University of Groningen. Meten van taalbegrip en taalproductie Eldik, Margaretha Corstiana Maria van

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "University of Groningen. Meten van taalbegrip en taalproductie Eldik, Margaretha Corstiana Maria van"

Transcriptie

1 University of Groningen Meten van taalbegrip en taalproductie Eldik, Margaretha Corstiana Maria van IMPORTANT NOTE: You are advised to consult the publisher's version (publisher's PDF) if you wish to cite from it. Please check the document version below. Document Version Publisher's PDF, also known as Version of record Publication date: 1998 Link to publication in University of Groningen/UMCG research database Citation for published version (APA): Eldik, M. C. M. V. (1998). Meten van taalbegrip en taalproductie: constructie, normering en validering van de Reynell Test voor taalbegrip en de Schlichting Test voor taalproductie Groningen: s.n. Copyright Other than for strictly personal use, it is not permitted to download or to forward/distribute the text or part of it without the consent of the author(s) and/or copyright holder(s), unless the work is under an open content license (like Creative Commons). Take-down policy If you believe that this document breaches copyright please contact us providing details, and we will remove access to the work immediately and investigate your claim. Downloaded from the University of Groningen/UMCG research database (Pure): For technical reasons the number of authors shown on this cover page is limited to 10 maximum. Download date:

2 Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE EN DOELSTELLING 1.1 INLEIDING Deze dissertatie betreft instrumenteel nomologisch onderzoek: onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de constructie, validering en normering van een tweetal tests voor taalontwikkeling: de Reynell Test voor Taalbegrip (Van Eldik, Schlichting, Lutje Spelberg, B.F. van der Meulen & Sj. van der Meulen, 1995) en de Schlichting Test voor Taalproductie (Schlichting, Van Eldik, Lutje Spelberg, Sj. van der Meulen & B. F. van der Meulen, 1995). Met deze tests kan de taalontwikkelingsstand van kinderen in het leeftijdsbereik van anderhalf tot ruim zes jaar worden bepaald. Het gaat hierbij om eerste taalverwerving voor zover dit de Nederlandse taal betreft. De tests zijn bedoeld voor gebruik in de psychologische, (ortho-)pedagogische en logopedische praktijk. Afname van de Reynell Test voor Taalbegrip en de Schlichting Test voor Taalproductie dient met name om een methodisch oordeel te verkrijgen, via een gecontroleerde en gestandaardiseerde wijze van informatieverzameling (zie bijvoorbeeld Hofstee, 1974, p. 88), over de stand van de taalontwikkeling van een kind, wanneer bij dat kind problemen op het gebied van de taalontwikkeling worden vermoed. De testresultaten moeten een bijdrage leveren aan de besluitvorming omtrent het al dan niet overgaan tot remediëring en de wijze van remediëring. Dat diagnostiek en behandeling van taalproblemen nodig zijn behoeft nauwelijks betoog. Taal is een belangrijk instrument bij het denken en de communicatie, en taalontwikkeling is nauw verbonden met de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Taal is een belangrijk aandachtspunt van de opvoeding en een belangrijk onderwerp binnen het onderwijs. Behalve een doel is taal, als communicatiemiddel, een belangrijk middel bij de opvoeding en het onderwijs. Goorhuis en Schaerlaekens (1994) stellen bijvoorbeeld dat het vermogen tot spreken (in feite: deelnemen aan een gesprek) de grens bepaalt tussen opvoeding en voorbereidende opvoeding. Een vertraagde of gestoorde taalontwikkeling draagt in dit licht een ernstig risico met zich mee van problemen op het vlak van de cognitieve ontwikkeling (zie bijvoorbeeld Dumont, 1974) en meer in het bijzonder van verschillende soorten van leesproblemen (Van der Leij, 1994). Ook kan een vertraagde of gestoorde taalontwikkeling via beperkte communicatieve mogelijkheden tussen het kind en zijn opvoeders en gevoelens van incompetentie bij het kind leiden tot sociaal-emotionele problemen (zie 1

3 bijvoorbeeld Goorhuis-Brouwer, 1994; Eleveld, Nakken & Goorhuis-Brouwer, 1994 en Goorhuis-Brouwer, Nakken & Van den Berg, 1996). Gezien het voorafgaande is het van groot belang dat er adequate interventie plaatsvindt wanneer bij kinderen de taalontwikkeling niet vanzelf gaat. Goed instrumentarium voor zowel de diagnostiek als de evaluatie van remediëringsprogramma's op het gebied van de taalontwikkeling levert een bijdrage aan de kwaliteit van deze interventie. In de nu volgende paragrafen van dit hoofdstuk worden plaatsbepaling en doelstelling van het onderzoek met betrekking tot de Reynell Test voor Taalbegrip en de Schlichting Test voor Taalproductie gegeven. 1.2 PLAATSBEPALING Het onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van de beide tests is uitgevoerd in het kader van het project Meten van taalbegrip en taalproductie met de Reynell Taalontwikkelingsschalen (NWO-project ; Lutje Spelberg & Van der Meulen, 1989). In eerste instantie werd gedacht aan het ontwikkelen van één enkele test, die zowel een taalbegrips- als een taalproductiegedeelte zou bevatten. In de projectnaam is de voorlopige werktitel van het te construeren instrument Reynell Taalontwikkelingsschalen (RTOS). Tegen het einde van het project is echter besloten het instrument in twee gedeelten uit te geven onder de namen Reynell Test voor Taalbegrip en Schlichting Test voor Taalproductie. De noodzaak voor een naamswijziging wordt aangegeven in paragraaf Het project is uitgevoerd aan de vakgroep Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen en aan de vakgroep KNO/Foniatrie van de Rijksuniversiteit Utrecht. Het project is gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek, de gefinancierde periode liep van juli 1990 tot juli Het doel van het project was de constructie en normering van een Nederlandse test voor de taalontwikkeling van jonge kinderen, met als uitgangspunt en model de Reynell Developmental Language Scales (RDLS; Reynell, 1977, 1985). De reden voor het construeren en normeren van een Nederlandse taaltest voor jonge kinderen was dat er in de praktijk een behoefte bestond (zie bijvoorbeeld: Van Heck, Jansma & Van Ierland, 1984) aan een diagnostisch instrument op het gebied van de taalontwikkeling voor een leeftijdsbereik van anderhalf tot zes jaar, terwijl er geen valide genormeerd instrument voor het leeftijdsbereik tot vier jaar voorhanden was. Een overlap (van vier tot zes jaar) van het nieuw te ontwikkelen instrument met bestaande instrumenten was daarbij wenselijk voor de diagnostiek van problematische taalontwikkeling. De taalontwikkelingsstand van bijvoorbeeld een kind van net vier jaar met een forse achterstand in zijn taalontwikkeling kan noch goed worden bepaald met een instrument waarvan de normering tot vier jaar loopt, noch met een instrument waarvan de normering vanaf vier jaar loopt. 2

4 Voor kinderen van drie tot zes jaar bestond er het VTO Taal Screenings Instrument (TSI; Gerritsen, 1988). Dit instrument is bedoeld voor het opsporen van kinderen met een vertraagde en/of afwijkende taal- en spraakontwikkeling, op grond waarvan eventueel verwijzing voor diagnostisch onderzoek volgt. De doelstelling en omvang van een screeningsinstrument zijn beperkter dan die van een test. Terwijl een screeningsinstrument gericht is op selectie van personen op grond van een bepaald criterium, is een gestandaardiseerde psychologische test bedoeld voor differentiatie tussen personen op verschillende vaardigheids- of ontwikkelingsniveaus (Anastasi, 1990, p. 189 en p. 209). Voor leeftijden vanaf vier jaar bestonden op het moment dat het project startte de Taaltest voor Kinderen (TVK; Van Bon, 1982), de Utrechtse Taalniveau Test (U- TANT; Kohnstamm, Messer & de Vries, 1971; Kohnstamm & Sanavro, 1980) en de Taaltest Allochtone kinderen (TAK, Verhoeven & Vermeer, 1986). De TVK meet de taalvaardigheid van kinderen van vier tot negen jaar. Het enige bezwaar tegen de TVK is dat met dit instrument de taalontwikkelingsstand van kinderen met een taalachterstand in het begin van het leeftijdsbereik van de test niet nauwkeurig kan worden bepaald. Voor de andere hier genoemde instrumenten gelden, naast dit bezwaar nog andere bezwaren. De UTANT meet niet alle aspecten van de taalontwikkeling van kinderen van vier tot zeven jaar en de normering van dit instrument is beperkt. De TAK is specifiek gericht op tweede taalverwervers en meet mondelinge taalvaardigheid in het Nederlands van kinderen van vijf tot zeven jaar. Tenslotte wordt behoeve van de taaldiagnostiek ook nog wel gebruik gemaakt van de onderdelen Verhaaltje vertellen en Zinnen nazeggen van de Leidse Diagnostische test (LDT; Schroots & Van Alphen de Veer, 1976) gebruikt. Dit is echter een algemene intelligentietest voor kinderen van vier tot acht jaar, die niet primair gericht is op het meten van taalontwikkeling. De twee genoemde subtests bestrijken daarbij maar een zeer beperkt gebied van de taalontwikkeling. Naast de bovengenoemde instrumenten bestonden op het moment dat het project startte de volgende instrumenten die zich beperken tot één aspect van taalontwikkeling: de Actieve woordenschattest (AWT; Jans & Albrecht, 1988) voor kinderen van vier tot zeven jaar; de Proefkreche Woordenschattest (PKW; Kohnstamm, Van der Lem & Den Hartog, 1979) voor kinderen van twee tot vier jaar; en de Peabody Picture Vocabulary Test (PPVT; Manschot & Bonnema, 1974) voor kinderen van tweeëneenhalf tot viereneenhalf jaar. Al deze instrumenten meten de ontwikkeling van de woordenschat. Bij geen van deze instrumenten is echter de normering voldoende (zie: Evers, Van Vliet-Mulder & Ter Laak, 1992). Een uitgebreid overzicht van instrumenten voor het meten van taalontwikkeling is te vinden in de bijdrage van Hoogenkamp, Hulskamp, Drubbel en De Blauw (1992) aan het Handboek Psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen (Kievit, De Wit, Groenendaal & Tak, 1992). Een bespreking van de genoemde tests is te vinden in Evers, Van Vliet- Mulder en Ter Laak (1992) en in Van den Dungen en Verboog (1991). 3

5 Tenslotte waren er op het moment dat het project startte, behalve tests, spontane taalanalyse-methoden voorhanden. Deze worden met name ingezet voor het verkrijgen van een gedifferentieerd oordeel over de ontwikkeling van de taalproductie. Van den Dungen en Verboog (1991, p. 127) merken op dat een spontane taalanalyse beter geschikt is voor het onderzoeken van de taalproductie dan een test. Zij kwamen wellicht tot deze uitspraak omdat er voor een uitgebreide diagnostiek van de taalproductie in feite voor publicatie van de Schlichting Test voor Taalproductie geen tests bestonden. Spontane taalanalysemethoden voor de Nederlandse taal zijn: de Grammaticale Analyse van Taalontwikkelingsstoornissen (GRAMAT; Bol & Kuiken, 1989), voor kinderen van negen maanden tot vier jaar, de Spontane Taal Analyse Procedure (STAP; Van Ierland, 1980; Van Ierland, Van Dungen & Verbeek, 1994) voor kinderen van vier tot acht jaar; de Taalanalyse, Remediëring en Screening Procedure (TARSP; Verhulst-Schlichting, 1987; Schlichting, 1993), voor kinderen van één tot vier jaar en het Taalonderzoek via Analyse van Spontane Taal (TOAST; Moerman-Coetsier & Van Besien, 1987). Om te voorzien in de lacune van een test voor het meten van de taalontwikkeling in het leeftijdsbereik tot zes jaar werd zoals gezegd besloten een instrument te ontwikkelen dat gebaseerd is op de RDLS. Deze keuze is gebaseerd op 1) het bestaan van een kennelijke behoefte; 2) internationale erkenning en 3) de inrichting van het instrument1 1. ad 1: Sinds de vertaling van Bomers en Mugge (1985, 1989) wordt de RDLS algemeen in Nederland en België gebruikt. Naast Bomers en Mugge zijn er vermoedelijk nog allerlei particuliere vertalingen van de RDLS in Nederland in omloop. In een gebruikersonderzoek onder ervaren logopedisten, psycholinguïsten en orthopedagogen bleek dat de test als zeer geschikt werd beoordeeld om in een Nederlandse versie de taalontwikkeling van Nederlandse kinderen te meten (Veen, 1984, 1987). Ook in een vergelijkend onderzoek naar Nederlandse taaltests (Van Heck, Jansma & Van Ierland, 1984, p. 88) werd de RDLS positief beoordeeld, vooral voor wat betreft het gedeelte dat taalbegrip meet. De wenselijkheid van een Nederlandse normering van de RDLS wordt in de hier genoemde publicaties dan ook aangegeven, evenals in Van den Dungen en Verboog (1991). Over een tweetal onderdelen in het gedeelte van de test dat taalproductie meet, de subtests Taalstructuur en Taalinhoud wordt door dezelfde auteurs en gebruikersgroepen echter ongunstig geoordeeld. In paragraaf wordt nader ingegaan op de kritiek op deze testonderdelen. 1 In deze dissertatie worden de Reynell Test voor Taalbegrip en de Schlichting Test voor Taalproductie zowel met het woord test als met het woord instrument aangeduid. 4

6 ad 2: Internationaal staat de test in hoog aanzien. De Engelstalige versie is genormeerd op basis van een steekproef van 1318 kinderen, waarbij de betrouwbaarheid (split-half) tot de leeftijd van zes jaar bij het onderdeel Taalproductie (gemiddeld.93) en tot vijfeneenhalf jaar bij het onderdeel Taalbegrip (gemiddeld.92) zeer hoog bleek (Reynell, 1985). De predictieve - en begripsvaliditeit van de RDLS is onderzocht in een Nieuw-Zeelandse studie (Silva, Spears & Bradshaw, 1979) bij 225 kinderen. Bij deze kinderen werd op vierjarige leeftijd de RDLS afgenomen, tezamen met andere taaltests en verschillende intelligentietests. Op zevenjarige leeftijd werden bij deze kinderen lees- en intelligentietests afgenomen. Zowel de convergente en discriminante validiteit als de predictieve validiteit van de RDLS bleken bevredigend, met name voor het onderdeel Taalbegrip. Zie paragraaf voor een bespreking van de resultaten van deze studie. ad 3: De RDLS is zodanig ingericht, dat een afzonderlijk, en zoveel mogelijk onderling onafhankelijk oordeel kan worden gevormd over het begrips- en productieniveau van gesproken taal. Deze klassieke indeling in modaliteiten van taal (zie bijvoorbeeld: De Saussure, 1916; Wundt, 1900) wordt vaak gehanteerd bij het beschrijven van psycholinguïstistische processen (zie paragraaf 2.3.1) en is relevant voor de diagnostiek en behandeling van taalproblemen bij kinderen. Problemen in de taalontwikkeling kunnen zich in ieder geval voordoen bij uitsluitend de productie van taal en bij zowel het begrijpen als het produceren van taal. Een taalprobleem dat uitsluitend gelegen is in het begrip van taal is theoretisch wel mogelijk maar komt bij kinderen bij wie het taalverwervingsproces nog niet is afgerond vermoedelijk niet voor. Een begripsprobleem leidt, na zijn ontstaan, tot een gereduceerd of wegvallend taalaanbod, waardoor ook de latere productieve taalontwikkeling belemmerd zal worden. Problemen met zowel de productie als het begrip van taal komen het vaakst voor. Bij deze kinderen is veelal het begrip minder aangetast dan de productie (zie bijvoorbeeld Bol & Kuiken, 1987; zie ook paragraaf 7.3.4). Het risico dat de taalproblemen langdurig zullen zijn is bij deze groep kinderen is het grootst, (Silva, 1980). Omdat er in ieder geval sprake kan zijn van een verschil in ontwikkelingsniveau van begrip en productie van taal is het van belang hierover een uitspraak te kunnen doen met behulp van een diagnostisch instrument. Tevens is het van belang dat begrip en productie zoveel mogelijk onderling onafhankelijk van elkaar kunnen worden gemeten: ook bij kinderen die niet of nauwelijks spreken wil de diagnosticus kunnen vaststellen wat het kind begrijpt van de taal die er tegen hem gebruikt wordt. Eén van de uitgangspunten bij de bewerking van de RDLS (zie paragraaf 4.1.3) is dan ook het handhaven van deze opzet bij de bewerking. 5

7 De Reynell Test voor Taalbegrip is voor een groot deel gebaseerd op de RDLS. Dit deel is herzien in samenwerking met een onderzoeksprojectgroep uit Leuven, die een bewerking en normering van de RDLS tot voor het Vlaamse taalgebied tot doel had (Schaerlaekens, 1988). Hierbij moet worden opgemerkt dat het Nederlandse instrument in de praktijk een uitgebreider leeftijdsbereik heeft gekregen ten opzichte van de oorspronkelijke RDLS maar ook ten opzichte van de Leuvense bewerking. De Schlichting Test voor Taalproductie kan na afloop van het project niet meer worden gezien als een bewerking van de RDLS. Aanvankelijk opgezet als een gedeeltelijk nieuw Nederlands onderdeel van de test, hebben de resultaten van het onderzoek met het testmateriaal gedurende het onderhavige project geleid tot een geheel nieuw Nederlands instrument. Slechts zes items in het onderdeel Woordontwikkeling zijn hierbij nog afkomstig van de RDLS. Ten aanzien van de RDLS-subtest Taalstructuur was er bij het schrijven van de subsidieaanvraag reeds besloten dit onderdeel te vervangen door een onderdeel voor het meten van de grammaticale ontwikkeling met een geheel nieuwe opzet. Uiteindelijk kreeg dit nieuwe onderdeel de naam Test voor Zinsontwikkeling. Ten aanzien van de overige RDLS-subtests voor het meten van taalproductie, te weten Woordenschat en Taalinhoud, werd gedurende de uitvoer van het project het volgende besloten. De subtest Woordenschat werd vervangen door een nieuw onderdeel voor de lexicale ontwikkeling met de naam Test voor Woordontwikkeling. De subtest Taalinhoud werd uiteindelijk niet opgenomen in de Schlichting Test voor Taalproductie. De keuze voor constructie voor een nieuw onderdeel voor de grammaticale ontwikkeling valt als volgt te motiveren. De in de RDLS opgenomen subtest Taalstructuur heeft een onvoldoende interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en validiteit en discrimineert onvoldoende vanaf een leeftijd van vier jaar. In het eerder aangehaalde gebruikersonderzoek (Veen, 1984, 1987) bleek dan ook dat slechts enkele van de ondervraagde gebruikers gebruik maakten van dit testonderdeel. In het algemeen wordt, om een gedifferentieerd oordeel over het taalproductieniveau van een kind te verkrijgen een spontane taalanalyse uitgevoerd. De Nederlandse methoden voor analyse van spontane taal zijn eerder in deze paragraaf genoemd. Algemeen geldt voor methoden voor analyse van spontane taal dat ze zeer arbeidsintensief zijn voor de gebruiker. Dit bezwaar geldt niet voor de nieuwe opzet van de Test voor Zinsontwikkeling van de Schlichting Test voor Taalproductie. Met de items van dit onderdeel worden grammaticale structuren uitgelokt door middel van gemodelleerde imitatie (zie paragraaf voor een nadere toelichting op dit begrip) in een gestructureerde spelsituatie. Vergeleken met methoden voor analyse van spontane taal zijn er twee voordelen verbonden aan deze opzet, namelijk: 1) de aanzienlijke tijdwinst en 2) de gestandaardiseerde testsituatie. De Test voor Zinsontwikkeling wordt uitgebreid beschreven in Wat betreft de subtest Woordenschat van de RDLS is gedurende de uitvoering van het project besloten deze subtest te vervangen door een geheel nieuw onderdeel 6

8 met de naam Test voor Woordontwikkeling. Tegen de subtest Woordenschat leefden bij de medewerkers van de projectgroep de volgende bezwaren: de testtaken zijn te heterogeen, de subtest doet een relatief groot beroep op denken en een gering beroep op taal en de scoringswijze is te gecompliceerd. Uit de gegevens van Reynell (1977, 1985) valt te concluderen dat de subtest vanaf een leeftijd van ongeveer vier jaar onvoldoende discrimineert. De Leuvense onderzoekers hebben verbeteringen in deze subtest aangebracht, te weten een uitbreiding van het leeftijdsbereik en een uitgebreide scoringsinstructie. In eerste instantie is deze Vlaamse versie van Woordenschat in het constructieonderzoek opgenomen. Toen echter de eerste resultaten van deze subtest voor het in Nederland gewenste leeftijdsbereik onvoldoende bleken te zijn (zie paragraaf 5.2.1) is gekozen voor een andere opzet, die een ruimer leeftijdsbereik mogelijk maakte en waarbij ook aan de andere bezwaren tegemoet kon worden gekomen. De nieuwe Test voor Woordontwikkeling bestaat uitsluitend uit items waarbij de taak van het kind benoemen is. Bij de eerste zes items, de eenvoudigste, afkomstig van de RDLS, worden voorwerpen benoemd. In de rest van het onderdeel worden begrippen benoemd met behulp van plaatjes. De begrippen zijn onderverdeeld in drie categorieën, te weten: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en een derde categorie met bijvoeglijke naamwoorden, bijwoordelijke bepalingen, bijwoorden en voorzetsels. Voor elk van de drie categorieën kan een aparte score worden berekend. In paragraaf wordt de Test voor Woordontwikkeling uitgebreid beschreven. De subtest Taalinhoud is niet opgenomen in het constructieonderzoek omdat de subtest in zijn bestaande vorm niet voldeed (zie paragraaf 4.2.5). De projectgroep besloot daarom de op dat moment nog in gang zijnde ontwikkeling van een nieuwe scoringsmethode voor deze subtest door de Leuvense collega s (zie paragraaf 3.2.2) af te wachten. Bij het normeringsonderzoek is het testonderdeel evenmin opgenomen. De gecompliceerde en tijdrovende scoring achteraf door de testleider, in combinatie met de tegenvallende betrouwbaarheid vormt de belangrijkste reden voor het uiteindelijk niet opnemen van deze subtest. 1.3 DOELSTELLING VAN DIT ONDERZOEK Instrumenteel nomologisch onderzoek richt zich op het maken, standaardiseren en/of valideren van een meetinstrument (De Groot, 1961). Kenmerkend voor dit type onderzoek is, dat aan een nomologisch netwerk rondom een begrip wordt gewerkt en dat de instrumentele realisering van dat begrip het centrale probleem van het onderzoek is. Instrumenteel nomologisch onderzoek betreft instrumentele utiliteit; dat wil zeggen: de waarde van het instrument als representant van het begrip, dat men met het instrument wil meten (het begrip-zoals-bedoeld, zie De Groot, ibid., pag 261). Het onderhavige onderzoek richt zich op de instrumentele utiliteit van de Reynell Test voor Taalbegrip en de Schlichting Test voor Taalproductie, zoals gezegd tests 7

9 voor het meten van taalontwikkeling bij kinderen van anderhalf tot zes jaar. De centrale vraag van deze dissertatie is of deze in het project Meten van Taalbegrip en Taalproductie ontwikkelde tests zo goed mogelijk aan hun doel beantwoorden: het meten van taalbegrip en taalproductie ten behoeve van het diagnosticeren van achterstanden in de taalontwikkeling. De testresultaten moeten daarbij niet alleen informatie geven over de mate van het achterblijven van de taalontwikkeling, zodat ze een bijdrage leveren aan de besluitvorming omtrent het al dan niet overgaan tot remediëring, maar ook over de aard van de achterstand en daarmee aanknopingspunten bieden over de wijze van remediëring. Als belangrijkste criteria voor de instrumentele utiliteit noemt De Groot de validiteit, de precisie en de interne efficiëntie van een instrument. De validiteit valt in twee belangrijke soorten validiteit uiteen: de predictieve validiteit is de mate waarin een instrument de variatie van een criterium-variabele kan voorspellen, de begripsvaliditeit kan worden omschreven als de mate waarin het instrument zelf het te meten begrip representeert. De precisie van een instrument wordt door De Groot omschreven als de mate van nauwkeurigheid en stabiliteit waarmee het instrument meet. Deze eigenschappen van het instrument dienen te worden onderzocht door verschillende soorten van betrouwbaarheidsbepaling. De efficiëntie van een instrument wordt omschreven als de doeltreffendheid van de inrichting van het instrument en het streven naar een optimaal aan zijn doel beantwoorden van het instrument, bij een zo gering mogelijke investering in tijd en moeite, door gebruikers en proefpersonen. Verwant met de criteria van De Groot zijn de eisen die door Evers, Van Vliet- Mulder en ter Laak (1992) worden genoemd. Hun beoordelingssysteem van tests bestaat uit vragen die zijn gerangschikt rond vijf hoofdcategorieën. Deze zijn: de uitgangspunten bij de testconstructie, de uitvoering van het testmateriaal en de handleiding, de normen, de betrouwbaarheid en de validiteit. 2 In deze dissertatie worden ten aanzien van de Reynell Test voor Taalbegrip en de Schlichting Test voor Taalproductie de volgende vragen gesteld en beantwoord. 1) Hoe zijn de instrumenten ontwikkeld en ingericht en wat waren de uitgangspunten bij de ontwikkeling? 2) Wat is de betrouwbaarheid van de instrumenten? 3) Hoe is de normering van de instrumenten gerealiseerd? 4) Wat is er bekend over de validiteit van de instrumenten? 2 In deze dissertatie zullen de namen van de beide instrumenten veelal worden afgekort. De Reynell Test voor Taalbegrip wordt aangeduid met RTB, de Schlichting Test voor Taalproductie met STP. 8

10 De beantwoording van deze vragen in de nu volgende hoofdstukken wordt als volgt uitgewerkt. In Hoofdstuk 2 wordt een algemene theoretische oriëntatie met betrekking tot taal, taalontwikkeling en taalproblemen gegeven, waardoor de meetpretentie van het instrument wordt verduidelijkt. In Hoofdstuk 3 worden de organisatie van het project en de opzet van het onderzoek voor wat betreft de constructie en normering van de instrumenten beschreven. De ontwikkeling van het instrument, van de oorspronkelijke RDLS, via experimentele versies, naar de definitieve instrumenten: de Reynell Test voor Taalbegrip en de Schlichting Test voor Taalproductie, wordt beschreven in het vierde hoofdstuk. In Hoofdstuk 5 worden de belangrijkste resultaten betreffende betrouwbaarheid en itemanalyse van de instrumenten in de verschillende onderzoeksfasen en van de definitieve instrumenten gegeven. De wijze waarop de normering van de instrumenten heeft plaats gevonden en de resultaten van de normering zijn onderwerp van Hoofdstuk 6. In het zevende hoofdstuk wordt de vraag naar de validiteit, met name de begripsvaliditeit, van de beide tests behandeld. Hierbij wordt ook ingegaan op de theoretische relatie tussen taal- en cognitieve ontwikkeling. In Hoofdstuk 8 worden de uitkomsten van het onderzoek bediscussieerd, worden kritische kanttekeningen geplaatst en worden aanbevelingen gegeven, zowel ten aanzien van verder onderzoek als ten aanzien van het gebruik van de instrumenten. 9