EINDWERK: Handleiding ontwerp elektrische installatie

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "EINDWERK: Handleiding ontwerp elektrische installatie"

Transcriptie

1 EINDWERK: Handleiding ontwerp elektrische installatie Studiegebied Industriële Wetenschappen en Technologie Opleiding Elektromechanica Optie Elektrotechniek Academiejaar Kim Stevens

2 WOORD VOORAF De voorbije vier jaar was een heel boeiende en leerrijke ervaring. Met dit eindwerk kwam dan ook de uitgelezen mogelijkheid om alle opgedane kennis in die vier jaar om te zetten in de praktijk. Langs deze weg wil ik dan ook iedereen bedanken die mij gedurende deze periode met raad en daad heeft bijgestaan om tot de verwezenlijking van dit eindwerk te komen. In eerste plaats wil ik dhr. Mark Benaets en dhr. Stijn Vanhaverbeke bedanken voor hun begeleiding en hulp gedurende de stageperiode en tijdens het verder verloop van het eindwerk. Dankzij hun kennis heb ik heel wat bijgeleerd. Niet alleen de theoretische kennis maar vooral de praktische kennis. Ook moet er zeker een woord van dank uitgaan naar de docenten van de PIH voor de begeleiding en opleiding die ze gegeven hebben gedurende het verloop van de studies. In het bijzonder wil ik dhr. Steve Dereyne bedanken, promotor en begeleider van dit eindwerk. Als laatste wil ik zeker en vast mijn ouders bedanken, die een voortdurende morele steun geboden hebben om te komen tot waar ik nu ben.

3 INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE...I LIJST VAN SYMBOLEN EN AFKORTINGEN...V LIJST VAN FIGUREN... IX LIJST VAN TABELLEN...X 1 INLEIDING CHECKLIST ELEKTRISCHE INSTALLATIE STROOMVOORZIENING AARDING SCHAKELKASTEN LEIDINGEN LEIDINGDISTRIBUTIEKANALEN INSTALLATIEMATERIAAL VERLICHTING AANMELDING PERSONEN TELEFONIE EN DATA RADIO + TELEVISIE BRAND ELEKTRISCHE TOESTELLEN SPECIFIEKE TOEPASSINGEN NAARGELANG FUNCTIE GEBOUW LICHTBEREKENINGEN INLEIDING BZ METHODE Inleiding Voorbeeld Afmetingen lokaal Weerkaatsingsfactoren Gegevens verlichtingstoestel Behoudsfactor Bepaling van het aantal toestellen Voorstel schikking armaturen Controleberekeningen SOFTWARE - BEREKENING Dialux Voorbeeld Kiezen project Afmetingen lokaal Parameters Armaturen selecteren Armaturenveld invoegen Berekening uitvoeren Besluit BRANDBEVEILIGING INLEIDING NOODVERLICHTING Normen en voorschriften Indeling Nood evacuatieverlichting Anti paniekverlichting Verlichting voor werkplekken met een verhoogd risico Vervangingsverlichting Voorschriften omtrent plaatsing en meting Verlichtingssterkten Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie I

4 Signalisatie Armatuurafstanden Noodverlichtingssysteem Centraal systeem Decentraal systeem Noodverlichtingsfuncties Testen van de installatie ROOKDETECTORS Inleiding Optische detector Ionische detector Thermovelocimetrische detector Thermomaximaal detector UV vlamdetector HANDBRANDMELDERS SIRENES BRANDHASPELS DEURMAGNETEN ROOKKOEPELS BRANDCENTRALE Inleiding Conventionele brandcentrale Analoog adresseerbare brandcentrale BRANDCENTRALE TOEGEPAST OP PROJECT BESLUIT COMMUNICATIE INLEIDING PRINCIPESCHEMA DATANETWERK TYPE DATAKABEL DATAKAST TOEGEPAST OP PROJECT R+TV DISTRIBUTIE MUZIEK BESLUIT ONTWERP VAN DE INSTALLATIE VOLGENS TT INLEIDING BEPALEN VAN DE KALIBERS VAN DE BEVEILIGINGEN Verlichting Berekenen vermogen Bepalen beveiliging Kringen Berekenen vermogen Bepalen beveiliging Kringen onmiddellijk op binnenkomende aansluiting BEPALEN VAN DE DOORSNEDE VAN DE KABELS BEREKENING VAN DE MAXIMALE SPANNINGSVAL IN EEN KRING BEPALEN KORTSLUITSTROMEN Inleiding Bepalen I cc stroomopwaarts in functie van I cc stroomafwaarts Bepalen I cc op een willekeurig punt van de installatie KEUZE BEVEILIGINGSINRICHTINGEN SELECTIVITEIT Inleiding Selectiviteit bij vermogenschakelaars Selectiviteit bij differentieelschakelaars FILIATIE Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie II

5 7 TT NETSTELSEL TOEGEPAST OP PROJECT INLEIDING BEPALEN VAN DE KALIBERS VAN DE BEVEILIGINGEN Verlichting Elektrisch bord polyvalente zaal Elektrisch bord polyvalente diensten ALSB Stopcontacten Elektrisch bord polyvalente zaal Elektrisch bord polyvalente diensten ALSB Hoofdbeveiligingen borden Elektrisch bord polyvalente zaal Elektrisch bord polyvalente diensten ALSB BEPALEN VAN DE GROOTTE VAN DE KABELS BEPALEN MAXIMALE SPANNINGSVAL BEPALEN KORTSLUITSTROMEN KEUZE BEVEILIGINGSINRICHTINGEN Inleiding Automaten Differentieelautomaat Vermogenschakelaar CONTROLE VAN DE AFSCHAKELTIJDEN SELECTIVITEIT Differentieelautomaat of lastscheider Controle selectiviteit automaten ONTWERP VAN DE INSTALLATIE VOLGENS TN INLEIDING TN - NETSTELSEL TOEGEPAST OP PROJECT INLEIDING BEVEILIGING TEGEN ONRECHTSTREEKSE AANRAKING VERGELIJKING TT EN TN NETSTELSEL TT NETSTELSEL TN NETSTELSEL BESLUIT CONDENSATORBATTERIJ ACTIEF EN REACTIEF VERMOGEN SCHIJNBAAR VERMOGEN NADELEN VAN EEN SLECHTE ARBEIDSFACTOR Belasting van het voedingsnet De kostprijs van reactief vermogen COMPENSATIE VAN REACTIEF VERMOGEN VOOR EN NADELEN VAN COMPENSEREN Voordelen voor de leverancier Voordelen voor de klant Nadelen BEPALEN CONDENSATORBATTERIJ Op basis van elektriciteitsfactuur Op basis van vermogendriehoek CONDENSATORBATTERIJ TOEGEPAST OP PROJECT WIJZE VAN COMPENSEREN Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie III

6 12 OPBOUW HOOGSPANNINGSCABINE INLEIDING HOOGSPANNINGSCHAKELAARS Vermogenschakelaar Lastschakelaar Scheidingschakelaar SF 6 schakelaar HOOGSPANNINGSCABINE Eisen gesteld aan de hoogspanningscabine Plaats en toegankelijkheid van de cabine Ligging buizen en aansluitkabels Verluchting Verlichting en stopcontacten De aarding Compartimenten in de cabine De aankomstcel en vertrekcel Beveiligingscel Meetcel Karakteristieken van de HS schakelapparatuur Bepaling kabeldoorsneden in de cabine Gekozen HS apparatuur COMPACTE HS SCHAKELEENHEID UPS INLEIDING DYNAMISCHE UPS Vliegwiel als energievoorziening Batterij als energievoorziening STATISCHE UPS Online UPS Offline UPS TOEGEPAST OP PROJECT KOSTPRIJSBEREKENING BESLUIT LITERATUURLIJST BIJLAGEN Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie IV

7 LIJST VAN SYMBOLEN EN AFKORTINGEN U Spanningsval over x meter kabel ω Hoekfrequentie ρ Soortelijke weerstand van een geleider φ Hoek tussen actief en reactief vermogen na compensatie δ Behoudsfactor η i η s A A of S ALSB AREI B c C CIS d DECT e E EB EHBO EMI F tot FTP Gltf h H HOV HS HUB HVAC Onderhemisferisch rendement Bovenhemisferisch rendement Oppervlakte van een lokaal Doorsnede van een kabel of geleider Algemeen laagspanningsbord Algemeen reglement op de elektrische installaties Breedte van een lokaal Spanningsfactor Capaciteitswaarde Centraal inspectie systeem Herkenningsafstand Digital enhanced cordless communications Afstand tussen de armaturen Verlichtingssterkte Elektrisch bord Eerste hulp bij ongevallen Elektromagnetische interferentie Totale lichtstroom Foiled twisted pair Gelijktijdigheidsfactor Nuttige hoogte van een lokaal Hoogte van een lokaal Hoog onderbrekingsvermogen Hoogspanning Apparaat in een netwerk die een datapakketje doorstuurt naar alle poorten in het netwerk Heating ventilation and airconditioning Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie V

8 IT I B I cc I dyn I magn I nom I th I r I z I z I IGBT ISO IR I²R k k K L LED L max LS LSB m m MS N p P PC P cu PE Isolé terre Belastingsstroom Kortsluitstroom Piekwaarde van de stroom Stroom waarbij het magnetische gedeelte van de automaat wordt aangesproken Nominale stroom Korteduurstroom Toegekende permanente stroom Maximum toelaatbare stroom Fictieve maximum toelaatbare stroom Stroom Insulated gate bipolar transistor International standard organization Infra - rood Jouleverliezen Lokaalindex Een constante nodig om de afschakeltijd te berekenen Correctiefactor ter bepaling van de doorsnede van een kabel Lengte Light emitting diode Maximum lengte van een kabel Laagspanning Laagspanningsbord Verhouding tussen de doorsnede van een fase en een beschermingsgeleider. Belastingsfactor Middenspanning Aantal toestellen per rij De hoogte van een pictogram Actief vermogen Personal computer Koperverliezen Beschermingsgeleider Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie VI

9 PEN PL PTC P tot Q Q c R+TV R R RF RFI R t S S fase S KQ S PE t TI TL TN TN-C TN-S TP TT u i u s U U k of U cc U n UPS U r UTP UV V expl Beschermingsgeleider + nulgeleider Staat voor spaarlamp of compacte fluorescentielamp Positieve temperatuurscoëfficiënt Totaal actief vermogen Reactief vermogen Gecompenseerd reactief vermogen Radio en televisie Weerstand Aantal rijen aan armaturen Résistance feu Radiofrequentie interferentie Totale weerstand Schijnbaar vermogen Fasedoorsnede Kortsluitvermogen Doorsnede van de beschermingsgeleider Afschakeltijd van een beveiliging Stroommeettransformator Staat voor fluorescentielamp of tube light Terre neutre Terre neutre - combiné Terre neutre - séparé Spanningsmeettransformator Terre terre Onderhemisferische utilantie Bovenhemisferische utilantie Spanning Kortsluitspanning Nominale spanning Uninterruptable power supply Toegekende spanning Unshielded twisted pair Ultraviolet Exploitatiefactor Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie VII

10 VOBst VREG VVT X X X t Y Z Z Q Staat voor soepele geleiders Vlaamse reguleringsinstantie voor de elektriciteits en gasmarkt Telefoonkabel Reactantie De verhouding van de afmeting van het lokaal, gemeten loodrecht op de lengterichting, tot de hoogte H Totale reactantie De verhouding van de afmeting van het lokaal, gemeten evenwijdig op de lengterichting, tot de hoogte H Impedantie Kortsluitimpedantie Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie VIII

11 LIJST VAN FIGUREN Fig. 3.1 Toegepast verlichtingstoestel... 8 Fig. 3.2 Polair lichtsterktekromme gekozen armatuur... 8 Fig. 3.3 Opstelling armaturen Fig. 3.4 Afstanden tussen armaturen Fig. 3.5 Kiezen project Fig. 4.1 Onderverdeling noodverlichting Fig. 4.2 Anti -paniekverlichting Fig. 4.3 Vluchtwegverlichting Fig. 4.4 Herkenningsafstand Fig. 4.5 Statusinformatie bij zelftest Fig. 4.6 IR afstandsbediening Fig. 4.7 Optische rookdetector Fig. 4.8 Handbrandmelder Fig. 4.9 Deurmagneet Fig Principeschema rookkoepels Fig Principeschema brandcentrale Fig Schema brandcentrale van het project Fig. 5.1 Datanetwerk Fig. 5.2 Patch panel Fig. 5.3 Maximum afstand tussen onderdelen Fig. 5.4 Bandbreedtes Fig. 5.5 Invloed storingsbronnen op kabel Fig. 5.6 UTP categorie 6 kabel Fig. 5.7 Categorie 6 connector Fig. 5.8 Datakast project Fig. 5.9 Schema R+TV distributie Fig. 8.1 Kortsluiting fase aarde Fig. 8.2 Terugkerende nulgeleiderstroom Fig Vermogendriehoek Fig Vermogenstromen Fig Vermogendriehoek met compensatie Fig Wijze van compenseren Fig Verlichtingsterkte in cabine Fig SF 6 - schakelaar Fig HS - cabines in lusstructuur Fig Uitschakelcurve Fig HS - meting via 3 wattmetermethode Fig Elastimolds - verbindingstuk Fig Grondplan HS - cabine Fig Detailtekeningen transformator en HS - cellen Fig HS ééndraadschema Fig Compacte eenheid Fig Geprefabriceerde HS - cabine Fig Netvervuiling Fig Dynamische UPS Fig Online UPS Fig Offline UPS Fig UPS voor kantoorgebruik Fig Kostprijsanalyse Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie IX

12 LIJST VAN TABELLEN Tabel 3.1 Gegevens armatuur... 9 Tabel 4.1 Afstandstabellen - voorbeeld Tabel 6.1 Richtwaarden vermogens Tabel 6.2 Binnenkomende aansluitingen Tabel 6.3 Bepalen kabeldoorsnede Tabel 6.4 Maximale spanningsval Tabel 6.5 Correctiefactor ( m ) voor Kortsluitstroom Tabel 6.6 Selectiviteit bij differentieels Tabel 7.1 Bepalen doorsnede en type van de kabel Tabel 7.2 Berekening weerstanden en reactanties Tabel 12.1 Karakteristieken HS - apparatuur Tabel 12.2 Keuze HOV - smeltzekeringen Tabel 12.3 Gegevens HS - apparatuur Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie X

13 1 INLEIDING Zoals de titel aangeeft, is het hoofddoel van dit eindwerk het uitwerken van een handleiding om te komen tot een ontwerp van een elektrische installatie die voldoet aan alle opgelegde reglementeringen en wetten, gaande van lichtberekeningen tot het plaatsen van een hoogspanningscabine. Het eindwerk startte tijdens de stage bij studiebureau De Klerck met de toewijzing van een project. Studiebureau De Klerck is toonaangevend binnen het gebied van het ontwerpen en opvolgen van de realisatie van stabiliteitsprojecten, HVAC en elektrische installaties. Mijn eindwerk situeert zich in het gebied van de elektrische installaties. Het toegewezen project was een sportcomplex met twee sportzalen en een aantal lokalen met algemene functie. De bestaande situatie moest aangepast worden zodat er in plaats van de bestaande hockeyzaal een cultuurzaal kwam. Tevens dienden de nodige polyvalente diensten te worden voorzien. Oorspronkelijk was het gebouw uitgevoerd in TT, 3x230V+N. Het type netstelsel moest behouden blijven maar een omschakeling naar 3x400V+N was noodzakelijk. Om te komen tot het hoofddoel van het eindwerk, namelijk het aanleggen van een handleiding voor beginnende ontwerpers, werd gebruik gemaakt van bovenstaand beschreven project. Zo heeft de lezer niet enkel de theoretische achtergrond maar kan hij deze onmiddellijk toetsen aan de praktijk. Lichtberekeningen, brandveiligheid, communicatie, hoogspanningscabine, situatieschema, ééndraadsschema, elektrische borden, plaatsen van een UPS, zijn allemaal aspecten die inherent aanwezig zijn in een ontwerp van een elektrische installatie. Hieruit blijkt dus ook onmiddellijk dat men niet enkel en alleen maar te maken heeft met elektriciteit. Als ontwerper van een elektrische installatie moet men van alles op de hoogte zijn om te voldoen aan de gewenste eisen zodat men het gewenste resultaat bekomt. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 1

14 2 CHECKLIST ELEKTRISCHE INSTALLATIE Het ontwerpen van een installatie wordt dikwijls belemmerd door welbepaalde eisen die de opdrachtgever en/of architect eisen. Daarom is het belangrijk een nauw contact te hebben met de architect. Als ontwerper krijgt men meestal de architectuurplannen van de architect. Op deze plannen kan men dan de elektrische installatie ontwerpen. Dit betekent dat wanneer de plannen plotseling aangepast worden, dat de ontwerper zijn reeds ontworpen installatie moet aanpassen aan de eisen van de architect. Meestal begint men met een voorontwerp. Het kan dan zijn dat dit ontwerp volgens de architect moet aangepast worden. Bijvoorbeeld de architect wil een bepaalde sfeerverlichting of accentuatieverlichting invoeren. Als ontwerper dient men natuurlijk ook voorstellen te doen naar de architect toe. Daarom is het belangrijk dat men bij de aanvang van het project zoveel mogelijk informatie kan achterhalen. Volgende checklist is daarbij een goed hulpmiddel. Op deze manier is er een goede verstandhouding tussen de ontwerper en de architect en vermijdt men eventuele problemen die na het ontwerp kunnen optreden. 2.1 Stroomvoorziening Waar staat het voedingsbord? Waar staat de teller? Welk vermogen is er beschikbaar? Contacten met nutsmaatschappijen 3x230V of 3x400V+N? Tracé? Binnenkomst kabels? Hoogspanningscabine: compact of apart gebouwtje? 2.2 Aarding TT, TN of IT aardingsnet? Moet de aardingsweerstand worden uitgemeten? Aardingslus of aardingspen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 2

15 2.3 Schakelkasten Plaats elektrisch bord? Meerdere borden? 2.4 Leidingen Waar leidingen inbouw en waar opbouw? Overleg met de architect. 2.5 Leidingdistributiekanalen Moeten er kabelgoten, wandgoten, vloergoten voorzien te worden? 2.6 Installatiemateriaal Inbouw, hermetische opbouw in bergingen en technische ruimtes? Meerfasige toestellen? CEE? Bewegingsdetectoren ( toiletten, burelen, )? Zijn er ruimtes aanwezig die specifieke voorzieningen nodig hebben? Bankcontact voorziening? 2.7 Verlichting Waar verlaagd plafond? Type verlaagd plafond? Verlichtingsvoorstel architect bekijken Buitenverlichting? Sfeerverlichting? Accentuatieverlichting? Noodverlichting! Veiligheidsverlichting! Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 3

16 2.8 Aanmelding personen Binnen belet aan burelen? Videofonie? Parlefonie? Toegangscontrole ( badge?) 2.9 Telefonie en data Telefonie over UTP bekabeling? Plaatsen DECT zender? Telefooncentrale? Aantal digitale en analoge lijnen? Patch of datakast? Plaats? 2.10 Radio + televisie Waar dienen er R+TV stopcontacten voorzien te worden? Luidsprekers? Dienen er geluidsinstallaties voorzien te worden? Digitale TV 2.11 Brand Welke is de bestaande brandcentrale in het gebouw? Type brandcentrale? Analoog adresseerbaar of conventioneel? Waar dient er gedetecteerd te worden? Bij brand zelfsluitende deuren? Detectoren, brandhaspels, Zie brandweerverslag! 2.12 Elektrische toestellen Te voorzien? Keukentoestellen? Andere? Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 4

17 2.13 Specifieke toepassingen naargelang functie gebouw Verpleegoproep ( ziekenhuizen / rusthuizen ) Multimediavoorzieningen? Theateruitrustingen? Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 5

18 3 LICHTBEREKENINGEN 3.1 Inleiding De eerste stap om aan het elektrisch gedeelte van een project te starten is het maken van de nodige lichtberekeningen. Aan de hand van deze berekeningen kan men te weten komen of men in die bepaalde ruimte voldoende verlichtingssterkte hebben. Met andere woorden, hoeveel armaturen moeten er in de ruimte aanwezig zijn om aan de gewenste verlichtingssterkte te voldoen? Hierbij komen heel wat parameters aan bod waar men rekening mee moet houden en die een invloed uitoefenen op de verlichtingssterkte. Denkt men maar aan de verblinding, behoudsfactor, weerkaatsing, De klassieke methode om de berekeningen uit te voeren maakt gebruikt van een gestandaardiseerde methode ( NBN 672, terug te vinden in BIJLAGE 10 ), maar tegenwoordig bestaan er al heel wat programma s die de berekeningen voor ons uitvoeren. Aan de hand van een voorbeeld zullen beiden methoden uitgewerkt worden. 3.2 BZ methode Inleiding De BZ methode is een algemeen erkende methode om de nodige lichtberekeningen uit te voeren op de desbetreffende ruimte. Natuurlijk zijn er een aantal basisgegevens nodig, zoals daar zijn: De afmetingen van het lokaal waarvan je de lichtberekeningen wil uitvoeren. De weerkaatsingsfactoren van het plafond, de wanden en de vloer. Welke type verlichtingstoestel er wordt gebruikt. ( TL, PL, halogeen, ) Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 6

19 De behoudsfactor. Deze factor heeft betrekking op het algemeen onderhoud van het verlichtingstoestel en van de atmosferische condities in het lokaal. Denkt men maar aan de concentratie van de stofdeeltjes. Voorts hebben hier ook betrekking op, het lamptype, de ventilatie van het verlichtingstoestel en de aard van de diffusor. Deze laatste betekent of men te maken heeft met een raster of vast materiaal. De fotometrische steekkaart van het verlichtingstoestel. Het type van verlichtingstoestel wordt ook altijd afgewogen ten opzichte van de werkzaamheden die uitgevoerd zullen worden in het lokaal. Naast de basisgegevens zijn er ook een aantal technische documenten beschikbaar, conform de norm NBN 672, die het mogelijk maken de controleberekeningen uit te voeren nadat men het aantal armaturen berekend heeft en een schikking van armaturen gevonden heeft. Hierbij zal men onder andere de factor e/h ( verhouding afstand tussen armaturen en de nuttige hoogte van het lokaal ) en de verblindingsfactor controleren zodat deze een vooropgestelde waarde niet overschrijdt Voorbeeld Afmetingen lokaal De ruimte betreft een bureel met volgende afmetingen: lengte is 6.06m, breedte is 4.40m en de hoogte bedraagt 2.95m. De nuttige hoogte van het lokaal is een factor 0.8 lager ( NBN 672 ), namelijk 2.15m ( = werkvlakhoogte ) Weerkaatsingsfactoren De weerkaatsingsfactoren, met betrekking tot wand / vloer / plafond, zijn heel moeilijk te bepalen. Men zal deze daarom kiezen op de standaardverhoudingen van 70/50/ Gegevens verlichtingstoestel Het gekozen verlichtingstoestel betreft een TL armatuur 4x18W. Dit type van armatuur is ideaal voor in kantooromgevingen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 7

20 Fig. 3.1 Toegepast verlichtingstoestel Ieder verlichtingstoestel heeft een lichtsterktekromme die weergeeft hoeveel licht de lichtbron zal uitzenden in een bepaalde richting. Hoe breder de curve, hoe groter de hoek wordt waaronder het toestel zijn licht zal uitstralen. Aan de hand van deze diagrammen is men gekomen tot verschillende BZ klassen. Gaande van BZ1 tot BZ10. Men heeft hierin twee grote categorieën. De klassen BZ1-BZ5 betreffen de fijnstralers. Deze zullen het licht slechts onder een heel kleine hoek kunnen uitstralen. BZ1 bijvoorbeeld zal zijn licht loodrecht naar beneden uitstralen. De andere klassen, BZ6-BZ10, betreffen de breedstralers. Fig. 3.2 Polair lichtsterktekromme gekozen armatuur Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 8

21 De overige gegevens die door de fabrikant gegeven worden zijn de volgende: Tabel 3.1 Gegevens armatuur Lichtstroom 5400 lm Reflectiewaarden 70/50/20 Bovenhemisferisch rendement 0% Onderhemisferisch rendement 64% BZ type Vermogen armatuur BZ2 77W Meestal wordt een opdeling gemaakt in de uitgestraalde lichtstroom. Een deel van het totaal aan geïnstalleerde lichtstroom zal naar boven en een deel naar onder worden uitgestraald. In deze optiek wordt er daarom gesproken van een bovenhemisferisch en onderhemisferisch rendement zijnde respectievelijk de verhouding van naar boven uitgestraalde lichtstroom op de geïnstalleerde lichtstroom en de verhouding van het naar onder uitgestraalde lichtstroom op de geïnstalleerde lichtstroom. De classificatie valt hier onder de BZ2 methode. Dit wil zeggen dat men dus werkt onder de noemer van fijnstralers Behoudsfactor De behoudsfactor zal hier meestal op een standaard waarde van 0.85 vastgesteld worden. ( tabel VII in norm ) Bepaling van het aantal toestellen Het aantal toestellen dat aanwezig zal moeten zijn zal logischerwijze de verhouding zijn van de vereiste totale lichtstroom op de lichtstroom van het toestel. Men moet dus de totale lichtstroom bepalen afhankelijk van de verlichtingsterkte die aanwezig zal moeten zijn. Daarom is er in de norm een tabel opgenomen met vooraf bepaalde minimum vereisten aan verlichtingsterkten in verschillende types van lokalen. Aangezien het hier gaat om een bureel zal de gewenste verlichtingssterkte minimum 500 lux moeten bedragen. ( Zie norm in bijlage 10 ). Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 9

22 De algemene formule om de verlichtingssterkte in een lokaal te bepalen beantwoordt aan: Ftot. Vexp l E = waarbij V expl = U. δ A Met: E: Gewenste verlichtingssterkte ( lux ) F tot : De totale lichtstroom ( lumen ) V expl : Exploitatiefactor A: Oppervlakte van het lokaal ( m² ) U: Nuttigheidsgraad δ: Behoudsfactor 1. Berekenen nuttigheidsgraad U = U i + U S = ( ui. η i ) + ( us. η s ) Met: u i : Onderhemisferische utilantie u s : Bovenhemisferische utilantie η i : Onderhemisferisch rendement η s : Bovenhemisferisch rendement Om de onder en bovenhemisferische utilantie te bepalen moet men opnieuw gebruik maken van de norm die tabellen ter beschikking stelt om de utilantie waarden te bepalen in functie van de lokaalindex en de weerkaatsingsfactoren van het lokaal. ( tabellen IV-5 en VI ) Hierbij bedraagt de lokaalindex: k = L. B H.( L + B) = 6,06.4,4 2,15.(6,06 + 4,4) = 1.19 Met: L: Lengte van het lokaal B: Breedte van het lokaal H: Nuttige hoogte van het lokaal Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 10

23 Met de lokaalindex berekent en de reeds gegeven weerkaatsingsfactoren bedragen de bovenhemisferische en onderhemisferische utilanties respectievelijk 0.47 en Zodoende bekomt men voor de nuttigheidgraad U = U + U = u. η ) + ( u. η ) = (0,74.0,64) + (0,47.0) = i S ( i i s s 2. Bepalen exploitatiefactor V expl Deze factor houdt dan nog eens rekening met de behoudsfactor. Deze bedraagt hier 0.85, zodat men een exploitatiefactor V expl uitkomt van 0, ,85 = Vereiste lichtstroom Uit (2.1) haalt men de vereiste lichtstroom: F tot E. A = V exp l = 500.(4,4.6,06) = lumen Het aantal lampen nodig om aan deze lichtstroom te komen wordt dan het quotiënt van de totale lichtstroom met de lichtstroom uitgestraald door de armatuur zelf: Ftot Aantal lampen = = 6 F 5400 lamp Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 11

24 Voorstel schikking armaturen Fig. 3.3 Opstelling armaturen Men probeert een zo gelijkmatig mogelijke afstand te bekomen tussen de armaturen onderling zowel in dwars als in langsrichting om zodoende een goede lichtverdeling te bekomen. Stel dat N het aantal toestellen is per rij, R het aantal rijen aan armaturen, L de lengte van het lokaal en B de breedte van het lokaal. De afstand tussen de armaturen in één rij moet gelijk zijn aan L/N terwijl de afstand van de eerste armatuur tot de wand gelegen in y - richting gelijk moet zijn aan L/2N. Hetzelfde geldt voor de afstand tussen de rijen. Deze moet gelijk zijn aan B/R terwijl de afstand van de eerste armatuur in de rij tot de wand gelegen in x richting gelijk moet zijn aan B/2R. Toegepast op ons voorbeeld wordt dit dan: Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 12

25 Fig. 3.4 Afstanden tussen armaturen Controleberekeningen 1. Controle van de gelijkmatige verlichtingssterkte Om de gelijkmatigheid van de verlichtingsterkte in het lokaal te verifiëren moet men de verhouding van e/h kennen. Hierbij stelt e de afstand voor tussen de armaturen in 1 rij of de afstand tussen de rijen armaturen. Hierbij moet altijd gekozen worden voor de kleinste waarde. De factor h betekent de hoogte op werkvlakniveau. Deze laatste betekent dat men de werkelijke hoogte van het lokaal moeten verminderen met een hoogte van 1.2m. Deze verhouding ( e/h ) moet te allen tijde kleiner of gelijk zijn aan de waarde van e/h opgegeven door de fotometrische steekkaart. In ons voorbeeld moet e/h te allen tijde kleiner of gelijk zijn aan 1.5. Controleert men dat even dan komen we uit dat 2.02/2.15 = 0.94 inderdaad kleiner is dan de waarde die opgegeven is door de steekkaart. Dit betekent dan ook dat ons lokaal volledig voldoet aan gelijkmatigheid van verlichtingssterkte. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 13

26 2. Controle van de verblindingsindex De norm schrijft ook hier een maximum waarde aan verblinding op. Deze bedraagt voor kantooromgevingen 19 ( tabel XVII ). Nu men al de berekeningen uitgevoerd heeft, moet men die waarde controleren. Men gaat hierbij als volgt te werk. X en Y bepalen: Deze vinden we door in de lengterichting te kijken van de armaturen. X wordt dan de verhouding van de afmeting van het lokaal, gemeten loodrecht op de lengterichting, tot de hoogte H en Y de verhouding van de afmeting van het lokaal, gemeten evenwijdig op de lengterichting, tot de hoogte H. 4.4 X = = 2H en 2.15 Y 6.06 = 2.15 = 3H φ en 1-φ bepalen: Deze waarden kan men ook aflezen van de fotometrische steekkaart als zijnde de fracties van de hemisferische lichtstromen. Deze bedragen hier 0.78 en 0.22 Verblindingsindex aflezen: De norm stelt ons opnieuw tabellen ( tabel XV - 5 ) ter beschikking waaruit we de verblindingsindex kunnen aflezen in functie van de weerkaatsingsfactoren en de waarden berekent in de vorige twee punten. Deze levert ons dan een waarde van Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 14

27 Correctie van de bekomen verblindingsindex: De waarde bekomen in vorig punt moet nog driemaal gecorrigeerd worden in verband met: De onderhemisferische lichtstroom Het stralende oppervlak van het toestel De opstellingshoogte van het toestel De tabellen van de norm helpen ons hierbij ( tabel XVI ): De totale lichtstroom van het toestel bedraagt 5400 lumen. Rekening houdend met het onderhemisferische rendement die 0.64 bedraagt, bekomen we een lichtstroom van De tabel schrijft ons voor dat de verblindingsindex stijgt met 2.9 Het stralende oppervlak van het toestel bedraagt m² ( zie fotometrische steekkaart ). De verblindingsindex zal een factor 5.3 dalen. De laatste correctie heeft betrekking op de hoogte. Als we zitten bedraagt de afstand van de grond tot de ogen ongeveer 1.2m. Aldus wordt de hoogte = 1.75m De verblindingsindex zal nog een factor 0.5 dalen. De totale verblindingsindex wordt dan uiteindelijk = 15.5 Deze waarde blijft dus ruimschoots onder de vooropgestelde waarde van 19. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 15

28 3.3 Software - berekening Dialux Er zijn heel wat verlichtingsprogramma s op de markt. De twee meest gebruikte zijn relux en dialux. De verschillende fabrikanten van verlichtingsarmaturen bieden dan ook de mogelijkheid om een zogenaamde data - plugin te gebruiken. Die bevat een catalogus van al de armaturen die zij ter beschikking stellen. Zo is het handig dat je het type van armatuur die je nodig hebt, voor die bepaalde ruimte, gewoon kan invoegen in het programma. In dit project is gekozen voor dialux wegens zijn gebruiksvriendelijkheid Voorbeeld Aan de hand van een bepaalde ruimte wordt kort geïllustreerd welke stappen we moeten doorlopen in het programma om de uiteindelijke gegevens te verkrijgen. De ruimte betreft een bureel waarvan de afmetingen reeds gegeven zijn. De minimale verlichtingssterkte in een bureel moet 500 lux bedragen Kiezen project Wanneer we dialux 4.1 openen krijgen we volgend venster Fig. 3.5 Kiezen project Aangezien het hier gaat om een bureel, kiezen we voor nieuw binnenproject. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 16

29 Afmetingen lokaal In de ruimte - editor geven we de afmetingen van het lokaal in. Fig. 3.6 Afmetingen lokaal Eens we de afmetingen ingevuld hebben klikken we op OK. Nu komt het venster Projectbeheer te voorschijn. Om een duidelijke visualisatie toe te laten, biedt het programma naast de standaard 2D voorstelling tevens een 3D voorstelling Parameters Fig. 3.7 Parameters van het lokaal In het tabblad Onderhoudsschema-methode kunnen we de behoudsfactor invullen. Deze houdt rekening met de algemene atmosferische omstandigheden in het lokaal en hangt af van het type verlichtingssysteem, het lamptype, de aard van de diffusor en de ventilering van het verlichtingstoestel. Meestal wordt die waarde op 0.85 vastgelegd. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 17

30 In het tabblad Ruimtevlakken leggen we de weerkaatsingsindexen van het plafond, de wanden en de vloer vast. Indien we deze gegevens niet kennen kunnen we de standaard nemen, namelijk Armaturen selecteren Fig. 3.8 Armaturen selecteren In deze stap selecteren we de armaturen. Er komt een menustructuur te voorschijn met daarin de catalogussen van de fabrikanten. We klikken op zumtobel staff. Volgend venster komt te voorschijn. Fig. 3.9 Kiezen armaturen in functie van het lokaal Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 18

31 We kiezen voor een darklight 4x18W. De darklights zijn speciaal ontworpen om in administratieve lokalen te gebruiken waar meestal computers aanwezig zijn. Deze houden rekening met de reflectie van de beeldschermen van de computers, zodat we daar niet te veel hinder van ondervinden Armaturenveld invoegen We klikken in de menustructuur links van het scherm op Armaturenveld invoegen. Volgend menu komt te voorschijn. De algemene gegevens van de gekozen armatuur vinden we daar terug. Fig Fotometrische steekkaart armatuur Het tabblad montage is hierbij heel belangrijk. Hier vullen we namelijk onze gewenste verlichtingssterkte in. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 19

32 Fig Gewenste verlichtingssterkte kiezen We stellen deze waarde in op 500 lux, aangezien deze volgens de norm moet gehaald worden, en klikken op toevoegen. Nu krijgen we een ruimtelijke voorstelling van het lokaal met de armaturen Berekening uitvoeren Berekening Fig Lichtberekeningen van het project Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 20

33 Aan de hand van deze bewerking krijgen we alle parameters ter beschikking van het lokaal. Dit gaande van de verlichtingssterkten op het werkvlak, vloer, plafond en muren, tot het specifieke vermogen in functie van de oppervlakte van het lokaal. Aanwezig: 549 lux Fig Samenvatting van het project Besluit We zullen altijd naar de gemiddelde verlichtingssterkte streven op werkvlakniveau. In het voorbeeld zitten we ruimschoots boven de geëiste norm. Op een zeer eenvoudige manier kan dan voor het hele project, ruimte per ruimte, de gewenste verlichtingssterkte en zo het type en aantal armaturen bekomen worden. Hierbij zal de gewenste verlichtingssterkte dan wel afhankelijk zijn van het type ruimte. Het spreekt vanzelf dat we geen zo n grote eisen stellen aan de verlichtingsterkte in een stookplaats dan in een sportzaal bijvoorbeeld. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 21

34 4 BRANDBEVEILIGING 4.1 Inleiding Als ontwerper van een elektrische installatie volstaat het niet om enkel maar verlichtingsarmaturen te voorzien. Een heel belangrijk aspect bij industriële installaties is de brandveiligheid. Dit kan in twee grote categorieën opgedeeld worden. Enerzijds hebben we al het branddetecterende materiaal ( rookdetectors en sirenes ) en hulpmiddelen ( handbrandmelders, brandhaspels en rookkoepels ) en anderzijds hebben we de noodverlichting die natuurlijk een deel uitmaakt van de brandveiligheid. In wat volgt wordt besproken wat er nu juist allemaal moet aanwezig zijn naar brandbeveiliging toe en ook de reglementering betreffende de plaatsing om tot veilige situaties te komen. Algemeen moeten zowel de noodverlichting als de brandveiligheid beantwoorden aan de koninklijke besluiten van 7 juli 1994, 4 april 1996, 18 december 1996, 19 december 1997 en 4 april BIJLAGE 4 geeft de lengtes van de kabels weer die nodig zijn voor de brand, telefonie, R+TV, data en muziek. 4.2 Noodverlichting Normen en voorschriften De noodverlichting bestaat uit verschillende onderdelen die elk hun specifieke normen en voorschriften kent. Veiligheidsverlichting: NBN EN 1838 Fotometrische voorschriften en signalering: NBN L Noodverlichting met centrale bron en installatieregels: NBN C Autonome verlichtingsapparatuur: NBN C Europese norm voor noodverlichtingsarmaturen: EN Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 22

35 4.2.2 Indeling In dit deel van de brandveiligheid geldt dat we een onderscheid kunnen maken volgens volgende afbeelding. Fig. 4.1 Onderverdeling noodverlichting Nood evacuatieverlichting Dit deel van de noodverlichting heeft als doel de veiligheid te garanderen voor personen die bij een stroomuitval de uitgang willen bereiken. Deze verlichting, die op een hoogte van ten minste twee meter geplaatst wordt, wordt geplaatst op volgende punten: Iedere uitgang die bedoeld is als vluchtweg in geval van nood Trappen met als bedoeling dat iedere trede duidelijk verlicht wordt Ieder niveauverschil in het gebouw Elke richtingsverandering Elke splitsing van gangen in het gebouw Aan de buitenkant van het gebouw bij de deuren die bedoeld zijn als nooduitgang Nabij de EHBO post Nabij ieder elektrisch bord Nabij brandhaspels en brandmelders Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 23

36 Met nabij wordt bedoeld op ten minste twee meter afstand. Deze groep van noodverlichting kan dan nog eens opgedeeld worden in vluchtwegverlichting en vluchtwegsignalering. De vluchtwegverlichting verlicht de vluchtweg die het mogelijk maakt de personen op een veilige manier naar een uitgang te loodsen. Terwijl de vluchtwegsignalering aanwezig is om instructies mee te delen Anti paniekverlichting Deze verlichting is aanwezig om paniek te voorkomen en de nodige verlichting te leveren aan de personen die een vluchtroute willen bereiken. Eens de vluchtroute bereikt neemt de vluchtwegverlichting de taak over Verlichting voor werkplekken met een verhoogd risico Deze verlichting maakt het mogelijk om, personen die zich in een gevaarlijke ruimte bevinden of bezig zijn met een gevaarlijk proces, een gepaste procedure uit te voeren voor dat bepaald gevaarlijk proces om daarna de ruimte veilig te kunnen verlaten Vervangingsverlichting Als laatste heeft men nog de vervangingsverlichting. Deze heeft niet zozeer een veiligheidaspect maar gewoonweg de functie de nodige verlichting te leveren zodat normale activiteiten in bijna ongewijzigde omstandigheden verder kunnen gezet worden wanneer we te maken hebben met een spanningsuitval. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 24

37 4.2.3 Voorschriften omtrent plaatsing en meting Verlichtingssterkten In functie van de ruimte waarin men zich bevindt, gelden volgende verplichte verlichtingswaarden waaraan men moet voldoen: 0.5 lux: Publieke zalen en ruimten: anti paniek verlichting Fig. 4.2 Anti -paniekverlichting Deze verlichting dient om de weg te vinden naar de vluchtroutes. Hierbij dient op de vloer minimaal 0.5 lux aanwezig te zijn met uitzondering van een randzone van 0.5m. 1 lux: Vluchtwegen, brandtrappen, traphallen, liften, lokalen waar zich stroombronnen bevinden, trappen, stookruimten en verdeelborden. Fig. 4.3 Vluchtwegverlichting Eens de vluchtroute bereikt, neemt de vluchtwegverlichting de taak over van de anti paniekverlichting. Hierbij dient de verlichtingsterkte volgens de as van de vloer en volgens de vluchtweg 1 lux te bedragen met in de randzones een verlichtingssterkte van 0.5 lux. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 25

38 5 lux: Richtingsveranderingen, kruisingen van gangen, aan het begin van trappen en niveauveranderingen. 15 lux: Plaatsen waar zich gevaarlijke situaties kunnen voordoen. Deze verlichtingssterkte is een minimum. De verlichtingssterkte hier moet ten minste 10% van de nominale verlichtingsterkte bedragen Signalisatie De signalisatie kan gebeuren op twee manieren. De ene bestaat uit een externe signalisatie die in de buurt van de noodverlichtingsarmatuur geplaatst wordt. De andere maakt gebruikt van directe signalisatie die op noodverlichtingsarmatuur gekleefd wordt. Naar leesbaarheid, herkenning en zichtbaarheid van deze aanduidingen geldt dat we moeten voldoen aan volgende formule: d = Z. p Met: d: Herkenningsafstand in meter p: De hoogte van het symbool in meter Z: Constante De constante in de formule bedraagt 200 indien het intern aangelichte pictogrammen betreft, 100 in het geval van extern aangelichte pictogrammen. Fig. 4.4 Herkenningsafstand Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 26

39 Wanneer we bijvoorbeeld een pictogramhoogte van 10cm hebben, dan wordt de herkenningafstand 200.0,1m = 20m bij een intern aangelicht pictogram. Bij een extern aangelicht pictogram bedraagt deze afstand 10m. Hieruit kunnen we dan besluiten dat men met het oog op de herkenningafstand best kiest voor een intern aangelicht pictogram daar deze er voor zorgt dat de herkenningsafstand verdubbelt Armatuurafstanden Verschillende noodverlichtingsproducenten bieden per type van armatuur afstandstabellen aan. Hieruit kan direct afgelezen worden wat de maximaal toegelaten montageafstand is in relatie tot de montagehoogte tussen de armaturen onderling en tussen de armaturen en de wanden. In de onderstaande figuur ziet men de afstandstabellen voor een bepaalde armatuur. Hierbij wordt er rekening gehouden met welke functie de armatuur heeft. We hebben namelijk respectievelijk een tabel voor 0.5 lux, 1 lux en 5 lux. Tabel 4.1 Afstandstabellen - voorbeeld Aan de hand van een klein voorbeeldje wordt deze tabel duidelijk: Stel dat de hoogte in een lokaal 6m bedraagt. In de eerste kolom kan men dan aflezen op hoeveel meter de armatuur moet verwijderd zijn van de wand, er mee rekening houdend dat de armatuur evenwijdig met de wand geplaatst wordt. Deze afstand bedraagt 6.5m. De volgende armatuur mag dan op een afstand van 21.1m van de vorige armatuur geplaatst worden. Deze tabel is zeer handig omdat men op een heel eenvoudige manier de geëiste verlichtingssterkte, vastgelegd in de norm, creëert op de vluchtweg. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 27

40 4.2.4 Noodverlichtingssysteem Centraal systeem Er bestaan twee soorten noodverlichting: centrale en decentrale. Het centrale systeem is dan nog eens onder te verdelen in conventioneel en analoog adresseerbaar. In beide gevallen geldt dat er minimum een autonomietijd van 1 uur moet zijn van de batterijen Het centrale systeem maakt gebruik van een centraal opgestelde voedingskast waar alle armaturen op aangesloten zijn. In deze voedingskast bevinden zich de batterijen en de nodige elektronica. In geval van netuitval neemt deze voedingskast het net over en wordt er verder gewerkt op noodstroomvoorziening. De mogelijkheid bestaat er dan ook in om andere systemen, die een back-up nodig hebben wanneer de spanning uitvalt, op dit systeem aan te sluiten. Eigenlijk kunnen we dit beschouwen als een UPS systeem. Met het verschil dat er wel geen filters aanwezig zijn die de netspanning verbeteren. Een groot voordeel van dit systeem is het onderhoud. Er bevinden zich heel wat minder componenten in de noodverlichtingsarmaturen, wat helemaal niet het geval is bij een decentraal systeem. Het nadeel is dat de installatie duur is en de uitvoeringstijd groot is omdat de armaturen via een afzonderlijke bekabeling moeten aangesloten worden. Het centraal conventionele systeem maakt gebruik van zelftestende armaturen. Wanneer er zich een fout voordoet dan zal alleen de fout gemeld worden aan het centraal opgesteld paneel. We krijgen geen informatie omtrent situering van de fout en welke armatuur deze fout veroorzaakt. De analoog adresseerbare systemen bieden de mogelijkheid om via signaalkabels de aard van de fout en plaats te bepalen. Daarom is het van belang dat iedere armatuur, aangesloten op het centrale systeem, voorzien is van een adresmodule. Dit maakt het dan mogelijk om informatie uit te wisselen tussen de armaturen en de centraal opgestelde voedingskast. Dit systeem zorgt voor een grotere zekerheid en gebruiksvriendelijkheid. Dit uit zich in efficiëntie en besparing van tijd en kosten. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 28

41 Decentraal systeem Het decentrale systeem kenmerkt zich in het feit dat iedere armatuur afzonderlijk voorzien is van een energiebron, meer bepaalt een batterij, die de functie van energielevering op zich neemt wanneer men met een netuitval te maken hebben. Deze armaturen werken dus volledig autonoom. Het voordeel van dit systeem is dat iedere armatuur onafhankelijk werkt, wat bij het centrale systeem zeker het geval niet is. Deze laatste heeft als gevolg dat wanneer er een defect is in één van de armaturen de hele kring sneuvelt. Nog kenmerkend voor dit type van noodverlichtingsysteem is de flexibiliteit wanneer men moet uitbreiden. Wat men ook nog dikwijls gebruikt zijn de zogenaamde noodunits. Deze zorgen ervoor dat een gedeelte van je verlichtingsarmatuur dienst doet als noodverlichting. Toegepast op project: Er zal dus gebruik gemaakt worden van een decentraal systeem. De noodverlichtingstoestellen zijn gewoon aangebracht in de verlichtingkringen van de installatie. Sommige van deze noodverlichtingsarmaturen zullen van het permanente type zijn. Wanneer de verlichting om één of andere manier uitgeschakeld wordt, dan zal de batterij in de noodverlichtingsarmatuur de taak van energielevering op zich nemen. In het project zal de kostprijs van deze armaturen zo n 7000 euro bedragen. Indien men zou gebruik maken van een centraal opgestelde voedingskast zou de kostprijs rond de 3000 euro liggen. Zonder de noodverlichtingsarmaturen inbegrepen. Opmerking: Er zijn een aantal gevallen waarbij men het centrale noodverlichtingssysteem gaat verkiezen boven het decentrale systeem: 1. Als men met ruimten te maken heeft waar hoge temperaturen heersen zal de levensduur van de in de decentrale armaturen bevindende NiCd batterijen drastisch verminderen. Aangezien bij een centraal systeem de batterijen zich centraal in een ruimte bevinden hebben we hier geen last van. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 29

42 2. Op werkplaatsen waar een hoge lichtopbrengst vereist is opteert men voor een centraal systeem. 3. Wanneer bepaalde armaturen moeilijk toegankelijk zijn, is de vervanging van de batterij in het geval van een decentraal systeem niet zo simpel. Bij een centraal systeem moet men niet telkens iedere armatuur overlopen om de batterij te vervangen Noodverlichtingsfuncties Afhankelijk van de functie die de armatuur in een bepaalde ruimte zal vervullen zijn er verschillende manieren over hoe deze toegepast kunnen worden. Noodarmaturen: ( niet permanent ) In dit geval zal de armatuur nooit branden. Enkel in het geval van een netspanningsuitval zal deze armatuur geactiveerd worden waarbij deze dan overschakelt op de batterij. Nood continu: ( permanent ) In deze situatie zal de armatuur altijd branden. Als de netspanning aanwezig is zal deze armatuur door deze spanning gevoed worden. In geval van netuitval schakelt hij dan opnieuw over op de batterij. Geschakeld continu: Dit is een speciaal geval. Deze armaturen zullen geactiveerd worden telkens wanneer de normale verlichting in het gebouw aan gaat. Is deze verlichting uitgeschakeld, dan spreekt het voor zich dat de noodarmatuur ook niet zal branden. In geval van netuitval en wanneer de verlichting niet aan is, schakelt hij wel aan. Ditmaal als functie van noodverlichting. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 30

43 Testen van de installatie Decentraal systeem In een decentraal systeem is het noodzakelijk dat iedere armatuur afzonderlijk getest wordt. Hierbij bieden de noodarmaturen standaard een aantal testfuncties aan: LED - test: Normaal worden alle noodarmaturen voorzien van een groene LED indicatie en een testdrukknop. Aan de groene LED indicatie kan vastgesteld worden dat de netspanning aanwezig is en dat de batterij aan het opladen is. De testdrukknop biedt de mogelijkheid om een netspanningsuitval te simuleren om zodoende na te gaan of de armatuur gaat branden (noodarmatuur) of blijft branden (nood continue). Zelftest: Niet alle noodarmaturen bieden deze functie aan. Stel dat er zich een fout voordoet, dan biedt deze functie u de mogelijkheid te bepalen wat de aard is van de fout. Aan de hand van een paar LED indicaties kan er vastgesteld worden of de fout te maken heeft met de batterijen, de lamp in de armatuur of de aanwezige elektronica. In sommige gebouwen en bedrijven worden deze zelftesten dikwijls uitgevoerd. Op geregelde tijdstippen in de week zal de armatuur een zelftest uitvoeren om zodoende te bepalen of er fouten opgetreden zijn. Dit biedt dan de mogelijkheid aan derden om bij een eventuele fout de nodige herstellingen door te voeren. Fig. 4.5 Statusinformatie bij zelftest Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 31

44 Meestal zal bij gebruik van dergelijke armaturen wekelijks een test gedaan worden op het functioneren van de armatuur. De autonomietijd wordt meestal halfjaarlijks getest. Infrarood afstandsbediening: Deze methode van testen is vooral belangrijk op plaatsen waar men de armaturen moeilijk kan bereiken en de statusinformatie door de armatuur weergegeven moeilijk af te lezen is. Denken we hierbij maar aan noodverlichting die boven een bepaalde productielijn hangt. Fig. 4.6 IR afstandsbediening Het concept bestaat er in de IR afstandsbediening te richten naar de armatuur en een controletest uit te voeren. Als er een fout optreedt zal automatisch één van de LED s een indicatie geven op de afstandsbediening. Op deze manier kan men toch op een veilige en gemakkelijke manier de moeilijker beschikbare armaturen gaan testen. Centraal inspectie systeem (CIS): Dit systeem wordt vooral toegepast in grote gebouwen waar de controle van de verschillende armaturen heel wat tijd en geld kan kosten. Met dit systeem kunnen, op een heel eenvoudige manier, alle decentrale noodverlichtingstoestellen getest worden en de daarbij horende visualisatie van de fout vermeld worden. Iedere armatuur wordt voorzien van een adres. Het centraal opgestelde systeem kan voortdurend de status van elke aangesloten armatuur controleren en verschillende testen uitvoeren op de armaturen. Deze testen bevinden zich in de vorm van bestanden op een PC die met het CIS verbonden is. Wanneer er zich dan een fout voordoet in één van de armaturen zal dit gemeld worden aan het CIS en bijgevolg ook aan de PC. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 32

45 Centraal systeem De centraal opgestelde voedingskast beschikt over een controlefunctie waarmee hij de batterijvoorziening en elektronica controleert. Ook de centrale armaturen dienen natuurlijk getest te worden. De armaturen worden in een centraal systeem geordend per groep en die verschillende groepen worden dan aangesloten op de voedingskast. Wanneer men fouten wil lokaliseren bij een groep, dan zal de kast aangeven in welke groep een armatuur niet meer naar behoren functioneert. Bovendien kan men door het systeem in een noodfunctie te plaatsen, zien welke armatuur in die groep niet meer brandt. Een gesofisticeerder systeem zal de controle uitvoeren per armatuur. Dit is gemakkelijker en vooral betrouwbaarder. Hierbij moeten de armaturen dan wel voorzien worden van een adresmodule. Door middel van een digitale plattegrond van het gebouw kan dan vastgesteld worden, door LED indicaties, waar de armatuur zich juist bevindt die een foutmelding geeft. 4.3 Rookdetectors Inleiding Algemeen kan over de detectoren gezegd worden, welke type het ook is, dat er een batterij aanwezig is in de melder. Dit biedt als voordeel dat wanneer er een brand ontstaat wegens kortsluiting in het elektriciteitsnet, dat deze melders nog altijd de brand kunnen detecteren. Ook wordt meestal een uniforme detectorsokkel gebruikt. Dit heeft als doel dat, wanneer een bepaalde ruimte van functie verandert, we de detector in het lokaal ook kunnen aanpassen, door gewoon een ander type detector op de sokkel te monteren. De rookdetectors toegepast in het project zijn van het type analoog adresseerbaar. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 33

46 4.3.2 Optische detector In een optische rookmelder bevindt zich een fotodiode en een lichtbron. Wanneer er rook in de detector komt, wordt het licht verstoord dat door de detector wordt gezien. In fysicatermen spreken we over lichtverstrooiing. Bij de directe methode staan de lichtbron en de detector recht tegenover elkaar. Bij afwezigheid van rook kan het licht de fotodiode probleemloos bereiken. Als er rookdeeltjes aanwezig zijn tussen de lichtbron en de fotodiode zal de hoeveelheid opvallend licht verminderen en zal de melder alarm slaan. De meeste rookmelders werken volgens de indirecte methode. Daarbij staan de lichtbron en de detector schuin tegenover elkaar. Bij rook weerkaatst het licht op de rook, waardoor er meer licht op de detector valt en deze alarm slaat. De sensor in deze melder reageert niet op stof of vuil onderaan de detector. Daar bevindt zich meestal stof of kleine insecten die een vals alarm zouden te weeg brengen. Een optische detector reageert iets trager dan een ionische detector. Fig. 4.7 Optische rookdetector 1. Kamer 2. Afscherming 3. Behuizing 4. Fotodiode 5. Infrarode LED Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 34

47 4.3.3 Ionische detector Een ionisatie rookdetector bevat een radioactieve bron (meestal kobalt of americum) die continu alfadeeltjes uitstraalt. Deze alfadeeltjes kruisen een ionisatieruimte waarover twee elektroden zijn aangebracht. Bij afwezigheid van rook zal er een stroom lopen tussen de elektroden. Wanneer er rookdeeltjes in de ionisatiekamer komen, worden de alfadeeltjes geblokkeerd en wordt de stroomkring onderbroken, waarna de melder alarm slaat. Wegens het aanwezig zijn van een radioactieve bron mogen deze detectoren niet meer gebruikt worden. Dit type melder werd veelvuldig toegepast in open ruimten (atriums, fabriekhallen). Optische melders kunnen het beste worden toegepast in situaties waarin smeulende branden met zichtbare rookontwikkeling kunnen ontstaan ( overal dus ). We denken hierbij aan een smeulende sigaret op de vloerbedekking Thermovelocimetrische detector Deze detector wordt vooral gebruikt in ruimten waar snelle temperatuursstijgingen kunnen voorkomen. We denken hierbij aan keukens en stookplaatsen. Deze detector wordt gekenmerkt door zijn uitstekend detectiegedrag, niet alleen bij trage temperatuurschommelingen maar ook bij snelle temperatuurstijgingen. Wanneer bijvoorbeeld de temperatuur in een lokaal van 20 in 2 minuten tijd naar 50 graden stijgt, zal deze detector onmiddellijk reageren Thermomaximaal detector De werking van deze detector is bijna identiek aan de thermovelocimetrische detector. De detector wordt ingesteld op een bepaalde temperatuur. Wanneer de omgevingstemperatuur deze vooraf ingestelde waarde overschrijdt, dan gaat de melder af. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 35

48 4.3.6 UV vlamdetector Voor het detecteren van een beginnende vuurhaard vanaf grote hoogte, maakt men gebruik van een UV detector. Deze detector reageert enkel op ultraviolet licht. Dit licht ontstaat bij vlammen. Het detectie element van deze melder is een speciaal voor deze doeleinden ontworpen UV lamp die zeer gevoelig is voor ultraviolette straling, veroorzaakt door vlammen. Het spectrum van dit licht ligt tussen de 190nm en 270nm van het elektromagnetische spectrum. De detector is zodanig samengesteld en opgebouwd dat alle andere stralingen buiten dit toegelaten spectrum gefilterd zullen worden. Dit betekent dat er niet op zal gereageerd worden en zodoende een storingvrije werking garandeert. Opmerking: Naargelang het systeem ( conventioneel of analoog adresseerbaar ) is de opbouw van de rookdetectoren iets anders. De rookdetector wordt best niet gebruikt in badkamers. De detector zou te veel een vals alarm te weeg brengen omwille van stoom en warmte. In dezelfde optiek worden ze ook niet geplaatst bij een ventilatieopening, een radiator en verwarmingstoestellen. Ook in de garage wordt best geen detector geplaatst. Wegens de uitlaatgassen van de auto s zou deze een vals alarm kunnen geven. 4.4 Handbrandmelders De handbrandmelder die vroeger gebruikt werden waren voorzien van een klein glazen venstertje dat men moest inslaan om dan alarm te slaan. Dit type is niettemin nog altijd toegestaan. Vandaag de dag zijn diezelfde handbrandmelders voorzien van een kunststoffen polycarbonaat venster. Dit venster breekt niet maar klikt gewoon weg wanneer we er op drukken. De microswitch die in de handbrandmelder aanwezig is, verandert dan van toestand. Dit wil zeggen dat de melder en tevens het alarm geactiveerd is. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 36

49 De handbrandmelders in het project worden voorzien van een tweedraadssysteem om zo op het analoge net van de centrale te aangesloten kunnen worden. De handbrandmelder zal dan aan de centrale kunnen meedelen welk type het is waardoor hij dan door de centrale kan gevalideerd worden. Fig. 4.8 Handbrandmelder 4.5 Sirenes Hier zijn er een aantal beperkingen naar het geluid toe. Het is namelijk zo dat er geen piëzoelektrische geluidsbron mag aanwezig zijn in de sirene. Deze kan namelijk geluiden genereren met een frequentie die hoger is dan de wettelijk toegelaten frequenties. Deze ligt tussen de 500 en 1200Hz. Als men gebruik maakt van meerdere sirenes, dan moeten ze allemaal gesynchroniseerd worden. Hiermee bedoelen we dat bij een brand niet alle sirenes door elkaar loeien maar mooi synchroon loeien. Hierbij is het niet nodig een extra synchronisatiedraad te voorzien tussen de onderlinge sirenes. In de sirenes zijn namelijk kristaloscillatoren aanwezig. Dit zijn kristallen die de functies van synchronisatie op zich nemen. De sirenes moeten overal in het gebouw te horen zijn. Dit betekent dat de sirenes dus zeker onder het verlaagde plafond moeten geplaatst worden. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 37

50 4.6 Brandhaspels Er zijn verschillende types van brandhaspels. Gaande van 30m lengte tot 100m lengte. In principe geldt dat bij iedere brandhaspel tevens een sirene, een handbrandmelder en een noodverlichting moet aanwezig zijn. Stel dat de brandhaspel 30m bedraagt van lengte. In die optiek moet hij in een straal van 30m rondom hem alles kunnen bereiken om een brand te kunnen bestrijden. Als er op een bepaalde plaats een brand optreedt, is het ook zo dat die plaats ten minste door twee brandhaspels moet bereikt kunnen worden. 4.7 Deurmagneten Dit wordt ook nog vermeld daar er in het project op iedere mogelijke deur magneten voorzien zijn. Deze zullen zoals de handbrandmelders, de rookdetectoren en de sirenes ook aangesloten moeten worden op de brandcentrale. Bij alarm zal de spanning op de deurmagneten wegvallen en zullen de deuren automatisch dicht gaan. Fig. 4.9 Deurmagneet Opmerking: Indien er een te groot stroomverbruik zou aanwezig zijn, omwille van deurmagneten of sirenes, dan zal men meestal naast de brandcentrale ( zie 1.7 ) ook een extra voeding voorzien om deze gebruikers te voeden. Deze voedingen werken meestal op 24V. Het vermogen ervan zal bepaald worden afhankelijk van de stroom die ze verbruiken. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 38

51 4.8 Rookkoepels Hieronder wordt een principeschema voorgesteld van een rookkoepel. Rookkoepels dienen om in geval van brand voor een rookafvoer te zorgen. Hierbij moet de drukknop die de rookkoepel bedient zich altijd op het evacuatieniveau bevinden. Ze worden onder andere toegepast in traphallen. Fig Principeschema rookkoepels Ook de rookkoepels kunnen aangesloten worden op de brandcentrale. Meestal hebben we ook hier een centrale batterij voor handen die continu opgeladen wordt door het elektriciteitsnet. In geval van spanningsuitval zal de batterij de taak van energielevering overnemen en zodoende zorgen dat de motor kan aangedreven worden en de rookkoepel kan bediend worden. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 39

52 4.9 Brandcentrale Inleiding Analoog, als bij de noodverlichting, kan men de centrales indelen volgens conventionele of analoog adresseerbare centrales. De normen ( NBN S ) in verband met beide types wijken iets van elkaar af. Vooral naar het aantal lussen die kunnen aangesloten worden op de centrale en tot hoever die lussen mogen uitreiken in het gebouw. Fig Principeschema brandcentrale Bovenstaande figuur schetst heel principieel hoe een dergelijk systeem wordt opgebouwd. De verschillende types detectoren, de handbrandmelders, sirenes en deurmagneten zoals voorheen besproken worden aangesloten in lussen die dan met de centrale verbonden zijn. De mogelijkheid bestaat er natuurlijk ook in om een rechtstreekse verbinding met de brandweer te verwezenlijken. Wanneer het alarm afgaat wordt de brandweer direct gewaarschuwd. Dikwijls worden op andere plaatsen in het gebouw herhaalborden geplaatst. De informatie die op het centrale paneel te voorschijn komt wordt dan ontdubbeld en naar de herhaalborden verstuurd. Indien gewenst kan er natuurlijk ook een PC met de brandcentrale verbonden worden, zodat ook hier de informatie kan binnengelezen en gemanipuleerd worden. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 40

53 4.9.2 Conventionele brandcentrale De conventionele centrale, ook wel zone centrale genoemd, werkt volgens het principe van identificatie per lus. In een lus zijn dan verschillende elementen ( detectoren, brandmelders, ) met elkaar verbonden. Het aantal in een lus hangt af van het feit of we te maken hebben met detectoren of brandmelders. Dit wil zeggen, als er bijvoorbeeld een rookdetector een alarm meldt, dat deze een signaal zal verzenden naar de centrale. De centrale weet dan in welke lus, dus ook in welke lokalen, er een alarm afgaat. Let wel, de centrale kan wel niet bepalen welke rookdetector in de lus nu juist een signaal doorstuurt. Om dit te kunnen weten moeten we een analoog adresseerbare centrale gebruiken. Afhankelijk van het type brandcentrale zal het aantal detectielussen, dat op de centrale aangesloten kunnen worden, variëren. Elke lus zal uitgerust zijn met een mogelijkheid tot aanduiding van brand, storingen en buiten dienst zijn van de lus. De verschillende lussen kunnen uitgerust worden met rookdetectoren, handbrandmelders, sleutelschakelaars, sirenes, deurmagneten, De centrale zal vanuit het openbare elektriciteitsnet gevoed worden. In het project zal dat 230V zijn. Een lus met detectoren mag zich enkel uitstrekken tot de eerste verdieping en dit met maximaal 30 detectoren per lus. Handbrandmelders worden geplaatst op een afzonderlijke lus en dit met maximaal 10 melders per lus. Hier is er geen beperking tot uitstrekken naar verschillende verdiepingen. Wanneer we te maken hebben met een traphal, liftkoker en luchtkoker, dan moeten we telkens een afzonderlijke lus voorzien voor zowel de rookdetectors als de handbrandmelders. We kunnen beginpunt en eindpunt van de lus laten samenvallen of niet. Wanneer er een lijnbreuk optreedt en de lus wordt van beide kanten gevoed, dan garandeert het systeem ten minste dat niet alle componenten op de lus aangesloten, buiten werking zijn. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 41

54 4.9.3 Analoog adresseerbare brandcentrale Dit type van centrale werkt volgens het principe van identificatie per meldpunt. Hierbij hebben de detectors de mogelijkheid hun analoog opgemeten signaal te verzenden naar de centrale. Deze laatste zal dit signaal omzetten naar een digitaal signaal om dan tenslotte uitgelezen te worden op de display. In tegenstelling tot het conventionele systeem weten we nu wel welke detector een alarm doorgeeft. Er is een bidirectionele communicatie mogelijk tussen de centrale en zijn detectoren. De detectoren zullen dus voortdurend hun signaal, dat gemeten werd, doorsturen naar de centrale, die deze signalen dan opslaat in zijn databank. Aan de hand van een digitale plattegrond kan ook bepaald worden waar deze detector zich juist bevindt. Hierbij moet dan wel gekozen worden voor detectoren met een adresmodule. Er zal dan door middel van een LED indicatie een foutmelding te voorschijn komen op het digitale plattegrond. We werken hier ook niet meer met lussen, maar met netten. Volgens de norm van brandveiligheid ( NBN S ) mag een analoog adresseerbare centrale maximaal 512 meldpunten beheren. Dit is uit te breiden door verschillende centrales met elkaar te verbinden. Een net van detectoren mag zich ook hier maar uitstrekken tot de eerste verdieping, maar met het verschil dat op een net 99 detectoren geplaatst mogen worden. Handbrandmelders worden op een afzonderlijk net geplaatst met maximaal 99 handbrandmelders per net en opnieuw onafhankelijk van hoeveel verdiepingen er in het gebouw aanwezig zijn. Opmerking: Er zijn meestal twee eisende partijen: een brandweer en een verzekeraar. De brandweer zet zich in voor de veilige ontvluchting van de mensen en de verzekeraar zet zich in voor het behoud van het gebouw en inventaris. De brandweer bepaalt niet zelf wanneer en welke brandcentrale er geplaatst moet worden. Ze bepalen wel de melding ( drukknoppen ) en bestrijding ( brandhaspels ) van branden. In de Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 42

55 gemeentelijke bouwverordening staat wanneer en welk type brandcentrale er geplaatst moet worden. Voor een ziekenhuis gelden er andere eisen dan voor een kantoorgebouw. In een ziekenhuis zul je in iedere ruimte een automatische rookdetector zien en bij iedere brandhaspel een handbrandmelder. In een kantoorpand zul je alleen maar rookmelders op de gang zien en handbrandmelders bij de brandhaspels. Misschien is het kantoorpand wel zo klein dat de rookdetectors op de gang niet eens verplicht zijn Brandcentrale toegepast op project Aan de hand van het situatieschema kan men alle componenten bepalen die moeten aangesloten worden op de brandcentrale. Dit gaande van detectoren, handbrandmelders en sirenes tot rookkoepels en ontgrendeling van de elektrische deuren. Onderstaande afbeelding illustreert wat er nu juist allemaal wordt aangesloten op de brandcentrale betreffende het project. Fig Schema brandcentrale van het project Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 43

56 De brandcentrale die zal toegepast worden op het project zal een analoog adresseerbare brandcentrale zijn. Dit wil zeggen dat het mogelijk zal zijn om te identificeren in welk lokaal de brand zich voordoet. We zullen een brandcentrale met 8 lussen nemen waarvan de kostprijs rond de 2000 euro zal liggen. Deze kan wel oplopen tot meer dan euro. Wanneer men een conventionele brandcentrale zou toepassen, dan zou de prijs schommelen tussen de 350 en 2000 euro Besluit Zoals blijkt is het ontwerpen van een elektrische installatie niet alleen maar het tekenen maar tevens het rekening houden met wetgevingen en normen in verband met brandveiligheid en noodverlichting. Het is daarom nodig om als ontwerper altijd up-to-date te zijn met de laatste ontwikkelingen in verband met wetgevingen en reglementeringen voor het ontwerpen van een elektrische installatie. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 44

57 5 COMMUNICATIE 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk handelt over de communicatie binnen het bedrijf. Hoe wordt nu juist een datanetwerk opgebouwd en wat is er allemaal nodig om dit te verwezenlijken. De werking van een datakast en zijn onderdelen worden besproken alsook welk type van kabels we nodig hebben om de data op een storingsongevoelige en vlugge manier te transporteren. 5.2 Principeschema datanetwerk Onderstaande figuur illustreert hoe een datanetwerk wordt opgebouwd en wat er allemaal nodig is in de datakast om dit te realiseren. Fig. 5.1 Datanetwerk In het project dat uitgewerkt wordt zijn er een aantal ruimtes waar data en telefonie aanwezig zijn. Veronderstellen we een bureel, waar een computer en telefoon moet aangesloten worden op het netwerk. In de ruimte zal een telecom outlet voorzien zijn die bestaat uit twee RJ45 connectoren. We maken de verbinding van de computer en de telefoon met de connectoren met een zogenaamde patch cord. We merken hier wel op dat de ingang van de telefoon een RJ11 aansluiting bevat in tegenstelling tot de computer die voorzien is van een RJ45 aansluiting. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 45

58 Van deze telecom outlet loopt er horizontale bekabeling enerzijds door de muren ( inbouw ) anderzijds via wand en kabelgoten. De bekabeling betreft UTP kabels van categorie 6. De eindbestemming van de UTP kabels is de datakast die zo centraal mogelijk opgesteld wordt. Al de UTP kabels die komen van de computers en telefoons in de verschillende ruimtes worden aangesloten op een patch panel. Van daar uit wordt er een opsplitsing gemaakt tussen het telefonienetwerk en datanetwerk. In de kast wordt er een verbinding gemaakt, van alle data, tussen de patch panel en een HUB of switch met een data patch cord. Deze laatste maakt het mogelijk het dataverkeer tussen de verschillende posten te ontvangen en terug te versturen. Onderstaande figuur geeft mooi weer hoe de kabels komende van de verschillende computers en telefoons op de patch panel worden aangesloten. We zien duidelijke dat we al gauw met een wirwar van draden te maken hebben. Fig. 5.2 Patch panel Wat betreft de telefonie wordt er een analoge verbinding gemaakt tussen de patch panel en voice patch panel. Deze verbinding wordt hier opnieuw gerealiseerd door een patch cord. Van hier uit vertrekt dan meestal een VVT kabel van X paar naar de telefooncentrale die meestal dicht bij de datakast opgesteld staat. In ons project betreft het een VVT kabel van 2 paar. Om een zo goed mogelijk verkeer aan data te verkrijgen mag de afstand tussen de telecom outlet en het patchpanel maximum 90m bedragen. Samen met de patch cords komen we tot een maximale lengte van 100m om het dataverkeer te verwezenlijken. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 46

59 Fig. 5.3 Maximum afstand tussen onderdelen 5.3 Type datakabel Met de steeds vooruitstrevende technologie bekomen we telkens kabels die nog meer bestand zijn tegen ongewenste storingsinvloeden en nog vluggere datacommunicatie. In het project wordt gebruikt gemaakt van UTP kabels categorie 6. Op de meeste plaatsen is nog steeds categorie 5e aanwezig maar meer en meer wordt de tendens gemaakt om over te stappen naar categorie 6. Onderstaande figuur toont de evolutie van kabels waarbij categorie 7 nog maar pas in kinderschoenen staat en voor eenvoudige toepassingen nog te duur is. Fig. 5.4 Bandbreedtes Zoals we kunnen aflezen bezit een categorie 6 kabel reeds een bandbreedte van 250 MHZ. Wat een aanzienlijke verbetering is in vergelijking met de 5e kabels. Een datakabel is opgebouwd uit verschillende getwiste paren. De twisting zorgt ervoor dat ongewenste stoorsignalen zo weinig mogelijk interferentie hebben met het datasignaal. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 47

60 Als je een signaalspanning wil detecteren, moet je altijd een referentie hebben. Aangezien een netwerk maar met spanningen van 1.5V werkt, is dit moeilijk te detecteren en ook veel meer storingsgevoelig omdat de spanning kan stijgen of dalen ten gevolge van externe storingsbronnen. Om deze storingsinvloeden zo veel mogelijk te minimaliseren wordt er bij iedere draad een referentiedraad bijgevoegd. We hebben dus 4 signaalparen aanwezig in de kabel. Net door het feit dat we de draadparen twisten, zullen beide draden gemiddeld genomen evenveel interferentie ondervinden van eventueel aanwezige storingsbronnen. Omdat de storing op beide draden zal inwerken, zal de spanning in beide draden dus evenveel stijgen of dalen. Het verschil in spanning tussen beide draden zal dus ongewijzigd blijven door de twisting. We zien dit duidelijk op volgende twee figuren. In de bovenste figuur hebben we een niet getwiste kabel met als gevolg dat de stoorspanningen allemaal in de zelfde richting wijzen. In de onderste figuur hebben we met een getwiste kabel te maken. Hier zien we duidelijk dat de stoorspanning in iedere lus anders gericht is. Globaal gezien krijgen we dus geen verschil in spanning tussen de twee draden. Fig. 5.5 Invloed storingsbronnen op kabel Een categorie 6 kabel maakt nu juist van deze techniek gebruik om nog meer twists te maken per meter om zodoende nog betere bescherming te verkrijgen van stoorsignalen. Bovendien worden alle paren samen nog eens getwist. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 48

61 Fig. 5.6 UTP categorie 6 kabel Het polyethyleen kruis dat we zien op bovenstaande figuur zorgt er voor dat de verschillende paren gescheiden worden van elkaar en op die manier een grotere afstand houden ten opzichte van elkaar. Ook in het geval van druk blijven ze voldoende van elkaar gescheiden zodat ze onderling niet zouden storingen te weeg brengen. Onder de buitenste isolatie van de kabel bevindt er zich een aardingsgeleider ( om nog meer te storende invloeden te neutraliseren ), daarna volgen twee in de tegengestelde richting getwiste aluminiumfolies. Onder deze folies bevindt zich dan terug een plastiekfolie totdat we uiteindelijk bij de verschillende draadparen terecht komen. In tegenstelling tot de cat. 5 kabel is de connector metalisch uitgevoerd. Deze worden dan ingeplugd in de eveneens in metaal uitgevoerde patch panel. Uiteindelijk zal dan de datakast geaard worden. Fig. 5.7 Categorie 6 connector Opmerking: Er werd reeds aangehaald dat het aantal twists per meter bij een categorie 6 kabel meer bedraagt dan bij een categorie 5 kabel. Maar bij categorie 6 geldt tevens dat het ene paar meer dan het andere getwist is. Het kan dus goed zijn dan dat het paar groen/wit zes meter langer is dan bijvoorbeeld het paar blauw/wit voor één en dezelfde kabellengte. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 49

62 Meestal eist de bouwheer een kwaliteitscertificaat van de installatie, in dit geval categorie 6. Zodoende zal de installateur de nodige metingen verrichten volgens de normen van de fabrikant van de databekabeling om een certificaat te bekomen van de geldende specificaties van deze categorie. Daardoor staat de fabrikant een kwaliteitsgarantie toe voor een periode van tien jaar. 5.4 Datakast toegepast op project We zullen gebruik maken van categorie 6 kabels. Alle informatie in verband met het type en hoeveel meter bekabeling we nu juist nodig hebben is terug te vinden in de kostprijsberekening. Deze kostprijsberekening bevat ook de bekabeling die nodig is voor telefonie, muziek, brand en R+TV. Welk type van datakast en de schikking van de onderdelen in de kast hangt natuurlijk af van de aannemer die deze werken uitvoert. Onderstaande figuur toont een heel accuraat beeld van hoe de datakast er zal uitzien. Deze kast werd namelijk getekend aan de hand van een template van Nexans, fabrikant in data - apparatuur. De prijs van dergelijke datakast opgebouwd uit twee patch panels, 1 telefonie patch panel, patchkabels en metingen ter plaatse brengt ons al gauw op een kostprijs van zo n 4000 euro. Fig. 5.8 Datakast project Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 50

63 5.5 R+TV distributie In het project zijn er uiteraard ook voorzieningen voor radio en televisie. Deze bestaat uit een algemene R+TV verdeler en een aantal versterkers die voorzien worden in het gebouw. Deze moeten voldoen aan de eisen van de distributiemaatschappij. Alle R+TV stopcontacten in het gebouw aanwezig moeten dan allemaal in ster verbonden worden met de algemene verdeler die meestal zo centraal mogelijk opgesteld staat. Onderstaande figuur illustreert welke lokalen juist voorzien zijn van een R+TV stopcontact en hoe deze via een versterker dan uiteindelijk in ster verbonden worden met de algemene verdeler. Fig. 5.9 Schema R+TV distributie Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 51

64 5.6 Muziek Op het situatieschema van het project zijn ook in verschillende burelen muziekkeuzeklavieren terug te vinden. Deze klavieren zijn met FTP kabels van categorie 5 verbonden met de muziekcentrale die centraal in het gebouw opgesteld staat. Via deze kabels wordt het dus mogelijk in de verschillende burelen de muziek luider of stiller te zetten en om van muziekzender te wisselen. In de muziekcentrale zijn alle onderdelen aanwezig die te maken hebben met de muziekverspreiding in het gebouw, gaande van tuners en versterkers tot CD spelers. Van hieruit gebeurt dan ook de bekabeling ( 2x1.5mm² ) naar de verschillende luidsprekers in het gebouw. De FTP kabels ( Foiled Twisted Pair ) zijn bijna identiek aan de UTP kabels. Het enige verschil is dat al de draadparen bij FTP omhult zijn door een metaalfolie terwijl dat bij een UTP een plastiekfolie is. 5.7 Besluit Om tot een eenvoudig en vlug dataverkeer te komen waarbij het aantal clients al aanzienlijk oploopt, moeten we gebruik maken van een datakast. Uit de bespreking van de verschillende onderdelen van de communicatie blijkt al duidelijk dat een ontwerp al heel wat meer omvat dan enkel het elektrische gedeelte ervan. Bovendien moet alle communicatie aan welbepaalde vooropstelde eisen voldoen. Men krijgt dus te maken met zowel sterkstroom als zwakstroom. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 52

65 6 ONTWERP VAN DE INSTALLATIE VOLGENS TT 6.1 Inleiding Gezien het gebouw in het project vroeger werd uitgevoerd in TT, zullen we hierop verder bouwen. We gaan beveiligingen plaatsen omwille van twee grote redenen: overbelasting en kortsluiting. In het geval van overbelasting kan deze zorgen dat de kabels een te hoge temperatuur krijgen waardoor uiteindelijk de isolatie begint door te smelten. Naar het geval kortsluiting toe, zijn we vooral geïnteresseerd naar de kortsluiting fase aarde. Deze kan er immers voor zorgen dat er een onrechtstreekse aanraking gebeurt. Denken we maar aan een geleidend contact van een fase met het omhulsel van een elektrisch apparaat ( massasluiting ). Om dit op te lossen zouden we er eventueel voor kunnen zorgen dat de aardingsovergangsweerstand voldoende laag is zodat er een potentiaalverschil is met de aarde die kleiner of gelijk is aan de absolute conventionele grensspanning. Deze laatste is de maximum spanning die voor onbeperkte tijd over een persoon mag staan zonder dat er kans is op elektrocutie. Maar in de praktijk is voor een TT - net dergelijk lage aardingsovergangsweerstand economisch niet haalbaar. Stel dat we een foutstroom hebben van 75A. De aardingsovergangsweerstand bedraagt hierbij dan: R b = U L = 75 I f 50 = 0.666Ω Hierbij is U L de absolute conventionele grensspanning. Deze bedraagt bij wisselspanning 50V. Dergelijke lage aardingsovergangsweerstand is heel moeilijk te behalen. Daarom opteert men voor differentieelschakelaars die zelfs heel lage foutstromen detecteren en onderbreken. Ondanks het feit dat je bij een spanning van 50V in BB1 toestand onbeperkt in contact mag komen met deze spanning, bepaalt het AREI toch dat bij dergelijke contactspanningen de beveiliging binnen de 5s moet aangesproken worden. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 53

66 Voor het ontwerp van een elektrische installatie kan men volgende stappen volgen om tot een goed resultaat te komen. 1. Bepalen van de kalibers van de vermogenschakelaars 2. Bepalen van de doorsnede van de kabels 3. Bepalen maximale spanningsval 4. Bepalen van de kortsluitstromen 5. Keuze van de beveiligingen 6. Toepassen van selectiviteit op de beveiligingen 7. Filiatietechniek toepassen 6.2 Bepalen van de kalibers van de beveiligingen Verlichting Berekenen vermogen De beveiliging van de verschillende verlichtingskringen is vastgelegd op 16A. We gaan nooit meer dan 2300W aan verlichting op één kring aansluiten. Dus bij het opstellen van het ééndraadsschema moeten we ervoor zorgen dat deze waarde niet overschreden wordt. Wanneer we te maken hebben met TL en PL lampen moeten we rekening houden met een bepaalde factor. Het is namelijk zo dat het werkelijke vermogen meer bedraagt dan dat de lampen aangeven. Onder gelijkblijvende spanning betekent dit dat we meer stroom nodig hebben dan aangegeven. Dit heeft te maken met de ballast aanwezig in de TL of PL lamp. We moeten dus houden met dit feit in de vermogenbalans om de totale stroom in de installatie te bepalen. Dit geldt echter alleen als we werken met klassieke ballasten. In het project zal van dit regeltje dus geen sprake zijn. Elektronische ballasten bezitten namelijk het voordeel dat er haast geen verliezen zijn en dat de cosφ praktisch 1 is. Toch zal je wel altijd een zeker vermogen verloren zien gaan door inwendige verliezen in de verlichtingsarmaturen maar er kan wel gegarandeerd worden dat de cosφ groter of gelijk zal zijn aan 0,96. Sommige fabrikanten garanderen zelfs een waarde van 0,98. Om de algemene beveiliging te bepalen van de verlichting (differentieelautomaat), moeten we gewoon de vermogens van de verschillende verlichtingstoestellen optellen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 54

67 Bepalen beveiliging Afhankelijk van de beschikbare spanning (230 mono, 230 driefasig en 400 driefasig) zullen de formules om de nominale stroom te bepalen, die naar de verschillende verlichtingskringen loopt, anders zijn. Met bepalen beveiliging bedoelt men dan de beveiliging die de verlichtingskringen beveiligt. De verlichtingskringen zullen dan ook achtereenvolgens over de verschillende fasen verdeeld worden f: I = f: I = P tot cosϕ P tot cosϕ Met I: Nominale stroom ( A ) P tot : Totaal vermogen van al de kringen ( W ) De stroom die berekend wordt, is de belastingsstroom die vloeit in een bepaalde kring. Bij de keuze van de losser van de beveiliging volstaat het rekening te houden met de betrekking I N I B. Men zal dus de tabellen van de beveiligingen van een bepaalde producent raadplegen om de losser van de beveiliging vast te leggen. Stel dat er een belastingsstroom van 29A in de kring vloeit dan zal men het eerst volgende kaliber nemen die net boven de belastingsstroom ligt, namelijk een kaliber van 32A Kringen Berekenen vermogen Wanneer we te maken hebben met een driefasig toestel zullen we gewoon het vermogen, dat aangegeven is door het toestel, in rekening brengen. Wat betreft de vaste monofasige verbruikers is volgende tabel een goede richtwaarde om het vermogen in rekening te brengen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 55

68 Tabel 6.1 Richtwaarden vermogens Soort apparaat Vermogen (W) Vaatwasmachine 2800 à 3400 Wasmachine 2000 à 3700 Fornuis + oven 5900 à Frituurketel 2000 Fornuis: 4 kookplaten 7100 Fornuis: 2 kookplaten 3500 Braadoven 2800 Microgolfoven 600 à 1200 Waterpomp 500 Olieradiator 500 à 2500 Televisie 75 à 100 Boiler 50 l 100 l 150 tot 200 l à Koelkast 90 à 210 Diepvries 120 à 280 Koffiezetapparaat 2000 Wanneer men te maken heeft met de klassieke kleine verbruikers zoals daar zijn parlefonie, brandcentrale, telefooncentrale, binnen belet en muziekcentrale, dan hebben hun vermogens een te verwaarlozen impact op het totale vermogen. Hetzelfde geldt voor zonneweringen op voorwaarde dat er niet te veel zijn. Dit is wanneer het niet meer te verwaarlozen is. De algemene regel die in de praktijk wordt toegepast om een geschat vermogen te krijgen van de stopcontacten is de volgende: 1 ste kring: 3300W 2 de -9 de kring: 330W 10 de kring: 3300W Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 56

69 Indien tussen de 1 ste en de 10 de kring een driefasig toestel is aangesloten, bijvoorbeeld kring 3, dan neemt men uiteraard de waarde van het vermogen die het toestel verbruikt. Vanaf kring 4 neemt men dan gewoon weer 330W indien het om een kring gaat met gewone stopcontacten. Hierbij geldt dat er per kring maximum 8 enkelvoudige of 8 tweevoudige stopcontacten mogen aangesloten worden Bepalen beveiliging De beveiliging van de afzonderlijke stopcontactkringen is vastgelegd op een waarde van 20A. Wat betreft de beveiliging van al de stopcontactkringen samen, geldt het volgende: er moet opnieuw een onderscheid gemaakt worden afhankelijk van de beschikbare spanning. P Mono: I = tot 230. gltf f: I = 230. P tot. gltf 3.cosϕ f: I = 400. P tot. gltf 3.cosϕ Met I: Nominale stroom P tot : Totaal vermogen Gltf: Gelijktijdigheidsfactor De gelijktijdigheidsfactor bij stopcontacten bedraagt zo n 0.3. Als beveiliging wordt dan gekozen voor die waarde die standaard net boven de berekende nominale stroom ligt. Als men bijvoorbeeld voor de nominale stroom 30.5A uitkomt, dan neemt men een beveiliging van 32A. Wat betreft de gevoeligheid van de differentieelschakelaar wordt er voor vochtige ruimtes een aanspreekstroom genomen van 30mA. Wanneer we te maken hebben met verlichting, stopcontacten, brandcentrale, telefooncentrale, datakast, lift of een bord voor de HVAC dan kiest men meestal voor een aanspreekstroom van 300mA. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 57

70 Wat betreft de selectiviteit, moet men er voor zorgen dat de nominale stroom van de beveiliging direct stroomopwaarts van de berekende beveiliging, een factor 1.6 groter is. Op deze manier zijn we zeker van stroomselectiviteit Kringen onmiddellijk op binnenkomende aansluiting De kringen die onmiddellijk aangesloten worden op het ALSB hebben een beveiliging die volgens onderstaande tabel gekozen wordt. De waarde voor de lift ( 32A ) hangt uiteraard af van de startstroom van de lift. Tabel 6.2 Binnenkomende aansluitingen Type kring I n (A) Gevoeligheid (ma) Bordverlichting Datakast Inbraakdetectie Lift Bord HVAC Brandcentrale Telefooncentrale Bepalen van de doorsnede van de kabels Om de sectie van een geleider te bepalen mogen we niet enkel en alleen rekening houden met de stroom, maar moeten we ook rekening houden met een zekere correctiefactor K. Deze correctiefactor kan opgedeeld worden in 3 delen ( K1, K2 en K3). K1 heeft betrekking op de plaatsingswijze K2 heeft betrekking op de onderlinge beïnvloeding van naast elkaar lopende geleiders K3 heeft betrekking op de omgevingstemperatuur en het gebruikte isolatiemateriaal van de geleiders. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 58

71 Aangezien bij het ontwerp we nooit zeker weten hoe de verschillende kabels lopen en geïnstalleerd worden maken we een veronderstelling met voldoende reserve. Uit praktische ervaringen is gebleken dat de correctiefactor meestal tussen de 0.65 en 0.75 ligt. We nemen voor het project een waarde van De stromen die eerder berekend zijn, moeten dan door deze correctiefactor gedeeld worden. We krijgen dan de fictieve maximum toelaatbare stroom I z. Gebruik makend van tabellen (zie BIJLAGE 2) leest men dan de waarde van de sectie van de geleider af in functie van de stroom I z. De sectie van kabels die men moet gebruiken bij de verlichting en stopcontacten is vastgelegd door het AREI. Deze bedragen respectievelijk 1.5mm² en 2.5mm². Men moet hier wel opletten: het kan namelijk zijn dat sommige TL armaturen zich op een lange afstand bevinden van de beveiliging in het elektrisch bord. Hierbij kan de spanning enorm zakken waardoor de goede werking van de armaturen in gedrang komt. Bij dit probleem is men dan dikwijls genoodzaakt grotere secties van de kabels te nemen. Dit is natuurlijk opnieuw een meerkost waar we zeker en vast moeten mee rekening houden in het ontwerp van de elektrische installatie. Let wel op: een beveiliging staat er in hoofdzaak niet omwille van het beveiligen van personen maar om de kabel te beveiligen. Wegens veel testen op kabels met verschillende doorsneden is men gekomen tot maximale stroomwaarden die de kabels aankunnen zonder schade te veroorzaken. Aan de hand van deze waarden heeft men dan ook kalibers van de beveiligingen bepaald die daarbij horen. Of omgekeerd, welke sectie van kabel gebruiken we bij dat bepaalde kaliber van beveiliging? De tabel hieronder is eigenlijk een afleiding van de tabel die gebruikt wordt om rekening te houden met de correctiefactoren. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 59

72 Tabel 6.3 Bepalen kabeldoorsnede Doorsnede(mm²) I z Beveiliging Berekening van de maximale spanningsval in een kring Om de goede werking van de verschillende verbruikers in de installatie te kunnen garanderen is het noodzakelijk de spanningsval te berekeningen in de verschillende kringen. We weten immers dat over een stroomvoerende kabel die een zekere impedantie bezit een spanningsval ontstaat waardoor de uiteindelijke spanning die aangeboden wordt aan de verbruikers verminderd en zodoende de goede werking van de verbruikers kan afnemen. Aan de hand van de tabel op volgende pagina kan heel eenvoudig de spanningsval bepaald worden in een kring. De waarden in de tabel zijn de spanningsvallen tussen fase en nulleider in een driefasennet + nulleider waarbij de lengte 100 meter bedraagt en de stroom 1 A is. Wanneer men met éénfasige kringen te maken heeft moet men de waarde in de tabel vermenigvuldigen met twee. Wanneer de lengte en de stroom andere waarden aannemen hanteert men volgende formule. u(kring) = u( tabel). I. L 100 b u (%) = u(kring) Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 60

73 Om een goede werking van de verbruikers toe te laten mag de maximale spanningsval voor verlichtingskringen niet meer bedragen dan 6% terwijl voor de andere kringen de waarde van 8% niet overschreden mag worden. Voorbeeld: Gegeven: Verlichtingskring met volgende gegevens: S = 95 mm², cosφ = 1, L = 120m en I b = 140A Gevraagd: Bereken aan de hand van deze gegevens de spanningsval die optreedt in die kring. Oplossing: u(kring) = 0, A.120m = 4.032V of 1.75% spanningsval 100 Met de vooropstelling dat een verlichtingskring slechts 6% spanningsval mag hebben, zitten we dus ruimschoots goed. Tabel 6.4 Maximale spanningsval Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 61

74 6.5 Bepalen kortsluitstromen Inleiding De nominale waarden van de automaten zijn reeds bepaald. Nu rest ons nog de kortsluitstromen te bepalen. Dat is in principe nodig, want de automaten moeten hierop gedimensioneerd worden. Binnen huishoudelijke installaties doet men dit niet omdat men hier aanneemt dat de kortsluitstroom steeds beneden de 3000A zal blijven, wat door de grote voorgaande impedanties in de praktijk ook zo is. Tegenwoordig neemt men zelfs meestal automaten van 4.5kA voor huishoudelijke installaties. Men kan om de kortsluitstroom te bepalen in feite gebruik maken van twee methodes Bepalen I cc stroomopwaarts in functie van I cc stroomafwaarts Deze methode bestaat erin de kortsluitstroom stroomafwaarts van een bepaald punt in de installatie te bepalen mits men over volgende gegevens beschikt. De kortsluitstroom stroomopwaarts van het punt dat je beschouwt. De lengte van de kabel stroomafwaarts De doorsnede van de kabel stroomafwaarts Als men deze gegevens ter beschikking heeft, kan men dan door gebruik te maken van de tabel in BIJLAGE 1 op een eenvoudige manier de kortsluitstroom bepalen Bepalen I cc op een willekeurig punt van de installatie We moeten rekening houden met de weerstanden en de reactanties stroomopwaarts van het punt waar men de kortsluitstroom wil bepalen. De som van de weerstanden: De som van de reactanties: R t = R 1 + R 2 + R 3 + X t = X 1 + X 2 + X 3 + Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 62

75 Zodoende wordt de kortsluitstroom gelijk aan: I cc = 3. m. cu. R 2 t n + X 2 t R t en X t in mω Met m: Belastingsfactor onbelast = 1.05 ( zie tabel 6.4 ) c: Spanningsfactor = 1.05 U n : De nominale spanning tussen de fasen van de transformator ( V ) De correctiefactoren c en m houden onder andere rekening met de spanningsvariaties in tijd en plaats, verwaarlozing belastingen, verwaarlozing lijn en kabelcapaciteiten, De waarde van deze twee factoren is afhankelijk van de toegepaste spanning. Onderstaande tabel laat ons de correctiefactor bepalen volgens de IEC 909 norm. Dit is de officiële norm van kortsluitstroomberekeningen. Als men de berekeningen uitvoert volgens deze norm dan moet men gebruik maken van deze factor. Tabel 6.5 Correctiefactor ( m ) voor Kortsluitstroom Nominale spanning U nom Correctiefactor voor de berekening van: Maximale kortsluitstroom Minimale kortsluitstroom 230 / 400 V V tot 1000V kV tot 35kV kV tot 230kV Indien we stroomopwaarts vertrekken naar het punt waar we de kortsluitstroom willen bepalen, dan moeten we rekening houden met de impedantie van het stroomopwaarts net, de impedantie van de transformator en de impedantie van de kabels. De impedantie van de vermogenschakelaars is te verwaarlozen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 63

76 Impedantie stroomopwaarts net: Het kortsluitvermogen van het stroomopwaartse net is meestal gegeven en in dit geval gelijk aan 500MVA. Bij twijfel kan dit altijd worden nagevraagd bij de distributienetbeheerder. Met dit gegeven kan men eenvoudig de kortsluitimpedantie in dit punt van de installatie bepalen. Z Q = ( mu. S n KQ ) 2 Met Z Q : Kortsluitimpedantie (ohm) S KQ : Kortsluitvermogen (MVA) U n : De nominale spanning ( V ) Aan de hand van de kortsluitimpedantie bepaalt men dan de weerstand en de reactantie. Weerstand: R = 0.1. Z Q Reactantie: X = Z Q Impedantie transformator: Uit P cu = 3. R transfo. I n ² en S= 3.U. I n n volgt voor de weerstand van de transformator Weerstand: R transfo = P cu. U S 2 n Met P cu : Koperverliezen in de transformator (W) S: Schijnbaar vermogen transformator (KVA) U n : Hier is U n niet gelijk aan de nominale spanning tussen de fasen van de transformator maar gelijk aan de omlaaggetransformeerde spanning van de hoogspanning ( V ). Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 64

77 Reactantie: X = 2 2 Z R waarbij Z = 2 U cc U. 100 S Met U cc : Kortsluitspanning van de transformator (in %) De formule voor Z wordt gevonden als volgt: uit U k = 3.Z.I n en S= 3.U. I n n U k en U cc = U k % =.100% U volgt Z = 2 U cc U. 100 S n Impedantie kabels: Weerstand: R = ρ.l A Met: ρ: Soortelijke weerstand van Koper (17.5mΩ.mm²/m) of Aluminium (28.5mΩ.mm²/m). L: Lengte van de kabel A: Doorsnede van de kabel Deze formule staat beter bekend als de wet van Pouillet. Reactantie: X = 0.09.L of X = 0.13L Indien men de kabels bundelt, gebruikt men de factor In het geval de kabels verspreid zijn, gebruiken we factor Meestal zal men de kabels bundelen en zal de eerste formule gelden. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 65

78 6.6 Keuze beveiligingsinrichtingen In de vorige paragrafen werd uitgelegd hoe we de nominale waarden van de beveiligingen bepalen alsook de kortsluitstromen die kunnen optreden in dat bepaald punt van de installatie. Eens men deze twee gegevens berekend heeft, kan men een keuze maken welke beveiliging men nu juist gaat toepassen. Er bestaan veel verschillende producenten van beveiligingsinrichtingen. Denken we maar aan Vynckier, Merlin Gerin, F&G, Hager, Hardy, In de toepassing die volgt zal gebruik gemaakt worden van de beveiligingen van Merlin Gerin. 6.7 Selectiviteit Inleiding Er treedt selectiviteit op tussen twee beveiligingsinrichtingen als bij een fout, dit kan zowel een overbelasting of een kortsluiting zijn, enkel dat toestel dat direct stroomopwaarts van de fout staat, uitschakelt. Selectiviteit is redelijk gemakkelijk te realiseren bij overbelasting maar wordt moeilijker bij kortsluiting. We hebben tijdsselectiviteit, stroomselectiviteit en energieselectiviteit. Hierbij zal energieselectiviteit enkel van toepassing zijn bij vermogenschakelaars Selectiviteit bij vermogenschakelaars Om selectiviteit te bekomen bij een overbelasting moet de verhouding van de magnetische drempels van de beveiligingen gelijk zijn aan 1.6. In dit geval spreken we van stroomselectiviteit. Bij een zwakke kortsluiting maken we gebruik van het begrip tijdsselectiviteit door ervoor te zorgen dat we een instelbare tijdsvertraging realiseren in de beveiliging direct stroomopwaarts. Bij hoge kortsluitstromen, krijgen we al problemen daar de tijden waarop de beveiligingen op een kortsluiting reageren zodanig dicht bij elkaar liggen dat je niet kan zeggen welke beveiliging nu eerst reageert. Sommige vermogenschakelaars bezitten een reflex -uitschakeling. De- Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 66

79 ze zijn heel gevoelig voor de energie die door een kortsluiting in het apparaat gedissipeerd wordt. Daardoor zal een hoge kortsluitstroom, die door beide beveiligingen gedetecteerd wordt, door de meest stroomafwaartse beveiliging begrensd worden. Hierdoor zal de energie die dan door de beveiliging stroomopwaarts gedissipeerd wordt onvoldoende zijn om uitschakeling ervan te veroorzaken. Dit is wat men noemt energieselectiviteit en kan gegarandeerd worden indien de verhouding tussen de kalibers van de beveiligingen groter is dan 2.5. Het blijft in ieder geval een moeilijke zaak om selectiviteit te garanderen bij kortsluiting. Men gaat dan meestal de twee curven van de beveiligingen naast elkaar leggen en bepalen tot welke stroom we selectiviteit kunnen garanderen. Eens voorbij deze stroom kan men niet meer zeggen welke van de beveiligingen eerst zal reageren Selectiviteit bij differentieelschakelaars Hier zal de fout van het type verliesstroom zijn. Wanneer is er nu juist selectiviteit tussen differentieels? We moeten voldoen aan twee voorwaarden om totale selectiviteit te bekomen. Ten eerste moet de gevoeligheid stijgen met ten minste een factor x2 ( stroomselectiviteit ) en ten tweede moet de differentieel die telkens stroomopwaarts staat van de vorige ten minste 50ms trager reageren ( tijdsselectiviteit ). Hierbij mag de tijdsvertraging niet meer bedragen dan 1s. De tabel 6.5 illustreert deze voorwaarden. Tabel 6.6 Selectiviteit bij differentieels Gevoeligheid Tijdsvertraging 30mA 100mA 300mA 1A 3A 10A 30A 0s 50ms 100ms 160ms 350ms 630ms 1s Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 67

80 6.8 Filiatie De filiatietechniek houdt in dat het mogelijk wordt stroomafwaarts een vermogenschakelaar te installeren die een kleiner onderbrekingsvermogen bezit dan de werkelijke kortsluitstroom. Voorwaarde is wel dat direct stroomopwaarts van deze vermogenschakelaar een vermogenschakelaar geplaatst wordt met wel voldoende onderbrekingsvermogen. Deze werkt dan eigenlijk als een soort blokkering. De energie die uiteindelijk nog doorgelaten wordt door deze vermogenschakelaar mag niet groter zijn dan de energie die de stroomafwaartse vermogenschakelaar kan verdragen. Deze techniek brengt veel voordelen met zich mee vooral naar de kostprijs van de beveiligingen en het maken van de borden. Het grote nadeel bij deze techniek is het opgeven van de selectiviteit. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 68

81 7 TT NETSTELSEL TOEGEPAST OP PROJECT 7.1 Inleiding De werkwijze besproken in hoofdstuk 6 Ontwerp van een installatie volgens TT passen we nu toe op het project. Aan de hand van de ééndraadschema s (zie BIJLAGE 7) en het onderstaand, vereenvoudigd ééndraadsschema vindt men alle gegevens terug, die nodig zijn om onze beveiligingen te bepalen. ( De cijfers tussen haakjes die men terugvindt op de volgende pagina s verwijzen naar het onderstaand schema ). Hierbij worden eerst de algemene beveiligingen bepaald die de verlichtings en stopcontactkringen beveiligen alsook de hoofdbeveiligingen van de EB s ( elektrische borden ). Daarna bepalen we de beveiligingsinrichtingen die onder andere de toevoerleidingen naar de verschillende EB s beveiligen alsook de beveiliging van de transformator. Als waarde voor de cosφ van de installatie wordt 0.95 genomen. Fig. 7.1 Vereenvoudigd ééndraadsschema Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 69

82 7.2 Bepalen van de kalibers van de beveiligingen Verlichting Elektrisch bord polyvalente zaal Zoals we al weten is de beveiliging die de verschillende verlichtingskringen moet beveiligen genormaliseerd op 16A. Het zal duidelijk worden dat verlichting in ons geval eigenlijk niet zo n grote impact heeft op het totale vermogen. Het totale vermogen van alle verlichtingskringen samen bedraagt 7435W. De verlichting wordt symmetrisch verdeeld over de drie fasen. We hebben voor de algemene beveiliging van de verlichtingskringen een 4-polige differentieelautomaat (2). We nemen voor de beschikbare spanning 400V driefasig. Dit wetende komen we tot een nominale stroom van: P I = tot = cosϕ 400. P tot = 3.cosϕ = 11.34A We zien dus duidelijk dat de stroom, nodig voor de verschillende verlichtingskringen, niet veel bedraagt. Maar om aan selectiviteit te komen moeten we hier toch kiezen voor een differentieelautomaat die een factor 1.6 groter is dan de automaat onmiddellijk stroomafwaarts ervan. Het kaliber van deze beveiliging wordt dan 25A. We kiezen voor een gevoeligheid van 300mA (2) Elektrisch bord polyvalente diensten Het totale vermogen hier bedraagt 9007W. Met als beschikbare spanning 400V driefasig bekomen we voor de nominale stroom: I = 400. P tot = 3.cosϕ = 14.1A Ook hier kiezen we voor een differentieelautomaat van 25A, 300mA (5). Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 70

83 ALSB De verlichting aanwezig op dit bord neemt een vermogen in van 24740W. I = 400. P tot = 3.cosϕ = 37.6A Als beveiliging kiezen we dan logischerwijze voor een kaliber net boven de bedrijfsstroom, namelijk 40A en dit met een gevoeligheid van 300mA (8) Stopcontacten Elektrisch bord polyvalente zaal Op dit bord hebben we enkel met 1-fasige verbruikers te maken, namelijk de stopcontacten. We weten ook dat we voor de afzonderlijke stopcontactkringen een automaat van 20A nemen. De stopcontacten nemen een vermogen in van 4290W. Als nominale stroom bekomen we: I = 400. P tot. gltf = 3.cosϕ = 1.95A Keuze: differentieelautomaat 32A, 300mA (3). We nemen een differentieelautomaat van 32A om een selectiviteit te bekomen met de automaten van 20A Elektrisch bord polyvalente diensten Het vermogen bedraagt hier 17430W. De nominale stroom wordt aldus: I = 400. P tot. gltf = 3.cosϕ = 7.94A Keuze: differentieelautomaat 32A, 300mA (6). Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 71

84 ALSB Totaal vermogen aan stopcontacten op dit bord bedraagt zo n 29520W plus nog zo n 9000W die op een aparte differentieel is aangesloten. Het betreft een vaatwasmachine, droogkast, wasmachine en automatische spoeling van de urinoirs. We krijgen aldus voor het vermogen van 29520W een nominale stroom van: I = 400. P tot. gltf = 3.cosϕ = 13.46A Keuze: differentieelautomaat 32A, 300mA (10). Voor het vermogen van 9000W krijgen we een nominale stroom van: I = 400. P tot. gltf = 3.cosϕ = 4.1A We kiezen een differentieelautomaat van 32A, 30mA (11), gezien de natte delen, omdat de automaat onmiddellijk stroomafwaarts 20A bedraagt. Zodoende bekomen we opnieuw selectiviteit. Let wel op: we hebben alleen stroomselectiviteit. Of we ook tijdsselectief werken wordt verder behandelt Hoofdbeveiligingen borden Elektrisch bord polyvalente zaal Hierbij beschouwen we het algemene vermogen van het totale bord. Zowel het vermogen opgenomen door verlichting als het vermogen dat de stopcontacten verbruiken. De nominale stroom bedraagt: 11.34A A = 13.29A Vanwege de selectiviteitseis zouden we theoretisch een automaat moeten plaatsen die een factor 1,6 groter is dan 32A, namelijk één van 50A. Maar gezien de gevraagde stroom maar rond de 13A ligt besluiten we hier een differentieelautomaat te plaatsen van 40A, 300mA met een ingestelde tijdsvertraging ten opzichte van de differentieelautomaten die de verlich- Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 72

85 tings en stopcontactkringen beveiligt (1). Zodoende zijn we zeker ook nog de selectiviteit. Direct stroomopwaarts van deze differentieelautomaat plaatsen we dan een automaat van 40A (9) Elektrisch bord polyvalente diensten Het stroomaandeel van de verlichtingskringen en stopcontactkringen bedraagt respectievelijk 14.1A en 7.94A. Deze gegevens vertellen ons dat de stroom gevraagd door de verbruikers van dit bord 22.04A bedraagt. Hier kiezen we idem als in vorige paragraaf voor een differentieelautomaat van 40A, 300mA (4). Opnieuw met een automaat van 40A direct stroomopwaarts ervan (9) zodat de toevoerleiding naar het bord polyvalente diensten beveiligt is ALSB Op dit bord hebben we niet alleen de verlichtingskringen en stopcontactkringen maar ook de verschillende voedingskringen voor o.a. brandcentrale, muziekcentrale, voeding borden, (9) Het stroomaandeel van de verlichtingskringen en stopcontactkringen weten we intussen. Deze bedragen respectievelijk 37.6A, en 4.1A. Het vermogen dat opgenomen wordt door de direct binnenkomende aansluitingen (9) bedraagt W. Dit is een aanzienlijk deel van de totale installatie. Dit is logisch, want het betreft onder andere de voedingen voor de verschillende borden. Deze laatste nemen natuurlijk ook een niet te verwaarlozen vermogen op. Wetende dat het vermogen W is, bekomen we een stroomaandeel uit van: I = 400. P tot. gltf = 3.cosϕ = 186.9A Als totale stroom, die door de algemene beveiliging van de installatie moeten kunnen vloeien, bekomen we 31.6A A + 4.1A A = A De keuze valt hier op een vermogenschakelaar ( disjoncteur ) ditmaal met losser die een kaliber bezit van 250A met daaraan een Vigi differentieelmodule gekoppeld regelbaar tussen 300mA en 1A (7). Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 73

86 Opmerking: Er werd dus besloten om aan kop van de verschillende borden een differentieelautomaat te plaatsen. Deze moet wel van het type selectief zijn. Deze beveiliging is dan reeds verzien van een vooraf ingestelde tijdsvertraging. Wanneer er zich dan een verlies voordoet in een verlichtingskring ( de verlichtingskringen zijn beveiligd door een differentieelautomaat ) dan zal enkel de differentieelautomaat uitschakelen die de verlichtingskringen beveiligd en niet de hoofdbeveiliging ( selectieve differentieel ) van het bord aangezien deze trager zal reageren op de fout. Hierop moet duidelijk gelet worden. 7.3 Bepalen van de grootte van de kabels De kalibers die bepaald werden uit de beveiligingen gebruiken we nu om de grootte van de verschillende kabels in de installatie te bepalen. Hierbij stellen we de maximaal toelaatbare stroom I z in de kabel gelijk aan het kaliber van de beveiliging. Mits dan nog rekening te houden met de correctiefactoren bekomen we de fictieve maximaal toelaatbare stroom I z. Als laatste stap gebruiken we BIJLAGE 2 die ons de grootte van de kabel oplevert in functie van deze fictieve stroom. Volgende tabel geeft ons de verschillende secties van de kabels in de installatie alsook het type kabel die gebruikt wordt. Wegens het niet nauwkeurig kennen van de correctiefactor wordt een vaste waarde van 0.73 genomen. De keuzeletter hierbij is E. Het betreft PR3 isolatiemateriaal. Dit komt eigenlijk overeen met een XVB kabel. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 74

87 Identificatie kabel Tabel 7.1 Bepalen doorsnede en type van de kabel Kaliber (A) I z Doorsnede (mm²) Verlichtingskring Stopcontacten en voedingen Voeding EB bewoner Voeding EB polyvalente zaal Voeding EB polyvalente diensten Voeding EB HVAC Voeding EB HVAC Voeding EB HVAC Voeding EB HVAC stookplaats Voeding Brandcentrale Voeding CEE stopcontact 16A Voeding CEE stopcontact 63A Voeding CEE stopcontact 125A Voeding EB lift Voeding ALSB Type kabel XVB (F2) 2x1.5mm² + 1.5mm² XVB (F2) 2x2.5mm² + 2.5mm² XVB (F2) 4x10mm² + VOB gl/gr 10mm² XVB (F2) 4x10mm² + 10mm² XVB (F2) 4x10mm² + 10mm² XVB (F2) 4x6mm² + 6mm² XVB (F2) 4x4mm² + 4mm² XVB (F2) 4x4mm² + 4mm² XVB (F2) 4x4mm² + 4mm² XVB (F3) 2x2.5mm² + 2.5mm² XVB (F2) 4x2.5mm² + 2.5mm² XVB (F2) 4x16mm² + 16mm² XVB (F2) 4x50mm² + VOB gl/gr 16mm² XVB (F3) 4x10mm² + 10mm² EXVB (F2) 2x(4x50mm²) + VOB gl/gr 25mm² Opmerking: Bij het type kabel staat er F2 of F3. F2 betekent normale brandbestendigheid van de kabel. F3 betekent een grotere brandbestendigheid. Meestal spreekt men van RF ( Resistance Feu) 1 uur of RF 2 uur. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 75

88 In het ALSB en EB polyvalente diensten hebben we te maken met al heel wat stopcontactkringen. Al deze stopcontactkringen moeten samen aangesloten worden op een 4-polige beveiliging. Het spreekt voor zich dat dit zal leiden tot een wirwar van draden. Dit probleem kan heel eenvoudig opgelost worden. Er bestaat immers de mogelijkheid om een geprefabriceerd railstel te koppelen aan de 4- polige beveiliging. Van op dit railstel vertrekken we dan naar een VBS railsysteem. Dit railsysteem biedt de mogelijk alle automaten daar op aan te sluiten en biedt tevens een stroomvoorziening voor al de automaten. We hoeven dus enkel van het railstel bij de 4-polige automaat te vertrekken en de vier geleiders ( L1, L2, L3 en N ) op dit VBS railsysteem aan te sluiten. Dit heeft als positief gevolg dat er veel minder bekabeling moet gebeuren. Fig. 7.2 VBS rail Bij de voeding van het ALSB, de toevoerleiding afkomstig van de hoogspanningscabine, moet er normaal gekozen worden voor een sectie van 120mm². We zullen twee kabels gebruiken van 50mm². Dit levert ons geen problemen aangezien door de twee aparte kabels een grotere stroom kan vloeien dan door 1 enkele kabel van 120mm². 7.4 Bepalen maximale spanningsval In bijlage 9 staan alle spanningsvallen in procenten weergegeven die de verschillende kringen ondergaan. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 76

89 7.5 Bepalen kortsluitstromen Gebruik makend van de formules in punt 6.5 gaan we achtereenvolgens de kortsluitstroom bepalen in punt 1 en 2 van het onderstaande schema alsook de kortsluitstroom op het einde van de installatie. Hiertoe zullen we de weerstand en reactantie moeten bepalen van achtereenvolgens het stroomopwaarts net ( het net nog voor de transformator ), de transformator en de kabels die de verbindingen maken tussen de beveiligingen. Zoals reeds gezegd mogen we de vermogenschakelaars verwaarlozen in de berekening van de kortsluitstroom. Om deze berekening te kunnen uitvoeren moeten een aantal gegevens ter beschikking zijn. Fig. 7.3 Bepalen kortsluitstromen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 77

90 Gegeven: De lengte van de toevoerleiding naar het ALSB bedraagt ongeveer 100m. We hebben hier 2 kabels van 50mm² voor handen. De lengte van de toevoerleiding naar het LSB bedraagt ongeveer 65m en dit met een sectie van 10mm². Alle overige gegevens met betrekking tot de transformator zijn opgenomen in het schema. Tabel 7.2 Berekening weerstanden en reactanties Gedeelte van de Weerstand (mω) Reactantie (mω) installatie Stroomopwaarts net Transformator Toevoerleiding ALSB Toevoerleiding LSB Met behulp van bovenstaande berekende waarden met behulp van de formules in punt 6.5, kunnen we nu achtereenvolgens de kortsluitstroom bepalen in punt 1 en 2. Punt 1: R t = = mΩ X t = = mΩ De kortsluitstroom wordt dan: I cc = 3. m. cu. R 2 t n + X 2 t = = 5.76 ka Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 78

91 Punt 2: R t = = mΩ X t = = mΩ De kortsluitstroom zal in dit punt logischerwijze lager zijn omdat het stroompad een grotere impedantie tegenkomt: I cc = 3. m. cu. R 2 t n + X 2 t = = 1.77 ka Kortsluitstroom aan het einde van de installatie: Dit is het punt waar de verbruikers aanwezig zijn. Hierbij wordt deze kring genomen die de kleinste lengte bezit. In het project bedraagt de afstand van deze kring 5m. We nemen uiteraard de kleinste afstand omdat al de kringen die een grotere afstand bezitten een nog grotere impedantie bezitten die dan uiteindelijk leidt tot een nog kleinere kortsluitstroom. We hebben te maken met een sectie van 2.5mm² en een lengte van 5m. De weerstand wordt dan uiteindelijk, door gebruik te maken van de wet van Pouillet, 35mΩ. De reactantie bedraagt 0,9. 5m = 4.5mΩ R t = = mΩ X t = = mΩ De kortsluitstroom zal ditmaal nog lager zijn, namelijk: I cc = 3. m. cu. R 2 t n + X 2 t = = 1.42 ka Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 79

92 7.6 Keuze beveiligingsinrichtingen Inleiding Rekening houdend met de berekende kortsluitstroom en het gekozen kaliber van de beveiliging kunnen we nu een beveiliging kiezen die voldoende onderbrekingsvermogen bezit om deze kortsluitstroom te onderbreken Automaten Deze beveiligingen gebruiken we voor de verlichtings en stopcontactkringen alsook voor de toevoerleiding van de verschillende elektrische borden. Hierbij maken we gebruik van de serie Multi 9. Dit zijn gewone automaten met stroomsterkten gaande tot 125A. We kiezen voor de automaat C60x. De letter x is afhankelijk van het gewenste onderbrekingsvermogen gelijk aan a, N, H of L. In dit deel van de installatie is de grootste kortsluitstroom die nog kan optreden gelijk aan 1.42kA. We kiezen voor de letter N. Dit betekent dat we een kortsluitstroom kunnen onderbreken tot 6kA. Uit de berekeningen van de kortsluitstromen is gebleken dat er nergens, in de installatie stroomafwaarts van de kortsluitstroom die aan de transformator kan heersen, een grotere kortsluitstroom zal optreden dan 5.76kA. Hieruit kunnen we dus besluiten dat we overal een beveiliging mogen kiezen met een onderbrekingsvermogen van 6kA. Fig. 7.4 Multi 9, C60N automaat Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 80

93 7.6.3 Differentieelautomaat Dit type van beveiliging is nodig aangezien we werken in een TT installatie waar beveiliging van personen tegen onrechtstreekse aanraking noodzakelijk is. Deze beveiliging zal in het project toegepast worden als algemene beveiliging van de verlichting en van de stopcontacten. Opmerking: Wat hier ook vermeld moet worden, is dat deze beveiliging opgebouwd is uit een automaat met daaraan gekoppeld een differentieel module. Een zogenaamde differentieelautomaat. We hebben hierin twee mogelijkheden. Ofwel is de differentieel eenheid mechanisch gekoppeld aan de automaat ofwel is hij verbonden met geleiders. Dit laatste betekent dat als er zich een verliesstroom voordoet de differentieel wel reageert maar dat de automaat niet uitschakelt. Vandaag de dag is het verplicht dat we een mechanische koppeling hebben tussen beide zodat wanneer er zich een fout voordoet beide eenheden uitschakelen. Dit vooral naar veiligheid toe gericht. Het komt er dus op neer dat een 4 polige Vigi differentieelmodule mechanisch zal gekoppeld worden aan een 4 polige automaat Vermogenschakelaar De vermogenschakelaar wordt gebruikt voor de hoofdbeveiliging van het ALSB en voor de beveiliging van de transformator. Beveiliging ALSB: Deze beveiliging moet een kaliber bezitten van 250A en een kortsluitvermogen van minimum 6kA. De keuze valt hier op de reeks Compact, namelijk een Compact NS250N. Deze heeft een kortsluitvermogen van 36kA, wat dus ruimschoots voldoende is. Als losser wordt een elektronische losser STR22SE genomen van 250A zonder verdere afregeling. Verder wordt er ook nog een differentieelmodule aan deze vermogenschakelaar gekoppeld regelbaar tussen 300mA en 3A. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 81

94 Fig. 7.5 Compact NS250N Beveiliging transformator ( toevoerleiding ALSB ): Om daartoe te komen zullen we eerst de grootte van de te plaatsen transformator bepalen. Dit doen we uitgaande van het totale vermogen die de installatie vraagt. Rekening houdend met een eventuele uitbreiding van de installatie nemen we voor het totale vermogen 300kW. Het schijnbaar vermogen wordt uiteindelijk: S = P tot. gltf = cosϕ = 221kVA 0.95 Op basis van het schijnbaar vermogen is een oliegekoelde transformator (DOTE) gekozen met een schijnbaar vermogen van 250kVA. We beschikken hierbij over een primaire spanning van V en een secundaire spanning van 400V. Een heel belangrijk gegeven van de transformator is de procentuele kortsluitspanning. Deze waarde toont immers aan welke spanning je aan de primaire kant van de transformator moet aanleggen om aan de secundaire kant, wanneer deze zich in kortsluitmode bevindt, de nominale stroom te krijgen. De gekozen transformator, zie verder, bezit een procentuele kortsluitspanning van 4%. Toegepast op het project betekent dit dat wanneer we een spanning aanleggen van V = 400V we een secundaire nominale stroom verkrijgen van: Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 82

95 I nom = S 400. = = 360A Deze waarde kunnen we al gebruiken om de nominale waarde van de beveiliging te bepalen. Nu rest ons alleen nog de kortsluitstroom te berekenen die ontstaat net na de klemmen van de transformator. I cc = I nom u k = 360 = 9000A 0.04 We zullen voor de beveiliging van de transformator een vermogenschakelaar plaatsen net na de transformator. De vermogenschakelaar zal dus een nominale stroom van 360A moeten kunnen doorlaten en een kortsluitstroom van 9kA kunnen onderbreken. Om een kost uit te sparen opteert men hier voor een gewone lastscheidingsschakelaar met HOV zekeringen. Als keuze zouden we ook Compact NS400N kunnen nemen. Deze kan dus een nominale stroom van 400A laten vloeien en een kortsluitstroom van 45kA onderbreken. Hiermee hebben we dus ruimschoots genoeg om onze transformator te beveiligen. Losser Fig. 7.6 Compact NS400N + Vigi differentieelmodule Hier moet wel heel goed opgelet worden. Als je kiest voor een vermogenschakelaar die 400A kan doorlaten, betekent dit automatisch dat de beveiliging direct stroomafwaarts ervan ( de algemene beveiliging van het ALSB: 250A ) deze 400A ook moet kunnen doorlaten. Met als gevolg dat de sectie van de kabel moet toenemen, de vermogenschakelaar in het ALSB moet aangepast worden en de stroomrails in het bord moeten ook voor deze stroom gedimensio- Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 83

96 neerd worden. Dit alles betekent al gauw een stijging van de prijs van installatie. Voor het project zijn er geen verdere uitbreidingen nodig. We kunnen dit probleem oplossen door gebruik te maken van een zogenaamde losser. Met de losser bedoelen we een elektronische beveiligingsunit waarvan men de nominale stroom en uitschakeltijd kan regelen binnen bepaalde grenzen. Deze unit is modulair opgebouwd en wordt gewoon in de vermogenschakelaar gemonteerd. De losser kan dus gewoonweg uit de vermogenschakelaar verwijderd worden en vervangen worden door een ander type van losser. Bij de kleine vermogenschakelaars is er ook een losser aanwezig in het toestel maar met het verschil dat de waarden van deze losser vastgelegd zijn en niet veranderd kunnen worden. De losser is namelijk inwendig ingebouwd. Fig. 7.7 Instelmogelijkheden van een losser Wijzigen van één van deze knoppen aanwezig op de losser zorgt voor een verandering van de tijdstroomkarakteristiek. Fig. 7.8 Tijdstroomkarakteristiek beveiliging Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 84

97 Figuur 7.8 stelt de uitschakelcurve voor van een vermogenschakelaar. Door middel van de losser is het dus mogelijk, wijzigingen aan te brengen in deze curve. Met 1 kunnen we de beveiliging met lange vertraging bij overbelasting instellen. Met 3 kunnen we de beveiliging instellen tegen korte vertraging ( beveiliging tegen kortsluitingen ) en dit met een instelbare drempel. 4 tenslotte doet identiek hetzelfde als 3 maar ditmaal met een vaste vertraging. Een mogelijke oplossing als losser voor de Compact NS400N is de STR23SE van 400A. Deze kunnen we dan instellen van 0.5 tot 1 x I nom. In onze toepassing zal deze moeten ingesteld worden op ongeveer 0.6 x I nom = 240A. Deze waarde zal dus ingesteld moeten worden door middel van de draaischakelaars op de losser. Eerst een grove instelling en daarna een fijne instelling. Zodoende hebben we ook geen probleem meer met de beveiliging van 250A. Wanneer dus de keuze valt op deze vermogenschakelaar gaat dit natuurlijk heel wat meer kosten dan een gewone combinatie van lastscheidingschakelaar met HOV zekeringen. De figuur op de volgende pagina illustreert een globaal overzicht van alle gebruikte beveiligingen. We vertrekken helemaal stroomafwaarts bij de verlichtingskringen en eindigen stroomopwaarts bij de beveiliging die geplaatst wordt in de hoogspanningscabine. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 85

98 Fig. 7.9 Algemeen schema beveiligingen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 86

99 7.7 Controle van de afschakeltijden Het AREI definieert dat de beveiligingen in geval van kortsluiting moeten afschakelen vooraleer de maximum temperatuur van de kabel bereikt is en zeker en vast binnen een tijd van 5s. Om dit te controleren moeten we voldoen aan volgende voorwaarde: I².t < k².s² Met: I: De kortsluitstroom ( A ) t: De tijd waarbij afgeschakeld wordt. Maximum 5s k: Een constante die afhankelijk is van de kern en van het isolatiemateriaal van de kabel. S: Sectie van de kabel ( mm² ) Als voorbeeld nemen we de toevoerleiding naar het ALSB. Net na de klemmen van de beveiliging treedt er een kortsluitstroom op van 5.76kA. De k waarde bedraagt ongeveer 115 en de sectie van de kabel bedraagt 2x50mm². We krijgen: 5760².5 < 115². 100² < We voldoen aan de voorwaarde: de kabel zal in geval van kortsluiting voldoende snel afschakelen. Indien de minimale kortsluitstroom die kan optreden kleiner zou zijn dan de magnetische drempel van de beveiliging dan zal het langer duren dan 5s vooraleer de beveiliging uitschakelt. Met als gevolg een overdreven opwarmen van de kabel met alle gevolgen van dien. We moeten er dus voor zorgen dat de minimale kortsluitstroom boven de magnetische drempel ligt. Zoniet, kan men een nog altijd een automaat of vermogenschakelaar nemen met een andere curve of losser. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 87

100 7.8 Selectiviteit Als beveiliging voor de borden kunnen we kiezen tussen een differentieelautomaat en een lastscheider. Beide mogelijkheden worden even besproken alsook de eventuele problemen die kunnen optreden Differentieelautomaat of lastscheider Differentieelautomaat: Laten we eens de beveiligingen van het bord analyseren. Stel dat er een fout optreedt in één van de verlichtingskringen. Deze fout zal onmiddellijk gedetecteerd worden door de automaat direct stroomopwaarts van de fout. Alleen deze kring zal uitschakelen. Wanneer de fout een isolatiefout is, dan zal de differentieelautomaat 25A, 300mA die de verlichtingkringen beveiligt reageren op voorwaarde dat de differentieelautomaat die het bord beveiligt trager in tijd ingesteld is. Dit is nodig want als er een verliesstroom zich voordoet in één van de verlichtingskringen dan zal 9 kansen op 10 de differentieelautomaat die de toevoerleiding beveiligd ook uitschakelen. We moeten hier wel opmerken dat we geen stroomselectiviteit hebben (beide differentieels hebben dezelfde gevoeligheid, namelijk 300mA), maar we voldoen wel aan tijdsselectiviteit. In het geval van kortsluiting moet de automaat van 40A die de toevoerleiding naar het bord beveiligt trager reageren dan de differentieelautomaat anders zal de beveiliging die de toevoerleiding beveiligt eerst uitschakelen met als gevolg dat we naar het bord stroomopwaarts moeten gaan om het secundaire bord terug in te schakelen. Lastscheider: Eventueel kan er hier ook gekozen worden voor een gewone lastscheider aan kop van het bord. Deze zal dan enkel functie hebben om het bord af te schakelen of het bord in te schakelen. Als nadeel brengt dit wel met zich mee dat wanneer er zich een fout voordoet en de be- Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 88

101 veiliging van de toevoerleiding afschakelt we helemaal naar het stroomopwaarts bord moeten gaan om dit bord terug in te schakelen. Ook geldt dat wanneer we een lastscheider toepassen, deze totaal niet beschikt over enig onderbrekingsvermogen. Hieruit kunnen we dus afleiden dat de differentieelautomaat als voordeel heeft dat wanneer er zich een fout voordoet in het bord de differentieelautomaat wel degelijk uitschakelt in tegenstelling tot de lastscheider die totaal geen onderbrekingsvermogen heeft Controle selectiviteit automaten Zoals reeds uitgelegd kunnen we niet altijd de totale selectiviteit garanderen. Meestal zullen we aanduiden tot welke stroom de ene automaat vlugger zal uitschakelen dan de andere. Eens voorbij deze stroom kunnen we niet meer garanderen welke automaat eerst zal reageren. Dit zal duidelijk worden aan de hand van volgend voorbeeld. Fig Gedeeltelijke selectiviteit Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 89

102 Figuur 7.10 geeft de uitschakelcurves weer van een automaat van 25A en van 40A. Door middel van deze curves kunnen we duidelijk de mate aan selectiviteit bepalen tussen beide. Als we de thermische gedeelten van de curves met elkaar vergelijken, zien we duidelijk dat de automaat van 25A altijd eerst zal reageren dan de automaat van 40A. Het magnetische gedeelte van de curves is een heel andere zaak. We zien dat de automaat van 25A altijd vlugger zal reageren tot en met een stroomwaarde van ongeveer 200A. Eens voorbij deze stroomgrens kunnen we niet meer garanderen welke automaat eerst zal reageren aangezien beide automaten voorbij deze stroomgrens allen even vlug zullen uitschakelen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 90

103 8 ONTWERP VAN DE INSTALLATIE VOLGENS TN 8.1 Inleiding In het TN netstelsel hebben we met andere beveiligingen te maken dan bij een TT netstelsel. De oorzaak hiervan ligt in de manier van aarden. In een TT - net zijn de massa s van de verbruikers via een beschermingsgeleider verbonden met de aardelektroden. Dit betekent dus als er een fout optreedt tussen fase en aarde, dat de stroom die hiermee gepaard gaat, voldoende verminderd wordt, door enerzijds de impedantie van het stroompad, maar vooral door de weerstand van de aarde. Hierdoor kunnen we in een TT - net, wanneer er een onrechtstreekse aanraking gebeurt, gebruik maken van differentieelschakelaars. Nadeel hiervan is natuurlijk een grote meerkost aan beveiligingen. In een TN - net is de situatie helemaal anders. Hier zijn de massa s van de verbruikers verbonden met de beschermingsgeleider van het net, al of niet voorzien van een nulgeleider. Dit betekent dus als de situatie van indirecte aanraking voorkomt dat de stroom die gepaard gaat met deze fout alleen gereduceerd wordt door de impedantie van het stroompad. Er zal dus tengevolge van deze stroom een potentiaalverschil ontstaan met de aarde. Dit potentiaalverschil U c zorgt dan uiteindelijk dat er een stroom zal vloeien door je lichaam. Volgende figuur illustreert deze situatie. Fig. 8.1 Kortsluiting fase aarde Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 91

104 1. Aardingweerstand 2. Massa verbonden met PEN geleider in TNC 3. Onderbreking door smeltzekeringen of automaten bij het optreden van fout. Het is verboden hierbij om de PEN geleider in een TNC net te onderbreken. 4. Gescheiden PE en nulgeleider in TNS 5. Differentieelschakelaar mogelijk en onderbreking van de nulgeleider is verplicht. Deze stroom zal dus in tegenstelling met het TT - net, een heel grote stroom zijn. Iedere isolatiefout die optreedt, zal dan aanzien worden als een kortsluitstroom. Daarom zijn we genoodzaakt om bij een TN - net te grijpen naar de vermogenschakelaars. Dit is kenmerkend voor dit type van net. We zullen zowel de fouten bij overbelasting, kortsluiting als bij indirecte aanraking uitschakelen met vermogenschakelaars. Belangrijk hierbij is dat men ook zeker nooit de beschermingsgeleider mee mag onderbreken. Dit is ook duidelijk te zien in figuur 8.1. We zullen zeker ook nog de lengte van de leidingen moeten controleren. Indien deze te lang worden, kan de stroom zodanig verminderd zijn door de weerstand van de leiding dat de vermogenschakelaar te traag of helemaal niet zal reageren bij indirecte aanraking. Een typisch voorbeeld hiervan zijn de verlengkabels die men aansluit op wandcontactdozen. Men kan namelijk niet vooraf bepalen wat deze lengte zal zijn en dus ook niet de extra impedantie dat deze kabel veroorzaakt. De mogelijke oplossingen worden behandeld in punt 9.2 Men zal in dit net vertrekken stroomopwaarts van TN - C. De nulgeleider en beschermingsgeleider zijn samengebundeld tot een PEN - geleider. Deze situatie mag niet toegepast worden voor geleiders met een doorsnede kleiner dan 10mm² en wanneer er gebruik gemaakt wordt van soepele geleiders ( VOBst geleiders ). Meer stroomafwaarts kan het zijn dat we te maken hebben met 1-fasige verbruikers. Dit betekent dus dat we de PEN zullen ontdubbelen in de beschermingsgeleider en nulgeleider. Dit stelsel is verplicht bij doorsneden kleiner dan 10mm². Het is hierbij ten strengste verboden terug te keren naar een TN C net indien men reeds overgeschakeld is op TN S. Er zijn verschillende redenen: Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 92

105 1. Een eerste reden heeft te maken met de terugkerende nulgeleiderstroom. Indien je beide geleiders terug samenbrengt na opsplitsing en er bevindt zich stroomafwaarts van de (samenbrengende) verbinding een éénfasig toestel, dan zal in het gedeelte waar beiden gescheiden zijn, een gedeelte van de nulgeleiderstroom langs de nulgeleider terugvloeien, maar het andere deel zal langs de beschermingsgeleider terugvloeien. Men weet intussen dat wanneer er een stroom vloeit in de beschermingsgeleider dat deze aanzien zal worden als een verliesstroom. Als er differentieels in dit gedeelte aanwezig zijn, dan zullen deze de verliesstroom detecteren en dus ongewenst uitschakelen. Bovendien is het niet toegelaten om een actieve (nulgeleider)stroom te sturen door een beschermingsgeleider. Door een PEN - geleider mag dit wel. Fig. 8.2 Terugkerende nulgeleiderstroom 2. Het AREI schrijft dit voor. 3. Er zou een lus kunnen ontstaan ( gevaar voor koppelingen! ). 4. De beschermingsgeleider zou een stroom kunnen voeren in normaal bedrijf, waarbij de stroom eigenlijk via de nulgeleider moet lopen in een TN S net. Dit betekent dat de rol van de beschermingsgeleider als passieve geleider dus vervalt. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 93

106 5. Als laatste reden kan nog vermeld worden dat de secties van de beschermingsgeleider en de nulgeleider verschillend kunnen zijn. Terzijde kan nog verteld worden dat uit oogpunt van Power Quality men meer en meer over gaat op een TN - S net met een volwaardige sectie van de nulgeleider. Daar de stroom door de nulgeleider zelfs waarden kan aannemen van 3 maal de fasestroom. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 94

107 9 TN - NETSTELSEL TOEGEPAST OP PROJECT 9.1 Inleiding De procedures die moeten gevolgd worden zijn identiek aan deze bij een TT netstelsel. Het enige verschil is dat we niet meer met differentieels werken en zodoende de beveiliging van de personen moeten controleren aan de hand van de maximaal toelaatbare lengte van de kabels. Het waarom werd reeds in vorige paragraaf behandeld. Natuurlijk is de bewering van het niet gebruiken van differentieels niet helemaal juist. Als we de toelaatbare lengte van de kabels overschrijden en zodoende geen veiligheid meer kunnen garanderen aan de personen betrokken in de installatie, dan is natuurlijk één van de oplossingen het plaatsen van differentieels. Men probeert dit natuurlijk zoveel mogelijk te vermijden om een meerkost uit te sluiten. 9.2 Beveiliging tegen onrechtstreekse aanraking We weten reeds dat de beveiliging tegen onrechtstreekse aanraking in een TN netstelsel slechts zal verzekerd zijn als we de maximale lengte van de kabel, die de automaat beveiligd, zijn maximale lengte niet overschrijdt. De formule die deze lengte bepaalt is als volgt: L max 0,8. U. S = ρ. I magn fase m Met: U: 230V S fase: Sectie van de fasegeleider ( mm² ) ρ: Soortelijke weerstand bij normale werkingstemperatuur m: S fase / S PE Automaten kunnen onderverdeeld worden in een B, C of D curve. Voor verlichting en stopcontacten nemen we normaal curve C automaten. I magn zal in dit geval liggen tussen 5 en 10 keer I nom. Waarbij I nom de waarde aangeeft van de kaliber van de automaat. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 95

108 In de formule gebruiken we voor I magn, 8.I nom. Aan het ééndraadsschema verandert er niet veel. De differentieelautomaten die gebruikt werden in het TT netstelsel zullen vervangen worden door automaten. Het enige wat ons dan rest is de maximale lengte van de kabel berekenen en controleren of de automaat deze kabel nog beveiligt tegen onrechtstreekse aanraking. In BIJLAGE 5 vindt men de lengte van de kabels terug van alle kringen met daarnaast de maximale lengte van de kabel die niet overschreden mag worden. De cijfers in het blauw geven aan dat er geen problemen zijn met de onrechtstreekse aanraking. De cijfers in het rood geven aan dat er wel een probleem is. Dit geeft dus aan dat de lengte van de kringen de maximale lengte overschrijdt. Om aan dit probleem tegemoet te komen, kunnen we volgende maatregelen treffen: 1. Kiezen van een automaat of vermogenschakelaar met een lagere magnetische drempel. Een lagere magnetische drempel laat dan toe de beveiliging van de personen te verzekeren. Voor automaten betekent dit een andere curve van automaat kiezen. Voor een vermogenschakelaar betekent dit het plaatsen van een andere losser. 2. Een grotere kabeldoorsnede nemen. Deze zal er immers voor zorgen dat de impedantie zal dalen met als gevolg dat de foutstroom zal stijgen en bij een zekere kabeldoorsnede groter zal zijn dan de magnetische stroom. Eens groter dan de magnetische stroom zal de automaat uitschakelen. 3. Plaatsen van een differentieelinrichtring. Dit wordt enkel gedaan wanneer vorige methoden niet helpen om de beveiliging te garanderen. Een differentieelinrichting zal de foutstroom, in een TN net heel groot, ogenblikkelijk detecteren en onderbreken. Deze methode kan aangeraden worden wanneer kringen stopcontacten voeden waarop soepele geleiders op aangesloten zijn. De lengte van deze geleiders is meestal onbekend waardoor de berekening van de maximale lengte niet meer voorspelbaar zal zijn. De kringen van het project ( verlichting en stopcontacten ) waar de maximale lengte overschreden wordt, zullen voorzien worden van een automaat met een B curve. We krijgen dan een I magn die tussen 3 en 5 keer de I nom ligt. Dit betekent dat de noemer in de formule zal dalen met als gevolg een grotere maximale lengte van de kabel. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 96

109 De kabeldoorsneden vergroten zullen we zoveel mogelijk vermijden. Het spreekt voor zich dat dit een aanzienlijke meerkost zal teweegbrengen op de kostprijs van de installatie. Enkel kring 14 van de verlichting in het ALSB zal door een verandering in de curve van de automaat nog niet beveiligd zijn, waardoor we dus genoodzaakt zijn om een differentieelinrichting te plaatsen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 97

110 10 VERGELIJKING TT EN TN NETSTELSEL Aangezien het vroegere gebouw van het project uitgevoerd was in TT, zal de aanpassing van het gebouw naar zijn nieuwe situatie ook uitgevoerd worden in TT. De installatie werd zowel uitgerekend in TT en TN. Al gauw merkt men dat er voordelen en nadelen in het spel zijn wanneer men voor één van de netstelsels kiest TT netstelsel De veiligheid van de personen in dergelijke netstructuur kan pas gegarandeerd worden wanneer men gebruik maakt van differentieelschakelaars. De ideale veiligheid kan geboden worden wanneer men een differentieelschakelaar aan kop van de installatie plaatst. Dit heeft dan wel als nadeel dat wanneer er een fout optreedt, b.v. een massasluiting in een elektrisch apparaatje, de volledige installatie uitgeschakeld wordt. Door afzonderlijke delen van de installatie dus te voorzien van een differentieelautomaat zal natuurlijk ook de kostprijs in de hoogte gaan, wat dan weer een nadeel is. Aan de aardingsovergangsweerstand worden in dit netstelsel geen strenge eisen gesteld. Indien men van een ander netstelsel wil overstappen op een TT netstelsel, dan brengt deze omschakeling veel minder berekeningen met zich mee TN netstelsel De veiligheid van de personen in dit netstelsel kan gegarandeerd worden door gewone automaten of vermogenschakelaars, wat een aanzienlijke vermindering van de kostprijs met zich meebrengt. Maar aan dit voordeel hangt natuurlijk ook een nadeel gebonden. Door het feit dat we rekening moeten houden met maximale lengtes van de kabels, moeten we veel meer berekeningen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 98

111 doorvoeren om te controleren of de automaat of vermogenschakelaar wel degelijk voldoende is om de onrechtstreekse aanraking te voorkomen. Een voordeel in deze structuur is dat we heel wat lengtes kabels kunnen besparen doordat we kunnen vertrekken van een TN - C net. De functie van de nulgeleider en de beschermingsgeleider worden niet door 2 maar door slechts 1 kabel vervult. Eens we aan de 1-fasige kringen komen moeten we natuurlijk overstappen op een TN S net. Dit voordeel moet zeker ook in rekening gebracht worden aangezien we natuurlijk een kabel uitsparen ten opzichte van TT. En niet te vergeten, we sparen ook wat centjes uit Besluit Als ontwerper zal men meestal zelf moeten bepalen welke netstructuur men toepast aangezien de opdrachtgever weinig of helemaal niets over distributienetten kent. Hierbij moet men dan als ontwerper goed stilstaan bij de gevolgen en de voor en nadelen die bij een bepaalde netstructuur kunnen optreden. Ook de aard en functie van het gebouw speelt een belangrijke rol bij de keuze. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 99

112 11 CONDENSATORBATTERIJ 11.1 Actief en reactief vermogen Vooraleer we de benodigde condensatorbatterij berekenen staan we best eens stil waarom we juist een condensatorbatterij moeten plaatsen. Het is namelijk zo, dat transformatoren, motoren, verlichtingsarmaturen ( TL of PL ) naast een actieve energie voor de levering van de nuttige arbeid ook een reactieve energie nodig voor de opbouw van de magnetische velden. Deze stroom neemt niet mee aan de energieomzetting maar pendelt als het ware tussen het voedingsnet en de gebruiker. We krijgen bij een reactieve belasting te maken met een faseverschuiving tussen de stroom en de spanning. De hoek tussen beide wordt de cos φ genoemd. We krijgen dan voor het actief en reactief vermogen: P = 3. U. I. cos φ ( W ) Q = 3. U. I. sin φ ( Var ) In het project hebben we niet te maken met motoren, de voornaamste oorzaak van reactief of blindvermogen, maar we hebben wel te maken met heel wat verlichtingsarmaturen van het type TL of PL. Beide armaturen bezitten een ballast. In het project is bewust gekozen voor elektronische ballasten. Zodoende hebben we ook geen problemen met de waarde van onze cos φ. Het is nu de bedoeling eens na te gaan hoe groot de condensatorbatterij moet zijn wanneer we werken met conventionele ballasten. Met deze ballasten krijgen we namelijk met een heel slechte cos φ te maken Schijnbaar vermogen We hebben reeds het nut van het reactief en actief vermogen besproken. Nu rest ons nog het schijnbaar vermogen. Deze bepaalt namelijk de belasting van het net en van het transportmedium. Alle apparatuur aanwezig in de elektrische installatie moet namelijk op dit vermogen worden gedimensioneerd. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 100

113 Dit vermogen is het product van de effectieve spanning en stroom zonder rekening te houden met de faseverschuiving tussen beide. S = 3. U. I ( VA ) Uit de vermogendriehoek kunnen we duidelijk het verband zien tussen het actief, reactief en schijnbaar vermogen. S Q Fig Vermogendriehoek Drie belangrijke formules kunnen uit bovenstaande driehoek worden afgeleid: cos φ = S P S² = P² + Q² Tg φ = P Q Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 101

114 11.3 Nadelen van een slechte arbeidsfactor Belasting van het voedingsnet Het is zo dat wanneer een installatie meer reactief vermogen vraagt dat de cos φ kleiner wordt, met als gevolg dat we voor eenzelfde opgenomen actief vermogen een groter schijnbaar vermogen zullen nodig hebben. Dit betekent dan ook dat we een grotere stroom nodig hebben. Het net zal dus een hogere stroom moeten transporteren waardoor natuurlijk ook de verliezen aanzienlijk zullen verhogen. Want de verliezen zijn namelijk evenredig met het kwadraat van de stroom ( I²R: jouleverliezen ) De kostprijs van reactief vermogen Naast het feit dat we een hoger vermogen zullen moeten transporteren dan dat er nodig is, zal de energieleverancier natuurlijk dit vermogen ook moeten opwekken. Dit betekent automatisch dat we grotere energiecentrales nodig hebben, andere dimensionering van kabels en transformatoren of tot het plaatsen van hoogspanningscondensatorbatterijen. Omdat de leverancier dit allemaal moet verwezenlijken, zullen ze de klant beboeten naarmate hun cos φ slechter is dan 0.9. Het komt er dus op neer dat de klant zo veel mogelijk moet proberen zijn cos φ te verbeteren of met andere woorden het reactief vermogen zoveel mogelijk beperken of compenseren Compensatie van reactief vermogen Uit de vermogendriehoek kunnen we dus afleiden dat de stroom kan opgesplitst worden in een actieve en reactieve component. De reactieve component zal dus inductieve of capacitieve energie opslaan in de belasting om deze daarna terug af te geven aan het net. We hebben dus te maken met een pendelend vermogen. Wanneer we nu gebruik maken van een condensator dan zal deze de eigenschap bezitten om datzelfde vermogen terug te geven aan het net wanneer een belasting om dit vermogen vraagt. Omgekeerd zal wanneer de belasting het vermogen teruggeeft aan het net, de condensator inspringen en het vermogen leveren aan de belasting. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 102

115 Wanneer we nu zodanig onze condensator gaan dimensioneren dat hij evenveel vermogen afgeeft en opneemt als dat de belasting afgeeft en opneemt, dan zorgen we ervoor dat dit vermogen niet meer langs de bron moet passeren maar dat het vermogen binnen de kring condensator en spoel blijft. Meestal worden beide parallel geplaatst. Soms past men seriecompensatie toe. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen bij een duo schakeling van TL armaturen. Fig Vermogenstromen In bovenstaande figuur zien we duidelijk het verschil tussen niet gecompenseerd en gecompenseerd reactief vermogen. In het linkerdeel zien we dat wanneer de belasting reactief vermogen nodig heeft, dat dit rechtstreeks door het net moet geleverd worden. In het rechterdeel wordt het grootste deel van reactieve energie nodig voor de belasting geleverd door een bijgeschakelde condensatorbatterij. Er zal altijd iets van reactief vermogen overblijven dat door het net moet geleverd worden. Want een cos φ gelijk aan 1 verkrijgen is natuurlijk een utopie Voor en nadelen van compenseren Voordelen voor de leverancier - De kabels worden ontlast - De transformatoren kunnen gebruikt worden voor het vermogen waarop ze gebouwd zijn. - Opwekken van minder vermogen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 103

116 Voordelen voor de klant - De transformator kan beter benut worden - We kunnen gebruik maken van kleinere kabels - We vermijden een boete van de leverancier Nadelen Er kunnen zich problemen voordoen in een net met een sterke vervuiling. We krijgen te maken met harmonischen die een veelvoud zijn van de netfrequentie. Het kenmerk van een condensator is dat hij een lage impedantie heeft voor spanningen met een hoge frequentie want de impedantie van een condensator is omgekeerd evenredig met de frequentie. Wanneer we nu te maken hebben met stromen met een hoge frequentie dan kan het gevaar optreden dat de condensatorbatterij sterk gaat verhitten met een daling van de levensduur als gevolg Bepalen condensatorbatterij Op basis van elektriciteitsfactuur Dit is de meest toegepaste methode. Hierbij neemt men de facturen van de laatste 12 maanden. Op de factuur vindt men het te factureren kvarh terug. We nemen hierbij de hoogste waarde van de 12 maanden. Vervolgens bepaalt men de gemiddelde gebruiksduur van de elektrische installatie tijdens deze maand. Het gecompenseerde vermogen dat nodig is, wordt dan als volgt bepaald: Q c = aangerekende kvarh / werkingsduur Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 104

117 Op basis van vermogendriehoek Aangezien in het project een volledige verandering van de elektrische installatie verwezenlijkt wordt, kan men zich niet baseren op de elektriciteitsfacturen. Men zal zich dan baseren op de vermogendriehoek met compensatie. S Qc Q ' Q' P Fig Vermogendriehoek met compensatie Hierbij kan men dan afleiden dan het benodigd gecompenseerde vermogen Qc gelijk wordt aan: Qc = P. ( Tg φ Tg φ ) Er zal dus eerst een reactieve vermogenbalans opgemaakt worden van de enige en belangrijkste bron van reactief vermogen in de installatie. Namelijk de TL en PL armaturen. We gaan hierbij uit dat we men niet compenseerde ballasten te maken hebben. Gemiddeld genomen kan men zeggen dat de cos φ van TL en PL armatuur 0.5 is. We wensen een waarde van 0.95 te bereiken. De nodige capaciteit van deze condensatoren wordt bepaald aan de hand van volgende formule: Qc = 3. ω. C. U² C = Qc 3. ω. U ² Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 105

118 11.7 Condensatorbatterij toegepast op project Zoals reeds gezegd zullen de enige verbruikers die aanleiding geven tot reactief vermogen de TL en PL armaturen zijn. Er zijn namelijk geen motoren aanwezig in het gebouw. Uit de vermogenbalans ( zie bijlage ) kunnen we eenvoudig bepalen welk vermogen we hebben aan TL en PL armaturen. Met dit gegeven kunnen we het reactief vermogen gaan bepalen. We hebben zo n 36986W aan TL en PL armaturen. We zullen ongeveer 45kW in aanmerking nemen. We moeten namelijk ook rekening houden met de verliezen door de ballast veroorzaakt. Het totale vermogen van de installatie bedraagt W. Als cos φ voor de armaturen nemen we een gemiddelde van ongeveer 0.5. We wensen een waarde van 0.95 te bereiken. Een cos φ van 0.5 stemt overeen met een tan φ van 1.73 en een cos φ van 0.95 stemt overeen met een tan φ van Het reactief vermogen Q wordt dan als volgt bepaald: Tg φ = P Q Q = Tg φ. P = kW = 77.85kVar Het benodigde gecompenseerde vermogen om aan een cos φ te geraken van 0.95 bedraagt dan: Qc = P. ( Tg φ Tg φ ) = 45kW. ( ) = 63.05kVar Deze waarde stemt overeen met een capaciteitswaarde van: C = Qc = 3. ω. U ² = 418µF/fase 3.2. π ² Het is wel aan te raden een gespecialiseerde firma te contacteren voor de plaatsing van de condensatoren. Hierbij dient dan ook rekening gehouden te worden met anti resonantiespoelen ter beveiliging van de condensatorbatterij. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 106

119 Kostprijs Het plaatsen van een condensatorbatterij voor een gecompenseerd vermogen van 65kVar kost zo n Deze batterij bezit dan 6 trappen. De stroommeettransformator is dan in de prijs inbegrepen. Deze TI dient dan over 1 fase of over een rail van het barenstel geschoven te worden. De secundaire van de TI is dan verbonden met de meeteenheid van de condensatorbatterij. Afhankelijk van het reactief vermogen worden dan meer of minder trappen ( condensatoren ) ingeschakeld Wijze van compenseren In het project wordt geopteerd voor globale compensatie. De condensatorbatterij staat dan aan kop van de installatie ( aan de klemmen van de transformator ). We kunnen nu kiezen tussen vaste compensatie of een variabele compensatie. Het vaste type zal een constant reactief vermogen leveren ongeacht de belasting. Een variabele condensatorbatterij zal met behulp van een regelaar het reactief vermogen leveren afhankelijk van de op dat moment aanwezige belasting. Hierbij wordt er constant de waarde van de stroom en de cos φ in het oog gehouden. Afhankelijk van deze waarden zal de regelaar in trappen meer of minder condensatoren inschakelen. Het inschakelen van deze condensatoren gebeurt met behulp van contactoren. De stroom wordt hierbij gemeten met een stroomtransformator met een verhouding van een bepaalde stroomwaarde op 5A. Fig Wijze van compenseren Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 107

120 Individueel: Hierbij zal de reactie energie ter plaatse aan de verbruikers toegediend worden. We krijgen hier een optimale benutting want het schijnbaar vermogen wordt op een minimum gebracht alsook de jouleverliezen. Niet economisch genoeg voor kleine verbruikers. Dikwijls wordt het onderhoud verwaarloosd. Gegroepeerd: Globaal: Deze compensatie wordt vooral doorgevoerd wanneer we met een productieafdeling of ateliers te maken hebben. Nadeel is dat de voedingskabels naar de verbruikers niet gecompenseerd worden. In het stroomopwaartse gedeelte worden de kabels wel gecompenseerd. De compensatie wordt hier geplaatst aan kop van de installatie. Dit met het nadeel dat de kabels van de ganse installatie niet ontlast worden van de blindstroom. Het biedt wel het voordeel dat het onderhoud heel wat gemakkelijker kan uitgevoerd worden. Gecombineerd: Deze manier is de meest toegepaste. Aan de hand van de voordelen en nadelen van vorige besproken compensatiemogelijkheden bekomt men door combinaties te maken de optimale compensatie van de elektrische installatie. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 108

121 12 OPBOUW HOOGSPANNINGSCABINE 12.1 Inleiding In dit gedeelte spitsen we ons toe op de hoogspanningscabine. De elektrische installatie is reeds volledig berekend. Nu rest ons nog de uiteindelijke aansluiting op het hoogspanningsnet. Hiertoe vertrekt er een kabel 2x(4x50mm²) + 25mm² van de beveiliging in het ALSB naar de HS cabine. Daar wordt ze aangesloten op de beveiliging die de transformator beveiligt. Hoe de hoogspanningscabine in elkaar steekt en hoe de verschillende onderdelen opgebouwd zijn en met elkaar samenwerken, wordt verderop in het hoofdstuk behandeld. Eerst is het noodzakelijk dat we een korte kennis verschaffen over welke hoogspanningsschakelaars men kan gebruiken en welke effecten er optreden wanneer men deze opent. Hierbij hebben we het dan voornamelijk over de boog die ontstaat bij het openen van een hoogspanningschakelaar. Hetgeen besproken wordt in dit hoofdstuk is conform het AREI, de VREG en BFE Hoogspanningschakelaars De schakelaars kan men in 3 groepen indelen als men ze indeelt volgens hun onderbrekingsvermogen. We hebben: Vermogenschakelaar Lastschakelaar Scheidingsschakelaar Vermogenschakelaar Deze schakelaars zijn in staat om kortsluitstromen te onderbreken. Ze moeten dit bovendien een aantal keer na elkaar kunnen doen. Hierbij kunnen we opnieuw een onderscheid maken volgens het onderbrekingsmilieu waarin de schakelaar zich bevindt. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 109

122 1. De schakelaar bevindt zich in SF 6 2. De schakelaar bevindt zich in lucht ( persluchtschakelaars ) 3. De schakelaar bevindt zich in olie ( klein olievolumeschakelaars ) 4. Vacuümschakelaars. Waar men vroeger vooral persluchtschakelaars op hoogspanningsgebied gebruikte, maakt men nu meestal gebruik van SF 6 schakelaars. Op middenspanningsgebied gebruikt men vooral SF 6 schakelaars en vacuümschakelaars. Deze laatste hebben de klein olievolumeschakelaars verdrongen. Maar in wat oudere HS cabines vindt men deze voornamelijk nog terug. Op laagspanningsgebied weten we intussen al dat we een grote variëteit aan schakelaars ter beschikking hebben Lastschakelaar Met deze schakelaar kan men slechts gewone belastingsstromen onderbreken. Kortsluitstromen onderbreken is met deze onmogelijk. Daarom zal men deze altijd in combinatie met zekeringen moeten uitvoeren. Het principe is eigenlijk identiek aan de vermogenschakelaar maar ditmaal met een lager onderbrekingsvermogen. Een variante op deze schakelaar is de lastscheidingsschakelaar Scheidingschakelaar Deze schakelaars hebben niets van onderbrekingsvermogen. Dit betekent dat ze enkel mogen bediend worden in de stroomloze toestand. Ze worden altijd gecombineerd met ofwel lastschakelaars of vermogenschakelaars daar deze niet altijd de volledige onderbreking verzekeren. Met de scheidingschakelaar heeft men trouwens een visuele scheiding van de keten. Ze zijn van vitaal belang om onderhoudswerken of inspecties uit te voeren. De eigenlijke uitschakeling gebeurt als volgt: Een persoon maakt gebruik van een geïsoleerde stok met een open ring aan het uiteinde ervan. Deze haakt in het oog van de messen op de schakelaar, dit alles terwijl de persoon gummihandschoenen draagt en geïsoleerd van de grond op een bankje staat. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 110

123 SF 6 schakelaar Aangezien heden ten dage vooral gebruik gemaakt wordt van SF 6 schakelaars op MS en HS, zal deze ook van toepassing zijn voor het project. Daarom volgt er een korte beschrijving van de werking van deze schakelaar zodat we achteraf een goed idee verkrijgen van wat er nu juist gebeurt wanneer een kortsluitstroom moet onderbroken worden. SF 6 - schakelaars hebben heel wat voordelen ten opzichte van andere schakelaars. De boog die ontstaat bij het uit elkaar gaan van de contacten is voor dezelfde stroomsterkte kleiner in doorsnede. Dit betekent automatisch een kleiner boogvolume. Hieruit volgt dat de warmte die ontstaat tijdens de boogfase sneller kan afgevoerd worden. Nog een voordeel is dat wanneer men het gas onder lichte overdruk gebruikt, de contacten van de schakelaar minder onderhoud vereisen en dat we hogere kortsluitstromen kunnen onderbreken. Wanneer een kortsluitstroom gedetecteerd wordt, zullen de messen ( contacten ) van de schakelaar zich van elkaar verwijderen en zal er een boog ontstaan. Er zijn twee manieren waarop het blusgas kan toegevoerd worden aan de bluskamer in de schakelaars. Enerzijds voeren we het gas onder een verhoogde druk toe aan de bluskamer vanuit een uitwendig reservoir. Anderzijds kunnen we gebruik maken van de stroom ( boog ) om een gasstroming vanuit de bluskamer naar de boog te verkrijgen. De stroom zal dan voor een voldoende drukverschil zorgen in de bluskamer. De schakelaar zal dus eigenlijk de energie inherent aanwezig in de boog gebruiken om een drukverschil te verwezenlijken in de bluskamer om zo uiteindelijk de boog te blussen bij de nuldoorgang van de stroom. Tijdens het aanwezig zijn van de boog, zal de warmte van de boog aangewend worden om aan één kant van de drukkamer de druk op te bouwen zodat we een drukverschil krijgen. Het SF 6 gas kan niet langs de contacten ontsnappen omdat de boog die ruimte tussen de contacten inneemt. De schakelaar is nu zodanig opgebouwd dat wanneer het gas een drukverschil heeft opgebouwd, het gas tijdens de stroomnuldoorgang de aanwezige gassen zal deïoniseren en zo de boog zal doven en tevens voorkomen dat de boog heropkomt. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 111

124 De boog bevindt zich namelijk in een ionisatie toestand. Met behulp van het gas zullen de aanwezige en ontstane ladingsdragers in de boog verwijderd worden en wordt er gedeïoniseerd Hoogspanningscabine Eisen gesteld aan de hoogspanningscabine Plaats en toegankelijkheid van de cabine De cabine bevindt zich op het gelijkvloers van een gebouw of langs de openbare weg. De afstand tussen de cabine en de openbare weg moet zo klein mogelijk zijn. Als deze afstand groter is dan 20m, dan kan de distributienetbeheerder eisen dat langs de openbare weg een schakelcabine moet geplaatst worden. Indien de cabine op een redelijke afstand verwijderd is van de bebouwde zones dan kan men telesignalisatie van het elektrische materieel opleggen. In speciale omstandigheden mag de cabine ook geplaatst worden op de kelderverdieping van het gebouw. Dit alleen als de distributienetbeheerder daar toestemming voor gegeven heeft. In het project zal de cabine geplaatst worden los van het gebouw langs de openbare weg Ligging buizen en aansluitkabels De ligging van de buizen en aansluitkabels wordt afgesproken met de beheerder van het net en zodanig dat de voedingsleidingen naar de cabine zo kort mogelijk worden gehouden. De ligging moet ook altijd zodanig zijn dat over de volledige lengte van de kabels gemakkelijk herstellingen kunnen uitgevoerd worden. Per aansluitkabel moet er in de buitenmuur van de cabine een buis voorzien worden met een minimale diameter van 150mm. Dit is duidelijk te zien in figuur Deze figuur geeft het grondplan weer van de cabine. In de buitenmuur zijn er 3 buizen van 160mm en 1 buis van 75mm aangebracht. Deze zijn de drie aansluitkabels en de aardingskabel. De kabels die in de cabine aangebracht zijn moeten goed vastgeankerd worden om eventueel te kunnen weerstaan aan de hoge elektrodynamisch krachten die kunnen optreden bij fouten in de cabine. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 112

125 Verluchting Aangezien er geëist wordt dat de temperatuur in de cabine niet boven de 40 C mag komen, zal er een noodzakelijke ventilatie aangebracht moeten worden. Daarvoor zullen er in de cabine twee openingen voorzien worden. Het ene ventilatierooster zal op ongeveer een hoogte van 2m komen ter hoogte van de transformator. Het andere ventilatierooster zal aangebracht worden in de deur van de cabine. Op deze manier zullen we een natuurlijke luchtcirculatie bekomen. Afhankelijk van het vermogen van de transformator zal er een geforceerde ventilatie noodzakelijk zijn. Aangezien we maar met een transformator van 250kVA zitten, zal dit niet nodig zijn Verlichting en stopcontacten Aangezien het gebruik van vensters verboden is moet er kunstmatige verlichting aangebracht worden. Hierbij moeten we in het lokaal een minimum verlichtingsterkte van 120 lux bekomen. Bovendien moeten we twee verlichtingsarmaturen plaatsen zodat er geen hinderlijke schaduw aanwezig is. Ze mogen ook niet boven transformator en het HS gedeelte hangen. Onderstaande fiche toont een berekening van de verlichtingssterkte in de cabine. Hieruit volgt dat we met twee armaturen van 58W ruimschoots aan de vereiste verlichtingsterkte komen. Fig Verlichtingsterkte in cabine Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 113

126 De stopcontacten en de verlichting moeten uitgevoerd worden in isolatieklasse 2. Beiden worden bij voorkeur ook best aangesloten stroomopwaarts van de algemene laagspanningsschakelaar. Er moet dan wel duidelijk een bord aanwezig zijn die aanduidt dat beiden onder spanning staan zelfs als de laagspanningsschakelaar onderbroken is De aarding Volgende onderdelen moeten aan de HS aardingselektrode worden verbonden: De hoogspanningsmassa De aardingsklemmen van de verschillende transformatoren Eventueel de secundaire wikkelingen van de meettransformatoren De schermen van de verschillende HS kabels De aarding van de verlichting en stopcontact De hoofdaardingsklem moet zich buiten de cellen bevinden en moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Bovendien moet er ook voldaan worden aan het AREI in verband met het ontstaan van gevaarlijke contactspanningen en stapspanningen Compartimenten in de cabine De cabine zal opgebouwd worden met een compartiment voor de transformator een tussenwand en tenslotte de hoogspanningscellen. De cellen bevatten achtereenvolgens een aankomstcel, vertrekcel, beveiligingcel en meetcel. De cellen aanwezig moeten een minimum breedte bezitten van 500mm. Figuur 12.8 toont de schikking van de cellen in de cabine terwijl figuur 12.9 het vooraanzicht weergeeft van de cellen. Iedere cel moet afgesloten worden met een deur. In de deur is een opening voorzien die toelaat de schakelaar te bedienen. Op iedere deur moet ook een elektrisch schema aangebracht worden die de situatie beschrijft van die bepaalde cel en ook de naam van de cel. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 114

127 De aankomstcel en vertrekcel Toegepast op het project vinden we in de aankomstcel en de vertrekcel bevindt een lastscheidingschakelaar in SF 6 gas ( Q01 en Q02 ) met aardingsmessen en een spanningsaanduider ( H01-H06). Deze laatste geeft via LED's een aanduiding of er spanning aanwezig is in de drie fasen. Fig SF 6 - schakelaar In figuur 12.9 wordt alles duidelijk geïllustreerd. De driehoek in de figuur stelt de hoogspanningsmof voor. Deze dient om de toekomende hoogspanningskabel aan te sluiten om dan uiteindelijk de verbinding te kunnen maken met de schakelaar. Om concreet te zijn maken de aankomst en vertrekcel eigenlijk deel uit van een lus waarop meerdere hoogspanningscabines zijn op aangesloten. Zie figuur Stel nu dat de hoogspanningscabine van het project HS cabine 2 is en de lastscheidingsschakelaar moet onderbroken worden. We schakelen deze dus uit. We moeten ook nog de lastscheidingschakelaar in de aankomstcel van HS cabine 3 uitschakelen. Wanneer we dit gedaan hebben, krijgen we geen stroom meer via de HS cabine 3. Maar dit betekent niet dat onze installatie zonder stroom komt te zitten want we krijgen nog altijd stroom via HS cabine 1. De stroom komt gewoon via de vertrekcel in HS cabine 1 aan in de aankomstcel van HS cabine 2. Dit alles omdat de cabines aangesloten zijn in een lusstructuur. Nu moet wel goed opgelet worden. Het betekent niet omdat de schakelaar uitgeschakeld is dat we er nu gewoon mogen aan werken. Er komt namelijk nog altijd stroom toe op de contacten van de schakelaar. In de figuur aangeduid met de pijl. Om dit op te lossen zijn er op de schakelaar ook aardingsmessen aangesloten. Wanneer we deze nu inschakelen kan de stroom via de aarde afvloeien. We sluiten dus eigenlijk de kabels Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 115

128 kort naar de aarde. Dit kan indien het om grotere vermogens gaat, gepaard gaan met een luide knal wegens de grote energie die vrijkomt. We hebben als het ware te maken met een condensator. Tussen de aardingsmessen en schakelaar zelf is er een mechanische afhankelijkheid. Dit betekent dat de schakelaar nooit kan inschakelen als de aardingsmessen ingeschakeld zijn. Het omgekeerde geldt ook. Zolang de schakelaar ingeschakeld is kunnen de aardingsmessen niet ingeschakeld zijn. Fig HS - cabines in lusstructuur Beveiligingscel Deze cel is identiek als de aankomst en vertrekcel opgebouwd uit een lastscheidingschakelaar met aardingsmessen maar ditmaal ook uitgevoerd met HOV zekeringen. Aangezien een lastscheidingschakelaar enkel normale belastingstromen kan onderbreken moet deze schakelaar dus altijd voorzien worden samen met zekeringen zodat er ook kortsluitstromen kunnen onderbroken worden. Wanneer er dan een kortsluitstroom optreedt dan zullen de HOV zekeringen doorsmelten. Deze doorsmelting geeft als gevolg dat er een mechanisme in werking treedt die uiteindelijk de lastscheidingschakelaar uitschakelt. De combinatie van deze schakelaar met de zekeringen geldt tot en met transformatoren van 800kVA en indien de dienstspanning groter of gelijk is aan 10kV. Indien we met een groter vermogen te maken hebben dan 800kVA, dan moeten we in plaats van de schakelaar en de zekeringen gebruik maken van een HS vermogenschakelaar met een autonome beveiligingsketen zonder externe voedingsbron. De schakelaar die hierbij gebruikt wordt zal van het type SF 6 zijn of zal een klein olievolumeschakelaar zijn. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 116

129 De instelling van deze schakelaar wat betreft de tijd waarop gereageerd moet worden vergt een kleine berekening. Deze instelling moet niet gebeuren door de hoogspanningsklant maar zal door de distributienetbeheerder uitgevoerd worden. Er geldt trouwens altijd dat de aankomst en vertrekcel nooit mogen betreden worden door onbevoegden en enkel door de netbeheerders. In het HS ééndraadsschema zien we ook een spoel. Wanneer de transformator thermisch overbelast geraakt en dus te warm krijgt, zal dit gedetecteerd worden aan de hand van een PTC weerstand. Door dit feit zal de spoel in de beveiligingscel bekrachtigd worden en zal door inductieve werking van de spoel op de schakelaar deze laatste uitschakelen. Hierbij zal Q05 dienst doen als beveiliging van de spoel. HS vermogenschakelaar met indirecte beveiliging De indirecte beveiliging kan op twee vermogenschakelaars gemonteerd worden: de SF 6 schakelaar en de olie arme vermogenschakelaar. Dit geheel is uit drie grote delen opgebouwd: stroomtransformatoren, een beveiligingsrelais en een uitschakelspoel. Het beveiligingsrelais zal niet gevoed worden vanuit een externe bron maar rechtstreeks door de stroomstransformatoren die in de beveiliging zijn aangebracht. Het is niet de bedoeling de volledige werking van de vermogenschakelaar uit te leggen. Het kan wel handig zijn om te kunnen berekenen in welke tijd de schakelaar zal uitschakelen wanneer er een foutstroom optreedt. Daarom volgt er nu een klein voorbeeld. Om aan de slag te kunnen moeten we wel over de uitschakelcurven beschikken. Welk type curve men moet gebruiken moet nagevraagd worden bij de distributienetbeheerder. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 117

130 Voorbeeld: Gegeven: We beschikken over een vermogenschakelaar met een tijdsvermenigvuldigingsfactor van t i = 0.1s. De dienststroom bedraagt 750A en we gebruiken een stroomtransformator van 300/1. De curve die men nagevraagd heeft is een normal inverse curve. Gevraagd: Met welke tijdsvertraging zal een foutstroom I van 1500A onderbroken worden? Oplossing: Fig Uitschakelcurve Uit de curve zien we dat we de verhouding I op Is nodig hebben. Dit wordt dan 1500 op 750. We hebben een verhouding van 2. Samen met de tijdsvermenigvuldigheidsfactor van 0.1s bekomen we een tijdsvertraging van ongeveer 1s. Een foutstroom van 1500A zal na 1s onderbroken worden. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 118

131 Meetcel Een hoogspanningsmeting is noodzakelijk wanneer het vermogen van de transformator 250kVA bedraagt. Toegepast op het project is een meting noodzakelijk. De meetcel is opgebouwd uit 3 stroommeettransformatoren ( TI ) en 3 spanningsmeettransformatoren ( TP). De secundaire van de TI s dienen om de eigenlijke stroom te kunnen meten. Hierbij geldt een verhouding van 50/5. De secundaire van de TP s dienen om de teller te kunnen voeden. Hierbij geldt dan een verhouding van 11000/110. De nauwkeurigheid van de TI bedraagt 5VA en van de TP 15VA. Onderstaande figuur schets duidelijk hoe we de meting moeten realiseren. Bruin, grijs, rood en blauw zijn dus de verbindingen van de TP naar de teller, de eigenlijke voeding. De verbindingen met S1 en S2 stellen dan de stroommeting voor. We hebben dus 4x2.5mm² voor de TP s en 6x2.5mm² voor de TI s. Fig HS - meting via 3 wattmetermethode Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 119

132 Karakteristieken van de HS schakelapparatuur Onderstaande tabel geeft de algemene minimum vereisten weer dat de HS schakelapparatuur moet bezitten gebaseerd op het VREG. Specificatie Tabel 12.1 Karakteristieken HS - apparatuur Waarde Toegekende spanning Ur Toegekende permanente stroom Ir Korteduurstroom Ith Piekwaarde van de stroom Idyn Korteduurstroom van de aardingskringen Weerstand tegen interne boog Spanningsaanduiders bij netten 10kV netten < 10kV Opwarmingsproef gedissipeerd vermogen van de smeltveiligheden 17.5kV 630A 20kA 1s 50kA 2kA 1s 14kA 1s 10-16kV 5-11 kv 63W De waarde van de HOV smeltzekeringen in de beveiligingscel worden bepaald aan de hand van volgende tabel. Hierbij hebben we enkel het schijnbare vermogen van de transformator nodig om de stroomwaarde van de zekeringen te weten te komen. We hebben gekozen voor een transformator van 250kVA. Deze bezit een primaire nominale stroom van 13.1A. Inderdaad: I nom = S = = 13.12A Tabel 12.2 Keuze HOV - smeltzekeringen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 120

133 Schijnbaar vermogen transformator Primaire nominale stroom Gecombineerde lastscheidingschakelaar met HOV - smeltzekeringen Beveiliging tegen Beveiliging tegen kortsluiting overbelasting Met LS vermogenschakelaar of met andere schakelaars. Volgens AREI artikel Vanaf 800kVA gebruik maken van HS vermogenschakelaar i.p.v. lastscheidingschakelaar met HOV - zekeringen Bepaling kabeldoorsneden in de cabine De kabel die gebruikt wordt om een verbinding te maken tussen de LS klemmen op de transformator en de LS vermogenschakelaar direct stroomafwaarts van de transformator, moet de volledige stroom die de transformator kan geven, kunnen laten vloeien. De transformator van 250kVA in het project zal een secundaire nominale stroom kunnen voeren van 360A. Een kabel met een doorsnede van 185mm² kan een stroom voeren van 380A. We zullen hier geen kabel nemen van 185mm² maar twee kabels van 70mm². Deze kabel kan een stroom voeren van 200A. We nemen dus als verbinding 3 keer 2 kabels van 70mm². Deze kabel is van het type XVB. De hoogspanningskabel tussen de meetcel en de HS klemmen van de transformator moet minimum 16mm² bedragen. Mits enige reserve nemen we 25mm². Deze kabel is van het type EXECVB. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 121

134 Opmerking: Normaal bevinden er zich doorvoerisolatoren op de transformator om de verbinding te maken tussen de wikkelingen van de transformator en de uitwendige klemmen. Het uitwendige oppervlak van deze isolatoren is meestal geribd. Dit heeft als doel om het kruippad te vergroten om zo de lekstromen te beperken. Bovenaan deze isolatoren bevinden zich aansluitmoeren om de hoogspanningskabel op aan te sluiten. Dit heeft als nadeel dat er geen aanrakingsvrije werking mogelijk is. Om aan dit probleem tegemoet te komen maakt men gebruikt van zogenaamde elastimolds. Dat is eigenlijk een soort verbindingsstuk waarop de HS kabel kan op aangesloten worden. Het andere uiteinde van het verbindingstuk wordt dan aangesloten op de HS klemmen van de transformator. Dit zorgt eigenlijk voor een aanrakingsvrije werking. Deze verbindingstukken zijn dan ook zodanig opgebouwd dat lekstromen zoveel mogelijk beperkt worden. Op onderstaande figuren zien we duidelijk het concept ervan. Op de rechtse figuur zien we de drie hoogspanningskabels ( rood, geel en blauw ) toekomen op de elastimold. Deze techniek wordt niet alleen toegepast op de transformator maar ook waar er andere aansluitingen van de HS kabel moeten gebeuren. Fig Elastimolds - verbindingstuk Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 122

135 Fig Grondplan HS - cabine Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 123

136 HR HR HR HR DEBA DEBA HR HR DEBA DEBA HR DEBA HR DEBA DEBA DEBA HR DEBA Fig Detailtekeningen transformator en HS - cellen Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 124

137 Fig HS ééndraadschema Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 125

138 Gekozen HS apparatuur Figuur 12.9 geeft een visueel beeld over hoe de verbindingen gebeuren in de verschillende cellen van de cabine. Aan de hand van dit schema kan men dan in onderstaande tabel terugvinden welk type van schakelapparatuur we gebruiken. Tabel 12.3 Gegevens HS - apparatuur H01 tot H09 Spanningsaanduiders: voor elke fase 1 Q01 en Q02 Q03 Q04 3-polige lastscheidingschakelaar in SF 6 gas 17.5kV 630A 25kA en aardingsmessen met een inschakelvermogen van 63kA 3-polige lastscheidingschakelaar in SF 6 gas 17.5kV 630A 25kA en aardingsmessen met een inschakelvermogen van 63kA 4-polige scheider 32A met zekeringen van 10A Q05 2-polige scheider 32A met zekeringen van 10A ( beveiligen van de spoel ) Q06 Q07 Q08 T01 tot T03 T04 tot T06 T07 F01 tot F03 2-polige scheider 32A met zekeringen van 16A ( beveiligen stopcontacten en verlichting ) 4-polige LS vermogenschakelaar Compact NS400N Hoofdschakelaar van het ALSB Stroomtransformatoren voor HS telling 50/5A, nauwkeurigheid van 5VA Spanningstransformatoren voor HS telling 11000/110V, nauwkeurigheid van 15VA Vermogenstransformator van 250kVA HOV smeltzekeringen van 25A 12.4 Compacte HS schakeleenheid Hetgeen hiervoor besproken, betreft een HS cabine met telkens aparte cellen voor vertrek, aankomst, meting en beveiliging. Tegenwoordig wordt alles geïntegreerd in een compacte vorm die identiek dezelfde functionaliteiten biedt op gebied van reglementering en beveiliging. Deze eenheid verenigt dus in zeer compacte vorm alle middenspanningsfuncties zoals de aansluiting, de voeding en de beveiliging van 1 of 2 HS transformatoren. Op het gebied van schakelaars is er ook niets anders. De beveiliging wordt opnieuw verzekerd door gecombineerde lastschakelaars met zekeringen tot 800kVA of door vermogenschakelaars met autonoom beveiligingsrelais in geval van zwaardere transformatoren. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 126

139 Deze eenheid is ook gemakkelijk uitbreidbaar. Er kunnen namelijk extra modules aan de eenheid gekoppeld worden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer men ook over een HS meting moet beschikken ( wanneer het transformatorvermogen boven de 250kVA ligt ). Op onderstaande figuur zie je links en rechts de compacte eenheid vergezelt met de transformator. Fig Compacte eenheid Deze techniek gecombineerd met een geprefabriceerde cabine voor buitenopstelling levert een goedkope manier op om de installatie op het HS/MS net aan te sluiten. De compacte eenheid kan simpelweg via het dak in de cabine aangebracht worden. In het project zal deze techniek toegepast worden. Het betreft een compacte betreedbare prefabcabine. Fig Geprefabriceerde HS - cabine Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 127

140 13 UPS 13.1 Inleiding Een UPS ( uninterruptible power supply ) wordt gebruik omwille van twee redenen. Enerzijds zal een UPS dienst doen als back up wanneer we met een netspanningsuitval te maken hebben, anderzijds is het zo dat tegenwoordig de toegepaste spanning voor de gebruikers heel wat achteruit gegaan is ten opzichte van vroeger. Veel gebruikers bevatten nu schakelende voedingen met als gevolg dat er heel wat hogere harmonischen aanwezig zijn. Deze kunnen als gevolg hebben dat we een slechtere werking verkrijgen van de verbruikers. Een UPS zal hierbij als functie hebben om de kwaliteit van de netspanning te verbeteren. We kunnen te maken hebben met 5 soorten netvervuiling zoals op bijgaande figuur te zien is. De 5 soorten worden kort besproken met als voorbeeld wat de impact kan zijn op een PC. Fig Netvervuiling 1. Een black out: dit is het volledig wegvallen van de netspanning gedurende een welbepaalde tijd. Oorzaken hiervan kunnen zijn: een te grote stroomafname, bliksem, menselijke fouten, Dit kan als gevolg hebben dat bijvoorbeeld de Pc s in de burelen onherroepelijk beschadigd zijn. 2. Een spanningdip: we krijgen een korte daling in de netspanning. Een mogelijke oorzaak hierbij kan zijn dat er in de buurt zware apparatuur opgestart wordt. De Pc s kunnen hierbij gaan resetten met alle gevolgen van dien in verband met data die niet opgeslagen werd. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 128

141 3. Een overspanning: een stijging in de netspanning door bijvoorbeeld zware apparatuur die uitgeschakeld werd. Dit kan leiden tot een kortere levensduur van de Pc en mogelijke defecte componenten van de Pc. 4. Een spanningspiek: we krijgen plots een kortstondige toename in de spanning. Meestal is de bliksem hiervan de oorzaak. Dit kan leiden tot defecte harddisks, voedingen, 5. Ruis: de elektromagnetische storingen ( EMI ) en radio frequente storingen ( RFI ). Hierdoor krijgen we fluctuaties in de netspanning. De Pc kan hierbij blokkeren of fouten genereren in data. Het kan dus heel handig zijn een UPS toe te passen op de elektrische installatie. We kunnen twee grote groepen detecteren. Voor de heel grote vermogens gebruiken we dynamische of roterende UPS en. Voor de wat kleinere vermogens maakt men gebruik van statische UPS en. De dynamische kunnen uitgevoerd worden met een vliegwiel of met batterijen voor de energievoorziening. De statische UPS en kunnen nog onderverdeeld worden in de online en offline UPS en. Dit hoofdstuk zal de verschillende types wat nader toelichten om dan uiteindelijk met de nodige kennis ervan dit toe te passen op de elektrische installatie ( het project ) Dynamische UPS Vliegwiel als energievoorziening Een vliegwiel wordt gekenmerkt door zijn mogelijk om grote hoeveelheden energie op te slaan. Bij deze toepassing zal een synchrone machine parallel op de lijn komen te staan. Het vliegwiel is verbonden met een synchrone machine. Wanneer we in bedrijf zijn zal de synchrone machine het vliegwiel voeden. De energie die daarbij geleverd wordt, zal opgeslagen worden in het vliegwiel. Wanneer nu een spanningsonderbreking optreedt dan zal de energievoorziening door het vliegwiel gebeuren. Deze laatste zal dan de synchrone machine aandrijven. De synchrone machine zal dan als generator werken en de nodige elektrische energie leveren aan de belasting. Meestal zal de energie van het vliegwiel via de synchrone machine aan een smoorspoel gegeven worden die in de lijn staat. Deze heeft als functie om vervuilingen aan netzijde te Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 129

142 filteren zodat deze niet aan de belastingszijde terechtkomen. Er wordt bovendien geen blindvermogen uit het net onttrokken. Deze wordt door de machine geleverd. Hoe groter het vermogen is des te korter de tijd dat het vliegwiel de energie kan leveren. Voor een langere autonomietijd zal het vliegwiel dan uiteindelijk worden aangedreven door een dieselmotor Batterij als energievoorziening Onderstaande figuur toont de principiële werking van een dynamische UPS met een batterij als energievoorziening. Fig Dynamische UPS In dit type werken we met een speciale motor. Deze motor geeft op de stator zowel motorwikkelingen als generatorwikkelingen liggen. Deze machine is een synchrone machine, we zullen dus geen blindvermogen uit het net onttrekken. Wanneer in dit geval een netonderbreking optreedt dan zal de machine zijn spanning krijgen via de aanwezige batterijen. Op de stator zullen de generatorwikkelingen nu de functie hebben om spanning te leveren aan de belasting. Wanneer de spanning terug komt, zal de batterij via de ene tak constant opgeladen worden terwijl via de andere tak de motor gevoed wordt. De bekrachtiging van de machine geschiedt met behulp van draaiende omvormers ( borstelloze bekrachtiging ). Het voordeel van dit type is dat niet de volledige belastingstroom door de gelijkrichter loopt. Op deze manier zal de laadstroom van de batterijen niet voorzien zijn van de hogere harmonische stromen. Dit ten goede van de levensduur van de batterijen. Kim Stevens Handleiding ontwerp elektrische installatie 130

NOODVERLICHTING INFORMATIE BLAD

NOODVERLICHTING INFORMATIE BLAD NOODVERLICHTING INFORMATIE BLAD Over Noodverlichting Waar hoort noodverlichting te hangen? En aan welke eisen dient noodverlichting te voldoen? Welke wettelijke verplichtingen zijn er en welke normen moet

Nadere informatie

Hoe veiligheidsverlichting toepassen? EN 1838. Hoe veiligheidsverlichting controleren en onderhouden? EN 50172

Hoe veiligheidsverlichting toepassen? EN 1838. Hoe veiligheidsverlichting controleren en onderhouden? EN 50172 Hoe veiligheidsverlichting toepassen? EN 1838 Hoe veiligheidsverlichting controleren en onderhouden? EN 50172 Veiligheid &' ''. *2$.!"# ( ) * +,- &/,*0,1 )343" * 56-78 - $% $ $ 2 Normatief kader: Europa

Nadere informatie

Robuust en waterdicht

Robuust en waterdicht K2 1 2 Veilig op openbare plaatsen Veilig bij vochtige omstandigheden of hoge stofconcentraties Veilig bij toepassingen buiten 3 Robuust en waterdicht K2 is een stof- en waterdichte (IP65) armatuur die

Nadere informatie

Leerdoelen en Eindtermen examen Noodverlichtingsdeskundige

Leerdoelen en Eindtermen examen Noodverlichtingsdeskundige Leerdoelen en Eindtermen examen Noodverlichtingsdeskundige Vereiste voorkennis Naar inhoud en niveau gelijk aan MBO-Elektrotechniek (niveau 4 volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs). NEN 00 en NEN

Nadere informatie

Inhoudsopgave Dankwoord... v Inhoudsopgave... vii Afkortingen en symbolen... xix Hoofdstuk 1 Inleiding... 23 Hoofdstuk 2 Regelgeving...

Inhoudsopgave Dankwoord... v Inhoudsopgave... vii Afkortingen en symbolen... xix Hoofdstuk 1 Inleiding... 23 Hoofdstuk 2 Regelgeving... Dankwoord... v Inhoudsopgave... vii Afkortingen en symbolen... xix Hoofdstuk 1 Inleiding... 23 1.1 Situering... 23 1.2 Doelstellingen... 23 1.3 Overzicht... 25 Hoofdstuk 2 Regelgeving... 32 2.1 Inleiding...

Nadere informatie

(On)voldoende spanningskwaliteit kost geld!

(On)voldoende spanningskwaliteit kost geld! (On)voldoende spanningskwaliteit kost geld! De verantwoordelijkheid voor een voldoende kwaliteit van de spanning en de stroom is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van netbeheerders, fabrikanten en

Nadere informatie

Project: Atelier Kyoto - Webo. Meetstaat Elektriciteit 1/12. Datum: 2/03/2016. 10 ALGEMEEN Subtotaal: 70 ELEKTRICITEIT/BINNENNET Subtotaal:

Project: Atelier Kyoto - Webo. Meetstaat Elektriciteit 1/12. Datum: 2/03/2016. 10 ALGEMEEN Subtotaal: 70 ELEKTRICITEIT/BINNENNET Subtotaal: 1/12 Project: Atelier Kyoto - Webo Datum: 2/03/2016 Meetstaat Elektriciteit 10 ALGEMEEN Subtotaal: 10.11 As-built dossier 1 GP FH 10.12 Technisch uitvoering dossier 1 GP FH 10.13 Rf afdichtingen openingen

Nadere informatie

Merk op: de ppt die voorzien is voor veiligheid is voorzien van notities die men in powerpoint kan bekijken in de editor.

Merk op: de ppt die voorzien is voor veiligheid is voorzien van notities die men in powerpoint kan bekijken in de editor. Merk op: de ppt die voorzien is voor veiligheid is voorzien van notities die men in powerpoint kan bekijken in de editor. Bij ontwerp elektriscge installatie dient er verplicht gebruik te maken van gekeurd

Nadere informatie

LOKOLED noodverlichting

LOKOLED noodverlichting In het kader van de Arbo-wet is het Arbeidsomstandighedenbesluit van kracht. In dit besluit staat de veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats centraal. De werkgever draagt hiervoor de verantwoordelijkheid

Nadere informatie

Montage- en gebruiksaanwijzing

Montage- en gebruiksaanwijzing Montage en gebruiksaanwijzing Cooper Safety BV Postbus 3397 4800 DJ Breda Nederland Tel. +31 (0)76 750 53 00 Fax +31 (0)76 587 14 22 www.coopersafety.nl Pagina 1 1. Algemene opmerkingen 1.1 Korte beschrijving

Nadere informatie

Vorderingsplan - C.V.O. DTL Herentals

Vorderingsplan - C.V.O. DTL Herentals Vorderingsplan - C.V.O. DTL Herentals Opleiding: COMFORTSCHAKELINGEN Niveau: Afdeling: Studiegebied: Mechanica-Elektriciteit (SVWO) Residentieel elektrotechnisch installateur Lesnr. Behandeld van/tot Leerinhoud

Nadere informatie

ACA vzw Erkend controle organisme Huishoudelijke installaties

ACA vzw Erkend controle organisme Huishoudelijke installaties 112000765 VERSLAG VAN EEN GELIJKVORMIGHEIDSONDERZOEK ENOF CONTROLEBEZOEK VAN EEN HUISHOUDELIJKE ELEKTRISCHE INSTALLATIE Plaats van het onderzoek: Eigendom van: Opdrachtgever: Type lokalen: EAN-code installatie:

Nadere informatie

LABO. Elektriciteit OPGAVE: De cos phi -meter Meten van vermogen in éénfase kringen. Totaal :.../20. .../.../ Datum van afgifte:

LABO. Elektriciteit OPGAVE: De cos phi -meter Meten van vermogen in éénfase kringen. Totaal :.../20. .../.../ Datum van afgifte: LABO Elektriciteit OPGAVE: De cos phi -meter Meten van vermogen in éénfase kringen Datum van opgave:.../.../ Datum van afgifte: Verslag nr. : 7 Leerling: Assistenten: Klas: 3.1 EIT.../.../ Evaluatie :.../10

Nadere informatie

Cursus/Handleiding/Naslagwerk. Driefase wisselspanning

Cursus/Handleiding/Naslagwerk. Driefase wisselspanning Cursus/Handleiding/Naslagwerk Driefase wisselspanning INHOUDSTAFEL Inhoudstafel Inleiding 3 Doelstellingen 4 Driefasespanning 5. Opwekken van een driefasespanning 5.. Aanduiding van de fasen 6.. Driefasestroom

Nadere informatie

VEILIGE ELEKTRISCHE INSTALLATIES Een mythe of werkelijkheid

VEILIGE ELEKTRISCHE INSTALLATIES Een mythe of werkelijkheid VEILIGE ELEKTRISCHE INSTALLATIES Een mythe of werkelijkheid 1 BA4 BA5 DOCUMENTATIE RISICOANALYSE bevoegdheid van mensen Uw dossier As built Risico s zien Acties nemen 1 SPIE Belgium 2 Het K.B. K.B. 4/12/2012

Nadere informatie

VLAANDEREN WALLONIE BRUSSEL. Keuring BOSEC of gelijkwaardig BOSEC of gelijkwaardig BOSEC of gelijkwaardig

VLAANDEREN WALLONIE BRUSSEL. Keuring BOSEC of gelijkwaardig BOSEC of gelijkwaardig BOSEC of gelijkwaardig WETGEVING De wetgeving over het gebruik van rookmelders is gewestelijke materie en verschilt bijgevolg in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Dit schema geeft een overzicht van de 3 gewesten: VLAANDEREN WALLONIE

Nadere informatie

Keuringsverslag van een elektrische laagspanning- en zeer lage spanningsinstallatie

Keuringsverslag van een elektrische laagspanning- en zeer lage spanningsinstallatie Keuringsverslag van een elektrische laagspanning- en zeer lage spanningsinstallatie Datum keuring: 08/01/2016 Inspecteur: Wim Hillewaert Installateur: - Datum verslag: 08/01/2016 B.T.W. nr.:- IK. nr.:-

Nadere informatie

VERSLAG VAN CONTROLE VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE

VERSLAG VAN CONTROLE VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE AIB-VINÇOTTE Belgium - Vereniging zonder winstoogmerk ERKEND CONTROLEORGANISME - Externe dienst voor technische controles op de werkplaats Maatschappelijke zetel: Diamant Building - A. Reyerslaan 80 -

Nadere informatie

Veiligheid door LED-technologie

Veiligheid door LED-technologie K9 Veiligheid door LED-technologie LED-TECHNOLOGIE K9 is een volledige reeks noodverlichting met LED-technologie (Light Emitting Diode), van antipaniekverlichting en vluchtwegverlichting tot vluchtwegaanduiding.

Nadere informatie

Licht- en Verlichtingstechnieken : Grondslagen elektriciteit, licht en visuele omgeving : Deel Elektrotechniek

Licht- en Verlichtingstechnieken : Grondslagen elektriciteit, licht en visuele omgeving : Deel Elektrotechniek Licht- en Verlichtingstechnieken : Grondslagen elektriciteit, licht en visuele omgeving : Deel Elektrotechniek Examenvragen Hoofdvragen 1) Leid de uitdrukkingen van het elektrisch vermogen af voor sinusvormige

Nadere informatie

Departement industriële wetenschappen en technologie

Departement industriële wetenschappen en technologie Departement industriële wetenschappen en technologie Universitaire Campus, gebouw B B-3590 DIEPENBEEK Tel.: 011-23 07 90 Fax: 011-23 07 99 Aansturen en testen van een hybride infrarood beeldopnemer Abstract

Nadere informatie

Huisinstallatie 5-5-2004. K.U.Leuven Department of Electrical Engineering ELEN - Electrical Energy

Huisinstallatie 5-5-2004. K.U.Leuven Department of Electrical Engineering ELEN - Electrical Energy Huisinstallatie 1 De elektrische huisinstallatie (aarding) Nieuwbouw Bestaande gebouwen Spreidingsweerstand Wat aarden? 2 De elektrische huisinstallatie (equipotentiaalverbinding) Bijkomende equipotentiaal

Nadere informatie

installatiehandleiding Rookmelder

installatiehandleiding Rookmelder installatiehandleiding Rookmelder INSTALLATIEHANDLEIDING ROOKMELDER Gefeliciteerd met de aankoop van de WoonVeilig rookmelder. Telefoonnummer WoonVeilig 0900-388 88 88 E-mail WoonVeilig klantenservice@woonveilig.nl

Nadere informatie

DRAADLOZE ROOK EN HITTE DETECTOR MSD300_NL 03/12

DRAADLOZE ROOK EN HITTE DETECTOR MSD300_NL 03/12 MSD-300 DRAADLOZE ROOK EN HITTE DETECTOR MSD300_NL 03/12 De MSD-300 Multi sensor detector kan als er zichtbare rook en/of temperatuurstijging is, een vroeg stadium van brand detecteren. Deze kan standalone

Nadere informatie

ACA vzw Erkend controle organisme Huishoudelijke installaties

ACA vzw Erkend controle organisme Huishoudelijke installaties Huishoudelijke installaties TEL: 051200 002 FAX: 051201 002 133000067 www.acavzw.be info@acavzw.be Ondernemingsnummer: BE 0811 407 869 Ref: 2016041409 VERSLAG VAN EEN GELIJKVORMIGHEIDSONDERZOEK ENOF CONTROLEBEZOEK

Nadere informatie

TECHNISCH BUREAU VERBRUGGHEN VADEMECUM ELEKTRICITEIT SCHAKELAARS. Artikel. A.R.E.I. 250.01 Algemeen

TECHNISCH BUREAU VERBRUGGHEN VADEMECUM ELEKTRICITEIT SCHAKELAARS. Artikel. A.R.E.I. 250.01 Algemeen SCHAKELAARS 250.01 Algemeen Schakelaars en andere bedieningstoestellen moeten conform de desbetreffende door de Koning zijn, of overeenkomen met bepalingen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden.

Nadere informatie

HANDLEIDING BEWEGINGSMELDER

HANDLEIDING BEWEGINGSMELDER HANDLEIDING BEWEGINGSMELDER Inhoud INSTALLATIE... 2 GEVOELIGHEIDSDETECTIE... 3 HUISDIERMODUS... 4 TESTEN... 5 WANNEER IS DE BEWEGINGSMELDER ACTIEF?... 6 LED AAN/UIT SELECTIE... 6 DETECTIEPATROON... 6 VEELGESTELDE

Nadere informatie

INHOUD Bijlage D-12 INHOUDSOPGAVE 4. SECUNDAIR DISTRIBUTIENET 1. 4.1. Algemeen...1. 4.2. Berekeningsbasis en prestaties...1

INHOUD Bijlage D-12 INHOUDSOPGAVE 4. SECUNDAIR DISTRIBUTIENET 1. 4.1. Algemeen...1. 4.2. Berekeningsbasis en prestaties...1 INHOUD Bijlage D-12 INHOUDSOPGAVE 4. SECUNDAIR DISTRIBUTIENET 1 4.1. Algemeen...1 4.2. Berekeningsbasis en prestaties...1 4.3. Elektrische leidingen...2 4.3.1. Algemeen... 2 4.3.2. Moeilijk ontvlambare

Nadere informatie

Naam: Klas Practicum elektriciteit: I-U-diagram van lampje Nodig: spanningsbron, schuifweerstand (30 Ω), gloeilampje, V- en A-meter, 6 snoeren

Naam: Klas Practicum elektriciteit: I-U-diagram van lampje Nodig: spanningsbron, schuifweerstand (30 Ω), gloeilampje, V- en A-meter, 6 snoeren Naam: Klas Practicum elektriciteit: I-U-diagram van lampje Nodig: spanningsbron, schuifweerstand (30 Ω), gloeilampje, V- en A-meter, 6 snoeren Schakeling In de hiernaast afgebeelde schakeling kan de spanning

Nadere informatie

Hoe werkt uw elektrische installatie en rookmeldsysteem?

Hoe werkt uw elektrische installatie en rookmeldsysteem? Hoe werkt uw elektrische installatie en rookmeldsysteem? hèt installatieteam Inhoudsopgave Hoofdstuk Pagina 1. Uw elektrische installatie in het kort 3 2. Werkzaamheden die niet onder de garantie vallen

Nadere informatie

energiecoach verlichting

energiecoach verlichting LAMPEN Puntverlichting Hebt u uw gloeilampen al vervangen door spaarlampen? Spaarlampen zijn vier tot vijf keer efficiënter dan gloeilampen en gaan 9 tot 13 keer langer mee. Bijgevolg is de winst dubbel:

Nadere informatie

Armaturen met vlakke diffusor

Armaturen met vlakke diffusor Armaturen met vlakke diffusor 2 ETAP Armaturen met vlakke diffusor Diffusorverlichting is een vaste waarde voor de algemene verlichting van kantoren en publieke gebouwen. Logisch, want diffusoren bieden

Nadere informatie

ELEGANT EN DISCREET. Decoratieve kopstukjes ETAP

ELEGANT EN DISCREET. Decoratieve kopstukjes ETAP K1 ELEGANT EN DISCREET 2 K1 ETAP De discrete K1 reeks is inpasbaar in de meest uiteenlopende omgevingen. Met diverse lichtbronnen en uitgebreide montagemogelijkheden biedt ze een geschikte oplossing voor

Nadere informatie

Meten aan E+PV installaties

Meten aan E+PV installaties Meten aan E+PV installaties Hoe en waarom meten aan E+PV installaties? KWx BV - 2013 1 #zonnepanelen trending topic KWx BV - 2013 2 #zonnepanelen trending topic KWx BV - 2013 3 Zonnestroom is elektrotechniek!

Nadere informatie

De risicoanalyse van de elektrische installatie

De risicoanalyse van de elektrische installatie De risicoanalyse van de elektrische installatie KB + AREI zijn de leidraad: Risico s: 1. onrechtstreekse aanraking; 2. rechtstreekse aanraking; 3. oververhitting/brand/ontploffing; 4. overstromen; 5. ophoping

Nadere informatie

Noodgeneratoren aansluiten op bestaande installaties Vermijd elektrocutie en brand! 28-10-2014 Energy Design Johan Roggeman

Noodgeneratoren aansluiten op bestaande installaties Vermijd elektrocutie en brand! 28-10-2014 Energy Design Johan Roggeman Noodgeneratoren aansluiten op bestaande installaties Vermijd elektrocutie en brand! 28-10-2014 Energy Design Johan Roggeman 1. Managementsamenvatting Dit artikel behandelt mogelijke gevaren van het koppelen

Nadere informatie

PROCES-VERBAAL VAN GELIJKVORMIGHEIDSONDERZOEK EN/OF CONTROLEBEZOEK VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE

PROCES-VERBAAL VAN GELIJKVORMIGHEIDSONDERZOEK EN/OF CONTROLEBEZOEK VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE PROCES-VERBAAL VAN GELIJKVORMIGHEIDSONDERZOEK EN/OF CONTROLEBEZOEK VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE Ref: Dossiernr: 16-0457 Aanvrager: Veronique De Waegenaere Datum: 30/06/2016 Verslagnr: KV5886-ERY

Nadere informatie

LED en Verlichting. Van fakkel naar oled. Pieter Ledeganck Charlotte Claessens.

LED en Verlichting. Van fakkel naar oled. Pieter Ledeganck Charlotte Claessens. LED en Verlichting Pieter Ledeganck Charlotte Claessens energieconsulent@gezinsbond.be Van fakkel naar oled Natuurlijk licht Vuur -400.000-13000 400 1500 1816 1814 1783 Elektrisch licht 1809 1959 1879

Nadere informatie

Installatie handleiding Emergency Battery System.

Installatie handleiding Emergency Battery System. Installatie handleiding Emergency Battery System. 391795 EBS Compact 480/3 (3 phase) 1 391799.03 Dit is een beknopte installatiehandleiding, voor een complete handleiding zie www.famostar.nl INSTALLATIE

Nadere informatie

MULTIMEDIA BEKABELING

MULTIMEDIA BEKABELING MULTIMEDIA BEKABELING TV, DATA, TELEFOON EN DEURTELEFONIE Beschikbaar in elke ruimte van het huis PLAATS DE TV WAAR JE WILT: ER IS EEN AANSLUITING! de TV kan om het even waar geplaatst worden het huis

Nadere informatie

ACA vzw Erkend controle organisme Huishoudelijke installaties

ACA vzw Erkend controle organisme Huishoudelijke installaties Huishoudelijke installaties TEL: 051200 002 FAX: 051201 002 148002305 www.acavzw.be info@acavzw.be Ondernemingsnummer: BE 0811 407 869 Ref: 2015050780 VERSLAG VAN EEN GELIJKVORMIGHEIDSONDERZOEK ENOF CONTROLEBEZOEK

Nadere informatie

Regionaal Technologisch Centrum Mechelen

Regionaal Technologisch Centrum Mechelen Welkom Regionaal Technologisch Centrum Mechelen Netstructuur zware industrie transformator industriële klant industrie directe klant residentiële klant elektriciteitcentrale transformator HS/MS transformator

Nadere informatie

Forfaitaire verbruiken. Regels voor een elektriciteitsafname zonder meting

Forfaitaire verbruiken. Regels voor een elektriciteitsafname zonder meting C3/2 Forfaitaire verbruiken Regels voor een elektriciteitsafname zonder meting C3/2 Versie 2009.04 1/6 1. Algemeenheden en toepassingsdomein Dit document stelt de regels vast inzake de elektriciteitsafname

Nadere informatie

ZX Ronde zondag 5 oktober 2014

ZX Ronde zondag 5 oktober 2014 ZX Ronde zondag 5 oktober 2014 Verhaaltje..Tussen Watt en Lumen Dit een verhaaltje gaat over de verschillen tussen de lichtopbrengst van lichtbronnen wat aansluit op het verhaalt over licht en lichtbronnen

Nadere informatie

Een poort. Figuur 3: Het distributiepaneel in LexCom Home

Een poort. Figuur 3: Het distributiepaneel in LexCom Home Antenne T110 Uplink Pwr MasterLink BO 100-ML PowerLink BO 100-PL 3. Het distributiepaneel met zijn modules en aansluitingen Het distributiepaneel zorgt voor de distributie van de signalen Dit distributiepaneel,

Nadere informatie

Verlichting. 1 Inleiding... 1. 2 Gewenste lichtsterkte... 2. 3 Verlichtingssystemen... 3

Verlichting. 1 Inleiding... 1. 2 Gewenste lichtsterkte... 2. 3 Verlichtingssystemen... 3 1 Inleiding... 1 2 Gewenste lichtsterkte... 2 3 Verlichtingssystemen... 3 3.1 Lichtbronnen... 3 3.2 Voorschakelapparaten (ballasten)... 4 3.3 Verlichtingsarmaturen... 4 4 Regelingen... 5 1 Inleiding i

Nadere informatie

BIJLAGE 5/1: REACTIE BIJ BRAND

BIJLAGE 5/1: REACTIE BIJ BRAND 0 PLATEN [De platen zijn opgenomen bij de betreffende tekst] Plaat 5.1 - Groendaken 1 VOORWERP De vereisten inzake de reactie bij brand en het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde die vermeld zijn

Nadere informatie

Wetgeving in stooklokalen

Wetgeving in stooklokalen Wetgeving in stooklokalen Wat wordt er verwacht van U? Welke norm is van toepassing? Waar moet of kan u op letten? Is het een nieuw stooklokaal of renovatie? Stookplaats boven 70kW volgens NBN B61-001

Nadere informatie

Laden van elektrische wagens. Oktober 2015

Laden van elektrische wagens. Oktober 2015 Laden van elektrische wagens Oktober 2015 Dit is een uitgave van Tecnolec Marlylaan 15/8 1120 Brussel info@volta-org.be www.tecnolec.be Volta 2015 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen

Nadere informatie

installatiehandleiding Rookmelder

installatiehandleiding Rookmelder installatiehandleiding Rookmelder INSTALLATIEHANDLEIDING ROOKMELDER Gefeliciteerd met de aankoop van de WoonVeilig rookmelder. Website WoonVeilig www.woonveilig.nl Klantenservice Meer informatie over de

Nadere informatie

Verlichting in de energieprestatieregelgeving

Verlichting in de energieprestatieregelgeving VEA 1 Invoer in de -software inhoud 1 Inleiding 2 Keuze rekenmethode : waarde bij ontstentenis of werkelijk geïnstalleerd vermogen 3 De rekenmethoden 3.1 Rekenmethode aan de hand van de waarde bij ontstentenis

Nadere informatie

ES-D1A. Draadloze bewegingsdetector. www.etiger.com

ES-D1A. Draadloze bewegingsdetector. www.etiger.com ES-D1A Draadloze bewegingsdetector www.etiger.com NL Inhoud van de verpakking 1 x PIR bewegingsdetector 1 x steun 1 x gebruikershandleiding 1. Detectievenster 2. LED-lampje 3. Steun Vóór het eerste gebruik

Nadere informatie

VAC= Wisselstroom VDC= Gelijkstroom

VAC= Wisselstroom VDC= Gelijkstroom Elektriciteit LED lampen werken op 12 Vdc /Ac tot ca. 38 Vdc/ac. Dit is laagspanning. Er zijn dus lampen die alleen op gelijkstroom (DC) werken of op wisselstroom (AC) Maar ook zijn er LED lampen die zowel

Nadere informatie

ALGEMENE AANWIJZINGEN VOOR VERLICHTINGSARMATUREN

ALGEMENE AANWIJZINGEN VOOR VERLICHTINGSARMATUREN ALGEMENE AANWIJZINGEN VOOR VERLICHTINGSARMATUREN ALGEMENE AANWIJZINGEN VOOR VERLICHTINGSARMATUREN VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK VEILIGHEIDSINSTRUCTIES De fabrikant adviseert een juiste toepassing van de verlichtingsarmaturen!

Nadere informatie

Dialux Evo. De evolutie van verlichtingsprogramma s. Docent : Alain Floree

Dialux Evo. De evolutie van verlichtingsprogramma s. Docent : Alain Floree Dialux Evo De evolutie van verlichtingsprogramma s Docent : Alain Floree Welke programma s zijn momenteel het meest gebruikt in Belgie? 1: Dialux 2 : Relux?????? Wat is dialux? Berekeningsprogramma voor

Nadere informatie

Betrouwbaar en veilig overal in huis energie beschikbaar. Uw vision groepenverdeler van Hager

Betrouwbaar en veilig overal in huis energie beschikbaar. Uw vision groepenverdeler van Hager Betrouwbaar en veilig overal in huis energie beschikbaar Uw vision groepenverdeler van Hager De groepenverdeler in uw meterkast Beste bewoner, Uw Hager-groepenverdeler zorgt dat u op veilige wijze stroom

Nadere informatie

Lampmeetrapport 17 maart 2009 voor Lioris. Lioris Tubo 23. Pagina 1 van 16

Lampmeetrapport 17 maart 2009 voor Lioris. Lioris Tubo 23. Pagina 1 van 16 Lioris Tubo 23 Pagina 1 van 16 Samenvatting meetgegevens parameter meting lamp opmerking Kleurtemperatuur 5939 K Felwit. Lichtsterkte I v 617 Cd Tevens is als extra meting de verlichtingssterkte gemeten

Nadere informatie

PRAKTISCHE FICHE / DE VOORBEREIDING Beschikbaar op www.legrand.be

PRAKTISCHE FICHE / DE VOORBEREIDING Beschikbaar op www.legrand.be Het A.R.E.I. en verlichtingskringen De verlichting in uw woning is het belangrijkste onderdeel van uw elektrische installatie n De kringen Een verlichtingskring wordt bekabeld met draden van 1,5 mm 2 en

Nadere informatie

Beveiligings- en beschermingsmaatregelen in de nieuwe NEN 1010

Beveiligings- en beschermingsmaatregelen in de nieuwe NEN 1010 Beveiligings- en beschermingsmaatregelen in de nieuwe NEN 1010 1 september 2015 Elektrische beveiligings- en beschermingsmaatregelen Schok (Hfdst. 41) Direct (basisbescherming) Indirect (foutbescherming)

Nadere informatie

Noodverlichting Armaturen en producten voor noodverlichting

Noodverlichting Armaturen en producten voor noodverlichting Armaturen en producten voor noodverlichting Batterijen voor noodverlichting 437 e-touch Box, e-touch Panel 434 435 emled intro 423 424 emled-s2, -s4, -s5 425 emled-sc 426 emled-µ 427 exled Base 432 exled

Nadere informatie

Besparen op onderhoud en energie

Besparen op onderhoud en energie K7 2 K7 ETAP ETAP K7 is een compleet noodverlichtingsgamma uitgerust met led-technologie. Met dit gamma haalt u het maximum uit de vele voordelen van leds. Besparen op onderhoud en energie Minder onderhoudskosten

Nadere informatie

enexis.nl Aarding Voor alle zekerheid

enexis.nl Aarding Voor alle zekerheid enexis.nl Aarding Voor alle zekerheid Inhoud Belangrijkste punten 4 Aarding en elektriciteit 5 Geaard of niet? 5 Vier systemen van aarding 7 Aarding is onzichtbaar 8 Een veilige installatie 8 Wanneer

Nadere informatie

FUNK STURING SYSTEEM OPLOSSINGEN SLV CONTROL. De slimme oplossing voor het aansturen van licht, jaloezieën en nog veel meer.

FUNK STURING SYSTEEM OPLOSSINGEN SLV CONTROL. De slimme oplossing voor het aansturen van licht, jaloezieën en nog veel meer. 786 SYSTEEM OPLOSSINGEN SLV CONTROL FUNK STURING De slimme oplossing voor het aansturen van licht, jaloezieën en nog veel meer. Licht of jaloezieën aansturen met een afstandsbediening? Schakelaar achteraf

Nadere informatie

Benodigdheden voor de praktische sessie:

Benodigdheden voor de praktische sessie: Praktische sessie (hands-on) 1 Benodigdheden voor de praktische sessie: Easy Series Basic PIR kit ICP-EZ2-BPIR-NL Analoog telefoontoestel voor locale Easy Series programmatie UTP-CAT5 kabel voor aansluiting

Nadere informatie

Een beginners handleiding voor de aankoop van energiezuinige apparatuur

Een beginners handleiding voor de aankoop van energiezuinige apparatuur Een beginners handleiding voor de aankoop van energiezuinige apparatuur Alles wat je moet weten: - Hoe de juiste beslissing te nemen bij de aankoop van energie zuinige apparatuur. INHOUD 1. Introductie

Nadere informatie

URA ONE. Design en technologie van de toekomst VEILIGHEIDSVERLICHTING WERELDSPECIALIST OP HET VLAK VAN ELEKTRISCHE EN DIGITALE GEBOUWINFRASTRUCTUREN

URA ONE. Design en technologie van de toekomst VEILIGHEIDSVERLICHTING WERELDSPECIALIST OP HET VLAK VAN ELEKTRISCHE EN DIGITALE GEBOUWINFRASTRUCTUREN VEILIGHEIDSVERLICHTING URA ONE Design en technologie van de toekomst WERELDSPECIALIST OP HET VLAK VAN ELEKTRISCHE EN DIGITALE GEBOUWINFRASTRUCTUREN URA ONE INNOVATIEVE VOORDELEN VAN DE URA ONE TOESTELLEN

Nadere informatie

Wetgeving rond brandveiligheid voor de kinderdagverblijven

Wetgeving rond brandveiligheid voor de kinderdagverblijven Wetgeving rond brandveiligheid voor de kinderdagverblijven Voorstelling Vrijwillig Brandweerkorps Zoersel Brandweertaken Preventie - Lt-dienstchef Yves Sepot - Olt Bart Van Winckel - Bwm Els Haest Wetgeving

Nadere informatie

Relighting. Brussel 17-06-2010. Elektriciteitsverbruik per sektor (%) (België)

Relighting. Brussel 17-06-2010. Elektriciteitsverbruik per sektor (%) (België) Relighting Brussel 17-06-2010 Ingrid Van Steenbergen Onafhankelijk lichtadviseur Energiebesparing in verlichting www.odid.be Elektriciteitsverbruik per sektor (%) (België) Verlichting Airconditionning

Nadere informatie

Fiche 8 (Analyse): Eenheden

Fiche 8 (Analyse): Eenheden Fiche 8 (Analyse): Eenheden Zichtbaar licht is een elektromagnetische straling met een golflengte begrepen tussen 400 en 760 nanometer, tussen ultraviolet (< 400 nm) en infrarood (> 760 nm) in licht omvat

Nadere informatie

Zucchini railkokersystemen LB / LB6

Zucchini railkokersystemen LB / LB6 railkokersystemen LB / LB6 Technische informatie Type 254 256 404 406 zijde zijde zijde zijde Actieve geleiders Aantal I n (A) ) Doorsnede van de beschermingsgeleider (equivalent in Cu) PE (mm ) I cw (ka)rms

Nadere informatie

Moduleproef elektrotechnische activiteiten onderdeel het samenstellen van een dossier

Moduleproef elektrotechnische activiteiten onderdeel het samenstellen van een dossier Moduleproef elektrotechnische activiteiten onderdeel het samenstellen van een dossier Doelstelling Op basis van de aangeleverde gegevens (bouwplannen en een beschrijving) een situatieschema, een ééndraadschema

Nadere informatie

Examen VMBO-BB. elektrotechniek CSPE BB. gedurende 800 minuten. Bij dit examen horen bijlagen, uitwerkbijlagen en een digitaal bestand.

Examen VMBO-BB. elektrotechniek CSPE BB. gedurende 800 minuten. Bij dit examen horen bijlagen, uitwerkbijlagen en een digitaal bestand. Examen VMBO-BB 2012 gedurende 800 minuten elektrotechniek CSPE BB Bij dit examen horen bijlagen, uitwerkbijlagen en een digitaal bestand. Dit examen bestaat uit 10 opdrachten. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Veiligheidsaarde is meer dan 25/In

Veiligheidsaarde is meer dan 25/In VAKGROEP BLIKSEMBEVEILIGING Veiligheidsaarde is meer dan 25/In De techniek waarop Nederland draait VAKGROEP BLIKSEMBEVEILIGING Veiligheidsaarde is meer dan 25/ln In deze folder vatten we de essenties van

Nadere informatie

Meting zonnepaneel. Voorbeeld berekening diodefactor: ( ) Als voorbeeld wordt deze formule uitgewerkt bij een spanning van 7 V en 0,76 A:

Meting zonnepaneel. Voorbeeld berekening diodefactor: ( ) Als voorbeeld wordt deze formule uitgewerkt bij een spanning van 7 V en 0,76 A: Meting zonnepaneel Om de beste overbrengingsverhouding te berekenen, moet de diodefactor van het zonnepaneel gekend zijn. Deze wordt bepaald door het zonnepaneel te schakelen aan een weerstand. Een multimeter

Nadere informatie

Leerdoelen en Eindtermen van de cursus Noodverlichtingsdeskundige

Leerdoelen en Eindtermen van de cursus Noodverlichtingsdeskundige Leerdoelen en Eindtermen van de cursus Noodverlichtingsdeskundige Vereiste voorkennis Naar inhoud en niveau gelijk aan MBO-Elektrotechniek (niveau 4 volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs). NEN 1010

Nadere informatie

VERSLAG VAN PERIODIEKE CONTROLE VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE

VERSLAG VAN PERIODIEKE CONTROLE VAN EEN ELEKTRISCHE LAAGSPANNINGSINSTALLATIE KOPIE AIB-VINÇOTTE Belgium - Vereniging zonder winstoogmerk ERKEND CONTROLEORGANISME - Externe dienst voor technische controles op de werkplaats Maatschappelijke zetel: Diamant Building - A. Reyerslaan

Nadere informatie

INLEIDING. Veel succes

INLEIDING. Veel succes INLEIDING In de eerste hoofdstukken van de cursus meettechnieken verklaren we de oorsprong van elektrische verschijnselen vanuit de bouw van de stof. Zo leer je o.a. wat elektrische stroom en spanning

Nadere informatie

Aarding. Voor alle zekerheid. Meer informatie:

Aarding. Voor alle zekerheid. Meer informatie: Meer informatie: Provincie Groningen, Drenthe, Overijssel en de Noordoostpolder Aardingsbureau Noord Postbus 196 8000 GB Zwolle Telefoon 038 852 76 05 Provincie Friesland Postbus 81 8900 AB Leeuwarden

Nadere informatie

Betrouwbaar en veilig overal in huis energie beschikbaar

Betrouwbaar en veilig overal in huis energie beschikbaar Betrouwbaar en veilig overal in huis energie beschikbaar Uw vision groepenverdeler van Hager installatieautomaat ( groep ) testknop aardlekschakelaar hoofdschakelaar coderingsstreep (zwart of grijs) De

Nadere informatie

6-TSO-IW-c Domotica 1

6-TSO-IW-c Domotica 1 6-TSO-IW-c Domotica 1 Domotica In het dagelijkse leven moderniseert alles, inclusief de woningen. De elektriciteit en elektronica in een huis zijn er enorm op vooruit gegaan. Waar men vroeger nog schakelaars

Nadere informatie

Visuele Inspectie van elektrische installaties

Visuele Inspectie van elektrische installaties Inspectiepunten De voeding van de installatie Controle van de voeding Beoordeel welk stelsel in ingezet en of deze op de juiste wijze is toegepast. Beoordeel ook de aansluiting en splitsing van PEN leidingen.

Nadere informatie

P ow er Quality metingen: Harmonischen

P ow er Quality metingen: Harmonischen P ow er Quality metingen: n Focus Power Quality is een begrip dat de laatste decennia enorm aan belangstelling heeft gewonnen. Power Quality behelst het garanderen van een sinusvormige spannings en stroomgolfvorm,

Nadere informatie

HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009)

HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009) HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009) indic bvba, Molenberglei 21, B-2627 Schelle, tel +32(0)3 451 93 93 - fax +32(0)3 887 30 61 www.indiconline.com 1 Inhoud 1 Inhoud... 2 2 CE certificaat... 3

Nadere informatie

LES4. Het elektrisch dossier Het situatieschema Het ééndraad- of grondschema Het installatieschema

LES4. Het elektrisch dossier Het situatieschema Het ééndraad- of grondschema Het installatieschema LES4 Het elektrisch dossier Het situatieschema Het ééndraad- of grondschema Het installatieschema Aansluitingsmogelijkheden hoofdbord Het hoofdverdeelbord Symbolen op grondschema Opdracht 1 Het elektrisch

Nadere informatie

HAM841K ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN

HAM841K ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN GEBRUIKERSHANDLEIDING GEBRUIKERSHANDLEIDING ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN IEIDING De (HA-841K) is een

Nadere informatie

Pajottenlandse Radio Amateurs. De multimeter

Pajottenlandse Radio Amateurs. De multimeter Pajottenlandse Radio Amateurs De multimeter ON3BL 05/03/2013 Wat is een multimeter of universeelmeter? Elektronisch meetinstrument waar we de grootheden van de wet van ohm kunnen mee meten Spanning (Volt)

Nadere informatie

Domotica en communicatie Unica Wireless

Domotica en communicatie Unica Wireless Presentatie P104878 D17 Presentatie Scenario s Draadloos comfort is een gamma draadloze producten die gebruik maken van radiotechnologie (RF) om informatie uit te wisselen. Deze producten zijn uitermate

Nadere informatie

Smoke Alarm FERION 4000 O

Smoke Alarm FERION 4000 O Smoke Alarm FERION 4000 O nl Smoke Alarm Inhoudsopgave nl 3 Inhoudsopgave 1 Graphics 4 2 Inleiding 6 3 Montage 7 4 Onderhoud 9 5 Technische specificaties 10 6 Klantenservice 12 Bosch Sicherheitssysteme

Nadere informatie

HANDLEIDING: AKOESTISCHE GLASBREUKMELDER

HANDLEIDING: AKOESTISCHE GLASBREUKMELDER HANDLEIDING: AKOESTISCHE GLASBREUKMELDER Inhoud INTRODUCTIE... 2 AKOESTISCHE SENSOR... 2 SIGNAALZENDER... 3 INSTALLATIE... 4 OPTIMLAISEER DETECTIE EN VOORKOM VALS ALARM... 4 PLAATS VAN MONTAGE... 5 GEREEDMAKEN

Nadere informatie

Digitale sluitsysteem 3060

Digitale sluitsysteem 3060 Stand: Januari 2004 Inhoudsopgave 1.0 Algemeen werkingsprincipe 3 2.0 De componenten van het digitale sluit- en organisatiesysteem 3060 3 2.1 Software LDB 3 2.2 Programmering 4 2.3 Digitale cilinder 3061

Nadere informatie

Volledig gamma, uniforme stijl. Oog voor detail

Volledig gamma, uniforme stijl. Oog voor detail Discreet design K9 bewijst dat noodverlichting mooi en discreet kan zijn. Het minimalistische ontwerp, de compacte uitvoering en de hoogwaardige afwerking zorgen ervoor dat zowel de signalerings- als de

Nadere informatie

ELEKTRICITEITSKEURING

ELEKTRICITEITSKEURING ELEKTRICITEITSKEURING 1. Wat is een elektriciteitskeuring? Residentiële elektrische installaties dienen regelmatig te worden gekeurd, waarbij wordt gecontroleerd of aan de regels, opgelegd door het AREI,

Nadere informatie

Hieronder volgt een voorbeeld van een detectorlijst, deze lijst moet in digitaal formaat aan STB Security bezorgt worden voor de indienststelling.

Hieronder volgt een voorbeeld van een detectorlijst, deze lijst moet in digitaal formaat aan STB Security bezorgt worden voor de indienststelling. 1 Inleiding Deze verkorte handleiding beschrijft de meest voorkomende aansluitmogelijkheden van de GMC+ brandcentrale en bevat de nodige aansluitschema s. De indienststelling van een nieuwe centrale dient

Nadere informatie

Wat is een :Light emitting diode

Wat is een :Light emitting diode LED Wat is een :Light emitting diode LED is de afkorting van Light Emitting Diode Een led is een diode die licht geeft. De stroom kan er maar in een richting door daarom moet je een led goed aansluiten.

Nadere informatie

Reglement voor de netkoppeling van fotovoltaïsche cellen

Reglement voor de netkoppeling van fotovoltaïsche cellen uitgavedatum 21-01-2014 eigendomsvoorbehoud Infrax Reglement voor de netkoppeling van fotovoltaïsche cellen Inhoud Lijst met afkortingen 3 Algemeen 4 1 PV-installatie

Nadere informatie

2. MODULES. Module Inbedrijfstelling residentiële installatie

2. MODULES. Module Inbedrijfstelling residentiële installatie OPLEIDINGENSTRUCTUUR RESIDENTIEEL ELEKTROTECHNISCH INSTALLATEUR 1. BESCHRIJVING Referentiekaders: WELZIJN OP HET WERK Beroepsprofielen (SERV, oktober 2004) RESIDENTIEEL ELEKTROTECHNISCH INSTALLATEUR Beroepsprofiel

Nadere informatie

Syncro. Multi-loop Analoog adresseerbaar Brandmeldpaneel. Gebruikershandleiding. Issue 27 Feb. 2009 270209fnv1.1. Product Manuals/Man-1057 Syncro User

Syncro. Multi-loop Analoog adresseerbaar Brandmeldpaneel. Gebruikershandleiding. Issue 27 Feb. 2009 270209fnv1.1. Product Manuals/Man-1057 Syncro User Syncro Multi-loop Analoog adresseerbaar Brandmeldpaneel Gebruikershandleiding Issue 27 Feb. 2009 270209fnv1.1 Product Manuals/Man-1057 Syncro User Inhoudsopgave Hoofdstuk Pagina 1. Introductie... 2 2.

Nadere informatie

INSTALLATIE INSTRUCTIES Alleen geschikt als permanente installatie, onderdelen genoemd in de handleiding kunnen niet buiten gemonteerd worden.

INSTALLATIE INSTRUCTIES Alleen geschikt als permanente installatie, onderdelen genoemd in de handleiding kunnen niet buiten gemonteerd worden. NETVOEDINGEN AC-1200 1200.190813 1201EL, 1202EL, 1203EXL, 1205EXL ALGEMENE INFORMATIE Deze netvoedingen zijn alleen bedoeld voor installatie door gekwalificeerde installateurs. Er zijn geen door de gebruiker

Nadere informatie

Nederlandse versie. Inleiding. Hardware installatie. LC201 Sweex Powerline Ethernet Adapter 200 Mbps

Nederlandse versie. Inleiding. Hardware installatie. LC201 Sweex Powerline Ethernet Adapter 200 Mbps LC201 Sweex Powerline Ethernet Adapter 200 Mbps Inleiding Stel de Sweex Powerline Ethernet Adapter 200 Mbps niet bloot aan extreme temperaturen. Plaats het product niet in direct zonlicht of in de dichte

Nadere informatie