1.2 Aantal belminuten abonnement, prijs abonnement, prijs overschrijdingen, bereik, prijs bellen in of naar buitenland.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "1.2 Aantal belminuten abonnement, prijs abonnement, prijs overschrijdingen, bereik, prijs bellen in of naar buitenland."

Transcriptie

1 Hoofdstuk 1 De telefoniemarkt 1.1 Overschrijding totaal: 44,35 25,95 = 18,40 Extra sms (80 60) 0,10 = 2,00 _ Overschrijding bellen = 16,40 Dat zijn 16,40/0,20 = 82 belminuten te veel. 1.2 Aantal belminuten abonnement, prijs abonnement, prijs overschrijdingen, bereik, prijs bellen in of naar buitenland. 1.3 Een dollar, een aandeel Philips, loodvrije benzine, kraanwater, enz. 1.4 Markt voor dollars, markt voor aandelen Philips. 1.5 Omdat het goed homogeen is voor de consument koopt hij het daar waar de prijs het laagst is. Op een markt van volkomen concurrentie hebben aanbieders geen invloed op de prijs. 1.6 a. Qa = Qv 2P 10 = -P P = 45 P = 15. De evenwichtsprijs is 15. b. Dan is Qa = = 20. Qv = = 20. Er worden per jaar 20 miljoen telefoonopladers in de EU verhandeld.

2 c. Zie figuur. d. Qa = Qv 2P 5,5 = -P P = 40,5 P = 13,5 dus P = 13,50. e. Dan is Qa = 2 13,5 5,5 = 21,5. Qv = -13, = 21,5. Er worden na toetreding van nieuwe aanbieders 21,5 miljoen telefoonopladers in de EU verhandeld. f. Zie figuur. 1.7 a. Qv = -P Als P = 15 dan is Qv = 20, als P = 13,5 dan is Qv = 21,5. P verandert met (13,5 15)/15 100% = -10%. Dus P daalt met 10%. Qv verandert met (21,5 20)/20 100% = +7,5%. Ev = +7,5%/-10% = -0,75. b. Dat betekent dat de gevraagde hoeveelheid minder dan evenredig reageert op een prijsverandering. Als de prijs met 1% stijgt, zal de gevraagde hoeveelheid met 0,75% dalen. De vraag naar opladers is daarmee prijsinelastisch. c. Omdat de prijs in procenten meer is gedaald dan de hoeveelheid in procenten is gestegen, daalt de omzet. 1.8 a. Qa = Qv P 3 = -0,5 P + 9 1,5P = 12 P = 8 per maand

3 b. Qa = 8 3 = 5. Qv = -0, = 5. Het aantal abonnementen in het evenwicht is 5 miljoen abonnementen. c. Zie figuur. d. Zie figuur. e. Qa = Qv P 3 = -0,5P ,5P = 15 P = 10 per maand. Dan is Qa = 10 3 = 7 miljoen abonnementen (= Qv). 1.9 Het bereik van de telefoon, service (bij storingen, diefstal etc.), duur van het abonnement.

4 1.10 a. Zie figuur. b. Zie figuur a. Break-evenafzet als TO = TK 0,06q = 0,02q ,04q = q = /0,04 = belminuten. b. MK = 0,02 per extra belminuut. c. MO = 0,06 per extra belminuut. d. Zie figuur.

5 e. Door elke minuut die er meer gebeld wordt, neemt eerst het verlies van Mobibel af en vervolgens de winst toe met 0,06 0,02 = 0,04. Dus is de totale winst het hoogst als er zoveel mogelijk belminuten worden verkocht en dat is bij belminuten, de productiecapaciteit. f. TW = TO TK. TO = 40 miljoen 0,06 = TK = 40 miljoen 0,02 + 1,4 miljoen= _ TW = 2,4 miljoen 2,2 miljoen = g. Zie tabel, kolom 2. h. Zie tabel, kolom 3. i. Zie tabel, kolom 4. aantal belminuten GVK GCK GTK per maand 5 miljoen 0,02 1,4 miljoen/5 miljoen = 0,28 0,28 + 0,02 = 0,28 10 miljoen 0,02 1,4 miljoen/10 miljoen = 0,14 0,14 + 0,02 = 0,16 20 miljoen 0,02 1,4 miljoen/20 miljoen = 0,07 0,07 + 0,02 = 0,09 30 miljoen 0,02 1,4 miljoen/30 miljoen = 0,047 0, ,02 = 0, miljoen 0,02 1,4 miljoen/40 miljoen = 0,035 0, ,02 = 0,055 j. Zie figuur. k. Zie figuur. l. Zie figuur a. De belminuten van Mobibel verschillen van de belminuten van andere aanbieders, omdat met de belminuten van Mobibel ook voor hetzelfde tarief naar andere EU-landen gebeld kan worden. b. Mobibel maakt weer winst op de belminuten in Nederland (1,5 cent per belminuut), maar legt 3 cent toe op de belminuten naar het buitenland. Omdat het aantal belminuten van klanten naar Nederlandse nummers meer dan 2 zo groot is als het aantal belminuten naar andere EU-landen, maakt Mobibel winst Door de komst van de telefonie en later het internet is er minder vraag naar telegramdiensten. Dan daalt de prijs en trekken aanbieders zich terug uit de markt zodat het aanbod daalt a. Qa = Qv P 12 = -0,5P ,5P = 30 P = 20 per aandeel. b. Qa = P 12 Qa = = 8. Qv = -0, = 8. Het aantal verhandelde aandelen Philips is stuks. c. Zie figuur: V1 en A1. d. Als P = 20 dan Qv = 8. Als P = 21 dan Qv = 7,5. P verandert met (21 20)/20 100% = 5%. Qv verandert met (7,5 8)/8 100% = -6,25%. Ev = -6,25%/5% = -1,25. e. De omzet in aandelen Philips zal dalen. De gevraagde hoeveelheid zal in procenten meer dalen dan de prijs in procenten zal stijgen.

6 f. Zie figuur: V2, P2 en Q2. g. Qa = Qv P 12 = -0,5P ,5P = 33 P = 22. Dan is Qa = = 10. Qv = -0, = 10. Er worden dus = 1 miljoen aandelen Philips verhandeld. De omzet op 11 januari = 1 miljoen 22 = 22 miljoen. De omzet op 10 januari = = 16 miljoen. De omzet is gestegen met (22 16)/16 100% = 37,5%. h. Een positief bericht. De winst zal gestegen zijn, want dan verwachten de aandeelhouders een hogere winstuitkering en dan is er meer vraag naar het aandeel.

7 Hoofdstuk 2 Van volledige mededinging naar monopolie 2.1 mobiel bellen sms-jes versturen twitteren internetten via je mobiel tv kijken via je mobiel voic telefonisch vergaderen met meerdere personen enz. 2.2 Er komen meer aanbieders op de markt van abonnementen. Dit kan leiden tot meer concurrentie en lagere prijzen. 2.3 Er zijn mobiele telefoondiensten. 2.4 a. KPN is de enige aanbieder. Omdat vragers niet kunnen uitwijken naar concurrenten nemen alle vragers (= collectieve vraag) een vaste telefoonaansluiting bij KPN. b. Bij een markt van volledige mededinging heeft de individuele producent geen enkele invloed op de prijs. De prijsafzetlijn loopt horizontaal. Uit de vergelijking Qv = -P + 30 blijkt dat de prijsafzetlijn hier een dalende lijn is. Het kan dus geen volledige mededinging zijn. 2.5 a. Zie kolom (2) van de tabel. b. Zie kolom (3) van de tabel. c. Als q = 0 TO = 0. Als q = 1 miljoen TO = 29 miljoen. MO = verandering van TO/verandering van q = (29 0) miljoen/(1 0) miljoen = 29. d. Zie kolom (4) van de tabel. 2.6 a. 1) Zie tabel, kolom 1 en 3: maximale omzet als q = 15 miljoen. 2) Maximale omzet = 225 miljoen (zie kolom 3). b. Zie figuur. c. De omzet is maximaal bij 15 miljoen aansluitingen. Dan kun je aflezen dat TO = 225 miljoen. d. Zolang MO > 0 stijgt de omzet bij vergroting van de productie. Als MO < 0, dan daalt de omzet als q stijgt. Dan is de omzet dus maximaal als MO = 0.

8 Qv ( 1 miljoen) (1) P (=GO) (2) TO (3) MO (4)

9 2.7 a. TCK = 45 miljoen. b. TVK = 13q. c. Zie figuur.

10 d. Bij elke verhoging van de productie met één eenheid stijgen de variabele kosten met 13. Bij proportioneel variabele kosten is MK gelijk aan GVK: GVK = TVK/q = 13q/q = 13. e. MK = 13 in Grafiek a. Maximale totale winst is bij die hoeveelheid waarbij geldt MO = MK Q = 8,5, als MO = MK = 13. b. Qv = 8,5 invullen in de collectieve-vraagfunctie: Qv = -P ,5 = -P + 30 P = 30 8,5 = 21,5. P is dus 21,50. Op de verticale-as bij 21,5 P** zetten. c. Zie figuur. d. GO bij Q** is 21,50. TK = 13q + 45 miljoen = 13 8, = 155,5 miljoen. GTK = TK / q = 155,5 / 8,5 = 18,29. GO GTK = 21,50 18,29 = 3,21. e. Zie figuur. f. Maximale totale winst = winst per stuk aantal stuks = 3,21 8,5 miljoen = 27,285 miljoen. 2.9 Zie figuur a miljoen = 81 miljoen 24 3 miljoen = 72 miljoen 21 3 miljoen = 63 miljoen 216 miljoen b. De omzet was 21 9 miljoen = 189 miljoen. De omzet stijgt met 216 miljoen 189 miljoen = 27 miljoen. c. Doordat de hogere inkomens een hogere prijs gaan betalen voor hun vaste telefoonaansluiting is het consumentensurplus van deze groep kleiner. Het totale consumentensurplus is dus ook kleiner. Dit consumentensurplus gaat naar de producent KPN die een groter producentensurplus heeft gekregen. Er is sprake van afroming Hoogovens is nu Corus. DSM. Elektriciteitsbedrijven. Thuiszorg Het is lastiger kiezen met veel aanbieders. Service wordt minder. Consumenten betalen soms een hogere prijs.

11 2.13 De voorheen gratis nummerinformatie en de helpdesk kosten nu geld. KPN verhuurde telefoons. Een defect was voor rekening van KPN. Nu moet je zelf een telefoon kopen en eventuele kosten zijn voor eigen rekening. Openbare telefooncellen verdwijnen. Verbindingen worden minder goed onderhouden, waardoor er vaker een storing is Bedrijven streven naar winst en zullen de werknemers niet te veel betalen. De winst gaat nu niet meer naar de staat, maar naar de aandeelhouders. Die krijgen nu meer geld zodat het verschil in beloning tussen de eigenaren, de directie van de bedrijven en de mensen op de werkvloer steeds groter wordt a. Op de inkoopmarkt is Geox hoeveelheidsaanpasser, dat wil zeggen dat de onderneming daar geen invloed heeft op de prijs, die door vraag en aanbod wordt bepaald. Op de verkoopmarkt (van kleding) heeft Geox wel veel macht, want daar kan Geox de prijs bepalen. b. In beide gevallen is de totale winst nul, want zowel in punt A als in punt B geldt dat GO = GTK, dit wil zeggen dat de verkoopprijs gelijk is aan de kostprijs. c. Zie figuur. d. Er is maximale winst als MO = MK. Uit de figuur is af te lezen dat q = 3,75 (miljoen). De bijbehorende P = 62,50 (zie GO-lijn). e. Zie gearceerde rechthoek in figuur. f. TK = 25 3, = 93, = 153,75 miljoen. g. TO = 62,5 3,75 = 234,375 miljoen. TW = TO TK = 234, ,75 = 80,625 miljoen. h. Bij q = 5 (miljoen) en P = 50 (euro) want dan is MO = 0. i. Geox moet de prijs in Nederland verhogen. In Nederland zal bij een hogere prijs de afzet relatief minder afnemen dan in Italië, omdat de prijsgevoeligheid van de vraag in Nederland kleiner is.

12 2.16 a. Privatisering houdt in dat de werkgever bij ziekte van de werknemer zelf de lonen moet doorbetalen of zich daartegen moet verzekeren. Hoe minder ziekteverzuim een bedrijf heeft, des te minder extra loonkosten een bedrijf heeft. b. Arbeidsomstandigheden verbeteren, bijvoorbeeld een mooie bedrijfskantine, langere pauzes, etc. Een fitnessruimte in het gebouw onderbrengen met faciliteiten voor het personeel om onder begeleiding te ontspannen. Meer personeelsfeestjes en -uitjes. Sneller promotie of loonsverhoging geven. Enz. c. Mensen die niet helemaal gezond zijn of een lichamelijk gebrek hebben, zullen niet zo snel aangenomen worden bij een bedrijf, omdat ze een extra risico vormen dat ze ziek worden en niet voor het bedrijf kunnen werken.

13 Hoofdstuk 3 Oligopolie en monopolistische concurrentie 3.1 a. Men kan nu op elke plaats bellen en gebeld worden, tijdwinst als je iemand moet bereiken, kunt hulp vragen als je in nood zit, enz. b. 40-plussers zijn gewend aan het gebruik van een vaste telefoon en gebruiken een mobieltje vaak alleen om bereikbaar te zijn. Bij 40-minners is dat anders. Zij gebruiken de mobiele telefoon als belangrijkste communicatiemiddel voor het onderhouden van hun sociale contacten. 3.2 Concurrentie uitschakelen. Er verdwijnen concurrenten, zodat KPN en T-Mobile meer marktmacht krijgen. Schaalvergroting dus lagere kosten per product. De constante kosten kunnen over meer producten worden verdeeld. 3.3 a. Telfort is in 2005 overgenomen door KPN en Orange in 2007 door T-mobile. b. 0,38 14,8 miljoen = 5,624 miljoen klanten. c. 0,51 19,2 miljoen = 9,792 miljoen klanten. d. (9,792 5,624)/5, % = 74,1%. 3.4 a is (100 6 =) 94% van Dus 2008 = 100/94 42 miljoen = 44,7 miljoen. b. Het totale aantal traditionele mobiele telefoons is veel groter dan dat van smartphones, waardoor de afname van 12% meer is dan de toename van 25%. c. (1,4 0,2)/0,2 100% = 600%. d. Samsung: 12,2/42 100% = 29%; LG: 4,8/42 100% = 11%; Apple: 1,4/42 100% = 3%. e. Nokia: 0,36 42 = 15,1 miljoen; Sony Ericsson: 0,12 42 = 5,0 miljoen. f. Zie tabel. aanbieders afzet in miljoenen stuks marktaandeel naar afzet Nokia 15,1 36% Sony Ericsson 5 12% Samsung 12,2 29% LG 4,8 11,4% Apple 1,4 3,3% Overige aanbieders 3,5 8,3% Totaal 42,0 100% Marktaandeel overige aanbieders = ,4 3,3 = 8,3%. 3.5 Geval II, aanleg smeerput: deze heeft geen of weinig waarde meer als de garage stopt, terwijl de auto's als ze overbodig zijn, kunnen worden verkocht. 3.6 a. Uit het feit dat de machine alleen geschikt is voor de nieuwe colaflesjes. Als het nieuwe type colafles niet meer wordt gevraagd, kan de machine niet meer gebruikt worden en kan de investering niet meer worden terugverdiend. b. De winstmarge in procenten is (0,07 0,05)/0,05 100% = 40%.

14 c. Als hij na een jaar genoegen moet nemen met een lagere prijs heeft hij te weinig opbrengst en als de colafabrikant naar een ander bedrijf gaat, blijft hij zitten met een speciale machine die geen waarde heeft. Omdat hij de kosten van de investering in vijf jaar kan terugverdienen, wil hij een contract voor vijf jaar. 3.7 Schaalvoordelen: indien de benodigde investeringen hoge constante kosten met zich meebrengen zijn er veel klanten nodig om dit terug te kunnen verdienen. Alleen productie op grote schaal is dan mogelijk. Verzonken kosten: hoge verzonken kosten, kosten die niet meer terugverdiend kunnen worden als een activiteit gestaakt wordt, maken toetreding risicovoller. Octrooi: beschermt de uitvinder en maakt het onmogelijk dat anderen toetreden. 3.8 Bij KPN steeg het marktaandeel na de overname van 38% naar 50%: een toename van 12/38 100% = 31,6%, bij T-mobile steeg het marktaandeel van 15% naar 26%: een toename van 11/15 100% = 73,3%. 3.9 a. Kleinere bedrijven zullen een hogere kostprijs hebben (geen schaalvoordelen) en dus minder lang kunnen meegaan in een prijzenoorlog. Zij zullen eerder met grotere verliezen te maken krijgen. Kleinere bedrijven hebben minder buffer en komen vaak al bij kleine verliezen in de problemen. Kleinere bedrijven zullen minder gemakkelijk over financiële middelen kunnen beschikken (eigen vermogen, bankkrediet) om tijdelijke verliezen als gevolg van lagere prijzen op te vangen. b. De consument kan profiteren van lagere prijzen. c. Een aantal bedrijven kan verdwijnen waardoor de consument minder keuze heeft. Een aantal bedrijven kan verdwijnen, zodat de overblijvende bedrijven een sterke marktpositie krijgen, waardoor ze de prijzen sterk kunnen verhogen. Een prijzenoorlog dwingt bedrijven tot kostenreductie hetgeen gepaard kan gaan met verlies aan kwaliteit en service a. Heterogeen. De klant ervaart verschillen in kwaliteit en uitstraling tussen de aangeboden mobiele telefoons. b. Tamelijk ondoorzichtig. Voor de klant is het moeilijk de verschillen in prijs en kwaliteit tegen elkaar af te wegen en een goede prijs/kwaliteitverhouding te bepalen. Aan de aanbodkant is de markt ook ondoorzichtig omdat de aanbieders elkaars strategie niet kennen. c. Een dalende lijn. De prijs is niet gegeven voor de afzonderlijke producent, dus loopt de prijsafzetlijn niet horizontaal. Bij de iphone is het product heterogeen, dus is de producent beperkt prijszetter. Hij kan een prijs vaststellen maar zal meer verkopen bij een lage prijs en minder bij een hoge prijs. Er is een negatief verband tussen prijs en afzet. Dus is er een dalende prijsafzetlijn.

15 3.11 a. Zie figuur. b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. Consumentensurplus = 0,5 75 miljoen 15 = cent = e. Zie figuur. f. Zie figuur (///). g. Consumentensurplus = 0,5 7,5 37,5 miljoen = cent = h. Zie figuur (\\\). i. Producentensurplus = 7,5 37,5 miljoen = cent =

16 3.12 De kenmerken die van toepassing zijn, staan in de tabel. marktvorm volkomen monopolistische oligopolie monopolie concurrentie concurrentie aantal aanbieders veel veel weinig één soort product homogeen heterogeen homogeen/ heterogeen doorzichtigheid van de markt goed slecht slecht goed toetredingsmogelijkheid gemakkelijk gemakkelijk moeilijk moeilijk invloed van de individuele aanbieder op de prijs geen beperkt redelijk veel veel 3.13 a. Van homogeen oligopolie. Er zijn enkele grote producenten (4) die een groot deel van de markt (90%) in handen hebben. Bovendien is er een homogeen product. b. Als een producent de prijs verhoogt, zullen de afnemers naar de concurrenten gaan, want daar kunnen ze een identiek product kopen. Als een producent de prijs verlaagt, zullen de concurrenten meegaan met de prijsverlaging. Er kan een prijsoorlog ontstaan, waarbij alle producenten minder verdienen zonder het marktaandeel te vergroten.

17 c. Alleen als de totale afzet afneemt, zal de prijs hoger worden. Door beperking van het aanbod via een kartelafspraak blijft de hogere prijs in stand. d. Op de markt van kunststof (het homogene oligopolie) hebben de vier grootste producenten een sterke positie. Zij bepalen de prijs en de hoeveelheid. Op de markt van tropisch hardhout, met monopolistische concurrentie, is de macht van de individuele producent beperkt. Hij kan zijn product een beetje bijzonder maken, maar hij heeft niet veel invloed op de prijs, want dan gaat de afnemer naar een concurrent. e. Tropisch hardhout wordt door de heffing duurder. Daardoor wordt kunststof aantrekkelijker voor de afnemers. De vraag naar kunststof zal toenemen. f. De vraaglijn naar kunststof zal naar rechts verschuiven: bij dezelfde prijs zal meer kunststof gevraagd en verkocht worden. g. Door de gestegen vraag naar kunststof zal op korte termijn de prijs van kunststof stijgen daar het aanbod gelijk blijft. Nieuwbouwwoningen, waarin kunststof gebruikt wordt of duurder tropisch hardhout, zullen als gevolg daarvan ook duurder worden a. Iedereen die ooit een pilsje gedronken heeft, is gedupeerd. Dat is onmogelijk uit te zoeken. Ook is het onmogelijk om het bedrag per gedupeerde te bepalen. b. Het geld wordt teruggestort naar het EU-land waar de te hoge prijzen zijn gehanteerd. Dit land kan het geld via belastingverlaging weer terug geven aan zijn burgers. Het geld gaat naar de Europese Commissie, die nu meer te besteden heeft/minder bijdrage nodig heeft van de EU-landen a. Afspraken over de verdeling van de markt. b. Ondernemers moeten hun personeel aan het werk houden en hebben daarvoor orders nodig. Door de grote concurrentie staan de winsten onder druk en moeten soms opdrachten binnengehaald worden door tegen kostprijs of met verlies te bouwen. Door prijsafspraken kan er wel winst gemaakt worden door de bouwondernemingen.

18 Hoofdstuk 4 De markt levert niet altijd de juiste prijs 4.1 Ze hebben geen of weinig last van concurrentie en zullen zich daarom niet al te veel inspannen. 4.2 Zelf bellen kost 1,25 per minuut en gebeld worden 0,75 per minuut. Nathalie belt 7 10 minuten = 70 minuten. Kosten: 70 1,25 = 87,50. Nathalie wordt 7 10 minuten = 70 minuten gebeld. Kosten: 70 0,75 = 52,50. Totale kosten 87, ,50 = Zelf bellen kost 0,25 per minuut en gebeld worden 0,08 per minuut. Nathalie belt 7 10 minuten = 70 minuten. Kosten: 70 0,25 = 17,50. Nathalie wordt 7 10 minuten = 70 minuten gebeld. Kosten: 70 0,08 = 5,60. Totale kosten 17,50 +5,60 = 23, a. De overheid kan met een vergunningensysteem gaan werken (woonvergunning). b. Sommige mensen zijn bereid een hogere prijs te betalen dan de maximumprijs. c. Zelf huurwoningen bouwen; bouwsubsidies verlenen. 4.6 a. Qa = Qv 2P 150 = -2P P = 600 P = 150 euro. Qa = = 150. Qv = = 150. Er wordt 150 miljoen ton graan verhandeld. b. De omzet in het evenwicht is miljoen = miljoen (= 22,5 miljard). c. Zie figuur. d. Er ontstaat een aanbodoverschot. Bij een minimumprijs is het aanbod groter dan de vraag.

19 e. Als P = 180, dan is Qa = = 210 miljoen ton en Qv = = 90 miljoen ton. Het aanbodoverschot (Qa Qv) = = 120 miljoen ton graan. f. Zie figuur. g miljoen = miljoen ( 21,6 miljard). h. Consumenten betalen meer voor het product ( 180 in plaats van 150) en de kosten van het opkopen worden betaald uit de belastingopbrengsten, die opgebracht moet worden door dezelfde mensen. i. 90 miljoen ton. Dat is Qv bij de minimumprijs van 180. j. Inkrimping productie = = 60 miljoen ton. De productie moet met 60/ % = 40% worden ingekrompen. 4.7 a. 0,2L 2 = -0,2L + 8 0,4L = 10 L = 25 L = b. 0, = arbeidsjaren.

20 c. Zie figuur. d. Bij een loon van of lager. e. Zie figuur. f. Een aanbodoverschot: bij het minimumloon is het aanbod van arbeid groter dan de vraag naar arbeid. g. De vraag naar arbeid wordt: -0,2L + 8-0, = 2 (2 miljoen). Het aanbod van arbeid wordt: 0,2L 2 0, = 4 (4 miljoen). De werkloosheid neemt toe met 4 2 = 2 miljoen arbeidsjaren.

21 Hoofdstuk 5 De overheid bemoeit zich ermee 5.1 Nee, de Voedsel- en Warenautoriteit kan niet alles controleren en neemt daarom steekproeven. 5.2 Er mag door de fusie geen economische machtspositie ontstaan die negatieve gevolgen heeft voor de concurrentie. 5.3 a. Bij een fusie gaan twee gelijkwaardige bedrijven op in een nieuwe onderneming. Hier neemt een groot bedrijf een klein bedrijf over. b. Het nieuwe bedrijf zou 80% van de markt in handen krijgen en door dat grote marktaandeel is er te weinig concurrentie. 5.4 a. Een overname. KPN heeft een meerderheidsbelang gekregen in het Amerikaanse bedrijf. b. Nee, het betreft een overname buiten Europa. 5.5 De nieuwe combinatie van ABN AMRO en Fortis zou anders een te machtige positie op de markt krijgen. 5.6 Het ontwikkelen van medicijnen kost veel geld. Bedrijven zullen alleen nieuwe medicijnen ontwikkelen als ze de kans krijgen het geïnvesteerde bedrag terug te verdienen en winst te maken. Dat is niet mogelijk wanneer andere bedrijven meteen het recht zouden krijgen om dit product ook te maken. Een octrooi zorgt ervoor dat het voor een bedrijf interessant is hoge kosten te maken om nieuwe producten te ontwikkelen. Door het octrooi heeft het bedrijf een tijd lang het alleenrecht om het product tegen een door het bedrijf te bepalen prijs op de markt te brengen. 5.7 a. Octrooien maken hoge prijzen mogelijk. b. Zonder octrooien zouden veel nieuwe, goede producten met hoge ontwikkelingskosten niet geproduceerd worden. 5.8 Medicijnen worden betaald door de zorgverzekeraars. Die slaan de kosten om over alle verzekerden, dus betalen gezonde mensen mee aan de kosten voor de ontwikkeling van medicijnen. 5.9 a. Aidsremmers zijn duur vanwege de hoge ontwikkelkosten van het medicijn en omdat door het octrooi de bedrijven nu een hoge prijs kunnen vragen. b. De Europese overheid kan de farmaceutische bedrijven een exportsubsidie verstrekken voor export naar Afrikaanse landen. c. In Afrika zijn steeds minder gezonde arbeidskrachten, waardoor de economie kan instorten.

22 d. Als het octrooi wordt opgeheven zullen de aidsremmers worden nagemaakt. Westerse farmaceutische bedrijven zullen minder winst maken. Ook zullen ze minder snel op zoek gaan naar nog betere medicijnen als ze daarvoor geen octrooi zouden krijgen Meeliften brengt geen kosten met zich, zodat de netto opbrengst 50 bedraagt. Betalen heeft een netto opbrengst van = Reputatieschade betekent in dit geval dat de winkelier een slechte naam krijgt, hij wordt als een profiteur gezien. Het gevolg kan zijn dat klanten wegblijven, waardoor de winkelier omzet en winst misloopt a. Bijvoorbeeld een boete of het royement van het lidmaatschap. De sanctie moet dusdanig zijn dat de winkeliers kiezen voor samenwerking. b. Door zelfbinding, door sociale controle (normen) of door een contract a. Uitkomst 1: ik doe niet mee met de bouw van de dijk, anderen wel. Deze strategie geeft maximaal profijt. b. Voor niet meebetalen. Als anderen meebetalen is het niet nodig dat hij ook nog betaalt. c. Voor niet meebetalen. Het heeft geen zin om als enige te betalen; hij is dan zijn geld kwijt en daar staat niets tegenover. d. De dominantie strategie is niet meebetalen. Als de anderen wel betalen is het gunstig om niet te betalen omdat je dan gratis profiteert. Als anderen niet betalen, ga je niet als enige wel betalen. Niet meebetalen is altijd gunstiger. e. Nee. Als niemand betaalt gebeurt er niets De overheid kan heffingen afdwingen met boetes en uiteindelijk met gevangenisstraf a. Uitsluitbaar: appeltaart; film; elektriciteit. Niet-uitsluitbaar: straatverlichting; defensie. b. Rivaliserend: appeltaart, elektriciteit. Niet-rivaliserend: een film in een halfvolle bioscoop, straatverlichting, defensie. c. Collectief goed: straatverlichting, defensie. Deze goederen voldoen aan beide voorwaarden: niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend. De andere goederen zijn individueel, ze voldoen aan geen of slechts een van de voorwaarden a. Individueel. Het goed is uitsluitbaar en rivaliserend. Het kan via de markt worden geleverd en dat gebeurt ook, want er zijn particuliere scholen.

23 b. Een particuliere opleiding is duur. Als er alleen particuliere scholen zijn, zullen veel kinderen geen opleiding kunnen volgen omdat hun ouders het niet kunnen betalen. De overheid wil dat ook kinderen van mensen met een laag inkomen onderwijs kunnen volgen. c. De belastingbetalers a. individueel collectief quasicollectief fiets x treinvervoer x x cola x schouwburg x x marine x discotheek x rechtspraak x autosnelweg x x b. Trein. Het openbaar vervoer wordt gesubsidieerd uit het oogpunt van milieu en om ook mensen met een laag inkomen toegang te verschaffen tot dit vervoer. Schouwburg. De overheid subsidieert cultuurgoederen (schouwburg, museum, bibliotheek) om de consumptie ervan de stimuleren. Deze consumptie bevordert de geestelijke volksgezondheid. Autosnelweg. In Nederland legt de overheid de infrastructuur aan. Op die manier kunnen de wegen beter op elkaar aansluiten en de veiligheid gecontroleerd worden a. Mogelijk is uitbesteden goedkoper omdat particuliere bedrijven prikkels ontvangen om efficiënt te werken. De overheid hoeft geen winst te maken en particuliere bedrijven hebben winst als belangrijkste doel. Ze zullen daardoor scherper op de kosten letten. b. Hoe meer afval iemand levert, des te hoger de kosten. Hierdoor worden de inwoners geprikkeld tot milieubewust gedrag. c. Het nadeel van betaling afhankelijk van de aangeboden hoeveelheid huisvuil is dat mensen het afval langs de kant van de weg zetten of dat er bergen huisvuil in de achtertuinen komen. Ook is er de kans dat mensen hun huisvuil illegaal in naburige gemeenten of in stille natuurgebieden dumpen. De mensen die veel afval maken proberen de kosten te vermijden a. Aandacht voor het milieu zou de kortetermijnbelangen van bedrijven kunnen schaden: hogere prijzen en een kleiner marktaandeel en/of lagere winsten. b. Lawaai als gevolg van de productie en consumptie van vliegreizen. Minder biodiversiteit door het kappen van oerwouden als gevolg van productie van houten vloeren. Dierenleed als gevolg van het consumeren van vlees.

24 5.20 a. Jij besteedt tijd en geld om je voortuin mooi te maken, maar voorbijgangers profiteren ervan zonder te hoeven betalen. b. Het organiseren van een muziekfestival in een stad heeft positieve externe effecten voor de horeca a. Hergebruiken van verpakkingsmateriaal zodat er minder afval is. Kosten van het opruimen van zwerfafval dekken. b. Nee, er komen door de heffing geen milieuvriendelijker verpakkingen. c. De hoeveelheid afval wordt niet minder, de prijs van de producten gaat erdoor omhoog en producenten moeten extra kosten maken. d. De kosten van het opruimen van zwerfafval worden betaald uit het afvalfonds dat op zijn beurt weer geld ontvangt van de verpakkingsbelasting. Dus uit de verpakkingsbelasting, die de consument betaalt, wordt het opruimen van zwerfafval betaald a. Vis is rivaliserend. De vis die door de een is gevangen, kan niet nog een keer door een ander worden gevangen. b. Vis is niet uitsluitbaar. De oceaan is, buiten de territoriale wateren, van niemand. Iedereen mag er vissen. c. Het dilemma is als volgt: niet vissen is geen goede keuze, omdat de kans bestaat dat een ander land de zee leegvist. Wel vissen is ook geen goede keuze omdat op die manier de vis zal uitsterven. Omdat een land niet weet wat andere landen doen, zal vissen de dominante strategie zijn, omdat dit op korte termijn de hoogste opbrengst geeft. d. Een wereldwijde bindende afspraak over vangstbeperking met een wereldtoezichthouder. Of: de eigendom van de zee toewijzen aan visserijlanden, zodat vis uitsluitbaar wordt a. Stilte kan alleen verkregen worden door het betalen van kosten voor woningisolatie. Stilte kan alleen verkregen worden door een vergelijkbare koopwoning buiten deze geluidszones te kopen tegen het betalen van een 'meerprijs'. b. Zone 1: 2,6% van 52 miljoen = 1,352 miljoen m 2. Zone 3: 2,3% van 28 miljoen = 0,644 miljoen m 2. Zone 5: 0,7% van 1 miljoen = 0,007 miljoen m 2. c. Zone 1: totaal waardeverlies/oppervlakte voor koopwoningen = / = 21,67. d. Zone 3: /0, = 93,94. Zone 5: /0, = 214,29.

25 e. Er is een extern effect omdat de verstoring van de stilte niet tot uitdrukking komt in de prijs van het luchtverkeer. Dit effect is negatief omdat het leidt tot een verlaging van de welvaart in ruime zin of omdat het leidt tot waardeverlies van de koopwoningen. f. Verlies aan welvaart bij sluiting Botenberg: = 0, ,3 = 7,9 (miljard euro). Totale waarde negatieve externe effecten mag dan zijn: 0, X = 7,9 X = 1,768 (miljard euro) voor de andere negatieve externe effecten.

26 Hoofdstuk 6 Wat moet ik met mijn oude telefoon 6.1 Er zitten steeds meer nieuwe functies op een mobieltje. Een mobiel is onder de jeugd erg modegevoelig. Er treden nog steeds nieuwelingen toe tot de markt. 6.2 Statiegeld invoeren op een mobieltje. Bij inleveren van een mobiel krijg je bv. een gratis toegangskaartje voor een pretpark. 6.3 a. Bij Max Havelaar koffie wordt extra gelet op de arbeidsomstandigheden. Bij houten-vloerbedekking van een bepaald keurmerk vindt er na het kappen van bomen herbeplanting plaats. b. Door MVO wordt er rekening gehouden met het milieu, waardoor er minder uitstoot is van schadelijke gassen (CO 2 ), minder tropisch hardhout wordt gekapt, etc. 6.4 People: 2, 4; Planet: 5, 6; Profit: 1, a. Het nationaal inkomen stijgt omdat deze activiteiten tot meer productie en inkomen leiden. b. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid zijn het geen verstandige keuzes want de voorraden grondstoffen raken sneller op. c. Het nationaal inkomen stijgt omdat deze activiteiten tot meer productie en inkomen leiden. d. Toekomstige generaties hebben minder vis en hout. Dus is het geen duurzame keuze. 6.6 Door een verbod op kinderarbeid en betere werkomstandigheden zullen productiekosten stijgen. Kinderen verdienen maar heel weinig. En betere werkomstandigheden kosten ook geld. Deze hogere kosten worden doorberekend in de prijzen. 6.7 a. Als de kinderen niet meer in de mijnen werken, wordt er minder goud gedolven en is er minder aanbod van goud. De prijs zal bij gelijkblijvende vraag hierdoor gaan stijgen. Als de kinderen niet meer in de mijnen werken, moeten volwassenen dit werk gaan doen en die moeten meer verdienen dan één euro per week. De prijs van het gevonden goud gaat hierdoor omhoog. b. Nu verdienen de kinderen een minibedrag en kunnen als ze volwassen zijn nauwelijks aan werk komen. Doordat de kinderen een opleiding krijgen, kunnen ze later wel werk vinden en geld verdienen. Het welvaartsniveau gaat omhoog.

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Verkenning 1 a De kosten van het onderzoek en het risico dat het mislukt moet worden afgewogen tegen de mogelijke winst als het onderzoek wel lukt en het

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Economie H5 : Markt & Overheid

Economie H5 : Markt & Overheid 1. De telefoniemarkt Het kan per land verschillen wat de overheid aanbiedt en wat door de bedrijven wordt aangeboden. Dit kan aan de politiek liggen maar ook aan de tijdsperiode. Voorbeelden telefonie,

Nadere informatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden 3.1 De reis van een spijkerbroek 1 3.1 De reis van een spijkerbroek Bedrijfskolom = De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct. Tussen elke schakel van de bedrijfskolom bevindt zich een

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Opgave 1 Vraag- en aanbodcurve met consumenten- en producentensurplus. Qv = -0,5p + 10 Qa = 0,5p 2 Qa = Qv Prijs in euro, q in stuks. 1. Teken de

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst havo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Economie. Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 samengevat 2 h2 samengevat 3 h3 samengevat 3, 4 & 5 h4 samengevat 5 h5 samengevat 6 & 7 h6 samengevat

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) volkomen concurrentie bij (2) niet bij (3)

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 maximale winst als MO

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5 Aanvullingen op de havo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen 4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen Vb. werknemers en werkgevers CAO-onderhandelingen via vakbonden Stel: vakbond van werknemers eist arbeidstijdverkorting van 4 uur per week; van 40 uur

Nadere informatie

Lesbrief Kopen en Werken 2 e druk Hoofdstuk 8 Markten 8.1 a. Aisha en Marije. b. Bovenbouwleerlingen.

Lesbrief Kopen en Werken 2 e druk Hoofdstuk 8 Markten 8.1 a. Aisha en Marije. b. Bovenbouwleerlingen. Hoofdstuk 8 Markten 8.1 a. Aisha en Marije. Bovenbouwleerlingen. 8.2 a. Schoonmaakbedrijven, glazenwassers, mobiele telefoonaanbieders, advocaten, enzovoort. Vuilophaaldienst, politie, openbaar vervoer,

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Opgave 1 1999 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Enige tijd geleden is de firma Lovers de exploitatie van de Kennemerland Express gestart, een treinverbinding tussen Amsterdam en IJmuiden.

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie 2014-I

Eindexamen vwo economie 2014-I Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat verantwoord autogebruik wordt beloond met premiekorting / onverantwoord gebruik wordt gestraft met premieverhoging, zodat voorzichtig rijgedrag

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. HET GROTE ONDERNEMERSSPEL 1 B 2 A 3 maximumscore 2 Voorbeeld van een juiste berekening: Loonkosten in twee jaar:

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - II

Eindexamen havo economie 2012 - II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Op de gegevens voor de top 10% van 1999

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: VWO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Onderneem t. Producenten gedrag. Uitwerkingen. Havo Economie 2010-2011 VERS

Onderneem t. Producenten gedrag. Uitwerkingen. Havo Economie 2010-2011 VERS Onderneem t Producenten gedrag Uitwerkingen Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Antwoorden en hints opdracht 1. a. enquête. b. kosten van de fietsenmaker, eigen kosten materiaal. c. Verschillende locaties in

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). 1. Prijselasticiteit van de vraag De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). %-verandering gevraagde hoeveelheid (gevolg)

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola)

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Lesbrief Consument en Producent Hoofdstuk 1 De klant Marktaandeel van een merk: geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Afzet

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

2 Katern Consumenten en producenten

2 Katern Consumenten en producenten Vwo-katern 2 Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Consumenten en producenten 2 Katern Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Het gedrag van de consument Opdracht 1 a Bijvoorbeeld via reclame of via prijsacties.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016 TOELATINGSTOETS M&O VUL IN: Datum 14-1-2016 Naam en voorletters. Adres. Postcode. Woonplaats. Geboortedatum / / Plaats Land. Telefoonnummer. E-mail. Gekozen opleiding. OPMERKINGEN: Tijdsduur: 90 minuten

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 monopolie 2 maximumscore 3 bij

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC)

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC) TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC) Het maximaal aantal te behalen punten voor deze toets is 90. Bij elke vraag of opdracht staat aangegeven hoeveel punten u daarvoor kunt halen. De beschikbare examentijd

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

blz. 84 titel figuur 6.4 wordt: Netto profijt per jaar van burgers naar leeftijdsgroepen (gemiddeld per persoon)

blz. 84 titel figuur 6.4 wordt: Netto profijt per jaar van burgers naar leeftijdsgroepen (gemiddeld per persoon) Lesbrieven vwo Lesbrief Levensloop blz. 20, kennenlijst, laatste stip eerste rij: koopkracht van het inkomen blz. 20, kennenlijst, tweede rij, 6 e stip: tit-for-tatstrategie blz. 20, kennenlijst, tweede

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Memokaart A01 Rekenen met procenten

Memokaart A01 Rekenen met procenten Memokaart A01 Rekenen met procenten Procent betekent 1% = 1/100 = 0,01 = één honderdste deel 10% = 10/100 = 0,1 = tien honderdste deel Uitdrukken in procenten Jan had tien knikkers en hij heeft er nu elf.

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 290 100% = 117,9% 306 160 + 100 Een andere juiste

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: HAVO EAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die

Nadere informatie

Bedrijfseconomie. B-cluster BBBBEC2A.1

Bedrijfseconomie. B-cluster BBBBEC2A.1 Bedrijfseconomie B-cluster BBBBEC2A.1 Succes met leren Leuk dat je onze bundels hebt gedownload. Met deze bundels hopen we dat het leren een stuk makkelijker wordt. We proberen de beste samenvattingen

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 De kledingmarkt 1.1 ergens een mouw aan passen. iemand de mantel uitvegen. een wolf in schaapskleren.

Hoofdstuk 1 De kledingmarkt 1.1 ergens een mouw aan passen. iemand de mantel uitvegen. een wolf in schaapskleren. Hoofdstuk 1 De kledingmarkt 1.1 ergens een mouw aan passen. iemand de mantel uitvegen. een wolf in schaapskleren. 1.2 a. b. Verschil in behoeften? Verschil in besteedbaar inkomen? 1.3 Verschil in behoeften.

Nadere informatie

Het Vijfkrachtenmodel van Porter

Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het Vijfkrachtenmodel van Porter (een concurrentieanalyse en de mate van concurrentie binnen een bedrijfstak) 1 Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het vijfkrachtenmodel is een strategisch model wat de aantrekkelijkheid

Nadere informatie

Extra opgaven module 2 vwo 5

Extra opgaven module 2 vwo 5 Opgave 1 vwo ec1 2002-1 Huizenprijs in Nederland torenhoog Tussen 1997 en 2000 zijn de prijzen van koopwoningen en de inflatie gestegen (figuur 1). Twee belangrijke oorzaken van de gestegen huizenprijzen

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2013-I

Eindexamen havo economie 2013-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen).

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen). Basiskennis Ondernemerschap Correctiemodel Vraag 1 Toetsterm 1.1 - Beheersingsniveau: B - Aantal punten: 1 In Alkmaar wordt elke vrijdag een kaasmarkt gehouden. De kazen worden aangeleverd door de producenten

Nadere informatie

Eindexamen m&o havo 2009 - I

Eindexamen m&o havo 2009 - I Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 2 625 + 175 = 800 eenheden 2 maximumscore 3 Verkoopresultaat = 2000 800 = 2,50 per stuk 1 Kostprijs = 4 + 1 = 5 1 Verkoopprijs = 5 + 2,50 = 7,50 1 3 maximumscore

Nadere informatie

Herhaling vwo 4. Module 1, 2 en 3. Herhaling vwo 4 module 1, 2, 3. Domeinen ruil, schaarste, markt.

Herhaling vwo 4. Module 1, 2 en 3. Herhaling vwo 4 module 1, 2, 3. Domeinen ruil, schaarste, markt. Herhaling vwo 4 Module 1, 2 en 3 1 Problemen 1. Overzicht over de stof 2. Vergelijkingen oplossen 3. Oplosstappen TWmax 4. Tekenen van grafieken 5. Leerwerk verbeteren 6. Lezen van opgaven (m.i. grootste

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 600 bezoekers (2.800 2.200) 2 maximumscore

Nadere informatie

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 & 5 h5 samengevat 6 wat moet weten 7 & 8 Begrippen 8,

Nadere informatie

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Sytze Rienstra en Jan van Donkelaar, 15 januari 2010 Er is de laatste tijd bij de beoordeling van projecten voor de binnenvaart veel discussie over

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend. MINpunten 1 maximumscore 1 2 / 6 x 100 % = 33,3% 2 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste reden: Klantenbinding:

Nadere informatie

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn.

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Basiskennis Ondernemerschap Voorbeeldexamen Belangrijke informatie Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Dit voorbeeldexamen bestaat

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Aantekeningen Economie VWO-5 onderdeel 2: Markten (het vervolg )

Aantekeningen Economie VWO-5 onderdeel 2: Markten (het vervolg ) Aantekeningen Economie VWO-5 onderdeel 2: Markten (het vervolg ) Hoofdstuk 10 1 In dit hoofdstuk komen de laatste drie marktvormen (van de vier) aan de orde. Bij alle drie is er sprake van onvolkomen markten.

Nadere informatie

2 Constante en variabele kosten

2 Constante en variabele kosten 2 Constante en variabele kosten 2.1 Inleiding Bij het starten van een nieuw bedrijf zal de ondernemer zich onder andere de vraag stellen welke capaciteit zijn bedrijf moet hebben. Zal hij een productie/omzet

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Examen VMBO-BB 2005 ECONOMIE CSE BB. tijdvak 1 donderdag 2 juni 9.00 10.30 uur. 12-10-2004 Versie vaststelling. Naam kandidaat Kandidaatnummer

Examen VMBO-BB 2005 ECONOMIE CSE BB. tijdvak 1 donderdag 2 juni 9.00 10.30 uur. 12-10-2004 Versie vaststelling. Naam kandidaat Kandidaatnummer Examen VMBO-BB 2005 12-10-2004 Versie vaststelling tijdvak 1 donderdag 2 juni 9.00 10.30 uur ECONOMIE CSE BB Naam kandidaat Kandidaatnummer Beantwoord alle vragen in dit opgavenboekje. Dit examen bestaat

Nadere informatie

pdf05 GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID in de EU

pdf05 GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID in de EU pdf05 GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID in de EU MARKT- en PRIJSBELEID Het gemeenschappelijk landbouwbeleid beoogt o.a. de agrarische bevolking een redelijk inkomen te verschaffen en de consumenten te verzekeren

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2 Aanvullingen op de vwo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS Valutamarkt De euro op koers Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Hoofdstuk 1 : Inleiding Opdracht 1 a. Dirham b. Internet c. Duitsland - Ierland - Nederland - Griekenland - Finland - Luxemburg - Oostenrijk

Nadere informatie

OPEN VRAGEN 1. Welke ondernemingsvorm komt het meest voor in Nederland en wat zouden daarvoor de belangrijkste redenen kunnen zijn?

OPEN VRAGEN 1. Welke ondernemingsvorm komt het meest voor in Nederland en wat zouden daarvoor de belangrijkste redenen kunnen zijn? Vragen hoofdstuk 3: De onderneming nader bekeken OPEN VRAGEN 1. Welke ondernemingsvorm komt het meest voor in Nederland en wat zouden daarvoor de belangrijkste redenen kunnen zijn? 2. Noem minimaal drie

Nadere informatie