Achtergrondrapport bij de Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Achtergrondrapport bij de Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg"

Transcriptie

1 Achtergrondrapport bij de Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg Oktober 2014 Auteurs: Lieke Raaijmakers, Gerda Rodenburg, Elske Wits (IVO) Marije Lans (Victas)

2 Colofon Achtergrondrapport bij de Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg Utrecht/ Rotterdam, oktober 2014 Auteurs: Lieke Raaijmakers, Gerda Rodenburg, Elske Wits (IVO) Marije Lans (Victas) Met medewerking van: Gerdien de Weert (Victas) Met dank aan medewerkers en cliënten van Basalt en de Oostvaarderskliniek die aan de richtlijn hebben meegewerkt Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het programma Kwaliteit Forensische Zorg van het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie (EFP)

3 Inhoud Voorwoord... 3 DEEL 1: Forensisch psychiatrische patiënten en middelenproblematiek Algemene inleiding op het thema van de richtlijn Definities DSM-criteria middelenmisbruik- en afhankelijkheid Prevalentie van middelenproblematiek binnen forensische populaties Relatie middelengebruik en crimineel gedrag, verklaringsmodellen Samenhang tussen middelengebruik en criminele recidive Comorbiditeit van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen Interactie psychische problemen en middelengebruik Consequentie voor de Richtlijn problematisch middelengebruik Aangrijpingspunten voor verandering Model van verslavingsgedrag: aangrijpingspunten voor verandering Terugval in middelengebruik Het belang van motiveren Risicomanagement Risk-Need-Responsivity model DEEL 2: Screening en diagnostiek Screening, diagnostiek en risicotaxatie middelengebruik Instrumenten voor het bepalen van middelengebruik en verslaving Diagnostiek van problematisch middelengebruik en delinquent gedrag Vaststellen comorbide problematiek Interacties tussen psychische problemen en middelengebruik MINI Internationaal Neuropsychiatrisch Interview Lichte verstandelijke beperking Monitoring van het middelengebruik DEEL 3: Risicotaxatie Risicotaxatie Overzicht van beschikbare risicotaxatie instrumenten Algemene risicotaxatie instrumenten voor de reclassering Risicotaxatie instrumenten voor de forensische zorg Instrumenten voor bepalen recidive risico bij verslavingsproblematiek Verplicht gestelde instrumenten conform vernieuwde Verlofbeleidskader TBS HCR-20 en HKT Psychopathy Checklist Revised (PCL-R) Structured Assessment of PROtective Factors (SAPROF) Overzicht betrouwbaarheid en overwegingen verplicht gestelde instrumenten DEEL 4: Behandeling en resocialisatie Fasering en soorten interventies Fasering van de behandeling Werkzame elementen in de behandeling Psychosociale behandeling

4 10.4 Medicamenteuze behandeling Urinecontrole als ondersteuning van de behandeling Resocialisatie Vormgeven van de resocialisatie Herstelondersteunende zorg Interventies en maatregelen gericht op vermindering problematisch middelengebruik Justitiële drangaanpak Controle- en sanctiemaatregelen ten aanzien van middelengebruik Drugsontmoedigingsbeleid in penitentiaire inrichtingen Interventie-aanbod verslavingsreclassering, nazorg Taken van de reclassering Interventies en instrumenten van de verslavingsreclassering Integrale aanpak gemeenten Nazorginterventies Referentielijst Bijlage 1 Beschrijving werkwijze terreinverkenning en literatuurstudie Bijlage 2 Pilots van de Richtlijn problematisch middelengebruik: verloop en uitkomst Bijlage 3 Implementatieplan richtlijn problematisch middelengebruik

5 Voorwoord Voor u ligt de achtergrondrapportage bij de Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg. Deze is in 2013 en 2014 door verslavingszorginstelling Victas en onderzoeksinstituut IVO ontwikkeld, in het kader van het programma Kwaliteit Forensische Zorg (KFZ). Deze achtergrondrapportage geeft verdiepende informatie bij de thema s die in de richtlijn aan de orde komen, en fungeert als naslagwerk bij de richtlijn. In de achtergrondrapportage is zoveel mogelijk informatie bij elkaar gebracht uit relevante richtlijnen en bronnen over het thema problematisch middelengebruik, risicotaxatie en risicomanagement in de klinische forensische setting. Zodoende hoeft de gebruiker van de richtlijn niet al deze verschillende bronnen te raadplegen. Wij danken iedereen die heeft meegewerkt aan het tot stand komen van de richtlijn en deze achtergrondrapportage

6 DEEL 1: Forensisch psychiatrische patiënten en middelenproblematiek Of problematische middelengebruikers crimineel en met name gewelddadig zijn wordt bepaald door interacties tussen een aantal factoren: de mate waarin het gebruik problematisch is, individuele psychologische, sociale en neurobiologische kenmerken, situationele factoren en verwachtingen omtrent het effect van middelen (Lammers e.a., 2014). Los daarvan hebben problematisch middelengebruik en crimineel gedrag veel gezamenlijke risico- en beschermende factoren (Brand e.a. 2009). In dit eerste deel van de achtergrondrapportage wordt ingegaan op problematisch middelengebruik in relatie tot delinquent gedrag, kenmerken van de doelgroep en aangrijpingspunten voor behandeling. Allereerst wordt in het eerste hoofdstuk aandacht besteed aan de definitie van problematisch middelengebruik. Daarna worden de volgende vragen beantwoord: Wat is de relatie van problematisch middelengebruik met het risico op criminele recidive? Wat zijn risicofactoren voor (terugval in) middelengebruik? Antwoord op deze vragen is nodig om een basis te geven voor diagnostiek, risicotaxatie en behandeling. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de comorbiditeit van middelenproblematiek en psychische stoornissen. In hoofdstuk 3 worden aanknopingspunten voor verandering beschreven. 1 Algemene inleiding op het thema van de richtlijn 1.1 Definities Met de algemene term problematisch middelengebruik wordt gedoeld op a) (incidenteel) problematisch gebruik van middelen of (b) verslaving aan middelen (zie Richtlijn problematisch middelengebruik). Bij de diagnose stoornis in het gebruik van een middel volgens de DSM-IV (APA, 2000), gaat het om een combinatie van (Franken & Van den Brink, 2009): - Psychische afhankelijkheid (hunkering, craving ) - Lichamelijke afhankelijkheid (tolerantie, onthoudingsverschijnselen); - Controleverlies (gebruik vaker of meer dan voorgenomen, niet kunnen stoppen met gebruik) - Lichamelijke en/of sociale gevolgen van het ongecontroleerde gebruik. Niet al deze verschijnselen hoeven op te treden. Psychische afhankelijkheid wordt tegenwoordig gezien als het centrale kenmerk (Franken & Van den Brink, 2009). In de DSM-5 (2013) zijn misbruik en afhankelijkheid samengevoegd tot één nieuwe stoornis in het gebruik van een middel. In deze onderbouwing en de richtlijn gebruiken we hiervoor de term verslaving. In de DSM-5 zijn de 11 DSM-IV-criteria voor misbruik (4 criteria) en afhankelijkheid (7 criteria) samengevoegd, terwijl het bestaande misbruikcriterium juridische problemen is vervangen door het nieuwe criterium craving (zie ook 1.2). Een patiënt voldoet aan de DSM-5 diagnose stoornis in het gebruik als hij of zij voldoet aan ten minste 2 van de 11 criteria, zoals beschreven in de Richtlijn problematisch middelengebruik. In de volgende paragraaf ( 1.2) wordt uitgebreider stilgestaan bij de oude en nieuwe DSM-criteria voor een stoornis in het gebruik van een middel

7 Traditioneel werd onderscheid gemaakt tussen psychische en lichamelijke afhankelijkheid. Tegenwoordig is dit onderscheid omstreden. Omdat de termen in de praktijk nog worden vaak gebruikt, wordt in box 1 een toelichting gegeven (van der Stel, 2012). Box 1: Toelichting op definities van psychische en lichamelijke afhankelijkheid (van der Stel, 2012) Van psychische afhankelijkheid of verslaving is sprake wanneer (het gebruik van) de stof zo n belangrijke plaats in het leven inneemt dat de betrokkene denkt en voelt er niet zonder te kunnen. Hij of zij voelt zich gedwongen driftig naar het middel op zoek te gaan en het snel te gebruiken, ook al heeft dit ongunstige en ongewenste gevolgen. Psychoactieve stoffen kunnen psychische afhankelijkheid teweegbrengen doordat ze bijdragen aan onder andere het volgende: - reductie van angst en spanning; - extase, euforie of andere plezierige stemmingsveranderingen; - gevoelens van toegenomen mentale en/of fysieke vermogens; - verandering van zintuiglijke waarnemingen. Aandachtspunten in dit verband zijn: - sensitisatie: het fenomeen dat na herhaald gebruik bepaalde psychomotorische en prikkelende, motiverende effecten van de psychoactieve stof toenemen; - de inschatting door de gebruiker, zoals de hunkering (craving) naar de stof; - het aantal verslaafden op het totale aantal gebruikers; - de gemiddelde duur van de periode tussen experimenteel gebruik en het moment dat psychische afhankelijkheid intreedt. Van fysieke afhankelijkheid is sprake wanneer de hersenen en het lichaam zich zodanig hebben aangepast aan de (voortdurende) blootstelling aan de stof, dat de herhaalde toediening nodig is om onthoudingssymptomen tegen te gaan. Aandachtspunten hierbij zijn: - tolerantie: de noodzaak om de dosis te verhogen om hetzelfde effect te bereiken; - onthoudingsverschijnselen; - de halfwaardetijd van het middel: hoe lang duurt het voordat de helft van de ingenomen hoeveelheid het lichaam verlaten heeft of is afgebroken; - reboundeffecten: de symptomen die de aanleiding waren voor het gebruik komen na onthouding in verhevigde mate terug dit treedt bijvoorbeeld op bij slaapmiddelen. Risicomanagement is het gestructureerd meten van de veiligheids- en recidiverisico s en daar een gericht en geïndividualiseerd begeleidings- en behandelingsaanbod op inzetten, met als doel het verminderen van de risicofactoren (EFP, 2013). Risicomanagement bestaat onder andere uit een gedegen, stapsgewijze blootstelling aan risico s. Risicomanagement houdt in dat men risico-verminderende interventies uitvoert op basis van risicotaxatie en risicoanalyse in combinatie met de conclusies uit de diagnostiek. Risicomanagement speelt in alle fasen van de behandeling een rol

8 Als uitgangspunt voor de beschrijving van risicomanagement in de richtlijnen is gehanteerd het Basis Zorgprogramma Landelijk zorgprogramma voor forensisch psychiatrische patiënten van het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie (EFP) (2013) en het Definitief Advies Werkgroep ifpa Risicomanagement (EFP 2013). 1.2 DSM-criteria middelenmisbruik- en afhankelijkheid De recent verschenen DSM-5 hanteert de volgende criteria voor een stoornis in het gebruik van een middel: A. Een problematisch patroon van gebruik van een middel dat leidt tot klinisch significante beperkingen of lijdensdruk, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende kenmerken die binnen een periode van ene jaar optreden: 1. Het middel wordt vaak gebruikt in grotere hoeveelheden of langduriger dan de bedoeling was; 2. Er is een persisterende wens of er zijn vergeefse pogingen om het gebruik van het middel te verminderen of in de hand te houden; 3. Veel tijd wordt besteed aan activiteiten die nodig zijn om aan het middel te komen, het middel te gebruiken of te herstellen van de effecten ervan. 4. Hunkering, of een sterke wens of drang tot gebruik van het middel., 5. Recidiverend gebruik, met als gevolg dat de belangrijke rolverplichtingen niet worden nagekomen op werk, school of thuis. 6. Aanhoudend gebruik ondanks persisterende of recidiverende sociale of interpersoonlijke problemen, veroorzaakt of verergerd door de effecten van het middel. 7. Belangrijke sociale, beroepsmatige of vrijetijdsactiviteiten zijn opgegeven op verminderd vanwege het gebruik van het middel. 8. Recidiverend gebruik in situaties waarin dit fysiek gevaar oplevert 9. Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een persisterend of recidiverend lichamelijk of psychisch probleem is dat waarschijnlijk is veroorzaakt of verergerd door het middel. 10. Tolerantie, zoals gedefinieerd door een van de volgende kenmerken: a Behoefte aan een duidelijk toegenomen hoeveelheid van het middel om een intoxicatie of het gewenste effect te bereiken. b Een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel. 11. Onttrekkingssymptomen, zoals blijkt uit minstens één van de volgende kenmerken: a Het kenmerkende onttrekkingssyndroom van het middel. b Het middel wordt gebruikt om onttrekkingssymptomen te verlichten of te voorkomen. In de oude DSM IV worden de volgende zeven criteria voor middelenafhankelijkheid en vier criteria voor middelenmisbruik gehanteerd (APA, 2000): Afhankelijkheid van een middel Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende, die zich op een willekeurig moment in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen: 1. Tolerantie gedefinieerd door ten minste één van de volgende: a. een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden van het middel om een intoxicatie of de gewenste werking te bereiken b. een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel 2. Onthouding 06 84

9 zoals blijkt uit ten minste één van de volgende: a. het voor het middel karakteristieke onthoudingssyndroom b. hetzelfde (of een nauw hiermee verwant) middel wordt gebruikt om onthoudingsverschijnselen te verlichten of te vermijden 3. Het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende een langere tijd gebruikt dan het plan was 4. Er bestaat de aanhoudende wens of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik van het middel te verminderen of in de hand te houden 5. Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten nodig om aan het middel te komen (bijvoorbeeld verschillende artsen bezoeken of grote afstanden afleggen), het gebruik van het middel (bijvoorbeeld kettingroken), of aan het herstel van de effecten ervan 6. Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd vanwege het gebruik van het middel 7. Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een hardnekkig of terugkerend sociaal, psychisch of lichamelijk probleem is dat waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd wordt door het middel (bijvoorbeeld actueel cocaïne gebruik ondanks het besef dat een depressie door cocaïne veroorzaakt wordt of doorgaan met het drinken van alcohol ondanks het besef dat een maagzweer verergerde door het alcoholgebruik) Misbruik van en middel A. Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt, zoals in een periode van twaalf maanden blijkt uit ten minste een (of meer) van de volgende: 1. Herhaaldelijk gebruik van het middel met als gevolg dat het niet meer lukt om in belangrijke mate verplichtingen op het werk, school of thuis (bijvoorbeeld herhaaldelijk absent of slecht werk afleveren in samenhang met het gebruik van het middel; met het middel samenhangende absentie, schorsing of verwijdering van school; verwaarlozing van kinderen of het huishouden) 2. Herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is (bijvoorbeeld autorijden of bedienen van een machine als men onder invloed van het middel is) 3. Herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met justitie (bijvoorbeeld aanhouding wegens verstoring van de openbare orde in samenhang met het middel) 4. Voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal of intermenselijk terrein veroorzaakt of verergert door de effecten van het middel (bijvoorbeeld ruzie met de echtgenoot over de gevolgen van de intoxicatie, vechtpartijen) B. De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria van afhankelijkheid van een middel uit deze groep middelen 1.3 Prevalentie van middelenproblematiek binnen forensische populaties Middelenproblematiek is veel voorkomend onder forensische patiënten (Brand, Lucker & Van den Hurk, 2009; Fazel, Bains & Doll, 2006). Zo is twee derde van de FPC-populatie verslaafd of gebruikte intensief ten tijde van het delict (Wartna en Nachtegaal, 2011; Kersten, 2006). Bij volwassen terbeschikkinggestelden werkte middelengebruik in 38% van de gevallen drempelverlagend op het door hen gepleegde delict en zorgde een intoxicatie in 21% van de gevallen ervoor dat de situatie uit de hand liep en tot een delict leidde (Brand, Lucker & Van der Hurk, 2009)

10 1.4 Relatie middelengebruik en crimineel gedrag, verklaringsmodellen Relatie tussen middelengebruik en crimineel gedrag Problematisch middelengebruik is een belangrijke dynamische criminogene factor. Onderzoek laat consistent zien dat problematisch middelengebruik is gerelateerd aan crimineel en gewelddadig gedrag (Abracen e.a., 2000; Cuellar, Markovitz & Libby, 2004; Dark e.a., 2010; Farabee, Joshi & Anglin, 2001; Friedman 1998; Gordon, Kinlock & Battjes, 2004; Junger-Tas, Steketee & Moll, 2008; Wiesner & Windle 2006). Volgens Murdoch e.a. (1990) is de prevalentie van gewelddadig gedrag onder personen die voldoen aan de criteria voor alcoholisme twaalf maal zo groot als onder niet-alcoholisten. Ook pleegt 50-60% van de mannen in behandeling voor alcoholproblemen geweld tegen de partner (Murphy & O Farrell 1996). Uit een meta-analyse van studies - voornamelijk uitgevoerd bij volwassenen - blijkt dat de effectsize voor middelenmisbruik en algemene recidive (zonder geweldscomponent) voor alcohol 0,12 en voor drugs 0,19 was. De effectsize van de combinatie van alcohol- en drugproblemen was 0,22 (Dowden en Brown, 2002). De relatie met geweld is voor alcohol sterker dan voor andere middelen. Of problematische middelengebruikers crimineel en met name gewelddadig zijn wordt bepaald door interacties tussen een aantal factoren: de mate waarin het gebruik problematisch is, individuele psychologische, sociale en neurobiologische kenmerken, situationele factoren en verwachtingen omtrent het effect van middelen (Lammers e.a., 2014). Tbs-patiënten met een stoornis in het gebruik van middelen hebben meer criminele veroordelingen in hun voorgeschiedenis (Goethals e.a. 2008) dan tbspatiënten zonder problemen met middelengebruik. Voor een overzicht van Nederlands en buitenlands onderzoek naar de relatie tussen middelengebruik en geweld wordt verwezen naar de publicatie Middelengebruik en criminaliteit: een overzicht (Lammers e.a., 2014) Aard van de relatie tussen middelengebruik en crimineel gedrag Er bestaan verschillende theorieën, elk onderbouwd met onderzoek, over de aard van de relatie tussen middelengebruik en delinquentie. Middelengebruik kan bijvoorbeeld voorafgaan aan delinquent gedrag, omdat veel middelen drempelverlagend werken en angst wegnemen (Van Dijk, Sagel-Grande & Toornvliet, 2006; Burnett, 2004). Middelengebruik en delinquentie kunnen elkaar ook versterken in een patroon van wederzijdse beïnvloeding (Loeber, Slot & Sergeant, 2001). Koeter en Van Maastricht (2006) stellen dat er sprake is van een dynamische interactieve relatie. Drugsgebruik leidt niet altijd rechtstreeks tot criminaliteit, maar drugsgebruik kan de intensiteit en frequentie van criminele activiteiten versterken. Recreatief drugsgebruik gaat meestal vooraf aan de criminele carrière, maar het drugsgebruik wordt pas problematisch wanneer de criminele carrière al begonnen is. Men spreekt ook wel van een multiplier effect, waarmee bedoeld wordt dat de verslaving niet leidt tot criminaliteit, maar tot verhoging van de intensiteit en frequentie van de criminaliteit. Kortom, het verband tussen middelengebruik en delinquentie is gecompliceerder dan een eenvoudige oorzaakgevolgrelatie. Het European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA) (2007) beschrijft de volgende soorten drugsgerelateerde criminaliteit: 1) psychofarmacologische criminaliteit, gepleegd onder invloed van een psychoactieve stof; 2) economisch-dwangmatige criminaliteit, om geld of drugs te bemachtigen om gebruik voort te zetten; 3) systemische criminaliteit, welke samenhangt met het functioneren van de illegale drugshandel, als onderdeel van aanvoer, distributie en gebruik van drugs; 4) overtredingen van de drugswetgeving: overtredingen van Opiumwet en aanverwante wetten. De relatie tussen middelengebruik en criminaliteit betreft vooral verwervingscriminaliteit. Dit geldt met name voor de duurdere drugsoorten, zoals heroïne en cocaïne, maar niet voor alcohol (Bennett e.a. 2008; Wilkinson 08 84

11 & Sweetsur 2011). Lobman & Vertheim (2009) stellen dat er bij vermogenscriminaliteit door drugsgebruikers sprake kan zijn van economische noodzaak omdat drugs duur zijn of van een criminele inslag die eerst tot criminaliteit en dan tot druggebruik leidt, of dat beide voortkomen uit achterliggende factoren. De farmacologische effecten van sommige drugs kunnen de kans op geweldig gedrag doen toenemen (directe farmacologische effecten, maar ook neurologische effecten door langer gebruik of onthoudingseffecten). Dit betekent echter niet dat geweldsmisdrijven die gepleegd zijn onder invloed van een psychoactief middel ook altijd (mede) veroorzaakt worden door de psychofarmacologische eigenschappen van het middel (Kuhns & Clodfelter, 2009). Problematisch middelengebruik en criminaliteit worden immers grotendeels door gemeenschappelijke psychologische, psychosociale, genetische en neurobiologische factoren verklaard (Cuellar e.a. 2004; McMurran 2001) en komen daardoor vaak in combinatie voor. Geweld kan worden ingedeeld in algemeen, huiselijk en seksueel geweld. Wat betreft algemeen geweld laat veel onderzoek een matig sterke relatie zien tussen misbruik van alcohol en drugs enerzijds en geweld anderzijds (Lammers e.a., 2014). In de algemene bevolking is middelenmisbruik bijvoorbeeld de meest voorkomende diagnose onder individuen die gewelddadig gedrag vertonen (Swanson e.a. 1990). Alcoholproblematiek toont de sterkste verbanden (Lammers e.a., 2014). Studies onder jeugdigen in het algemeen (Fergusson & Horwood 2000), de algemene bevolking (Wells & Graham 2003), gedetineerden (Felson & Staff 2010) en patiënten in behandeling voor alcoholproblemen (Chermack e.a. 2010) laten een matig sterke relatie tussen alcohol en gewelddadig gedrag zien. Er bestaan diverse verklaringsmodellen die gebruikt zijn om de relatie tussen middelengebruik of problematiek en crimineel gedrag (geweld) nader te onderzoeken, namelijk het proximaal effecten model, het directe effecten model, het indirecte effecten model en het vals-effecten model. Proximale effecten model Het proximale effecten model is onder andere uitgewerkt voor de relatie tussen alcoholgebruik en partnergeweld. Het model veronderstelt dat alcoholintoxicatie partnergeweld faciliteert via de acute en chronische psychofarmacologische effecten op het cognitieve functioneren of verwachtingen die geassocieerd zijn met intoxicatie, zoals verhoogde prikkelbaarheid en verlies van zelfinhibitie (Leonard & Quigley, 1999). Alhoewel er nog geen consensus bestaat over welk model te prefereren is, wordt de meeste steun gevonden voor dit model. Onderzoek heeft aangetoond dat er een temporele relatie tussen alcoholgebruik en partnergeweld bestaat, dat wil zeggen dat de kans op partnergeweld aanzienlijk hoger is na alcoholgebruik en binnen een korte tijdsperiode na consumptie optreedt (wanneer de pleger van partnergeweld de effecten van alcoholintoxicatie of onthoudingsverschijnselen ervaart) (Fals-Stewart, 2003; Fals-Stewart, Golden & Schumacher, 2003). Directe effecten model Het directe effecten model stelt dat middelengebruik een direct effect heeft op het cognitieve en fysieke functioneren, wat kan leiden tot verlies van zelfcontrole en afname van het vermogen om te komen tot nietgewelddadige oplossingen van conflicten binnen relaties. Bij toepassing op de relatie tussen alcoholgebruik en partnermishandeling leidt volgens dit model alcohol gebruik tot problemen m.b.t. inhibitie, waardoor geweld ontstaat. Volgens Leonard (2005) draagt alcoholgebruik bij aan partnergeweld. De review van Murphy & Ting (2010) laat een reductie in partnergeweld zien wanneer de alcoholverslaving behandeld wordt. Een terugval in alcoholgebruik leidt tevens tot een terugval in partnergeweld. Ontwenning van cannabis leidt tot verhoogde prikkelbaarheid, wat leidt tot 09 84

12 partnermishanding. Cocaïnegebruik beïnvloedt de serotoninehuishouding, wat partnermishandeling blijkt te faciliteren (Kranen, 2014). Indirecte effecten model Het indirecte effecten model, gebaseerd op onderzoek naar de relatie tussen alcoholgebruik en partnergeweld, gaat er van uit dat alcohol een indirect effect heeft op partnergeweld. Alcoholgebruik door één of beide partner(s) zou hierbij leiden tot conflicten en problemen in de relatie. Het is dus eerder de verminderde voldoening van de relatie dan de alcoholintoxicatie dat leidt tot partnergeweld. Barnett en Fagan (1993) vonden in hun studie ondersteuning voor dit model. Valseffecten model Het valse effecten model (Eng: spurious model) impliceert dat alcoholgebruik gerelateerd is aan partnergeweld doordat beide worden veroorzaakt door eenzelfde derde variabele. 1.5 Samenhang tussen middelengebruik en criminele recidive Diverse onderzoeken, zowel nationaal als internationaal, laten zien dat middelengebruik en criminele recidive samenhangen. Een meta-analyse onder de algemene bevolking liet zien dat het blijvend gebruiken van middelen het risico op recidive twee tot vier keer verhoogt (Bennet e.a., 2008). Behandeling van verslavingsproblematiek vermindert criminele recidive (Lobmann & Verthein 2009). Hildebrand e.a. (2007) concludeerden uit een studie onder 328 ex-tbs-patiënten dat middelengebruik tijdens de behandeling een risicofactor was voor onttrekkingen uit de behandeling, en voor algemene en geweldsrecidive tijdens onttrekking. Ook internationaal onderzoek laat zien dat drugs- en alcoholmisbruik in de voorgeschiedenis significante voorspellers zijn van criminele recidive. Dowden en Brown (2002) verrichtten een meta-analyse van 45 studies op dit gebied. De effectsize voor middelenmisbruik en algemene recidive (zonder geweldscomponent) was 0,10, voor alcohol 0,12, voor drugs 0,19, en voor de combinatie van alcohol- en drugproblemen 0,22. Voor gewelddadige recidive waren de effect-sizes 0,10 voor middelengebruik in het algemeen, 0,10 voor alcohol, 0,14 voor drugs en 0,12 voor de combinatie van alcohol en drugs. De voorspelling van algemene recidive door middelenmisbruik is dus sterker dan die van geweldsrecidive. De effect-sizes voor algemene recidive voor drugs en de combinatie van alcohol en drugs zijn ongeveer even hoog als die van de hoogst scorende items in risicotaxatie-instrumenten, bijvoorbeeld justitiële voorgeschiedenis, maar de voorspelling van geweldsrecidive blijft hier duidelijk bij achter (Lammers e.a., 2014). In de Richtlijn problematisch middelengebruik is een overzicht van de risicofactoren en beschermende factoren voor criminele recidive bij middelengebruik opgenomen. Hier lichten we de factor sekse nader toe (uit Lammers e.a., 2012;2014). Lammers e.a. (2012) beschrijven sekseverschillen in de relatie tussen criminele recidive en middelengebruik. Vrouwen die middelen misbruiken plegen minder delicten dan hun mannelijke tegenhangers (Byqvist, 1999; Tarter, Kirisci, Mezzich & Patton, 2011). Echter, uit studies naar de relatie tussen de ernst van middelenmisbruik en geweld, blijkt dat deze relatie even sterk is voor vrouwen als voor mannen (Lammers e.a., 2012). Binnen de groep personen met problematisch middelengebruik die delicten plegen lijken ook een aantal duidelijke sekseverschillen aanwezig, zowel met betrekking tot delictgedrag, alsook met betrekking tot het verslavingspatroon, psychische problematiek en achtergrondvariabelen (aangehaald in Lammers e.a., 2012). Vrouwen hebben een ernstiger patroon van middelenmisbruik en hun verslaving komt sneller tot stand. Delinquente vrouwen gebruiken relatief vaker drugs dan alcohol, vergeleken met mannen (Abracen e.a.2000). Vrouwelijke gebruikers beginnen later met hun criminele carrière en zij begaan minder geweldsdelicten en meer drugsgerelateerde delicten dan mannen. Er is vaker sprake van internaliserend 10 84

13 probleemgedrag, zoals automutilatie en suïcidepogingen, angsten en depressies. (Byqvist, 1999; Haas & Peters, 2000; Roe-Sepowitz, 2009; Goldstein e.a. 2003) (aangehaald in Lammers e.a., 2014). Verder komen vrouwelijke gebruikers vaker uit een probleemgezin, waar (een van beide) ouders een alcohol- of drugprobleem hebben (Dowden & Brown, 2002), en zijn vaker getraumatiseerd tijdens de jeugd (Friedman, 1998; Goldstein e.a. 2003; Hussey, Drinkard en Flannery, 2007). Dit geldt zowel voor meisjes (Tarter, 2011) als voor volwassen vrouwen (Bergman & Andershed, 2009). Ook op volwassen leeftijd zijn zij vaak slachtoffer van geweld (Johnson, 2006). Samengevat lijkt er bij vrouwen die problemen hebben met middelenmisbruik en die daarnaast delicten plegen vaker sprake van een complexe interactie van internaliserende en externaliserende problematiek (aangehaald in Lammers e.a., 2012). 2 Comorbiditeit van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen Bij forensische patiënten met verslavingsproblemen is ook bijna altijd sprake van een andere psychiatrische aandoening of persoonlijkheidsstoornis (Popma e.a., 2012). Van de patiënten met verslavingsproblemen heeft 20% een zogenoemde primaire verslaving. Bij deze patiënten is het middelengebruik direct van invloed op het delictgedrag. Bij de andere 80% speelt middelenmisbruik weliswaar een rol, maar is de relatie van deze criminogene behoefte met recidive secundair (Van der Kraan e.a., under review). Comorbiditeit kan de behandeling bemoeilijken en kan leiden tot een langere opnameduur, een hoger risico op recidive en een snellere terugval in criminaliteit (De Jonge, 2008; Brand e.a., 2009; Bennett, Holloway & Farrington, 2008). In de volgende paragraaf wordt de interactie tussen psychische problemen en middelengebruik toegelicht. 2.1 Interactie psychische problemen en middelengebruik Veel klachten die ontstaan door middelengebruik kunnen ook door psychische problemen worden veroorzaakt en omgekeerd. Er is in die gevallen vaak een wisselwerking tussen de psychische problemen en het middelengebruik. Box 1 geeft een overzicht van deze interactie. Kennis hierover maakt het mogelijk om middelenproblematiek zorgvuldiger en eerder te signaleren. Bij met name angstklachten, stemmingsklachten, aandachtsproblemen, hyperactiviteit/impulsiviteit en denkproblemen dient aandacht te worden besteed aan het middelengebruik van een patiënt om de achterliggende oorzaak te kunnen bepalen. Kennis over de aard en oorzaak van de klachten en van eventueel middelengebruik is nodig om de klachten te verhelpen en om ernstiger problemen te voorkomen. Middelengebruik kan psychische problemen maskeren. Vaak is ook moeilijk of niet te herleiden of psychische problemen, middelengebruik of beide de oorzaak zijn van psychische klachten

14 Box 1: Comorbiditeit psychische problemen en middelengebruik Stoornis Bipolaire stoornis Persoonlijkheidsstoornissen Angstigheid Comorbiditeit met verslaving Patiënten met een bipolaire stoornis lopen in vergelijking met patiënten met andere psychische stoornissen een groot risico op comorbide middelenproblematiek. Risicofactoren voor problematisch middelengebruik binnen de bipolaire populatie zijn mannelijk geslacht, voorkomen van andere As I stoornissen en lage opleiding. Daarnaast komt middelengebruik meer voor bij manie dan bij depressie. Het probleem bij deze groep is dat psychiatrische symptomen en symptomen van middelengebruik of onthouding sterk op elkaar kunnen lijken. Intoxicatie kan verward worden met manie, onthouding kan lijken op depressiviteit. Het causale verband tussen middelenmisbruik en bipolaire stoornissen is moeilijk aan te geven. Zowel een verhoogde kwetsbaarheid voor middelengebruik bij de bipolaire patiëntpopulatie, een gemeenschappelijke onderliggende factor voor beide stoornissen als het uitlokken van manische of depressieve episodes door middelenmisbruik zijn genoemd (Van der Meer e.a., 2003). Diagnostiek van de comorbide problematiek van verslaving en persoonlijkheidspathologie is lastig, in verband met de overlap van symptomen. Bij beide stoornissen worden vaak dezelfde symptomen gezien, zoals impulsiviteit, stemmingswisselingen, psychotische fenomenen, hopeloosheid, wantrouwen en achterdocht, betrekkingsideeën, weinig belangstelling voor anderen, gevoelens van leegte en angst (Dom e.a., 2013). Middelengebruik kan angstklachten veroorzaken, en omgekeerd verhogen angstklachten het risico op problematisch middelengebruik. Naar schatting gaat een angststoornis in 20 tot 40% van de gevallen gepaard met middelenmisbruik (Van der Meer e.a., 2003). Een voorbeeld is het gebruik van cannabis, dat verkeerd kan vallen bij iemand die al niet goed in zijn vel zit of niet goed voorbereid is op de effecten. Middelengebruik kan ook een bestaande angststoornis maskeren, of juist verergeren (Snoek, Wits & Meulders, 2011). Ongeveer 12.4% (Bijl, Ravelli & Zessen, 1998) van de volwassenen lijdt aan een angststoornis. In klinische populaties is de comorbiditeit tussen middelenproblematiek en sociale angst of posttraumatische stressstoornis rond de 50% (Snoek, Wits & Meulders, 2012). Er zijn verschillende typen angstklachten te onderscheiden die zich kunnen voordoen bij problematisch middelengebruik, waarbij géén sprake is van een angststoornis. Dit zijn angstklachten: - als gevolg van het gebruik van middelen, bijvoorbeeld bij hallucinaties. - als gevolg van ontwenning van middelen, bijvoorbeeld paniekaanvallen. - na detoxificatie, vanwege gebrekkige copingvaardigheden in moeilijke situaties. Dit zijn dus geen symptomen van een angststoornis, hoewel zij daar lastig 12 84

15 Stoornis Depressiviteit Aandachtsproblemen en Hyperactiviteit/Impulsiviteit Denkproblemen (bijvoorbeeld vreemde gedachten) Comorbiditeit met verslaving van te onderscheiden zijn. Zij gaan soms over na een periode van abstinentie, behandeling of het aanleren van copingstrategieën (Snoek, Wits & Meulders, 2011). Depressie en middelengebruik komen vaak samen voor, zowel bij psychiatrische als verslavingszorgpatiënten. Een grote studie in Amerika heeft laten zien dat 23% van de patiënten met verslavingsproblematiek een depressie heeft en 18% van de mensen met een depressie ook te kampen heeft met middelenmisbruik (Van der Meer e.a., 2003). Deze associatie wordt meestal verklaard door een causale relatie (stemmingsklachten worden veroorzaakt door middelengebruik, of omgekeerd) of door de aanwezigheid van gedeelde oorzakelijke factoren die ten grondslag liggen aan beide stoornissen (Swendsen & Merinkangas, 2000). Ongeveer 16-33% (Popma, Blaauw & Bijlsma, 2012) van de volwassen justitiabelen lijdt aan een stemmingsstoornis. Middelen worden door personen met ADHD vaak gebruikt om hinderende ADHD-symptomen te onderdrukken. Gebruik van nicotine, cocaïne, amfetamines en andere stimulerende producten kunnen helpen om helder te denken, beter op iets focussen, beter te presteren en om een positiever gevoel te krijgen (Rosiers e.a., 2004). Bij diagnostiek van zowel ADHD als middelengebruik kan overlap van symptomen een rol spelen (Wilens, 2006). Middelengebruik of onthoudingsverschijnselen kunnen symptomen van ADHD (zoals ongeconcentreerdheid, bewegingsonrust, e.d.) uitlokken (Haney e.a., 1999; Jellinek, 2013; Rosiers e.a., 2004). Middelengebruik kan ADHD symptomen ook maskeren; onrust ten gevolge van ADHD is minder zichtbaar door bijvoorbeeld cannabisgebruik. Denkproblemen (bijvoorbeeld vreemde gedachten) In tal van onderzoeken wordt het gebruik van cannabis in verband gebracht met het optreden van psychotische symptomen en psychotische stoornissen. Het gaat daarbij grofweg om drie mogelijke uitkomsten (Niesink & Van Laar, 2012): 1. Incidentie van acute psychotische symptomen en kortdurende psychosen(intoxicatie); 2. Incidentie (en handhaven en vervroegen) van chronische psychotische symptomen en stoornissen, zoals schizofrenie; 3. Verergeren van symptomen bij mensen met een bestaande psychotische aandoening, en het negatief beïnvloeden van het beloop van de ziekte. Onderzoeken, gebaseerd op surveys in de algemene bevolking of subpopulaties van cannabisgebruikers, case-reports en registratiegegevens suggereren dat cannabis in hoge doseringen acute en kortdurende psychotische reacties kan uitlokken zowel in gezonde gebruikers als mensen met een bepaalde predispositie voor psychosen (D'Souza 2007; 2009; Barkus en Murray, 2010)

16 Stoornis Autisme Schizofrenie Comorbiditeit met verslaving De laatste jaren is er toenemende aandacht voor de dubbele diagnose verslaving en autisme spectrum stoornissen (ASS). Beide ziektebeelden zijn ontwikkelingsstoornissen met verstoorde neurobiologische automatismen waarvoor een erfelijke kwetsbaarheid bestaat. Deze wordt door de wisselwerking met de omgeving versterkt, totdat rigide patronen van gedrag ontstaan (van Wijngaarden-Cremers & van der Gaag, 2013 in Handboek Dubbele Diagnose). Uit een studie naar de comorbiditeit van ASS en verslaving onder volwassenen met ASS kwam naar voren dat de prevalentie van verslaving hoger is in de onderzochte ASS groep dan in de algemene bevolking (Sizoo, 2011). Schizofrenie en verslaving gaan vaak samen (Van der Meer e.a., 2003). De meest gebruikte middelen zijn alcohol (40-60%), nicotine (70%) en cocaïne (15-50%). Zwaar drinken en roken en gebruik van drugs zoals cannabis komen onder mensen met schizofrenie veel meer voor dan onder de doorsnee bevolking. (Aanleg voor) schizofrenie kan de interesse in genotmiddelen vergroten, bijvoorbeeld doordat het gebruik klachten zou verlichten (poging tot zelfmedicatie). Onderzoek uit onder meer Nederland doet echter vermoeden dat aanhoudend gebruik van cannabis psychotische verschijnselen ook kan uitlokken, ook bij mensen die daar nog geen last van hadden. (Trimbosinstituut, 2011) 2.2 Consequentie voor de Richtlijn problematisch middelengebruik De hoge prevalentie van psychische problemen, persoonlijkheidsstoornissen en LVB in de doelgroep van de klinisch-forensische zorg betekent dat deze doelgroep in het algemeen moeite heeft met probleemerkenning en motivatie en het aangaan van een therapeutische relatie. De hiermee samenhangende ernst van de problemen op alle leefgebieden betekent dat de manier waarop problematisch middelengebruik dient te worden benaderd en behandeld lijkt op de aanpak van de populatie van de zogenaamde sociale verslavingszorg (gericht op stabilisatie en overlastbestrijding) en dan met name de zorgmijders (Kersten, 2006). Bij deze populatie wordt geadviseerd de rehabilitatieprincipes toe te passen, te investeren in een therapeutische vertrouwensrelatie, de doelen bij de patiënt te achterhalen en daarbij aan te sluiten (Kroon, 2005). Conform de Richtlijn verslaving (Kersten, 2006) die voor de FPC-setting is opgesteld, kunnen we stellen dat care/control (stabilisatie en controlemiddelen) het meest geëigende doel is van de behandeling voor het merendeel van de patiënten met problematisch middelengebruik, en cure (genezing) alleen bij lichte verslavingsproblematiek. Problematisch middelengebruik moet bij deze doelgroep in een geïndividualiseerde, in het totale behandeltraject geïntegreerde dubbele diagnose-behandeling worden aangepakt (Blanken e.a., 2003). De behandeling van het problematisch middelengebruik dient in ieder geval gedurende het hele forensische zorgtraject (al dan niet actief) op de agenda te staan. Met name in de verloffase vindt de in vivo behandeling plaats

17 3 Aangrijpingspunten voor verandering Of problematische middelengebruikers crimineel en met name gewelddadig zijn wordt bepaald door interacties tussen een aantal factoren: de mate waarin het gebruik problematisch is, individuele psychologische, sociale en neurobiologische kenmerken, situationele factoren en verwachtingen omtrent het effect van middelen (Lammers e.a., 2014). Los daarvan hebben problematisch middelengebruik en crimineel gedrag veel gezamenlijke risico- en beschermende factoren (Brand e.a., 2009). 3.1 Model van verslavingsgedrag: aangrijpingspunten voor verandering Verslaving en problematisch middelengebruik zijn factoren die een behandeldoel kunnen vormen. Volgens Andrews en Bonta (1998) vormen de volgende Big Four van dynamische risicofactoren de belangrijkste aangrijpingspunten voor behandelprogramma s gericht op de reductie van recidive (aangehaald in Veen & de Ruiter, 2004): reduceren van antisociale attitudes, antisociale cognities, antisociale vrienden en kennissen met middelengebruik vergroten van affectie voor en communicatie met familieleden, identificatie met prosociale rolmodellen, zelfcontrolevaardigheden en probleemoplossende vaardigheden vervangen van liegen, stelen en agressief gedrag door meer prosociale alternatieven wijzigen van de kosten en baten van crimineel en niet-crimineel gedrag en wel op die manier dat nietcrimineel gedrag te prefereren valt Deze dynamische factoren bieden aangrijpingspunten voor behandelprogramma s gericht op de reductie van recidive. Zie voor meer informatie: Basis Zorgprogramma Landelijk zorgprogramma voor forensisch psychiatrische patiënten (EFP, 2013). De motivatie van patiënten vormt een belangrijke rol bij het bewerkstelligen van gedragsverandering. Dit kan welbewust worden ingezet tijdens een specifieke behandeling (zie Module 2 over het omgaan met middelengebruik tijdens verschillende fasen van de klinische behandeling), maar ook meer impliciet door bijvoorbeeld de aanpak van vak- en sociotherapeuten. Volgens Ward e.a. (2006) leidt nadruk op welzijnsbevordering vanzelf tot een reductie van veelvoorkomende dynamische risicofactoren. Behandeling die zich alleen richt op risicoreductie zou niet leiden tot het vervullen van levensbehoeften en levensdoelen die nodig zijn om op langere termijn vrij van recidive te blijven (Yates & Ward, 2008). Ook het Good Lives Model (GLM) besteedt expliciet aandacht aan motivatie en positieve factoren. Dit model baseert zich op positieve psychologie, desistance en het strength-based model. De behandeling richt zich daarbij zowel op het welzijn van de delinquent als op reductie en beheersing van het recidiverisico. Het GLM stelt daartoe de sterke eigenschappen en capaciteiten van het individu centraal en behoort zo in twee opzichten tot de strength-based behandelmethoden (Whitehead, Ward & Collie, 2007). Enerzijds neemt het de persoonlijke waarden en voorkeuren van de patiënt serieus, anderzijds speelt het in op zijn primaire levensbehoeften (primary goods), om hem zo te motiveren een beter leven te gaan leiden. De therapeuten proberen bij de delinquenten hiervoor de juiste interne en externe condities aan te brengen. Zie voor meer informatie: Basis Zorgprogramma Landelijk zorgprogramma voor forensisch psychiatrische patiënten (Expertisecentrum Forensische Psychiatrie, 2013). Motivatie staat ook centraal in een overkoepelend COM-B model van gedrag (figuur 1) toegepast voor verslavinggedrag (naar Michie e.a., 2011 in: West, 2013) dat laat zien hoe gedrag op basis van drie 15 84

18 noodzakelijke condities ontstaat. COM staat voor: capaciteit, het in staat zijn tot (Engels: capacity, C), gelegenheid of omstandigheid (Engels: opportunity, O) en motivatie (M). De B staat voor behaviour. Uitgaande van dit model worden middelengebruik en verslaving bepaald door (West, 2013): - de capaciteit of vaardigheden van een individu om bepaald gedrag te vertonen, zoals de mate van zelfregulatie, de mate waarin iemand kan leren van straf, de vaardigheid om leefregels [in het Engels: personal rules] te formuleren en na te leven; - de gelegenheid zoals die wordt geboden door de sociale en fysieke omgeving, zoals uitlokkende factoren in de sociale en fysieke omgeving (cues), beschikbaarheid van alternatieve bronnen van beloning, de kosten van het gebruik; - de motivaties die op bepaalde momenten opspelen, zoals de behoefte aan het dempen van emoties, de behoefte ergens bij te horen, de angst voor afkeuring, of de verwachting dat het middelengebruik plezier geeft, of het sterke verlangen naar het middel (craving) wegneemt. De motivatie kan deels bewust en deels onbewust tot stand komen: o door een analyse van kosten en baten van het beoogde gedrag (bv. de overtuiging dat een bepaalde activiteit slecht of schadelijk is) o door automatische processen, in die zin dat bepaalde innerlijke drijfveren, verwerking van emoties of gewoontegedrag een rol spelen. Figuur 1: Gedragsmodel (model COM-B) Een interventie kan verandering in een van de componenten van het gedrag teweegbrengen. De causale verbanden binnen het systeem kunnen daarbij het effect van bepaalde interventies verminderen of versterken doordat deze verbanden leiden tot veranderingen elders in het systeem. Het COM-B model is een gedragsmodel, maar kan ook dienen als basis voor het ontwikkelen van interventies gericht op gedragsverandering (Michie, 2011). Het COM-B model vormt de kern van een recent ontwikkeld framework ( Behavior Change Wheel (BCW) voor het ontwikkelen van interventies voor gedragsverandering (Michie, 2011). Het BCW kan gebruikt worden om interventies en beleid gericht op gedragsverandering in kaart te brengen. Rondom het COM-B model als kern 16 84

19 zijn negen interventie functies gepositioneerd die gericht zijn op het identificeren van tekortkomingen ten aanzien van een of meer van deze condities. Daaromheen zijn zeven categorieën van beleid gepositioneerd die de uitrol van interventies kunnen bewerkstelligen (Michie, 2011). De Integrated Cognitive Antisocial Potental (ICAP) theorie (Farrington, 2003) beschrijft de hierboven genoemde elementen vanuit een andere optiek, namelijk vanuit het korte en lange- termijn perspectief. Lange termijn risicofactoren voor antisociaal gedrag zoals impulsiviteit, intelligentie en de opgroei-situatie (bv. antisociale ouders) bepalen iemands long-term Antisocial Potential (AP), ofwel de geneigdheid tot het plegen van criminaliteit. Korte termijn (situationele) risicofactoren beïnvloeden of iemand in een specifieke situatie een delict zal plegen (short-term Antisocial Potential). Voorbeelden hiervan zijn emoties, middelengebruik en de aanwezigheid van criminele vrienden. Lange termijn risicofactoren verschillen tussen mensen en zijn factoren die gedurende een lange periode iemands gedrag kunnen beïnvloeden, terwijl korte termijn risicofactoren iemands actuele gedrag bepalen en binnen dezelfde persoon van tijd tot tijd kunnen verschillen (Farrington, 2003). 3.2 Terugval in middelengebruik Voor het verkrijgen van inzicht in het risico op terugval en het voorkomen van terugval is het model van Marlatt bruikbaar (Laws, Hudson & Ward, 2000; Marlatt, 1980; Marlatt & Gordon, 1980; voor de Nederlandse praktijk: Kruit, 2003; Mulder, 1995), zoals beschreven in de Richtlijn problematisch middelengebruik. 3.3 Het belang van motiveren In de vorige paragraaf werd duidelijk dat motivatie een belangrijke rol speelt bij het bewerkstelligen van gedragsverandering. Prochaska & DiClemente (1992) hebben beschreven welke stadia mensen doorlopen voordat zij bereid zijn om hun gedrag aan te passen (zie figuur 2). Zij baseren deze stadia op jarenlang empirisch onderzoek bij mensen met allerlei verslavingen, vooral rook-, alcohol- en drugsverslaving. Figuur 2: Stadia van gedragsverandering 17 84

20 Prochaska en DiClemente onderscheiden zes stadia: 1. Voorbeschouwing (precontemplatie): de patiënt heeft (nog) geen intentie om te veranderen. Vaak is de potentiële (mogelijke) patiënt zich niet bewust van een probleem of ontkent hij dat hij een probleem heeft. In veel gevallen ervaart de omgeving van de patiënt het probleem wel. Pogingen van een hulpverlener om een patiënt zich bewust te laten worden van het probleem en een verandering in gang te zetten stuiten op weerstand. 2. Overpeinzing (contemplatie): de patiënt is zich bewust van het probleem en overweegt wat het kan opleveren als hij zijn gedrag verandert. De motivatie om iets te gaan doen is aanwezig, maar hij onderneemt nog geen actie. 3. Besluitvorming (voorbereiding): de patiënt neemt pas een besluit op het moment dat hij zich bewust is van het probleem, dit ook als probleem erkent en voldoende vertrouwen heeft in zijn mogelijkheden om te veranderen. In dit stadium maakt de patiënt een plan waarmee hij zijn gedrag kan veranderen. 4. Actie: de patiënt onderneemt actie om zijn gedrag te veranderen. De eigenlijke behandeling, gericht op verandering, vindt in dit stadium plaats. 5. Onderhoud (consolidatie): dit stadium is het moment waarop de patiënt probeert om het nieuwe gedrag in zijn dagelijks leven te integreren. Alleen op die manier is hij in staat om de bereikte verandering vast te houden en niet terug te vallen. 6. Terugval: de patiënt is niet in staat om het bereikte resultaat volledig te handhaven en krijgt hij een terugval. Terugval komt voor. Een patiënt hoeft niet elke keer dat hij terugvalt, helemaal opnieuw te beginnen. Een patiënt leert van zijn eerdere pogingen tot gedragsverandering en maakt hiervan gebruik bij een hernieuwde poging (Prochaska, DiClemente & Norcross, 1992). Het model van Prochaska en DiClemente gaat uit van de rationele processen die een rol spelen bij gedragsverandering. Automatische processen en emoties die een grote rol spelen bij het tot stand komen van gedrag blijven buiten beschouwing. Het model beschrijft daarmee slechts een deel van de processen die het gedrag bepalen. Andere, inhoudelijke kanttekeningen bij dit model zijn dat de stadia elkaar overlappen en niet altijd lineair worden doorlopen. Bovendien wordt niet elk stadium in alle gevallen doorlopen. Het model kan houvast bieden voor het aanmoedigen en helpen veranderen van mensen (Littell en Girvin, 2002). Het model helpt hulpverleners meer reële verwachtingen van de behandeling te hebben doordat het inzicht geeft in de fase waarin de patiënt zich bevindt. Door het gedwongen karakter van de behandeling binnen de forensische zorg is reactance een veel voorkomend verschijnsel. Dit is de gedragsmatige respons van een persoon om een bedreigd gevoel van gedragsvrijheid te beschermen of te herwinnen (Rooney, 1992). Reactance moet niet verward worden met weerstand tegen verandering van de situatie of van het eigen gedrag of leefstijl (Menger & Krechtig 2004). Bij de forensische doelgroep is motiverende gespreksvoering (zie module 2, 1.4) extra van belang om de motivatie voor en de therapietrouw tijdens de behandeling te verhogen. Motiverende gespreksvoering heeft dan ook altijd een plaats in het behandelaanbod, ongeacht het stadium van motivatie van de patiënt. 3.4 Risicomanagement Strategieën Risicomanagement heeft als doel het risico op geweld te verminderen door middel van preventie, inclusief vroege signalering van een reactie op mogelijk toekomstig geweld. Risicomanagement kan worden onderscheiden in vier basisactiviteiten of strategieën: monitoren, behandelen, toezicht en slachtofferveiligheid 18 84

21 (uit Factsheet HCR-20 V3 (De Vogel e.a., 2013). Goed risicomanagement vereist bekendheid met, en samenwerking tussen deskundigen van de verschillende betrokken instanties en instellingen. Monitoren Het doel van monitoren is veranderingen in het risico over de tijd te evalueren, zodat risicomanagement strategieën hierop kunnen worden afgestemd. Monitorstrategieën kunnen bestaan uit contacten in de vorm van bijeenkomsten of telefoongesprekken met de cliënt, maar ook met potentiele slachtoffers en ander belangrijke betrokkene (waaronder therapeuten, reclasseringsbegeleiders, familieleden en collega s). Huisbezoeken en bezoeken op het werk kunnen waar mogelijk ook van toepassing zijn. Ook elektronisch huisarrest, testen op druggebruik en inzage in post, telefoonlijsten, s, sms jes, berichten op social media of tweets kunnen worden toegepast. Vaste contactmomenten van de cliënt met hulpverleners en sociale instanties zijn een goede vorm van monitoren (De Vogel e.a., 2013). Het is van belang dat de plannen voor monitoring ook ingaan op de aard en frequentie van vereiste contacten. Ook dient geformuleerd worden welke signalen of rode vlaggen er zijn die waarschuwen wanneer het risico op geweld oploopt of acuut dreigend is (De Vogel e.a., 2013). Behandeling/diagnostiek Onderzoek heeft aangetoond dat behandelingen die in overeenstemming zijn met het Risk-Need-Responsivitymodel (RNR) (zie ook 3.4) het meest effectief zijn in het verminderen van recidive. Meestal zijn er gedragstherapeutische principes in de behandeling opgenomen. Toezicht/controle In het algemeen zal toezicht moeten worden geïmplementeerd met een intensiteit die correspondeert met het risiconiveau van de cliënt. Het doel van toezicht is om het de persoon moeilijk(er) te maken om gewelddadig gedrag te vertonen (De Vogel e.a., 2013). Slachtofferveiligheid Het maken van een plan voor slachtofferveiligheid heeft betrekking op het verbeteren van zowel de statische als dynamische veiligheidsmiddelen van een potentiële slachtoffer. Het doel is waarborgen dat wanneerondanks alle inzet op monitoring, behandeling en toezicht- geweld toch opnieuw plaatsvindt alle mogelijke negatieve effecten op het psychische en fysieke welbevinden van de slachtoffers wordt geminimaliseerd Deze vorm van management is niet altijd van toepassing (De Vogel e.a., 2013) Risicomanagement in forensisch psychiatrische centra Uit het onderzoek van het wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum naar de toepassing van risicotaxatie- en risicomanagement methoden in 12 FPC s, kwam naar voren dat elke FPC een risicoanalyse, behandelplan en terugvalpreventieplan schrijft voor het indienen van een verlofaanvraag bij het ministerie van Justitie en Veiligheid (Nagtegaal, 2010). Andere vormen van risicomanagement binnen de FPC s zijn onder te verdelen in vier bredere categorieën: 1. het uitvoeren van interventies, bijvoorbeeld het geven van therapie of het toedienen van medicatie 2. informatieoverdracht tussen personeelsleden, bijvoorbeeld dagrapportage, dagelijks stafberaad, terugkoppelen incidenten naar medewerkers, terugkoppelen dagelijks functioneren middels Best Index scores 3. maatregelen gericht op beveiliging, beheersing en controle, bijvoorbeeld urinecontrole (zie ook 10.5) 4. het afnemen van instrumenten gericht op risicomanagement, bijvoorbeeld de SORM

22 3.5 Risk-Need-Responsivity model Het Risk-Need-Responsivity-model (RNR) is een (internationaal) belangrijk model voor risicotaxatie en risicomanagement. Het RNR model vormt de basis van de meeste rehabilitatie en behandelingsprogramma s voor delinquenten en is vooral gericht op risicomanagement en terugvalpreventie (Andrews & Bonta, 1998; Gendreau, 1996). Het RNR model is een van de meest invloedrijke modellen voor risicotaxatie en behandeling van delinquenten (Blanchette & Brown, 2006; Ward, Mesler & Yates, 2007). Samengevat zijn de drie principes van dit model als volgt (Bonta & Andrews, 2007): Risk: het niveau van behandeling en begeleiding dient te worden afgestemd op het recidive risico van de cliënt. Need: criminogene behoeften van de cliënt dienen vastgesteld te worden om de behandeling daarop te richten Responsivity: de mogelijkheid om te leren van terugval dient gemaximaliseerd te worden door het aanreiken van cognitieve gedragstherapie en het afstemmen van interventies op de leerstijl, motivatie, capaciteiten en sterke punten van de cliënt

23 DEEL 2: Screening en diagnostiek Goede screening en diagnostiek, d.w.z. het zo volledig mogelijk in kaart brengen van de symptomatologie van de patiënt en zijn kenmerkende gedragspatronen zijn van belang voor het opstellen van een passende behandeling en voor het uitvoeren van een risicotaxatie (zie Deel 3). Diagnostiek en risicotaxatie nemen een centrale plaats in binnen de forensisch psychiatrische zorgprogramma s (EFP, 2014). Het doel van de behandeling is immers om de risico's op een recidive zo veel als mogelijk te verminderen. In de praktijk vinden grote delen van de diagnostiek en risicotaxatie parallel en door elkaar plaats, beïnvloeden zij elkaar wederzijds en zijn zij moeilijk los van elkaar te zien. Tijdens de behandelfase worden de gemeten risicofactoren verfijnd en op de patiënt toegespitst. Deze verfijning kan gedaan worden met behulp van verschillende instrumenten of analysemethoden. Hoe hoger het aantal risicofactoren, des te groter de kans op stoornissen, met een exponentiële factor bij meer dan twee risicofactoren (Korebrits & van den Bogaard, 2006). In hoofdstuk 4 worden instrumenten voor screening op middelengebruik en verslaving (4.1) en instrumenten voor triage en diagnostiek van problematisch middelengebruik en delinquent gedrag (4.2) beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op instrumenten voor het vaststellen van comorbide problematiek. Hoofdstuk 6 beschrijft instrumenten ten behoeve van monitoring van problematisch middelengebruik in relatie tot delinquent gedrag. 4 Screening, diagnostiek en risicotaxatie middelengebruik 4.1 Instrumenten voor het bepalen van middelengebruik en verslaving Voor screening op problematisch alcohol- en drugsgebruik in de forensisch klinische setting worden in bestaande richtlijnen 1 alsook in de richtlijn behorende bij deze onderbouwing respectievelijk aanbevolen: - de Alcohol Use Disorders Identification Test (AUDIT, 10 items) of de CAGE (4 items) - de Drug Use Disorders Identification Test (DUDIT, 10 items) of de CAGE Adapted to Include Drugs (CAGE-AID, 4 items) Alcohol Use Disorders Identification Test (AUDIT) De AUDIT is ontwikkeld door de WHO als een simpele methode om te screenen op overmatig drinken en om te assisteren bij een beknopte assessment hiervan. Het kan helpen om overmatig drinken te identificeren als een oorzaak van een aanwezige aandoening. Het biedt ook een framework voor interventies die helpen om gevaarlijke en schadelijke drinkers hun alcoholconsumptie te verminderen of stoppen om zo de nadelige gevolgen van het drinken te voorkomen. De AUDIT helpt ook bij het identificeren van alcohol afhankelijkheid en enkele specifieke gevolgen van problematisch alcoholgebruik. De AUDIT is in het bijzonder ontwikkeld voor zorgverleners en een range van gezondheidszorg settings, maar met geschikte instructies kan de AUDIT ook zelf uitgevoerd worden of gebruikt worden door professionals buiten de gezondheidszorg. De AUDIT is ontwikkeld 1 Multidisciplinaire Richtlijn Opiaatverslaving (Van den Brink e.a., 2013); Multidisciplinaire Richtlijn voor stoornissen in het gebruik van alcohol (Werkgroep MDR Stoornissen in het gebruik van alcohol; 2009); Richtlijn Dubbele diagnose (Blanken e.a., 2003)

24 en geëvalueerd gedurende 20 jaar en het is aangetoond dat het een accuraat instrument is (Babor e.a., 2001). De domeinen en inhoud van de items en risico-niveaus van de AUDIT worden in tabel 1 en 2 weergegeven. Tabel 1: Domeinen en item inhoud van de AUDIT. Domeinen Aantal vragen Inhoud items Overmatig alcohol gebruik Afhankelijkheidssymptomen Problematisch alcohol gebruik Frequentie van drinken Gebruikelijke hoeveelheid Frequentie van overmatig drinken Verstoorde controle over drinken Verhoogde Ochtend drinken Schuldgevoel na drinken Blackouts Alcohol gerelateerde schade Anderen zijn bezorgd over drinken Tabel 2: Risico-niveaus AUDIT. Risico niveau Interventie AUDIT score 2 Zone I Alcohol voorlichting 0-7 Zone II Simpel advies 8-15 Zone III Simpel advies + korte counseling en aanhoudende monitoring Zone IV Verwijzing naar specialist voor diagnose, evaluatie en behandeling Afkappunten Mannen met alcohol gerelateerde problematiek worden geïdentificeerd bij een score van 8 of meer punten. Voor vrouwen geldt 6 of meer punten (met een maximum van 40 punten voor beiden) (Berman e.a., 2003) Drug Use Disorders Identification Test (DUDIT) De DUDIT is parallel aan de AUDIT ontwikkeld en bedoeld voor de identificatie van individuen met druggerelateerde problemen. De DUDIT wordt gebruikt in de eerste stap van de assessment van druggerelateerde problemen. Het doel van deze stap is het screenen van individuen met problematisch druggebruik of drugafhankelijkheid en degenen uitvlakken die deze problemen niet hebben (Berman e.a., De AUDIT cut-off score kan licht variëren afhankelijk van drinkpatroon in bepaald land, de alcohol inhoud van standaard consumptie en de aard van het screeningsprogramma. Klinische beoordeling dient uitgevoerd te worden als de score van de patiënt niet consistent is met ander bewijs. Of als de patiënt een geschiedenis heeft in alcohol afhankelijkheid. Het kan ook nuttig zijn om de response van de patiënt op individuele vragen gericht op afhankelijkheidssymptomen (item 4,5 en 6) en alcohol-gerelateerde problemen (items 9 en 10), te boordelen. Biedt het hoogste niveau van interventie aan patiënten die 2 of meer scoren op vraag 4,5 en 6 of 9 of

25 2003). De DUDIT bestaat uit 11 items (zie tabel 3). Het doel van de items is het identificeren van gebruikspatronen en diverse druggerelateerde problemen. Tabel 3: DUDIT items en focus per item. Nr. Item Focus 1 How often do you use drugs other than alcohol? (See list of Frequency per week/month drugs) 2 Do you use more than one type of drug on the same occasion? Polydrug use 3 How many times do you take drugs on a typical day when you use drugs? Frequency per day 4 How often are you influenced heavily by drugs? Heavy use 5 Over the past year, have you felt that your longing for drugs was so strong that you could not resist it? 6 Has it happened, over the past year, that you have not been able to stop taking drugs once you started? 7 How often over the past year have you taken drugs and then neglected to do something you should have done? 8 How often over the past year have you needed to take a drug the morning after heavy drug use the day before? 9 How often over the past year have you had guilt feelings or a bad conscience because you used drugs? 10 Have you or anyone else been hurt (mentally or physically) because you used drugs? 11 Has a relative or a friend, a doctor or a nurse, or anyone else, been worried about your drug use or said to you that you should stop using drugs? Craving Loss of control Priorization of drug use Eye-opener Guilt feelings Harmful use Concern from others Scoring De DUDIT is ontwikkeld als parallel instrument aan de AUDIT en beiden instrumenten worden op dezelfde manier gescoord. De scoring methode voor de DUDIT is weergegeven in tabel 4. De maximale score voor de DUDIT items is 44 punten (11x4). De punten voor elk item moeten opgeteld worden om tot de totale DUDIT score te komen. Tabel 4: Scoring voor elk DUDIT item. Items Scoring 1-9 0, 1, 2, 3, , 2,

26 Afkappunten Mannen met druggerelateerde problemen worden geïdentificeerd bij afkapscores van 6 punten of meer. Vrouwen worden geïdentificeerd met druggerelateerde problemen bij 2 punten of meer (Berman e.a., 2003) CAGE Adapted to Include Drugs (CAGE-AID) De CAGE AID is een korte vragenlijst voor alcoholgebruik en bestaat uit 4 items (tabel 5): Tabel 5: CAGE-AID items. 1 Have you ever felt you ought to cut down on your drinking or drug use? 2 Have people annoyed you by criticizing your drinking or drug use? 3 Have you ever felt bad or guilty about your drinking or drug use? 4 Have you ever had a drink or used drugs first thing in the morning to steady your nerves or to get rid of a hangover? Scoring De antwoorden op de items worden gescoord als 0 voor nee en 1 voor ja, waarbij een hogere score duidt op druggerelateerde problemen. Afkappunt van 2 of meer positieve antwoorden wordt beschouwd als klinisch significant MATE module 1 De MATE module 1 is een interview dat het gebruik van psychoactieve middelen in de afgelopen periode en in de loop van het leven vaststelt (Schippers e.a., 2011). Inventarisatie vindt plaats in een matrix (grid) waarin de middelen worden benoemd en het gebruik en de gebruiksgewoonten kunnen worden genoteerd. De soorten middelen zijn gebaseerd op de opsomming in de CIDI versie 2.1 van de WHO (WHO, 1997a. 1997b).Gevraagd wordt het gebruik in standaardeenheden in de laatste dertig dagen en de hoeveelheid gebruikt op een kenmerkende gebruiksdag. Ook het gebruik van nicotine en gokken worden bevraagd. Eetproblemen worden niet in de MATE geïnventariseerd. Daarnaast wordt gevraagd of er ooit middelen geïnjecteerd zijn en welk middel als primaire middel probleemmiddel of probleemgedrag kan worden geïdentificeerd. De meerwaarde van de MATE module 1 is dat alle middelen worden uitgevraagd, en zowel ooit als recent gebruik in tegenstelling tot bovengenoemde instrumenten. De inventarisatie van het middelengebruik wordt zowel gebruikt voor het vaststellen van de verslavingsernst (belangrijk voor triage naar zorgzwaarte) als voor het meten van verandering. Bij het bepalen van de ernst van de verslaving worden de volgende drempelwaarden voor module 1 gebruikt (tabel 6): Tabel 6: Drempelwaarden van MATE module

Diagnostiek fase. Behandelfase. Resocialisatiefase. Psychosociale behandeling. Medicamenteuze behandeling. Terugvalpreventie Herstel

Diagnostiek fase. Behandelfase. Resocialisatiefase. Psychosociale behandeling. Medicamenteuze behandeling. Terugvalpreventie Herstel Diagnostiek fase Samenvattingskaart WANNEER, HOE? 1. Diagnostiek middelengebruik 2. Vaststellen problematisch middelengebruik en relatie met delict Aandacht voor interacties psychische problemen en middelengebruik

Nadere informatie

MIDDELENGERELATEERDE en VERSLAVINGSSTOORNISSEN. Dr. Marie-Catherine Monté en Dr. Marieke Waignein

MIDDELENGERELATEERDE en VERSLAVINGSSTOORNISSEN. Dr. Marie-Catherine Monté en Dr. Marieke Waignein MIDDELENGERELATEERDE en VERSLAVINGSSTOORNISSEN Dr. Marie-Catherine Monté en Dr. Marieke Waignein 28 november 2014 Middelengerelateerde problematiek 1. Algemeen A. Middelengebruik in België B. Gevolgen:

Nadere informatie

CGt binnen de ambulante forensische GGz: nieuwe ontwikkelingen

CGt binnen de ambulante forensische GGz: nieuwe ontwikkelingen CGt binnen de ambulante forensische GGz: nieuwe ontwikkelingen Achtergrond symposium Criminaliteit heeft grote gevolgen voor samenleving: -Fysieke verwondingen -Psychische klachten -Materiële schade -Kosten:

Nadere informatie

Inhoud. deel i de omvang en aard van het probleem 19. Voorwoord 1 1

Inhoud. deel i de omvang en aard van het probleem 19. Voorwoord 1 1 Voorwoord 1 1 deel i de omvang en aard van het probleem 19 1 Psychiatrische comorbiditeit van verslaving in relatie tot criminaliteit 2 1 Arne Popma, Eric Blaauw, Erwin Bijlsma 1.1 Inleiding 2 2 1.2 Psychiatrische

Nadere informatie

Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg

Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische klinische zorg Januari 2015 Marije Lans (Victas) Lieke Raaijmakers, Elske Wits (IVO) Colofon Richtlijn problematisch middelengebruik in de forensische

Nadere informatie

P. de Beurs, psychiater en adviseur voor de IGZ

P. de Beurs, psychiater en adviseur voor de IGZ P. de Beurs, psychiater en adviseur voor de IGZ Dilemma s bij risicotaxatie Risicotaxatie is een nieuw en modieus thema in de GGZ Veilige zorg is een illusie Hoe veiliger de zorg, hoe minder vrijheid voor

Nadere informatie

VMDB 15-06-2013. Arnold Scholten Psycholoog Brijder Verslavingszorg

VMDB 15-06-2013. Arnold Scholten Psycholoog Brijder Verslavingszorg VMDB 15-06-2013 Arnold Scholten Psycholoog Brijder Verslavingszorg DUBBELE DIAGNOSE Psychiatrische Stoornis + middelenproblematiek Er bestaat wederzijdse beïnvloeding Prognose is minder goed Afzonderlijke

Nadere informatie

Behandeling van middelengebruik in de forensische psychiatrie

Behandeling van middelengebruik in de forensische psychiatrie Behandeling van middelengebruik in de forensische psychiatrie Aanleiding Naar aanleiding van de reactie van GGZ Nederland op het IVO rapport dat in 2008 is gepubliceerd en betrekking heeft op middelengebruik

Nadere informatie

Middelen, delictgedrag en leefstijltraining. Marscha Mansvelt

Middelen, delictgedrag en leefstijltraining. Marscha Mansvelt Middelen, delictgedrag en leefstijltraining Marscha Mansvelt Inhoud Hoe gaat de Waag om met middelengebruik als risicofactor voor delictgedrag? Leefstijltraining 1. Alcohol is de meest sociaal geaccepteerde

Nadere informatie

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud Informatie voor Familieleden omtrent Psychose InFoP 2 Inhoud Introductie Module I: Wat is een psychose? Module II: Psychose begrijpen? Module III: Behandeling van psychose de rol van medicatie? Module

Nadere informatie

Risicotaxatie bij verslaafde justitiabelen Naar een (aanvullend)instrument

Risicotaxatie bij verslaafde justitiabelen Naar een (aanvullend)instrument Verslag EFP Themabijeenkomst Risicotaxatie bij verslaafde justitiabelen Naar een (aanvullend)instrument 29 november 2011 Introductie De presentatie wordt verzorgd door Sylvia Lammers; psycholoog en gepromoveerd

Nadere informatie

Schizofrenie en comorbide verslaving

Schizofrenie en comorbide verslaving Schizofrenie en comorbide verslaving Wilma Reesink GGZ Verpleegkundig Specialist GGNet Apeldoorn Workshopindeling: 1. Stellingen bespreken aan de hand van het Lagerhuismodel met doel: kennis testen, dilemma

Nadere informatie

Integrated treatment for Substance abuse and Partner violence (I-StoP)

Integrated treatment for Substance abuse and Partner violence (I-StoP) Integrated treatment for Substance abuse and Partner violence (I-StoP) De effectiviteit van een gecombineerde behandeling gericht op problematisch middelengebruik en partnergeweld bij plegers van partnergeweld

Nadere informatie

Verslaving binnen de forensische psychiatrie

Verslaving binnen de forensische psychiatrie Verslaving binnen de forensische psychiatrie Minor - Werken in gedwongen kader Praktijkverdieping Docent: Paul Berkers Geschreven door: Martine Bergshoeff Edith Yayla Louiza el Azzouzi Evelyne Bastien

Nadere informatie

Keuzevak Effectieve Verslavingspreventie. Welkom. iri Kruit Voorlichting en training

Keuzevak Effectieve Verslavingspreventie. Welkom. iri Kruit Voorlichting en training Keuzevak Effectieve Verslavingspreventie Welkom Docent: Siri Kruit s.r.kruit@hr.nl 1 Huiswerkopdracht : Programma les 2 Theorie basis informatie Cannabis -presentatie Voorlichtingsmateriaal -nabespreken

Nadere informatie

Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen?

Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen? Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen? Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen? Richtlijnen Casus IDDT Richtlijnen, wat zeggen ze niet! Richtlijnen Dubbele Diagnose, Dubbele hulp (2003) British

Nadere informatie

Gedwongen opname en verslaving Dr Anne Van Duyse - De Sleutel en PC Sint Jan Baptist

Gedwongen opname en verslaving Dr Anne Van Duyse - De Sleutel en PC Sint Jan Baptist Gedwongen opname en verslaving Dr Anne Van Duyse - De Sleutel en PC Sint Jan Baptist Deel 1: Wet op de gedwongen opname Deel 2: problematisch middelengebruik Toetsing van de wet bij verslaving Geesteszieke

Nadere informatie

Verslaving en comorbiditeit

Verslaving en comorbiditeit Verslaving en comorbiditeit Wat is de evidentie? Dr. E. Vedel, Jellinek, Arkin 18 november 2014 Comobiditeitis hot 1 Jellinek onderzoek comorbiditeit Verslaving & persoonlijkheid, 1997 Verslaving & ADHD,

Nadere informatie

PK Broeders Alexianen Tienen

PK Broeders Alexianen Tienen PROGRAMMA 09u30 Ontvangst Koffie 10u00 Verwelkoming en inleiding Ivo Vanschooland Dr. H. Peuskens Getuigenis Pauze Getuigenis Herman Hacour 12u00 Aperitief en lunch 14u00 Werkgroepen begeleid door: Hacour

Nadere informatie

Keuzevak Effectieve Verslavingspreventie. Welkom. iri Kruit Voorlichting en training

Keuzevak Effectieve Verslavingspreventie. Welkom. iri Kruit Voorlichting en training Keuzevak Effectieve Verslavingspreventie Welkom Docent: Siri Kruit s.r.kruit@hr.nl 1 Huiswerkopdracht : Programma les 2 Theorie basis informatie Cannabis -presentatie Voorlichtingsmateriaal -nabespreken

Nadere informatie

Je bent alleen maar verslaafd! Wim van Loon, Psychiater. 10 februari 2014

Je bent alleen maar verslaafd! Wim van Loon, Psychiater. 10 februari 2014 Je bent alleen maar verslaafd! Wim van Loon, Psychiater. 10 februari 2014 Comorbiditeit: Voorkomen van verschillende stoornissen bij 1 persoon. Dubbele diagnose: Verslaving (afhankelijkheid en misbruik

Nadere informatie

Roesmiddelen en probleemgedrag: naar een Forensische Verslavingspsychiatrie?! Werkbezoek NIFP 26-06-2008

Roesmiddelen en probleemgedrag: naar een Forensische Verslavingspsychiatrie?! Werkbezoek NIFP 26-06-2008 Roesmiddelen en probleemgedrag: naar een Forensische Verslavingspsychiatrie?! Werkbezoek NIFP 26-06-2008 Achter dat probleemgedrag zit(ten). De gevolgen van middelengebruik op het gedrag Mogelijk verslaving

Nadere informatie

When Things are Getting out of Hand. Prevalence, Assessment, and Treatment of Substance Use Disorder(s) and Violent Behavior F.L.

When Things are Getting out of Hand. Prevalence, Assessment, and Treatment of Substance Use Disorder(s) and Violent Behavior F.L. When Things are Getting out of Hand. Prevalence, Assessment, and Treatment of Substance Use Disorder(s) and Violent Behavior F.L. Kraanen Samenvatting Criminaliteit is een belangrijk probleem en zorgt

Nadere informatie

Verslaving apart? Dubbele diagnostiek als standaardbehandeling. dr. C.A. Loth

Verslaving apart? Dubbele diagnostiek als standaardbehandeling. dr. C.A. Loth Verslaving apart? Dubbele diagnostiek als standaardbehandeling in de GGz dr. C.A. Loth Cijfers 1,2 miljoen alcoholisten/problematische drinkers 1,8 miljoen dagelijkse gebruikers benzo s, 22 % gebruikt

Nadere informatie

Mentale kracht in de Forensische Psychiatrie

Mentale kracht in de Forensische Psychiatrie Mentale Mentale kracht in de Forensische Psychiatrie LFPZ,Zeeland, 11 juni 2009 Jan Auke Walburg Principes van positieve psychologie Bestudering positieve subjectieve ervaringen en constructieve cognities.

Nadere informatie

Congres 01-04-2009. lex pull 23-03-2009 1

Congres 01-04-2009. lex pull 23-03-2009 1 ADHD EN VERSLAVING Congres 01-04-2009 lex pull 23-03-2009 1 ADHD EN VERSLAVING PREVALENTIE VERKLARINGSMODELLEN DIAGNOSTIEK BEHANDELING lex pull 23-03-2009 2 prevalentie 8-Tal studies SUD bij ADHD: Life-time

Nadere informatie

Verslaving, criminaliteit en resocialisatie

Verslaving, criminaliteit en resocialisatie Verslaving, criminaliteit en resocialisatie A. de Vries* De Werkgroep is van mening dat een geïntegreerd behandelplan, waarin zowel aandacht wordt gegeven aan de verslavingsproblemen als aan de persoonlijkheidsproblemen,

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING

NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING Zedendelicten vormen een groot maatschappelijk probleem met ernstige gevolgen voor zowel het slachtoffer als voor de dader. Hoewel de meeste zedendelicten worden gepleegd door

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 134 Nederlandse samenvatting De inleiding van dit proefschrift beschrijft de noodzaak onderzoek te verrichten naar interpersoonlijk trauma en de gevolgen daarvan bij jongeren in

Nadere informatie

Cognitieve gedragstherapie bij problematisch alcoholgebruik

Cognitieve gedragstherapie bij problematisch alcoholgebruik Cognitieve gedragstherapie bij problematisch alcoholgebruik Informatie voor mensen die hun probleem willen aanpakken 2 Kortdurende motiverende interventie en cognitieve gedragstherapie Een effectieve behandeling

Nadere informatie

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 SAMENVATTING 117 Pas kortgeleden is aangetoond dat ADHD niet uitdooft, maar ook bij ouderen voorkomt en nadelige gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn omgeving. Er is echter weinig bekend over de

Nadere informatie

HERSENZIEKTEN, AUTONOMIE EN GEDRAG. Werkbezoek OM Dordrecht 6-10-2009

HERSENZIEKTEN, AUTONOMIE EN GEDRAG. Werkbezoek OM Dordrecht 6-10-2009 HERSENZIEKTEN, AUTONOMIE EN GEDRAG Werkbezoek OM Dordrecht 6-10-2009 Co-morbiditeit is de norm (gegevens uit intern onderzoek Bouman GGZ) HEROÏNE (VAAK POLYDRUGGE BRUIK) ALCOHOL STIMULAN- TIA CANNABIS

Nadere informatie

NeDerLANDse samenvatting

NeDerLANDse samenvatting CHAPTER 10 259 NEDERLANDSE SAMENVATTING Benzodiazepines zijn psychotrope middelen met anxiolytische, sederende, spierverslappende en hypnotische effecten. In de praktijk worden zij voornamelijk ingezet

Nadere informatie

Crimineel gedrag en schoolverzuim onder jongeren met jeugdreclasseringsmaatregel bij de WSG

Crimineel gedrag en schoolverzuim onder jongeren met jeugdreclasseringsmaatregel bij de WSG Lectoraat LVB en jeugdcriminaliteit Factsheet 7 - december 2015 Expertisecentrum Jeugd Hogeschool Leiden Crimineel gedrag en school onder jongeren met jeugdreclasseringsmaatregel bij de WSG Door: Paula

Nadere informatie

20 man 15 vrouw. depressie paranoia psychose

20 man 15 vrouw. depressie paranoia psychose Dubbele Diagnose Patricia v.wijngaarden-cremers, psychiater Circuitmanager Verslavingspsychiatrie Dimence Inhoud - Inleiding - Gebruik onder Nederlandse Jongeren - Psychiatrische Comorbiditeit - Wat is

Nadere informatie

1 Psychiatrische comorbiditeit van verslaving in relatie tot criminaliteit

1 Psychiatrische comorbiditeit van verslaving in relatie tot criminaliteit 1 Psychiatrische comorbiditeit van verslaving in relatie tot criminaliteit Arne Popma, Eric Blaauw en Erwin Bijlsma Samenvatting» Verslaving1, psychiatrische stoornissen en criminaliteit komen vaak in

Nadere informatie

De rol van de gedragskundige. LVB en Verslaving Workshopronde 1 Slotbijeenkomst Trimbos 16-04-2013

De rol van de gedragskundige. LVB en Verslaving Workshopronde 1 Slotbijeenkomst Trimbos 16-04-2013 De rol van de gedragskundige LVB en Verslaving Workshopronde 1 Slotbijeenkomst Trimbos 16-04-2013 Spin in het web? Agenda Korte uiteenzetting LVB en verslaving Functie-eisen Rol gedragskundige Discussie

Nadere informatie

Samenvatting. Adviesaanvraag

Samenvatting. Adviesaanvraag Samenvatting Adviesaanvraag De antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASP) is een psychiatrische stoornis die wordt gekenmerkt door een duurzaam patroon van egocentrisme, impulsiviteit en agressiviteit.

Nadere informatie

Behandeling van verslaving en comorbiditeit. de Noord Nederlandse ervaring

Behandeling van verslaving en comorbiditeit. de Noord Nederlandse ervaring Behandeling van verslaving en comorbiditeit de Noord Nederlandse ervaring Gent 14 nov2014 Primaire problematiek naar voorkomen in bevolking en % in behandeling 1 Setting van hulp in VZ VNN 34 ambulante

Nadere informatie

Inhoud. Ontgifting en stabilisatie. Observatie en Diagnostiek en Behandeling. Cijfers en Onderzoek. Aanbod Jeugd in Nederland

Inhoud. Ontgifting en stabilisatie. Observatie en Diagnostiek en Behandeling. Cijfers en Onderzoek. Aanbod Jeugd in Nederland Polls drugsweb Kun je op eigen houtje van drugs afkomen Ja: 85% Moeten we minder gaan drinken Ja: 57% Bang om verslaafd te worden Ja: 21% Drugs meenemen naar buitenland Ja: 73% Wiet is een harddrug Ja:

Nadere informatie

Samenvatting (summary in Dutch)

Samenvatting (summary in Dutch) Samenvatting (summary in Dutch) 149 Samenvatting (summary in Dutch) Één van de meest voorkomende en slopende ziektes is depressie. De impact op het dagelijks functioneren en op de samenleving is enorm,

Nadere informatie

Effectief vroegtijdig ingrijpen: Een verkennend onderzoek naar effectief vroegtijdig ingrijpen ter voorkoming van ernstig delinquent gedrag.

Effectief vroegtijdig ingrijpen: Een verkennend onderzoek naar effectief vroegtijdig ingrijpen ter voorkoming van ernstig delinquent gedrag. Effectief vroegtijdig ingrijpen: Een verkennend onderzoek naar effectief vroegtijdig ingrijpen ter voorkoming van ernstig delinquent gedrag. Samenvatting De Top600 bestaat uit een groep van 600 jonge veelplegers

Nadere informatie

Geïntegreerde behandeling van patiënten met schizofrenie en middelengebruik

Geïntegreerde behandeling van patiënten met schizofrenie en middelengebruik Geïntegreerde behandeling van patiënten met schizofrenie en middelengebruik Saskia van Duin - verpleegkundig specialist GGZ Melchiord Ricardo - ervaringsdeskundige Ellen Struik teamleider DD kliniek GGZ

Nadere informatie

Intensieve zorg bij hoog risico. Maryke Geerdink, de Waag Amsterdam Karlijn Vercauteren, de Waag Utrecht

Intensieve zorg bij hoog risico. Maryke Geerdink, de Waag Amsterdam Karlijn Vercauteren, de Waag Utrecht Intensieve zorg bij hoog risico Maryke Geerdink, de Waag Amsterdam Karlijn Vercauteren, de Waag Utrecht Programma Vraag vanuit de samenleving What Works Zorgprogramma Intensieve Zorg Casus Discussie RVZ:

Nadere informatie

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Nederlandse Samenvatting De adolescentie is levensfase waarin de neiging om nieuwe ervaringen op te

Nadere informatie

Ouderen en verslaving Dick van Etten Verpleegkundig Specialist GGZ Centrum Maliebaan

Ouderen en verslaving Dick van Etten Verpleegkundig Specialist GGZ Centrum Maliebaan Ouderen en verslaving Dick van Etten Verpleegkundig Specialist GGZ Centrum Maliebaan U moet de bakens verzetten en noch sterke drank, noch bier meer gebruiken: houdt u aan een matig gebruik van een redelijke

Nadere informatie

5 Samenvatting en conclusies

5 Samenvatting en conclusies 5 Samenvatting en conclusies In 2008 werden in Nederland bijna 5,2 miljoen mensen het slachtoffer van criminaliteit (cbs 2008). De meeste van deze slachtoffers kregen te maken met diefstal of vernieling,

Nadere informatie

Studie type Populatie Patiënten kenmerken Interventie Controle Dataverzameling

Studie type Populatie Patiënten kenmerken Interventie Controle Dataverzameling Evidence tabel bij ADHD in kinderen en adolescenten (studies naar adolescenten met ADHD en ) Auteurs, Gray et al., 2011 Thurstone et al., 2010 Mate van bewijs A2 A2 Studie type Populatie Patiënten kenmerken

Nadere informatie

Middelengebruik bij mensen met een verstandelijke beperking. Arjetta Timmer Brijder Verslavingszorg

Middelengebruik bij mensen met een verstandelijke beperking. Arjetta Timmer Brijder Verslavingszorg Middelengebruik bij mensen met een verstandelijke beperking Arjetta Timmer Brijder Verslavingszorg Parnassia Bavo Groep Brijder Verslavingszorg Preventie Jeugd Zorg ambulant & klinisch Bereidheidliniaal

Nadere informatie

Workshop jongeren, middelengebruik en delictgedrag

Workshop jongeren, middelengebruik en delictgedrag Workshop jongeren, middelengebruik en delictgedrag Programma Delictgedrag en middelengebruik jongeren Typen delictgedrag in relatie tot middelen(gebruik) Effecten middelengebruik samenleving Werking van

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

Praten over pedofiele gevoelens van jongeren

Praten over pedofiele gevoelens van jongeren Praten over pedofiele gevoelens van jongeren tussen noodzaak en taboe Jules Mulder Stop it Now! 9 februari 2016 Pedofilie en pedofiele stoornis Pedofilie intense recidiverende seksuele opwinding (fantasieën,

Nadere informatie

Een stap verder in forensische en intensieve zorg

Een stap verder in forensische en intensieve zorg Een stap verder in forensische en intensieve zorg Palier bundelt intensieve en forensische zorg. Het is zorg die net een stapje verder gaat. Dat vraagt om een intensieve aanpak. Want onze doelgroep kampt

Nadere informatie

J.J. Schijf, GZ psycholoog Brijder Verslavingszorg jaap. schijf@brijder.nl

J.J. Schijf, GZ psycholoog Brijder Verslavingszorg jaap. schijf@brijder.nl J.J. Schijf, GZ psycholoog Brijder Verslavingszorg jaap. schijf@brijder.nl Waar gaan we het over hebben? Samen gaan Mechanismen misbruik Consequenties voor bejegening Schadelijke Gevolgen Middelen Kalant,

Nadere informatie

Behandelprogramma psychiatrie en verslaving

Behandelprogramma psychiatrie en verslaving Behandelprogramma psychiatrie en verslaving Keuze voor beheerst gebruik Egbert Meeter, 28-5-2013 Hoe begon het De eerste vergadering 21-07-2010 Bronnen Bronnen Bronnen Bronnen Inhoud Veiligiheid Toetsing

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod

Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod U bent niet de enige Een op de tien Nederlanders heeft te maken met een persoonlijkheidsstoornis of heeft trekken hiervan. De Riagg Maastricht is gespecialiseerd

Nadere informatie

CAT VRAGEN OEFENEN Week 4. Cursus Psychisch Functioneren Mw. dr. U. Klumpers, psychiater/ cursuscoördinator Maandag 25 maart 2013

CAT VRAGEN OEFENEN Week 4. Cursus Psychisch Functioneren Mw. dr. U. Klumpers, psychiater/ cursuscoördinator Maandag 25 maart 2013 CAT VRAGEN OEFENEN Week 4 Cursus Psychisch Functioneren Mw. dr. U. Klumpers, psychiater/ cursuscoördinator Maandag 25 maart 2013 1. De moeder van Julian, 16 jaar, komt bij de huisarts. Julian heeft in

Nadere informatie

MIDDELENMISBRUIK + angststoornissen depressie

MIDDELENMISBRUIK + angststoornissen depressie MIDDELENMISBRUIK + angststoornissen depressie Enkele cijfers 17,9 % van de patiënten met een angststoornis lijdt aan een alcoholverslaving 19,4% van de alcoholverslaafden heeft een angststoornis (Addiction

Nadere informatie

Verslaafden zijn agressief of lijkt dat maar zo? Dr. Eric Blaauw Forensisch GZ psycholoog Senior onderzoeker

Verslaafden zijn agressief of lijkt dat maar zo? Dr. Eric Blaauw Forensisch GZ psycholoog Senior onderzoeker Verslaafden zijn agressief of lijkt dat maar zo? Dr. Eric Blaauw Forensisch GZ psycholoog Senior onderzoeker Verslaafden zijn agressief of lijkt dat maar zo? Link verslaving en agressie? Wat is verslaving?

Nadere informatie

Autisme spectrum stoornissen en delinquentie

Autisme spectrum stoornissen en delinquentie Autisme spectrum stoornissen en delinquentie Lucres Nauta-Jansen onderzoeker kinder- en jeugdpsychiatrie VUmc Casus Ronnie jongen van 14, goed en wel in de puberteit onzedelijke handelingen bij 5-jarig

Nadere informatie

De invloed van slapeloosheid op psychiatrische stoornissen en agressie

De invloed van slapeloosheid op psychiatrische stoornissen en agressie De invloed van slapeloosheid op psychiatrische stoornissen en agressie - Dr. Marike Lancel - Divisie Forensische Psychiatrie Slaapcentrum voor Psychiatrie Assen Agressie en dwangtoepassing leren van elkaar

Nadere informatie

Informatie Piet Roordakliniek. Tactus

Informatie Piet Roordakliniek. Tactus Informatie Tactus Behandelaanbod Forensische Verslavingskliniek De is een forensische verslavingskliniek en biedt behandeling aan cliënten die veelvuldig met justitie in aanraking zijn gekomen, langdurig

Nadere informatie

Correcties DSM 5 : Beknopt overzicht van de criteria

Correcties DSM 5 : Beknopt overzicht van de criteria Correcties DSM 5 : Beknopt overzicht van de criteria Vierde oplage, juni 2016 In deze lijst zijn de belangrijkste wijzigingen opgenomen t.o.v. de derde oplage (juni 2015). Pagina Stoornis Derde oplage,

Nadere informatie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie Grensoverschrijdend gedrag Les 2: inleiding in de psychopathologie Programma Psychopathologie; wat is het? Algemene functionele psychopathologie DSM Psychopathologie = Een onderdeel van de psychiatrie

Nadere informatie

Angst & Verslaving. Angst en verslaving 10 oktober 2014 Bouwe Pieterse, psychiater

Angst & Verslaving. Angst en verslaving 10 oktober 2014 Bouwe Pieterse, psychiater Angst & Verslaving Angst en verslaving 10 oktober 2014 Bouwe Pieterse, psychiater Inhoudsopgave Achtergrond Etiologie Epidemiologie Diagnostiek Behandeling Kushner ea Multidisciplinaire Richtlijn alcohol

Nadere informatie

Psychologie Inovum. Informatie en productenboek voor cliënten, hun naasten en medewerkers

Psychologie Inovum. Informatie en productenboek voor cliënten, hun naasten en medewerkers Psychologie Inovum Informatie en productenboek voor cliënten, hun naasten en medewerkers Waarom psychologie Deze folder is om bewoners, hun naasten en medewerkers goed te informeren over de mogelijkheden

Nadere informatie

Brijder Verslavingszorg Hoofddorp

Brijder Verslavingszorg Hoofddorp Ons Team Ons team is zeer divers. We bestaan uit het secretariaat, psychologen, maatschappelijk werkers, sociaal psychiatrisch verpleegkundigen, cognitief gedragstherapeutisch werkers, ervaringsdeskundigen,

Nadere informatie

Angststoornissen. Verzekeringsgeneeskundig protocol

Angststoornissen. Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen Verzekeringsgeneeskundig protocol Epidemiologie I De jaarprevalentie voor psychische stoornissen onder de beroepsbevolking in Nederland wordt geschat op: 1. 5-10% 2. 10-15% 15% 3. 15-20%

Nadere informatie

Overzicht beschikbare informatie over alcohol, drugs, verslaving en psychiatrische aandoeningen.

Overzicht beschikbare informatie over alcohol, drugs, verslaving en psychiatrische aandoeningen. Overzicht beschikbare informatie over alcohol, drugs, verslaving en psychiatrische aandoeningen. Er is amper psycho-educatie materiaal beschikbaar voor dubbele diagnose cliënten over de interactie tussen

Nadere informatie

Mistral DTOX, een goed begin is het halve werk. Edwin Spapens GZ-Psycholoog Mistral DTOX & Mistral Kliniek

Mistral DTOX, een goed begin is het halve werk. Edwin Spapens GZ-Psycholoog Mistral DTOX & Mistral Kliniek Mistral DTOX, een goed begin is het halve werk. Edwin Spapens GZ-Psycholoog Mistral DTOX & Mistral Kliniek Cluster jeugd Preventie, inclusief minimale interventie van 1-3 gesprekken I- hulp (ambitie ook

Nadere informatie

Doelgroepen kasteelplus. Kerngedachten bij de visie. Ontwennen meer dan stoppen. Visie : controleverlies betekent totale abstinentie

Doelgroepen kasteelplus. Kerngedachten bij de visie. Ontwennen meer dan stoppen. Visie : controleverlies betekent totale abstinentie Doelgroepen kasteelplus Ontwennen meer dan stoppen. Hoe helpen we mensen om te veranderen? dag van de zorg 17/03/2013 Patrick Lobbens Hoofdverpleegkundige verslavingszorg kasteelplus Kasteelplus 1 : mensen

Nadere informatie

Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve gedragstherapie Cognitieve gedragstherapie Een succesvolle psychotherapie voor diverse emotionele stoornissen en problemen Afdeling Psychiatrie en Medische Psychologie Wat is Cognitieve Gedragstherapie? Cognitieve gedragstherapie

Nadere informatie

Richtlijn JGZ-richtlijn Kindermishandeling

Richtlijn JGZ-richtlijn Kindermishandeling Richtlijn JGZ-richtlijn Kindermishandeling 2. Gevolgen van kindermishandeling voor kind en omgeving De emotionele, lichamelijke en intellectuele ontwikkeling van een kind berust op genetische mogelijkheden

Nadere informatie

Forensische academie. Vivienne de Vogel. RINO 24 mei 2014

Forensische academie. Vivienne de Vogel. RINO 24 mei 2014 Forensische academie Vivienne de Vogel RINO 24 mei 2014 Inhoud Forensische academie Risicotaxatie: enkele trainingen uitgelicht Geweld algemeen Beschermende factoren Zeden Vrouwen geweld Forensische academie

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING 143. Nederlandse samenvatting

NEDERLANDSE SAMENVATTING 143. Nederlandse samenvatting NEDERLANDSE SAMENVATTING 143 Nederlandse samenvatting 144 NEDERLANDSE SAMENVATTING De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat psychische gezondheid een staat van welzijn is waarin een individu zich

Nadere informatie

namens Jellinek dank voor uw uitnodiging

namens Jellinek dank voor uw uitnodiging namens Jellinek dank voor uw uitnodiging Bani da Lima - Ahrendt Manager Behandelzaken JellinekMinnesota Franca Hasenbos Manager Bedrijfsvoering Jellinek Gooi- en Vechtstreek & JellinekMinnesota Onderwerpen

Nadere informatie

Diagnostiek en onderzoek naar autisme bij dubbele diagnose. Annette Bonebakker, PhD, klinisch neuropsycholoog CENTRUM DUBBELE PROBLEMATIEK DEN HAAG

Diagnostiek en onderzoek naar autisme bij dubbele diagnose. Annette Bonebakker, PhD, klinisch neuropsycholoog CENTRUM DUBBELE PROBLEMATIEK DEN HAAG Diagnostiek en onderzoek naar autisme bij dubbele diagnose Annette Bonebakker, PhD, klinisch neuropsycholoog CENTRUM DUBBELE PROBLEMATIEK DEN HAAG 1 Autisme spectrum stoornissen Waarom dit onderwerp? Diagnostiek

Nadere informatie

Disclosure belangen Janneke Valk, bedrijfsarts

Disclosure belangen Janneke Valk, bedrijfsarts Disclosure belangen Janneke Valk, bedrijfsarts (potentiële) belangenverstrengeling Geen / Zie hieronder Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Sponsoring of onderzoeksgeld Honorarium

Nadere informatie

Stemmingsstoornissen. Van DSM-IV-TR naar DSM-5. Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut

Stemmingsstoornissen. Van DSM-IV-TR naar DSM-5. Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut Stemmingsstoornissen Van DSM-IV-TR naar DSM-5 Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut Inhoud Veranderingen in de DSM-5 Nieuwe classificaties

Nadere informatie

Forensische psychiatrie en positieve psychologie

Forensische psychiatrie en positieve psychologie Forensische psychiatrie en positieve psychologie The future of forensic care. Symposium EFP 7 juni, 2012. Jan Walburg www.trimbos.nl Wat is positieve psychologie? stelt net zoveel belang in gezondheid

Nadere informatie

Hybride werken bij diagnose en advies. Inleiding

Hybride werken bij diagnose en advies. Inleiding Hybride werken bij diagnose en advies Inleiding Hybride werken is het combineren van 2 krachtbronnen. Al eerder werd aangegeven dat dit bij de reclassering gaat over het combineren van risicobeheersing

Nadere informatie

Kenmerken. VG protocol Borderlinepersoonlijkheidsstoornis (BPS) Comorbiditeit. Vaak gepaard met:

Kenmerken. VG protocol Borderlinepersoonlijkheidsstoornis (BPS) Comorbiditeit. Vaak gepaard met: VG protocol Borderlinepersoonlijkheidsstoornis (BPS) (Emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis) Kenmerken stabiel onstabiel : een pervasief patroon van: Emotionele instabiliteit Impulsieve gedragingen

Nadere informatie

MDR diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Klaas Jansen, SPV MetGGZ (voorheen RiaggZuid) FACT-team, Kernteam crisisdienst

MDR diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Klaas Jansen, SPV MetGGZ (voorheen RiaggZuid) FACT-team, Kernteam crisisdienst MDR diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag Klaas Jansen, SPV MetGGZ (voorheen RiaggZuid) FACT-team, Kernteam crisisdienst Inhoud Cijfers Visie op suïcidaal gedrag Diagnostiek en behandeling van

Nadere informatie

Innovatie in gestructureerde risicotaxatievan geweld: De HCR:V3 en SAPROF. Donderdag 6 december 2012 Kevin Douglas, Michiel de Vries Robbé

Innovatie in gestructureerde risicotaxatievan geweld: De HCR:V3 en SAPROF. Donderdag 6 december 2012 Kevin Douglas, Michiel de Vries Robbé Innovatie in gestructureerde risicotaxatievan geweld: De HCR:V3 en SAPROF Donderdag 6 december 2012 Kevin Douglas, Michiel de Vries Robbé Programma 13.00-13.15 Opening 13.15-14.30 HCR:V3, part I 14.30-15.00

Nadere informatie

Proefschrift. Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems. Merel Griffith - Lendering. Samenvatting

Proefschrift. Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems. Merel Griffith - Lendering. Samenvatting Proefschrift Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems Merel Griffith - Lendering Samenvatting Het gebruik van cannabis is gerelateerd aan een breed scala van psychische problemen, waaronder

Nadere informatie

Voor informatie over MST-LVB: MST-LVB Supervisor MST@prismanet.nl 06-23 95 63 91. Meer info? 0800-2357747 www.prismanet.nl

Voor informatie over MST-LVB: MST-LVB Supervisor MST@prismanet.nl 06-23 95 63 91. Meer info? 0800-2357747 www.prismanet.nl Voor informatie over MST-LVB: MST-LVB Supervisor MST@prismanet.nl 06-23 95 63 91 Meer info? 0800-2357747 www.prismanet.nl Prisma MST-LVB Multi Systeem Therapie Licht Verstandelijk Beperkt Prisma heeft

Nadere informatie

SUMMARY IN DUTCH. Summary in Dutch

SUMMARY IN DUTCH. Summary in Dutch SUMMARY IN DUTCH Summary in Dutch Summary in Dutch Introductie Dit proefschrift richt zich met name op het voorspellen van de behandeluitkomst bij kinderen met angststoornissen. Een selectie aan variabelen

Nadere informatie

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 Inhoud DSM IV -> DSM 5 DSM IV: Schizofrenie als kernsyndroom Even stilstaan bij SCHIZOFRENIE Kritiek op DSM IV Overzicht DSM 5 Schizofrenie (1) Epidemiologie:

Nadere informatie

Organogram Werkgebied

Organogram Werkgebied Wat doet Tactus Verslavingszorg? Tactus is specialist op het terrein van de verslavingszorg. Mensen die door hun verslaving aan alcohol, drugs, medicijnen, gokken, gamen, eten of andere verslavingen in

Nadere informatie

Inhoud. Voorwoord 7. Nawoord 171 Over de auteur 175 Literatuur 177 Register 179

Inhoud. Voorwoord 7. Nawoord 171 Over de auteur 175 Literatuur 177 Register 179 Inhoud Voorwoord 7 1 Hoe word je seksverslaafd? 13 2 Wie is gevoelig voor seksverslaving? 29 3 Het ontstaan van de verslaving 53 4 Seksverslaving, wissels en vat 73 5 Seksverslaving en de relatie 97 6

Nadere informatie

GGZ aanpak huiselijk geweld

GGZ aanpak huiselijk geweld GGZ aanpak huiselijk geweld Wat is er nodig en wat helpt Jeannette van Borren Mei 2011 Film moeder en zoon van Putten Voorkomen van problemen is beter en goedkoper dan genezen Preventieve GGZ interventies

Nadere informatie

Meer informatie MRS 0610-2

Meer informatie MRS 0610-2 Meer informatie Bij de VGCt zijn meer brochures verkrijgbaar, voor volwassenen bijvoorbeeld over depressie en angststoornissen. Speciaal voor kinderen zijn er brochures over veel piekeren, verlatingsangst,

Nadere informatie

1 Wat is er met me aan de hand? 11

1 Wat is er met me aan de hand? 11 Leven met een alcoholprobleem 07-03-06 09:25 Pagina 7 Inhoud Voorwoord 1 Wat is er met me aan de hand? 11 Typerend beeld van de kwaal 11 Symptomen 12 Vroege en late symptomen 14 Diagnostiek 14 Een paar

Nadere informatie

AGRESSIE. Basis emoties. Basis emoties. Basis emoties 28-3-2012. Angst Verdriet Boosheid Verbazing Plezier Walging Paul Ekman

AGRESSIE. Basis emoties. Basis emoties. Basis emoties 28-3-2012. Angst Verdriet Boosheid Verbazing Plezier Walging Paul Ekman Basis emoties AGRESSIE en psychiatrische sen Angst Verdriet Boosheid Verbazing Plezier Walging Paul Ekman Basis emoties Basis emoties Psychofysiologische reactie op een prikkel Stereotype patroon van motoriek,

Nadere informatie

Generalistische Basis GGZ en Specialistische GGZ

Generalistische Basis GGZ en Specialistische GGZ Generalistische Basis GGZ en Specialistische GGZ Informatie voor huisartsen Organisatie voor geestelijke gezondheidszorg GGZ Rivierduinen biedt vele vormen van geestelijke gezondheidszorg voor alle leeftijden;

Nadere informatie

GENDER, COMORBIDITY & AUTISM Inleiding INHOUD Opzet en Bevindingen per onderzoek Algemene Discussie Aanbevelingen Patricia J.M. van Wijngaarden-Cremers Classifications & Gender Patient cohort 2004 Clusters

Nadere informatie

Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet?

Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet? Stijging criminaliteit meisjes Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet? Anne-Marie Slotboom Vrije Universiteit Amsterdam 1 BRISBANE 2010 - Steeds meer jonge meisjes tussen tien en veertien

Nadere informatie