanlegkosten van gemeenschapsvoorzieningen bij de uitvoering van bestemmingsplannen HOE NEUTRAAL IS DIT? Naam Studentnr. Begeleider Datum Opleidingsinstituut

Nadere informatie

De schijnbaar oneindige discussie over bouwterreinen

De schijnbaar oneindige discussie over bouwterreinen Begraafplaatsen Recent heeft rechtbank Den Haag een beslissing genomen over de behandeling van gemeentelijke begraafplaatsen voor het BTW-compensatiefonds. De rechtbank hanteert daarvoor een bijzondere

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur) Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/00631 uitspraakdatum: 18 maart 2014 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van

Nadere informatie

VERVREEMDEN VAN EEN NIEUW GEBOUW MET BTW

VERVREEMDEN VAN EEN NIEUW GEBOUW MET BTW VERVREEMDEN VAN EEN NIEUW GEBOUW MET BTW Van vele ondernemingen maken de bedrijfsgebouwen nog steeds een belangrijk actief uit. Voor de ondernemer zal de toepassing van registratierechten of van BTW de

Nadere informatie

Interne rente bij de vaste inrichting

Interne rente bij de vaste inrichting 3 Internationaal Belastingrecht en Dividendbelasting Master Internationaal en Europees Belastingrecht Universiteit van Amsterdam Interne rente bij de vaste inrichting Het in aanmerking nemen van interne

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2016:72

ECLI:NL:GHAMS:2016:72 ECLI:NL:GHAMS:2016:72 Permanente link: http://deepl Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 12-01-2016 Datum publicatie 20-01-2016 Zaaknummer 14/01023 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:10956,

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013 Datum van inontvangstneming : 04/03/2013 Vertaling C-49/13 1 Zaak C-49/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 29 januari 2013 Verwijzende instantie: Úřad průmyslového vlastnictví

Nadere informatie

Btw, overdrachtsbelasting en onroerend goed

Btw, overdrachtsbelasting en onroerend goed DE ONROERENDGOEDMARKT: AANSPORING TOT VERANDERING Btw, overdrachtsbelasting en onroerend goed Erasmus Universiteit Rotterdam prof. dr. R.N.G. van der Paardt 19 juni 2015 Onderwerpen Bouw en ingrijpende

Nadere informatie

Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie. Bouwterrein in de btw : Tijd om te slopen?

Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie. Bouwterrein in de btw : Tijd om te slopen? ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie Nadruk verboden Bouwterrein in de btw : Tijd om te slopen? Naam John Abadier Nummer 303161 Begeleider Prof. Dr. R.N.G.

Nadere informatie