Uitwerkingen opgaven hoofdstuk Elektrische lading; stroom, spanning en spanningsbron

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Uitwerkingen opgaven hoofdstuk 6. 6.1 Elektrische lading; stroom, spanning en spanningsbron"

Transcriptie

1 itwerkingen opgaven hoofdstuk Elektrische lading; stroom, spanning en spannings Opgave 5 a De wielen die het contact vormen tussen het vliegtuig en de grond zijn gemaakt van rubber, en rubber is een goede isolator. b Bij het tanken van een vliegtuig kunnen er brandbare dampen vrijkomen. Als het vliegtuig geladen is en er bij de ontlading van het vliegtuig een vonk overspringt, kan er een ontploffing optreden. Opgave 6 a De spanning van het elektriciteitsnet is gelijk aan 230 V. b E el = Q = = 2, J Opgave 7 Opgave 8 a Er is een tekort aan elektronen. 6 7, b Aantal elektronen n = = 4, ,60 10 c De massa van een elektron is m e = 0, kg. d Massaverandering Δm = n m e = 4, , = 4, kg. Dit verschil kun je niet waarnemen. a Zie figuur 6.1a. b De schematische weergave (het elektrotechnisch symbool) van een variabele spannings is afgebeeld in figuur 6.1b. Figuur 6.1a Figuur 6.1b ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 1 van 31

2 Opgave 9 Zie figuur 6.2a tot en met d. Figuur 6.2a Figuur 6.2b Figuur 6.2c Figuur 6.2d figuur 6.2a figuur 6.2b figuur 6.2c figuur 6.2d AB (V) 1,5 1,5 1,5 1,5 AC (V) 1,5 1,5 1,5 1,5 AD (V) 3,0 0,0 3,0 0,0 AE (V) 3,0 0,0 3,0 0,0 AF (V) 4,5 1,5 1,5 1,5 6.2 Elektrische stroom, meten van stroomsterkte en spanning Opgave 13 Zie figuur 6.3a tot en met d. Figuur 6.3a Figuur 6.3b Figuur 6.3c Figuur 6.3d a De schakelingen in de figuren 6.3a, b en d zijn gelijk. b De schakelingen in de figuren 6.3a, b en d zijn parallelschakelingen. Opgave 14 Zie figuur 6.4. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 2 van 31

3 Figuur 6.4 Opgave 15 a Opmerking De versterker mag ook rechtstreeks op de + en de van de batterijen aangesloten worden; dat wil zeggen op dezelfde manier als de motor is aangesloten (zie figuur 6.5, stippellijnen). Figuur b I = 57 ma = A t = = = = Q I = Q= I t t 2 minuten en 30 seconden 150 s 3 Q ,6 C ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 3 van 31

4 Opgave 16 Zie figuur 6.6. Figuur 6.6 Opgave 17 a 1 A h = 1 A 1 h = 1 A 3600 s = 3, A s = 3, C b Ja, tegen het einde van het oplaadproces daalt de stroomsterkte sterk. De stroomsterkte wordt dus niet in één keer gelijk aan 0 A. c Ja, de hoeveelheid lading die per seconde van de batterij naar de accu gaat, is even groot als de hoeveelheid lading die terugkomt bij de batterij. Opmerking Een accu wordt dus niet elektrisch opgeladen, maar krijgt energie. 6.3 De weerstand van een geleider Opgave 21 a Nee, het aantal vrije elektronen wordt bepaald door de onderdelen van de schakeling. De snelheid waarmee de elektronen door de stroomkring lopen is dan groter bij een grotere stroomsterkte. b Ga uit van de wet van Ohm: R =. I Zie figuur 6.7 (1). Bij dezelfde spanning geldt: grootste stroom kleinste weerstand geleider A heeft de grootste weerstand. Opmerking Voor een andere aanpak, zie figuur 6.7 (2). Bij dezelfde stroomsterkte geldt: grootste spanning grootste weerstand geleider A heeft de grootste weerstand. Figuur 6.7 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 4 van 31

5 Opgave 22 Zie figuur 6.8. Figuur 6.8 Aflezen: = 6,41 V; I = 0,51 A 6, 41 = I R R= = = 13 Ω I 0,51 Opgave 23 De antwoorden op de vragen staan in de laatste kolom. (V) I (A) R (Ω) antwoord a 230 4,0 58 R = 58 Ω b 30 4, , I = 4,0 ma c 0,80 3, = 0,80 V d 0,15 6, , R = 25 kω e 10, I = 2 µa a b c d e Berekening volgens de wet van Ohm: 230 = I R R= = = 58 Ω I 4, = I R I = = = 4, 0 10 A = 4,0 ma 3 R 7, = I R= 3, = 0,80 V 0,15 4 = I R R= = = 2,5 10 Ω= 25 kω 6 I 6, ,0 6 = I R I = = = 2 10 AμA= 2 6 R 5 10 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 5 van 31

6 Opgave 24 Zie figuur 6.9. Figuur 6.9 Opgave 25 a (V) I (ma) 1,1 24 1,9 39 2,7 56 3,2 69 3,8 82 4,6 97 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 6 van 31

7 Zie figuur 6.10a. Figuur 6.10a Figuur 6.10b b Bij een spanning van 0 volt loopt er geen stroom door een weerstand en is de stroomsterkte dus 0 ampère. c Bij een ohmse weerstand heeft R steeds dezelfde waarde. Dan is I constant. Dat is alleen zo als de grafiek in een (I,)-diagram een rechte lijn is die door de oorsprong gaat d Zie figuur 6.10b. e Zie figuur 6.10b. 4,5 R = = = 47 Ω 3 I Opgave 26 (V) I (ma) (V) I (ma) 0,30 10,3 2,50 23,4 0,50 13,2 3,00 25,0 1,00 16,7 4,00 28,2 1,50 18,9 5,00 31,3 2,00 21,3 6,00 33,6 Eerste manier Bij een ohmse weerstand is de stroomsterkte recht evenredig met de spanning. Als je bijvoorbeeld de stroomsterkte bij een spanning 3,00 V vergelijkt met de stroomsterkte bij een spanning van 6,00 V, dan zie je dat de stroomsterkte niet recht evenredig is met de spanning. Tweede manier Bij een ohmse weerstand heeft R steeds dezelfde waarde. Dan is I constant. Dat is alleen zo als de grafiek in een (I,)-diagram een rechte lijn is die door de oorsprong gaat. Als je van de tabel het (I,)-diagram tekent, of laat tekenen door je GR, dan zie je dat het geen rechte lijn is. Zie figuur ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 7 van 31

8 Figuur Elektrische energie en elektrisch vermogen Opgave 31 Opgave 32 P a P= I I = 60 = 230 V I = = 0, 26 A 230 P = 60 W b Eel = Pt P in kw t in h E in kwh Eel = 0, = 60 kwh P = 60 W = 0,060 kw t = 1000 h c 5% van de elektrische energie wordt omgezet in licht in licht wordt omgezet: E licht = 0,05 E el = 0,05 60 = 3,0 kwh Eerste manier E el = E licht + Q de warmte Q = E el E licht = 60 3,0 = 57 kwh Tweede manier 5% van de elektrische energie wordt omgezet in licht 95% van de elektrische energie wordt omgezet in warmte Q = 0,95 E el = 0,95 60 = 57 kwh Apparaten waarin een verwarmingselement een rol speelt, hebben een groot vermogen. Opgave 33 a b P= I = = P= = I = = gegeven 1: 50 MV V , 0 10 W 3 gegeven 2: 30 ka A E E= Pt P= t 1 4 gegeven 3: t = 1, 0 s = h = 2,78 10 h 3600 gegeven 4: E = 100 kwh E 100 P = = = 360 kw 4 t 2,78 10 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 8 van 31

9 c Een gemiddelde bliksemflits bevat 100 kwh aan energie. Dus kunnen er ,0 10 = 0,025 gezinnen van energie worden voorzien met de energie van één bliksemflits. Er zijn ongeveer bliksemontladingen per jaar in Nederland. Als je al deze bliksemontladingen zou kunnen gebruiken voor energievoorziening, dan zou je daar ,025 = 6, gezinnen mee van energie kunnen voorzien. d Bij de berekening ga je ervan uit dat alle energie in de bliksem opgevangen kan worden. Dit is nooit het geval. Bovendien kost het ook veel energie en geld om een geschikte installatie te bouwen om deze energie op te vangen. E = E = P t P= 2,0 kw = 2,0 10 W Ein = 2, = 5,6 10 J t = 4 min + 40 s = 280 s Het water wordt verwarmd van 18 C tot het kookpunt (= 100 C) de temperatuurstijging van het water is ( =) 82 graden. Om 1,5 liter water 1 C in temperatuur te laten stijgen is 6, J aan energie nodig om 1,5 liter water 82 graden in temperatuur te laten stijgen is nodig aan energie: E water = E uit = 82 6, J = 5, J 5 Euit 5,17 10 het rendement η = 100% = 100% = 92% 5 E 5,60 10 Opgave 34 elektrisch in waterkoker Opgave 35 a Zie figuur in Figuur 6.12 Met de capaciteit van een batterij wordt bedoeld het product van de stroomsterkte (I) die van de batterij gevraagd wordt en de tijdsduur (t) waarin hij deze stroom kan leveren. capaciteit = I t capaciteit I = t 1, t = 250 dagen = = 6,00 10 h I = = 2,0 10 A 3 6,00 10 capaciteit = 1,2 A h b P = I = 1,24 2, = 2, W = 2, kw E = P t = 2, , = 1, kwh c De batterij kost 1,50 1, kwh kost 1,50 1, 50 3 de prijs van 1 kwh bij deze batterij: = 1, , 5 10 d (Gebruikte) batterijen zijn slecht voor het milieu. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 9 van 31

10 e Met batterijen ben je onafhankelijk geworden van snoeren die je moet verbinden met de netspanning. Je kunt dus op willekeurige plaatsen elektrische apparatuur gebruiken. Opgave 36 a Omdat de snelheid constant is, is de hijskracht F hijs gelijk aan de zwaartekracht F zw. F zw = m g = 365 9,81 = 3, N F hijs = 3, N b P hijs = F hijs v P hijs = 3, ,19 = 6, W c Het rendement = 78% 2 Puit η = 100% = 78% = 0, 78 Pin = = 872 W P P 0,78 in P = I 872 = 230 I I = 3,8 A in P = I Pspaarlamp 11 Pspaarlamp = 11 W I = = = 0,0478 A net 230 net = 230 V net net = I R R= = = 4,8 10 Ω= 4,8 kω I 0, 0478 b Een gloeilamp (60 W) haalt per seconde 60 J aan energie uit het lichtnet. Van deze elektrische energie wordt per seconde 5% omgezet in licht aan licht levert deze lamp E nuttig = 0,05 60 = 3,0 J. c Een spaarlamp (11 W) levert per seconde evenveel licht (3,0 J) 3, 0 100% = 27% van de energie per seconde levert deze spaarlamp aan 11 licht. Opmerking Bij dezelfde lichtopbrengst is het rendement omgekeerd evenredig met het opgenomen vermogen, dus η spaarlamp = η lamp = 60 5% = 27%. 11 Opgave 37 a spaarlamp net Opgave 38 Opgave 39 Het energieverbruik van een gezin per jaar = 4, kwh. Een tv met lcd-scherm heeft een vermogen van 400 W = 0,400 kw. ¼ deel van het energieverbruik van het gezin komt voor rekening van de tv met het lcd-scherm E tv = ¼ 4, kwh = 1, kwh per jaar het aantal uren dat de tv met lcd-scherm per jaar aanstaat: 3 3 1,0 10 kwh 3 2,5 10 per jaar = = 2,50 10 h per dag = 6,8 h 0, 400 kw 365 a Volgens de wet van Ohm geldt voor een ohmse weerstand dat als de spanning drie keer zo groot wordt, de stroomsterkte ook drie keer zo groot wordt. In de formule P = I worden dus zowel als I drie keer zo groot. Dus wordt het vermogen negen keer zo groot. b Bij een lamp neemt de weerstand toe bij een hogere temperatuur, dus bij een grotere spanning. Dus als de spanning drie keer zo groot wordt, wordt de stroomsterkte minder dan drie keer zo groot. Dus zal volgens P = I het vermogen minder dan negen keer zo groot worden. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 10 van 31

11 6.5 Weerstanden parallel en weerstanden in serie Opgave 43 Zie figuur 6.13a en b. a Ja, de spanning wordt kleiner: de spanning van de spannings verdeelt zich over vier in plaats van drie lampjes. b Ja, door de lagere spanning over een lampje is de stroomsterkte door het lampje kleiner (zie figuur 6.11 van het kernboek: (,I)-diagram van lampje; opgave 25 in paragraaf 6.3). Opmerking Een andere redenering: de vervangingsweerstand neemt toe, dus wordt de stroomsterkte kleiner bij dezelfde spanning van de spannings. De stroomsterkte is in een serieschakeling overal hetzelfde. c Minder fel: P = I (zowel als I is kleiner geworden). d Er geldt: P = I. De stroomsterkte die de levert, is kleiner geworden. Zie vraag b. De spanning is hetzelfde gebleven, dus het vermogen dat de moet leveren, is kleiner geworden. e Zie figuur 6.13c en d. Nee, bij een ideale spannings blijft de spanning constant. f Nee, de spanning over ieder lampje is de spanning van de spannings; deze is gelijk gebleven. Dus ook de stroomsterkte is gelijk gebleven. g Even fel; en I blijven gelijk, dus ook P. h Er geldt: P = I. De spanning is gelijk gebleven. De hoofdstroom is de som van de takstromen, en er is een tak bij gekomen. De stroomsterkte die de levert, is groter geworden. Het vermogen dat de moet leveren, is dus ook groter geworden. Figuur 6.13a Figuur 6.13b Figuur 6.13c Figuur 6.13d Opgave 44 Zie figuur Omdat het lampje in serie staat met de weerstand, is de stroomsterkte door de weerstand even groot als de stroomsterkte door het lampje I = 0,40 A ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 11 van 31

12 Omdat het lampje in serie staat met de weerstand, geldt voor de spanningen: = AB + BC = lamp + R 40 = 12 + R R = 28 V 28 R = R = = 70 Ω I 0, 40 Figuur 6.14 Opgave 45 a Zie figuur Figuur 6.15 Omdat het lampje parallel staat aan het apparaat, geldt voor de spanningen: = lamp = app = 12 V Voor de stroomsterkten geldt: I = I lamp + I app I app = I I lamp lamp 12 Ilamp = = = 0, 40 A Rlamp 30 I app = 2,0 0,40 = 1,6 A app 12 Rapp = = = 7,5 Ω Iapp 1, 6 b Als de stroomsterkte die de batterij levert (I ) kleiner is, dan is de stroomsterkte door het apparaat (I app ) ook kleiner. De spanning blijft hetzelfde. Dus je berekent bij vraag a de minimale waarde van de weerstand. Opgave 46 a Zie figuur Omdat het lampje en de weerstand in serie staan, geldt: = lampje + draad. In figuur 6.17a en in figuur 6.17b kun je bij een stroomsterkte van 0,15 A de spanningswaarden bepalen. lampje = 1,4 V en draad = 3,5 V = 1,4 + 3,5 = 4,9 V ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 12 van 31

13 Figuur 6.16 Figuur 6.17a Figuur 6.17b b Zie figuur Figuur 6.18 Omdat het lampje en de weerstand in serie staan, geldt: I = I lampje + I draad. In figuur 6.17a en in figuur 6.17b kun je bij een spanning van 4,9 V de stroomsterkten bepalen. I lampje = 0,30 A en I draad = 0,20 A I = 0,30 + 0,20 = 0,50 A c Hoe groter het vermogen is dat een lampje opneemt, des te feller brandt een lampje. Het vermogen wordt bepaald door de spanning over en de stroomsterkte door een lampje. In een parallelschakeling zijn zowel de spanning als de stoomsterkte groter dan in de serieschakeling. Dus het lampje brandt het felst in de parallelschakeling. Opmerking Bij een lampje neemt de stroomsterkte toe, als de spanning toeneemt. Dus als de spanning over een lampje toeneemt, neemt het vermogen ook toe. Je kunt ook redeneren: als de stroomsterkte door een lampje toeneemt, neemt het vermogen ook toe. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 13 van 31

14 Opgave 47 a Zie figuur 6.19a. R = 47 Ω, R = 83 Ω, R = 120 Ω ; R = = 250 Ω = 123 = = = R I R I = I R = 0, = 2,8 V AB ,060 A Figuur 6.19a Figuur 6.19b b Zie figuur 6.19b. Eerste manier Bereken de deelstromen I 1, I 2 en I 3 in de takken. = I R I = R 15 I1 = = = 0,319 A R I2 = = = 0,181 A R I3 = = = 0,125 A R3 120 I = I1 + I2 + I3 = 0, ,181+ 0,125 = 0, 63 A Tweede manier Bereken de vervangingsweerstand R v van de gehele schakeling = + + = + + Rv = 24 Ω R R R R v = I Rv I = = = 0,63 A Rv 24 c Zie figuur 6.19c. Figuur 6.19c Figuur 6.19d ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 14 van 31

15 Eerste manier Bereken de vervangingsweerstand R 123 van de gehele schakeling en werk met verhoudingen: = + = + R12 = 30 Ω R123 = R12 + R3 = 150 Ω R R R AB R = = = AB = ABC = = 15 = 3, 0 V ABC R Tweede manier Bereken de vervangingsweerstand R 123 van de gehele schakeling en de stroom I die de spannings levert = + = + R12 = 30 Ω R123 = R12 + R3 = 150 Ω R R R = 123 = = = R I R I 0,10 A BC = I R3 = 0, = 12 V AB = BC = = 3, 0 V d In figuur 6.19c is weerstand 3 in serie geschakeld met twee parallel geschakelde weerstanden (1 en 2). Dus de vervangingsweerstand R 123 is altijd groter dan 120 Ω. In figuur 6.19d is weerstand 3 parallel geschakeld met twee in serie geschakelde weerstanden (1 en 2). Dus de vervangingsweerstand R 123 is altijd kleiner dan 120 Ω. Er geldt = I hoofd R 123. Dus de stroomsterkte in schakeling 6.19d is groter dan de stroomsterkte in schakeling 6.19c. Opgave 48 a Zie figuur Figuur 6.20 spannings = AB + BC + CD 3 AB = I Rbovenleiding = 4, ,068 = 272 V BC = motor = I R = 0,00 V, want R is te verwaarlozen = = = CD rails rails 3 motor spannings AB ,2 10 V (= 1,2 kv) b Als de spanning van de spannings groter wordt, dan zal er een grotere stroom door de bovenleiding en de motor gaan lopen. Hierdoor zal de spanning over de bovenleiding en de motor groter worden. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 15 van 31

16 c Voor de motor geldt: P = I. Als de bovenleidingspanning groter is, dan zal er over de motor een grotere spanning komen te staan. Om hetzelfde vermogen af te kunnen nemen is dan een kleinere stroomsterkte nodig. Voor de draad geldt: P = I 2 R. Als de stroomsterkte kleiner wordt, dan zal het vermogensverlies door de draad bij dezelfde weerstand kleiner zijn. Dus is het vermogensverlies kleiner. Er geldt: E = P t. Dus is in een bepaalde tijd ook het energieverlies kleiner. Opgave 49 a Aanwijzing 1: de lampjes zijn in serie met elkaar verbonden. Als één lampje dan niet ingeschoven is, is de schakeling onderbroken. b Pkerstverlichting = net I Pkerstverlichting 35 Pkerstverlichting = 35 W I = = = 0,152 A net 230 net = 230 V net lampjes = net 1 lampje = = = 4,6 V lampje 4,6 R1 lampje = = = 30 Ω I 0,152 c In een serieschakeling staat de meeste spanning over de grootste weerstand. Als er tussen A en B geen lampje is aangesloten, dan is de weerstand zeer groot d In een parallelschakeling geldt = +. Als R shunt erg groot is, Rlampje Rgloeidraad Rshunt is erg klein. Dit betekent dat je in plaats van = + Rshunt Rlampje Rgloeidraad Rshunt 1 1 kunt schrijven =. Dus de weerstand van de lamp is dan gelijk Rlampje Rgloeidraad aan de weerstand van de gloeidraad. e Als er maar 49 lampjes in de serieschakeling aanwezig zijn, is de spanning over elk lampje groter geworden. Ook de stroomsterkte door elk lampje is groter geworden. Dus in elk lampje wordt meer elektrische energie omgezet in licht en warmte. De temperatuur wordt dus groter. Het metaal van de gloeidraad verdampt dan sneller, en daardoor gaat de gloeidraad eerder stuk. 6.6 Weerstand van een metaaldraad Opgave 52 a De weerstand van de toevoerdraden is zo klein, dat de stroomsterkte wordt bepaald door de weerstand van het aangesloten apparaat. De verandering van de weerstand van de toevoerdraden geeft daarom een te verwaarlozen verandering van de stroomsterkte. Dan kun je gebruikmaken van de volgende twee formules: R = ρ l A en Q = I 2 R t. Een dikkere draad (van hetzelfde materiaal en dezelfde lengte) heeft een grotere doorsnede en heeft dus volgens de eerste formule een kleinere weerstand. Omdat I ongeveer gelijk blijft, is volgens de tweede formule de warmteontwikkeling in de dikkere draad kleiner. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 16 van 31

17 (Warmteontwikkeling in de toe- en afvoerleiding is energie die niet nuttig gebruikt wordt.) b ρ koper = Ω m ρ messing = 0, Ω m c De soortelijke weerstand van messing is groter dan de soortelijke weerstand van koper. Dus in een draad van messing zal een groter verlies aan warmte optreden dan in eenzelfde draad gemaakt van koper. Opgave 53 a Zie figuur Aflezen: als er over lampje 1 een spanning staat van 3,5 V, dan loopt er door lampje 1 een stroom van 32 ma. 3,5 2 R = = = 1,1 10 Ω 3 I Figuur 6.21 b Hierbij zijn de volgende formules van belang: R = ρ l A en = I R. Als een draad dunner is, is de doorsnede kleiner en daarmee de weerstand groter. Als de weerstand groter is, is de stroomsterkte kleiner bij eenzelfde spanning. Dus bij dezelfde spanning gaat door het lampje met de dunste draad de kleinste stroomsterkte. Dus lampje 2 is het nieuwe lampje. c Hierbij zijn de volgende formules van belang: P = I 2 R, R = ρ l A en E = P t. Het dikke en het dunne gedeelte zijn in feite in serie geschakeld. Dat betekent dat de stroomsterkte overal gelijk is. Dus de meeste energie wordt ontwikkeld in het gedeelte met de grootste weerstand. In het dunne gedeelte is de weerstand het grootst, want daar is de doorsnede het kleinst. Dus in het dunne gedeelte is de warmteontwikkeling groter dan in het dikke gedeelte. d Hierbij zijn de volgende formules van belang: = I R en P = I. De weerstand van een draad hangt ook nog af van de temperatuur. Bij een lage temperatuur is de weerstand van een metaal het kleinst. Bij een kleine weerstand hoort een grotere stroomsterkte bij eenzelfde spanning. Dus het vermogen, en daarmee de warmteontwikkeling, is bij lage temperatuur groter; daardoor is de kans op doorsmelten groter. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 17 van 31

18 Opgave 54 a l R A R = ρ ρ = A l ( ) 2 A= π r = π d = π 0,20 10 = 3,14 10 m R A 175 3, ρ = = = 1,1 10 Ωm l 5,0 b In BINAS tabel 9 vind je dat het materiaal nichroom zou kunnen zijn. c Zie de tabel. draad l (m) d (mm) R (Ω) A 5,0 0, B 2,0 0,20 70 C 5,0 0,50 28 D 3,0 0,30 47 Draad B: l R A R= ρ l = A ρ A= 4 π d = 4 π (0,20 10 ) = 3,14 10 m R = 70 Ω 6 ρ = 1,1 10 Ωm ,14 10 l = = 2,0 m 6 1,1 10 Draad C: 6 1,1 10 5, 0 1, l ρ l A = = m R= ρ A= 28 A R l = 5,0 m A 4 A A= 4 π d d = d = π π R = 28 Ω 7 6 ρ = 1,1 10 Ωm 4 1, d = = 5, 0 10 m = 0,50 mm π Draad D: l R = ρ A A 4 π d = 4 π (0,30 10 ) = 7, m l == 3, 0 m 6 ρ = 1,1 10 Ωm 6 3, 0 R = 1, ,07 10 R = 47 Ω ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 18 van 31

19 Opgave 55 a b P I I lamp lamp = net lamp lamp = net net = 230V Plamp = 60 W 60 Ilamp = = 0, 261 A ,261 net = Ilamp Rlamp R lamp = Ilamp l R A R= ρ l = A ρ P 2 R = = lamp 8,8 10 Ω net R A ρ 2 = Ω 8, = 0,0080 mm = 0, m 9 wolfraam m = Ω 2 6 8,8 10 0, l = = 1, 3 10 m c Bij een hogere temperatuur is de weerstand van een draad hoger. Dus er had een grotere waarde van de weerstand gebruikt moeten worden, en dus is de berekende lengte te klein. d Hierbij zijn de volgende formules van belang: P = I 2 R, R = ρ l en E = P t. A De aansluitdraden en de gloeidraad zijn in feite in serie geschakeld. Dat betekent dat de stroomsterkte overal gelijk is. Dus de meeste energie wordt ontwikkeld in de draad met de grootste weerstand. De doorsnede van de aansluitdraden is veel groter dan de doorsnede van de gloeidraad. Dus de weerstand van de aansluitdraden is veel kleiner dan de weerstand van de gloeidraad. Daaruit volgt dat de warmteontwikkeling in de aansluitdraden te verwaarlozen is ten opzichte van de warmteontwikkeling in de gloeidraad. Opgave 56 a Zie figuur Figuur 6.22 = Idraad Rdraad Rdraad = I draad 3 15,0 I 275 draad = 54,5 ma = 54,5 10 A R = 3 = Ω 54,5 10 = 15,0 V ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 19 van 31

20 R draad l R A = ρ l = A ρ Rdraad = 275 Ω A= π r = 8 4 π d 275 4,91 10 l = 30 m 6 = A 0,45 10 ρ = 4 π (0,25 10 ) = 4,91 10 m 6 constantaan 0,45 10 m = Ω Opgave 57 a Zie figuur Staaf B heeft de voorkeur omdat je dan niet in contact met 230 V kunt komen. Figuur 6.23 b Meet de lengte l van staaf A op. Zoek de soortelijke weerstand ρ van staal op. Bepaal de dikte van staaf A en bereken hiermee de doorsnede A van draad A. Met behulp van de formule voor de weerstand van een draad, R = ρ l A, reken je dan de weerstand van staaf A uit. c Eerste manier Bepaal met behulp van een multimeter de weerstand van staaf A. Tweede manier Om de weerstand van draad A te kunnen bepalen en berekenen, moet je eerst een elektrische schakeling maken met een spannings, een spanningsmeter en een stroommeter. Sluit draad A aan de spannings. Meet met de spanningsmeter, die je parallel schakelt aan draad A, de spanning over de draad ( draad ). Zet vervolgens de stroommeter in serie met draad A en meet met de stroommeter de stroomsterkte door de draad (I draad ). Nu gebruik je de wet van Ohm ( = I R) om de weerstand van draad A te berekenen. d Komen de gemeten waarde en de berekende waarde ongeveer met elkaar overeen, dan is staaf A massief. Is de gemeten waarde veel groter dan de berekende waarde, dan is staaf B de juiste. Opmerking Is de gemeten waarde veel kleiner dan de berekende waarde, dan klopt er iets niet! 6.7 Variabele weerstand en spanningsdeler Opgave 61 a Zie figuur 6.24a. Het rendement kun je berekenen met behulp van η = vermogen geldt P = I. Dus geldt η = lamp I I lamp P P lamp 100%. Voor het 100%. Omdat de lamp in serie met de schuifweerstand is aangesloten op de spannings, geldt dat I gelijk is aan I lamp. Je weet dat = 12 V en lamp = 6 V. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 20 van 31

21 Hieruit volgt: η = lamp Ilamp lamp 6 100% = 100% = 100% = 50%. I 12 Figuur 6.24a Figuur 6.24b b Zie figuur 6.24b. lamp Ilamp Ook nu geldt weer: η = 100%. I De waarden van lamp, I lamp en zijn ongewijzigd. De stroomsterkte die de moet leveren is nu groter. Dit komt omdat I totaal = I lamp + I 1. lamp Ilamp In de formule η = 100% is de teller dus gelijk gebleven, maar de I noemer is groter geworden. Dus is het rendement kleiner dan 50%. I R I net = lamp lamp lamp = R lamp 230 Ilamp = = net = Opgave 62 a net 230V 821 Rlamp = 821 Ω Plamp = net Ilamp = 230 0, 280 = 64, 4 W b Zie figuur 6.25a. c Zie figuur 6.25b. AS = = 140 V I R I R AS AS = AS AS AS = 140 RAS IAS = = AS = 518 Ω 518 0, 270 A 0,280 A Figuur 6.25a Figuur 6.25b ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 21 van 31

22 d I lamp = 0,16 A bij 90 V (zie figuur 6.26) I AS = I lamp + I SB I SB = I AS I lamp = 0,270 0,16 = 0,11 A Figuur 6.26 Opgave 63 a Zie figuur Figuur 6.27 Als x = 0 cm, dan is 0 = 0 V. Als x = 25 cm, dan is 25 = 12 V. De stroom door de spanningsmeter (ideale spanningsmeter) is te verwaarlozen. Maak je de afstand x groter, dan wordt de spanning x recht evenredig groter. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 22 van 31

23 b P I I autolamp autolamp = accu autolamp autolamp = accu accu = 12V Pautolamp = 4,8 W 4,8 Iautolamp = = 0, 40 A Rautolamp 30 = = Ω accu 0,40 accu = Iautolamp Rautolamp R autolamp = Iautolamp c Zie figuur P Figuur 6.28 De autolamp R lamp staat parallel aan de eerste helft van de schuifweerstand R. R = 60 Ω en R lamp = 30 Ω de vervangingsweerstand van de parallelschakeling tussen de punten A en C, R AC, voldoet aan = + = + = RAC = 20 Ω RAC R Rlamp d Eerste manier Zie figuur Werk met verhoudingen van weerstanden: RAC = 20 Ω RACB = RAC + RCB = 80 Ω AC RAC = = = AC = ACB = accu = 12 = 3, 0 V ACB RACB Tweede manier Bereken de vervangingsweerstand R ACB van de gehele schakeling en de stroom I accu die de accu levert. RAC = 20 Ω RACB = RAC + RCB = 80 Ω accu 12 accu = Iaccu RACB Iaccu = = = 0,15 A RACB 80 CB = Iaccu RCB = 0,15 60 = 9,0 V AC = accu CB = 12 9,0= 3,0 V e Bij een lagere spanning is de temperatuur van de gloeidraad lager, waardoor de weerstandswaarde van de lamp kleiner is. Dus is de vervangingsweerstand van R lamp en R AC kleiner. Dus zal lamp kleiner zijn. f lamp moet groter worden dus R AC moet groter worden. Dus het glijcontact moet verder van A af geschoven worden. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 23 van 31

24 Opgave 64 a Zie figuur 6.29a. b Zie figuur 6.29b. Figuur 6.29a Figuur 6.29b Het lampje en de weerstandsbank staan in serie = L + R. Als de waarde R van de weerstandsbank gelijk is aan 0 Ω, dan brandt het lampje normaal. R = 0 Ω R = 0 V = L = 6,0 V (zie figuur 6.92 in het kernboek) R = 0 Ω I L = 0,45 A (zie figuur 6.93 in het kernboek) L 6,0 RL = = = 13 Ω IL 0, 46 c Als het lampje zwakker brandt, daalt zijn temperatuur. Volgens de theorie zou de weerstand van het lampje moeten afnemen bij toenemende R. Neem bijvoorbeeld R = 16 Ω. Dan is L = 2,0 V (figuur 6.92 in het kernboek) en I L = 0,26 A (figuur 6.93 in het kernboek) L 2,0 RL = = = 7,7 Ω IL 0, 26 Dus bij 2,0 V is R L 7,7 Ω, en bij 6,0 V is de weerstandswaarde 13 Ω. Dus de weerstandswaarde van het lampje daalt inderdaad. d R = 6,0 Ω L = 3,8 V (figuur 6.92 in het kernboek) en I L = 0,36 A (figuur 6.93 in het kernboek) P L I L = 3,8 0,36 = 1,4 W Aflezen in figuur 6.94 in het kernboek: P L = 1,4 W de drie grafieken zijn met elkaar in overeenstemming. e R = 6,0 Ω, I L = 0,36 A (figuur 6.93 in het kernboek) De spanning van de spannings = 6,0 V P = I L = 6,0 0,36 = 2,2 W de spannings levert dus een kleiner vermogen dan 2,8 W. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 24 van 31

25 6.8 Enkele bijzondere weerstanden en sensoren Opgave 68 a Zie figuur Omdat lampje A is uitgegaan, wordt de LDR niet meer belicht. Dan is de weerstandswaarde van de LDR heel groot. De spanning in de rechterschakeling rechts is dezelfde gebleven, dus is de stroomsterkte in de rechterschakeling I rechts heel klein. De hoeveelheid elektrische energie die per seconde dan nog in lampje B wordt omgezet in licht en warmte kun je blijkbaar niet meer waarnemen. b Lampje B gaat feller branden. Dus is de stroomsterkte in de rechterschakeling I rechts groter geworden. Dit betekent dat de totale weerstand R v in de rechterschakeling kleiner is geworden. Dus is de weerstandswaarde van de LDR kleiner geworden. Er valt dus meer licht op de LDR. Dus moet lampje A feller zijn gaan branden. Dan moet de schuifweerstand een kleinere weerstand hebben, want de stroom I links moet groter geworden zijn in de linkerschakeling. Dus is het glijcontact van de schuifweerstand naar rechts verplaatst. Figuur 6.30 Opgave 69 a Zie figuur De led geleidt bij een spanning groter dan de doorlaatspanning (1,5 V). b Door de led loopt een stroom van 100 ma led = 3 V. Zie figuur Figuur 6.31 De led en de weerstand R staan in serie. Zie figuur 6.32 de stroomsterkte in R is ook 100 ma R = I R = 0, = 5,0 V = led + R = 3 + 5,0 = 8 V ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 25 van 31

26 Figuur 6.32 Opgave 70 Zie figuur Figuur 6.33 a Als de groene led brandt, dan loopt er stroom van B via de groene led naar A. Stroom loopt van de pluspool naar de minpool. Dus A is verbonden met de minpool van de gelijkspannings. b Je zult dan de mengkleur van rood en groen zien. c De functie van de weerstand R is het begrenzen van de stroomsterkte. De stroomsterkte door een diode mag niet te groot worden. Bij een te grote stroomsterkte kan een diode kapot gaan. Opgave 71 a NTC: bij een temperatuurstijging wordt de weerstandswaarde kleiner. Als de NTC aangesloten is op de spannings, gaat er een stroom lopen door de NTC. Door de warmteontwikkeling stijgt de temperatuur van de NTC; denk hierbij aan Q = I 2 Rt. Bij een hogere temperatuur neemt de weerstandswaarde van de NTC af. Dus wordt bij dezelfde spanning de stroom door de NTC groter. b Zie figuur Figuur 6.34 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 26 van 31

27 Beginsituatie: = 30 V 30 R0,15 A = = 200 Ω I,begin = 0,15 A 0,15 Situatie korte tijd later: = 30 V 30 R0,75 A = = 40 Ω I,later = 0,75 A 0,75 Aflezen in figuur 6.104b in het kernboek: R 0,15 A = 200 Ω t 0,15 A = 20 C R 0,75 A = 40 Ω t 0,75 A = 40 C temperatuurstijging Δt = 20 C Opgave 72 a Als de afstand groter wordt, wordt de weerstandswaarde ook groter. Als de afstand groter wordt, neemt de verlichtingssterkte af. Dus als de verlichtingssterkte toeneemt, neemt de weerstandswaarde van de LDR af. b Als de hoeveelheid licht niet verandert, verandert de weerstandswaarde van de LDR niet. De LDR en de ohmse weerstand staan in serie (zie figuur 6.35). Dus de spanning van de batterij wordt verdeeld ( = R + LDR ). De meeste spanning staat over de grootste weerstand. Dus bij een weerstand van 500 Ω geeft de spanningsmeter de grootste waarde aan. Figuur 6.35 c Zie figuur De spanning van de spannings staat over de serieschakeling van de LDR en de weerstand R. Hierbij komt de grootste spanning over de grootste weerstand te staan. Als de weerstand van de LDR groter wordt, komt er dus meer spanning over de LDR te staan en dus minder over weerstand R. d Zie antwoord c. e Als er meer licht op de LDR valt, neemt de weerstand af. Dus neemt de spanning over de LDR af en de spanning over weerstand R neemt toe. Als de voltmeter dan over weerstand R geplaatst is, kun je zeggen dat als de waarde op de meter toeneemt de lichtsterkte ook toeneemt. En dat is wel zo handig. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 27 van 31

28 6.9 De huisinstallatie Opgave 76 a Het maximale vermogen: P max = net I max = = 5, W = 5,8 kw. b apparaat vermogen lamp 75 W koelkast 150 W diepvrieskist 250 W afzuigkap 100 W magnetron 850 W vaatwasmachine 2300 W totaal aangesloten: 3725 W Eerste manier Het totaal aangesloten vermogen van de apparaten P totaal = 3725 W. Bij een vermogen van 3725 W loopt er een stroom van 3725 = 16,2 A. 230 De zekering is 16 A de zekering smelt door. Tweede manier De zekering is 16 A Het maximale vermogen bij deze zekering: P max,16 A = net I max = = 3680 W het totale vermogen van de aangesloten apparaten is te groot de zekering smelt door. Opgave , 6 10 a 1 kwh = 3, J. Dus één omwenteling is = 1, 9 10 J b Het koffiezetapparaat uitgeschakeld: de schijf maakt in 60 seconden 14 omwentelingen. Het koffiezetapparaat ingeschakeld: de schijf maakt in 60 seconden 51 omwentelingen. Het koffiezetapparaat zorgt voor 37 omwentelingen per 60 seconden. Het koffiezetapparaat zet aan energie om in 60 seconden: E = 37 1, = 70, J. 3 E 70, Het vermogen van dit koffiezetapparaat: P = = = 1, 2 10 W. t 60 Opgave 78 a Zie figuren 6.36a, b en c. Op een zekering is een stroomwaarde vermeld. Bij een stroomsterkte die groter is dan de aangegeven waarde smelt het draadje in de zekering door. Een zekering onderbreekt de elektrische stroom als de stroomsterkte in de fasedraad veel groter is geworden groter dan de stroomwaarde van de zekering. Als de nuldraad contact maakt met de aarddraad, dan zal een deel van de stroom niet via de nuldraad maar via de aarddraad lopen. Zie figuur 6.36c. De stroomsterkte in de fasedraad zelf zal niet of nauwelijks groter worden. Dit komt doordat de stroom eerst door de lamp gaat en zich daarna pas splitst in een deel naar de nuldraad en een deel naar de aarddaad. De totale weerstand is nauwelijks veranderd. Dus de stroomsterkte in de fasedraad is nauwelijks veranderd. Een zekering zal dan de stroom niet onderbreken. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 28 van 31

29 Figuur 6.36a Figuur 6.36b Figuur 6.36c Opmerking In de situaties in figuur 6.36a en b is de weerstand veel kleiner geworden, omdat de lamp niet meer in de stroomkring opgenomen is. Dus wordt de stroomsterkte veel groter, zodat de zekering de stroom onderbreekt. b Een aardlekschakelaar van 30 ma onderbreekt de stroom al als het verschil in stroomsterkte tussen de fasedraad en de nuldraad groter is dan 30 ma. Als de fasedraad contact maakt met de aarddraad zal de stroom via de aarddraad lopen. Zie figuur 6.36b. Er is dan een verschil in stroomsterkte tussen de fasedraad en de nuldraad. De aardlekschakelaar zal dan de stroom onderbreken. Als de nuldraad contact maakt met de aarddraad, dan zal een deel van de stroom niet via de nuldraad maar via de aarddraad lopen. Zie figuur 6.36c. Ook dan is er een verschil in stroomsterkte tussen de fasedraad en de nuldraad, en onderbreekt de aardlekschakelaar de stroom. d Als er kortsluiting is tussen de fasedraad en de nuldraad. Als de fasedraad contact maakt met de nuldraad is de stroomsterkte wel heel groot geworden, maar dat geldt voor zowel de fasedraad als de nuldraad. Er is echter geen verschil in stroomsterkte. De aardlekschakelaar zal de stroom dus niet onderbreken. Opgave 79 a Een dergelijk apparaat heeft een stekker met randaarde. (En dus heeft deze een drieaderig snoer. Deze stekker moet dan wel in een stopcontact met randaarde gedaan worden. Helaas is het in ons land nu nog mogelijk een stekker voorzien van randaarde in een niet-geaard stopcontact te doen.) b De aardlekschakelaar zal reageren. Hij schakelt uit als er een verschil is van minimaal 30 ma. Een zekering reageert pas bij een stroomsterkte van 16 A (als het een 16 A-zekering betreft). c Als de fasedraad en de nuldraad contact met elkaar maken, dan wordt de stroomsterkte wel veel groter, maar de stroomsterkte in de fasedraad en de nuldraad blijven wel aan elkaar gelijk. Is de stroomsterkte groter dan 16 A, dan zal de 16 A-zekering wel doorslaan. Omdat er geen verschil in stroomsterkte is tussen de fasedraad en de nuldraad zal een aardlekschakelaar niet reageren. Opgave 80 a Zie figuur Tussen de schakelaar en de lamp hoort een schakeldraad: deze heeft een zwarte kleur. ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 29 van 31

30 De schakeldraad is een verlenging van de fasedraad. Dus aan de andere kant van de schakelaar hoort een bruine draad verbonden met de bruingekleurde centrale fasedraad. Aan de andere kant van de lamp hoort een blauwe draad verbonden met de blauwgekleurde centrale nuldraad. Figuur 6.37 b Zie antwoord a. Opgave 81 Zie figuur Figuur 6.38 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 30 van 31

31 Opgave 82 Zie figuur Figuur 6.39 ITWERKINGEN OPGAVEN HAVO HOOFDSTK 6 31 van 31

8.1 Elektrische lading; stroom, spanning en spanningsbron

8.1 Elektrische lading; stroom, spanning en spanningsbron itwerkingen opgaven hoofdstuk 8 8.1 Elektrische lading; stroom, spanning en spanningsbron Opgave 1 Opgave 2 a Een atoom is een neutraal deeltje. De lading van een proton (+1 e) is gelijk aan de lading

Nadere informatie

Opgave 1 Er zijn twee soorten lading namelijk positieve en negatieve lading.

Opgave 1 Er zijn twee soorten lading namelijk positieve en negatieve lading. itwerkingen Opgave Er zijn twee soorten lading namelijk positieve en negatieve lading. Opgave 2 Een geleider kan de elektrische stroom goed geleiden. Metalen, zout water, grafiet. c. Een isolator kan de

Nadere informatie

Naam: Klas: Repetitie natuurkunde voor havo (versie A) Getoetste stof: elektriciteit 1 t/m 5

Naam: Klas: Repetitie natuurkunde voor havo (versie A) Getoetste stof: elektriciteit 1 t/m 5 Naam: Klas: Repetitie natuurkunde voor havo (versie A) Getoetste stof: elektriciteit 1 t/m 5 OPGAVE 1 Teken hieronder het bijbehorende schakelschema. Geef ook de richting van de elektrische stroom aan.

Nadere informatie

Uitwerkingen VWO deel 1 H2 (t/m par. 2.5)

Uitwerkingen VWO deel 1 H2 (t/m par. 2.5) Uitwerkingen VWO deel 1 H2 (t/m par. 2.5) 2.1 Inleiding 1. a) Warmte b) Magnetische Energie c) Bewegingsenergie en Warmte d) Licht (stralingsenergie) en warmte e) Stralingsenergie 2. a) Spanning (Volt),

Nadere informatie

Naam: Klas Practicum elektriciteit: I-U-diagram van lampje Nodig: spanningsbron, schuifweerstand (30 Ω), gloeilampje, V- en A-meter, 6 snoeren

Naam: Klas Practicum elektriciteit: I-U-diagram van lampje Nodig: spanningsbron, schuifweerstand (30 Ω), gloeilampje, V- en A-meter, 6 snoeren Naam: Klas Practicum elektriciteit: I-U-diagram van lampje Nodig: spanningsbron, schuifweerstand (30 Ω), gloeilampje, V- en A-meter, 6 snoeren Schakeling In de hiernaast afgebeelde schakeling kan de spanning

Nadere informatie

6.2 Elektrische energie en vermogen; rendement

6.2 Elektrische energie en vermogen; rendement 6.2 Elektrische energie en vermogen; rendement Opgave 9 Het rendement bereken je met E nuttig en E in. E nuttig is de hoeveelheid energie die nodig is het water op te warmen. E in is de hoeveelheid energie

Nadere informatie

Inleiding 3hv. Opdracht 1. Statische elektriciteit. Noem drie voorbeelden van hoe je statische elektriciteit kunt opwekken.

Inleiding 3hv. Opdracht 1. Statische elektriciteit. Noem drie voorbeelden van hoe je statische elektriciteit kunt opwekken. Inleiding hv Opdracht Statische elektriciteit Noem drie voorbeelden van hoe je statische elektriciteit kunt opwekken Opdracht Serie- en parallelschakeling Leg van elke schakeling uit ) of het een serie-

Nadere informatie

Stevin havo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 6 Stroom, spanning en weerstand (14-06-2012) Pagina 1 van 16

Stevin havo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 6 Stroom, spanning en weerstand (14-06-2012) Pagina 1 van 16 Stevin havo deel itwerkingen hoofdstuk 6 Stroom, spanning en weerstand (4-06-0) Pagina van 6 Opgaven 6. De wet van Ohm a Het aantal ml komt overeen met de lading, dus het aantal ml per seonde met de stroomsterkte.

Nadere informatie

Elektriciteit Inhoud. Elektriciteit demonstraties

Elektriciteit Inhoud. Elektriciteit demonstraties Elektriciteit Inhoud Inleiding : Deze les Spanning: Wat is dat, hoe komt dat? Stroom(sterkte) : Wat is dat, hoe komt dat? Practicum: (I,)-diagram van een lampje en een weerstand Weerstand : Wet van Ohm

Nadere informatie

Signalen stroom, spanning, weerstand, vermogen AC, DC, effectieve waarde

Signalen stroom, spanning, weerstand, vermogen AC, DC, effectieve waarde Technologie 1 Elektrische en elektronische begrippen Signalen stroom, spanning, weerstand, vermogen AC, DC, effectieve waarde Opleiding Pop en Media Peet Ferwerda, januari 2002 Deze instructie wordt tijdens

Nadere informatie

3.4.3 Plaatsing van de meters in een stroomkring

3.4.3 Plaatsing van de meters in een stroomkring 1 De stroom- of ampèremeter De ampèremeter is een meetinstrument om elektrische stroom te meten. De sterkte van een elektrische stroom wordt uitgedrukt in ampère, vandaar de naam ampèremeter. Voorstelling

Nadere informatie

VWO 4 kernboek B hoofdstuk 8

VWO 4 kernboek B hoofdstuk 8 SAMENVATTING ELEKTRICITEIT VWO 4 kernboek B hoofdstuk 8 HOEVEELHEID LADING Symbool Q (soms q) Eenheid C (Coulomb) Iedereen heeft wel eens gemerkt dat voorwerpen elektrische eigenschappen kunnen krijgen.

Nadere informatie

Natuur- en scheikunde 1, elektriciteit, uitwerkingen. Spanning, stroomsterkte, weerstand, vermogen, energie

Natuur- en scheikunde 1, elektriciteit, uitwerkingen. Spanning, stroomsterkte, weerstand, vermogen, energie 4M versie 1 Natuur- en scheikunde 1, elektriciteit, uitwerkingen Werk netjes en nauwkeurig Geef altijd een duidelijke berekening of een verklaring Veel succes, Zan Spanning, stroomsterkte, weerstand, vermogen,

Nadere informatie

Basis Elektriciteit R = U/I. Gelijkstroom (Direct Current) Batterij of zonnecel; de elektronen stromen allemaal in 1 richting.

Basis Elektriciteit R = U/I. Gelijkstroom (Direct Current) Batterij of zonnecel; de elektronen stromen allemaal in 1 richting. Basis Elektriciteit Gelijkstroom (Direct Current) Wisselstroom (Alternating Current) Gesloten stroomkring (Closed circuit) DC AC Batterij of zonnecel; de elektronen stromen allemaal in 1 richting. Lichtnet;

Nadere informatie

5 Weerstand. 5.1 Introductie

5 Weerstand. 5.1 Introductie 5 Weerstand 5.1 Introductie I n l e i d i n g In deze paragraaf ga je verschillende soorten weerstanden bestuderen waarvan je de weerstandswaarde kunt variëren. De weerstand van een metaaldraad blijkt

Nadere informatie

4.2 Het instapprobleem Een roodgloeiende metaaldraad onderdompelen in water

4.2 Het instapprobleem Een roodgloeiende metaaldraad onderdompelen in water 4 Elektrische energie 4.1 Introductie Inleiding Het hoofdstuk gaat over het goed en veilig functioneren van elektrische schakelingen en over wetmatigheden die gelden voor elektrische schakelingen. Je hebt

Nadere informatie

Opgave 5 Een verwarmingselement heeft een weerstand van 14,0 Ω en is opgenomen in de schakeling van figuur 3.

Opgave 5 Een verwarmingselement heeft een weerstand van 14,0 Ω en is opgenomen in de schakeling van figuur 3. Opgave 5 Een verwarmingselement heeft een weerstand van 14,0 Ω en is opgenomen in de schakeling van figuur 3. figuur 3 De schuifweerstand is zo ingesteld dat de stroomsterkte 0,50 A is. a) Bereken het

Nadere informatie

9 PARALLELSCHAKELING VAN WEERSTANDEN

9 PARALLELSCHAKELING VAN WEERSTANDEN 9 PARALLELSCHAKELING VAN WEERSTANDEN Een parallelschakeling komt in de praktijk vaker voor dan een serieschakeling van verbruikers. Denken we maar aan alle elektrische apparaten die aangesloten zijn op

Nadere informatie

Een elektrische schakeling is tot op zekere hoogte te vergelijken met een verwarmingsinstallatie.

Een elektrische schakeling is tot op zekere hoogte te vergelijken met een verwarmingsinstallatie. Inhoud Basisgrootheden... 2 Verwarmingsinstallatie... 3 Elektrische schakelingen... 4 Definities van basisgrootheden... 6 Fysische achtergrond bij deze grootheden... 6 Opgave: Geladen bollen... 7 De wet

Nadere informatie

4.2 Het instapprobleem Een roodgloeiende metaaldraad onderdompelen in water

4.2 Het instapprobleem Een roodgloeiende metaaldraad onderdompelen in water 4 Elektrische energie 4.1 Introductie Inleiding Het hoofdstuk gaat over het goed en veilig functioneren van elektrische schakelingen en over wetmatigheden die gelden voor elektrische schakelingen. Je hebt

Nadere informatie

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrodynamica. 25 juli 2015 dr. Brenda Casteleyn

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrodynamica. 25 juli 2015 dr. Brenda Casteleyn Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Fysica: Elektrodynamica 25 juli 2015 dr. Brenda Casteleyn Met dank aan: Atheneum van Veurne (http://www.natuurdigitaal.be/geneeskunde/fysica/wiskunde/wiskunde.htm),

Nadere informatie

Hfd 3 Stroomkringen. Isolator heeft geen vrije elektronen. Molecuul. Geleider heeft wel vrije elektronen. Molecuul.

Hfd 3 Stroomkringen. Isolator heeft geen vrije elektronen. Molecuul. Geleider heeft wel vrije elektronen. Molecuul. Hfd 3 Stroomkringen Enkele begrippen: Richting van de stroom: Stroom loopt van de plus naar de min pool Richting van de elektronen: De elektronen stromen van de min naar de plus. Geleiders en isolatoren

Nadere informatie

VWO 4 kernboek B hoofdstuk 8

VWO 4 kernboek B hoofdstuk 8 SAMNVATTING LKTICITIT VWO 4 kernboek B hoofdstuk 8 HOVLHID LADING Symbool Q (soms q) enheid C (Coulomb) Iedereen heeft wel eens gemerkt dat voorwerpen elektrische eigenschappen kunnen krijgen. Als je over

Nadere informatie

H2 les par2+4+3.notebook November 11, 2015. Elektriciteit in huis. Na de verbruiksmeter zit er een hoofdschakelaar en daarna

H2 les par2+4+3.notebook November 11, 2015. Elektriciteit in huis. Na de verbruiksmeter zit er een hoofdschakelaar en daarna Hoofdstuk 2 Elektriciteit in Huis Elektriciteit in huis Na de verbruiksmeter zit er een hoofdschakelaar en daarna wordt de huisinstallatie verdeeld in groepen met zekeringen. voor de extra veiligheid zijn

Nadere informatie

Elektrische energie en elektrisch vermogen

Elektrische energie en elektrisch vermogen Elektrische energie en elektrisch vermogen Grootheid Symbool Eenheid Lading Q C: Coulomb Spanning U V: Volt Stroomsterkte I A: Ampère Energie E J: Joule Weerstand R Ω: Ohm Spanning: noodzakelijk om lading

Nadere informatie

R Verklaar alle antwoorden zo goed mogelijk

R Verklaar alle antwoorden zo goed mogelijk PROEFWERK TECHNOLOGIE VWO MODULE 6 ELECTRICITEIT VRIJDAG 19 maart 2010 R Verklaar alle antwoorden zo goed mogelijk 2P 2P 2P Opgave 1 Tup en Joep willen allebei in bed lezen. Ze hebben allebei een fietslampje.

Nadere informatie

Theorie: Energieomzettingen (Herhaling klas 2)

Theorie: Energieomzettingen (Herhaling klas 2) les omschrijving 12 Theorie: Halfgeleiders Opgaven: halfgeleiders 13 Theorie: Energiekosten Opgaven: Energiekosten 14 Bespreken opgaven huiswerk Opgaven afmaken Opgaven afmaken 15 Practicumtoets (telt

Nadere informatie

Hoofdstuk 1. Elektrische weerstand

Hoofdstuk 1. Elektrische weerstand Hoofdstuk 1. Elektrische weerstand Alle materialen hebben elektrische weerstand. Soms is de weerstand laag en gaat elektrische stroom er gemakkelijk door. In andere gevallen is de weerstand hoog. Deze

Nadere informatie

6.1 Afrondingsopdracht Goed en veilig werken van elektrische schakelingen

6.1 Afrondingsopdracht Goed en veilig werken van elektrische schakelingen 6. Afronding hoofdstuk 2 6.1 Afrondingsopdracht Goed en veilig werken van elektrische schakelingen Inleiding Bij de introductie van dit hoofdstuk heb je je georiënteerd op het onderwerp van dit hoofdstuk

Nadere informatie

Naam: Klas: Repetitie elektriciteit klas 2 1 t/m 6 HAVO (versie A)

Naam: Klas: Repetitie elektriciteit klas 2 1 t/m 6 HAVO (versie A) Naam: Klas: Repetitie elektriciteit klas 2 1 t/m 6 HAVO (versie A) OPGAVE 1 Welke spanning leveren de combinaties van 1,5 volt-batterijen? Eerste combinatie: Tweede combinatie: OPGAVE 2 Stel dat alle lampjes

Nadere informatie

NASK1 SAMENVATTING ELEKTRICITEIT. Wanneer loopt er stroom? Schakelingen

NASK1 SAMENVATTING ELEKTRICITEIT. Wanneer loopt er stroom? Schakelingen NASK1 SAMENVATTING ELEKTRICITEIT Wanneer loopt er stroom? Elektrische apparaten werken alleen als er een stroom door loopt. Om de stroom te laten lopen is er altijd een spanningsbron nodig. Dat kan een

Nadere informatie

Elektrische stroomnetwerken

Elektrische stroomnetwerken ntroductieweek Faculteit Bewegings- en evalidatiewetenschappen 25 29 Augustus 2014 Elektrische stroomnetwerken Dr. Pieter Neyskens Monitoraat Wetenschappen pieter.neyskens@wet.kuleuven.be Assistent: Erik

Nadere informatie

Serie. Itotaal= I1 = I2. Utotaal=UR1 + UR2. Rtotaal = R1 + R2. Itotaal= Utotaal : Rtotaal 24 = 10 + UR2 UR2 = 24 10 = 14 V

Serie. Itotaal= I1 = I2. Utotaal=UR1 + UR2. Rtotaal = R1 + R2. Itotaal= Utotaal : Rtotaal 24 = 10 + UR2 UR2 = 24 10 = 14 V Om te onthouden Serieschakeling Parallelschakeling Itotaal= I = I2 Utotaal=U + U2 totaal = + 2 Itotaal=I + I2 Utotaal= U = U2 tot 2 enz Voor elke schakeling I totaal U totaal totaal Itotaal= I = I2 Utotaal=U

Nadere informatie

Diktaat Spanning en Stroom

Diktaat Spanning en Stroom Diktaat Spanning en Stroom hoofdstuk 1 Elektriciteit. 1.1 Lading. Veel toestellen op het laboratorium werken met elektriciteit. De werking van deze toestellen berust op elektrische lading die stroomt.

Nadere informatie

Energie : elektriciteit : stroomkringen

Energie : elektriciteit : stroomkringen Energie : elektriciteit : stroomkringen De netspanning is uitgevallen! Pas dan merk je wat elektriciteit voor ons betekent. Geen licht, geen computer, geen playstation, het eten op het elektrisch fornuis

Nadere informatie

Elektriciteit. Hoofdstuk 2

Elektriciteit. Hoofdstuk 2 Elektriciteit Hoofdstuk 2 (het blijft spannend) Om de lamp te laten branden moet er een gesloten stroomkring zijṇ Om de lamp te laten branden moet er een gesloten stroomkring zijṇ Om de lamp te laten branden

Nadere informatie

Opgave 2 Vuurtoren Natuurkunde N1 Havo 2001-II opgave 3

Opgave 2 Vuurtoren Natuurkunde N1 Havo 2001-II opgave 3 Deze 5 opgaven (21 vragen) met uitwerkingen vind je op www.agtijmensen.nl Et-stof: h4. Arbeid en energie, h5. Licht en h6. Elektriciteit Examentraining Havo 4 et2 Opgave 1 De waterkrachtcentrale van Itaipu

Nadere informatie

Een elektrische schakeling is tot op zekere hoogte te vergelijken met een verwarmingsinstallatie.

Een elektrische schakeling is tot op zekere hoogte te vergelijken met een verwarmingsinstallatie. Inhoud Basisgrootheden... 2 Verwarmingsinstallatie... 3 Elektrische schakelingen... 4 Definities van basisgrootheden... 6 Fysische achtergrond bij deze grootheden... 6 Opgave: Geladen bollen... 7 De wet

Nadere informatie

Welke wetmatigheden die gelden voor de elektrische schakeling kun je gebruiken om de werking van aarding, zekering en aardlekschakelaar te begrijpen?

Welke wetmatigheden die gelden voor de elektrische schakeling kun je gebruiken om de werking van aarding, zekering en aardlekschakelaar te begrijpen? 2 De elektrische schakeling 2.1 Introductie Inleiding In huis waar gewerkt wordt met een spanning van 230 volt, kunnen gevaarlijke situaties voorkomen, bijvoorbeeld kortsluiting, overbelasting, het aanraken

Nadere informatie

Elektriciteit thuis. Extra informatie Elektriciteit, Elektriciteit thuis, www.roelhendriks.eu

Elektriciteit thuis. Extra informatie Elektriciteit, Elektriciteit thuis, www.roelhendriks.eu Elektriciteit thuis Nuldraad, fasedraad In de elektriciteitskabel die je huis binnenkomt, bevinden zich twee draden: de fasedraad en de nuldraad. Zie de onderstaande figuur. De spanning tussen deze draden

Nadere informatie

hoofdstuk 1 Elektriciteit.

hoofdstuk 1 Elektriciteit. hoofdstuk 1 Elektriciteit. 1.1 Lading. Veel toestellen op het laboratorium werken met elektriciteit. De werking van deze toestellen berust op elektrische lading die stroomt. We kennen twee soorten lading:

Nadere informatie

We hangen drie metalen bollen aan een draad en we geven ze alledrie een positieve of negatieve lading. Bol 1 en 2 stoten elkaar af en bol 2 en 3 stoten elkaar af. Wat kun je nu zeggen? 1. 1 en 3 hebben

Nadere informatie

Project huisinstallatie voor de onderbouw

Project huisinstallatie voor de onderbouw Inhoudsopgave 1 Elektrische stroom.... 1 1.1 Waterstroom.... 1 1.2 Knikker stroom... 2 1.3 Geleiders en isolators.... 2 2 Elektrische schakeling... 3 2.1 Inleiding... 3 2.2 Zekering en aardlekschakelaar...

Nadere informatie

hoofdstuk 1 Elektriciteit.

hoofdstuk 1 Elektriciteit. spanning 2007-2008 hoofdstuk 1 Elektriciteit. 1.1 Lading. Veel toestellen op het laboratorium werken met elektriciteit. De werking van deze toestellen berust op van elektrische lading die stroomt. We kennen

Nadere informatie

INLEIDING. Veel succes

INLEIDING. Veel succes INLEIDING In de eerste hoofdstukken van de cursus meettechnieken verklaren we de oorsprong van elektrische verschijnselen vanuit de bouw van de stof. Zo leer je o.a. wat elektrische stroom en spanning

Nadere informatie

Welke wetmatigheden die gelden voor de elektrische schakeling kun je gebruiken om de werking van aarding, zekering en aardlekschakelaar te begrijpen?

Welke wetmatigheden die gelden voor de elektrische schakeling kun je gebruiken om de werking van aarding, zekering en aardlekschakelaar te begrijpen? 2 De elektrische schakeling 2.1 Introductie Inleiding In huis waar gewerkt wordt met een spanning van 230 volt, kunnen gevaarlijke situaties voorkomen, bijvoorbeeld kortsluiting, overbelasting, het aanraken

Nadere informatie

Elektriciteit (deel 2)

Elektriciteit (deel 2) Elektriciteit (deel 2) 1 Elektrische lading 2 Eenvoudige stroomkring 3 Stroomsterkte en spanning 4 Serie- en parallelschakeling 5 Stroomsterkte en spanning meten 6 Weerstand, wet van Ohm 7 Energie en vermogen

Nadere informatie

DEEL 6 Serieschakeling van componenten. 6.1 Doel van de oefening. 6.2 Benodigdheden

DEEL 6 Serieschakeling van componenten. 6.1 Doel van de oefening. 6.2 Benodigdheden Naam: Nr.: Groep: Klas: Datum: DEEL 6 In de vorige oefeningen heb je reeds een A-meter, die een kleine inwendige weerstand bezit, in serie leren schakelen met een gebruiker. Door de schakelstand te veranderen

Nadere informatie

Opgave 1. Voor de grootte van de magnetische veldsterkte in de spoel geldt: = l

Opgave 1. Voor de grootte van de magnetische veldsterkte in de spoel geldt: = l Opgave 1 Een kompasnaald staat horizontaal opgesteld en geeft de richting aan van de horizontale r component Bh van de magnetische veldsterkte van het aardmagnetische veld. Een spoel wordt r evenwijdig

Nadere informatie

www.samengevat.nl voorbeeldhoofdstuk havo natuurkunde

www.samengevat.nl voorbeeldhoofdstuk havo natuurkunde www.samengevat.nl voorbeeldhoofdstuk havo natuurkunde www.samengevat.nl havo natuurkunde Ir..P.J. Thijssen Voorwoord Beste docent, Voor u ligt een deel van de nieuwe Samengevat havo natuurkunde. Dit katern

Nadere informatie

Elektriciteit. Wat is elektriciteit

Elektriciteit. Wat is elektriciteit Elektriciteit Wat is elektriciteit Elektriciteit kun je niet zien, niet ruiken, niet proeven, maar wel voelen. Dit voelen kan echter gevaarlijk zijn dus pas hier voor op. Maar wat is het dan wel? Hiervoor

Nadere informatie

Hoe kun je de weerstand van voorwerpen vergelijken en bepalen?

Hoe kun je de weerstand van voorwerpen vergelijken en bepalen? werkblad experiment 4.5 en 5.4 (aangepast) naam:. klas: samen met: Hoe kun je de weerstand van voorwerpen vergelijken en bepalen? De weerstand R van een voorwerp is te bepalen als men de stroomsterkte

Nadere informatie

Elektriciteit (deel 1)

Elektriciteit (deel 1) Elektriciteit (deel 1) 1 Spanningsbronnen 2 Batterijen in serie en parallel 3 Stroomkring 4 Spanning, stroomsterkte, watercircuit 5 Lampjes in serie en parallel 6 Elektriciteit thuis 7 Vermogen van elektrische

Nadere informatie

Hoofdstuk 7 Stroom, spanning, weerstand

Hoofdstuk 7 Stroom, spanning, weerstand Hoofdstuk 7 Stroom, spanning, weerstand 7.1 De wet van Ohm Je kent de begrippen spanning, stroomsterkte en weerstand. Aan de hand van een simpele schakeling halen we die kennis weer op. Elektrische spanning

Nadere informatie

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2000-II

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2000-II Eindexamen natuurkunde havo 2000-II 4 Antwoordmodel Opgave Slijtage bovenleiding uitkomst: m =,87 0 6 kg Het afgesleten volume is: V = (98,8 78,7) 0-6 5200 0 3 2 = 2,090 0 2 m 3. Hieruit volgt dat m =

Nadere informatie

Elektrische netwerken

Elektrische netwerken Deel 1: de basis H1 - H4: basisbegrippen gelijkspanning Opgaven bij hoofdstuk 1... 1 Opgaven bij hoofdstuk 2... 2 Opgaven bij hoofdstuk 3... 4 Opgaven bij hoofdstuk 4... 7 H5 - H8: basisbegrippen wisselspanning

Nadere informatie

Practicum Zuil van Volta

Practicum Zuil van Volta Practicum Zuil van Volta Benodigdheden Grondplaat, aluminiumfolie, stuivers (munten van vijf eurocent), filtreerpapier, zoutoplossing, voltmeter, verbindingssnoeren, schaar Voorbereidende werkzaamheden

Nadere informatie

12 Elektrische schakelingen

12 Elektrische schakelingen Elektrische schakelingen Onderwerpen: - Stroomsterkte en spanning bij parallel- en serieschakeling - Verangingsweerstand bij parallelschakeling. - Verangingsweerstand bij serieschakeling.. Stroom en spanning

Nadere informatie

Examen HAVO. natuurkunde 1

Examen HAVO. natuurkunde 1 natuurkunde 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Dinsdag 24 mei 13.30 16.30 uur 20 05 Voor dit examen zijn maximaal 76 punten te behalen; het examen bestaat uit 25 vragen. Voor elk

Nadere informatie

Blad 1. Voor het simulatiespel: 100 gele kaartjes (de energiepunten) 2 A6 met lampsymbool 1 A6 met batterijsymbool. Tijd Totaal 60 minuten.

Blad 1. Voor het simulatiespel: 100 gele kaartjes (de energiepunten) 2 A6 met lampsymbool 1 A6 met batterijsymbool. Tijd Totaal 60 minuten. Les in het kort De leerlingen onderzoeken op welke manieren je twee of meer lampjes op één batterij kunt aansluiten (parallel of serie) en welk effect dat heeft op de felheid van de lampjes. Ze gaan uitproberen

Nadere informatie

Werking van een zekering

Werking van een zekering Naam: Klas: Datum: Werking van een zekering Doelstelling Leerlingen moeten inzien dat een zekering de elektrische stroom kan onderbreken bij oververhitting als gevolg van een kortsluiting. Inleidende proef

Nadere informatie

3 Slim met stroom. Inleiding

3 Slim met stroom. Inleiding 3 Slim met stroom Inleiding Hierboven zie je allerlei elektrische apparaten. Voor de een heb je batterijen nodig. De ander steek je met een stekker in het stopcontact. Al deze toestellen gebruiken stroom.

Nadere informatie

1.8 Stroomsterkte; geleiding.

1.8 Stroomsterkte; geleiding. 1.8 Stroomsterkte; geleiding. Met stroomsterkte (I) wordt bedoeld: de hoeveelheid lading die per seconde langs komt. De eenheid is dus coulomb per seconde (C/s) maar we werken meestal met de ampère (A)

Nadere informatie

UITWERKINGEN EXTRA OPGAVEN SCHAKELINGEN

UITWERKINGEN EXTRA OPGAVEN SCHAKELINGEN UITWERKINGEN EXTRA OPGAVEN SCHAKELINGEN U. Gegevens invullen: 24 0 24-0 4 V 2a R v2 R R 2. invullen gegevens: R v2 3 4 7 28 b R tot R v. invullen gegevens: 7 dus 4 A U U c R R. invullen gegevens: 3 dus

Nadere informatie

Impedantie V I V R R Z R

Impedantie V I V R R Z R Impedantie Impedantie (Z) betekent: wisselstroom-weerstand. De eenheid is (met als gelijkstroom-weerstand) Ohm. De weerstand geeft aan hoe goed de stroom wordt tegengehouden. We kennen de formules I R

Nadere informatie

De condensator en energie

De condensator en energie De condensator en energie Belangrijkste onderdelen in de proeven De LEGO-condensator De condensator heeft een capaciteit van 1 Farad en is beschermd tegen een overbelasting tot 18 Volt. Wanneer de condensator

Nadere informatie

Benodigdheden bekerglas, dompelaar (aan te sluiten op lichtnet), thermometer, stopwatch

Benodigdheden bekerglas, dompelaar (aan te sluiten op lichtnet), thermometer, stopwatch Naam: Klas: Practicum soortelijke warmte van water Benodigdheden bekerglas, dompelaar (aan te sluiten op lichtnet), thermometer, stopwatch Doel van de proef Het bepalen van de soortelijke warmte van water

Nadere informatie

Hoofdstuk 6 Elektriciteit. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. http://maken.wikiwijs.nl/72547

Hoofdstuk 6 Elektriciteit. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. http://maken.wikiwijs.nl/72547 Auteur team NS Laatst gewijzigd Licentie Webadres 17 June 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/72547 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijsleermiddelenplein. Wikiwijsleermiddelenplein

Nadere informatie

Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 6 Stroom, spanning en weerstand (09-06-2010) Pagina 1 van 26

Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 6 Stroom, spanning en weerstand (09-06-2010) Pagina 1 van 26 Stevin vwo deel Uitwerkingen hoofdstuk 6 Stroom, spanning en weerstand (09-06-00) Pagina van 6 Opgaven 6. De wet van Ohm Geruik U = I of U U I = of = I a U 60 000 0 I 0,06 = = = = k U 0,6 = = = 0 = 0 I

Nadere informatie

E e n i n t r o d u c t i e in praktische electronica.

E e n i n t r o d u c t i e in praktische electronica. 9 9 1. 1 0 3 E e n i n t r o d u c t i e in praktische electronica. Vantek Electronica Kits Handleiding/Opdrachtenboek. N. B. De OPITEC bouwpakketten zijn gericht op het onderwijs. 1 HOE U AAN DE SLAG

Nadere informatie

b Geluid waarnemen, meten en omzetten in elektrische spanning.

b Geluid waarnemen, meten en omzetten in elektrische spanning. Uitwerkingen opgaven hoofdstuk 1 1.1 Automaten Opgave 1 Opgave 2 Opgave 3 In een robot is de elektrische bedrading te vergelijken met de zenuwen. Het zenuwstelsel kun je dan vergelijken met de printplaten.

Nadere informatie

Aanwijzingen. Figuur 1 LDR (NORP12) Weerstand - lichtsterkte grafiek (Let op: Logaritmische schaal) Nakijkmodel

Aanwijzingen. Figuur 1 LDR (NORP12) Weerstand - lichtsterkte grafiek (Let op: Logaritmische schaal) Nakijkmodel Rotterdam Academy Tentamenvoorblad Naam: Studentnr.: Groep/klas: Tentamen voor de: Arts en Crafts Officemanagement Opleiding(en): Engineering Maintenance & Mechanic Ondernemen Pedagogisch-Educatief Mw

Nadere informatie

Een positief geladen stok wordt in de buurt gebracht van een metalen bol. Deze bol staat op een isolerende standaard, maar is via een koperdraad verbonden met de aarde. In de koperdraad loopt, 1. een stroom,

Nadere informatie

elektrotechniek CSPE BB 2009 minitoets bij opdracht 4 A B X C D

elektrotechniek CSPE BB 2009 minitoets bij opdracht 4 A B X C D elektrotechniek CSPE BB 2009 minitoets bij opdracht 4 variant d Naam kandidaat Kandidaatnummer Meerkeuzevragen Omcirkel het goede antwoord (voorbeeld 1). Geef verbeteringen aan volgens voorbeeld 2 of 3.

Nadere informatie

5 Elektriciteit. 5.1 Elektriciteit om je heen

5 Elektriciteit. 5.1 Elektriciteit om je heen 5 Elektriciteit 5.1 Elektriciteit om je heen 2 Overeenkomst: beide leveren elektriciteit. Verschil: stopcontact levert een hoge spanning en een batterij levert een lage spanning 3 spanningsbron volt penlight

Nadere informatie

KeCo-opgaven elektricitietsleer VWO4

KeCo-opgaven elektricitietsleer VWO4 KeCo-opgaven eektricitietseer VWO4 1 KeCo-opgaven eektricitietseer VWO4 E.1. a. Wat is een eektrische stroom? b. Vu in: Een eektrische stroomkring moet atijd.. zijn. c. Een negatief geaden voorwerp heeft

Nadere informatie

J De centrale draait (met de gegevens) gedurende één jaar. Het gemiddelde vermogen van de centrale kan dan berekend worden:

J De centrale draait (met de gegevens) gedurende één jaar. Het gemiddelde vermogen van de centrale kan dan berekend worden: Uitwerking examen Natuurkunde1 HAVO 00 (1 e tijdvak) Opgave 1 Itaipu 1. De verbruikte elektrische energie kan worden omgerekend in oules: 17 = 9,3 kwh( = 9,3 3, ) = 3,3 De centrale draait (met de gegevens)

Nadere informatie

NETWERKEN EN DE WETTEN VAN KIRCHHOFF

NETWERKEN EN DE WETTEN VAN KIRCHHOFF NETWERKEN EN DE WETTEN VN KIRCHHOFF 1. Doelstelling van de proef Het doel van deze proef is het bepalen van de klemspanning van een spanningsbron, de waarden van de beveiligingsweerstanden en de inwendige

Nadere informatie

Windmolenpark Houten. Project nask & techniek Leerjaar 2 havo/atheneum College de Heemlanden, Houten. Namen: Klas:

Windmolenpark Houten. Project nask & techniek Leerjaar 2 havo/atheneum College de Heemlanden, Houten. Namen: Klas: Namen: Klas: Windmolenpark Houten Project nask & techniek Leerjaar 2 havo/atheneum College de Heemlanden, Houten Ontwikkeld door: Geert Veenstra Gerard Visker Inhoud Probleem en hoofdopdracht Blz 3 Samenwerking

Nadere informatie

1. Weten wat elektrische stroom,spanning en vemogen is en het verband ertussen kennen 2. Elektrische netwerken kunnen oplossen

1. Weten wat elektrische stroom,spanning en vemogen is en het verband ertussen kennen 2. Elektrische netwerken kunnen oplossen Hoofdstuk 3 Elektrodynamica Doelstellingen 1. Weten wat elektrische stroom,spanning en vemogen is en het verband ertussen kennen 2. Elektrische netwerken kunnen oplossen Elektrodynamica houdt de studie

Nadere informatie

AT-142 EPD Basis 1. Zelfstudie en huiswerk 10-08

AT-142 EPD Basis 1. Zelfstudie en huiswerk 10-08 AT-142 EPD Basis 1 Zelfstudie en huiswerk 10-08 2 Inhoud INTRODUCTIE 3 DOELSTELLINGEN 4 ELEKTRISCH METEN 5 SPANNING METEN 6 STROOM METEN 7 WEERSTAND METEN 9 BASISSCHAKELINGEN 10 ELEKTRISCH VERMOGEN 11

Nadere informatie

Examen HAVO. Natuurkunde 1 (nieuwe stijl)

Examen HAVO. Natuurkunde 1 (nieuwe stijl) Natuurkunde 1 (nieuwe stijl) Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 21 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 88 punten te behalen; het examen bestaat uit 27

Nadere informatie

Elektronica. Voorvoegsels van eenheden. Schakeling van een simpele audioversterker met een opamp

Elektronica. Voorvoegsels van eenheden. Schakeling van een simpele audioversterker met een opamp Elektronica 1 Spanningsbronnen 2 Weerstanden en diodes in de elektronica 3 Spanningsdeler, potentiaal, opamp 4 Stroomsterkte en lading; condensator 5 Het op- en ontladen van een condensator 6 De 555 timer

Nadere informatie

Stroom uit batterijen

Stroom uit batterijen 00-Spanning WHO S3-HV 24-01-2005 12:01 Pagina 5 2 Stroom uit batterijen Je hebt gezien, dat je eigen gebouwde vruchtbatterij niet veel stroom levert. Zo n batterij past ook slecht in een diskman of MP3-speler...

Nadere informatie

2 ELEKTRISCHE STROOMKRING

2 ELEKTRISCHE STROOMKRING 2 ELEKTRISCHE STROOMKRING Om elektrische stroom nuttig te gebruiken moet hij door een verbruiker vloeien. Verbruikers zijn bijvoorbeeld een gloeilampje, een motor, een deurbel. Om een gloeilampje te laten

Nadere informatie

Deel 1: Metingen Bouw achtereenvolgens de onderstaande schakelingen en meet de klemspanning en de stroomsterkte. VOORKOM STEEDS KORTSLUITING!!

Deel 1: Metingen Bouw achtereenvolgens de onderstaande schakelingen en meet de klemspanning en de stroomsterkte. VOORKOM STEEDS KORTSLUITING!! Practicum elektronica: Spanningsbron Benodigdheden: Niet-gestabiliseerde voeding of batterij, 2 multimeters, 5 weerstanden van 56 Ω (5 W), 5 snoeren, krokodillenklemmen. Deel : Metingen Bouw achtereenvolgens

Nadere informatie

ELEKTROTECHNIEK CSE KB

ELEKTROTECHNIEK CSE KB Examen VMBO-KB 2006 tijdvak 1 vrijdag 19 mei 09.00-11.00 uur ELEKTROTECHNIEK CSE KB Dit examen bestaat uit 50 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel

Nadere informatie

Examenopgaven VMBO-KB 2003

Examenopgaven VMBO-KB 2003 Examenopgaven VMBO-KB 2003 tijdvak 1 maandag 19 mei 9.00-11.00 uur ELEKTROTECHNIEK CSE KB Het gebruik van de formulelijst is toegestaan. Dit examen bestaat uit 50 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Uitwerkingen Domotica

Uitwerkingen Domotica itwerkingen Domotica Piet Molenaar, Peter Over en Loran de Vries. 1 Bediening Voor audio en video kennen we de afstandsbediening. Voor het huis van de toekomst kun je een domotica-bediening maken. Welke

Nadere informatie

-Samenvatting Natuurkunde- -Elektrotechniek Hoofdstuk 3-

-Samenvatting Natuurkunde- -Elektrotechniek Hoofdstuk 3- 1 Lading en Spanning 2 Elektrische strm 3 Weerstand Inhudspgave 4 Weerstand in parallel- en serieschakeling 5 Vermgen 6 Srtelijke weerstand Frmule verzicht 1 Lading en Spanning Lading Een vrwerp kan geladen

Nadere informatie

Examentraining HAVO5 Oriëntatietoets 1

Examentraining HAVO5 Oriëntatietoets 1 Examentraining HAVO5 Oriëntatietoets 1 1. Frits heeft voor een practicumproef 100 g alcohol nodig. Hij heeft alleen een maatcilinder tot zijn beschikking want de weegschaal is stuk. Hoeveel cm 3 alcohol

Nadere informatie

Toelatingstoets havoniveau natuurkunde max. 42 p, vold 24 p

Toelatingstoets havoniveau natuurkunde max. 42 p, vold 24 p Toelatingstoets havoniveau natuurkunde max. 42 p, vold 24 p Verantwoording: Opgave 1 uit havo natuurkunde 1,2: 2009_1 opg 4 (elektriciteit) Opgave 2 uit havo natuurkunde 1,2: 2009_2 opg 1 (licht en geluid)

Nadere informatie

Examenopgaven VMBO-GL 2003

Examenopgaven VMBO-GL 2003 Examenopgaven VMBO-GL 2003 tijdvak 1 maandag 19 mei 9.00-11.00 uur ELEKTROTECHNIEK CSE GL Het gebruik van de formulelijst is toegestaan. Dit examen bestaat uit 50 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Examen VMBO-BB. natuur- en scheikunde 1 CSE BB. tijdvak 1 maandag 18 mei 13.30-15.00 uur. Beantwoord alle vragen in dit opgavenboekje.

Examen VMBO-BB. natuur- en scheikunde 1 CSE BB. tijdvak 1 maandag 18 mei 13.30-15.00 uur. Beantwoord alle vragen in dit opgavenboekje. Examen VMBO-BB 2015 tijdvak 1 maandag 18 mei 13.30-15.00 uur natuur- en scheikunde 1 CSE BB Naam kandidaat Kandidaatnummer Beantwoord alle vragen in dit opgavenboekje. Gebruik het BINAS informatieboek.

Nadere informatie

Tentamen Analoge- en Elektrotechniek

Tentamen Analoge- en Elektrotechniek Verantwoordelijke docent: R. Hoogendoorn, H.J. Wimmenhoven Cursus Analoge- en Elektrotechniek Code MAMAET01 Cursusjaar: 2014 Datum: 2-6-2014 Tijdsduur: 90 min. Modulehouder: R. Hoogendoorn Aantal bladen:

Nadere informatie

b Geluid waarnemen, meten en omzetten in elektrische spanning.

b Geluid waarnemen, meten en omzetten in elektrische spanning. Uitwerkingen opgaven hoofdstuk 1 1.1 Automaten Opgave 1 Opgave 2 Opgave 3 In een robot is de elektrische bedrading te vergelijken met de zenuwen. Het zenuwstelsel kun je dan vergelijken met de printplaten.

Nadere informatie

Elektriciteit en Automatisering in huis

Elektriciteit en Automatisering in huis Elektriciteit en Automatisering in huis KLAS 4 VWO ELEKTRICITEIT EN AUTOMATISERING IN HUIS Over deze lessenserie Deze module behandelt elektriciteit en automatisering in huis. Bij de elektriciteitsleer

Nadere informatie

Gebruik van Elektriciteit. Domotica Huis van de Toekomst KLAS 4 HAVO

Gebruik van Elektriciteit. Domotica Huis van de Toekomst KLAS 4 HAVO Gebruik van Elektriciteit Domotica Huis van de Toekomst KLAS 4 HAVO 1 DOMOTICA Over deze lessenserie Deze module behandelt elektriciteit en automatisering in huis. We richten ons daarbij ook op het huis

Nadere informatie

Groep 7 - Les 2 Achter de schermen

Groep 7 - Les 2 Achter de schermen Leerkrachtinformatie Groep 7 - Les 2 Achter de schermen Lesduur: 45 minuten (zelfstandig) DOEL De leerlingen kennen de functie en toepassing van de kleuren van stroomdraden. De leerlingen kunnen eenvoudige

Nadere informatie