Nr Vraag/antwoord B l z

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Nr Vraag/antwoord B l z"

Transcriptie

1 Antwoorden op de vragen over de Jeugd en Gezin Begroting 008 Nr Vraag/antwoord B l z 1 De minister heeft de prestatie-indicatoren gekoppeld aan 011. Ziet de minister mogelijkheden om ook voor 008, 009 en 010 prestatie-indicatoren te benoemen? 0 In de begroting voor 008 staat niet voor alle indicatoren een streefwaarde genoemd voor de jaren vóór 011. Dit komt doordat de informatievoorziening die nodig is om deze indicatoren van een streefwaarde te voorzien nog in ontwikkeling is en in een enkel geval komt het doordat normtijden en registratie hiervan nog niet zijn vastgesteld. De Jeugdmonitor zal voor een aantal indicatoren de bron van informatie vormen. Ik streef ernaar om in de begroting van 009 zoveel mogelijk streefwaarden voor de jaren voorafgaand aan 011 op te nemen. De keten in de jeugdzorg wordt verbeterd. Is de minister van plan te onderzoeken of het 0 nodig is om een mogelijkheid van opvang voor jongeren en kinderen te faciliteren wanneer de situatie thuis niet goed is om te wonen? Denk bijvoorbeeld aan kleinschalige kindertehuizen in de buurt. Opgroeien doe je in een gezin is één van de drie lijnen in mijn beleidsprogramma. Gezinnen met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen moeten snel de juiste hulp krijgen. Als een kind tijdelijk in een residentiële instelling of een pleeggezin moet worden geplaatst, krijgen de ouders hulp om zich voor te bereiden op het weer zelf opvoeden van hun kind (of kinderen) als de uithuisplaatsing eindigt. Als er geen perspectief is op een duurzame veilige en stabiele opvoedingssituatie bij de eigen ouders, kan het kind niet meer bij de eigen ouders blijven wonen. Opvang in pleeggezinnen is dan een alternatief voor kinderen die niet bij de eigen ouders kunnen opgroeien en daarmee een adequate vorm van jeugdzorg. Waar mogelijk en wenselijk wordt gekeken of plaatsing in een bekend gezin mogelijk is (zgn. netwerkpleegzorg). Dat is vaak letterlijk maar zeker figuurlijk in de buurt. 3 Onderzoek in jeugdgevangenissen in Engeland heeft enkele jaren geleden aangetoond dat er een duidelijk verband is tussen verkeerde voeding en 'verkeerd' gedrag (agressie, asociaal gedrag, criminaliteit, enz). Is de Minister bekend met deze onderzoeksresultaten? Is de Minister voornemens ook in Nederland dit soort interdisciplinaire onderzoeken te betrekken bij zijn programma gezonde leefstijl? Zo nee, waarom niet? 0 In negen penitiaire afdelingen voor jongvolwassenen (JOVO s) is een onderzoek uitgevoerd naar de relatie tussen voeding en antisociaal gedrag. Dit naar aanleiding van onderzoek in Engeland van neurofysioloog Bernhard Gesch en oorspronkelijk in 00 door Rietkerk en Atsma (CDA) gestelde Kamervragen aan de minister van Justitie. Ik ben op hoofdlijnen op de hoogte van de resultaten van het onderzoek van Gesch waaruit onder andere is gebleken dat gedetineerden die naast de reguliere voeding voedingssupplementen gebruiken, minder agressief en regelschendend gedrag vertonen dan gedetineerden die geen voedingsupplementen krijgen toegediend. Andere bepalingen met vragenlijsten over agressie en psychische klachten lieten echter weinig verschillen zien tussen beide groepen. De onderzoeksresultaten bieden aanknopingspunten voor verder wetenschappelijk debat, maar zijn nog onvoldoende voor de ontwikkeling van concrete interventies, gericht op voeding en agressie. Bernard Gesch volgt het Nederlandse onderzoek op de voet. Hij is in Engeland gestart met B.DOC 1/50

2 een groot (N=1000) vervolgonderzoek. In Nederland wordt bekeken (Justitie) of en zo ja hoe er vervolgonderzoek kan plaatsvinden. Het programmaministerie van Jeugd en Gezin benadert de gezonde leefstijl van de jeugd vanuit het perspectief Gezond opgroeien. Gezonde voeding is daarvan een van de onderdelen. Het in dit kader specifiek gebruiken van voedingsupplementen met het oog op het verbeteren van gedrag is hierbij geen onderdeel. 4 Kan de minister toelichten waarom het strategisch-technisch lastig was aan te geven of wijzigingen in de tijd in de indicator voor de AKW ( het nalevingsniveau van de opgave van inkomsten van kinderen ) aan beleid konden worden toegeschreven? Waarom neemt 0 de minister, bij gebrek aan nieuwe, betere prestatie-indicatoren, de oude indicator niet op? Kan de minister toezeggen dat in de begroting 009 wel een prestatie-/effectindicatoren voor de AKW wordt opgenomen? In de tekst in de begroting is helaas een verkeerd woord opgenomen: Strategischtechnisch moet zijn statistisch-technisch. De naleving AKW is gemeten in het Porosz-onderzoek 004. Deze indicator is gemeten bij de kinderen van 16 en 17 jaar (controle op inkomsten en wel of niet thuiswonend). Bij de AKW komt volgens het Porosz-onderzoek 004 het verzwijgen van inkomsten uit arbeid van kinderen waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen vrijwel niet voor. In 005 zijn naar aanleiding van een methodestudie de nodige beperkingen aan de onderzoeksmethode voor de meting van naleving geconstateerd, deze beperkingen hangen samen met de opzet van het onderzoek in combinatie met de gehanteerde Randomized Response (RR) methode. De uitkomsten van de Porosz-onderzoeken bleken, mede vanwege de grote betrouwbaarheidsmarges, een geringere gebruikswaarde te hebben dan gewenst. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de toenmalige Staatssecretaris van SZW besloten tot een nadere afweging van de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven voor de meting van nalevingsniveaus in de komende jaren. In afwachting van de conclusies van deze afweging is besloten het Porosz-onderzoek voor de volksverzekeringen in 006 niet te herhalen. Hiervan werd op dat moment een te geringe meerwaarde verwacht voor de toetsing aan de in de begroting opgenomen streefwaarden. Voor de volksverzekeringen wordt daarom in overleg met de Sociale Verzekeringsbank bezien in hoeverre langs andere weg (administratieve gegevens, aselecte controles) voldoende informatie beschikbaar is. Er wordt onderzocht of en op welke wijze een handhavingsindicator voor AKW kan worden ontwikkeld waarbij de balans tussen beleidsmatige relevantie en de eisen die aan de indicator kunnen worden gesteld zo goed mogelijk is. Bij de begroting 009 wordt de uitkomst van het onderzoek gepresenteerd. 5 Wanneer worden door de sector nieuwe lagere normen vastgesteld voor de maximale 0 wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg? Wat is de rol van de sector, de provincies en de minister bij het vaststellen en handhaven van nieuwe normen? Kan de minister toezeggen dat eind 007 duidelijkheid bestaat over de nieuwe normen voor de maximale wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg en dat daarbij ook tussenstreefwaarden voor 008 t/m 010 worden geformuleerd? De sector is vorig jaar verzocht de normen voor maximale wachttijden in de geïndiceerde jeugd- zorg tegen het licht te houden en nieuwe lagere normen vast te stellen. In mijn beleidsprogramma Alle kansen voor alle kinderen, dat op 8 juni 007 is verschenen, heb ik aangegeven hieraan belang te hechten. Momenteel hanteren de sector en de provincies nog als norm de termijn van negen weken. Ik zal de sector er opnieuw aan herinneren met een voorstel voor nieuwe lagere normen voor de maximale wachttijd te B.DOC /50

3 komen. Tot dat moment dienen de provincies nauwlettend te volgen hoeveel kinderen langer dan negen weken op de wachtlijst staan. 6 Kan de minister aangeven waarom er voor 007 geen inzicht is geboden in de budgetflexibiliteit? Kan de minister daarin alsnog inzicht bieden? 0 Bij de budgetflexibiliteit is als peildatum de verwachte situatie op 1 januari 008 gehanteerd. Dit is gedaan vanwege de ontvlechting van budgetten uit de begrotingen van SZW, Justitie en VWS ten behoeve van de begroting Jeugd en Gezin die heeft plaatsgevonden. Over de stand van zaken uitvoering 007 wordt u bij de e suppletoire begrotingen van VWS, SZW en Justitie geïnformeerd. 7 Wanneer in 008 kan de gezinsnota tegemoet worden gezien? Gaat de regering daarin ook aandacht besteden aan de effecten van sociale uitsluiting (gespecificeerd naar de terreinen sociale participatie, materiële deprivatie, normatieve integratie en toegang tot voorzieningen) op kinderen? De regering schrijft over vijf ontwikkelingsvoorwaarden voor kinderen. Dit roept de vraag op wat de regering bekend is over de lange termijn gevolgen van armoede en sociale uitsluiting op minderjarigen? Kunt u zich beroepen op onderzoek waarin voor Nederland wordt nagegaan in hoeverre bij dit fenomeen sprake is van 'littekeneffecten', zoals het volgen van minder opleiding, een slechtere gezondheid, een lager inkomen e.d., hetgeen op latere leeftijd weer nieuwe armoede en sociale uitsluiting bewerkstelligt? Zo ja, welk onderzoek? Zo nee, acht u het vanuit beleidsoogpunt verstandig dergelijk onderzoek te laten verrichten? Zo ja, hoe, wanneer en door wie? Zo nee, waarom niet? 6 De gezinsnota zal na het volgende zomerreces aan Uw Kamer worden aangeboden, dus ruim twee jaar na de vorige gezinsnota. Momenteel vinden diverse voorbereidingen plaats om te verkennen welke onderwerpen in de gezinsnota de aandacht verdienen. 8 De financiële tegemoetkoming aan gezinnen wordt vanaf 008 structureel verhoogd. De regering geeft geen doel van deze verhoging. Wat wilt u concreet (dus met streefcijfers) bereiken met de verhoging van de financiële ondersteuning van gezinnen met kinderen, bijvoorbeeld met betrekking tot het aantal kinderen dat in armoede leeft? 6 Het kindgebonden budget is in per huishouden hoger dan de kinderkorting 007 (het kindgebonden budget is de voortzetting van de kinderkorting). De genoemde stijging is nodig om te komen tot een evenwichtig inkomensbeeld. Vanaf 009 zal het kindgebonden budget in de vorm van een bedrag per kind worden ingevoerd; bedragen per kind die zullen oplopen naar 011. De doeleinden van het kindgebondenbudget zijn het oplossen van het verzilveringsprobleem van gezinnen, een intensivering van de ondersteuning van gezinnen gericht op de lagere inkomens vandaar de inkomensafhankelijkheid en op de meerkindgezinnen. 9 Wanneer komt het actieprogramma voor diversiteit in het jeugdbeleid uit? Aan welke concrete maatregelen kan gedacht worden om diversiteit in het jeugdbeleid te bereiken? Welke financiële middelen zijn gereserveerd voor het opstellen en uitvoeren van het actieprogramma voor diversiteit in het jeugdbeleid? 7 Het actieprogramma voor diversiteit in het jeugdbeleid zal rond de jaarwisseling naar uw Kamer worden verzonden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat met het actieplan allerlei losse op diversiteit gerichte projecten tot stand komen: insteek is aansluiting te vinden bij bestaande ontwikkeltrajecten en deze zo in te richten dat in de ondersteuningsbehoefte van de diverse doelgroepen adequaat wordt voorzien. De B.DOC 3/50

4 aanbevelingen van de toenmalige Commissaris Jeugd- en Jongerenbeleid, dr. S.R.A. van Eijck, zullen hierbij worden betrokken. Voor het opstellen van het actieplan zijn geen financiële middelen gereserveerd. Voor het uitvoeren van het plan zullen, omdat aansluiting gezocht wordt bij bestaande ontwikkeltrajecten, in principe geen additionele financiële middelen benodigd zijn. In het actieplan zal hier uiteraard nader inzicht in worden verschaft. 10 Wat is het overgebleven budget voor de WTOS nu de gevolgen van de gratis kinderboeken 7 (moet dat niet schoolboeken zijn?) bekend zijn? In de begroting van OCW is op het beleidsartikel WTOS (artikel 1) vanaf 010 een bedrag beschikbaar van 16 miljoen euro, waarvan 117 miljoen voor de tegemoetkoming van minderjarige leerlingen (TS17-). Vanwege de invoering van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs zal dit verlaagd worden met 40 miljoen in het eerste kalenderjaar van de invoering en 80 miljoen euro per jaar in de structurele situatie. Hiervoor zal een nota van wijziging op de OCW-begroting worden voorgelegd. Er resteert dan vanaf 010 een budget van 37 miljoen euro voor de WTOS 17- voor MBO-deelnemers. 11 Wat is uw definitie van middeninkomens? Wat is het voordeel voor middeninkomens? 7 Onder middeninkomens wordt verstaan een inkomen tussen circa en circa Het voordeel voor deze inkomens is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. In het wetsvoorstel voor het kindgebonden budget wordt ingegaan op de bedragen per kind en de inkomenseffecten. 1 Hoeveel mensen maken gebruik van inkomensafhankelijke combinatieregeling? 7 In de fiscaliteit bestaan momenteel de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting. De combinatiekorting is voor alle werkende ouders met kinderen onder de 1 jaar en een inkomen uit werk van minimaal 4.475, de korting bedraagt 149 (cijfers 007) In 007 hebben circa,3 mln personen hier recht op. De aanvullende combinatiekorting is voor personen die recht hebben op de combinatiekorting en tevens minstverdienende partner zijn of alleenstaande ouder, in 007 bedraagt de aanvullende combinatiekorting 700. In 007 hebben circa 1,0 mln personen recht op de aanvullende combinatiekorting. In het Belastingplan 008 heeft het kabinet voorstellen gedaan om vanaf 009 de aanvullende combinatiekorting verder te verhogen naarmate het inkomen toeneemt. Op deze inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting, die de aanvullende combinatiekorting vervangt, zullen eveneens 1,0 mln personen recht op hebben. 13 De regering geeft meer geld aan gezinnen met kinderen via het kindgebonden budget. Dit 7 zal effect hebben op het aantal kinderen dat in armoede leeft. Acht de regering het inkomenscriterium "modest but adequate" een geschikte maatstaf om het aantal kinderen dat in armoede leeft af te meten? Armoede is meer dan het onderschrijden van een financiele ondergrens. Armoede kent verschillende oorzaken die voortkomen uit het inkomen, het gedrag, de maatschappij en vooral ook het toekomstperspectief, zoals de mogelijkheden om met het vinden van werk uit de armoede te komen. Het kabinet is daarom ook geen voorstander van het hanteren van één bepaalde armoedegrens, maar heeft de voorkeur voor een breed palet aan indicatoren. In dit kader is het daarom beter de term 'sociale uitsluiting' te gebruiken, die omvat meer dan alleen een financieel criterium B.DOC 4/50

5 14 Acht de regering het wenselijk om (bijvoorbeeld in het kader van de invoering en verhoging van het kindgebonden budget) jaarlijks gericht onderzoek te doen naar het 7 actuele aantal kinderen (0-18 jaar) dat in armoede leeft? Zo ja, hoe, wanneer en door wie? Het CBS en het SCP doen jaarlijks onafhankelijk onderzoek naar armoede in Nederland. Samen brengen zij de Armoedemonitor en het Armoedebericht uit. Hierin wordt ieder jaar een overzicht gegeven van de omvang, oorzaken en gevolgen van armoede in Nederland. Het aantal kinderen dat leeft in in huishoudens met een laag inkomen komt hierin ook aan bod. Het Armoedebericht verschijnt in de even jaren. De oneven jaren zijn gereserveerd voor de Armoedemonitor waarin thematisch en analytisch dieper op aspecten van armoede wordt ingegaan. Het kabinet ziet armoede niet alleen als een financiele kwestie. Belangrijker is of kinderen voldoende kansen krijgen om te participeren. Het kabinet overweegt dan ook om onderzoek te laten doen naar de bredere aspecten van sociale uitsluiting bij kinderen. De staatssecretaris van SZW zal u hierover in het kader van de Motie van Geel c.s. voor de begrotingsbehandeling van SZW informeren. 15 Hoe verhoudt de overheveling van de WTOS naar het kindgebonden budget en de bijzondere aanspraak die ouders moeten doen vanwege studiekosten. Blijft het in de 7 toekomst mogelijk om een tegemoetkoming te krijgen voor hoge reiskosten voor een MBOstudent van 17 jaar? Vanaf het schooljaar 008/009 worden de schoolboeken in het voortgezet onderwijs gratis. Het resterende deel van de WTOS voor ouders van kinderen in het voortgezet onderwijs wordt met het kindgebonden budget geïntegreerd. Daarmee vervalt de WTOS als zelfstandige tegemoetkoming voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs. Voor ouders van minderjarige MBO-deelnemers wordt de WTOS-tegemoetkoming verlaagd met het bedrag dat wordt geïntegreerd in het kindgebonden budget. Het resterende deel van de WTOS-tegemoetkoming voor ouders van minderjarige MBO-deelnemers blijft in stand. 16 Welke waarborgen biedt de regering om ervoor te zorgen dat de inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de onderhoudskosten van kinderen ook bij het/de kind(eren) terecht komen? 7 Het kindgebonden budget heeft net als de kinderbijslag tot doel de bestedingsruimte van gezinnen te vergroten. Er zijn geen wettelijke voorwaarden gesteld aan de besteding van de tegemoetkoming. De financiële bijdrage wordt uitgekeerd aan de ouders c.q. verzorgers van het kind, aangezien zij het best in staat zijn hun kinderen de juiste ontplooiingsmogelijkheden te bieden. 17 Vindt de regering het eerlijk om hard werkende ouders (de sterkste schouders) niet te laten meeprofiteren van gezinsondersteuning? Hoe verhoudt dit zich met het feit dat het hoge gezinsinkomen vaak wordt gegenereerd doordat beide ouders werken en zij hierdoor dus relatief hoge kosten hebben aan kinderopvang en andere opvoeding gerelateerde kosten? 7 Los van het feit dat er ook vele hard werkende ouders zijn met een relatief laag inkomen geldt dat ook op het gebied van de gezinsondersteuning een evenwichtig beleid noodzakelijk is. Dit betekent dat alle huishoudens en dus ook die met werkende ouders kunnen rekenen op financiële ondersteuning. Die ondersteuning vond en vindt plaats via de Kinderbijslag. Daarnaast zullen met name werkende ouders voordeel hebben van de gratis schoolboeken en de integratie van de WTOS met het kindgebonden budget. Ook de B.DOC 5/50

6 inkomensafhankelijke combinatiekorting zal juist werkende ouders ondersteunen evenals de kinderopvangtoeslag. 18 De regering stelt zich tot doel om gezinnen met een lager inkomen extra financieel te ondersteunen. Wanneer eindigt volgens dit kabinet de verantwoordelijk van de ouder bij het voorzien in een inkomen en goede woonomstandigheden voor de kinderen en begint de verantwoordelijkheid van de staat? 7 De regering hecht aan ondersteuning van gezinnen in verband met het grote belang van goed functionerende gezinnen voor kinderen en de samenleving. In het gezin worden kinderen opgevoed, wordt geborgenheid geboden en worden essentiële waarden en normen voorgeleefd en overgedragen aan volgende generaties. Ouders moeten daar voldoende tijd, vaardigheden én middelen voor hebben. Daarom is er een stelsel van instrumenten op basis waarvan ouders financiële ruimte wordt geboden om met het oog op hun ontplooiingsmogelijkheden uitgaven voor kinderen te doen. Dit stelsel bestaat uit een inkomensonafhankelijke (de kinderbijslag) en een inkomensafhankelijke component (zoals het kindgebonden budget en fiscale maatregelen). Zo geeft de kinderbijslag elke ouder c.q. verzorger een financiële bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen. Het kindgebonden budget zorgt ervoor dat gezinnen met en laag inkomen een inkomenafhankelijke tegemoetkoming ontvangen, waarbij de hoogte van die tegemoetkoming afhankelijk is van draagkracht. Beneden een inkomen van 9 413,- per jaar komen ouders in aanmerking voor het maximale bedrag aan kindgebonden budget. 19 Zijn de ZAT s onderdeel van het basismodel Centra Jeugd en Gezin? Zijn er overlappingen tussen ZAT s en de nieuw te vormen Centra voor Jeugd en Gezin? Zo ja, hoe worden de verantwoordelijkheden dan verdeeld? 8 Het ZAT zelf is geen onderdeel van het basismodel CJG, maar in het basismodel CJG is wel opgenomen dat het CJG een schakel naar het ZAT dient te hebben. Het ZAT is het multidisciplinair netwerk rond scholen waarin àlle professionals (uit onder andere onderwijs, welzijnswerk, jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg en veiligheid) die zich met jeugdigen en gezinnen bezighouden samenwerken om voor die jeugdigen en gezinnen passende zorg te arrangeren. Het Centrum voor Jeugd en Gezin is een fysiek en laagdrempelig inlooppunt voor ouders en kinderen waarin lokale functies en taken op het gebied van opgroeien en opvoeden gebundeld wordt aangeboden. Het CJG is één van de partners in het ZAT. Door een goede samenwerking met de ZAT s wordt er voor gezorgd dat de scholen, als belangrijke vindplaats voor kinderen en jongeren, goed zijn gepositioneerd. De gemeente is bestuurlijk verantwoordelijk voor de totstandkoming van zowel het CJG als voor de totstandkoming van een multidisciplinair netwerk zoals het ZAT. 0 Gesproken wordt over gespreken met ouders en deskundigen over risicogedrag. Welke output wordt hiervan verwacht? 8 De verwachting is dat debatten met ouders, docenten, politie, jongerenwerkers, sportcoaches en andere praktijkdeskundigen en óók met jongeren zelf trouwens inzichten zullen opleveren om het beleid ter bevordering van een gezonde jeugdcultuur zo effectief mogelijk te maken. 1 Komt er ook een wettelijke verplichting om ZAT s en CJG s samen te laten werken? Zo ja, 8 waarom? Zo nee, waarom niet? B.DOC 6/50

7 Zoals aangegeven in mijn brief van 17 september jl. (Tweede Kamer, , 31001, nr. 3) ben ik voornemens, het basismodel CJG wettelijk te verankeren. Over de precieze invulling van een samenwerking tussen ZAT s en CJG, wordt u, conform toezegging, nog vóór de begrotingsbehandeling nader geïnformeerd. Wie gaat 1 hulpverlener per kind of per gezin aanwijzen die alles coördineert? 8 In het beleidsprogramma Alle kansen voor alle kinderen dat op 8 juni jongstleden aan de Tweede Kamer is toegezonden, heb ik aangegeven dat de gemeente bestuurlijk verantwoordelijk is voor het tot stand komen van afspraken tussen de betrokken instanties op lokaal niveau over de coördinatie van zorg. Over de verdere invulling van dit uitgangspunt wordt u, conform de toezegging in mijn brief van 17 september jl. (Tweede Kamer, , 31001, nr. 3), vóór de begrotingsbehandeling geïnformeerd. 3 Hoe wordt de samenwerking tussen ZAT's en CJG geformaliseerd? Welke instantie coördineert en controleert deze samenwerking? 8 In het basismodel CJG is opgenomen dat het CJG een schakel met het ZAT moet hebben. Over de nadere invulling van de wettelijke verankering van het basismodel CJG en de coördinatie van zorg wordt u, conform toezegging, nog vóór de begrotingsbehandeling per afzonderlijke brief geïnformeerd. 4 Wie is verantwoordelijk voor de invoering van de Verwijsindex? Welk traject wordt 8 gevolgd bij de invoering van deze Verwijsindex? Is scholing, bijscholing en training van alle betrokken professionals daar een wezenlijk onderdeel van? Zo ja, welke eisen worden gesteld aan scholing, bijscholing en training? Wie is verantwoordelijk voor de scholing en bijscholingstrajecten? Hoe wordt gecontroleerd dat alle professionals adequaat zijn toegerust met de juiste kennis en vaardigheden? Bij de ontwikkeling van de Verwijsindex hebben zowel de Rijksoverheid als de gemeenten een verantwoordelijkheid. Rijksoverheid De Rijksoverheid in de persoon van de minister voor Jeugd en Gezin draagt zorg (inclusief de financiering) voor de ontwikkeling en het beheer van de landelijke Verwijsindex. Dit is een landelijke webapplicatie, waarop lokale signaleringssystemen kunnen aansluiten en waar gemeenten ook zonder lokaal systeem gebruik van kunnen maken. De Rijksoverheid biedt ondersteuning bij het invoeren van de Verwijsindex op lokaal niveau door het (gratis) bieden van een startpakket met onder meer een model samenwerkingsconvenant. Verder is wetgeving in voorbereiding om het gebruik van de Verwijsindex mogelijk te maken. In dat kader zal een 30-tal gemeenten gaan proefdraaien met aansluiting op de landelijke Verwijsindex. Doel van deze proeftuin is om ervaring op te doen met de Verwijsindex, eventuele kinderziekten te ontdekken en zonodig het systeem te verbeteren. De ervaringen uit de proeftuin zullen worden meegenomen in het wetgevingstraject. Tenslotte heeft de Rijksoverheid via het bestuurakkoord met de VNG financiele middelen beschikbaar gesteld voor de implementatie van de Verwijsindex op lokaal niveau. gemeenten Gemeenten zijn verplicht om aan te sluiten op de Verwijsindex. Zij zijn verantwoordelijk B.DOC 7/50

8 voor het realiseren, opzetten en onderhouden van de lokale signaleringssystemen en het organiseren van de samenwerking op lokaal niveau. Hiervoor dienen zij een modelsamenwerkingsconvenant op te stellen waarin ook afspraken worden gemaakt over de regie. Dit samenwerkingsconvenant, al dan niet gekoppeld aan een lokaal signaleringssysteem, is de basis waarop gemeenten aan kunnen sluiten op de landelijke Verwijsindex. Op dit moment is niet voorzien in een (bij) scholing/trainingstraject van de professionals die met de Verwijsindex moeten gaan werken. Dit zal worden bezien in relatie tot de ontwikkeling van de Centra voor Jeugd en Gezin. Wel zal ik onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor het stimuleren van het gebruik van richtlijnontwikkeling in de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de Verwijsindex. 5 Welke waarborgen heeft de regering ingesteld om te voorkomen dat het CJG een extra bureaucratische laag in de jeugdzorg wordt? 8 Het is zeker niet de bedoeling dat het Centrum voor Jeugd en Gezin een nieuwe bureaucratische laag in de jeugdzorg wordt. Het Centrum voor Jeugd en Gezin is voor ouders, kinderen én jongeren een herkenbaar en laagdrempelig centraal punt voor opgroeien opvoedvragen, adequate en passende hulp, en coördinatie van die hulp. In het Centrum voor Jeugd en Gezin worden bestaande lokale voorzieningen voor opvoed- en opgroeiondersteuning gebundeld en in onderlinge samenhang aangeboden. In het kader van Opvoeden in de Buurt werken de deelnemende gemeenten en provincies/stadsregio s de komende tijd gezamenlijke voorstellen uit om de werkwijze tussen Centrum voor Jeugd en Gezin en bureau jeugdzorg te stroomlijnen. Deze voorstellen zullen een plaats krijgen binnen het ondersteuningstraject voor gemeenten dat samen met de VNG wordt ingezet bij de ontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin. 6 Wat gaat de regering doen als blijkt dat juist de risicogroepen het CJG gaan mijden? Is de regering voornemens dwang/drang middelen in te zetten als dit gebeurt of gaat de regering uit van een vrijwillige basis? 8 De inrichting van de Centra voor Jeugd en Gezin moet zo laagdrempelig mogelijk zijn zodat ouders en kinderen het Centrum voor Jeugd en Gezin beschouwen als dè plek waar zij met al hun opvoed- en opgroeivragen terecht kunnen. Vrijwilligheid is daarbij het uitgangspunt. De meeste gezinnen zullen zo de weg naar het Centrum voor Jeugd en Gezin vinden, gelet op de dekkingsgraad van 95% voor de consultatiebureaus die in het CJG zullen worden ondergebracht. Als blijkt dat bepaalde gezinnen niet uit zichzelf naar het CJG toekomen kan bemoeizorg worden ingezet met behulp van bijvoorbeeld huisbezoeken. Wanneer er sprake is van zodanige opvoed- en opgroeiproblemen dat de ontwikkeling van het kind wordt bedreigd en de ouders geen hulp accepteren om de problemen op te lossen, dan komt de gezagsbeperkende maatregel van de OTS in beeld. Dit is een mogelijkheid die met name van belang is voor de zogenaamde zorgmijders. Het Centrum voor Jeugd en Gezin kan de situatie melden bij het AMK en/of de Raad voor de Kinderbescherming. Ook anderen, zoals bureau jeugdzorg, de politie, etc., kunnen uiteraard het initiatief nemen een zorgwekkende situatie voor te leggen aan het AMK en de Raad; dit gebeurt ook nu al. Is inderdaad voldaan aan de grond voor de OTS, dan zal de Raad een rekest voor deze maatregel indienen bij de kinderrechter die hierover uiteindelijk een beslissing neemt. 7 Er zullen afspraken met gemeenten worden gemaakt over concrete bijdragen op het terrein B.DOC 8/50

9 van de kindvriendelijke leefomgeving. Welke eisen zullen hieraan gesteld worden? Ik ben in overleg met de VNG om te komen tot samenwerkingsafspraken in het kader van het programma Alle Kansen voor Alle kinderen. Waar het gaat om een kindvriendelijke leef- en woonomgeving ligt een hele duidelijke verantwoordelijkheid bij gemeenten zelf om die te bereiken voor alle jongeren in hun gemeenten. Een belangrijke voorwaarde voor mij is dat jongeren inspraak hebben in hun leef- en woonomgeving. Deze doelstelling is ook opgenomen in mijn programma. In de antwoorden op vragen 3, 91 en 94 ga ik nader in op jongenparticipatie op lokaal niveau. 8 Provincies, gemeenten en verschillende zorgvoorzieningen moeten de komende tijd 9 sluitende afspraken maken en goed samenwerken. Welke eisen worden hieraan gesteld en welke indicatoren worden hiervoor vastgesteld? Aan welke belemmerende wet- en regelgeving moet gedacht worden? In het traject Opvoeden in de buurt is afgesproken dat de betrokken gemeenten en provincies/stadsregio s de komende tijd gezamenlijk voorstellen uitwerken om de werkwijze tussen Centrum voor Jeugd en Gezin en bureau jeugdzorg, tussen gemeentelijk en provinciaal domein, te stroomlijnen. Als het gaat om de zorgvoorzieningen, de professionals, dan is één gezin, één plan de leidraad. Als wettelijke (uitvoerings)regels een betere samenwerking in de weg staan, dan zal bekeken worden in hoeverre aanpassing nodig is. 9 Op welke termijn ontvangt de Kamer meer informatie over de nieuw te ontwikkelen 9 plaatsen in de gesloten jeugdzorg? Om hoeveel plaatsen gaat het en hoe zijn deze plaatsen over de regio's verdeeld? Wordt er rekening gehouden met de leeftijden van de jongeren en welke bedragen zijn ermee gemoeid? Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel gesloten jeugdzorg in de Tweede Kamer d.d. 8 juni 007 ben ik uitvoerig ingegaan op de behoefte aan gesloten jeugdzorg en de opbouw van capaciteit. In de Voortgangsrapportage Jeugdzorg 007 die uw Kamer rond deze tijd zal ontvangen, geef ik schriftelijk weer hoe het staat met de capaciteit en wat er de komende periode nog wordt gerealiseerd. In de Voortgangsrapportage vindt u het aantal plaatsen terug, de verdeling over het land, het aantal plaatsen voor jonge kinderen en in de bijlage bij de rapportage de bedragen die hiermee zijn gemoeid. 30 Wat zijn de gemiddelde kosten van een kind in een gesloten instelling voor jeugdzorg? Wat 9 zijn de gemiddelde kosten van een jongere in de justitiële jeugdinrichting? De nieuwe initiatieven die als experiment zijn gestart met het bieden van gesloten jeugdzorg hebben gemiddeld in per plaats per jaar aan subsidie ontvangen. De justitiële jeugdinrichtingen hebben in 007 gemiddeld per plaats per jaar aan subsidie of bijdrage ontvangen. Beide bedragen zijn exclusief de kosten voor huisvesting. 31 Welk bedrag wordt er gemiddeld besteed aan nazorg voor jongeren die een gesloten instelling verlaten? 9 Na de gesloten jeugdzorg volgt meestal uitstroom naar de provinciale jeugdzorg, dit kan B.DOC 9/50

10 nazorg zijn, maar ook een specifieke geïndiceerde training of ondersteuning. Bovendien loopt de kinderbeschermingsmaatregel na de gesloten plaatsing meestal nog door en houdt de (gezins)voogd toezicht op de jongere. De kosten hiervan zijn niet apart te onderscheiden. 3 Hoe wordt de jeugdparticipatie gemeten bij gemeentes? Welke maatregelen worden getroffen en door wie, indien gemeentes helemaal niets of aantoonbaar te weinig aan jeugdparticipatie doen? 9 Op dit moment wordt jeugdparticipatie nog niet landelijk eenduidig bij gemeenten gemeten. Bedoeling is dat er één indicator wordt ontwikkeld om dat wel te doen. Er zijn nu gesprekken gaande voor de ontwikkeling van een indicator in 008 en vervolgens opname in de landelijke jeugdmonitor en/of in de benchmark voor gemeenten van SGBO. Dit instrumentarium, dat gemeenten een spiegel voorhoudt, samen met het toegankelijk maken van goede voorbeelden op het terrein van jeugdparticipatie (zie ook mijn antwoord op vraag 91) én een jaarlijkse prijs vanaf 008 voor de gemeente die het beste vorm geeft aan jeugdparticipatie zullen de stimulans zijn vanuit de rijksoverheid voor gemeenten om serieus vorm te geven aan jeugdparticipatie. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het vormgeven van jeugdparticipatie blijft conform de bepalingen van de Wet maatschappelijke ondersteuning - bij de gemeente liggen. Het is daarom aan de gemeenteraad om te bepalen of maatregelen moeten worden getroffen als gemeenten helemaal niets of aantoonbaar te weinig aan jeugdparticipatie doen. 33 Is de drie procent speelruimtenorm in wijken verplicht bij nieuw te ontwikkelen wijken? Hoe gaat de minister bevorderen dat gemeenten zich aan die norm houden? Wat zijn van de gevolgen van deze controle voor de administratieve lasten voor de gemeenten? Hoe wordt dit beleid aangestuurd? Wie is verantwoordelijk, de minister voor Wonen en Integratie of de minister voor Jeugd en Gezin? 9 De speelruimtenorm van drie procent is een richtgetal. In mijn brief van 17 juli 007 heb ik mede namens mijn collega s van VROM en WWI aangegeven waarom de speelruimtenorm niet verplicht is en hoe gemeenten worden gestimuleerd om de 3 procent als richtgetal bij nieuw te ontwikkelen wijken voor buitenspeelruimte te reserveren. Daarvóór heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) op 14 april 006 een beleidsbrief buitenspeelruimte aan alle gemeenten gezonden ter nadere uitwerking van de Nota Ruimte op dit punt. Om het omgaan van gemeenten met deze norm en met het uitgebrachte handboek speelruimtebeleid te monitoren is dit jaar een nulmeting uitgevoerd waarvan de conclusies binnenkort beschikbaar komen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een integraal speelruimtebeleid waarvan de speelruimtenorm onderdeel uitmaakt. Gelet op deze gedecentraliseerde verantwoordelijkheid hebben gemeenten zelf het het beste zicht op de bijkomende administratieve lasten. Vanuit het kabinet ligt er een verantwoordelijkheid voor dit onderwerp bij de minister van VROM, gezien haar verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ordening, de minister voor WWI, gezien haar verantwoordelijkheid voor de inrichting van de leefomgeving, en bij mij, gezien mijn verantwoordelijkheid voor goed jeugdbeleid. Het is om die reden dat ik mede namens beide andere ministers eerder ons standpunt ten aanzien van de speelruimtenorm heb aangegeven. 34 Behoort een wijziging op het gebied van de verschillende financieringsstromen ook tot de mogelijkheden om de samenwerking tussen provincie, gemeente en de verschillende zorgvoorzieningen te verbeteren? 9 In 008 worden de middelen die voor het lokale jeugdbeleid aan gemeenten ter B.DOC 10/50

11 beschikking worden gesteld gebundeld in een brede doeluitkering. Wanneer er een landelijk dekkend netwerk van Centra voor Jeugd en Gezin is, dan wordt de brede doeluitkering als decentralisatie-uitkering aan het Gemeentefonds toegevoegd. De mogelijkheden tot bundeling van de geldstromen voor de provinciaal gefinancierde jeugdzorg enerzijds en voor de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten anderzijds, zal ik zorgvuldig nagaan. Daarnaast brengt de overheveling van de zorg aan civielrechtelijk geplaatste jeugdigen van de Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen naar de Wet op de jeugdzorg met zich mee dat er één financieel (en wettelijk) kader ontstaat voor jeugdigen met zeer ernstige gedragsproblemen. Overigens werken in het kader van Opvoeden in de Buurt de deelnemende gemeenten en provincies/stadsregio s gezamenlijke voorstellen uit om de samenwerking tussen Centrum voor Jeugd en Gezin en bureau jeugdzorg, tussen gemeentelijk en provinciaal domein, te stroomlijnen. 35 Welke maatregelen treft de minister om de kennis bij bestuurders, professionals en overheden over waar de zorg aan kinderen en gezinnen aan moet voldoen om een adequaat en toereikend zorgaanbod en zorgvoorzieningen te ontwikkelen? Welke eisen worden gesteld aan de kennis over dit onderwerp bij bestuurder en overheden? 9 Ouders en kinderen moeten ervan op aan kunnen dat ze goede en effectieve zorg krijgen: zorg die werkt. Hierdoor kunnen ook meer kinderen en gezinnen beter geholpen worden, anders blijft het dweilen met de kraan open. De jeugdzorg heeft de afgelopen tijd een forse inhaalslag ingezet. Ik ondersteun dit met kracht: Snelle en effectieve hulp en Professionalisering zijn belangrijke prioriteiten in mijn beleidsprogramma Alle kansen voor alle kinderen. Vanuit mijn verantwoordelijkheid zet ik in op het vergroten van kennis over wat wel en wat niet werkt in de jeugdzorg. Binnen het overkoepelende programma Zorg voor jeugd van ZonMw wordt gewerkt aan kennisontwikkeling voor professionals om de psychische en sociale ontwikkeling van jeugd te bevorderen en veilig te stellen waar deze ontwikkeling wordt bedreigd. Deze kennis wordt door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) bekend gemaakt via de databank De databank bevat de oordelen van de erkenningscommissie jeugdinterventies i.o. Hiermee wordt het spreekwoordelijke gereedschapskistje van de professional verder gevuld. De sector zelf heeft effectief werken ook als prioriteit benoemd. Met mijn brief van 8 september jl. (DJB-79473) heb ik u het actieplan Professionalisering in de jeugdzorg toegezonden. Het is een gezamenlijk actieplan van de sector zelf (beroepsverenigingen, de MOgroep, de HBO-raad en het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg, met medewerking van het Nederlands Jeugdinstituut en MOVISIE). 36 Hoe ziet de minster toe op de opleiding van gezinsvoogden en psychologisch en pedagogisch personeel en alle medewerkers bij de Centra voor Jeugd en Gezin? 9 Voor wat betreft de gezinsvoogdijwerkers is voorzien in een opleidingsplan voor de scholing in de Deltamethode, de nieuwe methode voor de uitvoering van ondertoezichtstellingen. Eind 008 zullen alle gezinsvoogdijwerkers in de nieuwe methode zijn geschoold. Dit is vastgelegd in een convenant dat op is afgesloten tussen de rijksoverheid, de provincies en grote steden, en de bureaus jeugdzorg. Het gezinsvoogdijwerk is bovendien meegenomen in het actieplan Professionalisering in de jeugdzorg, dat ik op 8 september jl. aan de Tweede Kamer heb aangeboden. De focus van dat plan ligt bij de sociaal-agogische beroepen in de jeugdzorg in brede zin: van de lokale jeugdzorg (Centra voor Jeugd en Gezin) tot en met de (gesloten) jeugdzorg en de justitiële jeugdzorg. Ontwikkeling van een beroepenstructuur (wat moet je kennen en kunnen om in de jeugdzorg te werken) en verbetering van de aansluiting van de initiële opleidingen op de beroepspraktijk, maken deel uit van dit plan. Zie ook het antwoord op vraag B.DOC 11/50

12 37 Hoe wordt de bureaucratie voor gezinsvoogden verminderd? 9 In het convenant verlaging caseload gezinsvoogdij dat in januari van dit jaar werd afgesloten met de provincies/grootstedelijke regio s en de bureaus jeugdzorg is afgesproken dat de bureaus jeugdzorg zoveel mogelijk in onderlinge afstemming zorgen voor vermindering van administratieve lasten in de uitvoering door een gezinsvoogd teneinde de cliëntcontacttijd hierdoor te vergroten. Ingevolge het convenant hebben de provincies hiertoe afspraken gemaakt met de bureaus jeugdzorg en houden zij toezicht op de realisatie ervan. Afgesproken is dat de provincies hierover aan het Rijk zullen rapporteren in het uitvoeringsprogramma 008. Ik verwacht de uitvoeringsprogramma s binnenkort te ontvangen. Ook het tijdens het spoeddebat op 6 september door mij aangekondigde actieplan (zie het antwoord op vraag 45) zal ingaan op de vraag hoe de bureaucratie bij de bureaus jeugdzorg en dus ook bij de gezinsvoogdijwerkers, kan verminderen. 38 Welke maatregelen gaat de minister nemen om de veiligheidssituatie in de justitiële jeugdinrichtingen op korte termijn te verbeteren? 9 De Staatssecretaris van Justitie is primair verantwoordelijk voor de justitiële jeugdinrichtingen. Naar aanleiding van een onderzoek door de Inspecties Jeugdzorg, Inspectie van het Onderwijs, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie voor de Sanctietoepassing (alsmede met inbreng van de Arbeidsinspectie), heeft de Staatssecretaris van Justitie, mede namens mij en de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mw. Dijksma, uw Kamer bij brief van 10 september 007 (TK, en 8 741, nr. 3) de resultaten van dat onderzoek doen toekomen. Zij heeft u tevens geïnformeerd over reeds genomen en nog te nemen maatregelen. Kort daarna is tevens een rapport verschenen van de Algemene Rekenkamer Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen. Naar aanleiding van dat rapport heeft de Staatssecretaris van Justitie u bij brief van 4 oktober jl. (TK, 31 15, nr. 3) geïnformeerd. In antwoord op uw vragen wil ik u daarnaar verwijzen. Op 1 november a.s. heeft Uw Kamer een algemeen overleg gepland met de Staatssecretaris van Justitie waarin over genoemde brieven nader van gedachten wordt gewisseld. 39 Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat kinderen in een justitiële jeugdinrichting direct de juiste hulp en behandeling krijgen? 9 Zie antwoord op vraag Hoe gaat de minister bevorderen dat alle kinderen die een justitiële jeugdinrichting verlaten 9 de juiste nazorg krijgen? Zie antwoord op vraag Hoe is de financiering van onafhankelijke vertrouwenspersonen geregeld voor de nieuwe gesloten jeugdinrichtingen? 9 De financiering van de onafhankelijke vertrouwenspersonen is op grond van de Wet op de jeugdzorg een provinciale verantwoordelijkheid. Voor de nieuwe gesloten jeugdinrichtingen B.DOC 1/50

13 wordt dit langs dezelfde lijn geregeld, bij de reeds lopende initiatieven is dit al op deze wijze geregeld. 4 Wat is volgens de regering de meerwaarde van het grotendeels door de provincie laten uitvoeren van de zorgvoorzieningen in de jeugdzorg? Is de regering van plan de meerwaarde uitvoering door de provincies in deze kabinetsperiode te evalueren? 9 Een eerste evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg - waarin de huidige rol van provincies prominent is vastgelegd is vorig jaar al uitgevoerd naar aanleiding van de motie Soutendijk. Uit deze evaluatie blijkt dat veel van de knelpunten in de jeugdzorg op te lossen zijn binnen het huidige stelsel, door het stelsel beter te stroomlijnen. Hier wil ik de komende periode dan ook prioriteit aan geven. Zoals reeds in het bestuursakkoord met de gemeenten is aangekondigd, ben ik van plan om medio 009 met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de balans op te maken over de ontwikkeling ten aanzien van de stroomlijning van de jeugdzorgketen en daarbij te bezien of nadere afspraken moeten worden gemaakt. Vòòr 010 zal de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet op de jeugdzorg op grond van artikel 110 van deze wet plaatsvinden. 43 In het geval dat ouders hulp niet accepteren welke maatregelen heeft de minister dan concreet voor ogen om de hulp dwingend op te leggen? Kan de minister een aantal praktijkvoorbeelden noemen van dwangmaatregelen via de Kinderbescherming? 9 De mogelijkheden om de benodigde hulp dwingend op te kunnen leggen, zijn de kinderbeschermingsmaatregelen (voorlopige) ondertoezichtstelling en een schorsing van c.q. ontheffing of ontzetting uit het gezag, gevolgd door een (voorlopige) voogdij. Zo moet bij ernstige opvoedingsproblemen in eerste instantie gedacht worden aan inzet van hulp thuis, bij het gezin waar het kind wordt opgevoed via een ondertoezichtstelling. Is dat niet mogelijk of niet veilig genoeg voor het kind, dan zal tegelijk met de ondertoezichtstelling ook een machtiging voor de uithuisplaatsing worden gevraagd. Dan zal met de ouders en het kind gewerkt worden aan terugplaatsing in het gezin zodra dat verantwoord is voor het kind en er zicht op is dat de ouder(s) de verantwoordelijkheid weer zelf zal/zullen kunnen gaan dragen. Is dat vooruitzicht er niet, dan zal uiteindelijk het gezag bij de ouders worden weggenomen en zal in de voogdij van het kind worden voorzien. Een ander voorbeeld waarin gebruik wordt gemaakt van het dwangmiddel ondertoezichtstelling c.q. schorsing van het ouderlijk gezag is de situatie waarin de ouders geen toestemming geven voor een medische behandeling waarvan het belangrijk is dat het kind die behandeling ondergaat. Ook bij (acute) noodsituaties zoals (dreigend) slachtofferschap van loverboys kan de rechter gevraagd worden snel een maatregel op te leggen om het slachtoffer gesloten te kunnen plaatsen om weglopen en contact met de loverboy te voorkomen. In situaties waarin geen gezag is geregeld, zal de rechter op aangeven van de Raad voor de Kinderbescherming in de voogdij voorzien, zodat een instelling of een natuurlijk persoon alle verantwoordelijkheden voor de zorg voor het kind op zich kan nemen. 44 De caseload van gezinsvoogden zal worden verminderd. Wat bedoelt de minister met een 9 lagere caseload voor gezinsvoogdijwerkers na 008? Op welke wijze wordt dit gefinancierd en waar is dit terug te vinden in de begroting? Wat is de werklast van gezinsvoogden? Waar blijkt uit dat de werklast te hoog is? Hoeveel geld is er beschikbaar om de werklast per gezinsvoogd te verlagen naar 15 cases per FTE? Wanneer krijgt de Kamer informatie of dit streefcijfer ook is gehaald? Kan de minister aangeven hoeveel kinderen er gemiddeld tot de caseload van een voogdijwerker behoren in het jaar 009, 010 en in 011? zijn de doelstellingen gewijzigd? Zo ja, hoe luiden die doelstellingen nu? Klopt het dat op dit moment gezinsvoogden een gemiddelde caseload van 17,5 hebben? Hoe verhoudt dat zich tot de verhalen en signalen dat voogden vaak meer dan B.DOC 13/50

14 kinderen onder hun hoede hebben? Op dit moment wordt de Deltaplanmethodiek bij de gezinsvoogdij geïmplementeerd. Eén van de onderdelen van deze methodiek is een caseloadverlaging naar gemiddeld 1:15, waardoor gezinsvoogden meer tijd krijgen voor direct contact met de jongere en zijn omgeving. Op 5 januari jl. is het convenant verlaging caseload gezinsvoogdij afgesloten met de provincies/gsr s en de bureaus jeugdzorg. In dit convenant verplichten de directeuren BJZ en gedeputeerden jeugdzorg zich ertoe, elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, zorg te dragen dat de gezinsvoogden uiterlijk eind 007 werken met een gemiddelde caseload van 1:17,5 voor de uitvoering van ondertoezichtstellingen. Deze verlaging is de opmaat naar een gemiddelde caseload van 1:15 eind 008 als het Deltaplan gezinsvoogdij landelijk volledig is ingevoerd. Provincies dienen uiterlijk 1 maart 008 verantwoording af te leggen over de behaalde resultaten. Het resultaat wordt gemeten door a) de gerealiseerde caseload per 31 december 007 en b) de waardering van de werklast/caseload door de gezinsvoogdijwerkers. Ik zal u hierover voor de zomer van 008 informeren. Op de begroting van Jeugd en Gezin (artikel 3.) is vanaf 008 structureel een bedrag beschikbaar van ca. 15 miljoen voor verlaging van de caseload naar 15 cases per FTE. Daarnaast is vanaf 009 jaarlijks een bedrag gereserveerd van 9 miljoen voor het Deltaplan, dit bedrag staat op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën. Besluitvorming hierover vindt plaats bij Voorjaarsnota. Voor de voogdijwerkers (dus niet de gezinsvoogdij) ligt de gemiddelde caseload 1:6 ten grondslag aan de bekostiging. Op dit moment wordt ook voor de uitvoering van de voogdijen gewerkt aan een nieuwe methodiek. Pas wanneer deze afgerond is, kan bepaald worden of deze nieuwe methodiek effect zou moeten hebben op de caseload van een voogdijwerker. 45 Hoe is de minister van plan de bureaucratie te verminderen? 9 Tijdens het spoeddebat jeugdzorg van 6 september jongstleden, heb ik u aangekondigd dat ik voor de begrotingsbehandeling met een actieplan zal komen om de bureaucratie te verminderen. Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar dit actieplan dat momenteel wordt opgesteld en dat u vóór de begrotingsbehandeling van mij zult ontvangen. 46 Wanneer kan het programma ingericht ter bestrijding van de jeugdcriminaliteit tegemoet worden gezien? 0 Een brief over het plan van aanpak jeugdcriminaliteit zal voor de begrotingsbehandeling van het ministerie van Justitie aan Uw Kamer worden gestuurd. Met deze brief zal Uw Kamer geïnformeerd worden over de acties die het Kabinet deze Kabinetsperiode zal uitvoeren in het kader van het verder terugdringen van de jeugdcriminaliteit. 47 Waarom wordt er met hernieuwde kracht een programma ingericht ter bestrijding van jeugdcriminaliteit als onderdeel van "Veiligheid begint met voorkomen"; waarin verschilt dit programma met het eerdere programma en wanneer kan de Kamer dit programma tegemoet zien? 0 De aanpak van jeugdcriminaliteit is een van de prioriteiten van het Kabinet. Het Kabinet stelt zich daarbij ten doel om de recidive onder jongeren met 10%-punt te verlagen. Om deze reductie te kunnen realiseren is een slagvaardige aanpak noodzakelijk. Daarom is er B.DOC 14/50

15 voor gekozen om de aanpak van jeugdcriminaliteit wederom in een programma onder te brengen. Uw Kamer zal voor de behandeling van de begroting van Justitie hierover door de minister van Justitie worden geïnformeerd. 48 Waarom is de behandeling van kinderen die slachtoffer van kindermishandeling zijn geworden geen kerndoel? 0 De behandeling van slachtoffers van kindermishandeling is wel degelijk een kerndoel. In het actieplan aanpak kindermishandeling van 5 juli jl. wordt uitgegaan van vier kerndoelen: voorkomen, signaleren, stoppen en schadelijke gevolgen beperken. Dat laatste kerndoel wordt bereikt door zorg aan mishandelde kinderen te verlenen. 49 Is de scholing in de campussen mogelijk op ieder niveau van het middelbare onderwijs? Dus ook op HAVO/VWO-niveau? Kan de minister garanderen dat kinderen ook met een HAVO/VWO-diploma de campus kunnen verlaten? 0 Zoals ik samen met de Minister van Justitie heb aangegeven in de brief van 7 september jl. (TK, , , nr. ) werkt het kabinet de komende jaren, mede aan de hand van pilotprojecten, aan de precieze invulling van onder andere het inhoudelijke programma van de campussen. Uitgangspunt van deze pilots is dat jongeren lange dagen binnen de voorzieningen doorbrengen, zodat ze wennen aan een werkritme en weinig tijd over houden om te vervallen in ongewenste gedragingen. Bovendien krijgen ze in een aantal pilot projecten zo (alsnog) de gelegenheid een startkwalificatie of diploma te behalen, hetgeen hun kansen op de arbeidsmarkt vergroot en de kans op ongewenst gedrag verkleint. Aan de hand van het evaluatieonderzoek werkt het kabinet aan de verdere vormgeving van de campussen. Het zal die elementen overnemen die het meest succesvol en effectief blijken te zijn. Scholing zal een onderdeel uitmaken van de campussen. Daarbij zal nog gekeken worden naar de vorm en het niveau van scholing. Voor de precieze invulling zal ik nog met nadere voorstellen komen. 50 Hoe denkt de minister te voorkomen dat kinderen met een persoonlijkheidsstoornis ontsporen, criminaliseren en eventueel recidiveren? 0 Bij kinderen kan nog niet echt worden gesproken van een persoonlijkheidstoornis, omdat de persoonlijkheid nog in ontwikkeling is. Een persoonlijkheidsstoornis ontstaat na een langjarig proces waarin diverse soorten risicofactoren elkaar versterken. Daarbij speelt waarschijnlijk genetische aanleg een rol, in combinatie met omgevingsfactoren zoals bijvoorbeeld het gebrek aan toezicht door de ouders en mishandeling. Naarmate er bij kinderen meer van zulke risicofactoren aanwezig zijn, is de kans groter dat zij een gedragsstoornis ontwikkelen. De gedragsstoornis kan vervolgens weer een voorloper zijn van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis. Om te voorkomen dat kinderen een persoonlijkheidstoornis ontwikkelen, ontsporen en/of criminaliseren is het dus belangrijk om in een vroeg stadium gedragsproblemen te herkennen en aan te pakken. Het huidige beleidsprogramma van de Minister voor Jeugd en Gezin kent daarom onder andere als uitgangspunt dat er een omslag moet komen naar preventief werken: problemen moeten eerder worden opgespoord en worden aangepakt. Het Bureau Jeugdzorg speelt hierbij een belangrijke rol, net als de in ontwikkeling zijnde Centra voor Jeugd en Gezin, de Verwijsindex Risicojongeren, het Electronisch Kinddossier en de uitbreiding voor gesloten capaciteit voor kinderen met gedragsproblemen. 51 Hoe lang is de gemiddelde doorlooptijd voor een onderzoek bij het AMK op dit moment? Hoe wordt de doorlooptijd voor een onderzoek bij het AMK teruggebracht? B.DOC 15/50

16 In september heb ik de AMK-beleidsinformatie over het tweede kwartaal van 007 ontvangen. Gebleken is dat de gemiddelde landelijke doorlooptijd van het moment van melding tot het einde van het onderzoek constant is gebleven. In het eerste kwartaal van 007 was het landelijk gemiddelde 78 dagen en in het tweede kwartaal was dit 77 dagen. Dertien weken voor een onderzoek naar kindermishandeling is te lang, maar daartegenover staat dat een onderzoek ook zorgvuldig uitgevoerd moet worden. Ik zal afspraken maken met de MOgroep en het IPO over de nieuwe maximumtermijn voor een AMK-onderzoek die dan ook in het Uitvoeringsbesluit bij de Wet op de jeugdzorg zal worden vastgelegd. Bij het bepalen van de termijn wordt rekening gehouden met de huidige situatie, waarbij er AMK s zijn die een gemiddelde doorlooptijd van acht weken kennen. Daarnaast wordt het besluit hierover in samenhang bezien met de doorlooptijden die uit de Pilots Beter Beschermd naar voren komen. 5 Na een publiekscampagne, zoals gepland in 008, neemt doorgaans de werklast voor hulpverleners ook toe. Hoe wordt hier op geanticipeerd en welke maatregelen zijn voorzien 0 om zaken vlot te kunnen behandelen? In het actieplan is rekening gehouden met extra meldingen, daarom is extra geld uitgetrokken voor de AMK-functie van de Bureaus Jeugdzorg en voor de Raad voor de Kinderbescherming. Daarnaast is het de bedoeling om bij de AMK-functie te komen tot een nieuwe manier van financieren zodat tijdig op de extra vraag ingespeeld kan worden. 53 Is behalve betere communicatie, een structurele vermindering van het aantal betrokken partijen in de Jeugdhulpverlening een doel voor dit kabinet? 0 Een structurele vermindering van het aantal betrokken partijen is op dit moment geen doel van het kabinet, dat impliceert immers een stelselwijziging. 54 Hoe groot is de groep jongeren die aan de kant staan? Hoe ziet deze groep eruit qua etniciteit en sociaal economische status van het gezin waar zij uit komen? 0 Zoals ik aangegeven heb in het Algemeen Overleg van donderdag 11 oktober jl. is op dit moment niet precies in te schatten hoeveel jongeren geholpen zullen worden met de campussen. Velen van hen kunnen en zullen ook op een andere manier geholpen worden. Het kabinet zal voor de zomer van 008 aangeven welk type jongeren in de pilot projecten daadwerkelijk een plek hebben gekregen. 55 Zijn er hiaten in de hulpverleningregelingen tussen 18 en 3 jaar in relatie tot jeugdzorg en jeugdcriminaliteit? Kan de minister van alle leeftijdsgerelateerde regelingen op dit gebied 0 een overzicht geven. De leeftijdsgrenzen in de Wet op de jeugdzorg zijn: Voortzetting van jeugdzorg is mogelijk tot 3 jaar, mits de jeugdzorg is geïndiceerd vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar Hervatting van jeugdzorg is mogelijk tot de leeftijd van 3 jaar, binnen 6 maanden na de beëindiging van de zorg die vóór het bereiken van 18 jaar is geïndiceerd NB: het gaat hier om hulp in het vrijwillige kader. Gesloten jeugdzorg in het kader van een ondertoezichtstelling kan op dit moment niet worden voortgezet na het bereiken van de meerderjarige leeftijd van 18 jaar. Bij de Eerste Kamer ligt een voorstel voor wijziging van de Wet op de jeugdzorg die het mogelijk maakt B.DOC 16/50

17 gesloten jeugdzorg voort te zetten tot 1 jaar. Het jeugdstrafrecht is van toepassing op de jongere die ten tijde van het plegen van het delict de leeftijd van 1 jaar, maar nog niet 18 jaar heeft bereikt. Vanaf 18 jaar is het volwassenenrecht van toepassing. In bijzondere omstandigheden (gelegen in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan) kan de rechter het jeugdstrafrecht toepassen op degene die ten tijde van het plegen van het delict de leeftijd van 18 jaar, maar nog niet van 1 jaar heeft bereikt. Met toepassing van deze criteria zijn de leeftijdsgrenzen in het Wetboek van Strafrecht: Jeugdreclassering Hulp en Steun: oplegging door de rechter is mogelijk in die gevallen waarin jongeren ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt, met In bijzondere omstandigheden een uitloop naar 1 jaar. Jeugdreclassering Scholings- en trainingsprogramma (STP) en proefverlof: als extramurale fase van de tenuitvoerlegging van jeugddetentie of pij-maatregel reclasseringstoezicht bij voorwaardelijke veroordelingen. Bij de Eerste Kamer is het wetsvoorstel Gedragsbeïnvloeding jeugdigen aanhangig. Met dit wetsvoorstel wordt de mogelijkheid geboden nazorg in gedwongen kader op te leggen. 56 De minister stelt 97 mln. beschikbaar om aan een groeiende behoefte aan jeugdzorg te voldoen. Hoe verklaart de minister de toegenomen vraag en hoe voorziet hij de ontwikkeling in de komende 5 jaar? 0 Vele factoren spelen een rol en werken op elkaar in. Het meest complete overzicht van de oorzaken staat in een onderzoeksrapport van TNO. De minister van SZW stuurde dit op 8 september jl. naar de Kamer als bijlage bij het kabinetstandpunt over participatie van jongeren met een beperking. Het rapport handelt over het toenemende gebruik van jeugdzorg en andere geïndiceerde voorzieningen voor jongeren en geeft een overzicht van de oorzaken van het toegenomen gebruik van diverse regelingen. De belangrijkste conclusies van TNO zijn als volgt samen te vatten: Alle regelingen waarover gegevens beschikbaar zijn, laten een groei zien (o.a. speciaal onderwijs, provinciale jeugdzorg, jeugd-ggz, TOG en Wajong) hoger dan de groei van het aantal jongeren. TNO concludeert dat niet aangetoond kan worden dat er sprake is van een toename van stoornissen bij jeugdigen. Er is wel een meer systematische en eerdere signalering van stoornissen en een toename van kennis en alertheid op afwijkend gedrag. Maatschappelijke ontwikkelingen zoals de steeds hogere eisen van samenleving en het onderwijs leiden bij kwetsbare jongeren sneller tot problemen. Ten aanzien van de jeugd-ggz is er sprake van onderconsumptie en toenemende behandelduur. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat verschillende zorgtypen (ambulant, deeltijd, klinisch) na elkaar worden ingezet. Er is een toename in gebruik als gevolg van uitbreiding van de doelgroep en betere bekendheid van specifieke regelingen. Hoe de vraag naar jeugdzorg zich de komende periode zal ontwikkelen kan ik op dit moment niet voorspellen. Om hier meer zicht op te krijgen ontwikkelt het SCP een ramingsmodel waarmee op grond van sociale, economische en demografische variabelen, B.DOC 17/50

18 de vraag naar jeugdzorg geraamd kan worden. 57 Zijn de risicofactoren van jeugdcriminaliteit bekend? Hoe groot is de groep criminele jongeren? Hoe ziet deze groep eruit qua etniciteit en sociaal economische status van het gezin waar zij uit komen? 0 De bestrijding van jeugdcriminaliteit valt onder de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. De minister van Justitie zal u dit najaar nader informeren over zijn plannen hieromtrent. Voor het antwoord op de vraag over risicofactor verwijs ik u naar vraag Op welke risicofactoren wordt geduid als het om de ontwikkeling van crimineel gedrag gaat? Worden daar eensluidende kenmerken voor gebruikt? Kan het in de praktijk gebeuren dat de ene gemeente eerder drang gaat toepassen dan de andere? Aan welke maatregelen moet bij drang gedacht worden? De risicofactoren voor crimineel gedrag (veelal aangeduid als criminogene factoren) zijn onder andere: minder ontwikkelde cognitieve en sociale vaardigheden, agressie, alcoholen drugsgebruik, omgaan met seksualiteit, tegenvallende prestaties op school of werk, financieel problematische situatie, huisvesting en woonomgeving, gezinssituatie, leeftijdsgenoten en vrijetijdsbesteding. De vraag over de toepassing van drang is van andere orde. Het is de vrijheid van de gemeente om te bepalen wanneer zij haar toekomende bevoegdheden gaat inzetten. Dat zal mede afhankelijk zijn van de lokale problematiek en/of het individuele geval. Zo kan het dus inderdaad gebeuren dat de ene gemeente eerder overgaat tot inzet van drang dan de andere. Bij maatregelen bij drang kan onder andere gedacht worden aan meer inzet van politie in bepaalde wijken, meer vasthoudend optreden van een hulpvelener richting ouders, actiever beleid ten aanzien van het aanbieden van opvoedingsondersteuning en meer doorverwijzen van zaken naar bureau jeugdzorg of raad voor de kinderbescherming. 59 Waar bestaat de drang bij niet mee willen werken aan opvoedondersteuning of (jeugd)zorg uit? In de eerste plaats gaat het om zogheten outreachende hulpverlening. Bij deze sterk naar buiten gerichte wijze van hulpverlening worden gezinnen bezocht waarbij hulp en diensten actief worden aangeboden. Vrijwilligheid blijft hierbij voorop staan. Bemoeizorg gaat nog een stap verder. Daarbij blijft de hulpverlener vasthouden en aandringen, ook als ouders niet willen. Of er ook nog verdergaande stappen gezet worden hangt mede af van de keuzes die gemeenten maken bij de uitvoering van hun lokale jeugdbeleid. Verplichte opvoedondersteuning wordt alleen aangeboden langs de weg van de Ondertoezichtstelling (OTS). In het kader van de OTS kan opvoedingsondersteuning vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin worden ingezet. 60 Hoe gaan ouders gemotiveerd worden voor opvoedingsondersteuning en deelname aan vormen van (jeugd)zorg? Door wie vindt deze motivatie plaats en wie is verantwoordelijk voor het motiveren van ouders? Hoe wordt gecontroleerd of ouders voldoende gemotiveerd zijn? Welke mogelijkheden hebben ouders om de gang van zaken aan te vechten? En bij wie kunnen zij voor ondersteuning terecht? Wat zijn de rechten van kinderen in deze? Ouders kunnen voor al hun vragen op het terrein van opgroei- en opvoedondersteuning terecht bij de Centra voor Jeugd en Gezin (in 011 is er een landelijk dekkend netwerk van Centra voor Jeugd en Gezin). De centra voor Jeugd en Gezin vormen laagdrempelige B.DOC 18/50

19 inlooppunten in de buurt. Ouders gaan hier vrijwillig heen. Een van de taken van bureau jeugdzorg is het outreachend werken naar gezinnen en jongeren op basis van signalen van derden. Bureau jeugdzorg zoekt daarbij actief contact met het gezin. Daarbij kan hulpverlening op gang gebracht worden bij jongeren en gezinnen die niet zelf om hulp vragen. Het is aan het bureau jeugdzorg de cliënten te motiveren tot deelneme aan jeugdzorg. De motivatie blijkt in het algemeen uit de deelname aan en het resultaat van de hulpverlening. Ouders en kinderen werken vrijwillig mee aan deze vorm van ondersteuning en zorg. Ondersteuning en bijvoorbeeld klachtrecht zijn derhalve niet aan de orde. Bij onvoldoende motivatie kan een maatregel van kinderbescherming aan de orde zijn. 61 Hoe groot is het personeelstekort in de jeugdzorg op dit moment? Het aantal vacatures in de jeugdzorg ligt momenteel op circa Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de professionals minder tijd aan papier en meer tijd aan de kinderen en gezinnen die dat nodig hebben gaan besteden? Tijdens het spoeddebat jeugdzorg van 6 september jongstleden, heb ik u aangekondigd dat ik voor de begrotingsbehandeling met een actieplan zal komen om de bureaucratie te verminderen. Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar dit actieplan dat momenteel wordt opgesteld en dat u vòòr de begrotingsbehandeling van mij zult ontvangen. 63 De regering is voornemens campussen op te zetten voor jongeren die niet willen werken of leren. Is de regering echter ook voornemens om de ouders van minderjarige jongeren (gedeeltelijk) verantwoordelijk te houden voor het gedrag van hun kinderen? Zo nee, waarom niet? Waartoe dienen de campussen? Zijn het centra voor arbeids- of leerbemiddeling of zijn het centra voor jongeren met licht crimineel gedrag wel of niet veroorzaakt door externe factoren? Komen er twee soorten campussen, gezien de slechte ervaringen met het gecombineerd opvangen van niet criminele jongeren met veroordeeld jongeren? Zoals ik heb aangegeven in het Algemeen Overleg met de kamer op 11 oktober jl. wil het kabinet via campussen perspectief bieden aan jongeren zonder zicht op opleiding of baan die dreigen af te glijden naar maatschappelijk ongewenst gedrag, voor zover die met de gebruikelijke instrumenten niet bereikt worden. Het kabinet wil daarnaast blijven inzetten op verbetering van bestaande stelsels, zodat het zenden van jongeren naar een campus een ultimum remedium blijft. Het verdient namelijk verreweg de voorkeur om jongeren via het reguliere onderwijs «bij de les» te houden, al dan niet in combinatie met werk. Het opzetten van campussen levert daarmee ook een bijdrage aan het project «Veiligheid begint bij voorkomen» (VbbV). Dit project, dat onderdeel is van pijler 5 van het beleidsprogramma van de regering («Veiligheid, stabiliteit en respect»), richt zich op het substantieel verminderen van criminaliteit en overlast. De campussen zijn overigens niet bedoeld voor detentie van veroordeelde jeugdigen. Daar zijn justitiële inrichtingen voor. Aan de hand van de gestarte pilotprojecten en het daaraan gekoppelde evaluatieonderzoek werkt het kabinet aan de verdere vormgeving van de campussen. Het zal die elementen overnemen die het meest succesvol en effectief blijken te zijn. Het kabinet zal bij de nadere uitwerking van de campussen ook kijken wat de beste manier is om in voorkomende gevallen de gezinssituatie te betrekken bij het creëren van een nieuw perspectief om te gaan leren, werken of een combinatie hiervan. De gezinssituatie is uiteraard van belang in het voorkomen van onwenselijke gedrag. Ingevolge de Leerplichtwet zijn ouders er bijvoorbeeld medeverantwoordelijk voor dat hun minderjarige leerplichtige kinderen niet ongeoorloofd van school verzuimen. Als dergelijk verzuim B.DOC 19/50

20 (mede) aan hen te wijten is, kan de kantonrechter aan de ouders een straf opleggen. 64 De regering wil het tucht- en toetsrecht in de jeugdzorg gaan aanscherpen. Wat zullen hiervan de gevolgen zijn voor de mogelijke juridische vervolging van jeugdzorgverleners? Een volwassen beroepsgroep hoort een zelfreinigend systeem te hebben. Een eigen tuchtrecht dus. Tuchtrecht maakt onderdeel uit van het actieplan Professionalisering in de jeugdzorg dat door mij is aangeboden aan uw Kamer (zie mijn brief van 8 september jl., DJB-79473). Het is een gezamenlijk actieplan van de sector zelf (beroepsverenigingen, de MOgroep, de HBO-raad en het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg, met medewerking van het Nederlands Jeugdinstituut en MOVISIE). Een goed functionerend tuchtrecht kan bijdragen aan het voorkomen van strafbaar gedrag. Het schept ook duidelijkheid voor de individuele hulpverlener en biedt waarborgen voor cliënten. Professionals werken volgens de afgesproken standaarden met bewezen effectieve methoden en kunnen het eigen handelen zonodig ook gemakkelijker verantwoorden. Het Openbaar Ministerie blijft natuurlijk een eigen rol houden. Maar door tuchtrecht is het Openbaar Ministerie niet de enige instantie die zich bezighoudt met mogelijk verwijtbaar handelen van professionals. 65 Hoe wordt bewerkstelligd dat er minder tijd aan papier wordt besteed? Welke maatregelen treft de minister om te zorgen dat alle criminele jongeren in de jeugdgevangenis scholing krijgen? Welke maatregelen treft de minister om te bewerkstelligen dat alle criminele jongeren na ontslag uit de jeugdgevangenis nazorg ontvangen? Hoe ziet deze nazorg eruit? Tijdens het spoeddebat jeugdzorg van 6 september jongstleden, heb ik u aangekondigd dat ik voor de begrotingsbehandeling met een actieplan zal komen om de bureaucratie te verminderen. Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar dit actieplan dat momenteel wordt opgesteld en dat u vóór de begrotingsbehandeling van mij zult ontvangen. Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag, verwijs ik u naar het antwoord op vraag Wat zijn de concrete streefcijfers bij doelstelling 30 en 31? Wanneer worden jeugdigen en hun ouders goed en snel ondersteund? Hoeveel sneller kunnen kinderbeschermingsmaatregelen worden ingezet? Het streven is dat alle gemeenten in 011 een centrum voor Jeugd en Gezin bezitten. Hiermee kunnen in 011 jeugdigen en hun ouders snel en goed worden ondersteund (doelstelling 30). Wat betreft doelstelling 31 is het de bedoeling dat de sector de normen voor maximale wachttijden in de geïndiceerde jeugdzorg, die nu maximaal negen weken is, tegen het licht houden en nieuwe lagere normen vaststellen. Tot dat moment dienen de provincies nauwlettend te volgen hoeveel kinderen langer dan negen weken op de wachtlijst staan, de termijn die momenteel door de sector en de provincies als norm voor de maximale wachttijd wordt gehanteerd. De besluitvorming over de verkorting van de doorlooptijden voor besluiten over inzet van kinderbeschermingsmaatregelen is nog niet afgerond. In het kader van het programma Beter Beschermd wordt in proefprojecten een nieuwe werkwijze voor de besluitvorming uitgeprobeerd. Daarbij wordt een werknorm van twee maanden gehanteerd vanaf het moment dat bureau jeugdzorg een probleemsituatie gewaar wordt tot het moment waarop de kinderrechter de beschikking afgeeft. Daarna zal de gezinsvoogdijwerker binnen vijf dagen persoonlijk contact hebben met het gezin. Besluitvorming over de nieuwe werkwijze is voorzien rond de jaarwisseling en over de normtijd rond de zomer van volgend jaar. 67 Waar zijn de indicatief beschikbaar gestelde middelen voor bedoeld, en waarom is er B.DOC 0/50

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 200 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat van de begroting van Jeugd en Gezin (XVII) voor het jaar 2008 Nr. 5 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST

Nadere informatie

2009D Lijst van vragen totaal. 1 Hoeveel geld is er in 2008 extra naar de Jeugd-GGZ gegaan en hoe is dit besteed? Kunt u dit specificeren?

2009D Lijst van vragen totaal. 1 Hoeveel geld is er in 2008 extra naar de Jeugd-GGZ gegaan en hoe is dit besteed? Kunt u dit specificeren? 2009D26256 Lijst van vragen totaal 1 Hoeveel geld is er in 2008 extra naar de Jeugd-GGZ gegaan en hoe is dit besteed? Kunt u dit specificeren? 2 Naar welk beleid wordt er op pagina 5 -mbt de LVG-jeugd-

Nadere informatie

Concept-Convenant verlaging caseload gezinsvoogdij. Convenant. 1. De Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering

Concept-Convenant verlaging caseload gezinsvoogdij. Convenant. 1. De Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering Concept-Convenant verlaging caseload gezinsvoogdij De ondergetekenden: Convenant 1. De Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering en 2. De provincies en de grootstedelijke regio

Nadere informatie

LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN vra2008jg-04 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN De algemene commissie voor Jeugd en Gezin heeft over het Beleidsverslag 2007 (31 445, nr. 1) de navolgende vragen ter beantwoording voorgelegd aan de minister

Nadere informatie

Welke AFSPRAKEN gelden bij partijen die betrokken zijn bij de JEUGDZORG in Zeeland?

Welke AFSPRAKEN gelden bij partijen die betrokken zijn bij de JEUGDZORG in Zeeland? Welke AFSPRAKEN gelden bij partijen die betrokken zijn bij de JEUGDZORG in Zeeland? overheden Welke AFSPRAKEN gelden bij partijen die betrokken zijn bij de JEUGDZORG in Zeeland? overheden zorginstellingen

Nadere informatie

7 Het zorgaanbod jeugdzorg 134 7.1 Inleiding 134 7.2 Provinciale jeugdzorg (voormalige jeugdhulpverlening) 135

7 Het zorgaanbod jeugdzorg 134 7.1 Inleiding 134 7.2 Provinciale jeugdzorg (voormalige jeugdhulpverlening) 135 Inhoud 1 Inleiding 11 1.1 Jeugdzorg en jeugdbeleid 11 1.2 Leeftijdsgrenzen 12 1.3 Ordening van jeugdzorg en jeugdbeleid 13 1.3.1 Algemeen jeugdbeleid 14 1.3.2 Specifiek gemeentelijk jeugdbeleid 14 1.3.3

Nadere informatie

Vereniging van Nederlandse Gemeenten BAOZW Annelies Schutte en Wim Hoddenbagh wim.hoddenbagh@vng.nl

Vereniging van Nederlandse Gemeenten BAOZW Annelies Schutte en Wim Hoddenbagh wim.hoddenbagh@vng.nl Datum 27 oktober 2010 Onderwerp Feiten en cijfers transitie jeugdzorg Telefoonnummer 070-3738602 Feiten en cijfers transitie jeugdzorg Vereniging van Nederlandse Gemeenten BAOZW Annelies Schutte en Wim

Nadere informatie

Aan de Colleges van burgemeester en wethouders van de Nederlandse gemeenten i.a.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Aan de Colleges van burgemeester en wethouders van de Nederlandse gemeenten i.a.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten Aan de Colleges van burgemeester en wethouders van de Nederlandse gemeenten i.a.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten Ons kenmerk Inlichtingen bij Datum maarten.vollenbroek@jeugdengezin.nl Onderwerp

Nadere informatie

de jeugd is onze toekomst

de jeugd is onze toekomst de jeugd is onze toekomst vereniging van groninger gemeenten Bestuursakkoord Jeugd 2008-2012 In veel Groninger gemeenten zijn er kinderen met problemen. En daarvan krijgen er te veel op dit moment niet

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 20 december 2013 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 20 december 2013 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340 78

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties Schedeldoekshaven

Nadere informatie

Centrale helpdesk voor gemeenten. Samenwerken voor de jeugd

Centrale helpdesk voor gemeenten. Samenwerken voor de jeugd Centrale helpdesk voor gemeenten Samenwerken voor de jeugd Inhoud Woord vooraf 3 1. Meer preventie en meer opvoedondersteuning 5 Centrum voor Jeugd en Gezin 5 Digitaal Dossier Jeugdgezondheidszorg 6 Digitaal

Nadere informatie

2010D02442. Lijst van vragen totaal

2010D02442. Lijst van vragen totaal 2010D02442 Lijst van vragen totaal 1 In hoeverre heeft de staatssecretaris jongerenorganisaties betrokken bij de totstandkoming en uitvoering van haar beleid? 2 Welke verband ligt er tussen de brief over

Nadere informatie

Risicomanagement bij onder toezicht gestelde kinderen Een notitie naar aanleiding van onderzoek van de Inspectie jeugdzorg oktober 2008

Risicomanagement bij onder toezicht gestelde kinderen Een notitie naar aanleiding van onderzoek van de Inspectie jeugdzorg oktober 2008 Risicomanagement bij onder toezicht gestelde kinderen Een notitie naar aanleiding van onderzoek van de Inspectie jeugdzorg oktober 2008 Inleiding De veiligheid van het kind is een van de belangrijkste

Nadere informatie

2008D09515. Lijst van vragen totaal. 1 Stand van zaken «Doe normaal contracten». Wanneer kan de benodigde wetgeving hiervoor tegemoet worden gezien?

2008D09515. Lijst van vragen totaal. 1 Stand van zaken «Doe normaal contracten». Wanneer kan de benodigde wetgeving hiervoor tegemoet worden gezien? 2008D09515 Lijst van vragen totaal 1 Stand van zaken «Doe normaal contracten». Wanneer kan de benodigde wetgeving hiervoor tegemoet worden gezien? 2 Waar staat het bedrag van 400 000 euro in de begroting

Nadere informatie

Invoering van de meldcode in de jeugdzorg

Invoering van de meldcode in de jeugdzorg Invoering van de meldcode in de jeugdzorg Inspectie Jeugdzorg Utrecht, april 2013 Samenvatting Eind december 2012 heeft de Inspectie Jeugdzorg via een digitale vragenlijst een inventariserend onderzoek

Nadere informatie

Alleenstaande ouders en kindregelingen

Alleenstaande ouders en kindregelingen Alleenstaande ouders en kindregelingen Op deze site wordt u geïnformeerd over regelingen die in het regeerakkoord Bruggen slaan zijn opgenomen. Naar aanleiding van de plannen voor het versoberen van de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 28 606 Jeugdzorg 2003 2006 Nr. 24 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2008 2009 26 695 Voortijdig school verlaten Nr. 60 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Nadere informatie

Als opvoeden een probleem is

Als opvoeden een probleem is Als opvoeden een probleem is Inhoud 3 > Als opvoeden een probleem is 3 > De Raad voor de Kinderbescherming 4 > Maakt u zich zorgen over een kind? 5 > Opvoedingsproblemen 6 > De rol van de Raad 10 > Maatregelen

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG. Datum 23 mei Antwoord op Kamervragen. Geachte voorzitter,

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG. Datum 23 mei Antwoord op Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EH Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Uw

Nadere informatie

Als opvoeden een probleem is

Als opvoeden een probleem is Als opvoeden een probleem is Inhoud 3 > Als opvoeden een probleem is 3 > De Raad voor de Kinderbescherming 4 > Maakt u zich zorgen over een kind? 5 > Opvoedingsproblemen 6 > De rol van de Raad 10 > Maatregelen

Nadere informatie

Jeugdzorg verandert. Decentralisatie +

Jeugdzorg verandert. Decentralisatie + Jeugdzorg verandert Decentralisatie + Wet op de jeugdzorg 2009-2012 Evaluatie transitie van de jeugdzorg Doel nieuwe wet Realiseren van inhoudelijke en organisatorische verandering in de jeugdzorg Terugdringen

Nadere informatie

Jeugdbescherming in Nederland

Jeugdbescherming in Nederland Jeugdbescherming in Nederland Jeugdbescherming in Nederland Mr. drs. Bart de Jong Adviseur Van Montfoort 2 Stelselwijziging Jeugd Wat is Jeugdbescherming? Proces/Actoren Doelgroep en problematiek Maatregelen

Nadere informatie

gfedcb Besluitenlijst d.d. d.d.

gfedcb Besluitenlijst d.d. d.d. Nota voor burgemeester en wethouders Onderwerp Eenheid/Cluster/Team RS/SI/MM Projectplan Centrum voor jeugd en gezin 1- Notagegevens Notanummer 2007.27935 Datum 15-10-2007 Portefeuillehouder Weth. Adema

Nadere informatie

Onderwerp Inhoudelijke Verantwoording Brede Doeluitkering Centrum voor Jeugd en Gezin 2011

Onderwerp Inhoudelijke Verantwoording Brede Doeluitkering Centrum voor Jeugd en Gezin 2011 Collegevoorstel Openbaar Onderwerp Inhoudelijke Verantwoording Brede Doeluitkering Centrum voor Jeugd en Gezin 2011 Programma / Programmanummer Zorg & Welzijn / 1051 BW-nummer Portefeuillehouder B. Frings

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 31 977 Wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het opnemen van een gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen Nr. 9 DERDE

Nadere informatie

Zorgen voor het bedreigde kind. Onderzoek naar de samenwerking tussen Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg

Zorgen voor het bedreigde kind. Onderzoek naar de samenwerking tussen Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Zorgen voor het bedreigde kind Onderzoek naar de samenwerking tussen Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Inspectie jeugdzorg Utrecht, november 2006 2 Inspectie jeugdzorg Inhoudsopgave Samenvatting...

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Rechtshandhaving

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Parnassusplein 5 T 070 333

Nadere informatie

Gedeputeerde Staten. 2012 HK Haarlem. Betreft: beleidsinformatie jeugdzorg. Geachte leden,

Gedeputeerde Staten. 2012 HK Haarlem. Betreft: beleidsinformatie jeugdzorg. Geachte leden, POSTBUS 3007 2001 DA HAARLEM Provinciale Staten van Noord-Holland door tussenkomst van de Statengriffier, mr. J.J.M. Vrijburg Florapark 6, kamer L-104 2012 HK Haarlem Gedeputeerde Staten Uw contactpersoon

Nadere informatie

Samenvatting Inleiding Onderzoeksaanpak

Samenvatting Inleiding Onderzoeksaanpak 1 2 1. Samenvatting Inleiding Kinderen hebben recht op bescherming tegen kindermishandeling, zo staat in het VN- Kinderrechtenverdrag (IVRK). Toch komt kindermishandeling in Nederland nog steeds op grote

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 31 015 Kindermishandeling Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den

Nadere informatie

statenstukken Provinciale Staten Vragen van het statenlid Peter van Dijk (PVV) ingevolge artikel 44 reglement van orde AANHANGSEL

statenstukken Provinciale Staten Vragen van het statenlid Peter van Dijk (PVV) ingevolge artikel 44 reglement van orde AANHANGSEL Provinciale Staten Vragen van het statenlid Peter van Dijk (PVV) ingevolge artikel 44 reglement van orde AANHANGSEL tot de notulen van de provinciale staten van Zeeland 2011 nummer 112. Vragen ingevolge

Nadere informatie

Raadsvoorstel. Datum vergadering 31 mei 2012 Nr. 08

Raadsvoorstel. Datum vergadering 31 mei 2012 Nr. 08 Pag. 1/5 Datum vergadering 31 mei 2012 Nr. 08 Omschrijving agendapunt Portefeuillehouder Voorstel om het rapport van de Rekenkamercommissie Sluis Invoering van Centrum voor Jeugd en Gezin in Sluis, nota

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting Nr. 186 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan

Nadere informatie

Informatiebrochure. Wet op de jeugdzorg. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Informatiebrochure. Wet op de jeugdzorg. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Informatiebrochure Wet op de jeugdzorg Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Inhoud Voorwoord 1 1 Waarom de Wet op de jeugdzorg? 2 Achtergronden van de wet 2 Wat is jeugdzorg? 2 Voor wie is

Nadere informatie

Datum 15 september 2009 Onderwerp Beantwoording kamervragen jeugdige criminelen met ernstige gedragsproblemen

Datum 15 september 2009 Onderwerp Beantwoording kamervragen jeugdige criminelen met ernstige gedragsproblemen > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 26 816 Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg 2000 2003 Nr. 32 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN DE STAATSSECRE- TARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

Stelselherziening Jeugdzorg. Platform Middelgrote Gemeenten

Stelselherziening Jeugdzorg. Platform Middelgrote Gemeenten Stelselherziening Jeugdzorg Standpunten van het Platform Middelgrote Gemeenten 12 april 2011 I. Aanleiding Een belangrijk onderdeel van het bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten is de stelselherziening

Nadere informatie

Aanpak: Bijzondere Zorg Team. Beschrijving

Aanpak: Bijzondere Zorg Team. Beschrijving Aanpak: Bijzondere Zorg Team Namens de gemeente Deventer hebben drie netwerkpartners de vragenlijst gezamenlijk ingevuld. Dit zijn Dimence GGZ, Tactus verslavingszorg, en Iriszorg maatschappelijke opvang.

Nadere informatie

DE KINDEROMBUDSMAN PRESENTEERT EERSTE NEDERLANDSE KINDERRECHTENMONITOR: GROTE ZORGEN OVER HALF MILJOEN KINDEREN

DE KINDEROMBUDSMAN PRESENTEERT EERSTE NEDERLANDSE KINDERRECHTENMONITOR: GROTE ZORGEN OVER HALF MILJOEN KINDEREN DE KINDEROMBUDSMAN PRESENTEERT EERSTE NEDERLANDSE KINDERRECHTENMONITOR: GROTE ZORGEN OVER HALF MILJOEN KINDEREN De eerste Nederlandse Kinderrechtenmonitor laat zien hoe het gaat met kinderen die in Nederland

Nadere informatie

Bijlage 1 bij voortgangsrapportage jeugdzorg september 2005 Wijzigingen op het landelijk beleidskader jeugdzorg 2005 tot en met 2008

Bijlage 1 bij voortgangsrapportage jeugdzorg september 2005 Wijzigingen op het landelijk beleidskader jeugdzorg 2005 tot en met 2008 Bijlage 1 bij voortgangsrapportage jeugdzorg september 2005 Wijzigingen op het landelijk beleidskader jeugdzorg 2005 tot en met 2008 Onderdeel 2 B: Indicatiestelling, alinea 3, laatste zin Verwijderd:

Nadere informatie

Initiatiefvoorstel SP Leeuwarden. De Jeugdzorg wordt beter. Maart 2011. Uitgangspunten en voorbereidingen op de overheveling van verantwoordelijkheid

Initiatiefvoorstel SP Leeuwarden. De Jeugdzorg wordt beter. Maart 2011. Uitgangspunten en voorbereidingen op de overheveling van verantwoordelijkheid Initiatiefvoorstel SP Leeuwarden De Jeugdzorg wordt beter Uitgangspunten en voorbereidingen op de overheveling van verantwoordelijkheid Maart 2011 2 Aanleiding De door de centrale overheid voorgenomen

Nadere informatie

informatiebrochure Wet op de jeugdzorg

informatiebrochure Wet op de jeugdzorg informatiebrochure Wet op de jeugdzorg Wet op de jeugdzorg Den Haag, september 2003 informatiebrochure 2 Wet op de jeugdzorg 2003 Inhoud i Voorwoord 5 1 Waarom de Wet op de jeugdzorg? 7 Achtergronden van

Nadere informatie

Fluchskrift Jeugdbescherming: minder als het kan, meer als het moet! 06 2016

Fluchskrift Jeugdbescherming: minder als het kan, meer als het moet! 06 2016 Fluchskrift Jeugdbescherming: minder als het kan, meer als het moet! 06 2016 Aanleiding Eerder bracht het Fries Sociaal Planbureau (FSP) een rapport uit over het gebruik van jeugdhulp in Fryslân. Deze

Nadere informatie

Datum 12 maart 2012 Onderwerp antwoorden op de vragen van lid Kooiman (SP) over de financiering van Multi Systeem Therapie

Datum 12 maart 2012 Onderwerp antwoorden op de vragen van lid Kooiman (SP) over de financiering van Multi Systeem Therapie 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den

Nadere informatie

Toetsingskader Stap 2 voor toezicht naar Veilig Thuis

Toetsingskader Stap 2 voor toezicht naar Veilig Thuis Toetsingskader Stap 2 voor toezicht naar Veilig Thuis Utrecht, juli 2016 Motto Naar zichtbare kwaliteit in de jeugdhulp! Missie De Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie

Nadere informatie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Advies 7 april 2010 1 2 Inhoudsopgave Samenvatting 5 Aanbevelingen 7 Aanleiding en context voor dit advies 9 Algemeen 11 Opmerkingen bij tekst en opzet van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 31 839 Jeugdzorg Nr. 75 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Centra voor Jeugd en Gezin en regierol gemeente

Centra voor Jeugd en Gezin en regierol gemeente Centra voor Jeugd en Gezin en regierol gemeente Centra voor Jeugd en Gezin en regierol gemeente Deze beleidsbrief is op 16 november 2007 aan de Tweede Kamer gezonden Centra voor Jeugd en Gezin en regierol

Nadere informatie

27 januari 2004 Nr , W Nummer 2/2004

27 januari 2004 Nr , W Nummer 2/2004 27 januari 2004 Nr. 2003-23.286, W Nummer 2/2004 Voordracht van Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten van Groningen ter vaststelling van het Beleidskader jeugdzorg 2004-2007 en het Uitvoeringsprogramma

Nadere informatie

INFORMATIE VERWIJSINDEX RISICOJONGEREN. Dit memo bevat inhoudelijke informatie. De procesaanpak wordt toegelicht in de presentatie

INFORMATIE VERWIJSINDEX RISICOJONGEREN. Dit memo bevat inhoudelijke informatie. De procesaanpak wordt toegelicht in de presentatie INFORMATIE VERWIJSINDEX RISICOJONGEREN Dit memo bevat inhoudelijke informatie. De procesaanpak wordt toegelicht in de presentatie ACHTERGRONDINFORMATIE COMMISSIE SOCIALE INFRASTRUCTUUR 15 MEI 2008 1. Inleiding

Nadere informatie

Datum 2 maart 2009 Onderwerp Kamervragen over het veiligheidsbed in justitiële jeugdinrichtingen

Datum 2 maart 2009 Onderwerp Kamervragen over het veiligheidsbed in justitiële jeugdinrichtingen > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2017 2018 34 775 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2018 Nr. 111 TWEEDE

Nadere informatie

Evaluatiekader Jeugdwet April 2015

Evaluatiekader Jeugdwet April 2015 Evaluatiekader Jeugdwet April 2015 In de Jeugdwet is de volgende evaluatiebepaling opgenomen: Artikel 12.2 Onze Ministers zenden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal

Nadere informatie

Als opvoeden een probleem is

Als opvoeden een probleem is Als opvoeden een probleem is Inhoud 3 > Als opvoeden een probleem is 3 > De Raad voor de Kinderbescherming 4 > Maakt u zich zorgen over een kind? 5 > Opvoedingsproblemen 6 > De rol van de Raad 10 > Maatregelen

Nadere informatie

BB/U Lbr. 15/103

BB/U Lbr. 15/103 Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8393 betreft Definitief VNG-akkoord op bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom uw kenmerk ons kenmerk BB/U201502219 Lbr.

Nadere informatie

Als uw kind onder toezicht gesteld wordt

Als uw kind onder toezicht gesteld wordt Als uw kind onder toezicht gesteld wordt Inhoud 3 > Als uw kind onder toezicht gesteld wordt 3 > Ondertoezichtstelling 4 > Maatregel van kinderbescherming 5 > De rol van de Raad 6 > De rechter 6 > De gezinsvoogd

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1999 154 Besluit van 18 maart 1999, houdende instelling van de Adviescommissie Wet op de jeugdzorg (Besluit Adviescommissie Wet op de jeugdzorg) Wij

Nadere informatie

Wat is provinciale jeugdzorg?

Wat is provinciale jeugdzorg? Wat is provinciale jeugdzorg? I Rol van de provincie II De veranderingen Hans Esmeijer Gedeputeerde provincie Gelderland Jeugd en Gezin Toetsvraag 1 Hoeveel jeugdigen 0 t/m 17 jaar wonen er in Gelderland?

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 19108 10 juli 2015 Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 juli 2015, nr. PO/SenO/747922,

Nadere informatie

Datum 13 oktober 2015 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over het bericht 'Aantal vechtscheidingen groeit explosief'

Datum 13 oktober 2015 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over het bericht 'Aantal vechtscheidingen groeit explosief' 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

Werken met. ESAR werkt! Werken met ESAR werkt! betere en snellere hulp

Werken met. ESAR werkt! Werken met ESAR werkt! betere en snellere hulp Werken met esar@almere.nl Werken met ESAR werkt! ESAR werkt! betere en snellere hulp Almeerse professionals over hun ervaringen met het Elektronisch Signaleringssysteem Alle Risicojeugd Telefoon 14 036

Nadere informatie

Rv. nr.: B&W-besluit d.d.: B&W-besluit nr.:

Rv. nr.: B&W-besluit d.d.: B&W-besluit nr.: RAADSVOORSTEL Rv. nr.: 13.0014 B&W-besluit d.d.: 5-2-2013 B&W-besluit nr.: 13.0048 Naam programma +onderdeel: Jeugd en onderwijs Onderwerp: Transitie zorg voor de jeugd: visie jeugdhulp en informatie Aanleiding:

Nadere informatie

De ondersteuning en zorg voor kinderen en hun opvoeders wordt in het huidige stelsel gefinancierd door meerdere partijen:

De ondersteuning en zorg voor kinderen en hun opvoeders wordt in het huidige stelsel gefinancierd door meerdere partijen: Bijlage DECENTRALISATIE JEUGDZORG Aanleiding tot de decentralisatie jeugdzorg De ondersteuning en zorg voor kinderen en hun opvoeders wordt in het huidige stelsel gefinancierd door meerdere partijen: Financiering

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2016 2017 30 982 Beleidsdoorlichting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 33 716 Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget,

Nadere informatie

Rapportage wachtlijsten jeugdzorg 2004

Rapportage wachtlijsten jeugdzorg 2004 Rapportage wachtlijsten jeugdzorg 2004 Deze rapportage geeft informatie over het verloop van de wachtlijsten in het jaar 2004. De laatste peildatum van de rapportage is 1 januari 2005. Nu de rapportage

Nadere informatie

Bijlage: Aanpak aanscherping Meldcode

Bijlage: Aanpak aanscherping Meldcode Bijlage: Aanpak aanscherping Meldcode 1. Inleiding Op 1 juli 2013 is de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in werking getreden. Deze wet verplicht professionals in de sectoren

Nadere informatie

Bestuurlijke afspraken in het kader van de voorbereiding transitie Jeugdzorg

Bestuurlijke afspraken in het kader van de voorbereiding transitie Jeugdzorg Bestuurlijke afspraken in het kader van de voorbereiding transitie Jeugdzorg Ter voorbereiding op de transitie maken gemeenten, georganiseerd in zes regio s, en Gedeputeerde Staten van provincie Utrecht,

Nadere informatie

Bureau Jeugdzorg Gelderland Bereikbaar en Beschikbaar

Bureau Jeugdzorg Gelderland Bereikbaar en Beschikbaar Bureau Jeugdzorg Gelderland Bereikbaar en Beschikbaar Hans Lomans Bestuurder BJzG 8 april 2011 2 U vindt ons Overal in Gelderland In alle regio s Zorg-en Adviesteams Centra voor Jeugd en Gezin Veiligheidshuizen

Nadere informatie

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Bergkamp (D66) over de aanpak van pgb-fraude (persoonsgebonden budget) (2013Z07932).

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Bergkamp (D66) over de aanpak van pgb-fraude (persoonsgebonden budget) (2013Z07932). > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 2008 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 255 XP DEN HAAG T 070 340 79 F 070 340 78 34

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Parnassusplein 5 T 070 333

Nadere informatie

Decentralisatie Jeugdzorg. Regionale Visie. en Stappenplan

Decentralisatie Jeugdzorg. Regionale Visie. en Stappenplan Decentralisatie Jeugdzorg Regionale Visie en Stappenplan Regio IJmond Visie en Stappenplan Transitie Jeugdzorg IJmond versie 8 februari 2012 1 1. Aanleiding Gemeenten worden volgens het Regeerakkoord 2010-2014

Nadere informatie

Rapportage doelstellingen 2009 Kadernota Wmo.

Rapportage doelstellingen 2009 Kadernota Wmo. Rapportage doelstellingen 2009 Kadernota Wmo. Overzicht volgens beleidsdoelen uit kadernota Wmo 2008-2012 Mee(r)doen in Dalfsen* 2009 Thema Wmo-loket Informatie geven over wonen, welzijn en zorg Wmo-loket

Nadere informatie

Dank u voorzitter, Ik hoop op een inspirerende en vruchtbare bespreking en zal proberen daaraan vandaag ook mijn bijdrage te leveren.

Dank u voorzitter, Ik hoop op een inspirerende en vruchtbare bespreking en zal proberen daaraan vandaag ook mijn bijdrage te leveren. Dank u voorzitter, Ik hoop op een inspirerende en vruchtbare bespreking en zal proberen daaraan vandaag ook mijn bijdrage te leveren. Voordat ik mijn speech begin, wil ik stilstaan bij de actualiteit.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2008 2009 31 279 Gezin boven tehuis Aanbevelingen om de positie van pleegzorg in Nederland te versterken en kinderen in de knel meer kans te geven om op

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 287 Interdepartementaal Beleidsonderzoek: Uitvoering Inkomensafhankelijke Regelingen Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 200 20 32 798 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met bezuiniging op het kindgebonden budget Nr. 4 ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER

Nadere informatie

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Aanpak: Praktische gezinsondersteuning. Beschrijving

Aanpak: Praktische gezinsondersteuning. Beschrijving Aanpak: Praktische gezinsondersteuning De gemeente heeft de vragenlijst betreffende deze aanpak ingevuld en relevante documentatie toegestuurd. Een beperktere vragenlijst over deze aanpak is ingevuld door:

Nadere informatie

Literatuur 145. Het Nederlands Jeugdinstituut: kennis over jeugd en opvoeding 173

Literatuur 145. Het Nederlands Jeugdinstituut: kennis over jeugd en opvoeding 173 Inhoud Inleiding 7 Deel 1: Theorie 1. Kindermishandeling in het kort 13 1.1 Inleiding 13 1.2 Aard en omvang 13 1.3 Het ontstaan van mishandeling en verwaarlozing 18 1.4 Gevolgen van kindermishandeling

Nadere informatie

Jeugdbescherming en jeugdreclassering

Jeugdbescherming en jeugdreclassering Jeugdbescherming en jeugdreclassering Een inleiding Adri van Montfoort Bureau Van Montfoort VNG Regioconferenties, mei 2011 avm@vanmontfoort.nl Inhoud presentatie Geschiedenis Huidige situatie Nieuw stelsel:

Nadere informatie

Onderwerpen. Jeugdzorg Noordoost Brabant

Onderwerpen. Jeugdzorg Noordoost Brabant Onderwerpen Jeugdzorg Noordoost Brabant Verandering in de jeugdzorg Inhoudelijke opgave centraal Wat komt er op gemeente af Regionale samenwerking Provinciaal beleid Rijksbeleid Invoeringskosten Voor u

Nadere informatie

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Griffie Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Datum commissievergadering : - - DIS-stuknummer : 1576181 Behandelend ambtenaar : E. Tenneij Directie/bureau : Sociale en Culturele Ontwikkeling/ Programma Jeugd

Nadere informatie

Redactie M.M. Wagenaar-Fischer, N. Heerdink-Obenhuijsen, M. Kamphuis, J. de Wilde

Redactie M.M. Wagenaar-Fischer, N. Heerdink-Obenhuijsen, M. Kamphuis, J. de Wilde Samenvatting van de JGZ Richtlijn secundaire preventie kindermishandeling. Handelen bij een vermoeden van kindermishandeling Samenvatting voor het management Redactie M.M. Wagenaar-Fischer, N. Heerdink-Obenhuijsen,

Nadere informatie

RAADSVOORSTEL Agendanummer 8.2. Onderwerp: Visie Centrum Jeugd en Gezin in de Gemeente Moerdijk

RAADSVOORSTEL Agendanummer 8.2. Onderwerp: Visie Centrum Jeugd en Gezin in de Gemeente Moerdijk RAADSVOORSTEL Agendanummer 8.2 Raadsvergadering van 11 juni 2009 Onderwerp: Visie Centrum Jeugd en Gezin in de Gemeente Moerdijk Verantwoordelijke portefeuillehouder: A. Grootenboer-Dubbelman SAMENVATTING

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer A. Aboutaleb, handelend als bestuursorgaan, hierna te noemen: de Staatssecretaris,

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer A. Aboutaleb, handelend als bestuursorgaan, hierna te noemen: de Staatssecretaris, CONVENANT Kinderen doen mee! Partijen, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer A. Aboutaleb, handelend als bestuursorgaan, hierna te noemen: de Staatssecretaris, Het College van

Nadere informatie

Aanpak: Er op af aanpak vanuit zorgnetwerken. Beschrijving

Aanpak: Er op af aanpak vanuit zorgnetwerken. Beschrijving Aanpak: Er op af aanpak vanuit zorgnetwerken De gemeente heeft de vragenlijst betreffende deze aanpak ingevuld en relevante documentatie toegestuurd. Een beperktere vragenlijst over deze aanpak is ingevuld

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.minocw.nl 112303 Betreft Antwoorden

Nadere informatie

INZICHT IN JEUGDRECHT

INZICHT IN JEUGDRECHT INZICHT IN JEUGDRECHT Ingeborg Galama Juridisch adviseur Raad voor de Kinderbescherming Onderwerpen 1.Doel en grond voor de ondertoezichtstelling 2.Uithuisplaatsing 3.Gesloten jeugdzorg 4.Ontheffing/ontzetting

Nadere informatie

Als opvoeden een probleem is

Als opvoeden een probleem is Als opvoeden een probleem is Inhoud 3 > Als opvoeden een probleem is 3 > De Raad voor de Kinderbescherming 5 > Maakt u zich zorgen over een kind? 6 > De rol van de Raad 10 > Maatregelen van Kinderbescherming

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 435 Seksueel misbruik in de jeugdzorg Nr. 1 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS

Nadere informatie

Decentralisatie Jeugdzorg Regionale Visie en Stappenplan Regio IJmond

Decentralisatie Jeugdzorg Regionale Visie en Stappenplan Regio IJmond *2012/8521* 2012/8521 registratienummer 2012/8521 Decentralisatie Jeugdzorg Regionale Visie en Stappenplan Regio IJmond 1. Aanleiding Gemeenten worden volgens het Regeerakkoord 2010-2014 en de Bestuursafspraken

Nadere informatie

Antwoord. van Gedeputeerde Staten op vragen van C. van Viegen (PvdD) (d.d. 2 februari 2010) Nummer Aan de leden van Provinciale Staten

Antwoord. van Gedeputeerde Staten op vragen van C. van Viegen (PvdD) (d.d. 2 februari 2010) Nummer Aan de leden van Provinciale Staten van Gedeputeerde Staten op vragen van C. van Viegen (PvdD) (d.d. 2 februari 2010) Nummer 2348 Onderwerp Plaatsing kinderen naar buitenland door jeugdzorg Aan de leden van Provinciale Staten Toelichting

Nadere informatie

Aanpak: Signalerings- en vangnetfunctie. Beschrijving

Aanpak: Signalerings- en vangnetfunctie. Beschrijving Aanpak: Signalerings- en vangnetfunctie De gemeente heeft de vragenlijst betreffende deze aanpak ingevuld en relevante documentatie toegestuurd. Een beperktere vragenlijst over deze aanpak is ingevuld

Nadere informatie

Gemeenten gaan de afgelopen jaren steeds vaker over tot omvorming van hun peuterspeelzalen naar kinderopvang. In die gemeenten worden

Gemeenten gaan de afgelopen jaren steeds vaker over tot omvorming van hun peuterspeelzalen naar kinderopvang. In die gemeenten worden > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4

Nadere informatie

Uitkomsten verbeterpunten toezichtonderzoek Bergen op Zoom

Uitkomsten verbeterpunten toezichtonderzoek Bergen op Zoom Uitkomsten verbeterpunten toezichtonderzoek Bergen op Zoom Aanpak: Signalerings- en vangnetfunctie Juni 2015 Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ) verstaat onder een gezin met geringe sociale redzaamheid een

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon

Nadere informatie